Skip to main content

Full text of "Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië"

See other formats


DDR eend tr 
M eit 


…_ eve 
Tere 


+ 


ze 04 at st PL 
sgâeratete 
445! 


p 
eee 
ene 
ed 
em mat ne 
we 


TEE eli 


koistrhsere rad nd 
eter ri Hisdnt pig 
Art en 


rr 


gea pa en 

„agar st 74 

Linser 
‚4 


2 ie, GES 


WANDS. ri 


OMAN, 


m 


d 


ho 


Ref 
- 
8’ 
En 
‚ 


ein 


jn 


re 

* wet. 

nT Pa 
‚n dd 


REVUE DEN DEUX MONDES. 1852, 


Ondanks de groote uitbreiding welke dit Zijdschrif? 
in de jongste jaren ondergaan heeft, ziet de Direktie 
daarvan tegen geene opofferingen op, om het belang 
daarvan te verhoogen. | 

Kosteloos zal op nieuw een Annuaire aan de in- 
teekenaren op den vollen jaargang worden toegezon- 
den, die in belangrijkheid niet zal behoeven onder 
te doen voor het voor geschiedemis, statistiek, enz., 
zoo omvattende Jaarhoek over 1850 — 1851. 

Bovendien zullen, in de Aevue zelve, portretten 
en geographische kaarten worden gevoegd; die gra- 
vures zullen door den beroemden Henrique Dueonr 
en de graveurs der Fransche marine worden uitge- 
voerd, en niet weinig tot verfraaiing van den ech- 
den druk der Pevue verstrekken. Trouwens ook 
voor degelijkheid van den inhoud zal voortdurend 
de meeste zorg worden gedragen. Wetenschappen en 
letteren zullen in hare ontwikkeling binnen- en bui- 
ten ’s lands gezet worden bijgehouden; staatkunde, 
handel en nijverheid steeds door gezaghebbende schrij- 
vers vertegenwoordigd en de aardrijkskundige kennis 
door regtstreeksche verbindtenissen met onderscheidene 
werelddeelen bevorderd worden. 

De inhoud van elke aflevering staat gelijk met een 
gewoon boekdeel van 500 bladz. De prijs van den 
jaargang der Mevue met bijvoeging van de gravuges, 
portretten en den Annuarre is in Nederland, bij 
Gebr. Berivrante, te ’s Gravenhage, f 20.—; te Ba- 
tavia bij Lance & Co. f 83,— met vooruit betaling 
van het jaar. Elke jaargang bestaat uit 24 afleve- 
ringen. Behalve den meerderen spoed en de volle- 
digheid van dezen oorspronkelijken druk, hebben de 
inschrijvers daarop het gevaar niet te beloopen, dat, 
bij het sluiten ven overeenkomsten tot handhaving 
van den letterkundigen eigendom, de nadruk in het 
midden van den jaargang zou kunnen worden ge- 
staakt. 


Á 


El 


GHEL , 


NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT 


VOOR : if 


NEDERLANDSCH INDIË, | 


le UITGEGEVEN DOOR IAS Ps 


| | DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING 


hd 


IN 


NEDERLANDSCH INDIE. 


DERDE JAARGANG. 
Aflevering KH. f 


NE an 
ZDM MUS 


/ 


BATAVIA, 
| | LANGE & Co. 
Ig 1S 5d. 


ALGEMEEN VERSLAG 


WERKZAAMHEDEN 


VAN DE 


NATUURKUNDIGE VEREENIGING 
IN NEDERLANDSCH INDIE, 


OVER HET JAAR 1851, 


VOORGELEZEN IN DE 2DE ALGEMEENE VERGADERING, GEHOUDEN DEN 


ADEN FEBRUARIJ 1852 TE BATAVIA; 
DOOR 


Dr. P. BLEEKER, 
President der Vereeniging, R.O.N. L., 


Lid der Keizerlijke Akademie van Natuuronderzoekers enz. 


Ten tweeden male valt mij de eer te beurt, namens het 
bestuur der Vereeniging, verslag te doen van hetgeen tot bloei 
der Vereeniging en tot uitbreiding der natuurwetenschappen 
in Nederlandsch Indië is verrigt. 

_ Deze taak wordt gemakkelijk gemaakt, omdat het in het 
pas vervlogen jaar niet heeft ontbroken aan veelzijdige werk- 
zaamheden van de leden en aan toenemende belangstelling van 
buiten, terwijl de Vereeniging met rassche doch vaste schreden 
in bloei is vooruitgegaan. En te meer is deze taak ligt te 
vervullen, omdat ik voor het grootste gedeelte slechts heb te 
verwijzen, naar hetgeen reeds door de Vereeniging tot alge- 


meene bekendheid is gebragt. Daaruit is voldoende na te 
UI. 1 


2 


gaan het voornaamste, wat de Vereeniging in den afgeloopen 
jaarkring voor de wetenschap heeft gedaan. 

Alles duidt in Nederlandsch Indië op vooruitgang. De ver- 
schijnselen daarvan zijn voor elken opmerker duidelijk waar- 
neembaar. De koelheid van vroeger dagen voor verbeteringen 
in zedelijkheid, opvoeding, onderwijs, maatschappelijke regten, 
heeft plaats gemaakt voor eene opgewektheid voor het goede 
in alles, welke niet zal nalaten, hare vruchten in nog ruimere 
mate af te werpen, dan tot heden reeds is geschied. En deze 
heilrijke, levendmakende en de maatschappij verjeugende adem 
omvat niet slechts de dadelijke behoeften der Indisch-Europe- 
sche maatschappij, maar ook die der inlandsche bevolkingen 
en de hoogere wetenschappen. 

Overal ter wereld, waar de maatschappij in ontwikkeling 
groote voortschreden maakt, uit zich de volheid, de overvloed 
van haar leven door weldadige uitstrooming naar bui- 
ten, door zucht en streven naar hoogere doeleinden, dan 
voldoening van stoffelijke behoeften. Waar men dit streven 
waarneemt, kan men zeker zijn, dat de maatschappij een 
tijdperk van hoogeren bloei te gemoet gaat. De voorspelling 
voor Nederlandsch Indië is alzoo niet twijfelachtig. 

Gaan wij eenige oogenblikken terug M.H., niet in het ver- 
ledene, maar tot den toestand der Indísch-Europesche maat- 
schappij, nog geene twee tientallen jaren geleden. Welke 
blijken van leven hebben de eerste decenniën dezer eeuw hier 
in het zedelijke en wetenschappelijke nagelaten? Te vergeefs 
zoeken wij naar die vertegenwoordigers van vooruitgang in de 
kunsten en wetenschappen, welke wij gewoon zijn tijdschriften 
te noemen. Tot op pas Í3 jaren geleden bestond in Neder- 
landsch Indië nog geen enkel bepaald periodiek orgaan voor 
eenig vak van wetenschap of kunst, en thans reeds is het 
10de Tijdschrift in zijne geboorte, terwijl twee Jaarboekjes 
voor de fraaije letteren, als liefelijke sterren, aan den Java- 
schen hemel hunnen zachten glans hebben medegedeeld. Wel 
is waar is een dier jaarboekjes:' en zijn de „Kopiiïst”’, het 
„Natuur- en Geneeskundig Archief,” het „Indisch Archief” 


‚e 


RJ 


en het „Tijdschrift ter bevordering van Christelijken zin” weder 
te niet gegaan en is het „Tijdschrift voor Nederlandsch Indië’ 
op den bodem van het moederland overgeplant, doch verheu- 
gen mogen wij ons, dat thans nog d tijdschriften gelijktijdig 
hier bloeijen en de aanstaande bloei van het opgerigt wordende 
Ade tijdschrift niet twijfelachtig is. 

„Die gelijktijdige bloei van verschillende tijdschriften, het 
eene vertegenwoordigende de regtswetenschappen, het andere 
de geneeskundige en het derde de natuurkundige wetenschap- 
pen, allen bestaande naast de aan inhoud steeds rijker wor- 
dende Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van 
Kunsten en Wetenschappen, is een van de sprekendste blijken 
der ontwikkeling van den wetenschappelijken zin in Neder- 
landsch Indië. 

Te midden van deze wetenschappelijke werkzaamheid is onze 
Vereeniging in het leven getreden, en thans, naauwelijks 18 
maanden na hare oprigting, kan van haar gezegd worden, 
dat zij rang begint te nemen tusschen de instellingen van der- 
gelijken aard in Europa. De blijken daarvan zijn nedergelegd 
in hare Openbaar gemaakte werkzaamheden. De laatste afle- 
vering van den 2den jaargang van haar tijdschrift ligt hier 
ter tafel, en deze tweede jaargang overtreft in gehalte aan- 
merkelijk den eersten. Deze wel gewenschte en min of meer 
voorspelde, maar niet bepaald verwachte gunstige uitkomst is 
te danken aan de levend makende kracht, welke onze Veree- 
niging en haar orgaan hebben geoefend op de natuurkundigen 
in deze’ gewesten, aan welker kiemende of teruggehoudene 


werkzaamheid de weg werd geöpend, om de vruchten van 


hunne nasporingen spoedig tot algemeene bekendheid te doen 
geraken. Die gunstige uitkomst is tevens en niet minder te 
danken aan de belangstelling van velen onzer leden, die, 


hetzij door eigen onderzoekingen, hetzij door. toezending van 


belangrijke voorwerpen of verzamelingen, de direktie in de 
gelegenheid hebben gesteld, daarmede de wetenschap te ver- 
rijken. 

De direktie vervult daarom gaarne de taak, hare erkente- 


4 


lijkheid te betuigen aan de HH. leden G. F. pe Bruun Kors, 
S. BiNNenNpijK, J. Grorn, J. Haarman Jcz., C. Herer, C. F. A. 
SCHNEIDER, J. E. TeismanN en G. Wassink, die zich jegens de 
Vereeniging hebben verdienstelijk gemaakt door het inzen- 
den van schriftelijke bijdragen; alsmede aan de heeren J. G. 
X. BroexKmeieErR, Mr. A. G. Brouwer, G. F. pe Bruun Kors, 
D. Buur, G. GC. Daum, Dr. J. Eintnoven, J. M. van Leer, 
J. E. van Leeuwen, M. T. Rercue, D. FE. Scraar, H. W. 
SCHWANENFELD en J. Worrr, die min of meer belangrijke ver- 
zamelingen van naturaliën der Vereeniging hebben aangeboden. 

Niet minder aangenaam is de taak der direktie, hier den 
dank der Vereeniging uit te drukken aan het Gouvernement 
dezer gewesten, voor de welwillendheid en bereidvaardigheid, 
waarmede het der bereiking van de bedoelingen der Vereeni- 
ging bij voortduring bevorderlijk is, door het aanbieden ter 
opname in hef tijdschrift der Vereeniging van belangrijke 
stukken, welker publiekmaking tot den werkkring onzer in- 
stelling behoort. Aan dezen verlichten zin der regering is het 
te danken onder anderen, dat de geographische, statistische en 
geologische verhandelingen van de HH. Corrs. pe Groor, Mr. D. 
W. C. BARON VAN LINDEN, H. von GAFFRON en van wijlen H. 
L. Osrnorr en handelende over Bawean, Solor, Allor, Rotti, 
Savoe, Borneo en Sumatra, ter kennis van het wetenschappe- 
lijke publiek gebragt zijn kunnen worden. - 

Evenmin als in het eerste algemeen verslag van de verrig- 
tingen onzer instelling, zal de direktie zich veroorloven, een 
oordeel over den 2den jaargang des tijdschrifts uit te spreken, 
welk oordeel behoort te worden gelaten aan het wetenschap- 
pelijke publiek buiten haar. 

Wel echter verdient hier vermelding, dat de werkzaamheden 
onzer Vereeniging zich geenszins hebben bepaald tot de uitgave 
slechts van haar tijdschrift. De vergaderingen der direktie 
hebben minstens tweemaal ’s maands plaats en strekken niet 
slechts ter bespreking van de belangen des tijdschrifts, maar 
hebben tevens het doel, de behandeling van die onderwerpen, 
welke in het natuurwetenschappelijke nog onbesliste punten 


5 


zijn, alsmede te beraadslagen over die middelen, welke dien- 
stig kunnen zijn, om den wetenschappelijken zin in Neder- 
landsch Indië op te wekken en den bloei der natuurweten- 
schappen en dien onzer instelling te verhoogen, terwijl daarin 
tevens worden ter tafel gebragt en besproken de naturaliën , 
welke der Vereeniging van elders worden aangeboden. 

Het ligt in den aard onzer instelling, dat, behalve de ver- 
gaderingen der direktie, nog gehouden worden gewone verga- 
deringen, tot welker bijwoning alle te Batavia aanwezige leden 
worden uitgenoodigd. Deze vergaderingen hebben ten doel, 
het houden van bepaalde wetenschappelijke voordragten en 
mededeelingen, zoowel door de leden des bestuurs als door 
de gewone leden. Van deze vergaderingen hebben er in den 
loop van het vorige jaar drie plaats gehad, allen ten huize 
van ons honorair lid Z. H. K. B. Herroe van Saxsen Wemtan 
ErsenacH, die daartoe met welwillendheid zijne woning heeft 
afgestaan. Deze vergaderingen hebben de belangstellende bij- 
woning van de ter hoofdplaatse aanwezige leden mogen on- 
dervinden en zijn zonder twijfel den daarbij tegenwoordig 
geweest zijnde leden nog aangenaam in het geheugen. Volgens 
een in de eerste maanden van het vervlogen jaar genomen 
besluit zijn de notulen dezer vergaderingen in het tijdschrift 
opgenomen. 

De toevloed van schriftelijke bijdragen is van dien aard 
geweest, dat de direktie heeft moeten besluiten, aan het tijd- 
schrift een’ grooteren omvang te geven dan aanvankelijk was 
bepaald. Terwijl toch ín het prospectus van het tijdschrift 
was gezegd, dat één jaargang uit ongeveer 30 vellen druks 
zou bestaan, is reeds de tweede jaargang tot een volumen 
van 43 vellen geklommen en dus meer dan Vs in omvang 
toegenomen, zonder dat evenwel de inteekeningsprijs is ver- 
hoogd geworden. En thans, nu-de tweede jaargang is vol- 
tooid, zal de direktie tot eene nieuwe uitbreiding moeten 


overgaan , indien niet geldelijke bezwaren zich daartegen ver- 
heffen. 


6 


Thans zijn reeds beschikbaar voor den derden jaargang de 
volgende bijdragen. 


Geognostisch uitstapje naar de zuidkust van Ceram, door C. 
F. A. SCHNEIDER. 

Over minerale wateren van Java, door Dr. P. W. Korraars. 

Waarnemingen voor de astronomische plaatsbepaling van 
Batavia, door S. H. pr Lanaer. 

Bijdrage tot de geologische kennis van Blitong, door Corns. 
DE GROOT. 

Nog iets over de Manihot utilissima of Maniok en Cassave 
in Amerika (Obi dangdur op Java), door J. E. Trus- 
MANNe 

Rapporten over de drooging met ondergrondsleidingen op 
Java, door Dr. P. F. H. Frousrra en P. Dranp. 

De zoogenaamde witte stof , afgescheiden door het Kochenille- 
insekt, scheikundig onderzocht door D. W. Rost van 
TONNINGEN. 

Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Singa- 
pore, door referent. 

Bydrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Suma- 
tra, door referent. 

Scheikundig onderzoek van het minerale water Banjoe assin, 
door P.J. Marer. 

Bijdrage tot de kennis der zoetwaterfauna van Blitong, door 
referent. 

Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Túmor, 
door referent. 

Bydragen tot de flora van Nieuw-Guinea, Banda, Amboina, 
Timor en Celebes, nagelaten door ZrrPeLus. 

Over de oorzaken van de mislukking der koffijkultuur in 
Kadoe, door Dr. P. F. H. Frougrre: 


Evenzeer als wij ons mogen verblijden over deze mede- 


‘werkende deelneming in ons tijdschrift, hebben wij ook re- 


den, om ons te verheugen over de onverwachte ondersteuning 


daarvan door betrekkelijk talrijke inteekeningen. In het vo- 


\ 


7 


rige algemeen verslag is mededeeling gedaan, dat toen (Fe- 
bruarij 1851) ruim 100 inteekeningen het tijdschrift hadden 
vereerd. Sedert is het aantal inteekeningen tot ruim 170 
geklommen en houdt zich sedert eenige maanden op dat ge- 
tal staande, niettegenstaande enkele inteekenaren voor verdere 
deelneming daaraan hebben bedankt en anderen zijn overleden 
of naar Europa vertrokken. Dit aantal is te meer opmerke- 
lijk, omdat de HH. leden van het Bataviaasch Genootschap 
van Kunsten en Wetenschappen in Nederlandsch Indië , wegens 
de aan het tijdschrift verleende en hier nogmaals dankbaar 
erkende geldelijke ondersteuning van dit Genootschap, elk 
een exemplaar van het tijdschrift gratis ontvangen en overi- 
gens het Indische publiek, van hetwelk deelneming verwacht 
kon worden, nog weinig talrijk is. Deze ruimere deelneming 
dan vermoed was, heeft er toe geleid, de oplage van het 
tijdschrift van 500 op 600 exemplaren te brengen, zijnde 
van den eersten jaargang reeds geene exemplaren meer be- 
schikbaar. 

Het is u reeds bekend M.H., dat 50 exemplaren van het 
tijdschrift geregeld werden gezonden aan den boekhandelaar 
Van HennineeN te Utrecht. Van dezen boekhandelaar is echter 
tot nog toe geen berigt ontvangen, omtrent hetgeen hij in 
Nederland tot verbreiding van het tijdschrift heeft gedaan of 
niet gedaan, en daar in Nederland geklaagd wordt over de 
niet- of moeijelijke verkrijgbaarheid van hetzelve, heeft de di- 
rektie besloten, de aan den heer Van HeisninGEN gezondene 
exemplkren terug te verzoeken en ze te doen geworden aan 
den boekhandelaar Van per Post te Utrecht, met uitnoodi-_ 
ging om ze verder in den boekhandel in Nederland te bren- 
gen. | E 

Overeenkomstig de bepaling, vermeld in het vorige algemeen 
verslag, zijn exemplaren van het tijdschrift verzonden aan de 
voornaamste wetenschappelijke genootschappen in Nederland 
en het overige Europa, alsmede aan de Asiatic Society te 
Calcutta. 


. Ö 


Ik moet thans overgaan tot de vermelding van eenige an- 
dere verrigtingen en beslaiten der Vereeniging gedurende het 
afgeloopen jaar. Deze hebben betrekking tot 

a. De herziening van: het reglement der Vereeniging. 

b. De oprigting van eene bibliotheek en museum. 

c. Het tot stand brengen van eene tentoonstelling te Batavia 
van de produkten der natuur en der industrie van den 
Indischen Archipel. 

d. De benoeming van Korresponderende en Gewone leden. 

In artikel 37 van het reglement der Vereeniging is bepaald, 
dat het reglement aan eene herziening zal onderworpen worden 
tegen het einde van het jaar 1851-— Gedurende het in werking 
zijn van het reglement is gebleken, dat het eenige wijzigingen 
behoeft, en in opvolging van gezegd artikel heeft de direktie 
een ontwerp opgemaakt van nieuwe wetten, hetwelk zoo aan- 
stonds aan de beoordeeling der Vergadering zal worden onder- 
worpen. 

Wat de oprigting van eene bibliotheek en museum betreft, 
hiervoor zijn de eerste grondslagen gelegd. Reeds is de Ver- 
eeniging vereerd met eenige boekgeschenken en met verschil- 
lende naturaliën, door hare leden en deels door buiten Indische 
geleerden aangeboden. Daar evenwel de Vereeniging tot nog 
zonder geldelijke kontributie der gewone leden bestaat, zijn 
geene fondsen beschikbaar tot spoedige en krachtige uitbrei- 
ding van de boekerij en verzamelingen der Vereeniging; doch 
de direktie, vertrouwende op de belangstelling van het weten- 
schappelijke publiek, noodigt een ieder uit, tot die uitbreiding 
bij te dragen, door het aanbieden van boekwerken of natura- 
liën, zullende daarvan in het tijdschrift dankbaar melding wor- 
den gemaakt. 

Eene andere verrigting onzer Vereeniging in het belang der 
wetenschap en der industrie is geweest, de benoeming eener 
Kommissie uit haar midden voor het tot stand brengen te Ba- 
tavia van eene Tentoonstelling van produkten der natuur en der 
industrie van den Indischen Archipel. Het denkbeeld daarvan 
heeft zich ontwikkeld uit een voorstel van onzen sekretaris, 


9 


den heer H. D. A. Smrrs, ten doel hebbende , hier eene kom- 
missie daar te stellen ter verzameling van voorwerpen van 
Indischen volksvlijt voor de in Julij dezes jaars te houden 
tentoonstelling te Arnhem. Dit voorstel, hetwelk door de 
direktie gereedelijk werd toegejuicht, heeft aanleiding gegeven 
got het raadplegen over deze aangelegenheid van eenige voorna- 
me ingezetenen ter dezer hoofdplaatse, met name de HH. L. M. F. 
Prater, P. van Rees, E. W. Cramerus, A. A. Reen en B. J. Weimar 
en eene bijeenkomst, met deze heeren gehouden, heeft geleid tot 
eene wijziging in het voorstel van den heer Súrrs, hierop neder- 
komende, dat men zou trachten, ih plaats van voorwerpen 
bijeen te brengen voor de bedoelde expositie te Arnhem, 
eene tentoonstelling ter dezer hoofdplaatse zelve in het leven 
e roepen. Tot deze wijziging werd men geleid door de over- 
weging, eensdeels dat de nog beschikbare tijd voor het ver- 
zamelen van voorwerpen voor de aanstaande Arnhemsche ten- 
toonstelling te kort zou zijn, en ten andere, dat eene tentoonstel- 
ling ter dezer hoofdplaatse geheel zou wezen in het belang der 
industrie in Nederlandsch Indië en krachtig tot de ontwikke- 
ling daarvan zou kunnen bijdragen. De Vereeniging is omtrent 
deze, in haar oog belangrijke, aangelegenheid getreden in 
| briefwisseling met het gouvernement en het is der direktie 
een genoegen, te kunnen mededeelen, dat haar plan bij de 
regering weerklank heeft gevonden en dat het gouvernement 
de toezegging heeft verleend, om de verrigtingen ten onder- 
werpelijke zake der Vereeniging krachtdadig te ondersteunen. 

De direktie heeft voorts gemeend, zich te moeten vereeni- 
gen met het gevoelen der regering, dat, zal de onderwerpe- 
lijke tentoonstelling beantwoorden aan hare bedoeling, eene 
tijdruimte moet gelaten worden, voldoende, om ook de bui- 
tenbezittingen er behoorlijk vertegenwoordigd te kunnen heb- 
ben, en zij heeft daarom besloten, de expositie vast te stellen 
tegen de maand September 1853. Na deze voorloopige regeling is 
de direktie verder te rade geworden, om te trachten, in het 
belang der zaak, te geraken tot de vorming eener Algemeene 
Kommissie, zamengesteld uit de kommissie uit den boezem der 


10 


Vereeniging, bestaande uit de heeren Corxs. pe Groor, P. J. 
Mater, P. Baron Mervirn van CannBee en H. D. A. Saurs; 
voorts uit de vijf heeren, hierboven genoemd; alsmede uit de 
heeren S. D. Scurmrr, direkteur der kultures, W. J. van De 
Graarr, direkteur der middelen en domeinen, Dr. W. Boscu , 
Chef der Geneeskundige dienst en president van het Bataviaasch 
Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, D. van Scnreven, 
president der Afdeeling Batavia van de Maatschappij tot nut 
van het algemeen, J. TrouPp, hoofd-ingenieur van den wa- 
terstaat, E. A. Scmirr, ontvanger der inkomende en uitgaande 
regten te Batavia, C. Denninenorr, rijtuig-fabrijkant, A. Fraser , 
koopman, J. T. Bik, landeigenaar , en uit nog eenigen der 
voornaamste vertegenwoordigers van de industrie en landbouw 
in deze gewesten. Het is het voornemen der direktie om, 
na tot stand koming dezer algemeene kommissie, het verdere 
beleid dezer aangelegenheid aan haar over te dragen. 

Ik kan thans gevoegelijk overgaan tot de vermelding der 
sedert de laatste algemeene vergadering plaats gehad hebbende 
benoemingen. 

Blijkens «het vorige algemeen verslag was het voornemen - 
der Vereeniging, om niet tof de verkiezing van Korresponde- 
rende leden over te gaan, dan nadat de fste jaargang van het 
tijdschrift in Europa bekend zou zijn en de Vereeniging vas- 
ter gevestigd. Er bestaan sedert eenige maanden geene rede- 
nen meer, om die benoemingen niet te doen plaats hebben 
en de direktie heeft daarom in hare vergadering van 19 Ja- 
nuarij j.l. uit eene opgemaakte lijst van kandidaten tot MKor- 
responderende leden verkozen de HH. 


C. L. Bruur, Hoogleeraar te Leiden, R. O.N.L. enz. 

S. G. van Brrpa, Hoogleeraar, Sekretaris van de Holland- 
sche Maatschappij vaan Wetenschappen te Haarlem, enz. 

J. van per Hoeven, Hoogleeraar te Leiden, R. O. N. L. enz. 

F. Kaiser, Hoogleeraar te Leiden, enz. 

R. Logarro, Hoogleeraar te Delft, R. O.N.L., enz. 

F. A. G. Mrquer, Hoogleeraar te Amsterdam, enz. 

G. J. Murper, Hoogleeraar te Utrecht, Komm. O. N. L., enz. 


11 


R. van Rees, Hoogleeraar te Utrecht, R.O.N. L., enz. 

G. Smrons, Direkteur der Koninklijke Akademie te Delft, enz. 

C. J. Temminck, Direkteur van ’s Rijks-Museum van Natuur- 
lijke geschiedenis te Leiden, R.O. N. L., enz. 

W. Vrorik, Hoogleeraar te Amsterdam, R.M. W. O., enz. 


Voorts is sedert de jongste algemeene vergadering het Ge- 
woon lidmaatschap aangeboden aan de volgende HH. 


A. J. AnpreseN, Majoor der infanterie, kommandant der 
troepen in Westelijk Borneo, R. M. W.O. 

T. Arriëns, Kontroleur ste kl. te Magelang. 

S. BINNENDIJK, Adsistent hortulanus bij ’s lands plantentuin 
te Buitenzorg. 

S. L. BrANKENBURG, Officier van gezondheid íste kl. te Bata- 
via. 

J. G. X. Brorkueuer, Officier van gezondheid 2de kl. te 

Pasoeroean. 

Mr. A. G. Brouwer, te Batavia. 

G. C. Daum, Adjunkt-administrateur bij Z. M. marine. 

H. von DewarrL, Civiel-gezaghebber ter zuidoostkust van 
Borneo. 

H. von Garrron, Direkteur der steenkolenmijnen te Oranje 
Nassau (Borneo). 

Jkhr. T. J. H. Gevers, Kapitein der genie te Willem I. 

J. Haerman Jcz., Ambtenaar te Soerabaja. 

Dr. J. Hartrzrerp, Officier van gezondheid fste kl. te Am- 
boina. 

C. Herer, Sekretaris van Z. H. K. B. Hertoa vAN SAKSEN 
Weimar EiseNaca. 

_P. Jakes, Officier van gezondheid 2de kl. ter Sumatra’s 

Westkust. 

J. M. van Leer, Officier van gezondheid fste kl. te Palem- 
bang. 

J. E. Van Leeuwen, Kontroleur Íste kl. te Patjitan. 

Mr. D. W. J. C. Baron vaN LinpeN, Resident van Timor. 


12 


H. Ravenswaars, Administrateur van ’s Rijks magazijn van 
geneesmiddelen te Batavia. 

M. T. Rercne, Officier van gezondheid 2de kl. te Batavia. 

D. F. Scnaap, Resident van Banka. 

A. Scranter, Apotheker 3de kl. bij het groot hospitaal te 
Weltevreden. 

S. D. Scumrr, Direkteur der kultures , R. O.N. L., te Batavia. 

Dr. F. C. Scrwrr, Officier van gezondheid 2de kl. te Pa- 
dang. 

FE. Semurr, Officier van gezondheid fste kl. te Batavia. 

C. F. A. Scuneimer, Officier van gezondheid 3de kl. bij Z. 
M. marine. ij 

C. H. G. Srruerwarp, Luitenant kolonel der artillerie, R. 
O. N. L. en Ridder der Zwaardorde van Zweden en 
Noorwegen, te Batavia. 

V. BARON VAN TUIJLL VAN SEROOSKERKEN, Kamerheer van Z. M. 
den Koning der Nederlanden , tijdelijk te Batavia. 

D. J. Uarengeck, Kapitein der genie, R. M. W. O., te Padang. 

G. Wassink, Dirigerend officier van gezondheld áste kl., 
R.M. W.O., te Batavia. 

D. F. Worrson , Luitenant ter zee 2de kl, R. O.N. L. 


Overeenkomstig artikel 15 van het: reglement der Vereeni- 
ging zijn de President, Sekretaris en Hoofdredakteur der Ver- 
eeniging op het einde van het vorige jaar afgetreden. Bij de 
nieuwe verkiezingen zijn de keuzen voor die betrekkingen bij 
akklamatie op dezelfde personen uitgebragt en hebben zij de 
nieuwe verkiezingen aangenomen, zoodat in de leiding der 
Vereeniging en de redaktie van het Tijdschrift geene veran- 
dering is gekomen. 

Der direktie is een gevoelige slag toegebragt door het over- 
lijden van den heer ScnwaneR, die in den bloei zijner jaren 
van haar is weggenomen en van wien zij regt had nog veel 
te verwachten. De Vereeniging heeft hulde gebragt aan.zijne 
nagedachtenis in het levensberigt, voorkomende in de 2de 
aflevering van den 2den jaargang van het tijdschrift. 


18 


Voorts hebben de volgende bewegingen in de direktie plaats 
gehad. 

Teruggekomen te Batavia, de heer Corns. pr Groor, van 
onderzoekingsreizen in Oost-Java, op Madura, Bawean en 
Blitong (sedert weder vertrokken naar Soerabaja). 

Vertrokken naar Padang, de heer J. C. R. Sreinmerze 

Gekozen tot lid der direktie de heer S. H. pr Lanae. 

Vertrokken naar Menado, de heer S. H. pr Lanar. 

Overigens heeft de Vereeniging zich te verheugen, dat geen 
der gewone leden haar in het afgeloopen jaar door den dood 
ontvallen is. | 

Het is echter niet dan met een smartelijk gevoel, dat de 
direktie hier melding moet maken van eene voor de Veree- 
niging te betreuren omstandigheid. Ik bedoel het vertrek naar 
Europa tot herstel van gezondheid van ons honorair lid Z. H. 
K. B. Herron vaN SaKSEN Weimar EisenNacn. Heeft onze Ver- 
eeniging veel van hare kracht ontvangen door den onvermoei- 
den ijver harer leden, véél heeft zij ook te danken aan den 
opwekkenden en beschermenden invloed, welke Z.H. op haar 
had en ten haren nutte gedijen deed. Terwijl de direktie de 
verpligting op zich voelt rusten, zulks hier met erkentelijkheid 
te gedenken, drukt zij den wensch uit, welke gewis die van 
ons allen is, dat de zoo zeer geschokte gezondheid van den 
edelen vorst spoedig moge herstellen en hij moge behouden 
blijven voor alle gewigtige belangen, welke aan zijn kostbaar 
leven zijn verbonden. 

Vier onzer gewone leden, de HH. G. M. Bieckmann, C. Herer, 
P.F. Uurenpeek en H. A. Mopperman zijn naar Nederland terugge- 
keerd. Vleijen wij ons, dat deze heeren, in het moederland 
aangekomen, voor de Vereeniging werkzaam zullen blijven en 
hare belangen aldaar bevorderen. 


Ten opzigte van de finantiële aangelegenheden der Vereeni- 
ging acht de direktie zich gehouden, de volgende opmerkingen 
onder de aandacht der vergadering te brengen. 


14 


Gedurende het thans anderhalfjarig bestaan onzer instelling 
is geene kontributie, van welken aard ook, van de gewone 
leden noodig geoordeeld. Tot nu toe zijn alle kosten door 
de leden van het bestuur gedragen. De vergaderingen der 
direktie hebben bij afwisseling plaats gehad ten huize van een 
der leden des bestuurs en voor de gewone vergaderingen heeft 
ons honorair lid Z. K. K. B. Hertoe van Saksen Wervar Er- 
SENACH telkenmale met welwillendheid zijne woning geöpend 
niet alleen, maar ook met vorstelijke gulheid getracht, die 
vergaderingen den leden in alle opzigten aangenaam te maken. 
Bij het ontwerpen der nieuwe wetten is op nieuw ter sprake 
gebragt, de noodzakelijkheid of niet noodzakelijkheid voor de 
Vereeniging van gelden, voortspruitende uit eene bij de wet 
te bepalen of vrijwillige bijdrage, en, hoezeer voor het jaar 
1852 geene geldelijke belemmeringen van eenig belang in de 
handelingen der Vereeniging zijn te vreezen, is de wensche- 
lijkheid blijkbaar geworden, dat de Vereeniging over eenige 
vaste inkomsten zou kunnen beschikken, om hare werkzaam- 
heden uit te breiden en in sommige zaken van geldelijke ge- 
volgen het initiatief te kunnen nemen. De direktie gaat echter 
ongaarne tot zoodanig voorstel aan de vergadering over en 
heeft het beter geoordeeld, de behandeling van dit punt tot 
het jaar 1853 te verschuiven en voor het tegenwoordige slechts 
aan de HH. leden en het belangstellende publiek kenbaar te 
maken, dat donàtiën van gelden met erkentelijkheid zullen 
worden ontvangen en dat daarvan onder dankbetuiging melding 
zal worden gemaakt in het tijdschrift der Vereeniging, terwijl 
jaarlijks openlijk verantwoording der ontvangen gelden zal 
worden gedaan. 


Ik heb thans gemeld het belangrijkste, wat door onze Ver- 
eeniging is verrigt en wat in haren boezem is voorgevallen. 
Vragen wij thans, of zij aan het doel harer instelling heeft 
beantwoord, dan mogen wij gerustelijk het antwoord van het 
publiek te gemoet zien. Want al is het waar, dat het veld, 
in deze gewesten te beploegen, onafmetelijk is, aan de andere 


15 


zijde is het even waar, dat het aantal arbeiders daarop niet 
met zijnen omvang in evenredigheid staat; dat alzoo nog veel 
gronds braak moet blijven liggen; maar ook, dat de betrek. 
kelijk weinige arbeiders niet nagelaten hebben te ontginnen ; 
wat zij ontginnen konden. Moge dat aantal arbeiders steeds 
toenemen. Mogen ook velen, die tot nog toe uit eene minder 
goed geplaatste zedigheid zich hebben laten terughouden, om 
zelfstandig in de wetenschap op te treden, hunne talenten en 
kennis niet ongut voor de wetenschap en de menschheid laten 
verloren gaan. Mogen ook andere mannen van kennis en 
talent, wie het welligt slechts aan opgewektheid ontbreekt, 
door de pogingen der Vereeniging worden aangespoord, om 
het hunne bij te dragen tot uitbreiding onzer kennis. 

De groote bewegingen dezer eeuw in het maatschappelijke 
hebben hunnen grond in de verbazende ontwikkeling, welke 
de jongste halve eeuw in de kennis van de natuur der dingen 
heeft aangebragt. Waarheen gij den blik rigt, op handel, 
industrie of landbouw, overal ontwaart gij de uitgebreidere 
kennis ‚der natuur en harer voortbrengselen als grondslag van 
die onmetelijke vooruitgangen in alles, welke in eene vroegere 
eeuw als hersenschimmig zouden zijn uitgekreten. 

Wij zijn in een gewest MH., waar de wetenschap, nog meer 
dan in andere beschaafde landen , geroepen is, de natuurlijke 
rijkdommen op te sporen en de eigenschappen der natuur op 
groote schaal aan de belangen der menschheid dienstbaar te 
maken. Wij zijn bovendien gelukkig in een’ tijd, waarin po- 
gingen ten algemeenen nutte en ter uitbreiding van kennis, 
bij het gouvernement dezer gewesten weerklank vinden. Wat 
den omvang en keuze der nasporingen betreft, kunnen alzoo 
voor praktische wetenschappelijke mannen naauwelijks gunsti- 
gere omstandigheden bestaan; — en, alhoewel hier een groote 
hinderpaal in de praktische beoefening der natuurwetenschap- 
pen gelegen is in de ambtelijke betrekkingen van de meesten 
onzer, die daardoor veelal aan eene bepaalde standplaats ge- 
bonden zijn, en andere bezwaren gelegen zijn in de kostbaar- 
heid van het reizen en in de onvolledigheid van letterkundige 


16 


hulpmiddelen, zijn die belemmeringen niet onoverkomelijk en 
bestaan reeds de voorbeelden, dat het tegenwoordige gouver- 
nement genegen is, gedeeltelijk daarin te gemoet te komen, 
door de reizen van natuuronderzoekers , al zijn die reizen niet 
in dienst ondernomen, gemakkelijker en minder kostbaar te 
maken. | 

Dat alzoo geen van ons alle stilsta en het over een jaar te 
geven verslag te vermelden hebbe, den steeds toenemenden 
vooruitgang op den door de Vereeniging en hgre leden inge- 
slagen weg. 


NOTULEN VAN DE ALGEMEENE VERGADERING DER 


NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDER- 
LANDSCH INDIE, 


GEHOUDEN OP DEN 4DEN FEBRUARIJ 1852, IN DE VERGADERZAAL VAN 


HET BATAVIAASCH GENOOTSCHAP VAN KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN. 


De vergadering heeft plaats des avonds ten 8 uur. 
Tegenwoordig zijn de 


Dirigerende leden: 


De HH. Dr. P. Brerkern, President. 
B P. BARON MELVILL VAN CARNBEE. 
sh D. W. Rosr van TONNINGEN. 
H H. D. A. Smirs , Sekretaris. 
zijnde de heer P. J Marer door ziekte verhinderd de vergade- 
ring bij te wonen en de overige leden der direktie, de HH. 
J. H. Croockewir, Corns. pe Groot, S. H. pe Lange en J. 


CG. R. Sremnmerz van Batavia afwezig. 


Het Honorair lid 


Dr. W. Boscu, vereert de vergadering met zijne tegenwoor- 
digheid. 
Voorts nemen deel aan deze vergadering de 
Gewone leden » 
De HH. L. W. Berserinck. 


5 J. Munnicu , 
55 M. T. Reicne. 
# À. SCHARLEE. 
He S. D. Scuipr, 
A C. H. G. STEUERWALD. 
att V. BARON VAN KolJLL VAN SEROOSKERKEN. 
Ie G. Wassink. 
HI. A 


18 


Àls gasten waren tegenwoordig 


De HH. E. W. Cramerus. 
à Mr. L. W. C. Kevcnenius. 


4 P. Munrnicu. 

8 E. NerscHer. 

5 B. M. PariPPEAU. 
7 H. A. SCHREUDER. 
há D. VAN SCHREVEN. 
5) J. Troxe. 


ie F.J. WiLLER. 


De President, de vergadering geopend hebbende, verwel- 
komt de nieuw benoemde leden en de gasten, welke, tot het 
bijwonen dezer bijeenkomst uitgenoodigd, haar met hunne te- 
genwoordigheid vereeren. 

Hij deelt voorts mede, dat deze vergadering, wegens om- 
standigheden, onafhankelijk van de direktie, niet heeft kunnen 
plaats hebben in de maand Januarij, zooals bij het reglement 
der Vereeniging is bepaald. 

Daarop leest hij voor het Algemeen verslag van de werk- 
zaamheden der Vereeniging gedurende het jaar 1851. Het 
besturend lid de heer Corrs. pe Groor, had het voornemen 
gekoesterd, in deze vergadering mededeeling te doen van de 
resultaten zijner onderzoekingen naar de geognostische en mi- 
neralogische gesteldheid van het eiland Blitong (Billiton), waarin hij 
echter verhinderd is geworden, doordien zijne reis naar Soera- 
baja niet tot na de vergadering vertraagd kon worden. 

Evenzoo had het lid de heer Dr. O. J. G. Mounike toege- 
zegd, in deze vergadering ter tafel te zullen brengen de verza- 
meling van mineralen, welke hij van Japan heeft medegebragt 
en daarbij te spreken over de resultaten zijner natuurkundige 
onderzoekingen in gezegd rijk. Eenige uren voor de vergade- 
ring deelde de heer Mourik mede, dat hij door ongesteldheid 
verhinderd was aan zijne toezegging gevolg te geven. 

Na mededeeling hiervan vertoont de President eene verza- 


19 


sfneling petrefakten , door het lid den heer J. B. van LeEUWEN 


_bijeengebragt en afkomstig van de kalkbergen van Pangool 
“in Patjitan, waar zij in groote menigte nabij de oppervlakte, 


400 tot 600 voeten boven de zeevlakte, voorkomen. Deze 
petrefakten , meestal molluskenschalen en echinodermen uit de 
tertiaire formatie, zijn een bewijs te meer van de uitgebrefdheid 
der sedimentformatiën, waaraan Java vroeger gemeend werd 
zeer arm te zijn, doch waarvan in de laatste jaren uit zeer 
verschillende streken van Java zeer belangrijke specimina zijn 
bekend geworden uit zuidelijk Bantam, uit de kalkbergen op 
de grenzen van Bandong en Tjandjor, uit de zuidoostelijke 
distrikten van de Preanger Regentschappen, uit de kalkbergen 
van Cheribon, uit die van Grobogan en uit de zuidelijke dis- 
trikten van de residentie Bezoeki, Voor de geognosie en ge- 
ologie van Java is het thans nog een der voornaamste gege 
vens, de palaeontologische verhoudingen op te helderen; doch 
zulks is vooreerst op Java zelf nog moeijelijk uitvoerbaar, daar 
wegens gemis eener voldoende literatuur over de Palaeontolo- 
gie, de bepaling der soorten van planten en dieren uit de 
vroegere scheppingsperioden grootendeels ondoenlijk is. 

Hierna wordt het ontwerp van de Nieuwe wetten der Ver- 
eeniging voorgelezen door den sekretaris. Niemand der te- 
genwoordig zijnde leden daarop eenige aanmerking makende, 
worden deze wetten met algemeene stemmen aangenomen, 
terwijl tevens wordt bepaald, dat zij in het tijdschrift der 
Vereeniging zullen worden opgenomen. 

De heer H. D. A. Surrs vertoont eenige afdrukken van 
platen, welke gevoegd zullen worden bij het in een der eer- 
ste nummers van den derden jaargang van het tijdschrift der 
Vereeniging op te nemen verslag van den heer Corns, DE 
Groor over het eiland Blitong (Billiton). Hij maakt daarbij 
opmerkzaam op den aanmerkelijken vooruitgang der lithogra- 
phie in Nederlandsch Indië en deelt voorts mede, dat ook 
eene nieuwe kaart van het thans zoo belangrijke eiland Blitong 
ter perse is en insgelijks binnen kort zal worden openbaar 
gemaakt. 


20 


Geen der leden verder het woord verlangende, sluit de 
President de vergadering, onder dankbetuiging aan de tegen- 
woordig zijnde heeren voor hunne belangstelling, betoond door 
het bijwonen dezer algemeene bijeenkomst. 


Batavia, 4 Februarij 1852. 
Mij bekend: 


De Sekretaris, 


HB. D. A. Sarrs. 


ng 


N 


ren Erie Ald dal Pd 


J.C. R. Sreinmerz, Majoor der genie. 


NAAMLIJSN T 


DER 


LEDEN VAN DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDER- 


LANDSCH INDIE, OP DEN 4pen FEBRUARIJ 1852. 


Besturende leden. 


Dr. P. Brreken, President, R.O.N.L. 

Dr. J. H. Croockewir Cz. 

Corns. pe Groor, Ingenieur van het mijnwezen 
men. T. 

P. J. Marer, Apotheker Íste klasse. 

P. Baron MervirL van CannBeeE, Luit. ter zee 
iste kl. R.O.N.L., B. Leg. van Eer. 


H. D. A. Sarrs, Sekretaris, Luit. ter zee Äste 
el ON. L. 
D. W. Rost van TonnisceN, Apotheker 2de klasse 


S. H. pr Laree, Geographisch ingenieur v. N. Indië. 
Honsraire leden. 


Z. H. K. B. Herroe van Saksen Weimar ErsenacH, 
Generaal der infanterie, Kommandant van het In- 
disch leger, Grootkr. M. W. 0., Grootkr. 0. N. L. 
Grootkr. der Badorde, Grootkr. 0. Leg. van Eer, 
enz. enz. enz. d 5 d n É : 

Dr. W. Bosen, Chef der geneesk. dienst in Nederl. 
Indië, President van het Batav. Gen. van Kunsten 


en Wetenschappen, R.O.N.L. enz. 
Korresponderende leden. 


C. L. Brome, Hoogleeraar te Leiden, R.0O.N. L. enz. 
S G. van Brepa, Hoogleeraar , Sekretaris van de Hol 


landsche Maatschappij van Wetenschappen te Haar- 
lem enz. 5 ; - 


Oprigters der 
Vereeniging. 


Datum van Benoeming. 


31 Oktober 1850. 
27 December » 
13 Mei 


1851. 


6 Februarij 1851. 


18 Januarij 


18 


1852. 


» 


22 


Korresponderende Leden. Datum ven Benoeming. 


J. van per Hoeven, Hoogleeraar te Leiden, R.ON,L.. 
enz. 


13 Januarij 1852. 


F. Karser, Hoogleeraar te Leiden enz. . . 13 » » 
R. Lorarro, Hoogleeraar te Delft, R.O.N.L., enz. 13 » » 
F. A. G. Mrover, Hoogleeraar te Amsterdam, enz. . 13 » » 
G.J. Morper, Hoogleeraar te Utrecht, Komm.0.N.L. enz. 13 » » 
R. van Rees, Hoogleeraar te Utrecht, R.O.N.L., enz. 13 » » 
G. Simons, Direkteur der Koninklijke akademie te 

Delft, enz. . : - p - \ € RON t » » 
C. J. Temminck, Direkteur van ’s Rijks museum van E 

natuurl. historie te Leiden, R.O.N. L. enz. dd » » 
W. Vrorik, Hoogleeraar te Amsterdam, R. M. W.O. 

„enz. ‘ - : . R - 8 : ‚ 18 Di, » 


Gewone leden. 


0. F. W.J. Hvevenin, Ingenieur van het mijnwezen 
in Ned. Indië, te Batavia. 2 p : E … Uig “Augustus 1850. - 

G. M. BrECKMANN, Luit. ter zee 2de kl. (naar Nederland’. 19 Septemb. » 

C. G. van Derrscu, Majoor der artillerie, te Soerabaja 
ROAN: E. } À 5 : 5 B 8 „da 


J. A. KraJeNBriNK, Ingenieur, te Cheribon. . iden » » 
J. B. Teissuann, Îste Hortulanus bij ’s lands plantentuin, 

te Buitenzorg. ' : : : . 5 19 » » 
P. F. C. Varrepe, Kapitein derartillerie, te Soerabaja. 19 » » 
Z. H. Arwasr Boacur, Prins van Ashantee, Ingenieur 

van het mijnwezen in NI, te Soerabaja. 8 … 22 Oktober » 
Dr. P. F. H. Froueere, Landbouwkundig chemist, te 

Buitenzorg. 5 Lewes : ‘ 3 : . 22 » » 
F. E. H. LreBenr, Ingenieur van het mijnwezen in 

Ned. Indië, te! Muntok, 0e. OO rete ee » 
F.D. J. van per Pant, Adsistent bij het landbouw- 

scheik. laborator., te Buitenzorg. . ê ' ADR > » 
S. ScuReuDeR, Ingenieur van het mijnwezen in N. I., 

te Makassar. . - f 2 8 8 , La » » 
Dr. J. R. A. BaveR, Offic. van gezondheid 2de kl., ter 

Sumatra’s Westkust. _ - d à 8 (eri » » 
G. F. pe Bruin Kors, Luit. ter zee 2de kl. "aah » » 
Dr. J. Eixrroven, Offic. van gez. 2de kl., te Sambas, 

EEM MOES DE : Á 4 8 à : … ol » > 
H. W. Senwanenrerp, Offic. v. gez. 2de kl,, ter Su- 

matra’s Westkust. . . e 4 } ‚ 31 > » 


Mr. J. H. Graar van pen Boscm, te Pondokh Gedeh, 
Resident toegevoegd voorde kochenilleteelt op Java, 
R.O.N.L. L ; 

H. GragBeeK van meR Does, Luit. ter zee Íste u. 

J. Grorr, Luit. ter zee dste kl., BR. M. W.0., R. 0. 
St. Anna 3de kl., te Batavia, , ; 

L. W. BeisenincK, Majoor, adjudant van Z. u. a 
Hertog vAN en We«erman ErsenacH, R. O0. N. L., 
R. Orde v.d. Witten Valk, te Batavia é à 

H. A. Mopperuanr, Luit. ter zee 2de kl. (naar Nederland). 

J. Munmicu, Office. v. gez. 2de kl., te Batavia. 

Dr. P. L. Onnen, Stadsgeneesheer, te Soerabaja. 

Dr. A. J. D. Sreensrra Toussarntr, Praktiserend ge- 
neesheer te Batavia. 3 5 . d : : 

P. F. Umrenseer, Luit. ter zee Áste kl. R. M. W. 0. 
(naar Nederland). 

H. von Garrron, Direkteur der Steenkolenmijnen te 
Oranje Nassau. £ 4 : 8 : B 

Dr. J. Harrzrerp, Offic. v. gez. dste kl,, te Amboina 

P. Jarres, Offc. v. gez. 2de kl., ter Sumatra’s westkust. 

Dr. F. C. Scuuirr , Office. v. gez. 2de kl., ter Sumatra’s 
Westkust. . É 8 - 3 8 

H. vor DewarL, Civiel gezaghebber van Borneo’s 
zuidoostkust. 4 $ N 8 5 . 

D. L. Worrson, Luit. ter zee 2de kl. Rh. O.N. L. 

A. J. Anpresen, Majoor der infanterie, te Sambas, h. 
M. W. 0. : B . 

Mr. A. G. Brouwer, te Batavia. 


S. L. BrankenBure, Office. v. gez. Îste kl., te Batavia. 


Mr. D. W.C. Báron van Lisnpen, Resident van Timor. 

C. F. A. Scunermer, Oflie. v. gez. 3de kl. bij Z. M. 
marine. : : : : ' : 

F. Senuirr, Ofie. v. gez. Îste kl., te Batavia. 

J. Hacrman Jcz., Ambtenaar, te Soerabaja. 

C. Herer, Sekretaris van Z. H. den Hertoe van Sak- 
SEN Weerman Ersenacm (naar Nederland. _ 


12 December 


12 » 
12 » 
Pipi » 
AP » 

hef 

7 » 
27 » 
27 =p 
Jar » 


13 Maart 
18 » 
13 D 
13 » 
15 » 
18 » 
3 April 
3 » 
Des » 
td » 
17 > 
13 Mei 
2 Junij 
2 » 


Gewone leden. Datum van Benoeming. 

J. Worrr, Office. v. gez. 2de kl., te Bandjermassing. 31 Oktober — 1850. 
Rent G. Bnr bher Apotheker 2de kl., te Soerabaja. 7 Novemb. » 
EF. H. W. Kurspens, Majoor der artillerie, te Padang. 7 » » 
Dr. 0. G.J. Mouse, Offie.k. Gez. 2de kl, te Bata- j 
ete MEIN. LS > ° é 7 zi » » 
G. SrourenpisserL, Apothek. 2de kl, te Willem I. 7 » » 


> 


24 


Gewone leden. Datum van Benoeming. 


V. Baron van Toirr van SEROOSKERKEN , Kamerheer 
van Z.M. den Koning der Nederlanden , tijdelijk te 


Batavia. . = ; ° 2 Jungt 1951 
JG. EEEN Ome. v. gez. 2de u. ‚te ensesaan, 10 Julij » 
J. M. van Leer, Offic. v. gez. Aste kl., te Palembang. 24 » » 
M. Te. Rrrene, Office. v. gez. 2de kl., te Batavia. . 24 ROTE: 


C. H. G. Sreverwarp, Luit. kolon. der artillerie, KR. 
O.N.L., R. der Zwaardorde van Zweden en Noorwe- 


gen, te Bid 3 $ : 3 : ae » 
D. J. UnrenBeckK, EER der genie, te petan Ke : 

M. W.O. : E 6 . 14 Augustus » 
G. Wassink , Dirig. offie. v. gez. Sale SR te Batavia, 

R. M. W. 0. enz. …. 3 5 Î b ï hees 4 * » » 
H. Ravenswaaij, Administrateur van ’s rijks magazijn 

van geneesmiddelen, te Batavia. 5 4 REE » » 
S. BinNerpijK, Adsistent hortulanus van ’slands plan- 

tentuin te Boka. : 9 Oktober » 
Jkhr. T. J. H. Gevers, aa de genie, te wil 

Jem B, 3 - . . 3 5 p . 23 » » 
G. C. Daum, Adjunkt-administrateur bij Z, M. marine. 18 November » 
D. F. Scuaap, Resident van Banka, te Muntok. EE » » 
A. Scnartee, Apotheker 3de kl. bij het groot hospi- 

taal te Weltevreden. 7 7 5 5 $ . 13 December » 
T. Arriëns, Kontroleur der 1ste kl., te Magelang. An » » 


J. E. var Leeuwen, Kontroleur der Íste kl, te Patjitan. 13 Januarij 1852. 
S. D. Scurrr, Direkteur der kultures, te Batavia, R. 
0.N.L. ee > ' . 7 : , "18 » » 


W EE T T E NM 


VAN DE 


NATUURKUNDIGE VEREENIGING 


NEDERLANDSCH INDIE, 


OPGERIGT TE BATAVIA DEN I9DEN JULIJ 1850. 


Ánr. Î. 


Het doel der Natuurkundige Vereeniging is, werkzaam te 
zijn tot bevordering der natuurkundige wetenschappen in den 
uitgebreidsten zin, zoowel door eigen vlijt, als door de zorg, 
die zij zal aanwenden, om de natuurkundige ‚nasporingen en 
ontdekkingen, die in Nederlandsch Indië gedaan worden, te 
verzamelen, in het licht te geven en door alle in haar bereik 
vallende middelen aan te moedigen. 


Anr. 2. 
De zetel der Vereeniging is te Batavia. 
Anr. Je 


De leden zijn: Honoraire-, Dirigerende-, Korresponderende- 
en Gewone leden. 


26 
g\ u T e A. 


Dirigerende leden zijn: de oprigters der Vereeniging en zij 
die, bij vertrek van Batavia of bij aftreding van één of meer 
hunner, uit de gewone leden gekozen worden. 


Ärtr. 5. 


Het aantal dirigerende leden is bepaald op acht, doch kan, 
wegens bijzondere omstandigheden, vermeerderd worden. 


Ärr. 6. 


Diírigerende leden, van Batavia naar eene andere standplaats 
in Nederlandsch Indië vertrekkende, behouden dien titel. 


ART. ds 


De benoeming tot dirigerend lid geschiedt in de vergadering 
der direktie, uit de op dat tijdstip te Batavia aanwezige ge= 
wone leden, zullende het te benoemen lid op zich moeten 
vereenigen twee-derden der stemmen van de op Java aanwe- 
zige dirigerende leden. 


Art. 8. 


Een dirigerend lid treedt als zoodanig af, bij vertrek uit 
Nederlandsch Indië. 


Art. 9. 


Tot gewone leden zijn benoembaar, alle personen in Neder- 
landsch Indië, die geacht worden in staat te zijn, het doel der 
Vereeniging te bevorderen, en van hunnen wensch daartoe 
hebben doen blijken, hetzij door het uitgeven van geschriften 
of door het inzenden van bijdragen voor het tijdschrift, hetzij 
door het toezenden van belangrijke voorwerpen. 


bf) 
Art. 10. 


Tot honoraire leden kunnen worden benoemd de wegens 
vertrek uit Nederlandsch Indië aftredende dirigerende leden. 
Voorts zijn als zoodanig verkiesbaar, alle in deze gewesten 
woonachtige personen, aan of van welker maatschappelijken 
invloed en zucht tot bevordering der natuurkundige weten- 
schappen, de Vereeniging bescherming en ondersteuning te 
danken of te verwachten heeft. 


Ärt. 11. 


Tot Korresponderende leden zijn verkiesbaar, alle na- 
tuurkundigen, buiten Nederlandsch Indië wonende, die zich 
eenen gevestigden naam in de natuurkundige wetenschappen 
hebben verworven, en welker benoeming voor den bloei der 
Vereeniging belangrijk te achten is. 


Art. 12. 


De benoeming tot gewoon lid heeft plaats in de gewone 
vergaderingen, op voordragt der direktie, en bij meerderheid 
van stemmen der tegenwoordige leden. 


Ant. 13. 


Een gewoon lid iemand tot lid der Vereeniging wenschende 
aangenomen te zien, doet daartoe een gemotiveerd voorstel 
aan de direktie, die het, wanneer zij zich daarmede ver- 
eenigt, in de eerstvolgende gewone vergadering ter tafel 
brengt. 


Art. 14. 


De benoeming tot honorair- en tot korresponderend lid 
heeft plaats op dezelfde wijze, als die tot gewoon lid. 


28 


Art. 15. 


Een gewoon lid, Nederlandsch Indië verlatende, blijft het 
idmaatschap behouden, indien hij zich daartoe genegen ver- 
Iklaart. 


Art. 16. 


Door alle op Java zich bevindende dirigerende leden worden 
uit de te Batavia aanwezige met meerderheid van stemmen 
gekozen een Voorzitter, een Sekretaris tevens penningmeester 
en bebliothekaris, en een Hoofd-redakteur voor het tijd- 
schrift. 

Deze treden met den Ísten Januarij van elk jaar af, doch 
zijn terstond weder verkiesbaar. 


Art. 177. 


Bij tijdelijke afwezigheid van den voorzitter worden de ver- 
gaderingen bestuurd door den oudste in jaren, van de aan- 
wezige dirigerende leden, met uitzondering van den Sekre- 
taris. 
Bij tijdelijke afwezigheid van den Sekretaris zullen zijne 
betrekkingen waargenomen worden door het jongste lid in 
jaren der direktie. 


Art. 18. 


Bij ontstentenis van den President, Sekretaris of Hoofd-re- 
dakteur, zal ten spoedigste in de opengevallen plaats voorzien 
worden. 


Ärt. 19. 


_De voorzitter leidt de orde der werkzaamheden van alle 
vergaderingen. Hij brengt gedane voorstellen in omvraag en 
handhaaft ten allen tijde de wetten der Vereeniging. 


29 


Art. 20. 


Geene besluiten kunnen genomen worden, wanneer de ver- 
gadering minder dan vijf personen telt. In geval van staking 
der stemmen beslist de voorzitter. 


Art. 21. 


De Sekretaris voert de korrespondentie en houdt de notu- 
len van alle vergaderingen. 

Alle gewigtige stukken worden door den President en den 
Sekretaris, namens de direktie, onderteekend. 


Art. 22. 
Onder het beheer van den Sekretaris zijn alle de der Ver- 
eeniging toebehoorende memoriën, verhandelingen, boekwerken, 
naturaliën, enz. 


Art. 23. 


Ì 
LN 


Hij heeft het beheer over de gefdmiddelen, waarvan hij jaar- 


lijks verantwoording doet. De betalingen geschieden op mag- 


tiging der direktie. 
Art. 24. 


Overeenkomstig het slot van artikel f, wordt door de Ver- 
eeniging een Zydschrift uitgegeven, waarin zullen worden 
opgenomen de bij de direktie ingekomene memoriën, verhan- 
delingen , enz. op de natuurkundige wetenschappen betrekking 
hebbende en waarvan door haar de bekendmaking nuttig en 
wenschelijk wordt geacht. 


Arr. 25. 


Van dit tijdschrift zullen jaarlijks zes nummers verschijnen, 


elk inhoudende minstens vijf vellen druks. 


30 


Ärr. 26. 


De ingekomen verhandelingen zullen in de eerstvolgende 
vergadering der dirigerende leden ter tafel gebragt worden. 
De direktie beslist omtrent de opneming dezer stukken in het 
tijdschrift. 


Amr. -24. 


De stukken, waarvan de plaatsing niet geschiedt, blijven ter 
beschikking van den inzender. 


Arrr. 28. 


De verantwoordelijkheid voor de in het tijdschrift opgeno- 
men stukken wordt gelaten voor rekening van den schrrijver. 


Ärr. 29. 


De stukken waarvan de plaatsing in het tijdschrift door de 
direktie is goedgekeurd, worden aan den Hoofd-redakteur ter 
hand gesteld, aan wien is opgedragen ze voor de pers gereed 
te maken. 


Ärr. 30. 


De dirigerende leden zijn gehouden, den Hoofd-redakteur 
‘in de redaktie bij te staan, zoo dikwijls hij het verlangen 
daartoe zal te kennen geven. 


Art. 3Í. 


De dirigerende leden houden minstens één maal ’s maands 


vergadering ter bespreking van de belangen der Vereeniging 
en van het Tijdschrift. 

Tot het bijwonen dezer vergaderingen kunnen ook andere 
personen worden uitgenoodigd, welker tegenwoordigheid in het 
belang der Vereeniging wenschelijk geacht wordt. 

P] 


a ear 


51 


ART. 92. 


Behalve deze vergaderingen heeft minstens éénmaal in de 
drie maanden plaats eene gewone vergadering, waartoe alle 
leden der Vereeniging toegang hebben. 

Hiervan zal de eerste, als algemeene vergadering, in Januarij 
gehouden worden. 


ART. 99. 


„De President maakt jaarlijks een verslag op der verrigte 
werkzaamheden, welk verslag van wege de direktie in, de 
eerste gewone (algemeene) vergadering voorgelezen en in het 
eerste nummer van elken jaargang des tijdschrifts opgenomen 
wordt. 


Art. JÁ. 


Het is wenschelijlk, dat dirigerende en gewone leden, buiten 
Batavia gevestigd, gewone vergaderingen houden, in den geest 
der Vereeniging en van het verhandelde in deze vergaderingen 
mededeeling doen aan de direktie te Batavia. 


ÄRT. 95. 


In de “wetten der Vereeniging kunnen geene veranderingen 
gebragt worden ten zij in de eerste gewone vergadering van elk, 
jaar. 

De voorstellen, daartoe strekkende, behooren voor den Îsten 
December aan de direktie te worden ingezonden en zullen in de 
bovengenoemde vergadering in beoordeeling worden gebragt. 

Voor de aanneming van eenige verandering worden twee- 
derden der stemmen vereischt. 


52 


Addittoneel artikel. 
Art. 36. 


Voorloopig worden alle geldelijke kosten van de Vereeni- 
ging door de dirigerende leden gedragen. 


Nad 


SCHEIKUNDIG ONDERZOEK 


VAN 
EENIGE OP JAVA VOORKOMENDE MINERALE WATEREN, 


DOOR 


P. SJ. MAIER: 


Mineraalwater Banjoe assin in het regentschap 
Poerworedjo , residentie Bagelen. 


De heer Kinper, kontroleur der fste klasse heeft de bron 
van dit water ontdekt, en daarvan volgende beschrijving ge- 
geven. 

„De bron is gelegen op ongeveer 8 palen afstands in n. 0. 
„„rigting van de hoofdplaats Poerworedjo, in de nabijheid der 
‚„dessa Bapjoeassin (fÎ) midden in een rijstveld en slechts 


(1) „Van hoeveel nut voor den natuur- en oudheidkundige op Java 
„de kennis der volkstaal is, hiervan strekke het volgende ten bewijze. 
„„Bij mijne togtjes, welke ik ambtshalve onderneem, is het mijne ge- 
„woonte, door middel der benamingen van dessa’s, bergtoppen, rivieren 
„enz. nasporingen in het werk te stellen omtrent wetenswaardige bijzon- 


„derheden der tot mijne afdeeling behoorende lokaliteiten. Niet zelden 


sis mij de etymologie van soortgelijke benamingen een zekere gids ge- 
„weest tot belangrijke ontdekkingen. Zoo ook in dit geval. 

„Mij onlangs op reis bevindende in het oostelijke Bageleensche grens» 
„gebergte, werd mijne aandacht getrokken door den naam der dessa Ban- 


joe assin, twee zuiver Javaansche woorden, zout water beteekende. 


„Op die wijze raakte ik bekend met het hier bedoelde minerale water. 
„Zoo kan men eveneens verzekerd zijn, op alle plaatsen, Assinan geheeten, 
„„zoutwaterbronnen aan te treffen.” 


UI. J 


St 


„weinige passen verwijderd van eene in de nabijheid stroo- 
‚‚ mende rivier. 

‚, De kom afgesloten zijnde, bezit eene lengte van 10 en 
„eene breedte van 6 rijnl. voeten ; de diepte bedraagt 2 voeten. 

‚„Het water welt uit den grond op, die daar ter plaatse 
‚uit trachietbrekcie bestaat. Het omliggende terrein behoort 
„echter geheel tof de tertiaire formatie. De kleur van het wa- 
„ter, in de kom gezien, is ligt geel, bij sommige zonnestanden 
„groenachtig, in een glas witachtig troebel. Aan de opper- 
„vlakte vertoonen zich eenige olieachtige vliesjes. De reuk 
„onderscheidt zich niet merkbaar van gewoon water. De 
„temperatuur des waters in de kom was ’smiddags 4 uur 
„860 F. bij eene luchttemperatuur van 89° F. De opene vrije 
„ligging der bron in een riijjstveld en in steenachtigen grond 
„draagt zeker veel bij tot den hoogen graad van verwarming 
„des waters. De smaak heeft veel overeenkomst met dien 
„van zeewater d. í. zout en eenigzins bitter. Gasontwikkeling is 
„in de bron niet te bespeuren. 

‚‚ Naar schatting ligt de bron op ongeveer 700 voeten boven 
„zee (Minoreh op 964 en de pas Toenggangan in het Tja- 
„tjabangsche gebergte op 1680 voeten stellende). De afstand 
„van de zuiderzee (Indische Oceaan) zal p. m. 20 palen be- 
> dragen. 

„Na afsluiting der bron leverde zij in 5 minuten eene 
‚Ned. kan mineraalwater of 300 kannen daags. De inlanders 
verklaarden mij, dat in de oost- en westmoesson de hoe- 
‚veelheid water dezelfde bleef. De Javanen bedienen zich 
„>niet van het water tot geneeskundige doeleinden. De diee 
„„ren handelen in dit opzigt anders. In den geheelen omtrek 
„is de bron bij alle buffels, runderen, paarden, wild, voge- 
„ien enz, bekend, die allen met graagte het water opslur- 
pen. 

„Zooals men bijna overal op Java voor een merkwaardig 
„ natuurverschijnsel een of ander fabelachtig verhaal heeft, 
„bestaat ook eene legende omtrent den oorsprong der 
‚bron Banjoe assin. Pangeran BrrNrowo, zoon des laat- 


—_ jn 


55 


„sten Padjangschen sulthans, na de verwoesting des kratons 
‚van Padjang vlugtende , bezocht ook dit gedeelte van Bage- 
„len. In de nabijheid van Banjoeassin uitrustende, om zijn 
‚‚ middagmaal te nemen, hadden zijne volgelingen vergeten zout 
„mede te nemen. Pangeran Bernowo dit vernemende, deed 
„de zoutwel ontstaan. Eene bamboezen omheining wijst nog 
„de rustplaats aan van den prins en de mede in het gebergte 
„„gelegene dessa Bennowo vereeuwigt insgelijks zijne nage- 
„, dachtenis.” 

In de maand Augustus ll. ontving ik te Batavia & goed 
gekurkte en gevulde flesschen van bovenbedoeld water, waar- 
mede de volgende scheikundige analyse bewerkstelligd is. 

Het water heeft eenen onaangenamen bitter- zoutachtigen, 
eenigzins zwavelwaterstofgasachtigen, naderhand een weinig zoet 
_achtigen smaak, zwavelwaterstofgasachtigen reuk en een soortelijk 
gewigt van 4,01517 bij 28° C. temp. Reaktie naauwelijks 
zigtbaar alkalisch. Het is helder, doch tevens eenigzins wit- 
achtig, hetwelk bij het staan in de lucht wat toeneemt en na 
verloop van eenige dagen zich als sporen van een eenigzins 
geelachtig praecipitaat afzondert; het water is daarna ge- 
heel helder en vrij van elk spoor eener verbinding van 
ijzer. | 

Bij verwarming ontwikkelt het water siechts enkele gasblaas- 
jes; de dampen, door barietwater geleid, vormden sporen van 
koolzure barietaarde. Het kwalitatief onderzoek heeft de vol- 
gende bestanddeelen er in doen onderkennen. 

In weegbare hoeveelheid voorhanden: Zwavelzuur; Chlorium; 
Kiezelaarde ; Potassa; Soda; Kalkaarde; Bitteraarde en Aluin- 
aarde een spoor van IJzeroxyde bevattende, hetwelk in het 
water als Koolzuurijzerprotoxyde bevat is. 

In onweegbare hoeveelheid: Koolzure kalkaarde; Chloor- 
ammonium; Joodmagnium; Zwavelwaterstofgas; Koolzuurgas 
en Org. zelfstandigheden. 


36 
Kwantitatieve analyse. 
1. Bepaling der Vaste deelen. 


132,946 grm. water uitgedampt, het zout sterk verhit tot 
dat eenige zure dampen begonnen te ontwijken, gaven 2,585 
grm. Zout = 1,9547 ten honderd water. 


2. Bepaling van het Chloor. 


132,246 grm. water gaven bij 100° C. gedroogd chloorzil- 
ver, wegende 6,083 grm. 

100 grm. water dus 4,5998 grm., waarin 1,197{ grm. 
Chloor. 4 


3. Bepaling van het Zwavelzuur. 


132,2416 grm. water gaven bij 100° CG. gedroogde zwavelzure 
barietaarde , wegende 0,1737 grm. 

100 grm. water dus 0.13135 grm., waarin 0,04513 grm. 
Zwavelzuur. 


A. Bepaling der Kiezelaarde. 


Van het in de fste bepaling verkregene zout, verkreeg men 
0,001 erm. gegloeide kiezelaarde. 
160 grm. water dus 0,600756 grm. Kiezelaarde. 


5. Bepaling der Aluinaarde met sporen van IJzeroxyde. 


Uit het zoutzure filtraat der kiezelaarde verkreeg men op 
bekende wijze 0,6008 grm. gegloeide Aluinaarde, een spoor 
ijzeroxyde bevattende. 

_ 100 grm. water dus 0,00061 grm. 


6. Bepaling der Kalkaarde. 


Het filfraat der aluinaarde met oxalas ammoniae behandeld, 


37 


gaf bij 100 C. gedroogde oxalas calcis, wegende 1,058 grm., 
waarin 0,40585 grm. Kalkaarde (|). 
100 grm. water dus 0,30689 grm. Kalkaarde. 


7. Bepaling der Zwavelzure kalkaarde. 


100 grm. water bevatten 0,045131 grm zwavelzuur 
gevende met 0,031591 „ _kalkaarde 
en 0,020307 „ water. 


0,097029 „ Zwavelzurekalkaar- 
de (gips). | 


8. Bepaling van het Chloorcalcium. 


100 grm. water bevatten 0,30689 erm. kalkaarde; aan het 
zwävelzuur is gebonden 0,03159 grm.; afgetrokken, blijft 


6,2753 grm., beantwoordende aan 0,54525 grm. Chloorcalcium, 
\ 
waarin 0,34861 grm. chlorium. 


9. Bepaling van het Chloormagniumn. 


Het filtraat van den oxalas calcis met phosphas ammoniae be- 
handeld, gaf 0,049 .grm. bij 100° C. gedroogde phosphorzure 
bitteraarde-ammonia, na gloeijing 0,0345 grm. phosphorzure 
bitteraarde gevende, waarin 0,01265 grm. bitteraarde. 

190 grm. water 0,0096 grin., beantwoordende aan 0,0223 
grm. Chloormagnium, waarin 0,01645 grm. chlorium. 


(1) Toen ik ongeveer 16 dagen later den- oxalas calcis wederom 


woog, had hijij eenig water aangetrokken; zijn gewigt bedroeg nu 1,071 


grm. Ik nam hiervan 1,037 grm. en brandde deze hoeveelheid tot kool- 
zure kalkaarde, die, alvorens gewogen te zijn, met eene genoegzame 
hoeveelheid koolzure ammonia behandeld was; zij woog 0,702 grm. 

1,071 grm. okalas ecalcis zouden dus 0,72502 grm. koolzure kalkaarde 
gegeven hebben, waarin 9,40601 grm. kaikaarde. 

Hieruit blijkt, dat de berekening der kalkaarde uit de bij 1009 C. ge- 
droogde oxalas calcis, juiste uitkomsten levert, en dat het overbodig is, 
den oxalas calcis te branden, ten einde uit de verkregene hoeveelheid 
koolzure kalkaarde de kalkaarde te berekenen. 


38 


10. Bepaling van het Chloorpotassium. 


264,492 erm. water met barietwater enz. behandeld, gaven 
0,056 grm. bij 100° C. gedroogd chloorplatina-chloorpotassium, 
bevattende 0,0{7125 grm. Chloorpotassium. 

100 grm. water dus 0,0065 grm., waarin 0,00308 grm. 
chlorium. 


1f. Bepaling van het Chloorsodium. 


100 grm. water bevatten 1,1371 grm. chiorium. 
Hiervan is gebonden aan het potassium == 0,00308 grm. 
je Di Te Na = 0,34861. „ 
een wp ss se magnum, OON 


te zamen 0,56814 „@ 
afgetrokken van de geheele hoeveelheid chlorium, blijft 
0,76896 erm., gevende 1,2738 grm. Chtoorsodium. 


Resultaat. 
100 grm. water bevatten grm. 
Chloorpotassium … 4 4 ' : 5 0,0065 
„ sodium gehe 3 8 d 1,2738 
„ calcium 2 ve k ì 8 8 0,54525 
MASA Ie ; l 5 } À 0,0223 
Zwavelzure kalkaarde … 3 E - 0,09703 
Kiezelaarde 4 ; 8 S : : 0,00075 
Aluinaarde met een spoor ijzeroxyde 8 0,00061 


Totaal der vaste deelen 1,94624 

en de volgende niet kwantitatief bepaalbare stoffen 

Koolzure kalkaarde. 

Chloorammonium. 

Joodmagniurn. 

Koolzuurgas. 
_ Zwavelwaterstofgas. 

Organische zelfstandigheden. 


DE ZOOGENAAMDE WITTE STOF, AFGESCHEIDEN DOOR 
HET KOCHENILLE-INSEKT, SCHEIKUNDIG 
ONDERZOCHT 


DOOR 


DD. W. ROSET VAN TONNENGEN. 


ks 
« 


_ Het is bekend, dat zich tijdens het leven van het Koche- 
nille-insekt, eene witte stof afzondert, welke vooral na het 
dooden der insekten , bij de zuivering door middel van zifting, 
in tamelijk groote hoeveelheden kan worden verzameld. 
Volgens den heer L. Monop pr Froimprvure (zie Tijdschrift 
voor N. I. jaarg. 9, deel 2 pag. 237 en verder) zijn ge- 
noemde insekten reeds terstond bij hunne geboorte of ook 
S à 10 dagen daarna, met deze witte stof voorzien en ver- 
nieuwt zij zich zelfs telkens weder binnen de drie à vier dagen, 
wanneer zij door regen of andere oorzaken is afgespoeld of 
verloren gegaan. In den handel is men gewoon, bij de be- 
oordeeling der kochenille, de meerdere of mindere hoeveel- 
heid witte stof, welke het insekt bedekt, in aanmerking te 
nemen en haar in het eerste geval zelfs eenige hoogere waar- 
de toe te kennen, terwijl uit een wetenschappelijk oogpunt be- 


schouwd, reeds voor jaren Berzerivs aannam, dat het uit acidum 


margaricum bestond. Naar hetgeen mij de heer Dr. STrrn- 
STRA Toussarnr alhier meldt, bedroeg volgens zijne ten dezen 
aanzien reeds gedurende ettelijke jaren gedane waarnemin- 
gen, de grootste opbrengst aan witte stof 8E à 9°/, en de 
kleinste nog 4%, der verkregene zuivere kochenille en is zij 
tot heden toe beschouwd geworden als niet de minste waarde 
hebbende. 


40 


Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat alleen in Euro- 
pa jaarlijks een millioen ponden kochenille van verschillende 
landen wordt ingevoerd en Engelands kockenille-handel in het 
jaar 1844 aan in- en uitvoer reeds ruim anderhalf millioen 
ponden bedroeg, danis het duidelijk, dat, volgens dezen grond- 
slag, minstens 50,000 ponden elk jaar van deze witte stof 
worden voortgebragt, en het zal dan ook wel geene bevreem- 
ding verwekken, dat ik gaarne het aanbod van Dr. Steenstra Tous- 
SAINT aannam, om mij door het toezenden van eene genoeg- 
zame hoeveelheid dezer witte stof, tot een onderzoek in staat 
te stellen. Hetzij mij vergund, dien heer mijnen dank te be- 
tuigen, zoowel voor dat aanbod als voor de vele inlichtingen , 
‘welke mij door hem te dien aanzien met de meeste bereid- 
willigheid geschonken zijn. 

Hetgeen mij toegezonden werd, was een grof, wit en op 
verschillende plaatsen met roode stippen bedekt poeder. Dit 
poeder met water gekookt zijnde, verkreeg men eene schoone roo- 
de oplossing, welke zeer spoedig tot verrotting overgaat, iets wat 
geene geringe zwarigheid bij het onderzoeken er van oplevert; 
het afkooksel, met wijngeest van 70 à 80°/,, was zuiver oranje- 
rood, terwijl de koking met alkohol volstrekt geene kleurstof 
uittrok. In de teruggeblevene in water niet oplosbare en 
geleiachtige zelfstandigheid, bemerkt men, met het bloote 
oog, duidelijk kleine insekten of gedeelten daarvan, vooral van 
diegenen welke in den handel onder den naam van Zaccatillo 
bekend zijn: bij de verbranding verspreidt zich sterk de reuk, 
aan brandende dierlijke stoffen eigen; hierbij wordt eenige 
olie uitgescheiden, welke spoedig vuur vat en met eene sterke 
walmende vlam verbrandt; na afloop dezer verbranding blijft 
eene gele asch terug, welke aan de lucht blootgesteld snel 
vochtig wordt en waarover nader wordt gehandeld. 

Wanneer ik hier eenige kwantitatieve bepalingen aangaande 
de bewuste witte stof mededeel, houde men in het oog, dat 
deze geene absolute maar slechts eene betrekkelijke waarde 
kunnen hebben, daar het als van zelf spreekt, dat zij ver- 
schillen moeten voor iedere witte stof in het bijzonder, al 


41 


naardat zij meer of minder met kleine kochenille-insekten is 
bedeeld. Verder was het, behalve een onderzoek der stof 
in het algemeen, ook mijn doel om na te gaan, of er, op wel- 
ke wijze dan ook, nog eenige bruikbare kleurstof uit te trek- 
ken zoude zijn, en ten einde de hoeveelheid hiervan te weten 
te komen, was het noodig, eenige kwantitatieve bepalingen in 
het werk te stellen, welke hier volgen. 


Bepaling van het water. 


9,554 grm. verloren op 1000 C. gedroogd 0,515 grm. = 
14,4919/. | 


Bepaling van de onverbrandbare deelen. 


0,830 grm. lieten bij verbranding 0,165 grm. asch terug = 
19,8790/,. 

Deze asch is ligt bruin gekleurd, trekt zooals reeds is op- 
gemerkt snel de vochtigheid der lucht tot zich en vervloeit, 
isin water slechts gedeeltelijk doch in salpeterzuur volkomen 
onder sterke opbruising van koolzuur oplosbaar; zij bevat 
zeer vele chloruren en sulphaten van aluinaarde, kalk, mag- 
nesia en potassa benevens eenig ijzeroxyde; de eerstgenoemde 
basis heeft echter verre weg de overhand. 


Bepaling van hetgeen ín ether oplosbaar is. 


7,990 gr. werden eenige dagen met ether bij de gewone 
temperatuur getrokken, daarna afgefiltreerd en het doorgeloo- 
pene vocht verdampt; hetgeen terugbleef woog 0,190 grm. = 
9,377. 

Het in ether oplosbare is een vast, neutraal reagerend, 
bruinachtig, naar acidum butijricum riekend vet; het verzeept 
zich met loogen zeer gemakkelijk, uit welker oplossing in 
water, door zuren witte praecipitaten van vetzuren worden 
gevormd: op platinablik verhit, verbrandt het met eene veel 
roetgevende vlam en eenen prikkelenden reuk: in kokenden 
alkohol is het oplosbaar. 


42 


Bepaling van hetgeen in kokenden alkohol oplosbaar is. 


50 gr. werden, na vooraf met ether, zooals boven, uitgetrok- 
ken te zijn, met kokenden alkohol behandeld en afgefiltreerd; 
nadat de doorgeloopene naauwelijks zigtbaar geel gekleurde 
oplossing was koud geworden, scheidde zich eene menigte groo- 
te, vlokachtige kristallen af, welke werden verzameld en ge- 
droogd; zij wogen 1,772 gr. = 3,5440/,. 

Het is bij de gewone temperatuur eene broze, helder 
witte en ligter dan water zijnde stof, welke eerst op het 
kookpunt van water smelt; is in kouden ether onoplosbaar , 
wordt in kokenden evenwel opgenomen, doch bij de minste 
bekoeling weder afgezet; verzeept met alkaliën zeer on- 
volkomen; het grootste gedeelte blijft bij de behandeling met 
eene loog op de oppervlakte der vloeistof onverzeept terug; 
afgefiltreerd en bij het filtraat een zuur gevoegd zijnde wordt 
een wit nederslag gevormd. Ik meen vele redenen te hebben 
om deze in kokenden alkohol oplosbare stof, als eene het 
bijenwas zeer nabijkomende te mogen beschouwen. 


Bepaling van hetgeen in kouden alkohol oplosbaar is. 


Nadat de vermelde hoeveelheid was uit de alkoholische op- 

lossing was verwijderd, dampte men deze laatste tot droogwor- 
dens toe uit; zij woog 1,523 gr. = 3,0460/,. 
_ Het is eene bruine, vloeibare, zuur reagerende, vetachtige 
massa, welke op een filtrum gebragt en met wijngeest van 
70%, afgewasschen, spoedig in twee ligchamen werd ge- 
scheiden ; het eene bruinen in den wijngeest oplosbaar , reageert 
zuur en wordt door toevoeging van water volkomen geprae- 
cipiteerd, doch is niet verder onderzocht; het andere is een 
zuiver wit, half vloeibaar vet, dat even als het vorige onvol- 
komen verzeept, maar zich door zijne vloeibaarheid kenbaar 
genoeg van dit laatste onderscheidt. 


Bepaling van hetgeen in kokend water oplosbaar is. 


Dezelfde hoeveelheid, welke met ether en alkohol was behan- 


_ 


45 


deld , werd met water zoolang gekookt , tot dat dit laatste niet 
meer gekleurd werd; vervolgens de afgefiltreerde vloeistoffen 
verzameld zijnde, werden deze op een waterbad uitgedampt 
en op 1009 C. gedroogd; het ‚teruggeblevene woog 12,3 = 
24,60. 

De op deze wijze verkregene massa is donkerrood; eene 
groote hoeveelheid water wordt door slechts zeer weinig hier 
van sterk rood gekleurd; aan de lucht blootgesteld trekt 
zij spoedig de vochtigheid daaruit aan; door zwavelzuur wordt 
alle kleurstof uit de oplossing in water gepraecipiteerd ; met 
wijngeest van 800/, gekookt, wordt er eene schoone oranje- 
roode oplossing gevormd, terwijl eene zwartbruine stof terug- 
blijft; uit deze oplossing zetten zich na eenigen tijd zeer kleine 
stakjes van dezelfde kleur af. 

Het spoedig aantrekken der vochtigheid van deze in water 
oplosbare kieurstof is alleen toe te schrijven aan sommige chlo- 
ruren, die in hare asch voorkomen, zijnde de hoeveelheid van 
deze laatste door eene kwantitatieve bepaling op niet minder 
dan 33,501°%/, bevonden: wanneer de witte stof met water 
gekookt wordt, zonder dat zij te voren met ether en alkohol 
behandeld was, dan gaf de op 00° C. gedroogde kleurstof, 
welke even zoo de vochtigheid snel tot zich trok, een asch- 
gehalte van 27,076%% te kennen. 


Bepaling van hetgeen in potassa caustica oplosbaar is. 
De met kokend water. behandelde kochenille-stof werd nu 


met eene zeer verdunde potassa-oplossing bij matige warmte 
getrokken en daarna van de teruggeblevene vezelstof afgefil- 


treerd; in de doorgeloopene vloeistof werd door zeezoutzuur 


eene geleiachtige, bruingele zelfstandigheid nedergeslagen , wel- 
ke op een filtrum gebragt, goed uitgewasschen en op 1000 
CG. gedroogd is; zij woog 2,175 gr. = 4,35%. 

Wanneer deze stof verbrand wordt, doet zij zulks onder 
verspreiding van den reeds vroeger aangehaalden reuk naar 
verbrandende dierlijke ligchamen, terwijl slechts een onbedui- 
dend spoor van asch terugblijft; zij is in water en alkohol 


“« 


kh 


onoplosbaar, korrelig en moeijelijk tot poeder te brengen; 
salpeterzuur kleurt haar geel, terwijl zij door toevoeging van 
ammonia oranjegeel wordt. 


Bepaling van het dierlijke weefsel. 


Ik geef dezen naam aan de met ether, alkohol, water en 
potassa uitgetrokkene stof, welke goed uitgewasschen en op 
100%, C. gedroogd, terugblijft; zij woog 21,161 gr. = 42,322°/. 

Bij verbranding op een platinablik blijft er nog een weinig 
asch terug, terwijl tevens hierbij bleek, dat er nog een weinig vet 
in was achtergebleven; zij is graauw wit en lost in sterke 
potassa caustica niet geheel op; ik geloof de waarheid het 
meest nabij te komen, als ik haar analoog aan het kraakbeen 
beschouw. 


Bepaling der hoeveelheid kleurstof, welke in de kochenille-stof 
bevat is. 


50 gr. werden zoolang met water gekookt, als zich de vloei- 
stof nog rood kleurt, deze van het onopgelost geblevene afgezon- 
derd en bij de oplossing zooveel verdund zwavelzuur gevoegd, 
tot al de kleurstof was gepraecipiteerd, welke vervolgens op 
een fillrum gebragt, afgewasschen en gedroogd werd; daarna 
werd zij met ammonia getrokken, welke een groot gedeelte 
onopgelost terugliet, terwijl de kleurstof zelve met eene schoo- 
ne violet-roode kleur werd opgenomen; afgefiltreerd zijnde, 
werd de doorgeloopene oplossing op een waterbad uitgedampt 
en op 100° C. gedroogd; zij woog 4,606 = 9,212°/. 

Het was te voorzien, dat deze. kleurstof nog eenige anorga- 
nische stoffen zoude bevatten, zoodat van haar eene aschbe- 
paling is gedaan. 

0,442 gr. gaven bij verbranding 0,048 gr. asch = 10,86°/, 
zoodat het cijfer der bovengemelde kleurstof op de volgende 
wijze moet veranderd worden 

van 9,212°/, kleurstof 
gaat af 1,000 asch. 


blijft over 8,212% 


/ 

A 

KN 
k 


45 


Doch ook dat cijfer is slechts als benaderend te beschou- 
wen, want met kokenden wijngeest van &0°% behandeld, 
wordt wel is waar het grootste gedeelte als eene uiterst schoo- 
ne oranjeroode kleurstof opgelost, maar blijft ook nog een 
weinig van eene donkerroode gekleurde massa over, zoodat 
men haast zoude kunnen vermoeden dat in de witte koche- 
nille-stof twee kleurstoffen aanwezig zijn en bovengenoemde 
hoeveelheid, door ammonia uitgetrokken, als een mengsel van 
beiden te beschouwen is. | 

Verzamelen wij nu alle de hoeveelheden, verkregen door bo- 
vengenoemde wijzen van behandeling, dan blijkt de witte ko- 
chenille-stof op 100 deelen te bestaan, uit 


2,377 in kouden ether oplosbaar vet. 

3,544 „ kokenden alkohol oplosbare soort van was. 
3,046 „ kouden alkohol oplosbaar met eenig orga- 
nisch zuur verontreinigd vet. 

4,350 „ potassa caustica oplosbare dierlijke stof. 

8,212 kleurstoffen. 
14,491 water. 

19,879 asch en 

42,32 — dierlijk weefsel. 


te zamen 95,221 
verlies à 1,779 
100,000 


Het was thans de vraag, of van deze stof gebruik kon ge- 
maakt worden tot afscheiding eener kleurstof, welke gemak- 
kelijk en op min kostbaren weg te verkrijgen was en tevens 
in schoonheid van kleur, het karmijn of karmijnlak nabij kwam; 
dezelfde zwarigheden staan hier evenwel in den weg, welke 
veelal ontmoet worden, wanneer men zich op technisch terrein 
bewegen zal. Berzerrus zegt aangaande den aard der berei- 
ding van het karmijn en lak het volgende, „indien ik hier 
„eenige algemeene opgaven mededeel omtrent de daarstelling 
„dezer verwen, kan het geenszins mijne bedoeling zijn, tech- 


46 


„nische voorschriften voor de juiste bereiding derzelve te ge- 
„ven,’ en later. „Ik geef hier verder niets daaromtrent aan, 
„omdat het voorschrift daartoe niet naauwkeurig is; de be- 
„handeling zelve moet, zal de verw -dien hoogsten graad van 
„schoonheid erlangen, welke haar eigenlijk de hooge waarde 
„geeft, van in de kunst bedrevenen geleerd worden.” Dewijl 
mij nu goede voorschriften tot de bereiding van karmijn enz. 
ontbraken, onderzocht ik eerst de hoeveelheid organische en 
anorganische deelen, waaruit het karmijn en karmijn- of flo- 
rentijnsch lak van den handel bestaan, en zulks ten einde eenig 
overzigt aangaande de verhouding van deze beiden te verkrijgen. 
Door de ‘goedheid van den heer stadsapotheker N. Lance 
werd ik in het bezit gesteld van twee soorten zeer schoon 
karmijn en even zoovele van karmijnlak; van alle deze deed ik 
aschbepalingen, welke hier volgen. 


Bepaling der asch van eene karmijnsoort No. Î. 


0,660 grm. karmijn gaven bij verbranding 0,059 gr. asch, 
= 8,939°% anorganische en 
91061 „ organische deelen. 


100,000 
Bepaling der asch van eene karmijnsoort No. 2. 


0,401 gr. gaven bij verbranding 0,03f gr. asch, 
= 7,561°/, anorganische en 
92,439 „ organische deelen. 


100,000 — 


Bepaling der asch van eene soort karmijnlak No. 1. 
(Van eene schoone roode kleur). 
0,711 gr. gaven bij verbranding 0,087 gr, asch, 


= 12,236% anorganische en 
87,764 , organische deelen. 


160,000 


HT 


Bepaling der asch van eene soort karmnlak No. 2. 


(Van eene veel minder schoone roode kleur dan de eerste). 
\ 


1,325 sgr. gaven bij verbranding 0,035 gr. asch, 
= 2,642% anorganische en 
97,958 „ organische deelen. 


100,000 


NB. Dewijl deze soort van lak veel ligter gekleurd was 
dan de vorige, had ik veel meer anorganische deelen ín haar 
verwacht dan in de eerste. Om zeker te wezen , deed ik eene 
tweede aschbepaling tot kontrole, doch deze gaf nagenoeg de- 
zelfde resultaten (namelijk 2,577°%), zoodat een groot verschil 
in het aschgehalte van sommige karmijn-laksoorten schijnt te 
bestaan. 

Uit deze bepalingen blijkt dus, dat ook het schoonste kar- 
mijn en karmijnlak, welke fabriekmatig bereid en in den han- 
del gebragt worden, nog eene aanmerkelijke hoeveelheid 
anorganische stoffen bevatten, welke voornamelijk uit aluin- 
aarde bestaan. Om nu dadelijk uit de witte stof te beproeven 
karmijn te bereiden, werd het door kokend water verkregene 
donkerroode aftreksel met verschillende, doch altijd kleine hoe- 
veelheden ijzervrijen aluin gekookt, vervolgens na bezinking 
het heldere vocht in eene porceleinen schaal gegoten en aan 
zich zelf, goed bedekt, overgelaten. Bij de bereiding van het kar- 
mijn laat men de met aluin behandelde vloeistoffen eenige da- 
gen lang staan, doch het is zeker, dat eene dergelijke metho- 
de hier geene gepaste aanwending vinden kan, daar èn door 
de vele vetachtige en dierlijke stoffen, welke in het afkooksel 
opgenomen zijn, èn door de steeds hooge temperatuur der keer- 
kringsgewesten , reeds na verloop van een’ dag de vloeistof 
aan dusdanige verrotting onderhevig is, dat men zich genood- 
zaakt ziet haar weg te werpen. Op direkten weg laat zich dus 
uit deze stof geen karmijn afscheiden. 

Ik beproefde thans, om het door water verkregen afkooksel 
der kochenille-stof met verschillende hoeveelheden aluin te be- 


48 


deelen en daarna met een alkali alde kleurstof, gebonden aan 
de aluinaarde, te praecipiteren; deze op een filtrum te brengen, 
uit te wasschen en te droogen; de verwijdering der kleurstof 
gelukt op dusdanige wijze volkomen, doch de vele verbindin- 
gen, welke ik met aluin heb bereid, bezaten door dezelfde ver- 
ontreinigingen als waarvan bij de proef om karmijn te verkrij- 
gen is gewaagd, niet die eigenschappen, welke noodig zijn om 
als handelsartikel op te treden; zij misten de zachtheid en zui- 
verheid der gewone laksoorten , maar stemden overigens in 
kleur genoegzaam overeen, welke laatste trouwens naar verkie- 
zing meerder of minder donker kan verkregen worden, al naar- 
dat men bij eene gegevene hoeveelheid van het afkooksel, ver- 
kregen van te voren afgewogene deelen der bewuste stof, groo- 
tere of kleinere gewigten aluin voegt en dan met een alkali 
praecipiteert. Verschillende laksoorten, welke ik meteene ver- 
houding van 10 tot 40 aluinaarde ten honderd lak heb bereid, 
hadden zeer uiteenloopende sterkte ín kleuren, van het ligt 
roode tot het nagenoeg zwart-roode toe. 

Wanneer , zooals ik reeds in den aanvang dezer bijdrage ge- 
legenheid had op te merken, de kochenillestof met wijn- 
geest van 70 à 80 % gekookt is, wordt eene hoeveelheid kleur- 
stof door dezen opgelost, vermengd met verschillende vetsoor- 
ten, welke laatste evenwel bij bekoeling van den wijngeest 
voor het grootste gedeelte zich kristalvormig uitscheiden en dus 
door filtrering gemakkelijk kunnen worden verwijderd; de ver- 
kregene vloeistof daarna tot op de helft verdampt zijnde, zet 
schoone oranjeroode stippen af ‚ terwijl zij tot droogwordens 
verdampt, daarna in water opgelost en met aluin en een al- 
kali, zooals boven aangegeven is, behandeld, oneindig schoonere 
verwen geeft dan uit de oplossing door enkele koking met 
water kunnen verkregen worden. Dewijl deze methode evenwel 
naar mijne wijze van zien niet genoegzaam technisch is om met 
vrucht op Java zelf te kunnen worden aangewend, zoo zal ik 
er hier niet verder over uitweiden. 

Volgens mijne overtuiging zoude hef nief overtollig wezen, de 
volgende hoogst eenvoudige en onkostbare proef in het werk te 


49 


stellen. Men make door uitkoking met water een afkooksel der 
witte kochenille-stof, filtrere dat door eenen doek van de onopge- 
lost geblevene dierlijke zelfstandigheden af en voege onmiddellijk 
zooveel verdund zwavelzuur (namelijk een deel zwavelzuur uit den 
handel met vijf deelen water) bij het afkooksel, tot al de kleur- 
stof is nedergeslagen geworden, iets, dat men ligt bemerkt, 
_ dewijl het gevormde nederslag tamelijk snel bezinkt en men 
dan natuurlijk aan de bovendrijvende vloeistof gemakkelijk zien 
kan, of zij nog kleurstof bevat of niet. ín het laatste geval 
filtrere men nogmaals, spoele eenige malen het op het filirum 
teruggeblevene met water af en drooge de gansche massa, welke 
nu al de kleurstof, gebonden aan eenig zwavelzuur, bevat, in de 
zon, of ook in denzelfden oven waarin en dezelfde tempera- 
tuur waarbij de kochenille-beestjes worden gedood. In Euro- 
pa fabrijkmatig door deskundigen bewerkt wordende, was hef 
te verwachten, dat aan deze stof welke tot heden toe volstrekt 
geene waarde had, eenige waarde zoude worden toegekend en 
zij eene plaats zoude innemen tusschen de vele met haar ge- 
lijke voortbrengselen, welke voorheen als onnut weggeworpen , 
doch thans reeds lang eene nuttige toepassing in het dagelijk- 
sche leven gevonden hebben. Het spreekt overigens van zelf, 
dat, wil men deze laatste wijze niet volgen, men even goed de 
gansche oorspronkelijke witte stof ter verwerking naar Euro- 
pa zenden kan. Zulks is nog gemakkelijker; alleen neemt zij 
in dit laatste geval veel meer scheepsruimte in en zal dus 
eenige meerdere kosten na zich slepen. 

Vatten wij alle de resultaten van dit onderzoek te zamen, 
dan blijkt het, dat de witte kochenille-stof gedurende het le- 
ven van het insekt afgescheiden en welke vooral bij zijne zui- 
vering verkregen wordt, is eene massa, bestaande uit kleine 
insekten en gedeelten daarvan, vermengd met de exkrementen 
dezer diertjes, in welke beiden zijn aangetoond minstens drie 
goed gekenmerkte en van elkander verschillende vetsoorten, 
eene in kouden ether, eene andere in kokenden alkohol en de 
laatste in kouden alkohol oplosbaar, welke èn om het groote 
‚gehalte dat gerust op 8% mag gesteld worden, èn het volsla- 
ui. Á, 


50 


gen gemis aan overeenstemming met het door meerdere schrij- 
vers beschrevene coccus-vet (welk laatste. trouwens ook meer 
van coccus polonicus en veel minder van coscus cacti afstamt ) 
wel verdienden, uit een meer wetenschappelijk oogpunt te wor- 
den beschouwd ; dat voorts in deze stof is bevat eene kleurstof 
gelijk aan die, welke in het kochenille-insekt voorkomt, doch welker 
bereiding in den vorm van karmijn of karmijn-lak op de gewone 
wijze, wordt verhinderd door de groote hoeveelheid vet en 
dierlijke zelfstandigheden welke haar vergezellen, zijnde dit 
laatste tevens de oorzaak van de snelle ontbinding harer af- 
kooksels met water, vooral in het Indisch klimaat en dat nog 
wel dáár, waar minstens over eenige dagen tijdster goede vol- 
eindiging moest kunnen worden beschikt. 

Ik behoud mij voor, om na afloop van meerdere onderzoe- 
kingen nog eens op dit onderwerp terug te komen. 


Weltevreden, den 6den Februarij 1852. 


BIJDRAGE 


TOT DE KENNIS DER 


ICHTHYOLOGISCHE FAUNA VAN SINGAPORE, 


DOOR 


Dr. P. BLEEMER. 


In mijne Bijdrage tot de kennis der Ichthyologische fauna van 
Riouw (Natuurkundig Tijdschrift voor Ned. Ind. Jaarg. II, 1851), 
gaf ik eene opsomming van de door den heer Tu. CANTOR van 
Singapore bekend gemaakte vischsoorten, ten getale van 122, 
Ik vermoedde toen niet, dat ik spoedig in de gelegenheid zou 
zijn, zelf de kennis der zeefauna van Singapore aanmerkelijk 
te verrijken. 

In November en December 1851 ontving ik belangrijke ver- 
zamelingen van Singapore, welke ik heb te danken aan den 
wetenschappelijken ijver van den heer Durronquvor te Singa- 
pore, alsmede aan de welwillendheid van den heer C. G. 
Daum, die zich wel met de overbrenging daarvan heeft willen 
belasten. De bedoelde verzamelingen bevatten de hieronder 
genoemde soorten. Van de reeds door mij beschrevene is de 
plaats van beschrijving achter de namen gevoegd. 


1. Labraax waigiensis CV. Nat. Tijdschr. N.L Jaarg. Ip. 479. 
2. Apogon rhodopterus Blkr. nov. spec. 

BE glaga Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoid. 

4. Serranus crapao GV. ibid. 

ö. nn altwvelis CV. ibid. 

6. Plectropoma maculatum CV. ibid. 


52 


. Mesoprion annularis GV. ibid. 


… ___chrysotaenia Blkr. Nat. Tijdschr. N.L II p. 170. 


. Myriodon scorpaenoïdes Bris. d. Barnev. ibid. p. 480. 

. Therapon theraps GV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 

. Helotes sexlineatus CV. Nat. Tijdschr. N. IL. HI p. 171. 

‚ Holocentrum orventale CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 
. Sphyraena gello CV. ibid. 


zi obtusata CV.? ibid. 


. Polynemus tetradactylus GV. ibid. 
„ Upeneoïdes variegatus Blkr. ibid. 


ke sulphureus Blkr. = Upeneus sulphureus GV. 
ibid. 
ie vittatus Blkr. = Upeneus vittatus CV. ibid. 
Platycephalus isacanthus CV.?- Nat. Tijdschr. N. IL. II p. 
A81. 


. Pristipoma nageb Rüpp. Verh. Bat. Gen. XXIII Sciaenoïd. 
. Diagramma punctatum Ehr. ibid. 


5 plectorhynchus CV. ibid. 


. Scolopsides Vosmeri GV. ibid. 


 margaritifer GV. ibid. 
5 monogramma K. v. H. ibid. 


. Girella sarissophorus Blkr. = Crenidens sarissophorus 


Cant. 


. Heterognathodon bifasciatus Blìkr. Verh. Bat. Gen. XXIII 


Sciaenoïde 


. Dentex tolu CV. ibid. Sparoid. 
…Lethrinus rhodopterus Blkr. nov. spec. 
50. 


Pentapus setosus CV. Nat. Tijdschr. N. í. II p. 175. 
Caesio coerulaureus Lac. Verh. Bat. Gen. XXIII Maenoid. 
> __ erythrogaster K.v. H. ibid. 


. Scatophagus argus CV. ibid. Chaetodont. 
‚ Chelmon rostratus CV. ibid. 
. Holacanthus annularis GV. ibid. 


n sexstriatus K. ve H. 


. Platax gampret Blkr. ibid. 


… ___teira CV. ibid. 


39. 


40. 
41. 
42. 
45. 
44. 
40. 
46. 
47. 
48. 
49. 
50. 
ò4. 
52. 


3. 


ò4, 
0) 


56. 
ò7. 
_ö8. 


òg. 
_60 


61. 


62. 
65. 
64. 
65. 
66. 
67. 
68. 
69. 
70. 


55 


Psettus rhombeus CV. ibid. 
Cybium guttatum CV. ibid. XXIV Makreel. Vissch. 
Chorinemus sancti Petri GV. ibid. 
TFrichturus savala GV. ibid. 
En haumela CV. ibid. 
Megalaspis Rottlerí Blkr. = Caranx Rotleri GV. ibid. 
Selar Kuhli Blkr. ibid. 
Carangoïdes atfropus Blkr. = Carana nigripes GV. ibid. 
Stromateus niger Bl CV. = Apolectus stromateus CV. 
Stromateoïdes cinereus Blkr. = Stromateus griseus GV. 
Equula dacer CV. ibid. 
Amphacanthus guttatus Bl. Schn. ibid. XXIV Teuthid. 
5 virgatus CV. ibid. 
is javus GV. ibid. 
hs chrysospilos Blkr. nov. spec. 
Pomacentrus prosopotaenia Blkr. nov. spec. 


Glyphisodon bengalensis GV. Verh. Bat. Gen. XXI Labroïd. 
Ctenoïd. | 
5 coelestinus GV. ibid. 
5 plagiometopon Blkr. nov. spec. 


Cossyphus macrodon Bìkr. Verh. Bat. Gen. XXII Gladsch. 
Labroïd. | 

Tautoga melapterus GV. ibid. 

Crenilabrus oligacanthus Blkr. Nat. Tijdschr. N. IL. II p. 
489. 

Scarus micrognathos Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Gladsch. 
Labroïd. 


5 rivulatovdes Blkr. ibid. 

on aeruginosus GV. ibid. 

Ki harid Forsk. ibid. 

i) singaporensis Blkr. nqy. spec. 


Gobius chlorostigma Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Gobioïd. 
Apoeryptes changua CV. ibid. 

Batrachus grunniens CV. Nat. Tijdschr. HI p. 487. 
Echeneis neucrates L. Verh. Bat. Gen. XXIV Chiroc. Lutod. 
Machaerium nebulatum Blkr. nov. spec. 


5 


71. Arius leiotetocephalus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXI, Siluroïd. 
batav. 

72. …„ _macruropterygius Blkr. ibid. 

75. Plotosus unicolor K.v. H. ibid. 

Br, albilabris CV. 

75. Chirocentrus dorab CV. Verh. Bat. Gen. XXIV, Chiroc. 
Lutod. 

Zoen „__… _hypselosoma Blkr. 

77. Belone caudimacula Cuv. Verh. Bat. Gen. XXIV. Snoek. 

78. _„ melanotus Blkr. ibid. 

79. _„ leivroïdes Blkr. Nat. Tijdschr. N.I. I. p. 479. 

80. Hemiramphus Quoit CV. ibid. II p. 491. 

81. „ Dussumierii CV. Verh. Bat. Gen. XXIV, Snoek. Vissch. 

82. Pellona Russellii Blkr. ibid. Haring. Vissch. 

85. Alausa ctenolepis Blkr. ibid. 

84. Engraulis Brownii GV. ibid. 

85. É Dussumierii CV. ibid. 

86. Saurida tombil GV. ibid. Chir. Lutod. 

87. Hippoglossus erumei Cuv. ibid. Pleuronect. 

88. Synaptura aspilos Blkr. nov. spec. 


89. A zebra Cant. Verh. Bat. Gen. XXIV, Pleuronect, 
90. Plagusia brachyrhynchos Blkr. ibid. 
91. Conger talabon Cuv. \ 


92. _… _singaporensis Blkr. nov. spec. 

95. Balistes stellatus Lac. Verh. Bat. Gen. XXIV, Balistin. 

94. Monacanthus Cantoris Blkr. ibid. 

95. Triacanthus Blochit Blkr. 

96. Tetraödon Kunhardtii Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV, Blootk. 
Visschen. 

97. ie testudineus Bl. ibid. 

98, oe lunaris Guv.gbid. 

99. Hippocampus kuda Blkr. nov. spec. 

100. Ginglymostoma Rüppellii Blkr. 

101. Rhinobatus (Rhinobatus) armatus Gr. Hardw. Verh. Bat. 

Gen. XXIV Plagiost. 

102. Taeniura lymma MH. ibid. 


55 


Van deze soorten zijn slechts 29 vermeld door den heer 
CaNtoRr. Het geheele aantal mij bekende species van Sin- 
gapore stijgt daardoor van 122 tot 195, zoodat ik de ken- 
nis der vischfauna van dit eiland, met die van niet minder 
dan 73 species heb kunnen verrijken. 

Vergelijkt men voorts de van Riouw bekende vischspecies 
met die van Singapore, dan blijkt het, dat van de 75 bekende 
Riouwsche soorten 99 of ongeveer de helft ook te Singapore 
zijn aangetroffen en dat het geheele aantal van den Archipel 
van Riouw en Singapore bekende species 232 bedraagt. 

De bedoelde 195 species van Singapore zijn de volgende. 


1. Lates nobilis CV. 
2. Labrax waigiensis CV. 8 
&. Apogon rhodopterus Blkr. 
BEE poecilopterus K. v. H. 
ven guadrifasciatus GV. 
Ors, glaga Blkr. 
7. Serranus crapao CV. 
8. ie horridus K. v. H. 
9. va suillus CV. = Serranus cotoïdes Cant. 
10. 5 altivelis GV. | 
11. Plectropoma maculatum CV. 
12. Mesoprion rangus GV. 
15. zh chrysotaenia Blkr. 
14. De annularis GV. 
15. Myriodon scorpaenoïdes Bris. de Barnev. 
16. Therapon puta CV. = Therapon trivittatus Cant. 
MT) theraps CV. 
18. Helotes sexlineatus GV. 
19. Holocentrum orientale CV. 
20. Sillago acuta CV. = Sillago malabarica Cant. 
21. Sphyraena jello CV. 
23, … … … obtusata-CV. 
25. Polynemus tetradactylus Shaw. 
24. kiss uronemus GV. = Polynemus indicus Shaw. 


56 


25. Upeneoïdes sulphureus Blkr. 

26. na vittatus Blkr. 

Re En variegatus Blkr. 

28. Platycephalus isacanthus CV. 

29. Apistus trachinoïdes CV. = Prosopodasjs trachinoïdes 
Cant. | 

30. Otolithus biauritus Cant. 

AM en, ruber GCV. 

Eelt ss argenteus K,. v. H. 

545 INNEN maculatus K. v. H. 

84. Corvina Dussumierii CV. 

5E Belengeri CV. 

TMR catalea CV. 

57. Umbrina Russellit CV. 

58. Pristipoma kaakan CV. 

99. oe nageb Rüpp. 

40. Diagramma punctatum Ehr. = Plectorchynchus balteatus 
Cant. 

Al. s plectorhynchos GV. 

42. Girella sarissophorus Blkr. = Crenidens sarissophorus Cant, 

48. Lobotes erate GV. 

A4. Scolopsides Vosmeri CV. 


45. ie margaritifer CV. 
46. B monogramma K. v. H. 
47. Heterognathodon bifasciatus Blkr. 


48. Dentexr tolu CV. 

49, Lethrinus rhodopterus Blkr. 

50. Pentapus setosus CV. 

òf. Caesio coerulaureus Lac. 

52. „ erythrogaster K.v. H. 

53. Chelmon rostratus CV. 

5k. Heniochus macrolepidotus CV. = Diphreutes macrolepido- 
tus Cant. 5 

85. Ephippus orbis CV. = llarches orbis Cant. 

56. Drepane longimana CV. = Harpochirus punctatus Cant. 

87. Scatophagus argus CV. = Cacodoxus argus Cant. 


58. 
óg. 
60. 
61. 
62. 
65. 
64. 
65. 
66. 
67. 
68. 
69. 
70. 
71. 
za. 


78. 


74. 
78. 
76. 
77. 
8. 
79. 
80. 

81. 
82. 
85. 
84. 
85. 
86. 
B. 
88. 
89. 
90. 
91. 
92. 

95. 


Holacanthus sexstriatus K. v. H. 
H annularis CV. 

Platax Bloch CV. = Platax vespertilio CV. 

Ds teira GV. 

> __gampret Blkr. 

ge arthriticus CV. 

es ocellatus CV. 
Psettus rhombeus CV. = Monoductylus rhombeus Cant. 
Tozotes jaculator CV. 
Cybium guttatum GV. 


Ne Commersonii CV. % 
A lineolatum CV. 
Trichturus haumela CV. 
iP savala CV. 


Elacate bivittata CV. 
Chorinemus sancti Petri CV. 
EN Commersonianus GV. 
pa tol. GV. 
Stromateus niger Bl. 
Megalaspis Rottleri Blkr. 
Selar Kuhlit Blkr. 
Carangoïdes talamparah Blkr. = Caranx malabaricus GV. 


h atropus Blkr. = Caranx mgripes GV. 
e citula Blkr. = Caranx citula GV. 
5 gallichthys Blkr. = Gallichthys major GV. 


Selaroïdes leptolepis Blkr. = Caranx leptolepis K. v. H. 
Gnathanodon spectosus Blkr. = Caranx speciosus CV. 
Seriola binotata GV. 
Lactarius delicatulus CV. 
Stromateoïdes atoukota Blkr. = Stromateus atous CV. 
5 cinereus Blkr. 
Kurtus indicus Bl. 
Equula caballa GV. 
jk filigera GV. 
EL dacer CV. 
pe longimana Cant, 


58 


94. Equula insidiatrie CV. 
95. Gazza minuta Blkr. 
96. Amphacanthus javus CV. = Teuthis javus Cant. 


7. BE chrysospilos Blkr. nov. sp. 
98. SS guttatus Bl. Schn. 
99. 5 virgatus GV. 


100. Mugil cephalotus CV. 

101. _  _ecunnesius GV. 

102. Gobius chlorostigma Blkr. 

105. Apocryptes changua GV. 

104. Periophthalmus Schlosseri CV. 

105. Petroskirtes variabilis Cant. 

106. Echeneis neucrates L. 

107. Antennarius hispidus Cant. = Chironectes hispidus CV. 
108. a Commersoni Cant. = … __ Commersonii CV. 
109. Batrachus grunniens GV. 

110. Glyplisodon bengalensis GV. 


AM. Eh rahti CV. 
112. a coelestinus GV. 
115. be plagiometopon Blkr. nov. spec. 


114. Pomacentrus prosopotaenta Blkr. nov. spec. 

115. Cossyphus macrodon Blkr. 

116. Cremilabrus oligacanthus Blkr. 

117. Tautoga melapterus CV. 

118. Scarus micrognathos Blkr. 

119, _„ _aeruginosus GV. 

BO Ng harid Forsk. 

RD rwulatoïdes Blkr. 

122. „ _ singaporensis Blkr. 

125. Arius arius CV. 

124.  _macruropterygius Blkr. 

125. * „, _leiotetocephalus Blkr. 

126. Osteogeneiosus militaris Blkr. = Arius militaris CV. 
427. Plotosus lineatus CV. = Plotosus anguillaris Cant. 
128. pr unicolor K. v. H. 

129. n albilabris. GV. 


59 


150. Chirocentrus dorab CV. 

151. zh hypselosoma Blkr._ 

152. Dussumieria acuta CV. 

55. Belone caudimacula Cuv. 

454.  „ leturoïdes Blkr. 

155. „ melanotus Blkr. 

156. Hemiramphus Dussumieriùi CV. 

157. D Quoijt GV. , 
158. Pellona Russellit Blkr. 

159. _„ _ Grayana CV. = Pellona affinis Cant. 
140. Raconda Russelliana Gray. 

141. Clupeonia perforata Cant. 

142. Alausa toli CV. 

145. _„ _ctenolepis Blkr. 

144. Coïlia Reynaldi CV. 

145. Engraulis Brownü CV. 

146. NS mystax CV. 

147. on Dussumterùi CV. 

148. Saurida tombil CV. 

149. Saurus ophiodon CV. 

150. Platessa Russellit Gray- 

154. Hippoglossus erumei Cuv. 

152. Sijnaptura aspilos Blkr. nov. spec. 
155. 7 zebra Cant. 

154. eh Commersoniana Cant. — 
455. Plagusia quadrilineata K. v.;H. = Plagusia bilineata Cant. 
156. sf potous Cuv. 

157. id brachyrhynchos Blkr. 

158. Machaerium nebulatum Blkr. nov. spec. 
159. Conger talabon Blkr. 

160. _„ _bagio Cant. 

161: _„ _singaporensis Blkr. 

162. Ophiurus baccidens Cant. 

165. Balistes stellatus Lacép. 

164. „ conspicillum Bl. Schn. 

165. Monacanthus geographicus Cuv. 


166. 
167. 
168. 
169. 
170. 
471. 
172. 


175. 


174. 
175. 
176. 
177. 


178. 


179. 


180. 


181. 


182. 


185. 
184. 
185. 
156. 
187. 
188, 
189. 
190. 
191. 
192. 
195. 
194. 
195. 


60 


Monacanthus Cantoris Blkr. 

‚N penicilligerus Cuv. 
Pogonognathus barbatus Blkr. = Alutarius barbatus Cant. 
Triacanthus Russellii Blkr. = Friacanthus biaculeatus Cuv. 


he Blochü Blkr. = Friacanthus biaculeatus Bl. 
Tetraödon Kunhardtii Blkr. 

ke testudineus Bl. 

är simulans Cant. 

pf lunaris Cuv. 


Ostracion cornutus L. 
Syngnathoïdes Blochù Blkr.= Syngnathus biaculeatus Bl 
Hippocampus kuda Blkr. nov. spec. 
Scyllium maculatum MH, 
Ginglymostoma Rüppellii Blkr. 
Carcharias (Scoliodon) acutus MH. 
Sphyrna zygaena Rafin. 
4 Bloch MH. 
Pristis semisagittatus Lath. 
Rhynchobatus laevis MH. 
Rhinobatus (Rhinobatus) armatus Gr. Hardw. 
5 (___ » _) hgonifer Cant. 

Platyrhina sinensis MH. 
Astrape dipterygia. MH. 
Temera Hardwick Gray. 
Trygon uvarnak Rüpp. 

De imbricata MH. 
Pteroplatea micrura MH. 
Hypolophus sephen MH. 
Taeniura lymma MH. 
Aëétobatis narinari MH. = Stoüsodon narinart Cant. 


Van deze 195 species zijn 28 door mij ontdekt of voor het 
eerst beschreven. Meerderen dier nieuwe soorten heb ik ech- 
„ter reeds vroeger bekend gemaakt , zooals Apogon glaga, 
Mesoprion chrysotaenia, Upeneoïdes variegatus, Platax gam- 


pret, 


Selar Kuhlii, Gobius chlorostigma, Crenilabrus oligacan- 


61 


thus , Scarus micrognathos, Scarus rivulatoïdes, Arius leioteto- 
cephalus, Arius maecruropterygius, Belone leturovdes, Belone 
melanotus, Alausa ctenolepis, Plagusia brachyrhynchos, Te- 
traödon Kunhardti, Monacanthus Cantoris. 

In deze bijdrage worden voor het eerst beschreven Apogon 
rhodopterus , Lethrinus rhodopterus, Amphacanthus chrysospilos, 
Glyphisodon plagiometopon, Pomacentrus prosopotaenia , Sca- 
rus singaporensis, Chirocentrus hypselosoma, Synaptura a- 
spilos, Machaerium nebulatum, Conger singaporensis, Hippo- 
campus kuda. De beschrijvingen van enkele soorten, voorko- 
mende in het nog niet in het licht verschenen 2áste deel der 
Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten 
en Wetenschappen, heb ik hier teruggegeven, als aan het 
wetenschappelijk publiek nog onbekend. 

Van andere reeds min of meer bekende soorten heb ik nieuwe 
beschrijvingen ontworpen en daarbij de noodige toelichtingen 
gevoegd. 


DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE, 


PERCOIDEL 


Apogon rhodopterus Blkr. 


Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 34 in ejus longitudine, 
latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite 34 in longitudine corpo- 
ris, paulo longiore quam alto; oculis diametro 3 et paulo in longitudine 
capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; praeopereulo rotundato 
fortiter dentato; maxilla superiore sub oculi limbo posteriore desinente ; 
squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali, 9 p. m. in serie verti- 
cali; linea laterali subarborescente; dorso elevato; pinna dorsali spinosa 
radiosa multo humiliore, spinis validis, spina 2° ceteris longiore; dorsali 
radiosa et anali rotundatis, dorsali anali altiore; pectoralibus et ventrali- 
bus longitudine aequalibus, analem non attingentibus, 5 circiter in longi- 
tudine corporis; caudali emarginata lobis obtusis 44 in longitudine corpo- 
ris; colore corpore aureo-viridi; dorso fasciis 2 transversis, 12 sub initio 
pinnae dorsalis spinosae, 2* sub fine pinnae dorsalis radiosae; cauda ma- 
cula rotunda nigra; pinna dorsali spinosa fuscescente nigro marginata; 
pinnis ceteris rubris et aurantiacis; caudali membrana fusca. 

B. 7. D. 6-1/9 vel 1/10. P. 2/12. V. 1/5..A- 2/8 vereren Oe Lee 

spinul. lateral. sup. 5 infr. 4, 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo speciminis unici 132”, 


Deze soort staat in verwantschap tusschen Apogon trimacu- 
latus CV. van Boeroe en China en Apogon bifasciatus Rüpp. 
van de Roode zee. Aan laatstgenoemde beantwoordt zij zelfs 
ten opzigte van de plaatsing en gedaante der rugbanden en 
staartvlek, maar zij verschilt er van door ligte wijzigingen 
in de overige kleuren en voornamelijk door spitser, niet bol 
profiel, langwerpiger ligchaam, grootere bekspleet, één doorn 
minder in de fste rugvin, die aanmerkelijk lager is dan de 
2de rugvin, en door afgeronde 2derugvin en aarsvin. 

Van de ÎS8 mij thans bekende soorten van Apogon van den 
Indischen Archipel bevinden er zich 2 in mijne verzameling, 


68 


t. w. Apogon hyalosoma Blkr. (Apogon thermalis Blkr. nec 
CV.) van Java, Sumatra, Sumbawa; Apogon quadrifasciatus 
CV. van Java, Singapore, Pinang; Apogon novemfasciatus CV. 
(Apogon balinensis Blkr. olim) van Bali, Sumatra; Apogon mul- 
titaeniatus Ehr. van Sumbawa; Apogon macropterus K. v. H. 
van Java, Sumatra; Apogon glaga Blkr. van Java, Singapore; 
Apogon chrysotaenia Blkr. van Java; Apogon melas Blkr. van 
Sumbawa; Apogon Cantoris Blkr. van Riouw; Apogon rosei- 
pinnis GV. en Apogon Hartzfeldü Blkr. van Amboina en de bo- 
venbeschrevene. De overige bekende soorten van den Archipel 
zijn Apogon nigripinnis GV. van Java, Celebes; Apogon fu- 
catus Cant. van Pinang; Apogon poecilopterus K.v.H. van Java, 
Singapore, Pinangs Apogon orbicularis K. v. H. van Java, 
Amboina, en Apogon trimaculatus CV. van Boeroe. 


SCLEROPAREL. 
Platycephalus isacanthus GV? 


Ik beschreef deze soort in mijne bijdrage tot de kennis der 
Ichthyologische fauna van Riouw naar 2 specimina van 220” 
en 230” lengte. Mijn specimen van Singapore is 290” lang 
en heeft alle vinnen fraai met geel gemarmerd en de meeste 
vinnen tevens met bruine of zwartachtige vlekjes geteekend. 


SCIAENOÏDEI. 
Girnerra Blkr. 


Dentes maxillares pluriseriati tricuspidati. Apertura bran- 
chialis sub angulo praeoperculi desinens. Pori mentales plures 
conspicui. Membrana branchiostega radiis 6. Pinna dorsalis 
unica. Spina dorsi prima procumbens. 


Aanm. De bovenstaande diagnose komt in de hoofdkarak- 
ters overeen met- die van Grella Gray, Richards. De heer 
Cantor brengt de soort, welke mij aanleiding geeft tot 
voorstelling van dit geslacht, tot Crenidens CV. en onder 
dit geslacht tot het subgenus Girella, hetwelk gekenmerkt 


64 


wordt als van Crenidens te verschillen , doordien alle kaaktan- 
den driepuntig zijn. Het komt mij evenwel voor, dat Gerella 
tot een eigen geslacht behoort verheven te worden, verschil- 
lende van Crenidens niet alleen door de afwezigheid van kor- 
relachtige kaaktanden, maar ook door zijne zes kieuwstralen, 
vertikale spleetvormige kieuwopening, getand praeoperkel, 
liggenden doorn voor de eerste rugvin enz. Het getand zijn 
van het praeoperkel doet dit geslacht zelfs uit de familie der 
. Sparoïden verwijderen. Blijkbaar echter is dit kenmerk van 
zeer ondergeschikte waarde ten opzigte van de onderscheiding 
van familiën,.gelijk ik zulks reeds in eene vroegere bijdrage 
heb aangemerkt. Evenzeer als het getand zijn des praeoper- 
kels de groote verwantschap niet verbreekt tusschen Girella en 
Crenidens, evenmin verbreekt zulks de groote overeenkomst 
tusschen Heterognathodon en Pentapus, welke evenzeer volgens 
de Cuviersche diagnose in twee verschillende familiën zouden 
behooren plaats te nemen. 

Ik kan den heer Rrcuarpson niet bijstemmen, wanneer hij 
de Melanichthys der Fauna gzapontca tot Crenidens CV. terug- 
brengt. Het geslacht Melanichthys verschilt toch niet alleen 


van Crenidens door algemeenen habitus, maar ook door zijn, 


tandenstelsel en van Gtrella insgelijks door beide momenten. 
Van de bekende geslachten van Sciaenoëïden heeft Girella het 
meest van Diagramma en Pristipoma. 


Grrella sarissophorus Cant. 


Girell. corpore oblongo compresso, altitudine 22% ad 23 in ejus longi- 
tudine, latitudine 2} ad 24 in ejus altitudine; capite obtuso, convexo, 4 
eirciter in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; oculis dia- 
metro 44 ad 42 in longitudine ecapitis; rostro convexo oculo longiore, 
ante os prominente; osse suborbitali oculi diametro altiore; maxillis den- 
tibus pluriseriatis omnibus tricuspidatis serie externa majoribus; mento 


poris 10 valde conspicuis; praeoperculo obtusangulo rotundato postice den- 


En 


ticulato; operculo medio alepidoto; dorso elevato; squamis ctenoïdeis, 


lateribus 46 p. m. in serie longitudinalis spina procumbente ante pinnam 
dorsalem; pinna dorsali spinam ultimam et penultimam inter usque ad basin 
fere incisa, spina 4* maxime elongata, parte radiosa ut et pinna anali 
squamulosa antice angulata postice rotundata; pinnis pectoralibns acutis 


65 


43 ad 5, eaudali subtrunecata non emarginata, maxima parte squamosa), 
5} eireiter in longitudine corporis; ventralibus acutis, spina valida, radio 
1° filigero anum attingente; colore corpore superne pinnisque verticalibus 
fuscescente-viridi, inferne argenteo, pinnis pectoralibus ventralibusque vi- 
ridi-aurantiaco. 

Bio D, 1 procumb. + 10/16. B. 2/18. V. 1/5. A. 3/15. C. 17 et lat, 

brev. 

Synon. Crenidens sarissophorus Cant. Catal. Mal. Fish. p. 52 tab. 1 fig. 
1-4. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 275” et 325”, 


Aanm. De heer Cantor ontdekte deze soort op Pirang in 
1845 en gaf daarvan eene afbeelding en uitvoerige beschrijving 
in zijne „ Catalogue of Malaijan Fishes.”’ Ik vind er echter 6 
kieuwstralen en niet 5, zooals de heer Cantor aangeeft. De 
soort is zeer kenbaar door haren zeer verlengden 4" rugdoorn. 


SPAROIÏIDEI. 


Lethrinus rhodopterus Bikr. 


Lethrin. corpore oblongo compresso, altitudine 84 in ejus longitudine, 
patitudine 24 circiter in ejus altitudine; capitesacuto, 33 circiter in longi- 
tudine corporis, paulo longiore quam alto; oculis diametro 82 in longie 
tudine capitis; linea rostro-frontali concaviuscula; fronte convexa; nucha 
non gibbosa; rostro acuto oculo duplo circiter longiore ; maxillis aequalibus, 
superiore ante oculum desinente; dentibus utraque maxilla serie externa 
antice caninis 4 magnis curvatis, lateribus antice conicis postice globosis , 
seriebus internis minimis; labiis crassis; osse suborbitali angulo oris oculi 
diametro altiore; praeoperculo rotundato; operculo postice spina unica 
plana; linea dorsali rotundata; squamis ciliatis, lateribus 48 p. m. in se- 
rie longitudinali; pinna dorsali spina 5* spinis ceteris longiore, parte ra- 
diosa rotundata; pinnis pectoralibus acutis 88, ventralibus acutis 54, cau- 
dali emarginata lobis acutis 5 circiter in longitudine corporis; anali spina 
da spinis ceteris longiore; parte radiosa postice angulata paulo humiliore; 
colore corpore superne olivaceo-viridi inferne argenteo; lateribus sub linea 
laterali macula diffusa nigricante magna; pinnis rubris vel aurantiacis. 

B. 6. D. 10/9 vel 10/10. P. 2/11. V. 1/5. A. 3/8. vel 3/9. C. 17 et 

lat. brev. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo speciminis unici 342”, 


HL. 5 


66 


Aanm. Deze soort heeft groote verwantschap met Zethrinus 
harak Rüpp, welke echter korter van ligchaam is, stomperen 
kop en ander profiel, kortere borstvinnen en, de staartvin 
uitgezonderd, witachtige vinnen heeft. Ik kan de bovenstaande 
beschrijving tot geene der mij bekende terugbrengen. De 
karakteristiek der soorten van Zethrinus is moeijelijk, wegens 
de groote overeenkomst van vele soorten onderling en door 
het onvoldoende van meeste bestaande beschrijvingen. 


TEUTHIDES. 


Amphacanthus chrysospilos Blkr. 


Amphac. corpore oblongo compresso, altitudine 23 in ejus longitudine, 
latitudine 32 in ejus altitudine; capite obtuso 5 in longitudine corporis, 
aeque alto circiter ac longo; linea rostro-frontali declivi rectiuscula ante 
oculos convexiuscula; linea rostro-pectorali convexa; oculis diametro 34 
in longitudine capitis; osse suborbitali supra angulum oris altitudine oculi 
diametrum subaequante; operculo, praeoperculo et osse scapulari valde 
striatis; squamis minimis; pinna dorsali partem spinosam inter et radio- 
sam vix emarginata, spinis mediocribus, mediis ceteris majoribus, 1* ce- 
teris breviore, parte radiosa parte spinosa altiore rotundata; pinnis pecto- 
ralibus obtusis capite bravioribus; ventralibus pectoralibus brevioribus; 
anali spinis validis postica ceteris longiore, parte radiosa parte spinosa 
altiore rotundata; caudali profunde semilunariter emarginata, lobis acutis 
4 eirciter in longitudine corporis; colore corpore coeruleo, guttis valde 
confertis aureis sve1 aurantiacis; pinnis dorsali et anali spinosis nigricante 
nebulatis, dorsali et anali radiosis nigricantibus; pectoralibus radiis viri- 
di-fuscescentibus; ventralibus violaceis; caudali nigricante-viridi. 

B. 5. D. 1 procumb. + 13/10 vel 13/11. P. 2/15. V. 1/3/1. A. 7/9 

vel 7/10. C. 17 et lat. brev. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo speciminis unici 292, 

Aanm. Amphacanthus chrysospilos heeft in habitus en kleur- 
teekening het meest van Amphacanthus guttatus Bl. Schn. doch 
verschilt daarvan ten duidelijkste door minder bol profiel van 
den kop, sterk gestreept zijn der operkels, hoogeren nek, 
sterk uitgeronde tweekwabbige staartvin, korteren laatsten 
rugdoorn en zeer digt bijeenstaande goud- of oranjekleurige 
vlekjes. Deze vlekjes strekken zich bij mijn specimen uit tot 


67 


op de doornachtige rugvinen de basis der staartvin. Bij Am- 
phacanthus guttatus Bl. Schn. zijn de vlekjes grooter en ver- 
der vaneenstaande. 


LABROIDEL CTENOÏDEL 


Glyphisodon plagiometopon Blkr. 


Glyphis. corpore oblongo compresso, altitudine 22 in ejus longitudine, 
latitudine 24 in ejus altitudine; capite 4 in longitudine corporis, aeque 
alto circiter ac longo; linea rostro-dorsali capite valde obliqua convexius- 
cula; oeulis diametro 4 in longitudine capitis; rostro oculo longiore; osse 
suborbitali angulo oris altitudine oculi diametrum aequante; praeoperculo 
subreectangulo angulo rotundato;s dentibus maxillis apice vix emarginatis, 
cuneiformibus; squamis lateribns 26 p. m. in serie longitudinali; pinnis 
dorsali et anali rotundatis, dorsali spina ultima spinis ceteris longiore; 
pectoralibus obtusis et ventralibus non productis capite paulo brevioribus, 
longitudine aequalibus; caudali vix emarginata angulis obtusa, 5 fere in 
longitudine corporis; colore toto corpore fusco; capite coeruleo punctato; 
squamis lateribus vitta transversa coerulea; pinnis fuscis, dorsali et anali 
radiosis basi coeruleo guttatis. 

BEE 13/14 vel 13/15. P. 2/15. V. 1/5. À. 3/14 vel 2/15. C2'15 

et lat. brev. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo speeiminis unici 164”, 


Aanm. Men kan deze species bij den eersten oogopslag 
herkennen door haar zeer schuinsch profiel en kleuren. 


Pomacentrus prosopotaenta Blkr. 


Pomac. corpore oblongo compresso, altitudine 83 in ejus longitudine, 
latitudine 2% in ejus altitudine; capite obtuso 42 in longitudine corporis, 
aeque alto circiter ac longo; linea rostro-dorsali vertice convexa, rostro 
et ante oculos declivi-rectiuscula; oculis diametro 4 circiter in longitudive 
capitis; rostro oculo vix longiore; osse suborbitali angulo oris oculi dia- 
metro humiliore, postice valde dentato; praeoperculo rotundato dentibus 
valde conspicuis; operculo spina unica parva plana; squamis lateribus 29 
p. m. in serie longitudinalis; pinnis dorsali et anali angulatis rotundatis , 
dorsali spinis gracilibus postica spinis ceteris longiore; pinnis pectoralibus 
obtusis et ventralibus acutis longitudine subaequalibus, capite paulo bre- 
vioribus; caudali emarginata lobis obtusis rotundatis 4 et paulo in longi- 


tudine corporis; colore corpore aureo-viridi vel fuscescente-viridi; vittis 


68 


interoculari et oculo-maxillaribus gracilibus coeruleis; ossibus opercularibus 
coeruleo guttulatis et maculatis; squamis lateribus plurimis vittula transversa 
coerulea; pinnis fuscescente-violaceis vel viridibus, dorsali et anali mar- 
ginem versus vitta longitudinali coerulea, basi coernleo guttatis. 

B. 5. D. 13/14 vel 13/15. P. 2/16. V. 1/5. A. 2/14 vel 2/15. C. 15 

et lat. brev. 
Habit. Singapore, in mari. 
Longitudo speciminis unici 140”. 


Aanm. In habitus heeft deze soort veel van Pomacentrus 
trimaculatus CV. doch verschilt daarvan door andere kleuren 
en f straal minder in rug- en aarsvin. 


LABROÏDEI CIJCLOÏDEI. 


Crenilabrus oligacanthus Blkr. (descriptio emendata). 


Crenil. corpore oblongo compresso, altitudine 3} ad 82 in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 ad 2! in ejus altitudine; capite obtuso 4 in longitudine 
corporis, vix longiore quam alto; linea rostro-frontali junioribus con- 
vexiuscula, adultis convexa; oculis diametro 34 ad 5 et paulo in longi- 
tudine capitis; rostro convexojs osse suborbitali junioribus altitudine ocu- 
lum aequante, adultis oculi diametro duplo altiore; maxillis subaequali- 
bus, dentibus, caninis exceptis, uniseriatis, ex parte graniformibus ex 
parte conicis obtusis; maxilla superiore angulo oris dentibus angularibus 
2 conicis prominentibus; dentibus caninis magnis curvatis utraque maxilla 
45 ecaninis intermaxillaribus internis caninis ceteris majoribus, externis 
ceteris minoribns; caninis inframaxillaribus subaequalibus, externis diver- 
gentibus, internis convergentibus; praeopereulo rectangulo angulo rotan- 
dato, margine posteriore denticulato; dentibus pharyngealibus graniformi- 
formibus; osse pharyngeali inferiore crista dentibus 3 conicis majoribus; 
squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinalis linea laterali singulis 
squamis arborescente; pinna dorsali radiosa dorsali spinosa altiore, rotun- 
data; pinnis pectoralibus obtusiusculis 5 in longitudine corporis, ventralibus 
adultis radiis 2 anticis productis pinnam analem attingentibus, junioribus 
analem non attingentibus; anali junioribus obtusa, adultis postice angulata; 
caudali truncata 6 circiter in longitudine corporis; colore corpore virides= 
cente ; marginibus squamarum aurantiacis; linea laterali supra pinnas pec- 
torales macula magna fusca; lateribus vittis longitudinalibus coerulescen- 
tibus; capite viridi vittis oculo-maxillaribus et opercularibus coeruleis et 
rubris; dentibus viridibus; pinnis junioribus aurantiacis; dorsali radiosa 
et caudali ocellis flavescentibus, anali vittis obliquis margaritaceis; adultis 
pinnis dorsali et anali coerulescentibus maculis numerosis oblongis et 


69 


rotundis rubris; pectoralibus viridescente-rubris; ventralibus coerulescen- 
tibus radio 1° rubro-violaceo; caudali rubra coerulescente guttata. 
BEND 13/7 vel 13/8. P.'2/14. V. 1/5, A. 3/10 vel 3/11. C. 12 et 
lat. brev. 
Habit. Singapore, in mari. 
Longitudo 5 speciminum 98” ad 260”. 


Aanm. Ik gaf van deze soort eene beschrijving naar 4 jeug- 
dige specimina in mijne Bijdrage tot de kennis der Ichthyolo- 
gische fauna van Riouw (Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 489). Se- 
dert ontving ik van Singapore een specimen van 260” lengte, 
hetwelk door vormen van kop en door kleuren zoodanig van 
de jongere specimina verschilt, dat ik gemeend heb, eene 
nieuwe beschrijving der soort te moeten ontwerpen. Bij het 
oudere specimen is de kop veel stomper, het onderoogkuils- 
been betrekkelijk veel hooger, zijn de buikvinnen veel meer 
verlengd , de aarsvin hooger en hoekiger en de kleuren , vooray 
die der vinnen veel fraaijer en duidelijker. Het volwassen 
specimen heeft in habitus veel van Cossyphus macrodon Blkr. 


Scarus singaporensis Bikr. 


Scar. corpore oblongo compresso, altitudine 3 in ejus longitudine, la- 
titudine 24 circiter in ejus altitudine; capite 4 in longitudine corporis, 
paulo altiore quam longo; vertice elevato; linea rostro-dorsali ante oculos 
leviter concava; ovulis diametro 7 circiter in longitudine capitis; rostro 
convexo oculo triplo longiore; maxillis viridi-coeruleis; dentibus 2 angula- 
ribus prominentibus supramaxillaribus exceptis, externe glabris, margine libero 
denticulatis; squamis longitudinaliter striatis, lateribus 22 p. m. in serie 
longitudinali; linea laterali ramosa; pinna dorsali spinis flexilibus ; pinnis 
pectoralibus ventralibusque acutis, pectoralibus longitudine caput aequan- 
tibus, ventralibus 12 in longitudine capitis; caudali postice concava radiis 
externis valde productis; colore corpore rufescente et flavescente-fusco; 
labiis rubris; squamis lateribus ex parte guttis dilutioribus; pinnis radiis 
rubris vel aurantiacis coeruleo? marginatis. 

BD. 9/10 vel 9/11. P. 2/18. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10, C..13-et 

lat. brev. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo speciminis unici 480” 


Aanm. De bepaling der soorten van Scarus behoort tot de 


70 


moeijelijke punten der Íchthyologie, wegens de onzekerheid 
der kenmerken, welke men als soortelijke gemeend heeft te 
moeten bezigen. Weinigen dier kenteekenen zijn bruikbaar 
ter bepaling der soorten, en hunne: aan- of afwezigheid afhan- 
kelijk van leeftijden als anderzins. Zulks is van toepassing op 
de hoektanden der kaken, de gedaanten der staartvin, den vorm 
des kops enz. Meer vertrouwen verdienen de kleur en op- 
pervlakte der kaken , het aantal schubben op eene overlangsche 
rei , de betrekkelijke lengte der borst- en buikvinnen. 

Bovenbeschreven specimen heeft groote verwantschap met 
Scarus limbatus CV. en Scarus nuchipunctatus CV. Het be- 
hoort tot een dier van zeer gevorderden leeftijd , wat in re- 
kening gebragt moet worden bij zijne kleuren (die misschien 
aanmerkelijk anders zijn dan bij de jonge specimina), bij zijne 
verlengde staartvinstralen en hooge kruin. Ik heb het voor- 
loopig een’ nieuwen soortnaam gegeven, zonder stellig te dur- 
ven beweren, dat het niet tot eene der reeds bekende soorten 
terug te brengen is. 


SILUROIDEIL. 
Plotosus albilabris GV. Poiss. xv p. 916. 


*_Plotos. corpore elongato compresso, altitudine 6% in ejus longitudine; 
capite 6 in longitudine corporis; latitudine capitis 14 circiter, altitudine 
12 ad 12 in ejus longitudine; oculis diametro 54 circiter in longitudine 
capitis, diametro 1% circiter a se invicem distantibus; rostro convexo 
oculo duplo longiore, antice acute rotundato; labiis crassis; dentibus 
maxillis conicis acutiusculis, vomerinis subgraniformibus; cirris crassis, 
nasalibus spinam dorsalem, labialibus opercula, inframaxillaribus externis 
basin pinnae pectoralis, inframaxillaribus internis opercula attingentibus; 
spinis dorsali pectoralibusque acutissimis utrinque serratís, dorsali pinna 
minus duplo humiliore et spinis pectoralibus paulo longiore, 2 in longi- 
tudine capitis; pinnis ventralibus rotundatis pinnis pectoralibus rotundatis 
paulo brevioribus; caudali rotundata; appendice anali biloba lobis arbo- 
rescentibus vel digitatis; colore corpore pinnisque nigro, ventre dilutiore; 
labiis albis. 

B. 10 vel 11. D. 1/4-104 p. m. P. 1/13. V. 13. À.-95rBem. «G. 9s 

Synon. Plotose à lèvres blanches CV, Poiss. XV p. 316, 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo speciminis unici 210”. 


71 


Ik bezit thans 5 soorten van Plotosus van den Indischen 
Archipel t. w. Plotosus lineatus CV., Plotosus macrophthalmus 
Blkr., Plotosus unicolor K. v.H., -Plotosus castaneoïdes Blkr. 
en de bovenbeschrevene. In mijne bijdrage, getiteld: „ Silu- 
roideorum bataviensium conspectus diagnosticus” beschreef ik 
nog als afzonderlijke soorten Plotosus viviparus Blkr., Ploto- 
sus horridus Blkr. en Plotosus multiradiatus Blkr., doch 
latere onderzoekingen en de vergelijking van talrijke specimina 
van zeer verschillenden leeftijd hebben mij overtuigd, dat de in 
die beschrijvingen opgesomde verschillen niet van soortelijke 
waarde zijn en dat het aantal kieuw- en vinstralen bij ver- 
schillende specimina en op verschillenden leeftijd zelfs vrij 
aanmerkelijk kan verschillen, dat ook de lengte der cirri niet 
standvastig is en dat de kop en bekspleet en lippen bij toe- 
nemenden leeftijd steeds betrekkelijk breeder worden. Deze 
drie laatstgenoemde soorten breng ik thans allen terug tot 
Plotosus unicolor K.v. H. 

Plotosus albilabris CV. is het eerst bekend geworden van 
Batavia, waar ik haar echter tot nog toe niet heb aangetrof- 
fen. De heer Cantor vermeldt haar ook als bij Poeloe Pi- 
nang voorkomende, doch het zou wel kunnen zijn, dat de 
door dezen verdienstelijken ichthyoloog als Pl. albilabris CV. 
beschrevene soort tot eene andere species behoort, daar hij 
als borstvinstralen opgeeft 1/9 en als kieuwstralen Î2 en de 
buitenste onderkaakscirri beschrijft als korter dan de boven- 
kaakscirri enz. 


CHIROCENTROIDEL 


Chirocentrus hypselosoma Blkr. 


Chiroc. corpore elongato compresso, altitudine 64% circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine ; capite 64 circiter in lon- 
gitudine corporis; altitudine capitis }4 circiter in ejus longitudine; oculis 
‚diametro 5 circiter in longitudine capitis; rostro oculo non longiore; 
maxilla superiore sub oculo desinente; maxilla inferiore maxime adscen- 
dente et ante maxillam superiorem prominente; ore simo; maxilla supe- 
riore dentibus conicis medioeribus, antice caninis 2 longis horizontalibus 
convergentibus; maxilla inferiore dentibus elongatis, lateralibus medtis 


72 


maximis; dentibus palatinis et pterygoïdeis minimis in vittas graciles 
dispositis; dentibus hyoïdeis valde conspicuis; squamis parvis deciduis; 
dorso rotundato; ventre cultrato; axillis squamis elongatis; pinna dorsali 
parti analis anteriori opposita, corpore- plus duplo humiliore et anali 
paulo plus duplo breviore; pectoralibus acutis 14 circiter in longitudine 
capitis ; ventralibus oculo brevioribus; anali capite vix longiore et corpore 
plus duplo humiliore; eaudali lobis acutis 54 cireiter in longitudine cor- 
poris; colore corpore dorso coeruleo, lateribus inferneque argenteo; pinnis 
hyalinis vel viridescentibus; caudali nigro marginata. 

B.8. D. 16 vel 17, B. '14, V. 1/6. A. 84. C. 19 et Tat. DEEV. 

Synon. Wahlah Russ. Cor. Fish. II p. 78 fig. 199. 

kan Terak Indig. Samar. 
Habit. Singapore, Samarang, in mari. 
Longitudo speciminis unici 415”. 


Aanm. Deze soort onderscheidt zich van Chirocentrus dorab 
CV. voornamelijk door hooger en korter ligchaam, hoogeren kop 
en langere borstvinnen en staartvin. Bij exemplaren van gelijke 
grootte dezer beide soorten vallen deze verschillen terstond 
in het oog. Bij een specimen van Chtrocentrus dorab CV. 
van dezelfde lengte als het bovenbeschrevene, gaat de hoogte 
des ligchaams meer dan & maal in zijne lengte, de hoogte 
van den kop 12/, maal in zijne lengte en de borstvinnen {!/, 
maal in de lengte van den kop, terwijl er de, kaakstanden 
aanmerkelijk kleiner zijn. 

Het komt mij voor, dat de Wahlah van Russer (Corom. 
Fish. fig. 199) meer te brengen is tot Chirocentrus hypselo- 
soma dan tot Chirocentrus dorab CV. De heer Cantor, in 
zijnen Catalogue of Malaijan Fishes p. 277, heeft reeds te 
regt de Wahlah met zekeren twijfel onder de synonymen van 
Chirocentrus dorab GV. opgebragt. | 


CLUPEOÏDEL. 


_Pellona Russelliù Blkr. Bijdr. tot de kenn. der Har. V. 
Verh. Bat. Gen. xxiv p. 28. 


Pellon. corpore oblongo compresso, altitudine 3% ad 4 in ejus longitu- 
dine, latitudine 8 in ejus altitudine; capite subrhomboïdeo, 44 circiter 


75 


in longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali declivt 
rectiuscula; oculis diametro 3 ad 84 in longitudine capitis; rostro oculo 
breviore; ore simo; maxilla superiore sub medio oculo desinente, antice 
et postice denticulata; maxilla inferiore valde adseendente et ante ros- 
trum prominente; dentibus intermaxillaribus, supramaxillaribus, infra- 
maxillaribus, palatinis, pterygoïdeis et lingualibus bene conspicuis; ossi- 
bus intermaxillaribus antice ligamento cum osse supramaxillari unitis; praco- 
perculo subrectangulo angulo vix rotundato; operculis et ossibus subor- 
bitalibus striatis; lineis dorsali et ventrali convexis, ventrali dorsali 
multo convexiore; ventre cultrato spinis 28 ad 30 serrato, convexitate 
maxima ante pinnam dorsalem; squamis vulgo transversim striatis, late- 
ribus 45 ad 50 in serie longitudinali;, axillis inguinibusque squamis 
elongatis; pinnis, dorsali maxima parte ante pinnam analem sita, radiis 
posticis radiis analibus anticis oppositis, corpore duplo circiter humiliore; 
peetoralibus capite brevioribus sed ventrales attingentibus; ventralibus 
lateraliter ante initium pinnae dorsalis insertis, lineam ventralem maxima 
parte superantibus, oculo vix brevioribus; anali 82 circiter, caudali lobis 
acutis 44 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne griseo- 
flavescente inferne argenteo; rostro nigro; pinnis flavis, dorsali et caudali 
fusco marginatis, | 
Synon. Jangarloo Russ. Corome Fish. II p. 73 fig. 191. 
Pellona Leschenaultti Blkr. lehth. M. O. Java p. 11. 
Jkan Mata besar et Ikan Bulan bulan Mal. Batav. 
Ikan Bulan Indig. Samarang. 
Jkan Mata leber Indig. Pasur. 
Habit. Java, Madura, Pasuruan, Singapore, in mari. 
Longitudo 5 speciminum 143” ad 310”. 


Aanm. Deze soort beantwoordt genoegzaam volkomen aan 
de afbeelding en beschrijving der Jangarloo van Russeru. 
Eene nadere studie dezer soort heeft mij overtuigd, dat zij 
niet met Pellona Leschenaultii CV. Poiss. XX p. 226 mag 
vereenigd worden. De heer Varenciennes toch vermeldt van 
zijne Pellona Leschenaultii 21 rugvinstralen , ongestreepte schub- 
ben, waarvan er 70 op eene overlangsche rei zich bevinden, 
terwijl de buikvinnen er veel verder voor de rugvin zouden 
liggen. Clupea melastoma T.Schl. der Fauna japonica is eene 
geheel andere soort als Russerr’s Jangarloo, is aanmerkelijk 
langwerpiger, heeft langere aarsvin, de rugvin geheel voor 
de aarsvin gelegen, 48 buikdoornen enz. 

UI. 6 


74 


Alausa ctenolepis Blkr. Bijdr. t. d. kenn. der Haring. 
V. van den Ind. Arch. Verh. Bat. Gen. vol. xxrv. 


Alaus. corpore oblongo compresso, altitudine 4 ad 32 in ejus longitu- 
dine, latitudine 3 fere in ejus altitudine; capite triangulari, acuto, 5 in 
longitudine corporis, paulo longiore quam alto; vertice convexo; linea 
rostro-frontali rectiuscula; oculis diametro 44 ad 5 in longitudine capitis; 
rostro oculo non breviore; maxillis denticulis vel asperitatibus nullis, su- 
periore symphijsi valde emarginata, sub oculi parte posteriore desinente; 
maxilla inferiore symphysi tuberculo praedita; praeoperculo rotundato; 
lineis dorsali et ventrali convexitate subaequalibus; ventre cultrato, den- 
tibus 28 vel 29 serrato; squamis valde ciliatis, parte basali transversim 
striatis, lateribus 40 p. m. in serie longitudinali; axillis inguinibusque 
squamis elongatis; pinnis, dorsali acuta corpore plus dnplo humiliore, 
emarginata, antice in 2 tertia parte corporis sita; pectoralibus acutis 
capite brevioribus ventrales non attingentibus;s ventralibus dorsali mediae 
circiter oppositis, pectoralibus duplo cireiter brevioribus; anali humili 
paulo emarginata, pectoralibus breviore; caudali lobis acutis inferiore lon- 
giore 4 in longitudine corporis; colore corpore superne plumbeo, inferne 
argenteo; dorso singulis squamis macula diffusa coerulea; pinnis flaves- 
centibus, caudali margine posteriore violascente. 

B. 6. D.-17 vel 18. BP, 15 vel:l6. V. 1/7 vel-1/6. A. 18 dz 20, Corid 

vel 21 et lat. brev. 

Synon. Jkan Bulan bulan Mal. Batav. 

Habit. Batavia, Muntok, Singapore, in mari. 


ka] 


Longitudo 5 speciminum 290” ad 420”, 


PLEURONECTEOÏDEI. 


Synaptura aspilos Blkr. 


Synapt. corpore oblongo-ovali, altitudine 24 circiter in ejus longitudine; 
capite obtuso, rotundato 54 circiter in longitudine corporis, altiore quam 
longo; oculis dextris, diametro 1 circiter approximatis, superiore ante 
inferiorem prominente, diametro 7 circiter in longitudine eapitis; rostro 
paulo ante os prominente, fimbriato; ore subantico, rictu curvato sub 
oculi inferioris margine anteriore desinente; labiis mentoque fimbriatis; 
denttbus maxillaribus pluriseriatis, parvis, subaequalibus; linea laterali 
capite flexura valde convexa, corpore ad media latera decurrente; squa- 
mis ciliatis, lateribus 115 p. m. in serie longitudinali usque ad aperturam 
branchialem; pinnis dorsali, caudali et anali non distinctis, radiis fissis; 
caudali obtusa rotundata; dorsali ante oculum superiorem ineipiente; pee» 
torali sinistra pectorali dextra breviore, dextra 4 circiter in longitudine 


75 


capitis; ventrali dextra ventrali sinistra majore 3 in longitudine capitis; 
corpore dextro latere nigro immaculato, sinistro latere albo; pinnis dex- 
tro latere nigris, verticalibus aurantiaco marginatis. 

B56. De 70e C. 12 +: AL 55 = D.C. A. 137. P, 6. Vs, 4 

Habit. Singapore, in mari, 

Longitudo speciminis unici 162”, 


Aanm. Van het geslacht Solea Cuv. (Solea et Synaptura 
Cant.) bezit ik thans 6 soorten, en wel 5 van de afdeeling - 
van dit genus met volkomen vereenigde vertikale vinnen (Sy- 
naptura Cant.) t. w. Synaptura zebra Cant., Synaptura pan 
Cant. , Synapturd panoïdes Blkr., Synaptura Russellië Blkr. en 
de bovenbeschrevene, terwijl Solea- maculata Cuv. de eenige 
species is mijner verzameling van Solea in engeren zin (met 
vrije staartvin). Synaptwra aspilos is gemakkelijk te onder- 
kennen; van Synaptura zebra Cant. en Synaptura ommatura 
(Solea ommatura Richards.), door eenvoudige zwarte kleur van 
de regterzijde des ligchaams; van Synaptura pan Cant. door 
ongevlekt ligchaam en veel kleinere schubben; van Synap- 
tura ovalis (Solea ovalis Richards), door langwerpiger on- 
gevlekt ligchaam; van Synaptura foliacea (Solea foliacea Ri- 
chards.) door dezelfde kenmerken; van Synaptura panoïdes 
Blkr. door breeder en ongevlekt ligchaam en veel minder tal- 
rijke vinstralen; van Synaptura Russellit Blkr. door veel bree- 
der ligchaam, veel minder talrijke schubben op eene overlang- 
sche rei en rood gerande vertikale vinnen; van Synaptura 
Commersontana Cant. (Mal. Fish, p. 222) door grooteren kop, 
veel breeder ligchaam , minder talrijke vinstralen enz.; van 
Synaptura plagiusa (Pleuronectes plagiusa Lacép.) door bree- 
der ligchaam en zwarte kleur; en van Synaptura argentea 
(Pleuronectes argenteus Lacép.) door breeder ligchaam en zwarte 
regterhelft des ligchaams. Beide laatstgenoemde soorten zijn 
door LacÉrtpe slechts oppervlakkig vermeld en zijn nog bij- 
kans onbekend. 


76 


OPHIDINL. 


Macnaerrum BRuchards. Blkr. 


Pinnae dorsalis, caudalis et analis unitae, anacanthae, radiis 
fissis. Dentes intermaxillares et inframaxillares uniseriati, 
conici, aequales; palatini vel vomerini nulli. Cirri inframaxil- 
lares nulli. Membrana branchiostega radijs 6. drag cy- 
eloideae cutem totam tegentes. 


Machaerium nebulatum Blkr. 


Machaer. corpore elongato compresso, altitudine 10 in ejus longitudine, 
latitudine antice 2 fere, postice plus quam 2 in ejus altitudine; capite 
convexo, &£ in longitudine corporis; altitudine capitis 12 in ejus longi- 
tudine; oculis diametro 6 circiter in longitudine capitis, minus diametro 
l a se invicem distantibus; linea rostro-frontali convexaj; rostro oculo 
longiore; labiis carnosis; maxillis superiore et inferiore dentibus medio- 
cribus obtusis, utroque latere p. m. 25; maxilla superiore rictuque sub 
oculo desinente; maxilla inferiore superiore longiore; capite genis oper- 
culisque superne tantum squamoso; squamis lateribus 200 p. m. in serie 
longitudinali; linea laterali anteriore laterum parte tantum econspicua; 
pianis verticalibus basi radiorum squamosis; dorsali supra apieem pecto- 
calium incipiente, altitudine maxima 14 in altitudine corporis; pectorali- 
‘bus rotundatis 24 in longitudine capitis; anali postice in 2° sexta corporis 
parte incipiente, altitudine maxima 2 in altitudine corporis; caudali acuta 
rotundata; corpore pinisque pulchre viridibus, fusco et nigricante nebu- 
latis et maculatis. 

Bs:0 D5 77 Hs CF TO-L Anp65 =D, Ci A: 152, Pehk 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo speciminis unici 370”. 


Aanm. Dit geslacht is ontdekt door den heer Rrcrmarpson. Hij 
maakte daarvan voor het eerst melding in Report of the Brit. 
Assoc. for 1842 p. 69; later in het 12de deel van de Annals 
of Nat. Hist. 1843 p. 175 in een artikel getiteld: „Description 
of the Lurking Machete (Machaerium subducens) from the nor- 
thern coast of New Holland” en later nog in de zoölogie van de 
reis der schepen Erebus en Terror (Fish. p. 72 tab. A4 fig. 
1-6). Volgens den heer Rrcrarpson gaat bij Machaerium 


subducens de kop slechts 7 maal in de geheele lengte, is 


71 


de snuitlijn een weinig konkaaf, staat hef oog verder achter- 
waarts, gaat de bekspleet niet tot onder het oog, zijn de 
kaken van gelijke lengte, de vinstralen = B. 6. D. 71. C. 10, 
A. 60. P. 10, is de staartvin stomper en het ligchaam niet 
gevlekt , waarom ik. de bovenbeschrevene soort beschouw als 
eene verschillende. 

De ingewanden van mijn eenig specimen bevinden zich in 
geen’ voldoenden toestand van bewaring voor een naauwkeu- 
rig anatomisch onderzoek. Wat de spijsbuis betreft, kan ik 
mededeelen , dat de maag cylindervormig is en het grootste ge- 
deelte van de lengte der buikholte inneemt, dat zij zonder blinden 
zak in den zeer korten dunnen darm overgaat en dat de dikke 
darm, hoezeer een weinig langer dan de dunne darm, toch 
tweemaal korter is dan de maag. Lever bestaande uit twee 
kegelvormige lange kwabben. Geene poortieraanhangsels. Geene 
zwemblaas. Nieren zich langs de ruggegraat ter lengte van 
bijkans de geheele buikholte uitstrekkende. 


MURAENOIDEI. 


Conger talabon Cuv. Règn. anim. 


Cong. corpore valde elongato, compresso, altitudine 18 ad 23 in 
ejus longitudine; latitudine 14 ad 12 in ejus altitudine; capite acuto 54 
ad 62 in longitudine corporis; rostro acuto, apice carnoso, clavato, 4 ad 
32 in longitudine capitis; linea rostro-frontali, apice rostri excepto, rec- 
tiuscula vel concaviuscula; oculis diametro 9 ad 10 in longitudine capitis5 
naribus anticis tubulatis; maxilla superiore inferiore longiore; dentibus 
nasalibus pluribus magnis; dentibus palatinis biseriatis, serie externa subgra- 
niformibus, serie interna conicis; vomere dentibus triseriatis, serie media 
magnis compressis, tricuspidatis vel simplicibus, seriebus externis co- 
nicis brevibus; maxilla inferiore antice dentibus aliquot elongatis, lateri- 
bus dentibus biseriatis, serie externa conicis brevibus, serie interna 
compressis majoribus; rictu longitudine 2 circiter in longitudine capitis, 
longe post oculum desinente; apertura branchiali lata; cute laevis li- 
nea laterali tubulosa; ano antice in 2° tertia corporis parte sito; pinna 
dorsali supra aperturam branchialem incipiente, antice corpore du- 
plo vel plus duplo, postice corpore minus duplo humiliore; pectoralibus 
25 ad 34 in longitudine capitis, rotundatis; anali corpore plus duplo hu-- 
miliore; caudali proeessubus 2 osscis inserta; colore corpore superne oli 


78 


vaceo-viridi inferne albo; pinnis flavescentibus vel viridibus, dorsali ana- 
lique nigro marginatis. 
B. 19. D. 232 ad 281. P. 15 vel 16. A,-188 ad 210. C. 10. 
Synon. Meer Ael Nieuh. Gedenkw. Zee en Lantr. fig. 
Anguilla indica Willoughb. 
Talabon Russ. Corom. Fish I p. 27 fig. 38. 
Conger longirostris Benn. Life of Raffl. p. 692? 
Ikan Putje kanipa Mal. Batav. 
Ikan Remang Javan. Samar. 
Habit. Singapore, in mari. 
Batavia, Samarang, in mari. 
Pamangkat, Borneo occidentalis, in mari et ost. fluv. 
Longitudo 13 speciminum 270” ad 830”. 


Aanm. De heer J, Maccreranp (Apodal Fishes of Bengal, in 
Calcutt. Journ. of Nat. Hist. vol. V.) noemt de Russellsche soort 
van zijnen Muranesox, M. serradentata en kenmerkt haar met 
de weinige woorden k Vomerial teeth serrated.” Bij geen mij- 
ner specimina ontwaar ik echter dat getand zijn van de ploeg- 
beenstanden en Russrrr spreekt er ook niet van in zijne ove- 
rigens onvolledige beschrijving. Het schijnt alzoo, dat Murae- 
nesox serradentata J.M. tot eene eigene soort van Conger behoort. 

De twijfelachtige punten omtrent de soorten van Conger met 
groote ploegbeenstanden (Muraenesox J.M.) zullen eerst behoor- 
lijk kunnen worden opgehelderd, wanneer voldoende reijen van 
exemplaren der tot heden opgestelde soorten, mel elkander 
zullen kunnen worden vergeleken. Conger talabon wordt tot 
meer dan 1500” lang en komt te Batavia bijkans dagelijks ter 


markt. Het vleesch is weinig gewild en wordt slechts door 


Inlanders en Chinezen genuttigd. 


GYMNODONTES. 
Fetraödon testudineus Bl. Ausl. Fish. tab. 189. 


Tetraöd. corpore oblongo antice circiter aeque alto ac lato, altitudine 
41 ad 43 in ejus longitudine; capite obtuso 84 ad 832 in longitudine cor- 
poris; linea rostro-dorsali convexa; oculis superis, diametro 7 ad 8% in 
longitudine capitis, diametris 44 circiter a se inviceem distantibus; papillis 
nasalibus utroque latere 2 conicis oblongis; maxilla superiore prominente; 


| 


79 


capite corporeque totis spinulis scabris; rostro, labiis basibusque pinna- 
rum laevibus; linea laterali inconspicua; pinnis dorsali et anali flabelli- 
formibus rotundatis, ecaudali convexa; corpore superne nigricante-viridig 
maculis rotundis numerosis lutescentibus, inferne argenteo; regione oculo- 
peetorali fasciis pluribus nigricante-viridibus curvatis parallelis; pinnis 
viridibus, caudali maculis rotundis lutescentibus. 
2/9, P. 2/16, A.-1/9. C, 8 et lat. brev. 
Synon. Bontwisch Nieuh. Gedenkw. zee- en Lantr. fig. p. 278. 
Schildkrötenfisch Bloch. Ausl. Fisch. tab. 139. 
Toadfish Bloch. ibid. | 
Tetrodon perroquet Lacép. Poiss. id Pp: 477. 
Arothron testudineus J. Müll. 
Noulin plathi Incol. Pondic. 
Ikan Buntak kalappa Mal. Batav. 
Habit. Singapore, Batavia, in mari. 
Longitudo 5 speciminum 270” ad 420”. 


hd 


Aanm. De afbeelding van Nirvnor is duidelijk herkenbaar. 
Die van Brocu is vrij goed, doch daarop zijn 2 neusgaten 
afgebeeld, welke niet in de natuur bestaan. De vinnen. zijn 
er verkeerdelijk rood gekleurd, terwijl er van de vlekken 
der staartvin niets te zien is. Deze soort is langs de noord- 
kust van Java als giftig bekend en mag op de markten niet 
verkocht worden. : 


Teiraödon Kunhardtië Blkr. (diagnosis emendata). 


Tetr. corpore oblongo antice cylindraceo postice compresso, altitudine 
4 ad 5 in ejus longitudine; capite 4 circiter in longitudine corporis; linea 
rostro-frontali convexa vel declivi rectiuscula; oculis superis diametro 8 
ad 6 in longitudine capitis, diametris 1 ad 83 a se invicem distantibus; 
papillis nasalibus oblongis utroque latere 2 basi unitis; maxilla superiore 
prominente; vertice, dorso antice ventreque spinulis scabris; rostro et 
cauda maxima parte vel totis glabris; lateribus junioribus glabris aetate 
provectioribus spinulis scabriusculis; linea laterali vix conspicua; pinnis 
dorsali et amali altioribus quam latis, caudali convexa; corpore superne 
migricante-viridi, inferne albo; lateribus junioribus maculis diffusis viri- 
descentibus, aetate provectioribus maculis nullis; pinnis viridescentibus, 
caudali postice nigra. | 

D. 2/8 vel 2/9. P. 2/15. A. 2/6 vel 2/7 vel 2/8 vel 1/8, C, 8 vel 9 

et lat. brev. 

Habit. Singapore et Padang, in mari. 

Longitudo 7 speciminum 60” ad 270”, 


80 


Aanm. Mijne vroegere diagnose dezer soort kon ik slechts 
nemen naar zeer jeugdige individu’s. Het Singapoersche spe- 
cimen heeft mij sedert doen zien, dat de soort veel grooter 
wordt en dat ook hier de huiddoorntjes zich verder over het 
ligchaam uitbreiden, naarmate het dier ouder wordt. 


BALISTINL. 


Monacanthus Cantoris Blkr. Verh. Bat. Gen. xxiv, 
Balist. p. 17 tab. 1 fig. 2. 


Monac. corpore oblongo compresso, diametro dorso-anali 24 ad 24 in 
corporis longitudine, latitudine 4 circiter in diametro dorso-anali; capite 
acuto 4 et paulo in longitudine corporis, multo altiore quam longo; ocu- 
lis diametro 4 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali valde 
concava; rostro acuto oculo triplo fere longiore ; dentibus utraque maxilla 
6 acutis apice obliquis vel emarginatis, dentibus maxilla superiore exter- 
nis autem rotundatis; apertura branchiali ante pinnam pectoralem desi- 
nente; squamis spinula armatis, parvis sed bene conspicuis, caudalibus 
ceteris majoribus; cauda spina magna nulla sed spinulis parvis omnibus 
postrorsum spectantibus tota scabra; dorso elevato valde angulato; spina 
dorsali supra oculum inserta, rostro longiore, postice dentibus magnis 
armata; pinnis dorsali radiosa, pectoralibus et anali obtusis angulatis ra- 
diis omnibus simplicibus; dorsali radiosa et anali diametro dorso-anali 
quadruplo fere ad quintuplo humilioribus; ventrali flabelliformi, sulcosa, 
spina ls scabra apice dentata, radiis numerosis filiformibus; caudali radiis 
divisis, postice convexa, 41 circiter in longitudine corporis; corpore fla- 
vescente-griseo vel flavescente-fusco nebulato; spina dorsali fusco annulata; 
pinnis pectoralibus flavis; dorsali radiosa et anali flavescentibus; anali 
basi leviter fusco reticulata; ventrali fusca coeruleo guttulata; caudali 
viridescente vittis numerosis transversis fuscis et nigricantibus. 

D. 1-28 ad 1-30, P. 12, A. 28 vel 29. CO. 12: 

Synon. Jkan Hajam Mal. Batav. 

Habit. Batavia, Singapore, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 135%” et 140”, 


Aanm. Ik beschreef deze soort, hoezeer naar slechts een 
enkel specimen, in mijne Bijdrage tot de kennis der Balistint 
en Ostraciones van den Indischen Archipel. Het specimen van 
Singapore is iets langwerpiger dan het Bataviasche en heeft 
9 stralen meer in de rug- en Î straal meer in de aarsvin en 


öl 


vertoont geene drupvormige bruine vlekjes, welke het Bata- 
viasche specimen bezit. Ik heb hiernaar de diagnose thans 
gewijzigd. Ik heb deze gemakkelijk herkenbare soort ge- 
noemd naar den heer Dr. Tu. Cantor, die zich in de ichthy- 
ologie verdienstelijk heeft gemaakt, vooral door zijnen „Cata- 
logue of Malayan Fishes.” 


ue Blochis Blkr. 


Triacanth. corpore oblongo compresso, altitudine 32 in ejus longitudine, 
latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite acuto 4 circiter in longitu- 
dine corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 3 ecirciter in longitu- 
dine capitis; linea rostro-frontali rostro concava fronte convexa; rostro 
acuto oculo duplo circiter longiore vel altiore; parte capitis praeoculari 
fere aeque longa ac alta; maxillis squamosis dentibus biseriatis, serie 
externa 8 vel 10 cuneiformibus, serie interna 2 ad 6 granulosis; apertura 
branchiali subverticali ante pinnam pectoralem desinente; squamis parvis 
sed bene conspicuis, scabris; linea laterali conspicua ante spinam dorsa- 
lem 1 cruciata;s pinnis radijs, anterioribus exeeptis, divisis; dorsali 1* 
spinis 2 anterioribus (abruptis), spinis 2 posterioribus oculo brevioribus, 
membrana humili; dorsali radiosa humili obtusa rotundata; pectoralibus 
rotundatis; anali angulata vix emarginata; spina ventrali utroque latere 
unica 6 in longitudine corporis; caudali biloba, lobis acutiusculis rotunda- 
tis 6 eirciter in longitudine corporis; colore corpore superne griseo inferne 
flavescente vel argenteo; pinnis omnibus flavescentibus. 

Mee 13. Vol. A. 16, -C, 12, 

Synon. Balistes braculeatus Bl. Ausl. Fisch. tab 148 fig. 2. 

Zweistachelichte Mornfisch Bl. ibid. 
Baliste à deur piqguants Bl. ibid. 
Habit. Singapore, in mari. 
Longitudo speciminis unici 130” 


Aanm. Thans zijn reeds verschillende soorten van Friacan- 
thus bekend. Nog slechts weinige jaren geleden bragten de 
ichthyologen de soorten van Frracanthus, afgebeeld bij Nievuor, 
Brocn en RusserL, tot eene enkele species, welke zij naar 
den Blochschen soortnaam Friacanthus biaculeatus noemden. 
In mijne Bijdrage tot de kennis der Balistini en Ostraciones 
van den Indischen Archipel heb ik aangetoond, dat de af- 
beeldingen dier dric schrijvers tot drie verschillende soorten 


behooren en ik noemde daar de soort van Nieunor Zriacan- 
df Ri. ri 


82 


thus Nieuhofii en die van Russeru Zriacanthus Russelli, ter- 
wijl ik 2 nog geheel onbekende soorten Friacanthus rhodo- 
pterus en Triacanthus oxycephalus heb genoemd. De heer 
Cantor beschreef onlangs als eene nieuwe soort ZFriacan- 
thus strigilifer en de heeren TeuwineK en ScurearL Tria- 
canthus anomalus, zoodat thans 7 soorten van dit geslacht 
vrij goed bekend zijn. De bovenbeschrevene soort is onge- 
twijfeld dezelfde als de door Brocu als Balistes biaculeatus af- 
gebeelde. Hare habitus beantwoordt volkomen aan die afbeel- 
ding, hoezeer de eerste rugvin er niet zwart is en ook de 
zwarte vlek voor de buikdoornen ontbreekt. Ter voorkoming 
van verwarring, heb ik gemeend den soortnaam biaculeatus, 
welke aan verschillende der bovengenoemde soorten gegeven 
is, te moeten veranderen en heb daartoe gekozen den naam 
van den ichthyoloog, aan welke men hare eerste kennis te 
danken heeft. 


LOPHOBRANCHII. 
Hippocampus kuda Blkr. 


Hippocamp. corpore heptagono, altitudine maxima 64 ad 64 in totius 
piscis longitudine, latitudine 1% circiter in ejus altitudine; cauda tetra- 
gona; capite 38 in longitudine corporis ab occipite usque ad apicem cau- 
dae; rostro longitudine capitis partem postocularem aequante, altiore quam 
lato, inferne cirris parcis brevibus, ante oculum tuberculo conico brevis 
oculis diametro 7 in longitudine capitis; orbita superne tuberculo conico 


unieo non clavatojs occipite in processum obtusum quinquetuberculatum 


et fimbriatum exeunte; operculis valde striatis; pyxide corporis ex an- 
nulis 11 formata, eristis longitudinalibus tuberculatis tuberculis elevatis 
non ramosis sed ex parte fimbriatis; cauda annulis 35, carinis tubercula- 


tis, tuberculis carinis superioribus majoribus ex parte fimbriatis; pinnis 


dorsali pectoralibusque rotundatis; colore toto corpore viridescente-fusco, 
pinnis viridi. 

RN 1d, Pr ONE: 

Synon. Jkan Kuda Mal. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 95” et 120”, 


Aanm. Deze soort laat zich van de bekende soorten onder 
kennen door in een 5 knobbelig op een’ hals staand uitsteek- 


' mn „ nh 
RE a and 5 Á : 
NE an EE ST 


85 


sel eindigend achterhoofd, door even langen snuit als achter- 
oogsgedeelte van den kop, waaijervormig gestreepte operkels, 
sterk knobbelachtige en hier en daar met franjes bezette lijf- 
kielen , groenachtig- bruine ligchaamskleur en 1Î6 stralen in 
de rugvin. Zij is nog het naaste verwant aan Syngnathus 
hippocampus Bl. (Ausl. Fisch tab. 109 fig. 3), alsmede aan Hip- 
pocampus comes Cant. (Mal. Fisch. p. 389 tab. fl fig. 2). Deze 
laatste species laat zich echter bij den eersten oogopslag van 
de bovenbeschrevene onderscheiden, door de knodsvormige 
einden der oogkas- en achterhoofdknobbels, terwijl er de kop 
slechts weinig langer is dan !/, van het geheele ligchaam. 


SCYLLIA. 
Ginglymostoma Rüppell Blkr. 


Ginglymost. corpore elongato antice cylindraceo postice compresso, 
altitudine 9 ad 10 in ejus longitudine, vix latiore quam alto; capite 7 
cireiter in longitudine corporis, multo latiore quam alto; oculis diametro 
8 eirciter in longitudine rostri, longioribus quam latis; foramine tempo- 
rali diametro oculi longitudinali 1 ab oculo remoto, vix conspicuo; rostro 
convexo latiore quam longo, subtruncato-rotundato, plus dimidia capi- 
tis longitudine efficiente; rictu maxillari semilunari, labiali vix cur- 
vato rostri parte praecorali minus duplo longiore; cirris nasalibus conicis 
labium inferiorem attingentibus; maxillis dentibus margine libero rotundato 
totis denticulatis, denticulo medio ceteris vix majore; spiraculis 2 posti- 
cis supra pinnam peetoralem sitis; cute toto corpore valde porosa, squa- 
maulis graniformibus postice non denticulatis; dorso non carinato; pinnis 
dorsalibus minus earum longitudine a se invicem distantibus, altioribus 
quam longis, acutis, apice rotundatis, leviter emarginatis, 1° 2* majore, 
__ventralibus opposita, 2* ante analem incipiente et ante finem analis desi- 
gente, minus dimidio ejus longitudine ab initio caudalis remota; pinnis 
‚ pectoralibus capite non vel vix brevioribus, multo longioribus quam latis, 
_acutis, emarginatis 3 ventralibus subquadratis paulo longioribus quam la- 
tis; amali altitudine dorsalem 2* aequante, caudali valde approximata, 
acuta, vix emarginata; caudali capite plus duplo longiore, 2% circiter in 
longitudine corporis, lobo posteriore subquadrato postice emarginato , lobo 
anteriore lobo posteriore sextuplo longiore, antice plus triplo humiliore 
quam basi longa, emarginata; appeadicibus genitalibus conicis sulcatis 
margine ventralium interno multo brevioribus; colore corpore superne 
pinnisque griseo-aurantiaco, inferne griseo. 

Synon. Nebrius concolor Rüpp. N. W. F. Abyss. F.R. M, p. 62 tab. 17 
B 2 


84 


Ginglymostoma concolor Cant. (nec MH.) Mal. Fisch. p. 395. 

Habit. Singapore, in mari. 

Longitude speciminis unicì masculini 730” 

Aanm. In de „Systematische Beschreibung der Plagiostomen” 
zijn slechts 2 soorten van Ginglymostoma beschreven, t. w. 
G. concolor MH. en G. cirratum MH. 

De bovenbeschrevene soort heeft zeer groote verwantschap 
met Ginglymostoma concolor MH. doch kan deze niet zijn, 
vermits hare tanden een cirkelsegment vertoonen, hetwelk aan 
den vrijen rand met 6-10 tanden van nagenoeg gelijke groote 
gewapend is en de schubben korrelachtig, niet gekield en niet 
gekerfd zijn. Bovendien ook zijn de snuit en staartvin bij 
mijn specimen betrekkelijk langer dan op de afbeelding in 
genoemd werk van G. concolor aangeduid is, en is de alge- 
meene omtrek des snuits vierhoekig. Mijn specimen beant- 
woordt beter aan de afbeelding en beschrijving van MNebrius 
concolor Rüpp. en van Ginglymostoma concolor Cant. (nec MH.), 
welke tot dezelfde species behooren en van Ginglymostoma 
concolor MH. soortelijk verschillen. Ik heb daarom gemeend, 
aan de Rüppellsche soort een’ nieuwen naam te moeten geven, 
om haar te onderscheiden van de soort, welke de heeren J. Mür- 
LER en Herre verkeerdelijk voor identisch met haar houden 
en Ginglymostoma concolor hebben genoemd. Ginglymostoma 
Rüppellië Blkr. is tot heden toe aangetroffen in de Roode zee 
in Straat Malakka en Straat Singapore. 

Lever tweekwabbig, de kwabben van ongeveer gelijke lengte, 
de halve lengte der buikholte innemende. Eene dikwandige 
vrij groote galblaas is in de zelfstandigheid der regterkwab 
gedeeltelijk verborgen. Galbuizen zoowel in de maag «als dik- 
ken darm inmondende. Milt zeer lang en slank, het achterste 
gedeelte van de maag omringende. Pancreas veel kleiner dan 
de milt, langwerpig onregelmatig van gedaante. Maag cylin- 
dervormig, zich met het achterste gedeelte hoefijzervormig om- 
| „buigende. Dunne darm slechts eenige millimeters lang, maag 
en dikken darm als het ware slechts door een’ engen hals van 
een scheidende. Dikke darm korter dan de maag. Maag ge- 


85 


vuld met resten van Loligo en andere Gephalopoden, van 
Engraulis en van Atherina. Klapvlies van den dikken darm 
spiraalvormig met 24 windingen. Regte darm zonder klapvlies. 


SQUATINORAJAE. 


Rhinobatus (Rhinobatus) armatus Gr. Hardw. Mlustr. 
Ind. Zoöl. II tab. 99. MH. Plagiost. p. 119. 


Rhinob. corpore elongato depresso, latitudine supra pinnas pectorales 
3 in ejus longitudine; capite acuto 4 fere in longitudine corporis; rostro 
acuto 54 in longitudine corporis, duplo longiore quam medio lato, pro- 
cessu a rostro distincto nullo, lateribus membranaceo, carina media gra- 
cili non spinulosa, latitudine minima 15 in ejus longitudine , non sulcata, 
apice clavata; oculis diametro 74 circiter in longitudine rostri, diametris 
2 circiter a s3 invicem distantibus; foraminibus temporalibus oculis ap- 
proximatis et ijs non vel vix majoribus, margine posteriore bituberculato; 
naribus minus dimidia earum longitudine a se invicem distantibus, pec- 
tine radiis plus quam 90, valvula anteriore gracili marginem narium in- 
feriorem vix superante; sulco labiali superiore nullo, inferiore continuo; 
rictu tota fere ejus longitudine a margine rostro-pectorali remoto, recti- 
usculo; squamis corpore parvis conspicuis, dorso majoribus, ex parte 
spinula brevi armatis; linea dorsi media et regione humerali spinulis ma- 
joribus armatis; pinnis dorsalibus forma subaequalibus, non vel vix emar- 
ginatis, acutis, altioribus quam basi longis, dupla earum longitudine a 
se invicem distantibus, posteriore anteriore paulo altiore, vix tota ejus 
longitudine a caudali remota; pectoralibus latissimis rotundatis, ventrali- 
bus subrhomboïdeis antice obtusis rotundatis, postice acutis; caudali acu- 
ta, margine postero-inferiore convexa, 54 circiter in longitudine corporis; 
colore corpore superne flavescente-fusco, inferne albescente; rostro parte 
membranacea subpellucida; pinnis fuscescente-viridibus. 

Synon. Jndian Rhinobatus Gr. Hardw. Illustr. Ind. Zoölog. II tab. 99. 

Rhinobatus typus Benn. Life of Raffl p. 694, 
lkan Kekeh Javan. Samar. 

Habit. Singapore, Samarang, in mari. 

Longitudo speeiminis unici feminini 504”, 


TRIJGONES. 


Taeniura lymma MH. Plagiost. p. 171. Cant. Mal. 
Fish. p. 431. 


Taeniur. corpore disciformi, disco longiore quam lato, antice lateri- 


86 


busque rotundato, postice apicibus pinnarum pectoralium acutis; capite 
longitudine 3 fere, rostro 44 fere ad 44 in latitudine disci maxima; ocu- 
lis diametro 2 ad 22 in longitudine rostri, diametro 1 circiter a se in- 
vicem distantibus; foramine temporali sub oculo desinente, oeculo non 
vel vix breviore; rictu flexuoso; dentibus:maxillaribus acutis; fundo ca- 
vitatis oris bipapillato; velo postmaxillari valvulisque nasalibus anteriori- 
bus fimbriatis; cute toto corpore junioribus tota glabra, aetate provectio- 
ribus linea dorsi media spinis brevibus obsita; cauda disco longiore, 
radice depressa, postica parte spinis serratis armata; colore corpore super- 
ne fuscescente-aurantiaco maculis numerosis rotundis pulchre coeruleis; 
cauda superne lateribus coeruleo longitudinaliter vittata; ventre albescente 
vel flavescente, marginem disci versus aurantiaco. 
Synon. Raja lymma Forsk. Deser. anim. 17 Ne. 15 L. Gm. Syst. Nat. 
p. 1511. Lacèp. Poiss. I p. 119 tab. 4 fig. 2, 3. Bl. Schn. 
Syst. posth. p. 364. Shaw Gen. Zoöl. V, p. 287. 
Raie torpille Lacép. Poiss. I p. 82. 
Trygon lyinma Cuv. Règn. anim. Swains. II p. 319. 
Trigon lymma Rüpp. Atl. R. N. Afr. F.R. M.p. 51 tab. 13 fig. 
1. N. Wirb. F. Ab. F. R.M. p. 69 tab. 19 fig. 4. (dentes). 
Trygon Halgani Less. Voyage de Duperrey, Zoöl. II p. 100 tab. 
Pastenaque de Halgan Less. ibid. 
Trygon ornatum Gr. Hardw. Illustr. Ind. Zoöl. I. tab. 99. 
Lymma Arab. 
Pharr Indig. Nov. Hibern. 
Ikan Pareh kumbang et Ikan Peh tjun Mal. Batav. 
Habit. Singapore, Batavia, in mari. 
Latitudo 3 speciminum femin. 165” ad 215%”, 


Aanm. Taendura lymma MH. is niet alleen bekend van Ja- 
va, Celebes en Timor, maar ook van Singapore, Malakka, 
Pinang, de Indische- en Roode zee en Nieuw-Ierland. De 
soort is te Batavia niet zeldzaam en wordt tot meer dan twee 
voeten breed. 


Seripst Batavia Calendis Decembris mpeeeur. 


ned an ae 4 


BIJDRAGE 


TOT DE KENNIS DER 


ICHTHYOLOGISCHE FAUNA VAN BLITONG (BILLITON), 


MET BESCHRIJVING VAN EENIGE NIEUWE SOORTEN VAN ZOETWATERVISSCHEN , 
DOOR 


Dr. P. BLEEKER: 


In het begin dezes jaars berigtte ik omtrent eenige Blitong- 
sche visschen, door den heer Dr. Croockrewir tijdens zijn ver- 
blijf op dit eiland verzameld. Deze vischsoorten, allen in zee 
gevangen, zijn 10 in getal t. w. Mesoprion Russelliù Blkr., 
Mesoprion annularis Blkr., Helotes serlineatus CV., Sulago 
acuta CV., Platycephalus insidiator Bl, Dente tambulus CV., 
Pentapus setosus CV., Platax bataviensis GV., Belone leiuroïdes 
Blkr en Synaptura pan Cant. (zie Natuurk. Tijdschr. v. Neêrl. 
Indie Jaarg I bladz. 478). | 

Later vertrok naar Blitong mijn vriend, de heer Corns. pr 
Groor, ingenieur van het mijnwezen, ten einde onderzoek te 
doen naar de geologische gesteldheid van dit eiland, en in 
het bijzonder naar zijnen tinrijkdom. Ik noodigde dezen ver- 
dienstelijken natuurkenner uit, op Blitong te trachten, de daar 
levende zoetwatervisschen te verzamelen en aan de welwil- 
lende voldoening aan dit verzoek heeft deze bijdrage haar ont- 
staan te danken. Is deichthijologie van den Indischen Archipel 
in het algemeen zeer verwaarloosd geworden, vooral is zulks het 
geval ten opzigte der zoetwatervisschen en van talrijke aanzien- 
lijke eilanden van den Indischen Archipel is tot nog toe geene en- 
| kele species van zoetwatervisschen bekend geworden, niettegen- 

staande deze studie voor de geographische zoölogie van meer 


88 


belang is, dan de studie der zeefauna, welker vertegenwoor- 
digers, uit den aard van de middenstof, waarin zij le- 
ven, aan minder beperkingen in hunne woonplaatsen onder- 
worpen zijn. De verzameling van den heer De Groot, hoe- 
zeer niet meer dan 15 soorten bevattende, ís niet onbelangrijk 
en bevat eenige species, welke tof nog toe op geen der ove- 
rige eilanden van den Soenda-Molukschen Archipel zijn aange- 
troffen. 

De 15 boven bedoelde soorten zijn de volgende. 
‚ Catopra, Grootii Blkr. nov. spec. 
. Nandus nebulosus Blkr. = Bedula nebulosus Gr. Hardw. 
‚ Betta anabatoïdes Blkr. 
‚ Ophicephalus marulioïdes Blkr. 
zj marginatus GV. 
. Mastacembelus maculatus GV. 
‚ Silurus phaiosoma Bikr. 
. Bagrus micropogon Blkr. nov. spec. ? 
. Pimelodus cyanochloros Blkr. 
Clarias punctatus GV. 
‚ Barbus lateristriga CV. 
ADM 7 blitonensis Blìkr. nov. spec. 


eo TVD NO 


DD 


15. Leuciscus cephalotaenia Blkr. nov. spec. 
14. Hemiramphus phatosoma Blkr. nov. spec. 


Ee 
© 


. Luciocephalus pulcher Blkr. 

Vijf dezer soorten beschouw ik als nieuw voor de weten- 
schap, hoezeer Zagrus micropogon nog met eenigen twijfel, 
daar zij mogelijk den zeer jeugdigen leeftijd voorstelt van Ba- 
grus poecilopterus K.v.H. van Java. Voorts komen van de bo- 
vengenoemde soorten tevens op de fauna van Java: Opkicep- 
halus marginatus CV., Mastacembelus maculatus CV., Pimelo- 
dus cyanochloros Bìkr., Clarias punctatus CV. en Barbus late- 
ristriga CV.;-—op de fauna van Borneo: Betta anabatoïdes 
Blkr., Ophicephalus marulioïdes Blkr., Silurus phatosoma Blkr., 
en Luciocephalus pulcher Blkr.; — en op de fauna van Sumatra, 
Mastacembelus maculatus CV. en Pimelodus cyanochloros Blkr. 


| 
| 


Men mag hieruit opmaken, dat de zoetwatervischfauna van _ 


89 jn 


Blitong, afgescheiden van de haar eigene soorten, in verwant- 
schap het midden houdt tusschen die van Java en Borneo. 

Alle 15 bovengenoemde species zijn gevangen in heft stroom- 
gebied der Tjiroetjoep, in het westelijk gedeelte van het ei- 
land, nabij de plaatsen, waar door den heer De Groor vrij 
rijke tingronden zijn gevonden, met welker ontginning reeds 
een begin gemaakt is. In het geheel zijn mij thans de vol- 
gende 25 soorten van Blitong bekend. 


1. Mesoprion Russellii Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 
2. jn annularis Blkr. ibid. 

ò. Helotes sexlineatus CV. Nat. Tijdschr. N.L Hp. 171. 

4. Sillago acuta GV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 

8. Catopra Grootii Blkr. 

6. Nandus nebulosus Blkr. 

7. Platycephalus insidiator Bl. Verh. Bat. Gen. XXII Sclerop. 
8. Denterx tambulus GV. ib. XXIII Sparoïd, 

9. Pentapus setosus CV. Nat. Tijdschr. N. Ind. H p. 175. 
40. Platax bataviensis CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetodont. 
M., Betta anabatoïdes Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. I p. 269. 
12. Ophicephalus marutoïdes Blkr. ib. H p. 424. 
drs 5 marginatus GV. Verh. Bat. Gen. XXIII Vissch. 

Doolhofv. Kieuw, 
14. Mastacembelus maculatus GV. 
15. Silurus phaiosoma Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. IH p. 428. 
16. Bagrus micropogon Blkr. 
17. Pimelodus cyanochloros Blkr. Verh. Bat. Gen. XXI N. 
Bijdr. Silur. Jav. 

18. Clarias punctatus GV. ibid. Siluroïd. batav. conspecte 
19. Barbus lateristriga CV. 
Ne blitonensis Blkr. 
21. Leuciscus cephalotaenia Blkr. 
22. Belone leiuroïdes Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind, I p. 479. 
25. Hemiramphus phaiosoma Blkr. 

24. Luciocephalus pulcher Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. I p. 273. 
16. Synaptura pan Cant. Verh. Bat. Gen. XXIII Snoek. Vissch. 


DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAEs 


NANDOÏDEI. 


Catopra Grootii Blkr. 


Catopr. corpore oblongo compresso, altitudine 2% fere in ejus longitu- 
dine, latitudine 24 in ejus altitudine, capite obtuso convexo 32 circiter 
in longitudine corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 4 in lon- 
gitudine capitis; linea rostro-dorsali ante oculos convexa, supra oculos 
leviter concava; rostro convexo longitudine oculum aequante; maxillis 
aequalibus, superiore protractili sub oculi parte anteriore desinente; den- 
tibus maxillis pluriseriatis parvis, antice serie externa majoribus conicis, 
vomere parvis in thurmam oblongam transversam antice in palato collo= 
catis; dentibus palatinis parvis utroque latere in vittam gracilem obli- 
quam dispositis; dentibus pterygoïdeis granulosis in Jaminam oblongam 
ovalem, lingualibus granulosis in laminam magnam lageniformem collo- 
catis; denticulis suborbitalibus vix conspicuis; praeoperculo subrectan- 
gulo, angulo rotundato leviter tantum denticulato; interoperculo edentulo ; 
squamis ectenoïdeis ciliis minimis pluriseriatis, parte basali flabelliforme 
striatis, lateribus 30 p. m. in serie longitudinali, 15 p. m. in serie ver- 
ticali; linea laterali singulis squamis tubulo simplice notata, sub pinnae 
dorsalis radiosae parte posteriore interrupta et infra sub parte ejus ante- 
riore reïncipiente ; pinnis basi squamosis, dorsali et anali radiosis rotun- 
datis caudalem attingentibus, dorsali spinosa spinis mediis ceterislon- 
gioribue, parte radiosa humiliore; anali spina media ceteris longiore; 
peetoralibus obtusis ventralibus acutis vix longioribus, 4# in longitudine 
corporis; caudali rotundata 43 in longitudine corporis; colore corpore 
pinnisque olivaceo-viridi, 

B. 6. D. 13/16 vel 18/17. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C. 14 

et lat. brev. 

Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. 

Longitudo speciminis unici 184”. 


_ Aanm. Deze soort is de derde Catopra, mij van den Indi- 
schen Archipel bekend geworden. Java bezit Catopra nandoï- 
des, Borneo Catopra fasciata. Deze drie soorten hebben 


91 


groote verwantschap met elkander, doch laten zich door vol- 
gende kenmerken gemakkelijk van elkander onderscheiden. 
Catopra fasciata Blkr. 12 zwartachtige dwarsche banden 
over het ligchaam. D. 18/16 of 13/17. P. 2/14. 
Catopra nandoïdes Blkr. Ligchaam zonder banden. D. 14/16 
of 14/17. P. 2/14. Snuit niet bol. 
Catopra Grootiü Blkr. Ligchaam zonder banden. D. 13/16 
of 13/17. P. 2/12. Snuit bol. 
Ik noem de bovenbeschrevene nieuwe soort naar den heer 
Corns. pr Groor, aan wien de wetenschap de eerste kennis 
der zoetwaterfauna van Blitong te danken heeft. 


Nanpus CV. 


Pinna dorsalis unica. Dentes maxillares, palatini, vomerini 
et linguales setacei, pterygoïdei granulosi in thurmam graci- 
lem collocati. Os suborbitale non denticulatum. Praeoper- 
culum denticulatum. Operculum spina unica. Membrana bran- 
chiostega radiis 6. Linea lateralis interrupta. Maxilla superior 
protractilis. 


Nandus is zeer na verwant aan Catopra (zie Nat. Tijdschr. 
Ned. Indië Jaarg. II), doch verschilt er van, doordien er de 
tongtanden zeer dun zijn en op eene smalle plaat verce- 
nigd, wat ook met de vleugelbeenstanden het geval is. 
Voorts heeft Nandus de onderoogkuilsbeenderen ongetand en 
het operkel slechts met een’ enkelen doorn gewapend. Catopra 
en Nandus zijn geslachten, welke in verwantschap bet midden 
houden tusschen de Chromides en de Percoïden en welligt te 
brengen zijn tot eene eigene familie. Het niet volkomen veree- 
nigd zijn der onderste keelgatsbeenderen sluit ze van de Labroïden 
uit, waarmede overigens hunne inwendige organisatie ze ver- 
want doet zijn. Zij schijnen voor de zoete wateren van Zuid- 
Azië en den Indischen Archipel te wezen, wat de Chromides 
zijn voor de zoete wateren van Zuid-Amerika. Waarschijnlijk 
zullen latere nasporingen nog meerdere soorten van Nandus 
en Catopra in de zoete wateren dezer gewesten doen kennen. 


Nandus nebulosus Blkr. 


Nand. ecorpore oblongo compresso, altitudine 3 in ejus longitudine, 
latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto 83% in longitudine 
corporis, paulo longiore quam alto; oculis diametro 84 eirciter in longi- 
tudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; maxilla superiore 
valde protractili alepidota, ore clauso maxilla inferiore paulo breviore, 
sub oculi parte posteriore desinente; dentibus maxillaribus, vomerinis, 
palatinis, pterygoïdes et lingualibus in vittas graciles dispositis; osse sub- 
orbitali humillima; praeoperculo rotundato, margine posteriore leviter 
emarginato dentieulis vix conspicuiss interoperculo leviter denticulato; 
spina operculari plana acuta; squamis ciliatis, lateribus 30 p. m. in serie 
longitudinalis linea laterali simplice sub pinnae dorsalis radiosae parte 
posteriore interrupta; pinna dorsali profunde emarginata, parte spinosa 
parte radiosa humiliore, spinis 3*, 4* et 5° spinis ceteris longioribus, parte 
radiosa rotundata; pinnis pectoralibus rotundatis et ventralibus acutiusculis 
53 circiter in longitudine corporis; anali spina 2° spinis 1* et 3* longiore, 
parte radiosa rotundata, caudali convexa 54 circiter in longit udine corpo 
ris; colore corpore superne fusco, lateribus inferneque aurantiaco-rufo 
diffuse transversim fusco fasciato; pinnis dorsali spinosa fusca, pectorali- 
bus olivaceis, ceteris aurantiacis fusco maculatis et variegatis. 

B. 6. D. 14/11 vel 14/12. P. 1/15. V. 1/5. A. 3/5 vel 3/6. C. 14 

et lat. brev. 

Synon. Bedula nebulosus Gr. Hardw. Illustr. Ind. Zoöl. II Pisc. tab. 1 

fig. 2? 
Habit. Blitong, in fumine Tjirutjup. 
Longitudo speciminis unici 111”, 


Aanm. Deze soort verschilt van Nandus marmoratus GV. 
door sterken operkeldoorn, onder het oog eindigende boven- 
kaak, aanmerkelijk grootere borst- en buikvinnen, veel min- 
der schubben op eene overlangsche rei, ongeschubte boven- 
kaak enz. In habitus en kleurteekening heeft zij zeer groote 
overeenkomst met Bedula nebulosus van de Illustrations of 
Indian Zoölogy, met welke species ik geneigd ben haar voor 
identisch te houden. Is zulks het geval, dan is de aange- 
haalde afbeelding in meerdere opzigten onjuist, vertoonende 
zij het oog te klein, de onderkaak te ver voor de boven- 
kaak uitstekende, de bovenkaak te ver achterwaarts rei- 
kende , het praeoperkel ongetand, den operkeldoorn in het 
geheel niet, enz. Bovendien tel ik op die afbeelding slechts 


95 


13 rugvindoornen , wat zijne reden kan hebben in seene indi- 
viduöle verscheidenheid. De heer Cantor (Malaijan Fishes p. 
17) brengt Bedula nebulosus Gr. Hardw. tot Nandus marmo- 
ratus GV. even als Bedula Hamilton Gray (Illustr. Ind. zoöl. 
II Pisc. tab. 1 fig. 3). Ten opzigte van laatstgenoemde species 
stem ik den heer Cantor bij, maar Gray heeft mijns inziens 
zeer te regt beide afbeeldingen beschouwd als tot verschillende 
soorten te behooren. 


NOTAGANTEINL. 


Mastacembelus maculatus GV. Poiss. vir p. 840. Rèen. 
an. éd. d. luxe tab. 55 fig. À. 


Mastac. corpore elongato compresso, altitudine 10 circiter in ejus longi- 
tudine; capite 7 circiter in longitudine corporis; rostro 24 ad 22 in lon- 
gitudine capitis, apice tentaculis 2 trilobo, parte producta rictum longi- 
tudine aequante ; praeoperculo dentibus vel spinis nullis; linea laterali 
cauda inconspicua; squamis parvis, totis striatis, cycloïdeis, lateribus 180 
p. m. in serie longitudinalis; pinnis verticalibus unitis; appendice anali 
conica longa; caudali vix distincta rotundata; dorsali post apicem pinnae 
pectoralis incipiente, parte spinosa longitudine partem radiosam aequante, 
spina postice spinis ceteris multo majore; anali spina 2% valida magna, 
parte radiosa paulo ante pinnam dorsalem radiosam incipiente; pectorali- 
bus rotundatis; colore corpore superne viridescente-fusco, inferne virides- 
cente-flavo; lateribus fusco. nebulatis; pinnis verticalibus flavo marginatis, 
dorsali viridi et fusco variegata, basi maculis nigricantibus; anali nigricantc- 
fusca. 

Beb. 26-60, ad, 30-70..P. 22 vel 23. A. 59 ad 69,,C..16 p. ms 

Synon. Rhynchobdella maculata Reinw. 

Mastacemble tacheté CV. Poiss. VIII p. 340. 
Mastacemble maculé CV. Règn. anim. éd. de luxe tab. 55 fig. 1, 
Jkan Arehlot Sundanens. 

Habit. Blitong, Java, Sumatra, in fluviis. 

Longitudo 16 speciminum 125” ad 280”. 

Varietas: chrysogaster , ventre immaculato. Habit. Java (Buitenzorg, Tjis 

pannas), Sumatra (Pajacombo , Solok). 
dictyogaster , ventre fusco reticulato. Hab. Blitong. 


Aanm. In mijne Bijdrage tot de kennis der Notacanthint 
van den Soenda-Molakschen Archipel (Verh. v. h. Bat. Gen. 


94 


v. K. en W. vol. XXIII), heb ik de diagnose dezer soort ge- 
geven, volgens hare in de groote Histoire des Poissons voor- 
komende beschrijving. Sedert ben ik in het bezit gekomen 
van een aantal exemplaren van Java, Sumatra en Blitong, 
waardoor ik in staat gesteld ben, hare kenmerken naauwkeu- 
riger op te geven. Deze soort is vooral merkwaardig door 
haar ongewapend praeoperkel, en zou daardoor zelfs uit het 
geslacht Mastacembelus behooren weg te vallen, indien de 
praeoperkeldoornen, door Cuvier VALENCIENNES als generisch 
karakter beschouwd, zulks inderdaad waren, wat ik echter 
niet kan aannemen, omdat Mastacembelus maculatus overigens 
in de wezenlijke kenmerken met de andere soorten van Mas- 
tacembelus overeenkomt. 


SILUROÏDEL. 


Bagrus micropogon Blkr. 


Bagr. corpore elongato compresso, altitudine 8 circiter in ejus longitu- 
dine; capite acuto 44 circiter in longitudine corporis, duplo longiore 
quam alto sed minus duplo longiore quam lato; dorso humilis linea ros- 
tro-dorsali declivi reetiuscula, vertice tantum convexiuscula; oculis dia- 
metro 6 eirciter in longitudine capitis; rostro oculo duplo longiore, ante 
os prominente; scuto capitis cristaque interparietali glabris; crista inter- 
parietali trigona aeque longa ac basi lata, tota conspicua, os interspino- 
sum glabrum non attingente; cirris 8 gracilibus, nasalibus oculum attin- 
gentibus, labialibus oculum superantibus, inframaxillaribus aperturam 
branchialem non attingentibus; labiis carnosis; maxilla superiore inferiore 
longiore; dentibus maxillis setaceis pluriseriatis, vomero-palatinis plurise- 
riatis in vittam semilunarem simplicem dispositis; osse scapulari vix ru- 
goso acuto; pinna dorsali spina corpore paulo altiore postice dentata; 


dorsali adiposa tota ejus longitudine a dorsali radiosa remota, anali op- 


posita eamque postice superante, oblonga, rotundata; pinnis pectoralibus 
acutis capite multo brevioribus, spina crassa postice valde dentata; ven- 
tralibus capite duplo brevioribus; anali rotundata corpore non humiliore; 
caudali valde excisa lobis acutissimis aequalibus 5 in longitudine corpo- 
ris; colore corpore fuscescente fusco profundiore nebulato;s; pinnis rufis 
nigro late fasciatis. 
B. 10. D. 1/7. P. 1/8. V. 1/5. A. 4/12 vel 5/1le CG 17 et lat, breve 
Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. 
Longitudo speciminis unici 79”, 


nn nd ea 


95 


Aanm. Deze species behoort tot die soorten van Bagrus 
met 8 cirri en onafgebrokene rei ploegbeen-gehemeltetanden, 
bij welke de vetvin ongeveer dezelfde lengte heeft als de aars- 
vin en de achterhoofdskam niet tot aan het tusschendoorns- 
been reikt. Zij staat in verwantschap zeer nabij Bagrus poeci- 
lopterus K.v.H. van Java en heeft daarvan de dunne korte 
voeldradeny vooruitstekenden snuit en algemeene kleurteekening. 
Bagrus poecilopterus K. v. H. bevindt zich tot nog toe niet in mijne 
verzameling, doch ik bezit er eene fraaije afbeelding van, af- 
komstig uit de teekeningen der voormalige Natuurkundige 
Kommissie. Deze afbeelding wijkt in zooverre van de be- 
schrijving van Cuvier VALENCIENNES af‚ dat de rugdoorn er 
duidelijk getand is, de rugvin er 7. en de borstvin 8 stralen 
vertoont, even als bij bovenbeschrevene soort. Vergelijk ik 
echter mijn specimen met die afbeelding, dan blijkt het, dat 
het veel ranker van kop en ligchaam is, grootere oogen en 
zeer spits uitloopende staartvinkwabben heeft, minder regel- 
matig gekleurd is, en de lipdraden er tot achter het oog rei- 
ken. Ik houd mijn specimen daarom voor eene eigene soort, 
tot dat nadere waarnemingen kunnen doen blijken, dat deze 
verschillen slechts toe te schrijven zijn aan den leeftijd „ be- 
dragende de lengte van mijn specimen nog niet de helft van 
die der bedoelde afbeelding. | 


CIJPRINOÏDEL 


Barbus lateristriga GV. Poiss. xv: p. 120. 


Barb. corpore oblongo compresso, altitudine 34 ad 34 in ejus longitu- 
dine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine; capite 5 et paulo in longitu- 
dine corporis; altitudine capitis 1% ad 1% in ejus longitudine; oculis dia- 
metro 3 in longitudine capitis, diametro l a se invicem distantibus; rostro 
convexo oculo breviore; maxilla superiore inferiore vix longiore, vertica- 
liter deorsum protractili, ante oculum desinente; ore antico; cirris maxil- 
laribus labialibus brevioribus, maxillaribus oculi marginem anteriorem, 
labialibus praeoperculi partem posteriorem attingentibus; dentibus pharyn- 
gealibus triseriatis conicis, serie externa 4 uncinatis et subuncinatis; osse 
scapulari trigono obtuso rotundato; linea frontali declivi rectiuscula; 


96 


dorso elevato ventre convexiore, linea dorsali vix angulata antice valde 
convexaj linea ventrali rotundata; linea lateralí infra lineam rostro=cau- 
dalem descendente, concava; squamis radiatim striatis, lateribus 24 p. m. 
in serie longitudinali, 8 vel 9 in serie verticali; inguinibus squamis elon- 


gatis; pinna dorsali acutiuscula non emarginata, corpore minus duplo. 


humiliore, spina denticulata capite breviore ventralibus opposita; pinnis 
pectoralibus et ventralibus acutis longitudine aequalibus capite brevioribus, 
pectoralibus ventrales non attingentibus; analí acutiuscula non emarginata, 
corpore plus duplo humiliore; ecaudali profunde incisa lobis acutis 44 cir- 
citer in longitudine corporis; colore corpore superne olivaceo-viridi, late- 
ribus infermeque flavescente-argenteo; dorso lateribusque fasciis 2 trans- 
versis violaceo-nigricantibus, fascia anteriore dorso-pectorali, fascia pos- 
teriore dorso-ventrali; cauda fascia longitudinali violaceo-nigricante; pinnís 
flavescente-roseis, dorsali analigue marginem versus violascentibus. 
B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/13. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C, 19 et lat. 
brev. 
Synon. Barbeau au trait latéral CV. Poiss. XVI p. 120. 
Ikan Dokkum Sundan. 
Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. 
Tjampea, Buitenzorg, Javae insulae, in flumine Tjidani. 
Longitudo 3 speciminum 80’” ad 95”. 


Aanm. Ik vond deze soort in 1850 , tijdens een verblijf te 
Tjampea en ontving haar in 1851 van den heer TeismanN van 
„Buitenzorg. Volgens de waarnemingen van Kuur en Van Has- 
seLT komt zij ook te Sading wetan voor. De heer VALENCIEN- 
NES heeft deze plaats van voorkomen verkeerdelijk gehouden 
voor den inlandschen naam der soort. Het Blitongsche specimen 
is 87” lang en behoort tot eene varieteit met eene ronde vio- 
let-zwarte vlek boven het begin van de basis der aarsvin. Bij 
dit specimen gaat ook de tweede dwarsband tot aan den 
anus en vereenigt zich daar met dien der tegenovergestelde zijde. 


Barbus blitonensis Blkr. 


Barb. corpore oblongo compresso, altitudine 82 circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 22% circiter in ecjus altitudine; capite 5 in longitudine 
corporis; altitudine capitis 12 circiter in ejuslongitudine ; oculis diametro 
3 circiter in longitudine capitis, diametro 1 a se invicem distantibus; 
rostro convexo oculo breviore; maxilla superiore inferiore vix longiore, ver- 
ticaliter deorsum protractili, ante oeulum desinente; ore antico; cirris maxil- 
laribus cirris labialibus brevioribus, maxillaribus pupillam, labialibus oper” 


aad 


97 


culum attingentibus; dentibus pharyngealibus triseriatis conicis, serie ex= 
terna 4 vel 5 subuncinatis; osse scapulari trigono, obtuso, rotundato; linea 
frontali -declivi convexiuscula;s dorso elevato ventre convexiore; linea dor- 
sali angulata, antice vix convexa; linea ventrali rotundata; linea laterali 
infra limeam rostro-caudalem descendente, concava; squamis radiatim stri- 
atis, lateribus 24 p. m. in serie longitudinali, 8 vel 9 in serie verticalis; 
inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali acutiuscula, non emarginata, 
corpore minus duplo humiliore, spina denticulata capite breviore ventra- 
libus opposita; pinnis pectoralibus acutis ventralibus acutis paulo longic- 
„ribus, capite brevioribus, ventrales non attingentibus; anali apice rectan- 
gula non emarginata, corpore triplo fere humiliore; caudali profunde 
emarginata lobis acutis, aequalibus, 44 circiter in longitudine corporis; 
eolore corpore superne aureo-viridi, inferne viridescente-argenteo; dorso 
macula diffusa violaceo-nigra ad basin pinnae dorsalis; cirris labialibus 
nigricantibus; pinnis rubris, anali fusco marginata. 

Benen Dr 4/8 vel 4/9. P. 1/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. 

brev. 

Habit. Blitong, in flumine Djirutjup- 

Longitudo speciminis unici 117”, 

Aan. Deze species heeft. groote verwantschap met Barbus 
lateristriga CV. doch onderscheidt er zich van, behalve door het 
gemis der dwarsche en overlangsche violet-zwarte banden, 
door ranker ligchaam, langere voeldraden, minder stompen 
snuit, minder bollen rug, één straal meer in de borstvin enz. 
Zij moet ook na verwant zijn aan Barbus roseipinnis GV. 
van Pondicherij, doch deze mist de violet-zwarte rugvlek en is 
overigens in de groote Histoire naturelle des Poissons te onnaauw- 
keurig beschreven, om over de identiteit te kunnen oordeelen, 
eene identiteit welke, de woonptaatsen in aanmerking genomen, 
niet te verwachten is. 


Leuciscus cephalotaenia Bkr. 


Leueise. eorpore elongato eompresso, altitudine 5 ad 54in ejus lÉhgitu- 
dine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto 5 circiter in 
Tongitudine corporis; altitudine capitis 12 ad 12 in ejus longitudine; ocu- 
lis diametro 3 ad 34 in longitudine capitis, diametro 1 et paulo a se in- 
vieem distantibus; rostro acuto oculo non vel vix longiore; maxilla su- 
periore maxilla inferiore vix breviore, paulo protractili, ante oculum desinen- 
te; maxilla inferiore valde adseendente, symphysi uucinata; dentibus pharyn- 
gealibus triseriatis, serie externa 5 ecurvatis subuncinatiss osse scapular! 


HI. 8 


Dim, 


98 


trigono apice rotundato; linea rostro-dorsalí capite deeclivi recta, dorso 
convexa; dorso ventre non vel vix convexiore; ventre obtuso non cari- 
nato; linea laterali valde concava, lineae ventrali valde approximata et 
parallela, basin pinnae caudalis attingentes squamis parte libera et 
basali radiatim vel longitudinaliter striatis, lateribus 30 p. m. in serie 
longitudinali, 8 p. m. in serie verticali; pinna dorsali pinnas ventrales in- 
ter et analem sita, acuta, non emarginata, corpore vix humiliore; pinnis 
pectoralibus et ventralibus acutis, pectoralibus ventralibus longioribus sed 
ventrales non attingentibus, ventralibus analem non attingentibus; anali 
acuta, vix emarginata, dorsali vix longiore et humiliore; caudali pro- 
funde emarginata, lobis acutis 44 circiter in longitudine corporis; colore 
corpore superne viridi inferne dilutiore; capite fascia rostro-operculari 
coerulea; lateribus guttis profunde coeruleis in series 2 vel S longitudinales 
dispositis; pinnis viridescentibus, caudali medio vitta longitudinali coerulea. 

B. 3. D. 2/7 vel 2/8. P. 1/14 vel 1/15. V.1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 

ef Tat. brev, 
Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. 
Longitudo 8 speciminum 85” ad 103”. 


Aanm. De Indische Archipel bezit vrij talrijke soorten Leu- 
ciscus met lang slank ligchaam , spitsen kop, zeer korte aars- 
vin en gehaakte onderkaak , de rugvin geplaatst tusschen buik- 
vinnen en aarsvin, en met groote schubben „—zooals Leuciscus 
cganotaenia Blkr., Leuciscus kalochroma Blkr., Leuciscus du- 
sonensis Blkr., ZLewciscus Einthoven Blkr., en andere nog 
onbeschrevene species, welke in mijne groote verhandeling o- 
ver de Cyprinoïden van den Indischen Archipel gepubliceerd 
zullen worden. Van alle die soorten laat zich de bovenstaan- 
de bij den eersten oogopslag onderkennen door den donker- 
blaauwen snuitoperkelband en door de reijen blaauwe vlekken _ 
langs de zijden. Bij Leuciscus daniconius (Cyprinus danicont- 
us H. Buch.), gaat ook de kopband tot aan den snuit, maar 
deze soort is korter van ligchaam dan Zeuciscus cephalotaenta, 
mist de reijen zijvlekken en zou (wat ik echter betwijfel} 
de zijlijn regt over het midden der zijden hebben. Nog groo- 
ter schijnt de verwantschap te zijn van Leuciscus cephalotaenia 
„met Cyprinus anjona H. Buch. van Bengalen, welke lang- 
werpiger is dan Leuciscus daniconius, twee reijen zwarte zij- 
vlekjes heeft, dach den snuit stomp, de oogen hoog en he 


93 


profiel van den rug sterk naar den nek dalende, terwijl er 
van geen snuitoperkelband gesproken wordt. 


LUCIOCEPHALOIDEL 


Luciocephalus pulcher Blkr. 


Ik beschreef deze soort reeds in mijne Bijdragen tot de ken- 
nis der Ichthijologische fauna van Borneo, De heer Corns. Dr 
Groor verzamelde op Blitong 4 exemplaren van 75” tot 180°” 
lengte en de grootste alzoo 60” langer dan het grootste mij- 
ner Borneosche specimina en dan de afbeelding in de Illustrati- 
ons of Indian Zoölogij. Deze uiterst merkwaardige soort, wel 
ke aan het hoofd eener afzonderlijke familie behoort te staan, 
waarvan zij tot nog toe de eenige bekende representante is, on-. 
dergaat met toenemenden leeftijd aanmerkelijke wijzigingen in hare 
kleuren , zoodat de donkerbruine kaakstaartband ligter wordt en 
zich over het geheele ligchaam en de vinnen zwartachtige ron- 
de vlekjes vertoonen. Bij de anatomische aanteekeningen, vroe- 
ger medegedeeld, kan ik nog voegen, dat er geene zwemblaas 
aanwezig is. In de maag van een der grootste specimina vond 
ik een twintigtal zeer jonge vischjes, met den dojerzak nog 
ver buiten de buikholte uitpuilende, in welke ik Leuciscus 
cephalotaenia meen te herkennen. 


ESOGES. 


Hemiramphus phaiosoma Blkr. 


Hemiramph. corpore elongato compresso, altitudine 9 et paulo in ejus 
longitudine; dorso rectiusculo; ventre prominente; capite 834 circiter, ros- 
tro 54 circiter in longitudine corporis; maxilla superiore longiore quam 
lata lanceolata; dentibus maxillaribus minimis aequalibus; oculis diametro 
12 circiter in capitis parte postoculari, diametro 1 a se invicem distanti- 
bus; membrana submaxillari humili; squamis lateribus 70 ad 80 in serie 
longitudinali; pinna dorsali anali plus duplo longiore, radio 19 longe 
ante analem inserto; pectoralibus acutis capitis parte postoculari ct 
ventralibus multo longioribus; ventralibus antice in 41 sexta corporis 
parte sitis radio postico ceteris non longiore; anali dorsali humiliore 


k 


100 


radijs tumefactis; caudali integra, convexa, 64 circiter in longitudine totius 
corporis; colore toto corpore pinnisque fusco. 

B. ? D. 1/20,*P. 1/9? V. 1/5. A. 1/8? C. 16 et lat. brev. 

Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. 

Longitudo speciminis unici 52”, 


Aanm. Deze soort laat zich zeer gemakkelijk van alle be- 
kende onderscheiden door haar bruin ligchaam, korte onder- 
kaak , lange rugvin, bolle staartvin en kleine schubben. Het 
eenige specimen, naar hetwelk bovenstaande beschrijving geno- 
men ís, heeft mij niet duidelijk genoeg het aantal kieuw- , borst- 
vin-en aarsvinstralen laten herkennen. 


Scripst Batavia Calendis Decembris mpeeeu. 


GEOGNOSTISCH UITSTAPJE 


NAAR DE 
ZUIDKUST VAN GERAM. 


DOOR 


dl C. FE. A. SCHNEIDER. 


Door de welwillende ondersteuning van den gouverneur der 
Moluksche eilanden in de gelegenheid gesteld zijnde, een geo- 
guostisch uitstapje naar een gedeelte van Ceram'’s zuidkust, ge- 
naamd Batoe tambaga, te doen, wil ík, nopens het resultaat 
van dit reisje, het navolgende kort mededeelen. 

Ceram vormt aan zijne westzijde een schiereiland, dat zich 
van het n.n.o. naar het z. z. w. uitstrekt, en doorsneden wordt 
van eene in dezelfde rigting loopende bergketen, welke als 
een zijdelijke tak van de grootere bergketen van Ceram’s 
centraal-gebergte moet beschouwd worden. Een andere en 
kleinere tak loopt in z. z. o. rigting naar het strand en stelt 
aldus, met den bovengenoemden tak eenen driehoekigen berg 
ketel daar, welke zich als laag land (Niederung), met eene 
uitgestrektheid van ongeveer Σ H m. voordoet, en van eenige 
kleine rivieren doorsneden is. In deze uitgestrektheid liggen 
de negorijen Iha, Loehoe, Lahat, Kahila, Hoelang en Lokki. 


102 


Tot beter overzigt zal ik het zoo even beschreven gedeelte 
van Geram’s kust, bepaaldelijk tot onderwerp mijner naspo- 
ringen gediend hebbende, verdeelen in drie distrikten, te 
weten. 


1. Het distrikt van af Iha tot Loehoe. 

2. Het distrikt van af Loehoe tot halfweg tusschen Kahila 
en Hoelang, of het gedeelte van het laag land, en 

3. van daar af tot Batoe mas bij Lokki, welke uitge- 
strektheid gewoonlijk Batoe tambaga genaamd wordf. 


1. Het eerste dezer distrikten is van wege de geringe mid- 
delen, welke ter mijner beschikking stonden, slechts opper- 
vlakkig kunnen worden onderzocht. Het doet zich voor als 
een afgebroken bergwand, welks bovenste gedeelte uit met 
berggruis vermengde kleiaarde bestaat, terwijl aan het onder- 
ste gedeelte de kleiaarde, in lei overgaande, tot aan zee to 
bestaat uit lagen blaauwe ijijzerleiaarde en aluin of brandlei 
van afwisselende gedaante. 

In de nabijheid van Loehoe zijn eenige kleine rivieren, in 
welke zich meer of minder groote steenen bevinden, uit 
kwarts, brekciënkalk , ijzerkwarts, lei, leiporphier , graauwakke, 
stukken aluinlei, en pechsteen bestaande. Dezelfde steenen _ 
vindt men met kwartskiezel aan het strand. Het water is hel- 
der en zuiver van smaak. | | 

Aan het oosteinde van de negorij Loehoe begint het tweede 
distrikt. Het strand is hier laag, begroeid met mangi-mangi 
boomen (Rhizophoren). De zeegrondis vast en bestaat grooten- 
deels, even als het sfrandgesteente , uit glimmende brandlei en _ 
kolenletten. Van het strand naar het binnenland toe wordt de 
grond meer of min moerassig en is begroeid met sagobosschen , 
eenige klapperboomen en moerasstruiken , bewoond door moe- 
rasvogels, terwijl in de rivieren van dit gedeelte zich kroko- 
dillen ophouden. 

Aan de oevers van een dezer rivieren, welkeik een eind wegs 
opging, bestond het land uit kleiaarde met berggruis, stukken 
van kwarts en brandlei, terwijl ook de bodem der rivier 


105 


meest uit kleine stukken dezer lei, met stukken van hout 
tinsteen en zand zamengesteld was. In dit gedeelte zijn den- 
kelijk de kolenlagen het naast aan de aardoppervlakte; mis- 
schien liggen zij zelfs nader aan den oorsprong der rivier, 
waar deze meer kracht heeft om de hoogere stukken weg te 
spoelen geheel bloot. 

Nadat deze streek laag land verscheidene hoeken heeft ge- 
vormd, wordt het strand hooger en er vertoonen zich weder 
de muurachtige afsnijdingen. Het bovenste gedeelte van dezen 
muur is kleiaarde met losse steenen, onder welke weder ho- 
rizontale lagen van ijzerlei, ijzerklei, aluinlei, brandlei houdend 
kornisch tin afwisselen. De ijzerleiaarde is rijk aan zwavel- 
zuur ijzer, zwavelijzer en aluin. 

Bij dit eerste gedeelte, waármede het derde distrikt eenen 
aanvang neemt, liggen twee kleine eilanden, welke afgespoeld 
van de vaste kust en van dezelfde formatie zijn, schijnbaar 
daarstellende den romp van een schip met eene kleine sloep 
op sleeptouw en daarom Batoe kapal genaamd. Hierachter 
begint het tweede gedeelte van het derde distrikt en valt de 
voet van de eenen bergketel vormende bergketen als eene 
steile afhelling in zee, waardoor het gezigt op deze plaats zeer 
belemmerd wordt; de bovenste laag echter bestaat, even als 
de bovenste laag der genoemde muren, uit kleiaarde, of lie- 
ver berggruis. De losse steenen zijn stukken van kwarts, glim- 
mende brandlei, zuivere klompen zwavelkies, deels verweerd en 
dus met kristallen van zwavelzuur ijzer vermengd, gedeeltelijk als 
kristallen uit het gesmolten metaal afgezet en vermengd met zwa- 
vellood. Ik vermeen, dat deze laag zwavelijzer een nest vormt 
in de steenkolenbedding analoog aan de Waldenburger beddingen. 
Ook vindt men er stukken van leisteen en graauwakke. Het 
strand is bedekt met kiezel. Hier staat het huis van ee- 
nen Arabier, een hadji, welke vergunning heeft gekregen, 
daar ter plaatse goud te zoeken. Het huis, ongeveer 10 
schreden van het strand verwijderd, was gesloten; in de 
voorgaanderij echter zag men eenige kisten met verweerd zwa- 
velijzer. Voor dit huis was een tweede , waar zich de mijn 


104 


bevond, waaruit deze Arabier het zwavelijzer groef. Deze 
mijn was, naar opgave van: den orang toewah, welke mij 
vergezelde, 5 vademen diep en had van boven. eene bemetselde 
opening van omtrent 4 D voet; zij. was met naar ijzer sma- 
kend water opgevuld. De naast deze mijn liggende uitge- 
worpen grond bestond uit kies, ijzerlei en plastische thoon ; 
buiten haar had men nog eene put gegraven, waarvan het 
water ook een’ iijjzersmaak had, terwijl in den omtrek van 
het huis randjoes geplaatst waren. 

Dit tweede gedeelte is van eene geringe uitgestrektheid , en 
achter hetzelve begint het derde of laatste gedeelte, alwaar de 
muurachtige, bij 100 voeten hooge bergafsnijdingen zich her- 
halen ; ook hier was de volgorde der lagen als vroeger-en de 
stapeling horizontaal. Digt bij zee wordt het leigesteente vas- 
ter en in dit laatste lagen groote blokken leiporphier, ver- 
mengd met kristallen van kwarts, ijzerkwarts en de reeds 
vroeger genoemde metalen; dit gesteente wordt batoe mas, ook 
batoe tambaga genaamd, en de geheele landstreek is hierhaar 
genoemd. 

Zeer wenschelijk is een nader onderzoek naar steenkolen, 
aangezien de brandlei toch gewoonlijk het dak uitmaakt der 
steenkolen, welke hier in het vlakke gedeelte zouden moeten 
opgespoord worden. 


Rivier van Hila. 


tTerugkeerende van Loehoe, maakte ik een tweede uitstapje 
van Hila langs de rivier, welke zich in de nabijheid van het 
fort met vele krommingen in noordwestelijke rigting in zee 
stort en met. regt een bergstroom genoemd mag worden, 


uithoofde harer groote en plotselinge opzwellingen, waardoor _ 


reusachtige rolsteenen, die in sterke tegenstelling met de anders 


ondiepe rivier zijn, medegevoerd worden. De ‘monding is wijd 
en sedert eenige jaren zeer vergroot, terwijl de werkelijke 


mond iets verlegd is. | 
Terwijl het land aan de kust van Ceram door langzame 


105 


bezinking ontstaan is, vertoont zich de omtrek dezer rivier 
integendeel plutonisch. In den mond dezer rivier en aan 
het strand bestond het gesteente uit porphier en trachiet. De 
groote stukken waren door tras verbonden. De oevers der 
rivier worden aan den mond gevormd door afgebrokene- 
bergzijden van geringe hoogte, welke naar boven met steile 
bergafhellingen en naar hooge muren gelijkende bergafsnij- 
dingen, welker bovenste laag uit kleiaarde met berggruis be- 
staat, afwisselen. Onder deze Ïagen bevinden zich nu eens 
kalk- en dan weder leiformaties. De kalk vertoont zich als te 
zamen gehoopt kalkzand, mergel, druip- , en tufsteen, hier en 
daar eene grot vormende. De lei kwam altijd beneden het 
kleiachtige berggruis voor en zij maakt de gewone onderlaag 
van de door de rivier doorsnedene bergen uit. Daar waar de 
kleiaarde tot aan de rivierbedding nadert, was zij door ijzer 
rood gekleurd, meer of minder hard, met eene bijzonder 
groote hoeveelheid kristallen van metalen vermengd. Slechts op 
eene plaats heeft zij het voorkomen van zuiver iijzeroker. De 
lei was meer of min door de werkiag van het vuur veranderd, 
Jeiporphierachtig. Verder vond men blaauwe ijzerleiaarde , lei- 
steen, welke nu en dan met groote hoeveelheden van kwarts 
doordrongen was (leiporphier), in zijne spleten en in de 
massa zelve tinsteen bevattende, welke met kristallen. van 
eene als goud schitterende, purpere of zilverwitte kleur een 
prachtig aanzien aan dit gesteente gaf. Op de spleten der 
steenen zijn deze kristallen van 1 tot 2 strepen dik. Verweerd 
en met veel ijzer verbonden, doortrekt de tinsteen verder in 
_dikkereaderen het overige leigesteente. De afhelling dezer aderen 
van erts was onder eenen hoek van omtrent 35 à 45 graden. 
Waar de lei meer met kwarts vermengd was, vertoonde zich op 
de breuk bismuthoker als een geel beslag en wel voornamelijk op 
tensvormige schubkristallen. Er kwamen ook groote stukken van 
roodijzerkwarts en zwarte amphibole voor. De door de rivier 
medegevoerde rolsteenen zijn aanvankelijk minder groot, maar 
worden naar boven toe reusachtig en het is vreemd, op welke 
“Wijze eene zoo ondiepe rivier zulke groote steenen heeft kun- 


k 


nen medevoeren; de meesten waren rond, enkelen waren ba- 
zaltpilaren van Î0 tot f5 voeten lengte en 2àá voeten diame- 
ter. Dit gesteente behoorde grootendeels tot de leiformatie en 
was porphier- en trachietachtig. De kleinere leirolsteenen, in 
den mond van derivier waren rijk bezet met bovengenoemde kris- 
tallen en geheel en al van dit metaal doordrongen; naar boven toe 
worden zij grooter en bevatten meer kwarts. Men vindt er 
stukken leisteen, graauwakke, kwarts en roodijzerkwarts, waar- 
op zich eene menigte kleine rooskleurige kristallen bevindt. 
Tegenover deze met kwarts doormengde lei liggen aan de oe- 
vers eenige stukken bolus. 

Hoe meer ik den oorsprong der rivier naderde, des te _ 
reusachtiger werden de amphibolische steenen, welke uit _ 
porphier- en trachietachtigen pechsteen bestonden, waarvan 
de kleinere stukken door een onzuiver en geel tras tot 
rolsteenen verbonden zijn, hebbende het tras zelf een zwa- 
velachtig voorkomen. Deze zwarte amphibole was nueens meer 
porphier-, en dan weder meer trachietachtig, lava herin- 
nerende; enkele stukken geleken op hoornblende, andere klei- 
neren op obsidiaan. Ook dit gesteente was met tinsteen door- 
drongen. | 

De rivier is in den regel niet meer dan een halve el 
diep, maar rijst tot 4 en meer voeten, vooral op die 
plaatsen , waar door het reusachtige puimgesteente , natuurlijke 
sluizen en watervallen gevormd worden. De stroom is sterk 
en het water heeft eene blaauwgrijze kleur, is melkachtig, 
doch zuiver van smaak. In zijnen loop neemt deze rivier slechts 
eenige kleine kreken op, welke nu eens eenen waterval over 
hare rotsachtige wanden vormen, dan weder steil over rol- 
steenen zich daarin uitstorten; slechts eene enkele is van meer 
aanmerkelijke grootte. 5 
_ Het ware wenschelijk et anelek de rivier tot aan haren oor- 
sprong op te gaan, en wel des te meer, daar mij door eenige in-_ 
_ boorlingen werd kenbaar gemaakt dat er boven eene solfatara be- 
staat. Volgens beschrijving van den heer Roorpa van Eisinca eene 
uitbarsting aldaar plaats gehad hebbende, is misschien deze sol- 


106 


107 


fatara daardoor gevormd. Het was mij echter onmogelijk den 
ouden krater dien dag te bezoeken, aangezien deze te ver ge- 
vorderd was en ook de medegenomene gidsen verzekerden, dat 
de oorsprong der rivier voor den avond niet te bereiken zoude 
zijn. Dien tengevolge keerde ik, na van des morgons % tot des 
namiddags 3 uur de rivier te zijn gevolgd, naar Hila terug, 
waar ik ten S ure aankwam, zoodat het onderzochte gedeelte 
eene uitgestrektheid van 4 uren gaans zal bedragen. 

Door dit mijn eerste uitstapje overtuigd, dat het opsporen 
van den oorsprong der rivier meer hulpmiddelen dan de mijne 
vorderde, zag ik van eenen tweeden togt af en keerde naar 
Amboina terug. 

Ten slotte moet ik hier nog bijvoegen , dat ik bij het inzen- 
den dezer bijdrage aan de Natuurkundige Vereeniging, foutief 
had medegedeeld, dat het tingehalte van enkele tingronden 70 
tot 77 procent bedraagt. Deze opgave is overdreven en moet 
zoo verstaan worden, dat het moedergesteente ongeveer 10 
procent erts bevat, en de erts 70 tot 77 pCt. tin (vergelijk dit 
tijdschrift Jaarg. IL p. 669). 


KWIKMIJNEN OP SUMATRA, 


DOOR 


GG. WASSINK. 


Toen eenige jaren geleden de rijkdommen van Californië en 
nu zeer onlangs van Sydney ontdekt werden, steeg er een kreet 
van verwondering op van zoodanig prikkelend en betooverend 
vermogen, dat duizenden uit alle deelen der wereld derwaarts 
snelden, en alles trotseerden om een’ hartstogt te bevredi- 
gen of bot te vieren, die door de meestal overdrevene of 
ongerijmdste verhalen uit die landen tot eene ongehoorde 
hoogte was opgewekt. | 

Onder zulke omstandigheden, waarin zelfs de bedaardste mensch 
niet dan van gouden bergen droomde, kon het niemand ver- 
wonderen, dat onze landgenooten door den handel eenig voor- 
deel zochten te trekken van den toestand waarin Californië zich 
bevond. Meer verwondering heeft het evenwel gebaard, te ver- 
nemen, dat sedert dien tijd de reeds zoo lang sluimerende Hol- 
landsche spekulatiegeest is beginnen te ontwaken en wat daarbij 
opmerkingswaardig is, ten voordeele onzer eigene bezittingen. 

Ik meen dezen gelukkigen ommekeer of beter verandering 
te mogen toeschrijven: ; 

ΰ. aan den geest des tijds, die thans meer dan ooit leert, om 
niet dan na rijp beraad, zelfs dan nog met de meest mo- 
gelijke voorzigtigheid, het zegel zijner bewondering te hech- 
fen aan hetgeen van verre en uit den vreemde komt, al 
heeft dit vreemde voor ons Hollanders nog zoo veel aan- 
lokkelijks , en derhalve tevreden te wezen, met datgene, 
wat voor de hand ligt. 


109 


go, Aan het gouvernement van Indië, hetwelk met alle zijne 
beschikbare middelen het belang der partikuliere in- 
dustrie bevordert en ondersteunt. De koncessie tot het aan- 
leggen en bewerken van tinmijnen op het eiland Blitong aan 
partikulieren, is alleen het gevolg van een van gouvernements- 
wege bevolen onderzoek naar de geologische gesteldheid 

__ van dat eiland door den ingenieur van het mijnwezen den 

heer Corns. pe Groor, terwijl verdere onderzoekingen door 
deskundigen naar den bodem van eenige plaatsen op Java, 
Borneo , Sumatra en Celebes zijn gelast. Onder een vrij- 
gevig gouvernement als het tegenwoordige, lijdt het geen’ 
twijfel of de koncessie van Blitong zal een opwekkend voor- 
beeld zijn tot andere ondernemingen en exploitatiën van 
schatten, die welligt weinig behoeven onder te doen voor 
die van Californië en Sydney. 

Is het ons niet reeds in jeugdigen leeftijd geleerd, dat hef 
schoone, door de natuur zoo rijk bedeelde Sumatra schatten 
gouds, koper en ijzer, dit laatste gelijkstaande in hoedanigheid 
met het Zweedsche , bevat ? 

De wijze les: „zoekt en gij zult vinden ,’ wacht dus slechts 
op hare toepassing. Misschien dat het volgende berigt, het- 
‘welk mij door eene hooggeschatte handis toegezonden, de ge- 
dachte toepassing eenigermate zal bespoedigen. | 

‚, Dat Sumatra kwik produceerde, was sedert geruimen tijd 
‚„bekend. De aderen, die den erts (natuurlijke cinnaber) in het 
‚Maleisch „lingam” genaamd , bevatten, zijn gelegen in dis- 
„„trikten, die direkt onder ons gezag behooren. Daaromtrent 
„goede en zekere berigten in te winnen is bij de listige en 
‚> wantrouwende geaardheid, die den Maleijer kenmerkt, aan 
„zwarigheden onderhevig en vordert eene grondige kennis 
„van het volk, veel geduld en overleg. Het mogt den resident 
„der Padangsche bovenlanden, den onvermoeid werkzamen 
„en verdienstelijken luitenant-kolonel Van per Hart, gelak- 
„ken, inlichtingen te erlangen, die aan een daarop in te 
„Stellen onderzoek eene goede uitkomst beloofden. Nu ver- 
», zocht hij den heer Netrscrer, adsistent resident van Tanah Da- 


110 


‚tar, zich plaatselijk van de gesteldheid van zaken te overtui- 
„gen. Aan de onderneming waren vele moeijelijkheden en ge- 
„> varen verbonden. Wilskracht en bekwaamheid waren onont- 
„ beerlijke vereischten om tot een welgelukken te geraken. Het 
„behoeft niet gezegd te worden, dat de heer Nerscurr zijne 
„„zending goed volbragt.” 

„In het kort zij hier medegedeeld, wat mij daarvan mogt 
‚‚ter oore komen.” 

‚„De bekende ader, die zeer uitgebreid en verscheidene palen 
„lang is, wordt aangetroffen aan den voet van een’ op zich 
„ zelven staanden berg Goenong Soempoeng genaamd. Deze is ge- 
„„legen in de III Kotta's, welk distrikt, bij gelegenheid 
‚der invallen van de grensvolkeren op onze bezittingen in het 
„Jaar 1848 , bij ’s vijauds vervolging door onze troepen be- 
„„zocht, doch daarna weder verlaten werd. De cinnaber wordt 
„niet alleen op de oppervlakte der aarde gevonden, doch bij 
„„ingravingen verkrijgt men den rijksten erts. Op vijftien voet 
„diepte (dieper is men nog nict gegaan), treft men de lin- 
„gam, die tot nu toe door wassching verkregen is aan tot in 
„stukken van 5 à 6 thails zwaarte.” 

‚> De minst rijke grond, die aan de oppervlakte der aarde, 
„geeft bij wassching op een’ dag 6 en meer thails erts. Een 
‚, dag werks van een’ Maleijer bestaat uit slechts weinige uren 
‚van middelmatige inspanning, terwijl de overige uren met 
„eten, drinken, rooken enz. gesleten worden. Hieruitis af te 
„leiden, wat bij eene nijvere behandeling van eene rijkere grond- 
„laag te erlangen zou zijn.” 

‚In den handel komt de cinnaber en het kwik voor. Het 
„laatste verkrijgen de Maleijers door verdamping. Deze be- 
> werking is der vermelding waardig. De fijngemaakte lingam 
„doen zij in een’ gewonen aarden pot, gewoonlijk p.m. acht 
‚‚thails, en daarover een aarden deksel. Om de ontsnapping 
„van den damp langs de randen van het onvolmaakt sluiten- 
„de deksel tegen te gaan, wordt daar langs eene soort van 
„rijpe pisang, pisang-lidi genaamd, ingewreven. Hieronder 
„nu wordt een houtvuur gestookt en gedurende de bewerking 


| 


111 


id 


„9 à 4 malen het deksel afgenomen, waartegen het kwik zich 
„heeft gezet en dit daarvan met een wollen lapje afgeveegd. 
„In den pot blijft eene witte asch over. 

„Langs dezen zeer gebrekkigen weg, levert de erts 80°/% 
„zuiver kwik op. Dat eene betere bewerking meer opleve- 
‚‚„ren zou, lijdt geenen twijfel. Opgaven daaromtrent geven 
„volgens Gursourr 86,21 pCt. en volgens Sersrröm 86,29 pCt. 

‚‚De omstreken der mijn zijn onbewoond; de exploitatie is 
* „dan ook gering. De omstreken bevatten zeer rijke goudmij- 
‚‚„nen, waardoor de Maleijer met den geringsten arbeid over- 
‚vloed kan hebben; iets, dat hij niet waardeert. De rijke 
„ kwikader kan dusals het ware beschouwd worden als nog in 
‚, maagdelijken staat te verkeeren. Welke voordeelen aan eene 
„goede exploitatie daarvan verbonden zouden zijn is ligt nate- 
„ gaan.” 

‚Hoezeer de prijs van het kwik aan de Europesche markt niet 
„zeer hoog is en vele rijke kwikaderen te Idra, Carniola eu 
„, Almaden in Spanje en ook in Californië ontgonnen worden, 
„> Schijnt hetechter, dat de exploitatie toch aanzienlijke baten af- 
„werpt. Ik herinner mij ergens het navolgende daaromtrent 
‚gelezen te hebben. 

„In Californië werd eene kwikmijn geëxploiteerd, Eensklaps 
‚‚ klinkt de verbazende goudmare, en er was bijna geen arbei- 
„der meer te houden. Door het toeleggen van buitengewone 
„„loonen werden zij echter overgehaald, het zekere boven het 
„onzekere te verkiezen. De ondernemers konkurreerden dus 
„„als het ware tegen de rijke goudproduktie. Het mogt hun 
‚gelukken, die konkurrentie volte houden en nog steeds aan- 
» Zienlijke winsten uit hunne ontginningen te trekken.” 

„Uit het bovenstaande is dus gereedelijk af te leiden, dat 
„de exploitatie van het kwik op Sumatra eene uiterst winst- 
„gevende industriële onderneming zoude zijn. De natuur- 
„lijke rijkdom is dààr. Eenige Europesche en inlandsche 
s, werklieden zouden voor zekere matige loonen der onderne- 
ming wel hunne krachten leenen. Er blijft nu slechts één 
|» moeijelijkheid en deze is van veel gewigt. Hoe namelijk het 


k 


„kwik af te voeren? Eenige palen van de ader foopt de 
„rivier Batang hari, die zich later met den Djambi-stroom veree- 
» nigt, geheel bevaarbaar is en in acht dagen (dit is de tijd, 
„die de Maleijers er voor bezigen) kon zonder moeite het pro- | 
‚„‚dukt langs dien weg te Moeara kompeh worden aangebragt. 
‚Het terrein tusschen de kwikader en de rivier biedt geene 
„> moeijelijkheden aan tot het daarstellen van eenen goeden weg. 
„Het land echter tusschen de Batang hari en Djambi is niet 
„onder ons gezag, zoodat daardoor de afvoer zoude kunnen” 
‚‚ bemoeijelijkt worden.” 

Ter voorkoming van verkeerde uitlegging of gevolgtrekkin- 
gen teeken ik evenwel aan, dat bedoelde moeijelijkheden vol- | 
gens de meening van zaakkundigen behooren tot die, welke 
op eene gemakkelijke, niet kostbare wijze uit den weg te 
ruimen zijn. Uit de vermelde mijnen heb ik eene zekere hoe- 
veelheid kwikerts, en op de hiervoren genoemde wijze 
bereid kwik ontvangen, en het tot het doen van onderzoek 
in handen gesteld van den iijverigen en kundigen chemist, 
den heer Scuarrer, die de goedheid zal hebben, het resul- 
taat zijner onderzoekingen zoo spoedig mogelijk bij wijze van 
aanhangsel op dit berigt openbaar te maken. 


112 


Batavia, den Îfden Maart 1852. 


BIJ D RAGE N 


TOT DE 


GEOLOGISCHE EN MINERALOGISCHE KENNIS 


VAN 


NEDERLANDSCH INDIE 


DOOR 


De Ingenieurs van het Mijnwezen in Nederlandsch Indië (1). 


EE. 


‚ CHEMISCH ONDERZOEK VAN ZWART ZAND EN EEN 
ZWART MINERAAL VAN DE ZUIDOOSTKUST VAN 
BORNEO EN POELOE-LAWUT. 


DOOR 


O.E.U J.J. HUGUENEN. 


In den loop van de maand December 1850 werd mij door 
den heer Corxs. pe Groor eenig zwart zand, en eene zwarte 
vaste mineraalmassa ter onderzoeking overhandigd. Zand en 
mineraal waren hem aangeboden door den heer W. June, 
welke het op het zeestrand te Pagattan en Poeloe Lawut had 
aangetroffen en verzameld. In een’ brief, welke deze voorwer- 
pen vergezelde, deelde genoemde heer Inne mede, dat het 


(1) Onder dezen algemeenen titel zullen achtereenvolgens openbaar ge- 
maakt worden de resultaten der natuurkundige werkzaamheden van de heeren 
ingenieurs van het mijnwezen in Nederlandsch Indië. De Bijdrage van den 
‚heer Corxs. pe Groor over Bawean, in den vorigen jaargang opgenomen, 
is als de eerste dezer verhandelingen te beschouwen. 


HIL, Gj 


114 


zand, tilaanijzerzand door hem genoemd, waarmede het in ui- 
terlijk aanzien vrij wel overeen kwam, zeer waarschijnlijk ont- 
staan was uit het verbrokkelen van den vasten erts door de gol- 
ven der zee. 

Ik heb ook inderdaad geen verschil hoegenaamd, behalve den 
aggregatie-toestand, tusschen het zand en den erts kunnen vin- 
den; slechts waren meerdere zeezandkorrels bij het eerste ge- 
mengd. Beiden zijn afzonderlijk door mij kwalitatief onderzocht, 
en wat hieronder van het zwarte zand vermeld staat is ook 
op den erts volkomen van toepassing. 

Met het mikroskoop gezien , bestond het zand uit afgeronde 
gladde korrels van ongelijke gedaante en bruinachtig zwarte kleur 
met metaalachtigen vetglans; de korrels waren volkomen glanzend 
zwart, en onder de honderden, welke door mij naauwkeurig 
bezigtigd zijn, heb ik eene kristalachtige gedaante aan slechts 
twee korrels waargenomen, namelijk de octaëder. Zij waren te 
onvolkomen en de hoeken en kanten te veel afgerond om eenige 
bepaling van het stelsel, waartoe zij behoorden te veroorloven. 
Bij 29° C. was het spec. gewigt 4,561. 

Het zeer fijn gemaakte drooge poeder was bruinachtig zwart, 
waardoor het reeds dadelijk van titaanijzer afwijkt. Voor de 
blaaspijp in de oxydatievlam waren de korrels onveranderlijk , 
doch een hevig reduktie-vuur rondde de kanten eenigzins af. 

Het zeer fijne poeder met borax en phosphorzout in de oxy- 
datie-vlam behandeld , hadden de parels, warm zijnde, de beken- 
de ijzerkleur; bij de bekoeling werden zij groenachtig, en 
geheel koud fraai groen. De kleur was bij de phosphorzout- 
parel helderder, dan die van de borax ; deze laatste was meer 
geelachtig. In de reduktie-vlam had men dezelfde verschijnse- 
len ; de geheel bekoelde parel bezat de intensief schoon groene 
kleur , welke zuiver chromiumoxyde aan de glasvloeden me- 
dedeelt. 

Alhoewel de groene kleur der borax-parel in de oxydatie- 
„en reduktie-vlam allen twijfel omtrent het aanwezen van chro- 
mium weg nam, is ten overvloede een deel der zeer fijn 
gemaakte stof in een’ platinalepel met soda en salpeter zamen- 


115 


gesmolten. De gele zoutmassa, in water opgelost en gefiltreerd, 
liet op het filtrum een bruingeel poeder achter, dat zoowel 
voor de blaaspijp als langs’ den natten weg slechts de reaktiën 
van iijzer gaf. 

Volgens een kwantitatief onderzoek van den heer RosrT van 
TONNINGEN, die binnen kort omtrent dezen erts meerdere berigten 
zal mededeelen, is het op 100 deelen aldus zamengesteld, 

23,434 chroomijzer. 
63,550 ijzeroxyde en oxydule. 
9,771 zand en 
2,987 aluinaarde. 
Te zamen 99,742 
0,258 verlies. 


100,000; 


hamse 


waaruit volgt, dat de gevonden erts een mengsel is van iijzer- 
zand met chroomijzer. 

De heer Inne zegt betreffende de wijze van voorkomen het 
volgende: 

„Aan de zuidoostkust van Borneo, en wel bepaaldelijk aan 
„het strand in de nabijheid van Pagattan, even als aan de 
 „tegenoverliggende kust van Poeloe Lawut, vindt men eene zeer 
„aanzienlijke hoeveelheid zwart zand, hetwelk op het oog vol- 
‚maakt overeenkomt met het in de natuur zoo menigvuldig 
„voorkomende titaanzand. Het is niet algemeen langs het 
„Strand verspreid, maar wordt meer plaatselijk, eenige ellen 
„breed en een half el en meer dik opgehoopt, aangetroffen , 
| „en meestal uitgaande van een punt boven de hoogwaterlijn 
„gelegen en breed op de grens van de laagwaterlijn ein- 
„digende. Dit alles scheen mij bepaald aan te duiden , dat 
„de erts, waarvan het zand afkomstig was, zeer nabij de 
„Vindplaats van hetzelve moest aanwezig zijn. Eenige gra- 
„Vingen op het strand te Pagattan leverden geen resultaat op. 
„Aan de kust van Poeloe Lawut was ik gelukkiger.” 


116 


„Op deze merkwaardige kust vond ik weder eene groote 
„hoeveelheid van het bovengenoemde zwarte zand, en op de- 
„zelfde wijze verspreid als te Pagattan het geval was. De 
„oorsprong of aanvang van de zandmassa verloor zich in een 
„naauw, in den kleiachtigen oever uitgespoeld hol, in het- 
„welk ik dan ook bij nader onderzoek de vaste ertsmassa vond, 
„ welke met het boveneinde slechts weinig boven den kleibo- 
„dem van het hol uitstak. Haar eenige voeten aan alle zijden 
„ontblootende, bleek het ten duidelijkste een depôt van zeer 
„grooten omvang te zijn.” 

Waarschijnlijk vindt men daar ter plaatse graniet, serpentijn 
of andere plutonische gesteenten als vaste bergmassa’s en zul- 
len ook andere metalen en mineralen bijv. platina en goud niet — 
afwezig zijn. De heer De Groot, die binnen kort deze streken _ 
zal bezoeken, zal daaromtrent zeker wel nadere berigten kunnen _ 
mededeelen. 


BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD. 


Chronologisch overzigt der vulkanische verschijnselen 
op Java, gedurende het jaar 1851. 


Het volgende overzigt der aardbevingen op Java in 1851, 
heeft de redaktie te danken aan den heer J. Haarman Jcz. Het 
sluit zich aan dat, voorkomende in het Natuurkundig tijdschrift, 
Îste deel, bladz. 463, hetwelk loopt over het jaar 1850. 
__ De heer Haarman heeft slechts van twee aardstortingen in 

het jaar 1851 , namelijk op den 13den en 1Î6den Januari, 
melding gemaakt gevonden (Javasche Couranten N°. 11 en 14), 
en deze waren van weinig aanbelang. 


6D je cle 5 E © 
È eit E ES eve 5e 
Aardbevingen. > zeis on 
pe ele) Se { © OB 
se En D == . € 
= ad 2 5 & > A 
NEER lee Deet une ereen naer Th obers "Batt eee 
k 24 Jan. | Ter hoofdplaatse Ke- 
| diri: drie kort op 
elkander volgende 
vrij hevige schokken, 
voorafgegaan door een 
onderaardsch ge-| Z. 0. 5 uur LK, 14 
druisch. namidd. 
4 Mei. | Te Batavia: ligte;Horizontaal.| 34 uur Nat. Tijds. 
schokken, gedurende namidd. II. 180. 


eeniges"konden, De- 
ze werden meer ge- 
voeld in de Lampongs 
gedurende 5 minuten 
op hetzelfde uur , bij 
windstilte en hooge;Horizontaal. 8 u. 8m. (N.M, +4d. 46 


zee. 89 gr. Fahr. Z.W.-N.0. 
29 Aug. | Te Batavia: ligte 

schok. 2 2u.53m.'N.M.+3d.f Nat. Tijds. 
| 29 Sept.| In het zuiden van namidd. II. 523. 


Banjoemas. Ook in 
zee, in de nabijheid|Z.0.-N.W.\ Vroegen 3d. —E.K. 83 
der kust. Vertikaal. | morgen. 

| 


30Okt. | In de residentie 
hevige schok. Horizontaal. 8u. ’sav. B. K. +1d. 84 


(Banjoemas; een vrij 


N 
118 | 


De heer Haarman drukt den wensch uit, dat de chronolo- 
gische overzigten mogen vervolgd worden van de vulkanische 
gebeurtenissen in de bezittingen buiten Java, die vroeger in 
het Zdschrift voor Nederlandsch Indië, het Natuur- en Ge- 
neeskundig Archief voor N. Indië en het Indisch magazijn me- 
degedeeld zijn, welke wensch ook is die der redaktie. 


Aardbevingen in de Molukken in het laatst van 1851. 


Volgens de Javasche Courant van den 1Îden Februarij j. 1. 
zijn op den 97sten Augustus en den Ssten Oktober 1851 te 
Ternate eenige schokken van aardbeving gevoeld. 

Te Amboina en in de afdeelingen Saparoea, Haroeko, Hila 
en Larieke hadden, volgens dezelfde Courant van den 21sten 
Februarij j.l, in den nacht van den 20sten November 1851 
twee schokken van aardbeving plaats, welke geene schade heb- 
ben aangerigt, De officier van gezondheid íste kl. te Amboina, 
de heer J. HarrzreLp, heeft aan den chef der geneeskundige dienst 
in Nederlandsch Indië, omtrent deze laatste aardbeving de vol- 
gende bijzonderheden medegedeeld. 

In den nacht van den 20sten op den 2ísten December 1851 
ten Íf ure 55 min., werd te Amboina eene hevige doch kort- 
durige aardbeving waargenomen, die alle gedurende dit jaar 
plaats gehad hebbende schokken in intensiteit overtrof en eene 
vertikale rigling scheen te hebben. Tien minuten later volgde 
een tweede, doch minder hevige schok. Beide schokken 
werden voorafgegaan door een duidelijk waar te nemen onder- 
aardsch geraas, veel overeenkomst hebbende met het geluid 
van den donder. Op de ziekte-konstitutie had dit natuurver- 
schijnsel , althans tot op den datum der mededeeling (29 Nov.), 
geenen merkbaren invloed gehad. Het volgende is een extrakt 
van het meteorologisch journaal, gehouden te Amboina op den 
20sten November 1851. 


119 


Pifferentiaal thermometer: 
smorgens ten 6 uur: droog 24.8; nat 
’ 5) 9 1 7 28.8 ’ 
is namiddags. „ 3, PEREN 705 Ae 
’s avonds It CE BER ri Der 
Barometer ’s nachts omtreeks ten 12 uur, 753 m.m.; wind- 
rigting den geheelen dag westelijk. 
Wolkformatie: 's morgens cumulus; ’s middags nimbus; ’s nachts 
stratus. 
Regen: van ’s namiddags 3 tot ’s nachts ÎΣ uur stortregen. 
Onweder : ’s namiddags 3 uur, matig onweder in het westen. 


Lo 


bo ro 
Pe ED ie 


be 
dit 


Aardbeving in westelijk Java en zwidelijk Sumatra 
op den Îden Januari 1852. 


In de residentiën Bantam en Batavia, de afdeeling Buitenzorg 
en in de Lampongsche distrikten zijn, in den namiddag van 
den Oden Januarij Il. , even na 6 uur, eenige schokken van 
aardbeving gevoeld, waaromtrent de volgende bijzonderheden 
zijn aangeteekend. Ei 

Te Batavia hadden, met tusschenpozingen van verscheidene 
minuten, twee vrij zware en eenige minder sterke schokken 
plaats, welke echter, voor zoo ver bekend is, geene schade 
hebben te weeg gebragt. Een der schokken moet geweest 
zijn ten 6 uur 9 minuten, daar eene astronomische klok van 
KNeBeL op dat tijdstip is stil blijven staan. Eene andere 
astronomische klok werd ook gestopt en de eerstgenoemde is 
niet zonder de hulp van den instrumentmaker weder aan den 
gang kunnen gebragt worden. De gang van eene derde as- 
tronomische klok, die van Houwu NO. 12, is bij die gelegen- 
heid 3 sekonden versneld. Men meent uit het aangevoerde te 
„mogen besluiten, dat de aardbeving in oostelijke en westelijke 
rigting heeft plaats gevonden. 


120 


Te Buitenzorg was de schudding ook vrij hevig, zonder even- 
wel schade aan te rigten. 

Te Tjiringin (Bantam) voelde men drie zeer zware schok- 
ken en vier ligtere, kort op elkander volgende, en een’ circa 
twee minuten aanhoudenden. De rigting was van het oosten 
naar het westen, terwijl een zwaar onderaardsch gedruisch 
zich deed hooren. De eenige schade, door dit natuurverschijn- 
sel veroorzaakt, was het instorten van de kap van het dak van 
den ouden mohammedaanschen tempel. 

Te Serang (Bantam) is een vrij hevige schok waargenomen, 

Te Telok betong (Lampongs) had, volgens de opgave van den 
militairen en civielen gezaghebber den heer J. E. H. Jucu, de aard- 
beving plaats omstreeks ten 6 u. 25 m. Het was stil, doch 
had des morgens een stijve n.o. en des middags een stijve 
n. w. wind gewaaid. Het weder was droog; de thermome- 
ter teekende 81 gr. Fahr. De aardbeving duurde ruim 3 mi- 
_nuten. De schokken waren horizontaal en hevig, met twee 
kleine tusschenpozingen. De rigting scheen van het z. w. 
naar het n. o. te zijn. De gebouwen in het algemeen heb- 
ben geleden. Des avonds ten 8 ure ruischte de zee meer dan 
gewoonlijk, hoewel de vloed reeds een’ aanvang had genomen. 
Het water steeg op eens zeer spoedig; kleine vaartüigen, die 
niet vlot lagen, werden in beweging gebragt. De zee daalde 
daarop even spoedig en steeg vervolgens weder hooger en spoe- 
diger. Dit verschijnsel herhaalde zich eenige malen. De stij- 
ging der zee is echter niet hooger geweest dan de hoogste 
stand bij de hoogste vloeden. De thermometer wastoen reeds 
gedaald tot 78° Fahr. 


Aardbeving inde residentiën Madioen en Kediri en in 
de afdeeling Patjitan, den Qlsten Januari 1852. 


Te Kediri zijn op den 27sten Julij jl. des morgens ten zes 
ure, eenige schokken van aardbeving gevoeld, voorafgegaan door 
een onderaardsch gedruisch in de rigting van het zuidwesten, 


en eindigende met een’ zwaren schok, welke evenwel geene 
schade aan de gebouwen heeft toegebragt. 

In de residentie Madioen werden op gezegden datum, des 
morgens ongeveer zeven ure, insgelijks eenige schokken van 
aardbeving waargenomen, in de rigtiug van het oosten naar 
het westen, en in de afdeeling Patjitan gingen zij verge= 
zeld van een dof onderaardsch geluid (Javasche Couranten van 
11 en 21 Februarij 1852). 


Koffij-thee. 


In de Astrea, Tijdschrift voor Schoone Kunst, Wetenschap 
en Letteren, 9de Aflev. bladz. 285, komt volgend artikel voor 
omtrent de in den laatsten tijd meer ter sprake gebragte koffij- 
thee, welke artikel hier eene plaats gegeven wordt, om de 
aandacht der belanghebbenden daarop meer algemeen te vestigen. 


„Wij gaven onlangs te kennen, dat het ons aangenaam zou 
zijn , nosrgaals op het gewigtige onderwerp der koffij-thee terug 


te zullen kunnen komen. Dit is thans het geval, daar de ge- 


achte Leidsche hoogleeraar Bruur ons ter plaatsing toezond 
den brief, door hem, reeds voor nagenoeg twaalf jaren, be- 
trekkelijk deze aangelegenheid, aan den toenmaligen minister 
van koloniën geschreven. 

Die belangrijke missive volgt alzoo hieronder. Overigens 
hebben wij nu ook het oorspronkelijk schrijven van den En- 
gelschen scheikundige Garpner (Augustus 1845) onder het oog 
gehad, en daarin de voorstellen gevonden, door dien vreem- 
deling aan onzen vereerden landgenoot gedaan, doch door de- 
zen, geheel onbaatzuchtig, van de hand gewezen, als liggende 
het enkel in het plan van den hoogleeraar Brume, om zijn we- 
tenschappelijk denkbeeld uitsluitend ten voordeele van Nederland 


in praktijk te zien gebragt, zonder daarbij eenig persoonlijk 


belang, van welken aard ook, in te mengen. De brief, die 


hat 


Kk 


122 


hier volgt, strekt daarvan ten overvloedigen bewijze. Intusschen 
twijfelen wij niet, of de eer der witwinding, welke de heer 
GARDNER zich zoo roekeloos aanmatigde, zal hem wel spoedig 
ontvallen, nu het wetenschappelijk publiek met de juiste toedragt 
dezer opmerkelijke zaak alome meer en meer volledig bekend 
begint te worden”. 


Leiden, den 14den Maart 1840. 


Aan den heer staatsraad J. C. Baup, 
Minister ad interim van Koloniën. 


Het onderhoud, hetwelk ik de eer had, ongeveer acht da- 
gen geleden, met uwe excellentie over onderscheiden voor- 
werpen van kultuur op Java te voeren, noopt mij, om aan 
het door uwe excellentie uitgedrukt verlangen te voldoen, en 
mijne denkbeelden over een en ander nader uit elkander te 
zetten. Ik doe dit des te liever, daar ik bij ondervinding weet, 
hoezeer de voortgang en uitbreiding der kultuur in de Neder- 
landsche bezittingen uwer excellentie ter harte gaan, en hoe 
groot het aandeel is, hetgeen haar aan den hierdoor thans zoo 


bloeijenden toestand onzer Oost-Indische koloniët, volgens _ 


mijne overtuiging , toekomt. 

Tot de takken van kultuur, welke in de laatste jaren op 
Java, voorzeker niet zonder een, van den beginne af aan, veel 
belovend vooruitzigt gedreven, en diensvolgens van regerings- 
wege krachtdadig ondersteund zijn, behoort vooral die van de 


thee. Het is dan ook buiten twijfel, dat dit nieuwe produkt _ 
voor onze koloniën bij voortduring de meeste belangstelling 
verdient, omdat bijna geheel Europa en de Vereenigde Staten _ 
van Amerika daarvoor aan China, als het ware, cijnsbaar zijn — 
geworden en jaarlijks onmetelijke schatten betalen, terwijl geen 
ander handelsartikel zooveel toebrengt, om den koophandel 
„Teven bij te zetten. Nogtans verschilt het klimaat en de ge-— 
steldheid van den grond op Java en in andere gedeelten van 
den Indischen Archipel zoo zeer met die streken van China, , 


ne nd 


123 


waar deze belangrijke kultuur vooral te huis behoort, en van 


_ waar de beste theesoorten alleen afkomstig zijn, dat er bij mij 


f 
| 
| 


groote twijfel bestaat, of men wel ooit er in zal kunnen sla- 
gen, om op Java eene soort van thee te produceren, die zich 


door hare goede hoedanigheid in den handel kan staande hou- 


den, en of die kultuur aan de van regeringswege daartoe be- 
steede sommen zal beantwoorden. Dan dit daargelaten zijnde, 
blijft het desniettegenstaande eene zaak van groot gewigt, zoo 
men in Nederlandsch Indië, al is het dan ook slechts eene 
mindere kwaliteit van dit produkt, in zeer groote hoeveelheid 
en tot een’ bijzonder lagen prijs, kan aankweeken. Immers, 
de grootste konsumptie van dit artikel bepaalt zich juist tot de 
mindere en goedkoopere soorten. Nu hebben bij mij eenige, 
wel is waar slechts op eene zeer kleine schaal ondernomen, 
proeven genoegzaam de overtuiging doen geboren worden, dat 
wij tot de produktie van zoodanig eene mindere kwaliteit van 
thee, die evenwel nog voor den handel geschikt is, en daaren- 
boven veel goedkooper dan de minste soorten, die uit China 
worden aangevoerd, kan geleverd worden, het geschikte plant- 
gewas alreeds in de Nederlandsche koloniën, en dat wel in 
zulk een buitengemeen grooten overvloed bezitten, dat, zoo 
mijne waarnemingen bevestigd mogten worden, dan ook nood- 
wendig de voor het hemelsche rijk tot dusverre zoo voor- 
deelige produktie van thee tot in hare grondvesten zal worden 
geschokt. Dit zal bij uwe excellentie geen nader betoog be- 
hoeven, wanneer ik herhaal, dat de bladen van den Arabi- 
schen koffjboom mij daartoe bijzonder geschikt voorkomen, van 
dien boom, waarvan de invoering op Java aânvankelijk zoozeer 
is tegengewerkt, en die thans de hoofdbron van den voorspoed 
èn der Nederlandsche koloniën, en van den handel van het 
moederland geworden is. Ik ben tot deze waarneming ge- 
leid geworden door eene zeer belangrijke ontdekking van 
onzen bekwamen en verdienstelijken scheikundige, den heer 
G. J. Morprr, hierin bestaande, dat de eigenlijk werkza- 
me stof, die in de koffij en thee is hevat, niet, zoo als 
men tot dusverre geloofde, van elkander verschillend, maar 


124 


volkomen dezelfde is, en, voor zoover bekend, alleen in deze 
beide produkten, welke zoo algemeen onder alle beschaafde 
volkeren als dagelijksche drank zijn aangenomen, wordt aan- 
getroffen. Ik zou te wijdloopig worden, indien ik nu uwer 
excellentie uit een zetten wilde, hoe ik door deze ontdekking 
op het denkbeeld ben gebragt, dat hetzelfde werkzame beginsel, 
men moge het coffeine of theïne noemen, ook in de bladeren 
van den koffijboom aanwezig kan zijn, zoo als zulks door de 
gemaakte proefnemingen buiten allen twijfel is gesteld. Alleen 
moeten deze proefnemingen, gelijk ik boven reeds aanmerkte, 
uit hoofde van de moeijelijkheid, om mij eene genoegzame hoe- 
veelheid koffijbladeren uit onze warme kasten aan te schaffen, 
nog als te ontoereikend beschouwd worden, om reeds nu da- 
delijk met zekerheid te bepalen, dat de thee, uit de bladeren 
van den koffijboom bereid, ín alle opzigten voor den handel 
geschikt zal zijn. Dit moet door herhaalde, en vooral op eene 
groote schaal aangestelde proefnemingen nog nader worden be-_ 
vestigd. Men mag evenwel uit de daadzaak, dat hetzelfde 
werkzame beginsel in de bladeren van den koffijboom, even 
als in die van de theeplant vervat is, a prior eene gunstige 
gevolgtrekking opmaken, ofschoon het niet te ontkennen valt, 
dat de bereiding van beide planten vermoedelijk zekere wijzi- 
gingen zal dienen te ondergaan, zoo als zelfs reeds het geval 
is met de verschillende soorten van thee, die in China van 
hetzelfde gewas gewonnen worden. 

Door al het gezegde geloof ik de bevreemding, die het door 
mij aangevoerde noodwendig bij uwe excellentie verwekken 
moest, eenigermate te hebben weggenomen, terwijl daaren- 
boven nog andere, meer of min algemeen op Java bekende 
daadzaken, strekken kunnen, om mijne vooronderstelling, dat de 
bladeren van den koffijboom ter bereiding van eene voor den 
handel geschikte theesoort kunnen dienen, te bevestigen, en 
daarom verdient hier kortelijk te worden aangestipt: 

ΰ. Dat de geringere klassen der Javanen algemeen de bla- 
deren van den koffijboom, even als wij de thee, tot drank 
gebruiken, en men niet kan vooronderstellen, dat zij daartoe 


125 


aan deze uitheemsche plant de voorkeur zouden geven, indien 


hun een daartoe geschikt gewas, dat op Java te huis behoort, 


bekend was. 


20, Dat zelfs de tegenwoordig met de theekultuur belaste 
ambtenaar JacoBsoN, die, zoo ik mij niet vergis, in der tijd 


j door de Nederlandsche handel-maatschappij als theeproever 
| naar China is uitgezonden, zich door den resident van Kra- 
wang met thee, uit de bladeren van den koffijboom bereid, 
j zoozeer liet misleiden, dat hij, JacoBsoN, verklaarde, dat de 
hem daarvan tot herhaalde beproeving voorgezette thee , voor- 
zeker tot debeste soort behoorde, die tot dusverre op Java 
gewonnen was, wel te verstaan van de uit China ingevoerde 
\ theeplant. 


Doordrongen van het gewigt eener zaak, waaruit, zoowel 


| voor onze koloniën, als voor het moederland de gewigtigste | 
| uitkomsten kunnen voorspruiten, durf ik uwer excellentie des 
| te meer aanraden, om haar tot het onderwerp van een 
grondig onderzoek te maken, daar zulks zonder eenig bezwaar 
| voor den lande zou kunnen geschieden. Daarbij komt het mij 
echter raadzaam voor, om de geheele zaak met de meest mo- 
| gelijke geheimhouding te behandelen, zoowel hier te lande , 
als in Nederlandsch Indië, en de bereiding der thee uit koffij- 
| bladeren op Java zelf aan zoodanige personen op te dragen, 
| die tot de aldaar bestaande theekultuur volstrekt in geene be- 
| trekking staan. Alhoewel dit onderzoek hier te lande alleen 
jn het klein kan plaats hebben, zou het echter der moeite 
| waard zijn, om het ook hier door eenige onbevooroordeelde 
| personen te laten voorzetten, daar, in allen gevalle, deze proef- 
| nemingen uitkomst kunnen geven, welke analogie er tusschen 
de thee, uit koffijbladeren bereid, en die van den Chineschen 
\ theeheester, bestaat; of die van het eerstgenoemde gewas in 
j hare phijsische en chemische eigenschappen met de in den han- 
| del voorkomende geringere soorten van China-thee genoegzaam 


overeenkomt, zoodat men gegronde hoop mag voeden, om 


j daarvan partij te kunnen trekken. Het lijdt bij mij geen twij- 


| fel, dat eenige kundige mannen, alleen om het belang der zaak, 


en zonder op eenige belooning aanspraak te maken, van re- 
geringswege met deze taak zich gaarne zullen belast zien. 

Ik eindig met de verzekering, dat, zoo uwe excellentie 
daarin belang stellen mogt, ik gaarne mijne opmerkingen over _ 
eenige andere voorwerpen van kultuur, die, mijns erachtens, _ 
voor onze Oost-Indische bezittingen geschikt zijn, aan haar zal _ 
mede deelen, terwijl ik de eer heb, mij, met gevoelens van 
ware hoogachting , te noemen: | 


C. L. Brume.” 


Tentoonstelling te Batavia te houden in 1853. 


Ten vervolge op het voorkomende in het algemeen verslag, 
aan het hoofd dezer aflevering geplaatst kan medegedeeld wor- 
den, dat de Vereeniging, overeenkomstig haar plan, het be- # 
heer der tentoonstelling overgedragen heeft aan de algemeene & 
kommissie, welke het haar gelukt is zamen te stellen, en dat \ 
de regering deze handeling heeft goedgekeurd. Van de vor-_ 
deringen dezer tentoonstelling zal van tijd tot tijd, bij nog be- & 
staand gebrek in Indië van een orgaan voor industrie en volks-_ 
vlijt, ín dit tijdschrift melding gemaakt worden. | 

Wij laten hier thans volgen het regeringsbesluit van 25 
Febr. 1852 No. 3, alsmede de cirkulaire van de kommissie 
tot het beheer der tentoonstelling van 6 Maart 1852. | 


Esxtrakt uit, het register der beslut 
ten van den gouverneur generaal 
van Nederlandsch Indië. | 


Batavia, 25 Februari 1852. 


Gelezen de missives: 
a. van de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië, 


127 


van 15 en 22 December 1851 en van {7 Februarij 1852 
No. 3; 

b. van de Kommissie tot het beheer der tentoonstelling te 
Batavia, van 17 Februarij 1853 lett. K. F. No. 1; 
De Raad van Nederlandsch Indië gehoord; 
Is goedgevonden en verstaan: 
Eerstelijk: Aan de kommissie tot het beheer der tentoonstel 
ling te Batavia, te kennen te geven, dat er bij het gouverne- 
ment geene bedenkingen bestaan. | 
10. dat eene tentoonstelling van Voorwerpen van industrie en 
volksvlijf uit den Indischen Archipel worde gehouden te 
Batavia in September 1853; f 

20, dat door de kommissie worde rondgezonden eene intec- 
kenings-lijst, ten einde de noodige gelden bijeen te bren-_ 
gen, tot bestrijding der uitgaven aan gezegde tentoonstel 
ling verbonden; en dat, indien de tentoonstelling een ba- 
tig saldo overlaat, zulks worde aangewend tot eenig nuttig 
doeleinde. 

Ten tweede: Aan de kommissie voornoemd, toe te zeggen, 
zoodanige hulp als zonder geldelijke uitgaven, noch stoornis- 
sen in de dienst, kan verleend worden. 

Ten derde: De gouverneurs en residenten op en buiten Java 
aad te schrijven , om het plan en doel der in September 1853 
te Batavia te houden tentoonstelling van voorwerpen uan in- 
dustrie en volksvlijt uit den Indischen Archipel, aan de be- 
volking bekend te maken en deze aan te moedigen om bijdra- 
gen in te zenden, alsmede om te bevorderen de verzameling 
en verzending van al de voorwerpen, welke kunnen bijdragen, 
om de volksvlijt en de produkten van de onder hun bestuur 
of invloed staande gewesten te doen kennen. 

Ten vierde: Te bepalen, dat zal worden verleend vrijdom 
van in- en uitgaande regten voor de voorwerpen, bestemd voor 
de tentoonstelling , afkomstig van buiten. Java. 

Ten vijfde: Te bepalen, dat het plaatsen in de Javasche 
Courant van berigten betreffende de tentoonstelling kosteloos 
zal geschieden. 


128 


Ten zesde: Aan de kommissie voornoemd toe te staan, om 
met de respektive autoriteiten op en buiten Java, door tus- _ 
schenkomst van den direkteur der kultures , officiëel te korres- 
ponderen. 

Ten zevende: Aan meergemelde kommissie te kennen te ge- 
ven, dat nadere voorstellen zullen worden afgewacht no- 
pens de verwezenlijking van het denkbeeld, om het reizen 
herwaarts en het verblijf alhier voor inlanders, die de ten- 
toonstelling willen bezoeken , van gouvernementswege te be- 
vorderen en gemakkelijk te- maken. 

Afschrift dezes zal worden gezonden aan den raad van 
Nederlandsch-Indië, tof informatie, en extrakt verleend aan 
den direkteur der produkten en civiele magazijnen, den direk- 
teur der middelen en domeinen, den direkteur der kultures , 
de algemeene rekenkamer, de gouverneurs en residenten op 
en buiten Java, de natuurkundige vereeniging in Nederlandsch 
Indië en de kommissie tot het beheer der tentoonstelling te 
Batavia, tot informatie en narigt. 


Akkordeert met voorschreven register. 
De eerste adjunkt-sekretaris van het gouvernement, 


DE WAAL. 


Cirkulaire van de kommissie tot het 
beheer der Tentoonstelling, te hou- 
den te Batavia in de maand Sep- 
tember van het jaar 1853. 


Eenigen tijd geleden werd het denkbeeld geopperd om de 
tentoonstelling, die in den loop dezes jaars te Arnhem zal 
plaats vinden, te verrijken met eene verzameling van indische 
voorwerpen. Dat denkbeeld scheen echter minder voor ver- 
wezenlijking vatbaar te zijn, zoo uit aanmerking, dat de tijd, 


129 


| die tot het verzamelen en verzenden dier voorwerpen beschik 
baar bleef, te kort werd geoordeeld , als voornamelijk , om- 
dat men het eigenaardiger en beter achtte, eene tentoonstelling 
van indische industrie en volksvlijt in Indië zelf, en wel ter 
hoofdplaatse Batavia , tot stand te brengen. 

De verbazende ontwikkeling, welke de handel en alle tak- 
ken van nijverheid in Europa, gedurende deze eeuw hebben 
ondervonden, is voor een groot gedeelte te danken aan de 
veelvuldige gelegenheden, door de tentoonstellingen, in bijna 
| alle landen van dat werelddeel , herhaaldelijk aangeboden, om 
j de voortbrengselen van verschillende oorden , de behoeften , den 
| smaak en de neigingen van vele natiën tot in de minste bij- 
| zonderheden te leeren kennen. 

Ieder kunstenaar, ieder industriëel, nam gretig zulke gele- 
| genheden te baat, om zijne schoonste kunstgewrochten of fa- 
| brikaten ten toon te stellen voor een publiek , dat met opmerk- 
zaamheid de werken van gelijken aard , maar door verschillen- 
j de personen of op onderscheidene wijzen voortgebragt, zou 
| vergelijken en beoordeelen. 

| Menige voortreffelijke en heilzame vinding werd langs dien 
j weg spoedig wereldbekend en tot hoogere volmaaktheid ge- 
| bragt, terwijl eene matige konkurrentie uit vreemde landen , 
| door de tentoonstellingen opgewekt, zeer veel heeft bijgedra- 
| gen tot veredeling van den smaak en tot ruimere, betere en 
| goedkoopere voorziening in de behoeften der verschillende na- 
| tiën. | 
|___In weerwil van veler pogingen , om kennis te verspreiden 
| van de landen en volken, die tot den Indischen archipel 
| behooren, is die kennis nog uiterst beperkt: voor het minst 
\ zeer ver van algemeen. 

De ondergeteekenden , doordrongen van het groote belang 
eener meer algemeene bekendheid met den aard, den trap van 
j beschaving, de vatbaarheid en de behoeften der indische be- 
| volkingen en van den rijkdom dezer landen, hebben zich in kom- 
|_missie vereenigd, ten einde eene tentoonstelling van voorwer- 
} pen van industrie en volksvlijt uit den Indischen archipel, in 


k 
180 


de maand September 1853, te Batavia tot stand te brengen en 
te besturen, in de overtuiging, dat dit middel het zekerst en 
snelst tot het voorschreven doel zal leiden. 

De indische regering heeft hun daartoe gereedelijk de ver- 
eischte magtiging en hulp verleend, bij besluit van den 2östen 
Februarij jl. no. 9, houdende onder-anderen verlof, om eene 
inteekeningslijst rond te zenden, ten einde de noodige gelden 
bijeen te brengen tot bestrijding der uitgaven aan gezegde ten- 
toonstelling verbonden; met vrijlating, om indien de tentoon- 
stelling een batig saldo over laat, zulks aan te wenden tot 
eenig nuttig doeleinde; — aanschrijving aan de gouverneurs 
en residenten op en buiten Java, om het plan der tentoon- 
stelling aan de bevolking bekend te maken en deze aan te 
moedigen om bijdragen in te zenden, alsmede om de verza- 
meling en verzending te bevorderen van al de voorwerpen, 
welke kunnen dienen om de volksvlijt en de produkten van 
de onder hun bestuur of invloed staande gewesten te doen 
kennen; — voorts bepaling, dat vrijdom zal worden verleend 
van in- en uitgaande regten voor de voorwerpen, bestemd 
voor de tentoonstelling, afkomstig van buiten Java. 

De kommissie vleit zich, dat eene zaak, welke het algemeen 
welzijn geldt en getuigt van zucht naar vooruitgang en van be- 
langstelling in de Indische volken , ook algemeen zal worden 
toegejuicht en ondersteund. Zij heeft gemeend, dat eene zoo- 
danige zaak behoort te worden tot stand gebragt geheel buiten 
bezwaar van ’slands schatkist, de hoop koesterende, dat dit 
gevoelen bijval zal vinden. 

De regering heeft van hare zijde gereedelijk de bescherming, 
en ondersteuning verleend , welke door de kommissie is ver- 
zocht. Met grond durven dan ook de ondergeteekenden ver- 
trouwen, daf die milde beginselen van het bestuur zullen wor- 
den gewaardeerd , en dat allen, die daartoe in de gelegenheid _ 
zija, door geldelijke bijdragen en verzending van voorwerpen, _ 
zullen willen medewerken om de tentoonstelling bevorderlijk te 
zijn of opteluisteren , opdat deze op eene ruime schaal kunne 


| 


| 


181 


plaats grijpen en de vruchten moge dragen, welke daarvan 
voor Nederland en Indië in de toekomst te verwachten zijn. 


De Kommissie tot het beheer der tentoonstelling te Batavia. 


S. D. SCHIFF, President. 

P. VAN REES, Vrce-President. 
W.J. VAN DE GRAAFF. 
Der. W. BOSCH. 

Jxur. R. G.B. DE VAYNES VAN BRAKELL. 
L. M. EF. PLATE. 

J. TROMP. 

B. J. WEIJMAR. 

E. A. SCHILL. 

A. A, REED. 

BP DIARD: 

Dr. P. BLEEKER. 

Ts BIE: 

E. W. CRAMERUS. 

P. BARON MELVILL VAN CARNBEE. 
A. FRASER. 

P. J. MAIER. 

CORNS. DE GROOT. 

C. DENNINGHOEF. 

C. T, DEELEMA N, 

A. S. GABRIEL. 

H. L. DEELEMAN. 

H.D. A. SMITS, Sekretarss. 


hd 


Geschenken van Boekwerken aan de Vereeniging. 


_ Die Infusionsthierchen als volkommene Organismen. Ein Blick in das tiefere 
organische Leben der Natur, nebst einem Atlas von 64 colorirten Kup- 
fertafeln von C. G. Enrexsere. Leipzig 1838 fol. (aangeboden door 
den heer H. A. Scuneuper). 

The Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia, edited by J. R. 
Locax. Vol. V. 1851. Singapore 8° (aangeboden door den heer J- 
R. Locan). | 

Commentatio de Systemate uropoietico piscium auct. A. J. D. SrrENsTRA 
Toussaint. Lugdun. Batav. 1835 4° (aangeboden door den heer Ds. 
A. J. D. Srzunstra Toussaint, Lid der Vereeniging). 


182 


Handleiding tot de kennis der geschiedenis, aardrijkskunde, fabelleer erz 
tijdrekenkunde van Java, door J. Hacrman Jez., deel IL. Kort begrip 
der algemeene geschiedenis van Java. Batavia 1852 8° (aangeboden 
door den heer J. Hacrman, Jez., Lid der Vereeniging). 

De sterrekundige plaatsbepaling in den Indischen Archipel en de maatre— 

„gelen op gezag van de minister van koloniën tot hare voorbereiding 
genomen, door F, Karser. Amsterd. 1851 89 (aangeboden door den 
heer S. H. pe Lancee, Bes'urend lid-der Vereeniging). 

Tijdschrift voor de wis- en natuurkundige wetenschappen uitgegeven door 
de eerste klasse van het koninklijk Nederl. Instituut. Dl. IV 1851 8e 
(aangeboden door de klasse voornoemd). 

Bijdrage tot de kennis der Plagiostomen van den Indischen Archipel door 
Dr. P. Breeken. Batavia 1852 4° (aangeboden door den schrijver). 
Bijdrage tot de kennis der Balistini en Ostraciones van den Indischen Ar- 
chipel door Dr. P. Brerken. Batavia 1852 49 (aangeboden door der 

schrijver). 


ERRATA Ide Jaargang pag. 521. 


141.23 lees: 145.23. 
106 u. 56m.2is. 1069 56° 51”. 


IEN MOUD. 


Aflevering L. 
Bladz. 
Algemeen verslag der werkzaamheden van de Natuurkun- 
dige Vereeniging in Nederlandsch Indië, over het jaar 
1851, voorgelezen in de 2de algemeene vergadering, 
gehouden den Áden Februari 1852 te Batavia; door 
Dr. P. Brereker, president der Vereeniging. : it 
Notulen van de algemeene vergadering der Natuurkundige 
Vereeniging in Nederlandsch Indië, gehouden op den 
Aden Februarij 1852 in de vergaderzaal van het Bata- 
viaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. . 17 


Naamlijst der leden van de Natuurkundige Vereeniging in 


Nederlandsch Indië, op den Aden Februarij 1852. 2 
Wetten van de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch 
Indië. Ld . e ® ® Ld e . . 25 


Scheikundig onderzoek van eenige op Java voorkomende 
minerale wateren, door P. J. Marrr. 
Mineraalwater Banjoe assin in het regentschap Poer- 
woredjo, residentie Bagelen. . 8 ï 4 la, 


De zoogenaamde witte stof, afgescheiden door het koche- 
__ nille-insekt, scheikundig onderzocht, door D. W. Rkosr 
VAN TONNINGEN. … . 3 4 fi : fi î . 39 


Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Sin- 
_ gapore, door Dr. P. Brrrken. … : hs à od 


Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Bli- 
ú tong (Billiton), met beschrijving van eenige nieuwe soor- 
FE ten van zoetwatervisschen, door Dr. P. Brereken. . 87 


Geognostisch uitstapje naar de zuidkust van Ceram, door 
‚C.F. A. Scaneimen. . : ; , ‘\ ‚101 


Ni 
Á 


__Bladz. 

Kswikmijnen op Sumatra, door G. Wassink. RS 

Bijdragen tot de geologische en mineralogische kennis van 

Nederlandsch Indië, door de ingenieurs van het mijn- 
wezen in Nederlandsch Indië. 

IL. Chemisch onderzoek van zwart zand en een zwart 


mineraal van de zuidoostkust van Borneo en Poeloe 
_ Lawut, door O. F. U. J. J. Huauenin. Rie veil 


Berigten van verschillenden aard. Re ten: 


Chronologisch overzigt der vulkanische verschijnselen op. | 
Java, gedurende het jaar 1851. . $ saf. sd 
Aardbevingen in de Molukken, in het laatst van 183t. 118 


Aardbeving in westelijk Java en zuidelijk Sumatra op den “ | 
Yden Januarij 1852. . p ' ê É É ‚ 119 


Aardbeving in de residentiën Madioen en Kediri en in de 
afdeeling Patjitan, op den 27sten Januarij 1852. _ _… 120 


Koffij-thee. 5 Ë î j > î stoer 
Tentoonstelling, te houden te Batavia in het jaar 1853 . 126, 


Geschenken van boekwerken aan de Natuurkundige Ver- 
eeniging in Nederlandsch Indië. …_ « «‚ 131 


NS 


P NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT àl 


NEDERLANDSCH INDIE, 


\ Trmar 


UITGEGEVEN DOOR Lof En LA A9 


DE NATUURKUNDIGE benede: 


NEDERLANDSCH INDIE. 


DERDE JAARGANG. 
Aflevering II & HEN. 


ee 


ata 
Sn 


„ 


an” 


BATAVIA, 
LANGE & OC 


BIJ D RAGE N 


TOT DE 


GEOLOGISCHE EN MINERALOGISCHE KENNIS 


VAN 


NEDERLANDSCH INDIE 


DOOR 


De Ingenieurs van het Mijnwezen in Nederlandsch Indië. 


EEE. 


EILAND BLITONG (BILETON), 


DOOR 


CORNS. DE GREOGOT. 


( Met kaarten en platen ). 


& 

De weinige tijd, welke ter mijner beschikking blijft, alvo- 
rens eene nieuwe reis te ondernemen, mag ik geene oorzaak 
doen zijn, dat het publiek onbekend zoude klijven met het- 
geen ik van het eiland Blitong kan mededeelen. Ik heb even- 
wel gemeend, de vrijheid te mogen nemen, om den vorm, waar- 
in ik deze mededeeling lever, ondergeschikt te maken aan dien 
„weinigen tijd. Tot mijn gemak zal ik daarom deze bijdrage in 
drieën verdeelen, als volgt: 
a. Wat bepaald betrekking heeft op de aan mij door de re- 
gering opgedragene zending. 
BE ILL | | 10 


” Ee 
es 


184 


b. Hetgeen ik in mijne aanteekeningen vind opgeteekend om- 
trent de geographie, en, 

c. Wat ik heb opgemerkt aangaande de geologische gesteld- 
heid des eilands. 


Wat bepaald betrekking heeft op de aan mij door de regering 
opgedragene zending. 


Den 15den April 1851 kwam ik te Soerabaja van het ei- 
land Bawean terug en vond bij mijne aankomst eene oproeping 
naar Batavia, waar ik den Î2den Mei, door het stoomschip Ko- 
ningin der Nederlanden overgebragt, aankwam. 

Z. K. H. Prins HenpriK per NEDERLANDEN (in Indië verte- 
genwoordigd door de heeren Joun EF. Loupon en VincenT BARON 
VAN Tuur VAN SEROOSKERKEN) had toestemming gevraagd tot 
het ontginnen van het eiland Blitong. 

In het laatst der maand Mei werd door het gouvernement 
aan mij opgedragen, bijgestaan door den aspirant-ingenieur den 
heer Huavenin, het mineralogisch onderzoek van het eiland Bli- 
tong, ter voldoening aan het eerste lid van art. 3 van het ko- 
ninklijk besluit van 24 Oktober 1850 No. 45. 

Tot de uitvoering van het onderzoek naar de regten van de 
bevolking op de aangevraagde gronden en de daaruitvolgende 
aanspraak op schadeloosstelling, werd de resident van Banka 
aangeschreven, om een ambtenaar aan te wijzen, zoo mogelijk 
plaatselijk op Blitong bekend en in staat om dat qnderzoek 
naar behooren te volbrengen. 

Den 12den Junij was ik met mijne uitrusting gereed en be- 
gaf mij dien dag met den heer Huavenin en de belanghebbenden, 
de heeren Louporx en BARON VAN TuirrL aan boord van Zr. Ms. 
stoomschip Etna, hetwelk ’s middags van den ÎÁáden op de 
reede van Muntok, Banka’s hoefdplaats, ten anker kwam. 

Van den tijd, dien de Etna in de wateren van Banka zich 
moest ophouden, maakte ik gebruik, omin de distrikten Soen- 
geislan en Toboali eenige tinstroomwerken te bezoeken en _ 
_ daarvan de bijzonderheden op te nemen; waarbij ik veel hulp- 


185 


vaardigheid mogt ondervinden van den kant der administrateurs 
van die distrikten. 

Door den resident van Banka werd tot bovenvermeld onder- 
zoek aangewezen de administrateur van het distrikt Jeboes, 
de heer H. L. van BrormeN WAANDERS. 

Nadat deze zich mede aan boord van de Etna had begeven 
en van Banka het een en ander was ingescheept, verliet het 
stoomschip in den vroegen morgen van den 27sten Junij de 
reede van Toboali, koers zettende naar de Tjiroetjoep op bs 
eiland Blitong. 

_ Dien dag, ’s middags ten 1£ uur, kregen wij de bergen en 
heuvels van Blitong in het gezigt en ’s avonds ten 94 uur lag 
de Etna voor de Tjiroetjoep ten anker. 

Den 2Ssten Junij ontscheepten wij zeer vroegtijdig, doch de- 
wijl de Etna 6 Engelsche zeemijlen uit den wal lag, landden 
wij eerst ten 10 uur nabij de woning van den depati. Door 
dit inlandsch opperhoofd werden wij met beleefdheid ontvan- 
gen en geleid naar het fort (op de kaart id hide als fort 
Tandjong Goenoeng). 

Binnen dit fort bevindt zich een houten huis, waarin wij 
aanvankelijk onzen intrek namen en dat ons tot hoofdkwar- 
tier heeft verstrekt gedurende den tijd, welken wij op het ei- 
land doorbragten. 

Reeds op den dag onzer ontscheping werd door een’ inlan- 
der het kerkhof te Tandjong Pandan aangewezen als tingrond 
te bevatten. Een onderzoek, in de nabijheid van dat kerkhof 
bewerkstelligd, bevestigde dat berigt en den volgenden dag hadden 
wij daaruit een staafje tin gesmolten, dat wij nu met zeker- 
heid wisten, dat van Blitong afkomstig was. 

Tandjong Pandan behoort tot de vallei der Tjiroetjoep. 
Zulks gaf mij regt om te vooronderstellen, dat in die vallei 
j ook op andere plaatsen stroomtinerts zou zijn afgezet. 

Om dit uit te maken, heb ik van Tandjong Pandan in eene 
noordoostelijke rigting, dwars door, al wat zich voordeed heen, 
gen pad laten hakken en daar op geschikte plaatsen door 
boringen en proefputten het onderzoek aangevangen. 


Ik had daarbij het voornemen, om, zoodra mijne vooronder- 
stelling bewaardheid was, onmiddelijk eene reis door het ei- 
land aan te vangen ter onderzoeking, hoe-de stroomtinerts was 
verspreid. 

De belanghebbenden zelven onderzochten die plaatsen, waar- 
van het gerucht zeide, dat zij tinerts bevatten. Tegen de helft 
der maand Julij was het genoegzaam zeker geworden, dat een 
deel der Tjiroetjoep-vallei zooveel stroomtinerts inhield, dat 
de mogelijkheid eener ontginning niet meer te betwijfelen 
viel. 

Het was toen, dat ik den belanghebbenden voorstelde, om, 
zoo het gouvernement daartoe magtiging wilde verleenen, voor 
hunne eigene rekening eene proefmijn te openen. 

Tot het openen dier proefmijn voor eigene rekening werd 
van hunnen kant besloten en verzoek gedaan aan het gouver- 
nement , hetwelk bij besluit daartoe de magtiging verleende. 

In de laatste dagen van Augustus kwamen 50 Chinezen als 
vrije werklieden, voor de tinontginning te Singapore gewor- 
ven, op Blitong aan. Slechts vijf weken na de bekomene 
magtiging werd het eerste tinstroomwerk, Prins Hendrik ge- 
naamd, geopend. Thans is het in volle werking. 

in het begin van September verliet de administrateur Van 
BLOEMEN WAANDERS, wiens zending was afgeloopen, het eiland. 
Deze heer heeft, gedurende zijn verblijf op Blitong, zich steeds 
beijverd, om zoo veel de aan hem opgedragene kommissie daar- 
toe tijd overliet, de belanghebbenden en dus ook het aan mij 
opgedragen onderzoek in het algemeen, van dienst tezijn. Het 
is mij eene aangename taak, die belangelooze medewerking on- 
der dankbetuiging hier te vermelden. 

Dewijl het meer en meer zich liet aanzien, dat de ontgin- 
ning van Blitong in de vallei der Tjiroetjoep zoude aanvangen » 
zoo had ik het hiervoren vermelde voornemen, om spoedig eene 
reis door het eiland te doen, vooreerst laten varen. 

De oostelijke lijn, waarvan, ik vroeger sprak, is door mij voort- 
gezet tot op Boekit Rauwes, waar ik in tinlooze gronden 
kwam en mijne rigting veranderde in die van ongeveer zuid 


187 


609 oost. Van die algemeene rigting hier en daar naar om- 
standigheden afwijkende, heb ik het onderzoek op en nabij die 
lija voortgezet tot bezuiden Goenoeng Kamoeroekan. Daar ge- 
komen, was ik in zoo verre met de vorming van deze vallei be- 
kend geworden, dat ik, bij den weinigen tijd, welke mij over- 
bleef , niet verder doorging met het hakken van voetpaden vol- 
gens eene bepaalde rigting en verder gebruik maakte van de be- 
staande. Alleen waar het noodig was, deed ik, wat ik ook 
vroeger bovendien had moeten doen, langs de riviertjes zooda- 
nig pad openen. 

Tot het laten openhakken van al die voetpaden, welker geza- 
menlijke lengte niet minder dan 50 palen bedroeg, was ik ge- 
noodzaakt, doordien de naar de kampongs geleidende paden mij 
niet met de TFjiroetjoep-vallei konden bekend maken en het ter- 
rein, over het algemeen, sterk begroeid is met grooten klein 
houtgewas. In den laatsten tijd van mijn verblijf op Blitong, 
heb ik, meestal in het gezelschap van de belanghebbenden, 
eene reis om en door eenige deelen van het eiland gedaan, 
ten einde het aanwezen van stroomtinerts ook op andere 
plaatsen, zoo mogelijk te bevestigen. Met den heer Huave- 
NIN begaf ik mij van het fort Tandjong Goenoeng overland 
naar de ‚kampong Sidjoek, waar de BARON van Tur en de 
heer Loupon, die over zee waren gekomen, zich bij mij _ 
voegden. Van Sidjoek overland uitgaande, deden wij ge- 
zamenlijk eene reis door en gedeeltelijk langs het noorden 
van het eiland, vervolgens door een deel der oostelijke kust- 
landen tot bezuiden de Soengei Lolo en keerden over zee te- 
rug naar de Tjiroetjoep. 

Na ons voor een’ tweeden togt te hebben uitgerust, onder- 
namen wij eene reis langs en door de wester-, zuider- en_00s- 


ter - kustlanden. Deze reis ondernamen wij gezamenlijk, in 


vier praauwen, langs de kust en, waar het noodig was, de 
rivieren opvarende, de oevers onderzoekende en kleine togten 
te land doende. 


Toen wij het onderzoek tot den zuidwesthoek hadden uitge- 


strekt en de afdeeling Blantoe hadden opgenomen, stak de Baron 


158 


VAN Tursu met een der praauwen over naar het distrikt Soen- 
geislan op Banka, welk distrikt en dat van Pankalpinang 
hij wenschte te bezoeken, in het belang der te aanvaar- 
den onderneming. De heer Huavenin, die aan koorts leed 
en daarom het overige der reis, waarvan het te voorzien 
was, dat het met vele ongemakken en ontberingen zoude ge- 
paard gaan en buitengewone inspanning zoude kosten, niet 
kon medemaken, ging van Tandjong Tambelan in eene sam- 
pang (klein visschersschuitje) terug naar Tandjong Goenoeng. 

Ik zette de reis verder alleen in gezelschap van den heer Loupon 

voort. Het doel van dien verderen togt was, om de Soengei 

Lingan en hare takken te onderzoeken en tevens om den 

vorm van de geheele. kust van Blitong op te nemen, waarom 

wij van de Soengei Lingan om de noordkust naar Tandjong 

Goenoeng zijn teruggekeerd. 

Dat deze reizen, welke ongeveer eene maand duurden, hun- 
ne ongemakken opleverden, zal de lezer kunnen nagaan, wan- 
neer ik mededeel, dat de door ons gebezigde praauwen geheel 
open waren en alleen eene tent, bestaande uit eene kadjang- 
mat, ons gedeeltelijk tegen den regen beveiligde, terwijl wij 
aan de nachtlucht geheel bleven blootgesteld. 

Op deze reis zijn noch boringen, noch proefputten gemaakt 
en heeft zich het onderzoek alleen bepaald tot den bovengrond. 

De uitkomsten van het onderzoek, zoo ver ik die voor het 
publiek wetenswaardig acht, zijn de volgende: 

a. Dat de hoofdvorming van het eiland Blitong, even als Ws van 
Banka, bestaat uit graniet en de geassocieerde bergsoorten. 

b. Dat, aangezien de hoofdvorming van Blitong graniet is en 
alzoo de begane grond over het algemeen uit graniet en 
de verweringsprodukten dier rotssoort bestaat, dit eiland 
een der onvruchtbaarste deelen uitmaakt van Nederlandsch 
Indië. 

c. Dat er veel en goede primaire ijzererts op dit eiland wordt 
gevonden en door de inlanders verwerkt; dat er ook 
kopererts op Blitong wordt aangetroffen, doch voor zoo 
ver mij bekend is, niet in eene noemenswaardige hoe- 


139 


veelheid, zijnde het mij slechts gelukt één geïsoleerd specimen 
te ontdekken op Tandjong Boeroengmandi; voorts, dat op het 
strand nabij Tandjong Boerongmandi, Fandjong Binga en 
Tandjong Tambelan, in groote hoeveelheid en in fijn verdeelden 
toestand, wordt aangetroffen , een mineraal, hetwelk mij voor- 
komt hoofdzakelijk uit ijzer en titanium- verbindingen te bestaan. 

d. Dat de stroomtinerts , afgezet op Blitong, afkomstig is van 
de heuvels van het eiland. 

e. Dat stroomtinerts in den bovengrond wordt gevonden, in 
het noorden bij Ajer Sinkeli en de Soengei Padang; in het 
oosten aan de Soengei Lingan, in het zuidwesten aan Ajer 
Mansira en in het westen aan de Soengei Doedat, Soengei 
Brang en Soengei Tjiroetjoep. 

f. Dat de stroomtinerts, op Blitong gevonden, van goede kwa- 
liteit is, zoomede het tin, daaruit verkregen. Eene uit- 
smelting, door den heer J. F. Lovupon uitgevoerd (in eenen 
blaasoven met houtskolen op gelijke wijze als op Banka, 
doch op kleinere schaal, hetgeen de uitkomst iets te min 
doet zijn), heeft tot resultaat gegeven, voor den erts van Tan- 
djong Pandan 45°/, en voor de koeliterts van het stroomwerk 
Prins Hendrik 67°/, tin. 

Twee andere onderzoekingen geven, de eene 65°), en de 
andere 59,2°/, tin. | 
Dat het tin van gelijke kwaliteit is, als dat van Banka, 
blijkt uit het onderzoek, verrigt door den hoogleeraar C. F. 
DoNNaApIEU, op verzoek van Z. K. H. Prins Henprik der Ne- 
derlanden. 
Dit onderzoek heeft doen zien, dat het specifieke gewigt 
was 7,27, terwijl de Íste bepaling gaf 99,373 
„ 2de „ 99,361 
„ dde si „ 99,375 


dus gemiddeld 99,370 scheikundig 
zuiver tin. Het tin, dat tot dit onderzoek heeft gediend, was 
op gebrekkige wijze uitgesmolten; er was in het geheel niet 
op gerekend, dat Prins Henprik zulks scheikundig zou laten 
onderzoeken. 


140 


g. Dat de stroomtinerts, zich in de vallei der Soengei Tjiroe- 
tjoep, op gelijke wijze heeft afgezet als op Banka en in de 
beddingen van vijf riviertakken, aan de belanghebbenden 
bekend gemaakt, in zoodanige hoeveelheid, dat zijne ont- 
ginning kan worden aanbevolen onder gunstige vooruit- 
zigten. f 

h. Dat, zoo ver mij bekend is, over het algemeen, veel en 
goed water op het eiland wordt gevonden, makende alleen 
een gedeelte van de afdeeling Boeding daarop eene ongun- 
stige uitzondering. 

t. Dat op het eiland Blitong weinig zwaar nóvsbins wordt 
aangetroffen , doch dat het overvloedig hout oplevert tot het 
branden van houtskolen voor de tinsmelterij; waartoe ook 

__de omliggende en bij Blitong behoorende eilanden groote- 
lijks kunnen bijdragen. | 


Hetgeen ik in mijne aanteekeningen vind opgeteekend omtrent de 
geographie van het eiland. 


De kapitein Morrr, in 1822 civiele en militaire kommandant 
van Blitong, heeft destijds een schetskaartje van het eiland ge- 
leverd, dat, wat den vorm der westkust betreft, vrij goed 
is en door dien officier naar zelf gedane opnemingen schijnt te 
zijn zamengesteld. De zuid-, oost- en noordkust en het bin- 
nenland met zijne rivieren en bergen, zijn blijkbaar daarop ge- 
bragt naar ingewonnen berigten. Tijdens mijn vertrek naar 
Blitong was dit kaartje, onverbeterd, het eenige, dat van het 
eiland bestond. 

De geologische kaart van het eiland Blitong, hierbij gevoegd, 
is vervaardigd naar de- kaart, welke ik op het eiland zelf heb 
gemaakt. De lengteschaal dier originele kaart is zestien maal 
zoo groot als die van de hierbijgevoegde. 

De gekleurde gedeelten zijn die, waarvan de geologische ge- 
steldheid tijdens mijn verblijf is bekend geraakt. Wat ik niet 
heb onderzocht, heb ik ongekleurd gelaten, dewijl ik be- 
ter vond, dat mijn arbeid later door anderen of misschien door 


141 


mij zelven zou worden aangevuld, dan dat ik, zulks doende naar 
ingewonnen berigten, mijn werk alleen in schijn meer volko- 
men aan het publiek zou aanbieden. 

Ik maak volstrekt geen aanspraak voor deze kaart op naauw- 
keurigheid, vooral niet voor wat de zuidkust aangaat tusschen 
Tandjong Penjabong en Tandjong Kemoedi, hoewel aan de opne- 
mingen en de zamenstelling , voor zooveel tijd, gelegenheid en 
middelen zulks toelieten, de meest mogelijke zorg is besteed. 
Het is de eerste kaart, die met eenige juistheid den vorm van 
het eiland Blitong doet kennen. 

De vorm van het eiland is, zooals de kaart doet zien, regel- 
matig en bijna een regthoek , waarvan de twee lange zijden 
noord en zuid loopen , terwijl de twee korte zijden zich oost 
en west uitstrekken. De Tandjong Roe en Tandjong Sianto en 
de Telok Boeding en Telok Balokh verbreken eenigermate die 
regelmatigheid. | 

De oppervlakte van het eiland heeft een’ inhoud van onge- 
veer 100 vierkante geographische mijlen. 

Zoowel van uit zee gezien, als wanneer men zich in het 
binnenland bevindt, heeft het uiterlijke voorkomen van Blitong 
eene zeer sterke gelijkenis op dat van Banka. 

Over het algemeen is het kustland laag en het binnenland 
eenigzins verheven en zachtgolvend. Te midden daarvan verhef- 
fen zich plotseling vrij steile op zich zelve staande heuvels en 
bergen, die over het geheele eiland zijn verspreid. 

De belangrijkste der mij bekende bergen zijn de Tadjem 
laki en Tadjem parampoean, de Lian, de Badau, de Agong, 
de Koebing, de Beloeroe, de Loeday, de Tebalo en de Boe- 
roengmaudi. Naar mijne gissing heeft geen dezer bergen 
eene hoogte van 1000 Ned. ellen. 

Het is op de hoogere deelen aan deze bergen en langs de 
rivieren , vooral aan hunnen oorsprong, dat men het weinige 
zwaar hout aantreft, dat het eiland oplevert. Van de door 
_ mij opgenomene rivieren zijn de Tjiroetjoep en de Lingan de 
voornaamste. Zooals op de kaart kan gezien worden, ontsprin- 
gen beide in het gebergte Tadjem, doch de Tjiroetjoep loopt 


142 


westwaarts en stroomt uit aan de westkust, terwijl de Lingan 
zich zuidwaarts rigt en aan de oostkust in zee valt. 

De Tjiroetjoep is over eene lengte van 10 palen en de Lin- 
gan over Í2 palen, van de monding afgerekend, bevaarbaar 
voor praauwen van 19 el lengte, 3 el breedte en 6 à 7 palm 
diepgang. Beide rivieren hebben eenen zeer kronkelenden loop. 

De Tjiroetjoep heeft eene breede monding en behoudt over 
eene lengte van 5 à 6000 el eene breedte van meer dan 120 
el, doch heeft weinig diepte. De Lingan heeft een vernaauw- 
den, ondiepen ingang, blijft over eene lengte van 6000 el eene 
gelijkmatige breedte van 100 el behouden en heeft binnen hare 
monding en zoover zij bevaarbaar blijft, bij eb, meer dan 4 
el water. De twee rivieren verdeelen het eiland in twee dee- 
len , waarvan het noordelijke het kleinsteen Y, kleiner is dan 
het zuidelijke. 

De rivieren, welke in Telokh Balokh uitloopen, heb ik niet 
kunnen opnemen, doordien de ingangen in vroegere jaren ver- 
sperd waren tegen het indringen der zeeroovers. 

Waar langs de kusten en rivieren de ware alluviale vor- 
ming is aangegeven, vindt men veelal mangleiboomen (rhizo- 
phoren). Voor zoover ik weet, bepalen zich de moerassige 
streken veelal tot de nabijheid der rivieren en hare takken. 

De kust van Blitong mag onherbergzaam worden genoemd; 
zij is omgeven door koraalriffen , zandbanken en klippen, waar- 
van sommigen zich vrij ver in zee uitstrekken. 

De stranden bestaan bij afwisseling uit rotsen, koraal, zand 
en modder. 

Door den luitenant ter zee den heer A. H. MoppeErMaN , des- 
tijds kommandant van Zr. Ms. schoener Aruba, welk vaar- 
tuig gedurende het onderzoek in de wateren van Blitong ‘was 
gestationeerd, is de reede der Tjiroetjoep , met de aangren- 
zende kust en eilanden opgenomen en de door hem vervaardigde 
kaart bereids door het bureau der zeekaarten te Batavia ge- 
drukt en verkrijgbaar gesteld. Aan de aanteekeningen van ge- 
noemden officier , op zijne kaart gesteld, ontleen ik het volgende. 


143 


„De kaart van de reede der Tjiroetjoep is trigonometrisch 
„opgenomen. Om haar aan andere opnamen te verbinden 
dient de navolgende ware peiling. 

„O0. hoek van het eiland Kalmambang z. 479 30’ o.; eiland 
‚„Kelamoa z. 86° 30’ o.; w. hoek van het eiland Rotterdam 
„z. 629 w.; eiland Gaspar n. 53° w.” 

„De riffen zijn meestal steil en derhalve niet aan te looden; 
„daarbij zijn ze moeijelijk te zien. Hoewel de meeste zorg is 
„aangewend, zou het om de aangehaalde redenen mogelijk 
„kunnen zijn, dat er nog riffen waren overgeslagen, voor bin- 
„nen de 12 vadem. 

„Tijdens het verblijf van Zr. Ms. schoener Aruba in de 
„oostmoesson, stond er met het hoogste water nooit meer 
„dan 10%, voet op het droogste der bank voor de rivier Tji- 
„roetjoep ; er was dan 6 à 7 voet verval. Men heeft gedu- 
„rende 3 à 4 dagen zulke getijden, waarop weder 8 à 10 da- 
„gen met doode getijden volgen, wanneer er niet meer dan f 
„à 2 voet verval is. Het schijnt, dat de hooge getijden niet 
„juist op de dagen van volle of nieuwe maan voorkomen. De 
„bank is rotsig met eene dunne laag zand er op. Het beste 
„drinkwater wordt met laagwater gehaald achter het fort Tan- 
„djong Goenoeng.”’ 


De bewoners van Blitong kan men gevoegelijk in drieën ver- 
deelen. 

1°, De bewoners van het binnenland, orang darat. Hun getal 
is met geene zekerheid op te geven; het wordt geschat op 
5000 zielen. 

20, De bewoners der vaartuigen, orang lawut; deze worden ook 
wel orang sekah genoemd. Zij bewonen ongeveer 100 klei- 
ne praauwen en hun aantal bedraagt ruim 400 à 500 zielen. 

3°, Ongeveer 150 vreemdelingen, die uitsluitend in de kampong 
Pandan wonen en meestal kooplieden zijn. Zij bestaan uit 
Linganezen, Boeginezen, Borneoten, Javanen, Palemban- 
gers en andere Maleijers, benevens enkele Chinezen. 

Bij de vreemdelingen moeten nog gevoegd worden 250 Chi- 


144 


nezen, welke op dezen oogenblik reeds worden gebruikt tot 
het ontginnen van stroomtinerts. 

De orang darat zijn goedaardig, behulpzaam, gastvrij, eerlijk 
en nijver, als hun de gelegenheid wordt aangeboden om iets te 
verdienen. 

Zij bewonen op palen gebouwde woningen, waarin de vloer 
gewoonlijk meer dan f el boven den grond ligt. De wanden 
en het dak dezer huizen zijn veelal van boomschors vervaar- 
digd. Deze woningen zijn in kleine kampongs vereenigd, die 
van 2 tot 10 huizen tellen. 

Hunne taal is het Maleisch en hunne godsdienst de Moham- 
medaansche, met vele bijgeloovige begrippen vermengd. Men 
vindt bij hen dienzelfden eerbied voor de graven, welke de 
meeste inlandsche volken onzer bezittingen kenschetst. 

Bij de schetsen, hierbij gevoegd, bevindt zich die van 
een graf op den top van den Goenoeng Tadjemlaki. Dit 
graf is de laatste rustplaats van een’ vorst, met zijne vrouw en 
zoon, terwijl ter zijde zijne kat ligt begraven. De naam van 
den zoon (zoo zegt de overlevering), was Tapsem, en daarnaar 
zou de berg zijnen naam dragen. Deze begraafplaats staat bij 
den inlander in een’ zeer sterken reuk van heiligheid; allen die 
met ons den berg, welke ongeveer 900 el hoog is, beklom- 
men , baden en offerden op het graf, waarheen zij, zoolang wij 
op den berg waren, hun gelaat onafgebroken hielden gekeerd. 

De orang lawut en een deel der strandbewoners, welke laat- 
sten meestal van den overwal afkomstig zijn, hebben een min- 
der goed karakter dan de orang darat. De orang lawut of orang _ 
sekah , brengen, evens als de hoklo’s of waterchinezen , het groot 
ste gedeelte van hun leven door aan boord van vaartuigen. De 
vaartuigen van de orang sekah, die zeer klein en niet zoo groot 
zijn als de gieken der Nederlandsche koopvaardijschepen, strek- 
ken aan een geheel gezin tot eenig verblijf. Het zijn kleine 
stevig gebouwde menschen, donkerder gekleurd dan de gewo- 
ne Maleijers. Zij hebben min of meer negertrekken in het gelaat 
en velen hebben eenigzins gekroesd haar. Zij spreken met eene 
rammelende vlugheid eene taal, welke, hoezeer eenige malei- 


145 


sche woorden bevattende, echter alleen onder hen wordt ver- 
staan. Hunne gesprekken zijn brommend en onaangenaam voor 
het gehoor, hetgeen, gevoegd bij hunne groote praatzucht, hun 
gezelschap niet zeer aangenaam maakt. 

Zij zijn bekwame duikers en visschers, waartoe zeker veel 
bijbrengt dat schelpdieren en visch voornamelijk hun voedsel 
uitmaken. Ook maken zij jagt op wilde varkens en herten, 
mede voor hun levensonderhoud; rijst eten zij, als zij die kun- 
nen krijgen en zij kunnen zonder letsel brak water drinken. 

Zoo ver mij bekend is, wordt door de orang sekah geene 
godsdienst beleden. Hun bedrijf is de tripangvisscherij en 
het verzamelen van agar-agar. Meermalen hebben zij zich 
aan zeedieverijen schuldig gemaakt, welke zij evenwel veelal 
pleegden enkel uit gewoonte. Er bestaat bij mij dan ook geen 
twijfel, of deze menschen zijn zonder veel moeite tot het goe- 
de terug te brengen, waartoe de ontwikkeling van handel en- 
nijverheid, die Blitong te wachten staat, zeker veel zal bijdra- 
gen; want het ontbreekt hen voornamelijk aan geregelden arbeid, 
waardoor zij in hun onderhoud kunnen voorzien. 

De politie, thans in handen van het inlandsch hoofd, is door 
diens geringen invloed zeer gebrekkig. Zoo deze met verstand 
en bedaardheid, met het oog op de verbetering dezer menschen 
wordt gehandhaafd, zullen die orang sekah hunne dieverijen la- 
ten varen en zeer bruikbare menschen worden. 

Van de vele eilanden, welke Blitong omringen, is alleen Men- 
danau bewoond, door 40 à 50 zielen, welker aantal onder de 
orang darat van Blitong is opgenomen. 

Het eiland Blitong wordt bestuurd door den depati Tsikra 
DI NINGRAT, die sedert vele jaren van het gouvernement eene 
bezoldiging geniet. Persoonlijk houdt de depati het grootste 
deel des eilands onder zijn beheer, terwijl het overige onder 
hem wordt bestuurd door ingebei’s. In het oostelijke gedeelte 
zijner landen heeft de depati eenen vertegenwoordiger, zijnde 
zijne volle neef Kr Acors Lorsson; deze woont in eene ‘kam- 
pong niet ver van de Boekit Poedas, nabij de Soengei Lingan. 
De depati en de ingebei’'s komen aan het bestuur bij erfop- 


146 


volging. De depati wordt bevestigd door de hooge regering 
van Nederlandsch Indië en de ingebei’s door het bestuur van 
Banka, onder welke residentie het eiland Blitong tot dus verre 
behoorde. 

Het eiland Blitong is dus, overeenkomstig het vermelde in- 
landsche bestuur, verdeeld in vijf af deelingen: 

Îste afdeeling, van den depati, 


2de pe „ __»„ ingebei van Sidjoek, 
dde ’ ’ ’ ’ ’ Blantoe , 
Áde , 13 Lb bb} bi Badau ’ 

5de 5 be, En „ Boeding. 


De depati woont in de hoofdkampong Pandan en de in- 
gebei’s bewonen in hunne afdeelingen kampongs, welke de na- 
men van hunne afdeelingen dragen. 

De kampong Pandan is de eenige, welke blijvend is. De 
kampongs Sidjoek, Blantoe, Badau en Boeding zijn het min 
of meer. Alle andere kampongs op het eiland hebben eene 
veranderlijke standplaats, te midden van het land (ladang), dat 
de inwoners der kampong bebouwen. 

De hoofdkampong Pandan is even binnen den mond der 
Tjiroetjoep, op haren regteroever, gelegen en bestaat uit eene 
vrij lange dubbele rei woningen, waarvan de meesten zeer slecht 
en onzindelijk zijn, zich in zoo ver ongunstig onderscheidende 
van de woningen in het binnenland. 

Op Tandjong Goenoeng (eene tandjong door de rivier gevormd), 
aan het einde der hoofdkampong, is op een uit ijzererts be- 
staanden heuvel het fort gelegen. Den top des heuvels heeft 
men tot den aanleg van het fort afgeplat en aan de rivierzijde 
eene borstwering laten staan, terwijl men den beganen grond aan 
de landzijde door palissaden heeft afgesloten. De wapening van 
het fort bestaat uit vier ‘oude ijzeren kanonnen, met rottan op 
stukken hout vastgebonden, welke in betere dagen tot affuiten 
hebben behoord. Twee dezer stukken zijn door schietgaten in 
de palissadering op de kampong gerigt, terwijl de twee ande- 
ren, op de borstwering geplaatst, de rivier en hare monding 
moeten bestrijken. Het gezigt, hierbij gevoegd, zal mede een 


147 


denkbeeld kunnen geven van deze wapening. Het fort bevat, 
behalve de vroeger door mij genoemde houten woning, welke 
voorheen door den depati werd bewoond, de woningen voor 
het garnizoen, dat tijdens mijn verblijf op het eiland bestond 
uit een Europeschen korporaal en twaalf Javaansche fuseliers; - 
deze woningen waren in zeer slechten staat. 

Water is binnen het fort niet te krijgen en moet aan den 
voet des heuvels worden gehaald. 

Van den landbouw der Blitonezen valt weinig te zeggen. 
Hij bepaalt zich tot het teelen van rijst, oebi mengaloi en 
oebi ketejla. De rijstteelt is alleen de drooge; natte rijstvelden 
(sawah’s) kent men op Blitong niet. Het te veld staande hout: 
gewas wordt neêrgehakt en genoegzaam droog zijnde verbrand, 
waarna men met een rond houtje openingen in den grond 
maakt, waarin eenige rijstkorrels worden geworpen. 

Naarmate de onvruchtbaarheid van den bodem grooter is, kan 
hetzelfde stuk grond slechts van eens om de acht tot eens om 
de twaalf jaren worden bebouwd, en dan nog is de opbrengst 
onaanzienlijk. 

De op Blitong geteelde rijst, kan dan ook niet voorzien in 
de behoefte der bewoners, welker aantal zoo gering is in verge- 
lijking der uitgestrektheid van het land. 

De bebouwde landerijen zijn allen door eene f,5 à 2 el hooge 
heining omgeven, tot bescherming tegen de wilde varkens. 

De verscheidenheid van vruchten is op Blitong zeer gering. 
Zij bepaalt zich tot de kalapa, de pinang, de pisang , de doe- 
rian, de nangka en de papaja; de hoeveelheid is mede zeer ge- 
ring. 

De gereedschappen, welke de Blitonezen gebruiken , zijn zeer 
weinig in aantal, zeer eenvoudig en worden bijna zonder 
onderscheid allen door hen zelven vervaardigd. 

Een groot deel der orang darat verstaat het bewerken van 
ijzer, van den erts af tot het afgewerkte voorwerp. 

Tot het herleiden van den iijzererts gebruiken de inlanders 
kleine blaasovens, waarin zij slechts eene geringe hoeveelheid 
te gelijk bewerken. Nadat de oven is ontstoken, laden zij dien 


148 


vol met houtskolen, waarop zij dan een paar handen vol ijzer- 
erts werpen, dat vooraf ter grootte van erwten is fijn ge- 
maakt. Vervolgens dekken zij de lading weder met houtskolen, 
voegen weder ijzererts toe en daarop weder kolen, naarmate 
zij veel of weinig ijzer noodig hebben voor hetgeen zij willen 
maken. Het ijzer halen zij met eene tang in een’ half vloei- 
baren toestand uit het vuur (even gelijk zulks in de ijijzer- 
werken uit een pudle furnace, poedeloven , komt). De lomp 
wordt eerst door zachte hamering tot een staafje gemaakt, 
dat een palm lang, een Ned. duim dik en ongeveer vijf Ned. 
duim breed is. Zoodra zij tot hun doel staafjes genoeg ijzer 
voorhanden hebben , brengen zij die twee aan twee weder in 
het vuur, waarna ze door hamering tot een staafje gewoon 
ijzer worden gemaakt. De aldus verkregen staafjes worden zoo 
noodig weder met twee of meer tot een gebragten daaruit het 
verlangde voorwerp vervaardigd. 

De parong (hakmes) en de bliong (bijl) door hen gemaakt, 
zijn vooral van zeer goede kwaliteit. Ook maken zij zeer goe- 
de spijkers. Over het algemeen zijn de voorwerpen, door de 
Blitonezen vervaardigd, vrij goed afgewerkt, vooral als men 
in aanmerking neemt, hoe gering hunne hulpmiddelen zijn. In 
de nabijheid van het gebergte Tadjem worden gindies (water- 
kruiken) gemaakt, van een’ bijzonderen vorm, die als uit de han- 
den van zulk een onbeschaafd volk komende, inderdaad fraai 
mogen worden genoemd. 

Verder levert het eiland voor den handel nog op: geel 
was, dammar en een weinig rottan; deze produkten, met het 
tin, de spijkers, de tripang en de agar-agar, zijn de artikelen, 
welke voor uitvoer kunnen dienen. 

De handel, welke op Blitong bestond, was zeer gering, doch 
zonder twijfel zal deze voor het vervolg geheel wat anders wor- 
den , dan het tot nu toe was en zeer zeker gaat het eiland, 
ook in dezen, eene ongekende ontwikkeling te gemoet. De be- 
palingen, door de regering omtrent dit punt te maken, zullen 
tot die ontwikkeling grootelijks aanleiding geven. De reede 
der Tjiroetjoep is de eenige, waarbij de handel op dit 


149 


oogenblik eenig belang kan hebben. Gelijk de boven ver- 
melde kaart van den heer Mopprruan doet zien, moeten sche- 
pen van aanmerkelijken diepgang nog al ver uit den wal blij- 
ven, en nabij het eiland Kalmambang ten anker komen ; min- 
der diepgaande vaartuigen echter kunnen in de rivier komen. 
Zoo is onder anderen Zr. Ms. schoener Aruba, die naar ik mij 
herinner ruim acht voeten diep gaat, de rivier ingeloopen en heeft 
aan den voet van fort Tandjong Goenoeng ten anker gelegen. 
De gemeenschap te land tusschen kampong Pandan en de overige 
deelen des eilands is, gelijk men vroeger zag, bij het niet be- 
staan van wegen, zeer gebrekkig. Ook die toestand zal spoe- 
dig ophouden , daar met het aanleggen van wegen dwars door 
het eiland, tot vereeniging der voornaamste punten, onverwijld 
zal worden aangevangen. 

Door een’ geachten vriend daartoe uitgenoodigd, laat ik hier 
volgen mijne herinneringen, van wat ik in het dierenrijk ont- 
moette en niet aantrof. 

Van de dieren welke voor het huisselijk leven van belang 
zijn, vindt men op Blitong nief: paarden, koeijen, karbouwen 
schapen en eenden. Daarentegen treft men er aan: honden, en- 


kele geiten, kantjils, wilde varkens, kippen , snippen, poe- 


jokh’s, poenei’s (groene wilde duiven), zeeschildpadden, weinig 
riviervisch, veel en zeer smakelijken zeevisch, oesters, inkt- 
visch , krabben, garnalen , en honishijen. 

Overigens heb ik er aangetroffen de rasse (Viverra rasse), zeer 
veel apen (waaronder den kleinen grijzen en den loetong), het 
spookdier (Tarsius spectrum), de topei (soort van Sciurus), 
tengiling, de bajan (perekiet), de serinditan, de tijong (Gracula 
religiosa), de helong (Haliaetus ponticerianus), krokodillen, le- 
guanen, gekko's, skinken , landschildpadden, verschillende soor- 
ten van slangen, witte, roode en andere mierensoorten (1), 


(1) Waaronder eene zwarte soort van buitengewone grootte. Deze mieren 


_ kwamen althans mij zeer groot voor. Sommigen, die ik zag, waren 3 centi- 


meters lang en hadden een’ zeer breeden kop; zij maken zeer groote wo- 
ningen, wier vorm het segment van een’ bol is, waarvan de koorde 4 à 
5 Ned. el en de pijl 1 Ned. el bedraagt. 

HI. 11 


150 


duizendpooten, huis- en boschschorpioenen, vele sprinkha- 
nen, waaronder van buitengewone grootte, wespen, vliegen , 
vlinders, muggen en springbloedzuigers. Geen enkel slakken- 
hoorntje heb ik kunnen ontdekken. 


Wat ik heb opgemerkt aangaande de geologische gesteldheid des 
eilands. 


Wat ik omtrent de geologie van Blitong hier zal laten vol- 
gen, kan alleen bestaan in eene opsomming van wat ik heb 
opgemerkt, bij het doen van mijn onderzoek naar stroomtin- 
erts. Het zal zich slechts bepalen tot die plaatsen, welke ik 
heb bezocht en van een groot gedeelte des eilands zal ik alzoo 
niets zeggen. Daar mij de geologische gesteldheid van ge- 
noegzaam den geheelen omtrek van het eiland bekend is, 
zoude het mij niet moeijelijk vallen, om uit hetgeen hier volgt 
een aantal gevolgtrekkingen te maken; ik zal mij echter daar- 
van zooveel mogelijk onthouden, even als van het generalise- 
ren van verschijnselen; dewijl bij het weinige, dat van Blitong 
bekend is, die bespiegelingen, bij hunne gewaagdheid, in miju 
oog toch zeer weinig waarde zouden hebben. 

Omtrent de physische gesteldheid des eilands en de hiernevens 
gevoegde kaart, is reeds het een en ander vermeld in het 
tweede gedeelte dezer bijdrage. 

De beteekenis der kleuren en teekens is op de kaart ken- 
baar gemaakt , waardoor de lezer op deze de belangrijkste daad- 
zaken kan vinden. 

Het valt al dadelijk in het oog, dat genoegzaam al het ge- 
kleurde de granietvorming aanwijst en deze is dan ook met 
kleine uitzonderingen , hierna te vermelden , de eenige vorming, 
door mij op het eiland aangetroffen. De kaart doet duidelijk 
zien , dat die granietvorming rondom het geheele eiland is 
gevonden en ik geloof dus met regt te hebben gezegd, 
„dat de hoofdvorming van het eiland Blitong bestaat uit gra- 
‚hiet en de geassocieerde bergsoorten,” 


151 


In die granietvorming treft men veel jongere eruptive gesteen- 
ten aan, voornamelijk veldspaathporfier (elvan) en ook op 
een paar plaatsen groensteen. Zij wordt gesneden door ver- 
scheidene kwartsaders en bevat op vele plaatsen ijzererts; 
ik ontdekte er ook twee tinvoerende aders. Even als in elk 
granietterrein, vindt men ook op Blitong, op vele plaatsen , 
de naakte onverweerde rots bloot liggende, meermalen in de 
zonderlingste vormen. Dit voorkomen ontstaat, doordien de za- 
menstelling van deze bergsoort, ongelijkmatig zijnde, zij hier 
meer daar minder voor verwering vatbaar is. Het gemak- 
kelijkst verwerende verliest zijnen zamenhang en wordt, zoo 
het bloot ligt, weggevoerd, terwijl harde kernen blijven 
staan. 

De hierbij gevoegde schetsen van den top van Boekit Melan- 
tin, van den top van Goenoeng Batoetoengal en van Goe- 
noeng Beginda , kunnen tot opheldering dienen van deze on- 
gelijke verwering van den graniet. De twee eerstgenoemde 
schetsen, vooral de eerste, illustreren tevens eene bijzonderheid, 
welke men in de granietvorming aantreft. Men vindt namelijk 
hier en daar, dat de graniet zich heeft gevormd in parallelo- 
pipeda, en dat de voegen zich hebben gevuld met een gra- 
nitisch cement, dat alhoewel, evenals de graniet, uit veld- 
spaath , kwarts en mica bestaande, niet dien grooten zamenhang 
heeft en niet zoo bestand is tegen de inwerking van de atmos- 
feer , als de graniet zelf. Algemeen gelooft men, dat dit 
voorkomen is toe te schrijven aan de krimping, welke heeft 
moeten plaats hebben bij de bekoeling ; terwijl men aanneemt, 
‚dat de voegen bij haar ontstaan van beneden op zijn aange- 
vuld. Wat van deze theorie ook juist of onjuist moge zijn, 
het verschijnsel bestaat, en men maakt daarvan in de graniet- 
groeven een zeer nuttig gebruik, om groote blokken te ver- 
krijgen ; waartoe men, bij het door middel van buskruid doen 
springen, de lading in de voegen aanbrengt. 

_ Op elken heuvel en schier op elke hoogte is de graniet 
bloot liggende en wel in groote massa op Tandjong Pandan, 
__Boekit Pajong, Boekit Rauwes, Goenoeng Batoe toengal, Boe- 


152 


kit Melantin, Goenoeng Kamoeroekan , Boekit Beganti, Boe- 
kit Goendoel , de heuvels welke den westelijken voet van het 
gebergte Tadjem vormen, Tandjong Binga en de voorliggende 
eilanden tot Tandjong Kelajan, Goenoeng Tebalo, Goenoeng 
Pramoean, Goenoeng Sekajoe, Goenoeng Moensang , Goenoeng 
Goentong , het voorgebergte Boeroengmandi, Boekit Poedas, 
de kust met de voorliggende eilandjes van Tandjong Selokkat 
tot Tandjong Kemoedi en van Tandjong Passang tot Tandjong 
Getah, de zuidwestkust vande afdeeling Blantoe, Poeloe Sari- 
boe, Poeloe Selio, Goenoeng Beloeroe, Goenoeng Beginda en 
Goenoeng Merantang. 

Zeer gewone graniet is die van Tandjong Pandan en Boekit 
Rauwes, terwijl die van Boekit Pajong, van Goenoeng Kamoe- 
roekan, van Boekit Begandi, Boekit Goendoel en de heuvels 
aan den westelijken voet van den Tadjem allen porfierische 
graniet zijn, met meer of min groote veldspaathkristallen, in 
den gewonen graniet besloten. 

De graniet van Goenoeng Batoe toengal, welke mede por- 
fierisch is, bevat zeer fraaije, groote veldspaathkristallen , glas- 
achtig , grijsachtig wit gekleurd en half doorschijnend. Derge- 
lijken graniet vindt men ook op Boekit Melantin. In den gra- 
niet van Goenoeng Batoe toengal vindt men, hoewel zelden, 
ophoopingen van hornblende, hoewel ik dit mineraal buiten 
die ophoopingen niet heb kunnen ontdekken, bevattende de gra- 
niet altijd zwart gekleurde mica. Aan de zuidzijde van Goenoeng 
Batoe toengal vond ik, op eene plaats, dat de porfierische 
graniet was overgegaan in een uit nagenoeg gelijke deelen chlo- 
riet en veldspaath, met zeer weinig kwarts, bestaand gesteente 
{protogine?); de gewone mica ontbrak daarin geheel. 

In eene put (nabij de kampong Paripin), ten westen en niet 
ver van Boekit Begandi gemaakt, bestond de onverweerde 
rots nagenoeg uit enkel veldspaath; het kwarts, dat zij bevatte, 
was onbeduidend en mica ontbrak geheel. 

Toen ik tot op 15 Ned. duimen in dat gesteente was gekomen , 
werd het minder veldspaathhoudend en trad de mica, doch in 
zeer geringe hoeveelheid, te voorschijn. Weinige Ned. duimen 


153 


dieper was dit gesteente vloeijend overgegaan in porfierachtigen 
graniet. Dezen overgang heb ik later ook op andere plaat- 
sen waargenomen. 

De graniet van Goenoeng Sekajoe is fijnkorrelig, op som- 
mige plaatsen ligt rood gekleurd, als wanneer er een mineraal 
in voorkomt, dat mij toescheen pijniet te zijn; de kristallen 
van dat mineraal waren evenwel niet duidelijk genoeg , om met 
zekerheid te zeggen, dat het pijniet was. Nabij de kampong 
Goenoeng salak, ten noorden van Goenoeng Kamoeroekan, had 
ik eveneens eenigzins rood gekleurden graniet aangetroffen , doch 
deze bevatte geene vreemde mineralen. 

De graniet van het voorgebergte Boeroengmandi is voor 

een gedeelte porfierachtige graniet en voor een ander gedeelte 
fijnkorrelige sijeniet, met talrijke ophoopingen van hornblende. 
De graniet van Goenoeng Beloeroe is zeer fijnkorrelig , par- 
fierachtig en bevat ophoopingen van veldspaath en mica; terwijl 
die van Tandjong Tambelan zeer hard en grofkorrelig is en 
ophoopingen bevat van het mineraal, waarvan ik vroeger ver- 
meldde, dat het in fijn verdeelden toestand werd gevonden, 
onder anderen ook op het strand nabij Tandjong Tambelan 
en, naar het mij voorkomt, hoofdzakelijk uit ijzer en titanium- 
verbindingen bestaat. 
_ Met een enkel woord heb ik gemeld, dater in den graniet 
van Blitong jongere eruptive gesteenten voorkomen en voorna- 
melijk veldspaathporfier (elvan), van welk gesteente men op 
vele plaatsen aderen in den graniet aantreft, als: op Tandjong 
Tikar, Tandjong Binga, aan de Soengei Padang, Tandjong Boe- 
roengmandi , enz. 

De Goenoeng Tadjemlaki levert een’ schoonen overgang van 
den porfierachtigen graniet, door veldspaathporfier, in kwarts- 
porfier, terwijl de top bijna geheel uit kwarts bestaat. De 
westelijke voet van dezen berg bestaat, zoo als gezegd is, uit 
porfierachtigen graniet. Deze gaat langzamerhand over in ligt 
rooden, fijnkorreligen graniet, welke op zijne beurt overgaat 
ineen geelbruin gekleurd veldspaathporfier. Het geelbruine 
_veldspaathporfier gaat over in een geel wit, minder digt; 


154 


dit laatste in een wit, zeer broos, hetwelk zeer ruw op 
het gevoel is, en dit wederom in een bruin gekleurd kwarts- 
porfier, hetwelk nabij den top overgaat in een gesteente, dat 
genoegzaam geheel uit kwarts bestaat. 

Groensteen heb ik aangetroffen op Goenoeng Tadjemla- 
ki. Deze was zeer digt. Voorts op Boekit Poedas, ‘waar 
hij pijriet inhield. De vindplaatsen van den iijzererts, door mij 
op Blitong opgenomen, zijn op de kaart aangewezen. Het is 
roodijzersteen (hematiet), van roodbruin tot zwartbruin gekleurd, 
soms zwak magnetisch; het komt voor in aderen, waarvan ve- 
len zeer zwaar zijn. De ertsen zijn over het algemeen zeer rijk, 
vooral die van de ader op den westelijken voet van Goenoeng 
Tadjemlaki. | 

Bezuiden Tandjong Binga, nabij Poeloe Kidjang, vindt men een 
konglomeraat van geringe uitgestrektheid , bestaande uit gerold 
kwarts, veldspaath, chloriet en ijzererts-fragmenten, de klein- 
sten te grootte van eene erwt, de grootsten als een duiven- 
ei. Op Tandjong Boeroengmandi, tegen over Poeloe Hendrik, 
treft men mede een konglomeraat aan, geheel verschillend van 
dat nabij Poeloe Kidjang. Voor een deel bestaat het uit zeer 
kleine gerolde stukjes kwarts, veldspaath en ijzererts, het ge- 
heel sterk door iijzeroxijde gekleurd; voor een ander deel dient 
het zoo even beschreven konglomeraat als cement, bevatten- 
de gerolde stukken zeer rijken roodijzersteen, waarvan de 
kleinsten ter grootte van eene vuist zijn, terwijl anderen ver= 
scheidene honderden Ned. ponden wegen. Op eene derde plaats 
eindelijk, dient mede het fijne konglomeraat als bindmiddel, 
doch de stukken hematiet zijn vervangen door groote brokken 
sijeniet, waarvan sommigen meer dan een kub. Ned. el meten. 


Er blijft mij thans nog over, met een enkel woord te spre- 
ken van den stroomtinerts en de wijze, waarop dat mineraal 
voorkomt. 

De stroomtinerts komt op Blitong voor in de kleine valleijen, 
waardoor de rivieren haren loop nemen; de afzetting hee 


dus plaats gehad tijdens het land, wat zijne hoogten en 
laagten aangaat, tamelijk gelijkvormig was met het geen wij 
nu zien. Men onderscheidt twee wijzen van voorkomen: 
19, dat hij op eenige diepte onder den beganen grond in 
eene laag wordt gevonden; 2°, dat hij in de koelit (den be- 
ganen grond) voorhanden is. De 2de wijze van voorkomen is 
alleen op sommige plaatsen oorspronkelijk; in de meeste ge- 
vallen is zij afkomstig van de fste en bijgevolg eene afzetting 
‚van lateren tijd. Dezelfde tinerts als die der stroombeddingen , 
is door mij gevonden in onverplaatsten grond (verweerden gra- 
niet) op den top van den Batoetoengal. 

De stroomtinerts op Blitong heeft, zoo als duidelijk zigtbaar 
is, aan den vorm van denerts, der veldspaath- en aderkwarts- 
fragmenten , welke met den erts van de stroombeddingen wor- 
den gevonden, slechts een gering vervoer ondergaan. De plaat- 
sen, waar de stroomtinerts wordt gevonden, zijn van elkander 
gescheiden door gronden, welke geen tinerts bevatten, waar- 
onder bergen van:ongeveer 900 Ned. el hoogte. 

Gelijk ik vroeger reeds meldde, heb ik op Blitong gevonden, 
dat de graniet op onderscheidene plaatsen, nabij den beganen 
grond, overgaat in een gesteente, dat bijna geheel uit veld- 
spaath bestaat en ik heb van dit veldspaath-gesteente in de 
stroomtinbeddingen stukken gevonden, waarin tinertskorrels 
waren bevat; geheel gelijk aan den stroomtinerts, welke in 
losse korrels wordt gevonden. 

De diepte waarop de stroomtinerts wordt gevonden is on- 
gelijk , doch niet aanmerkelijk, zijnde de diepstliggende tingrond 
aangetroffen op 5,05 Ned. el onder den beganen grond. 

Om een denkbeeld te geven van het terrein, waarin de stroom- 
tinerts wordt gevonden, laat ik hier volgen de grondlagen, 
in vier der proefputten aangetroffen. 


Ajer Makelingan. 


Ned. el. 
Wewarte-tuinaarde * ‚… ' 0,35. 


156 
| Ned. el. 
Stukjes graniet, kaöline, kwartskorrels en stukjes 
onverweerd veldspaath. b D 8 kb 1,50. 
Tingrond, bestaande uit korrels tinerts, kleine stukjes 
kwarts en een weinig kaöline. $ ì E 0,5t. 


Doode grond. 


Ajer Jambingan. 


Zwarte tuinaarde, modder en zand. … p je 1,50. 
Vaste, geelachtig-grijze klei. : : à 0,40. 
Kaöline, met onverweerde stukjes veldspaath en 
kwartskorrels. k : k 8 : : 0,60. 
Tingrond, bestaande uit korrels tinerts, stukjes kwarts, 
een weinig kaöline en eenige scherpe stukken 
aderkwarts, kwarts met toermalijn , chloriet en 
veldspaath. . : 6 & b ë é 0,30. 


Doode grond. 


Ajer Kloebi. 


Ned. el. 
Zwarte tuinaarde. É ; L } ; 0,60. 


Kaöline, met onverweerde beuijet veldspaath en 
kwartskorrels. é / £ ' : N 1,65. 


Tingrond; bestaande uit korrels tinerts, stukjes kwarts 
en een weinig kaöline. . N . 0,16 à 0,22. 


Doode grond. — 
Ajer Paripin. 


Ned. el. 

Zwarte tuinaarde, zand en modder. 8 k 1,65. 

Vuil grof zand. : 4 a 8 1,25. 
Kaöline met onverweerde Ale nn en 

kwartskorrels. ‚ Ù 4 : 6 4 2,25. 


157 


Tingrond; waarvan de zamenstelling en zwaarte 
niet is op te geven , wegens het ontijdig instorten 
der put. 


De drie eerste putten waren, om zooveel mogelijk het 
water te vermijden, te zeer op de helling der kleine val- 
leijen gemaakt , om daaruit te kunnen besluiten tot de 
diepte, waarop de tingrond in den bodem zal liggen, zeker 
veel dieper, dan hij in die putten is gevonden. De put aan 
Ajer Paripin, meer in den bodem gemaakt, kan daartoe beter 
dienen. Naar mijne waarnemingen zal de grootste diepte, waar- 
op de tingrond op Blitong ligt, gesteld kunnen worden op 7 
tot 8 Ned. ellen. 

De doode grond, waarop de tingrond rust, wordt door 


de Chinesche stroomwerkers van Banka, „ kong” genoemd. 


Hij bestaat voornamelijk uit kaöline , soms geheel zuiver, soms 
ook kwartskorrels en een weinig mica bevattende. Het komt 
mij voor, dat de kong niets anders is, dan het verwerings- 
produkt van het vermelde veldspaathgesteente, van het veld- 
spaathporfier of van den graniet, al naarmate een dezer drie 
gesteenten ter plaatse eenmaal den beganen grond uitmaakte, 
en dat die verweringsprodukten onverplaatst aanwezig zijn, 
waar het gesteente, dat ze opleverde, zich bevond. 

Omtrent den tinerts , welke in den bovengrond wordt ge- 
vonden , is niets bijzonder mede te deelen, als alleen dat al de 
koelit-erts van minder gehalte was dan deerts uit de laag van 
dezelfde vindplaats, en dat het uiterlijk voorkomen van den 
koelit-erts in zooverre van den erts uit de lagen verschilt, dat 
jk van mij onbekende ertsen altijd heb kunnen aanwijzen, 
welke uit de koelit en welke uit eene laag waren genomen. 
Misschien zijn deze opmerkingen alleen geldig voor den erts, 
door mij van Blitong gezien, en zullen zij later nietig worden; 
zijn zij daarentegen juist, dan zullen ze zeker ook eenig licht 
kunnen verspreiden oven de twee verschillende wijzen van voor- 
komen van den stroomtinerts. 


UI 12. 


158 


Den 29sten November begaven wij ons aan boord van Zr. 
Ms. schoener Aruba, welk vaartuig den volgenden dag de reede 
der Tjiroetjoep verliet en ons den /den December te Batavia 
terug bragt. Á 

Hiermede is de togt naar het eiland afgeloopen, waaraan _ 
voor mij hoogstgelukkige , doch ook de droevigste herinnerin- 
gen mijns levens verbonden zijn. 


Soerabaja, den 9den Maart 1852. 


BIJDRAGE 


TOT DE KENNIS DER 


ICHTHYOLOGISCHE FAUNA VAN TIMOR, 


DOOR 


Dr, P. BLEEK KI, 


Deze kleine bijdrage heeft haar ontstaan te danken aan de 
welwillendheid van den heer CG. F. GorDpmann, gouvernements 
kommissaris voor Timor, die vóór zijne jongste reis naar 'Li- 
mor, ter overname der onder het gezag van Nederland over- 
gegane Portugesche bezittingen in den oostelijken Archipel, 
mij aanbood, te trachten op Timor eene verzameling van na- 
turaliën voor mij te maken. Deze verzameling, in uitmuntend 
bewaarden toestand mij geworden, bevat 28 vischsoorten, 
welke voor verreweg het grootste gedeelte nog onbekend 
waren van Timor en voor een klein gedeelte nieuw zijn voor 
de wetenschap. 

Niettegenstaande Timor in deze eeuw door talrijke natuuron- 
derzoekers is bezocht geworden , heeft de ichthijologische 
kennis van dit belangrijke eiland slechts weinig daarbij ge- 
wonnen, en zelfs het nieuwere prachtwerk over de Nederland- 
sche overzeesche bezittingen, waarin uitvoerig over Timor ge- 
handeld wordt, heeft die kennis niet verrijkt. De tot heden 
bekend gemaakte opgaven omtrent Timorsche visschen heeft 
men voornamelijk te danken aan Qvoy en Garmarp, doch die 
opgaven omvatten naauwelijks 30 species, allen van zeevisschen, 


160 


terwijl men nog heden omtrent de stellig zeer merkwaardige 
vischfauna der zoete wateren in volstrekte onwetendheid ver- 
keert. 

De tot nu toe door verschillende schrijvers van Timor op-_ 
gegevene species zijn, voor zoover mij bekend is, de volgen- 


den : 

1. Apogon novemfasciatus CV. 17. Carangoïdes blepharis Blkr. 

2. Serranus merra CV. 18. Equula oblonga CV. 

eN on punctulatus CV. 19. Amphacanthus doliatus CV. 

4. Mesoprion Calveti Blkr. = Dia- 20. sd nebulosus QG. 
cope Galveti QG. 21. Prionodon annularis CV. 

5. Cirrhites aprinus OV. 22. Salarias quadripinnis CV. 

6. Therapon servus CV. 23. Periophthalmus Freycineti CV. 

7. Holocentrum diadema CV. 2Â. Dascyllus aruanus CV. 

8. Platycephalus timoriensis CV. 25. Glyphisodon unimaculatus CV. 

9. Pterois volitans CV. 26. 55 azureus QG. 

ADN zebra CV. 27. nr uniocellátus QG. 

11. Apistus marmoratus CV. 28. Plotosus macrocephalus CV. 

12. Dentex hexodon QG. 29. Saurida nebulosa CV. 

13. Chaetodon virescens CV. 30. Oxybelus Home: Richards. 

14. Je Sebanus CV. 31. Carcharias (Prionodon) mela- 

15. Holocanthus semicirculatus CV. nopterus QG. 

16. Platax punctulatus CV. 32. Taeniura lymma MI. 


De verzameling van den heer GOorLDMANN bevat de hieronder 
genoemde soorten. Achter de sijstematische namen laat ik 
volgen de Timoresche, waaronder zij te Timor koepang, hare 
vindplaats, bekerird zijn. Slechts van 7 soorten waren de naam- 
briefjes losgeraakt, zoodat ik de namen niet meer met juist- 
heid tot de species heb kunnen terug brengen. 


. Apogon novemfasciatus CV. 

. Ambassis Dussumierii CV. = Kadir. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 
. Therapon servus CV. = Samgeh. Ibid. 

. Sphyraena jello CV. = Manira. Ibid, 

Polynemus plebejus Brouss. Ibid. 

‚ Sillago acuta CV. == Tjiratjat. Ibid. 

. Upeneoïdes bivittatus Blkr. —= Banang. Ibid. 

. Heterognathodon bifasciatus Blkr. —= Mohung. Ibid. XXIII Sciaenoïd. 
‚ Lethrinus opercularis CV. —= Panan. Ibid. Sparoïd, 


DO OO TD NW CO DO ek 


161 


10. Gerres kapas Blkr, Nat. Tijdschr. N. Ind. EI p. 482. 

11. Chaetodon virescens CV. = Kelipik. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod, 
12. Caranx Forsteri CV. — Kawan. Ibid. XXIV Makreelacht. Vissch. 

13. Equula filigera CV. = Peperrek. Ibid. 

14. Amphacanthus dorsalis CV.“*= Pahat. Ibid. XXIII Teuthid. 

15, Acanthurus matoïdes CV. Ibid. 

16. Mugil parsia HB.? — Belanakh. 

17. Batrachus diemensis Richards. —= Angik. 

18. Gobius phalaena CV. —= Lapik. Nat. Tijdschr. Ned. Ind. IT p. 244. 
NE 5 Goldmanni Blkr. 

20. Plesiops melas Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII, Ichth. Bali. 

21. Pomacentrus katunko Blkr. —= Katunko. 

22. Julis (Halichoeres) interruptus Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 252. 


Bs vel bi ) miniatus K. v. H. 

AAS S soer bs ) Schwarziü Blkr. = Tombilang. Verh. Bat. Gen. 
XXII Ichth. Bali. 

DOEN) void f pe ) binotopsis Blkr. = Lambuwon. 

BOE ws il ” ) kawarin Blkr. = Kawarin. 

ddie is val 5 ) timorensis Blkr. —= Keilu moquas. 


28. Engraulis encrasicholoïdes Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. V. 


Slechts drie dezer soorten t. w. Apogon novemfasciatus CV., 
Therapon servus GV. en Chaetodon virescens CV. behooren 


tot de vroeger reeds van Timor bekende. 25 zijn alzoo 
nieuw voor de fauna van Timor. Nieuw voor de wetenschap 
zijn daarvan slechts 4, t. w. Gobius Goldmanni, Pomacen- 


trus katunko, Julis (Halichoeres) timorensis en Julis (Halichoe- 
res) kawarin. Insgelijks ‘door mij ontdekt, doch in vroeger 
uitgegevene verhandelingen reeds bekend gemaakt, zijn Gerres 
kapas, Plesiops melas, Julis (Halichoeres) interruptus, Julis 
(Halichoeres) Schwarzit, Julis (Halichoeres) binotopsis en En- 
graulis encrasicholordes. De verhandeling, waarin laatstge- 
noemde soort is beschreven, is reeds sedert lang afgedrukt, 
doch wordt eerst in het 24ste deel der Verhandelingen van 
het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en wetenschappen 
publiek gemaakt. 

In het geheel ken ik thans alzoo de volgende 57 vischsoor- 
ten van Timor. 


‚er 


1. Apogon novemfasciatus CV, 32. Acanthurus matoïdes CV. 

2. Ambassis Dussumieru CV. 33. Prionodon annularis CV. 

3. Serranus merra CV. 34. Mugil parsia HB. ? 

Á, he punctulatus CV. 35. Salarias quadripinnis CV. 

5. Mesoprion Galveti Blkr. 36. Batrachus diemensis Richards. 
6. Cirrhites aprinus CV. 37. Gobius phalaena CV. 

7. Therapon servus CV. OSS Goldmanm Blkr. 

3. Holocentrum diadema CV. 99. Periophthalmus Freycineti CV. 
9. Sphyraena jello CV. 40. Plesiops melas Blkr. 

10. Polynemus plebejus Brouss. 41. Pomacentrus katunko Blkr. 
11. Sillago acuta CV. 42. Dascyllus aruanus CV. 

4D Upeneoïdes bivittatus Blkr. 43. Glyphisodon unimaculatus CV. 
13. Platycephalus timoriensis CV. 44. De azureus QG. 

14. Pterois volitans CV, 45. ii uniocellatus QG. 
bs 55 zebra CV. 46. Julis (Halichoeres) interruptus 
16. Apistus marmoratus CV. Blkr. 

17. Heterognathodon bifasciatus Blk.47. „ (_ ,, ) miniatus K. v. H. 
18. Dentex hexodon QG. 48. _… (__» ) Schwarzii Blkr. 
19. Lethrinus opercularis CV. 49. (> ) bimotopsis Blkr. 
20. Gerres kapas Blkr. 50. (__» ) kawarin Blkr. 
2í. Ghaetodon virescens CV. 51.  (__‚ ) timorensis Blkr. 
22. sô Sebanus CV. 52. Engraulis encrasicholoïdes Blkr. 


23. Holocanthus semicirculatus CV. 53. Plotosus macrocephalus CV. 


24, Platax punctulatus CV. 54, Saurida nebulosa CV. 

25. Caranx Forsteri CV. … 55. Oxybelus Homei Richards. 

26. Carangoïdes blepharis Blkr. 56. Carcharias ( Prionodon ) mela- 
27. Equula filigera CV- nopterus (QG. 

28. ‚‚ oblonga CV. 57. Taeniura lymma MH. 

29. Ampkhacanthus doliatus CV. 

50. 3 nebulosus QG. 

31. jd dorsalis CV. 


Het blijkt alzoo, dat zelfs thans nog, niettegenstaande ik 
de kennis der Timorsche vischfauna bijkans heb kunnen ver- 
dubbelen, van die fauna nog slechts zeer weinig bekend is. 


Ik hoop daaraan weldra meer te kunnen toebrengen, ver- 


mits mij nieuwe verzamelingen van Timor zijn toegezegd ge- 
worden. 


\ 


DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE. 


PERCOÏIDEL. 


Apogon novemfasciatus GV. Poiss. IL p. 114. 


Apog. eorpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longitu- 
dine, latitudine 12 circiter in ejus altitudine; capite 3% ad 34 in longitu- 
dine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 24 eirciter in longitu- 
dine capitis; linea rostro-frontali convexa; praeoperculo rotundato, denti- 
eulis conspicuis; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinali, 9 p.m. 
in serie verticalis linea laterali arborescente; dorso subelevato; pinna 
dorsali spinosa radiosa multo humiliore, spina 3* spinis ceteris longiore; 
dorsali radiosa et anali angulatis; pectoralibus ventralibus paulo longiori- 
bus; ventralibus analem non attingentibus; caudali emarginata angulis 
acuta; colore corpore roseo-argenteo, dorso fascia media longitudinali 
fusca; lateribus fasciis 4 longitudinalibus fuscis, 3 superioribus in cauda- 
Jem coeuntibus; operculo margine macula fusca profundiore; pinnis rubris, 
dorsali radiosa analique basi fascia longitudinali obligua fusca. 

BAD - 1/9 vel 1/10. P. 2/12. V.: 1/5.'As 2/8 ‘vel’ 2/9. C.'1%7 ef 

lat. brev. | 

Synon. Apogon à neuf rubans CV. Poiss. II p. 114, 

Apogon balinensis Blkr. Bijdr. tot de kennis der Percoïd. p. 28. 
Verh. Bat. Gen. XXII. 
Habit. Timor kupang, Padang Sumatrae occidentalis, et Boleling 
Bali septentrionalis, in marie 
Longitudo 5 speciminum 55°” ad 70”. 


y 


Aanm. Deze soort beschreef ik vroeger als eene nieuwe, 
doch eene nadere vergelijking mijner oudere en sedert nog 
van Sumatra en Timor ontvangene exemplaren, doet mij haar 
tot Apogon novemfasciatus terugbrengen. Cuvier spreekt in 
zijne korte beschrijving niet van de bruine banden langs de 


164 


basis der 2de rug- en aarsvin en noemt de bruine ligchaams- 
banden zwart. 


SCOMBEROÏDEL. 
Caranx Forster GV. Poiss. IX. p. 81? 


Car. corpore oblongo compresso, altitudine 3 ad 32 in ejus longitudine, 
latitudine 3 ad 24 in ejus altitudine; capite obtuso convexo 4 ad 42 in 
longitudine corporis, aeque alto ac longo vel (junioribus praesertim) paulo 
altiore quam longo; oculis diametro 3 ad 34 in longitudine capitis; osse 
suborbitali postice oculi diametro duplo circiter humiliore antice subra- 
diatim tubulato; maxilla superiore vix protractili sub oculi dimidio poste- 
riore desinente; maxilla inferiore prominente; dorso valde convexo, linea 
rostro-dorsali regulariter rotundata; ventre parum convexo; triangulis-pec- 
toralibus lateralibus et inferiore totis squamosis; linea laterali usque sub 
pinnae dorsalis radiosae la quinta parte curvata, postice scutis 28 ad 33, 
maximis latitudine 54 ad 74 in altitudine corporis; pinnis acutis radio 
producto nullo; dorsali spinosa dorsali radiosa humiliore; pectoralibus 
falcatis, junioribus capite non vel vix, aetate media adultisque capite multo 
longioribus; ventralibus eapite duplo vel plus duplo brevioribus; spinis 
analibus posteriore anteriore longiore; caudalilobis acutis 5 ad 44 in lon- 
gitudine corporis; colore corpore superne junioribus coerulescente-, ado- 
lescentibus et adultis fuscescente-viridi, inferne junioribus flavescente, 
adultis argenteo; corpore junioribus fasciis 5 ad 7 transversis nigricanti- 
bus, aetate provectioribus fasciis nullis; macula supraoperculari nigra punc- 
tiformi; pinnis, junioribuús dorsali la nigricante, ceteris flavis, dorsali 2a 
apice nigra, caudali fusco marginata; adultis dorsalibus et anali violaceo- 
nigricantibus, dorsali 2a nigro marginata, anali apice alba, pectoralibus 
violascente-hyalinis, ventralibus albis, caudali violaceo-nigricante nigro 
marginata. 

B. 7. D. 1 proc. + 7-1/20 vel 7- 1/21 vel 8-1/19 vel 8-1/20 P. 

2/17 ad 2/19. V. 1/5. A.2-1/15 ad 2-1/17. C. 17 et lat. brev. 

Synon. Jkan Babara Valentijn Ind. Amb. III. p. 463 fig. 371? 

Babara Renard Poiss. Mol. II, tab. 29 fig. 141? 

Carangue de Forster CV. Poiss. IX. p. 11? 

Caranx sexfasciatus QG. Zoöl. Voy. Freycin. tab. 65 fig. 4. 

Carangue à six bandes CV. Poiss. IV. p. 83. 

‚Square mackerel Reeves. 

Tong ti et Tang ijt Chinens. 

Jkan Kuweh Mal. Batav. 
Habit. Timor Kupang, Batavia et Padang, Sumatrae occidentalis, in mari. 
Longitudo 32 speciminum 80” ad 305”, 


165 


Equula filigera GV. Poiss. X. p. 67 tab. 284. 


Equul. corpore oblongo compresso, altitudine 24 ad 24 in ejus longi- 
tudine; capite acuto 4 ad 42 in longitudine corporis; fronte spinis 4 valde 
conspicuis armata; linea frontali concava; mento concavo; ore deorsum 
protractili dentibus parvis; oculis diametro 24 ad 3 in longitudine capitis; 
praeoperculo obtusangulo inferne denticulato; dorso elevato angulato ventre 
convexiore; spinis ad basin pinnae dorsalis et analis valde conspicuis; 
squamis corpore minimis sed conspicuis; linea laterali ad pinnam cau- 
dalem desinente; pinnis acutis; dorsali spina 2a valde elongata flexili in- 
terdum pinnam caudalem attingente; pectoralibus capite multo brevio- 
ribus sed ventralibus multo longioribus; anali spina 2a magna interdum 
filiforme elongata flexili; caudali profunde excisa lobis acutis; colore 
corpore argenteo; dorso lateribusque interdum maculis vel fasciis diffusis 
plumbeis quasi subeutaneis vix conspicuis; rostro fusco; axillis nigris; 
linea laterali antice flava; pinnis immaculatis, dorsali et ventralibus hy- 
alinis, ceteris flavis. 

B. 4. D. 8/16 vel 8/17. P. 2/17 vel 2/18 V. 1/5. A. 3/14 vel 3/15. 

C. 17 vel 19 et lat. brev. | 

Synon. Clupeo Commers. man. inedit. 

Clupea fasciata Lacép. Poiss. V. p. 463. Cuv. Mém. du Mus. 
Betab.. 23. flo, 2. 

Clupée à bandes Lacép. ib. 

Karah Russell Corom. Fish. I. p. 51 fig. 66. 

Equula fasciata CV. Poiss. X. p. 70. 

Equula à bandes CV. ibid. 

Equula cara et karah CV. ibid. 

Equula longispinis CV, ibid. p. 69. 

Equula longue-épine CV. ibid. 

Equula porte-fil CV. ibid. p. 67. 

Jkan Peperrek Mal. Batav. 

Ikan Pettah Jav. Jamar. 

Habit. Timor Kupang, Batavia et Samarang, et Padang, Sumatrae 

occidentalis, in mari, 

Longitudo 64 speciminum 65” ad 105, 


Aanm. Onder mijne talrijke exemplaren bevinden zich alle 
verscheidenheden, welke Cuvier als vier soorten, Equula fili- 
gera, Eq. longispinis, Eq. cara en Eq. fasciata heeft opgebragt. 
Het lijdt bij mij geen twijfel of deze 4 soorten behooren tot 
eene enkele teruggebragt te worden. 

De banden of vlekken bij deze soort, zoowel als bij eenige 


166 


hieronder nog te beschrijvene, zijn dof en onduidelijk, als het 
ware onderhuidsch, en laten zich slechts waarnemen wanneer 
men den visch in zekere rigtingen tegen het licht houdt. 


MUGILOÏDEL. 


Mugil parsia Ham. Buch. Gang. Fish. p. 215 tab. 
17 fig. 21 GV. Poiss. XIp. 107? 


Mug. corpore oblongo-elongato valde compresso, altitudine 42 ad 5 in 
ejus longitudine; capite obtusiusculo, convexo, 44 ad 54 in longitudine 
corporis; altitudine et latitudine capitis 14 ad 14 in ejus longitudine; ocu- 
lis diametro 34 circiter in longitudine capitis, 14 ad 12 in capitis parte 
postoculari, 14 ad 12 a se invicem distantibus; membrana palpebrali iridem 
non tegente; linea rostro-dorsali vertice convexiuscula; rostro convexo oculo 
breviore; naribus anterioribus rotundis posterioribus subrimaeformibus majo- 
ribus; osse suborbitali parum emarginato denticulis bene conspicuis; osse 
maxillari superiore ore clauso non conspicuo; labio superiore membranaceo 
non papillato ; dentieulis maxillaribus ineonspicuis ; maxilla superiore deorsum 
valde protractili; tuberculo inframaxillari quadrato; dentibus palatinis in 
thurmas oblongo-rotundatas collocatis; lingua peripheria thurmis den- 
ticulorum parvis obsita; impressione praevomerina profunda cordiformi; 
praeoperculo acutangulo angulo rotundato, margine posteriore'obliquo e- 
marginato; squamis lateribus 40 ad 45 in serie longitudinali, parte basali 
striis 4 ad 6; squamis axillaribus longis; pinnis dorsalibus minus longitu- 
dine pinnarum pectoralium a se invicem distantibus, altitudine subaequalibus, 
corpore multo humilioribus; dorsali spinosa spinis gracilibus 1* ceteris longiore; 
dorsali radiosa acuta emarginata; pinnis pectoralibus capite absque rostro lon- 
gioribus; ventralibus angulatis pectoralibus multo brevioribus; anali acuta, pau- 
lo emarginata, altitudine pinnam dorsali radiosam aequante, spina 3* radio 
1° duplo circiter breviore; caudali semilunariter emarginata 44 ad 42 in 
longitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne argenteo; pin 
nis verticalibus viridescentibus, caudali postice nigro marginata; pectora- 
libus et ventralibus hyalinis vel flavescentibus; pectoralibus supra basi 
macula nigra. 

B. 6. D.4-1/8 vel 1/9. P. 2/15 vel 2/16, V.1/5,,A. 3/10 vel 3/11, 

C. 14 et lat. brev. 
Synon. Muge parsia CV. Poiss. XI p. 107? 
Jkan Belanakh Mal. Batav. 
Habit. Batavia, Timor kupang, in mari. 
Longitudo 4 speciminum 90°” ad 212, 


md 


sun 


167 kt 


Aanm. Deze soort heeft zeer groote verwantschap met Mugil 
cunnesius CV. doch laat er zich van onderkennen, doordien 
bij laatstgenoemde species minder schubben op eene overlang- 
sche rei gaan, de uitgespreide staartvin afgeknot, het achter- 
ste gedeelte des oogs door een ooglidvlies bedekt is, de borst- 
vinnen en aarsvin een straal minder tellen enz. Bij de groo- 
te gelijkenis der soorten van Mugil op elkander en het wei- 
nig voldoende der bestaande beschrijvingen, is het dikwijls 
zeer moeijelijk, naar deze laatsten alleen de soorten te bepalen. 
In alle opzigten gelijken de bovenbeschrevene exemplaren 
het meest op de afbeelding en omschrijving van Mugil parsia 
HB., zonder dat ik echter over de identiteit beslissend durf 
oordeelen. 


GOBIOIDEL 


Gobius Goldmanns: Blkr. 


Gob. eorpore elongato antice eylindraceo, postice compresso, altitudine 
6 in ejus longitudine; capite obtuso convexo 42 in longitudine corporis; 
latitudine capitis 12, altitudine 14 in ejus longitudine; oculis diametro 4 
cireiter in longitudine capitis, maxime approximatis, in anteriore dimidio 


capitis sitis; vertice usque ad oculos squamoso; sulco temporali eonspicuo ; 


__rostro obtuso oculo breviore; maxilla superiore inferiore paulo longiore, valde 


protractili; dentibus maxillis pluriseriatis serie externa majoribus; maxilla 


‚ jnferiore dentibus caninis 2 lateralibus divergentibus curvatis; rictu obliquo 


sub oeulo desinente; squamis Jateribus 28 p. m. in serie longitudinalis | 
appendice anali conica; pinna dorsali spinosa corpore et pinna dorsali ra- 
diosa postica humiliore, obtusa; dorsali radiosa postice angulata corpore 
altiore; pectoralibus et ventralibus longitudine subaequalibus, 5 circiter in 


longitudine corporis; anali angulata postice corpore non humiliore; cau- 


dali obtusa, rotundata, 42 circiter in longitudine corporis; colore corpore 
superne olivaceo, inferne dilutiore; dorso lateribusque superne punctis ni- 
gris ocellisque numerosis luteis; lateribus inferne fasciis pluribus transver- 
sis luteis; pinnis dorsalibus rufescentibus punctulis nigris; pectoralibus, 
ventralibus caudalique rufescente-olivaceiss anali antice fusca postice flava 
nigro marginata. 

B. 4, D. 6-1/10 vel 1/1l. P. 19. V. 1/5. A. 1/9 vel 1/10, C. 14 et 

lat. brev. 
Habit. Timor kupang, in mari. 
Longitudo speciminis unici 63”. 


168 


Aanm. De rijkdom van den Indischen Archipel aan Gobioï- 
den schijnt onuitputtelijk. Ik ken er thans reeds 104 soorten 
van, terwijl in het groote vischwerk van de geheele bekende 
aarde in 1837 slechts 143 soorten beschreven zijn. Gobius 
timorensis behoort tot de groep van het geslacht Gobius met 
2 hondstanden in de onderkaak, stompen kop, stompe staart- 
vin en groote schubben, waarvan reeds elders talrijke Neder- 
landsch Indische soorten door mij beschreven zijn. 


PEDICULATL 


Batrachus diemensis Richards. Ann. Nat. Hist. X p. 
852. Zool. Ereb. Terr. Fish. p. 17 tab. 8. fig. 1, 2. 


Batrach. corpore antice cylindraceo, postice compresso, altitudine 5 in 
ejus longitudine; capite obtuso, convexo, 84 ad 34 in longitudine cor- 
poris; altitudine capitis 12 ad 2, latitudine 14 ad 14 in ejus longitudine; 
oculis diametso 3 ad 6 circiter in longitudine capitiss linea rostro-frontali 
convexa;s cute orbitali, vertice, rostro et maxillis cirris pluribus ramosis et 
simplicibus obsitis; maxillis aequalibus; dentibus intermaxillaribns conicis 
parvis biseriatis; inframaxillaribus anticis pluriseriatis, lateralibus uniseria- 
tis, conicis; vomerinis et palatinis bi- vel pluriseriatis, conicis; operculo 
spinis 2 superiore inferiore plus duplo longiore ; suboperculo operculo majore 
spinis 2 superiore inferiore duplo longiore; cute laevi squamis inconspicuis; 
linea laterali utroque latere duplice, poris distantibus notata; pinna dor- 
sali spinosa parva, spina 2° oculo non longiore, spina 3* cum dorsali ra- 
diosa unita; dorsali radiosa corpore vix humiliore; pectoralibus rotundatis 
5 ad 5 et paulo, ventralibus acutissimis 44 circiter in longitudine corpo- 
ris; anali rotundata dorsali humiliore; caudali obtusa, rotundata, 44 ad 52 
in longitudine corporis; colore corpore nigricante et fusco vel viridi ne- 
bulato vel subretieulato; pinnis junioribus nigricante-viridibus, adultis 
_fusco et nigro mârmoratis vel reticulatis; dorsali radiosa analique nigri- 
cante marginatis. 

Be. D. 3-20. B. 28 adi25. Ve 2. Ac dAIC A, 

Synon. Batrachoïdes diemensis Lesueur Journ. Acad. Nat. Sc. Philad. 

p. 402. 
Batrachus quadrispinis CV. Poiss, XII p. 368. 
Batrachoïde à quatre épines CV. ibid. 
Habit. Timor kupang, et Wahai, Ceram septentrionalis, in mari, 
Longitudo 2 speciminum 65” et 170”, 


169 


Aanm. Het grootste mijner twee specimina gelijkt volkomen 
op de afbeelding van den heer RicmarpsoN, boven aangehaald. 
Slechts is het gewolkt zijn van ligchaam en vinnen er niet zoo 
duidelijk waar te nemen. , 


LABROIDEL CTENOÏDEI. 


Pomacentrus katunko Blkr. 


Pomocentr. corpore oblongo compresso, altitudine 23% in ejus longitu- 
dine, latitudine 3 fere in ejus altitudine; capite obtuso 4 in longitudine 
corporis, aeque alto ac lorgo; oculis diametro 3 in longitudine capitis; 
linea rostro-frontali declivi convexiuscula; osse Suborbitali dentato vel 
potius quasi eroso; dentibus maxillis aequalibus obtusis; praeoperculo 
subobtusangulo, angulo rotundato, margine posteriore obliquo, dentibus 
valde eonspicuis; operculo spinis 2 planis obtusis vix conspicuis; squamis 
lateribus 25 p. m. in serie longitudinalis; pinnis dorsali et anali radiosis 
rotundatis; dorsali spinosa radiosa humiliore, inter singulas spinas lobata, 
spina postica ceteris,longiore; ventralibus pectoralibus paulo longioribus, 
longitudine caput aequantibus; anali spina 2% 1* duplo longiore; caudali 
emarginata lobis rotundatis, superiore inferiore longiore 4 in longitudine 
corporis; colore corpore olivaceo-viridi marginibus squamarum profundiore; 
cauda superne macula nigra; pinnis profunde viridibus; ventralibus apice 
nigricantibus. 

DIA P 2/15. V. 1/5. AL S/lA C, 15 et lat. brev. 

Synon. Jkan Katunko Timorens. 

Habit. Timor kupang, in mari. 

Longitudo speciminis unici 61”, 


Aanm. Deze soort zou eenigermate behooren tot het ge- 
slacht Pristotis van den heer Rürrperv. De vergelijking mijner 
thans reeds vrij talrijke soorten van Pomacentrus heeft mij 
evenwel doen zien, dat de aan- of afwezigheid der operkel- 
doornen geen karakter van genoeg gewigt geeft, om de soor- 
ten van Pomacentrus, waar die doornen bestaan, onder een 
nieuw geslacht te brengen, zooals de heer Rürerrr heeft ge- 
daan. Bij sommige soorten zijn namelijk die doornen zoo 
weinig ontwikkeld, dat men aan hun bestaan zou kunnen 
twijfelen of wel, dat men in verlegenheid zou zijn, ze met den 


170 


naam van doornen te bestempelen. Ik geloof daarom 5 dat 
het geslacht Pristotis behoort te vervallen en met Pomacentrus 
vereenigd te worden. 

De bovenbeschrevene soort heeft in habitus veel van Poma- 
centrus littoralis K.v.H. doch meer afgeronde vinnen, andere 
kleuren, talrijker vinstralen enz. 


LABROIDEI CIJCLOÏDEL 


Julis (Halichoeres) hinotopsis Blkr. Verh. Bat. Gen. 
xx Ichth. Bali (diagnosis emendata). 


Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso, altitudine En fere in ejus 
longitudine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite acuto 4 fere in longitu- 
dine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; oculis dia- 
metro 8 et paulo in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi recti- 
uscula; labiis carnosis; dentibus maxillaribus medioecribus, caninis anticis 
et angularibus medioeribus, curvatis; linea laterali ramosa vel subramosa; 
squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali 
basi glabris postice angulatis; ventralibus 2 circiter, pectoralibus 12 circi- 
ter in longitudine capitis; caudali integra postice convexa; corpore super- 
ne lateribusque violaceo-nigricante rufoque reticulatis, fasciis insuper 4 vel 
5 diffusis transversis profundioribus; capite vittis flexuosis rubro-violaceis; 
cauda superne ad basin pinnae caudalis macula nigra rubro annulata; 
ventre flavo; pinna dorsali violascente ocellis numerosis rubris maculisque 
2 nigris, 1° spinam lm inter et 2m, 2* rubro cincta radium 1m inter et 
3@; pinnis pectoralibus et ventralibus flavis, pectoralibus basi vitta trans- 
versa violascente; anali rubra ocellis aurantiacis; caudali aurantiaca. 

B. 6. D. 9/IL vel 9/12. Vs 1/5. A. 3/11 vel 3/12, Card4 vet lat. bre: 

Synon. Zkan Lambuwon Timorens. 

_ Habit. Timor kupang, et Boleling Bali septentrionalis, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 50” et 60”, 


Aanm. Ik beschreef deze soort reeds in mijne Bijdrage tot 
de kennis der Ichthijologische fauna van het eiland Bali. ‘Thans 
heb ik echter de kleuren naauwkeuriger kunnen opgeven, 
zijnde die bij het Timorsche specimen zeer fraai bewaard ge- 
ble ven. 


171 


Julis (Halichoeres) timorensis Blkr. 


Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso, altitudine 4 in ejus lon- 
gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto 4 in lon- 
gitudine corporis; altitudine capitis 14 in ejus longitudine; oculis diame- 
tro 34 in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; labiis 
carnosis; dentibus maxillaribus medioeribus, caninis anticis et angularibus 
parvis, leviter curvatis; linea dorsali linea ventrali non convexiore; linea 
laterali ramosa; squamis lateribus 28 p. m. in serie longitudinali; pinnis 
dorsali et anali basi glabris postiee angulatis; pinnis pectoralibus 14, ven- 
tralibus 2 circiter in longitudine capitis; caudali integra postice conveax 
62 in longitudine corporis; colore corpore margaritaceo-aurantiaco; capite 
lateribusque vittulis serpentinis et maculis elongatis longitudinalibus pro- 
funde aurantiacis; lateribus insuper guttulis nigris sparsis irregulariter 
seriatis; pinnis verticalibus aurantiacis, ceteris flavis; dorsali vittis obli- 
quis rubris maculisque 2 nigris, 1* punctiformi spinam 1* inter et 2*, 22 
iride pellucida cincta radium 1” inter et 8"; anali basi maculis rubro-vio- 
laceis. 

BREN D. 9/11 vel 9/12. P. 2/11. Ve-1/5. A. 3/11 vel 3/12. C. 14 et 

lat. brev. 

Synon. Zkan Keilu mogquas Timor. 

Habit. Timor kupang, in mari. 

Longitudo speciminis unici 68”, 

\ 


Aanm. De verscheidenheid in de kleurteekening der soor- 
ten van Julis schijnt oneindig. De bovenbeschrevene soort 
is een der sierlijkst geteekende en hare kleurteekening bij den 
eersten oogopslag herkenbaar even als die der meeste soorten 
van dit geslacht. De zwarte vlekjes der zijden staan in groep- 
jes van 2 tot 4 bij elkander. 


Julis (Halichoeres) miniatus K. v. HL. Poiss. XII p. 
837 (diagnosis emendata). 


Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in 
ejus longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto 84 
ad 4 in longitudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in ejus longitu- 
dine; oculis diametro 34 circiter in longitudine capitis; linea rostro-fron= 
tali declivi rectiuscula; labiis ecarnosis; dentibus maxillis mediocribus, 
eaninis curvatis anticis magnis, angularibus mediocribus; linea dorsali li- 
nea ventrali convexiore; linea laterali ramosa; squamis lateribus 23 p. m. 


in serie longitudinalis pinnis dorsali et anali basi glabris postice angula- 


172 


tis; pinnis pectoralibus 14, ventralibus 2 in longitudine ecapitis; eaudali 
integra, leviter convexa, 6 in longitudine corporis; colore corpore superne 
rubro inferne flavo; dorso et lateribus superne maculis nigricantibus fascias 
transversas subsimilantibus; lateribus striis flavis obliquis et macula maxi- 
ma carmosina supra anum sita; capite vitta oculo-maxillari et postoculari 
transversa nigricantibus; pinnis rubris vel roseis; dorsali maculis rotundis 
nigris rubro annulatis 2, anteriore spinam 1” inter et 2e, posteriore ra- 
dium lm inter et 8", vittis insuper pluribus violascente-nigris transversis 
obliquis; anali vittis pluribus transversis obliquis rubro-violaceis; caudali 
radiis mediis guttulis rubro-violaceis. 

B.6. D. 9/11 vel 9/12. BP. 2/12, V. 1/5. A. 3/11 vel 3/13. Cs 1A-et 

lat. brev. 
Synon. Güirelle rouge CV. Poiss. XIII p. 337. 
Habit. Timor kupang, Boleling Bali septentrionalis et Sibogha Su- 
matrae occidentalis, in mari. 
Longitudo 4 speciminum 45” ad 83”. 


Aanm. Ik beschreef deze soort kortelijk in mijne Bijdrage 
tot de kennis der Ichthijologische fauna van Bali. Mijn Timo- 
reesch specimen heeft de kleuren nog zeer frisch, zoodat ik 
die thans vollediger heb kunnen beschrijven dan vroeger. 


Julis (Halichoeres) kawarin Blkr. 


Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso , altitudine 4 fere in ejus longi- 
tudine, latitudine 24 circiterin cjus altitudine; capite acuto 4 et paulo in 
longitudine corporis; altitudine capitis 12 en lt ín ejus longitudine; oculis 
diametro 4 in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; 
labiis carnosis; dentibus maxillis mediocribus caninis anticis angularibus- 
que mediocribus curvatis; linea dorsali linea ventrali non convexiore; 
linea laterali ramosa; squamis lateribus 28 p. m. in serie longitudinalis 
pinnis dorsali et anali basi glabris postice angulatis; pinnis pectoralibus 
et ventralibus longitudine aequalibus, 1% circiter in longitudine capitis; 
caudali integra postice convexa 64 in longitudine corporis; colore corpore 
superne viridi inferne flavo; dorso lateribusque superne maculis irregula- 
ribus violaceis et lateribus maculis irregularibus rubris subreticulatis; 
capite, rostro, genis operculisque vittis rubro-violaceis; macula postoculari 
oblonga profunde coerulea flavo limbata; pinnis verticalibus rubris; dor- 
sali rubro dilutiore et profundiore ocellata et macula nigra spinam ulti- 
mam inter et radium 2"; anali basi macuiis magnis rubro-violaceis, in= 
ferne guttulis violascentibus; caudali postice violascente; pectoralibus fla 


vis radio 1° rubro. 


178 


\ 


B. 6. D. 9/11 vel 9/12. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/11 vel 3/12. C, 14 et 
lat. brev. 

Synon. Jkan Kawarin Timorens. 

Habit. Timor kupang, in mari. 

Longitudo speciminis unici 91”. 


Aanm. Deze soort is na verwant aan Julis miniatus K. v. H. 
doch er gemakkelijk van te onderkennen door hare enkele 
rugvinvlek, andere kleuren en grootere buikvinnen. 

In mijne verhandeling over de Gladschubbige Labroïden 
welke te Batavia voorkomen, beschreef ik 5 soorten van Ju- 
lis van den Indischen Archipel, dat is, alle soorten welke 
jk toen (1847) bezat. Sedert is mijn kabinet met talrijke soor- 
ten van Julis van deze gewesten verrijkt, zoodat ik er thans 
reeds niet minder dan 24 bezit, waarvan 22 behooren tot de 
afdeeling Halichoeres, datis: die soorten, welke vooruitsteken- 
de hoektanden in den bek hebben en de rug- en aarsvinnen 
aan de basis onbeschubt. In het geheel bezit ik thans reeds 
nagenoeg 60 soorten van Gladschubbige Lipvischen, terwijl 
mijne verzameling in 1847 slechts 25 soorten daarvan telde. 


Rd 


CLUPEOIDEL 


| Engraulis detehloides Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV 
Haring. p. 97. 


Engraul. corpore elongato compresso, altitudine 5 ad 54 in ejus longi- 
tudine, latitudine 2} circiter in ejusaltitudine; capite convexo, acuto, 44 
ad 5 in Tongitudine corporis; altitudine capitis 14 ad 14 in ejus longitu- 
dine; oculis totis velatis, diametro 34 ad 4 in longitudine capitis; rostro 
ante maxillas prominente; convexo, acuto, oculo breviore; maxilla supe- 
riore ante inferiorem prominente, postice acuta, ante aperturam branchia= 
lem desinente; dentibus maxillaribus, vomerinis palatinisque valde parvis, 
maxillis numerossimis vix conspicuis;s squamis transversim striatis, lateri- 
bus 30 ad 35 in serie longitudinalis axillis inguinibusque squamis elon- 
gatis; linea laterali inconspicua; pinna dorsali tota ante pinnam analem 
postice in anteriore dimidio corporis sita, acuta, corpore humiliore; pin- 
nis pectoralibus acutis, capite multo brevioribus, radio producto nullo; 
ventralibus pectoralibus paulo brevioribus; anali corpore duplo humiliore, 


HL Î9. 


174 


longitudine 54 circiter in longitudine corporis; caudali profunde incisa 
lobis acutis 5 ecirciter in longitudine corporis; colore dorso griseo-coeru- 
lescente, capite, lateribus, ventre pinnisque flavescente. 


B. 12. D. 3/12. P. 1/13. V. 1/6. A. 2/24 ad 2/26. C6 19ret lat. beer. 
Synon. Jkan Tri Mal. Batav. 


Habit. Timor kupang, Batavia, Surabaja, Kammal, in mari. 
Longitudo 14 speciminum 86” ad 120”. 


Aanm. Ik heb aan deze soort den naam gegeven naar hare 
verwantschap met de Ansjovis (Engraulis encrasicholis Cuv.), 
welke echter ranker van ligchaam is, eene aanmerkelijk kortere 
aarsvin heeft enz. | 


Scripst Batavia Calendis Januari mpocern. 


SCHEIKUNDIG ONDERZOEK 


VAN 
EENIGE OP JAVA VOORKOMENDE MINERALE WATEREN. 


DOOR 


P.J. MAEE R. 


De warme bronnen te Tjipannas, naby paal 64 in de 
Preanger Regentschappen. 


Op den oostnoordoostelijken voet van den Pangerango, ter 
hoogte van iets minder dan 3400 rijnl. voeten, in de nabijheid van 
het buitenverblijf van den gouverneur generaalte Tjipannas (Î), 


(1) Het buitenverblijf Tjipannas ligt gemiddeld 3404 rijnl. voeten boven 

de oppervlakte der zee, resulterende deze opgave uit 3 waarnemingen, 
waarvan de eerste plaats had den 26sten Oktober 1851 ’s morgens 91 uur, 
de 2de den 27sten Oktober ’s avonds 5 uur en de 3de den 28sten Oktober 
s morgens 6 uur. De barometer gedurende deze waarnemingen tot O graad 
en den standaard herleid wees: 


lste waarneming 2de waarneming 3de waarneming 
te Weltevreden 762.34 m.m. 760.3 m.m. 761, m. m. 
te Tjipannas 675.71 m. m. 673.17 m.m. 674 ‚ m. m. 
en de vrije thermometer 
te Weltevreden 28,6° C, 28,99 C. 230 C. 
te Tjipannas 24,1 21,39 C,. 190 C, 


Van de verkregene uitkomsten moesten 3 voeten worden afgetrokken, 
omdat de barometer te Tjipannas zoo veel voeten hooger geplaatst was; 
vervolgens moest de hoogte van Weltevreden boven zee er worden bijge- 
voegd; de Iste waarneming had te Weltevreden en te Tjipannas op het- 


176 


residentie Preanger Regentschappen, komen verscheidene war- 
me minerale brannen te voorschijn. 

Een dier bronnen ligt woordelijk van een in de onmiddelij- 
ke nabijheid daarvan opgerigt badhuis; zij vormt eene, met 
trachietachtige steenen belegde, ovale kom van 4,4 Ned. el. 
lengte, 2,8 el. breedte en 0,42 el. diepte. Met zeer geringe 
gasontwikkeling komt het water gedeeltelijk uit den bodem 
dezer kom, gedeeltelijk dient zij tot verzameling van het zuid- 
westelijk daarvan uit den grond komende water. De grond is 
daar week en aanmerkelijk verwarmd. Een thermometer, daar- 
in geplaatst, toont op verscheidene plaatsen 1089 F., 1120 F., 
1200 F. Maakt men daar, waar men 1209 F. warmte waar- 
genomen heeft, eene kleine opening, zoo is deze spoedig met 
mineraalwater van 124,3° F. of 51,289 C. warmte aangevuld, 
waarbij men hier en daar ook sporen van aardolie waarneemt. 
De temperatuur van het in de vermelde ovale kom bevinden- 
de water was Î{3,5° F. en bij gevolg reeds aanmerkelijk ver- 
minderd. 

Het in de kom zich verzamelende water loopt in oostzuid- 
oostelijke rigting door eene tweede kleinere kom van onregel- 
matige gedaante en verliest zich, na eene genoegzame hoeveelheid 
water aan het badhuis te hebben afgegeven, in de omliggende 
rijstvelden. 

De hoeveelheid water, die deze kom oplevert, is aanmerke- 
lijk. Gemiddeld heb ik in 4 sekonden tijds Î Ned. kan water 
verkregen , dat is 21600 N. kannen ’s daags. 


zelfde tijdstip plaats. Bij de 2de en 3de waarneming moesten de barome- 


terstanden van Weltevreden, om reden deze ’s morgens 94 uur afgelezen 


waren, op hef uur van waarneming te Tjipannas worden overgebragt, 


waartoe mij de 3 jaarlijksche waarneming te Weltevreden, in den Istenen — 


2den jaargang van dit tijdschrift voorkomende, gemiddelde cijfers hebben 
gegeven; de op deze wijze niet te ontwijken fouten zijn klein en kunnen 
naauwelijks meer dan 4 milimeter bedragen. 
de Iste waarneming gaf 3413,8 rijnl. voeten hoogte. 
de 2de Ne 55 3428,3 op ss d 
de 3de 3 … 3368,4 „ Nn 5 
Dus gemiddeld 3404 rijn). voeten. 


177 


In de kom was het water tijdens mijn bezoek den 26sten 
Oktober 1851 in gezelschap der heeren Berrker en Van DEN 
Booaaarp, bijna geheel met wieren bedekt. Deze weggenomen 
zijnde, vertoonde het water, in de kom gezien, eenen witach- 
tigen tint. In eenglas gezien was het echter bijna geheel helder. 
Blijf het zoo eenigen tijd staan, dan vormt zich een gering 
praecipitaat. | 

De smaak van het water is flaauw, weinig zuurachtig, iets 
adstringerend ; reuk zeer flaauw naar zwavelwaterstofgas; soor- 
telijk gewigt 1,00322, bij 28° C. temp. Blaauw lakmoespapier 
kreeg in de wel eene roode kleur; buiten haar werd het we- 
der blaauw. 

De kwalitatieve analijse heeft de volgende stoffen aangetoond 
Koolzuur, Zwavelzuur, Jodium, Chlorium, Potassa, Soda, 
Kalkaarde, Bitteraärde, Yzerprotoxijde, Kiezelaarde, Aluinaar- 
de, Zwavelwaterstofgas, sporen van Org. zelfstandigheden en van 
Mangaanprotoxijde. 

Gekookt zijnde, werd het water onder ontwikkeling van kool- 
zuurgas troebel; er vormde zich een witachtig praecipitaat. 
Tot droogwordens toe uitgedampt en het zout met gedestilleerd 
water behandeld, bleek uit het onderzoek van het filtraat en 
van het onoplosbare gedeelte, dat de bitteraarde, het ijzerprot- 
oxijde en gedeeltelijk de kalkaarde als koolzure zouten in het 
water aanwezig zijn, waaruit de zamenstelling der overige be- 
standdeelen van zelf blijkt. 


Kwantitatieve analyse. 


Î. Bepaling der Vaste deelen. 


195,651 grm. water uitgedampt, gaven na zacht gloeijen 
0,715 erm. zout. 
100 erm. water 0,36545 grm. 


2. Bepaling van het Zwavelzuur. 


195,651 grm. water gaven 0,192 grm. gegloeide zwavelzure 
barietaarde ; 


178 


100 grm. water 0,09813 grm., waarin 0,03372 grm. zwa- 
velzuur. 


9. Bepaling van het Jodium. 


Ah2,A. germ. gaven 0,0015 grm. gedroogd joodpalladium, be- 
vattende 0,00105 grm. jodium ; 
100 grm. water 0,000237 grm. jodium. 


A. Bepaling van het Chlorium. 


195,651 grm. water gaven bij Î00° C. gedroogd chloorzil- 
ver wegende 1,114 grm; 

109 grm. water 0,5694 grm. chloorzilver, waarin 0,00044 
grm. joodzilver, hetwelk afgetrokken 0,56894 grm. chloorzil- 
ver geeft, waarin 0,14064 grm. chlorium. 


5. Bepaling van het Potassium. 


257,41 grm. water gaven bij 1009 C. gedroogd chloorplati- 
na-chloorpotassium , wegende 0,2385 grm. 
100 grm. water 0,0927 grm., waarin 0,0283 grm. - chloor- 
potassium, bestaande uit 0,01345 grm. chlorium en 
0,01485 „ potassium. 


0,0283 grm. 
6. Bepaling der Kiezelaarde. 


Het zout in de Îste bepaling verkregen, bevatte kiezelaarde, 
gegloeid 0,019 grm. wegende. 
_ 100 grm. water 0,009711 grm. 


1. Bepaling der Aluinaarde. 


Het filtraat der kiezelaarde met chloorammonium en ammo- 
nia behandeld, gaf 0,006 grm. gegloeid praecipitaat; wederom 
opgelost, is het door potassa-oplossing ontleedbaar in 0,0042 
_grm. aluinaarde en 0,0018 grm. ijzeroxijde. 
100 grm. water bevatten dus 0,00215 grm. aluinaarde. 


179 


8. Bepaling van het Koolzuur gzerprotoxijde. 


195,651 grm. water gaven volgens de 7de bepaling 0,0018 
grm. iijzeroxijde, voor 100 grm water 0,00092 grm. bedra- 
gende en beantwoordende aan 0,001334 grm. koolzuur ijzer- 
protoxyde, waarin 0,000506 grm. koolzuur. 


9. Bepaling der Kalkaarde. 


Het filtraat der aluinaarde gaf bij 1009 C. gedroogde oxalas 
calcis wegende 0,266 grm. 

100 grm. water dus 0,13596 grm., waarin 0,05215 erm. kalk- 
aarde. 


10. ‘Bepaling der Bitteraarde. 


Het filtraat der oxalas calcis gaf 0,0814 grm. gegloeide phos- 
phorzure bitteraarde. 
100 grm. water 0,0416 grm. bevattende 
0,01524 grm. bitteraarde, gevende met 
0,01626 „koolzuur. 


0,03150 koolzure bitteraarde. 
Af. Bepaling der Zwavelzure kalkaarde. (gìps). 


| 100 grm. water bevatten 0,03372 grm. zwavelzuur, 
gevende met 0,0236 „ _kalkaarde. 
en 0,01517 


tewater. 


0,07249 „ zwavelzuur kalkaar- 
dehydraat. 


12. Bepaling der Koolzure kalkaarde. 


100 grm. water bevatten 0,05215 grm. kalkaarde; 
aan het zwavelzuur is gebonden 0,0236 grm.; afgetrokken, 
blijft 0,02855 grm., gevende met 
0,02243 „ koolzuur. 


0,05098 … koolzure kalkaarde. 


180 


13. Bepaling van het Joodpotasstum. 


In 100 grm. water zijn 0,000237 grm. jodium. 
gevende met 0,000073 „ potassium. 


0,00031 _„ joodpotassium. 
14. Bepaling van het Chloorpotassium 


100 grm. water bevatten 0,01485 grm. potassium; aan het 
jodium is gebonden 0,00007 grm.; afgetrokken, blijft 0,01478 
grm., gevende met 0,01339 grm. chlorium 0,02817 grm. chloor- 
potasstum. 


15. Bepaling van het Chloorsodium. 


In 100 grm. water zijn 0,14064 grm. chlorium; aan het po- 
tassium is gebonden 0,01339 grm.; afgetrokken blijft 0,12725 
grm. chlorium, gevende met 0,08352 grm. sodium 0,21077 grm. 
chloorsodium. 


16. Bepaling van het Koolzuurgas. 


289,6 grm. water versch uit de bron genomen , met ammo- k 
nia en chloorcalcium behandeld, gaven 0,424 grm. bij 1009 C. — 
gedroogde koolzure aarde, bevattende 0,1643 grm. koolzuurgas; 
voor 100 grm. water 0,05673 grm. bedragende; hiervan is ge- 
bonden aan de kalkaarde 0,02243 grm. 

bitteraarde 0,01626 „ 


te zamen 0,03869 „ 
afgetrokken van de geheele hoeveelheid, blijft 0,01804 grm. 
=9,105 kub. c. bij 0° temp. 0,76 meter druk of 12,16 kub. c. 
bij 51,280 C. en 0,6757 meter druk, (druk en temp. waarin de — 
minerale bron verkeert.) 


17. Bepaling van het Zwavelwaterstofgas. 


3975 grm. uit de bron genomen water werden met amijlumpap ; 
en jodiumtinktuur behandeld; het benoodigde jodium woog 0,0612 _ 
_grm., beantwoordende aan 0,00826 grm. zwavelwaterstofgas. 


181 


100 grm. water dus aan 0,00021 grm. =0,136 kub. c. bij 0° 
temp. en 0,76 meter druk of=0,181 kub. c. bij den druk en 
temp. der bron. 


Resultaat. 
100 grm. water bevatten grm. 
Koolzure kalkaarde : E 0,05098 
…„ __bitteraarde 0,03150 
„ _ iijzerpotoxijde Ö 0,001354 
Zwavelzure kalkaarde (gips) 0,07249 
Joodpotassium aA 0,00051 
Chloorpotassium 8 0,02817 
Chloorsodium 0,21077 
Kiezelaarde ì 0,009711 
Aluinaarde 0,00215 
0,407415 
Koolzuur (12,16 kub. c. … 0,01804 
Zwavelwaterstofgas (0,18 kub. c.) . 6,00021 


Totaal 0,425665 
Koolzuur mangaanprotoxijde sporen. 


Org. zelfstandigheden (1) 


’ 


(1) Toen het mij in het jaar 1844 toegestaan was, eenigen tijd tot her- 
stel van gezondheid te Tjipannas te vertoeven, heb ik gedurende dien tijd 
eenige aanteekeningen omtrent deze minerale bron gehouden en eenige 
flesschen water vergaderd, die kort daarna te Batavia tot een scheikun- 
dig onderzoek dienden en welk onderzoek opgenomen is in het Natuur- en 


geneeskundig archief voor N. I. 2den jaargang. Bij de berekening van het eind- 


resultaat daarvan zijn enkele fouten ingeslopen, namelijk wat aangaat de za- 
menstelling der zwavelzure zouten. Het zwavelzuur is met de kalkaarde en 
niet met de soda en potassa vereenigd. Alle bitteraarde is in het water als 


koolzure bitteraarde aanwezig, zoo als mij latere proeven geleerd hebben. 


Ik heb het daarom doelmatig beschouwd, de toen verkregen analijtische 
nitkomsten op nieuw te berekenen; zij waren de volgende. 
1. Van 781,25 grm. water verkreeg men 2,830 grm. zout, 100 grm. wa- 
ter 0,36224 grm. 
2. Van 347,22 grm. water, 0,002 grm. joodzilver; 100 grm. water 0,000576 
grm., waarin 0,00031 erm. jodium. 


182 


Ongeveer 250 schreden zuidelijk van deze minerale bron, be- 
vindt zich eene tweede, westzuidwestelijk van hef landhuis, in 
de nabijheid eener kleine beek gelegen. De bodem van een 
boven haar opgerigt badhuis is met houten planken belegd, 


3. Van 781,25 grm. water 4,26 grm. gesmolten chloor- en joodzilver; 100 
grm. water 0.54528 grm.; afgetrokken het joodzilver, blijft 0,5447 grm., 
waarin 0,13438 grm. chlorium. 

4, Van 781,25 grm. water 0,699 grm. gegloeide zwavelzure barietaarde; 

100 grm. water 0,08947 grm., waarin 0,03075 grm. zwavelzuur. 
‚ Van 781,25 grm. water Ì,==0,192 grm. koolzure kalkaarde. 
2045085 | 
0,6473 grm.; 100 grm. water dus 0,083 
grm. waarin 0,0464 grm. kalkaarde. 
6. In 100 grm. water zijn 0,03075 grm. zwavelzuur; 
gevende met 0,02153 „ kalkaarde 
en 0,01384 „ water. 


Lb) 


0,06612 grm. gips. 
7. In 100 grm. water zijn 0,0464 grm. kalkaarde; gebonden aan het @ 
zwavelzuur is 0,02153 „5; afgetrokken. 


. 


blijft 0,02487 grm. gevende met 
0,01954 „ koolzuur. 


0,04441 grm. koolzure kalkaarde. 

8. Van 781,25 grm. water verkreeg men 0,786 grm. chloorplatina-chloor= — 
potassium; beantwoordende aan 0,24036 grm. chloorpotassium; 100 
grm. water bevatten dus 0,03076 grm.; waarin 0,016137 grm. potassium. — 

9. 100 grm. water bevatten 0,00081 grm. jodium , 

gevende met 0,00009 „ potassium. 


0,0004 grm. joodpotassium. 
10. 100 grm. water bevatten 0,016187 grm. potassium; 
aan het jodium is gebonden 0,00009 „, afgetrokken. 


blijft 0,01604 grm., gevende d 
met 0,01454 „ chlorium. Ä 


0,03058 grm. chloorpotassium. 
11. 100 grm. water bevatten 0,13438 grm. chlorium; 
gebonden aan het potassium is 0,01454 „ afgetrokken, ik 


nmmr 


blijft 0,11984 grm. gevende 0,1985 grm. chloors 
sodium. Mi 


188 


tusschen welker spleten het minerale water met eene warmte 
van {25,89 F. opkomt en zich in een verzamelingsbak ter grootte 
_van 2,7 Ned. el lengte, 2,4 el breedte verzamelt. De hoeveel- 
heid water, die daar verkregen werd, bedroeg in een half uur 
1036 Ned. kannen of 49728 N. kannen ’s daags. 
Smaak en reuk van dit water zijn bijna evenzooals die van 
het water der bovengemelde bron. Het kwam mij voor, dat de 
smaak iets meer adstringerend en minder zuurachtig was. 


12, Van 781,25 grm. water verkreeg men 0,520 grm. gegloeide phosphor- 
zure bitteraarde; 100 grm. water dus, 0,06656 grm., bevattende 0,01496 
grm. magnium, beantwoordende aan 0,05052 grm. koolzure bitteraar- 
de, waarin 0,02608 grm. koolzuur. 

13. Voor 100 grm. water verkreeg men 0,0005 grm. aluinaarde. 

0,00142 „ koolzuur iijzerprotoxijde 
0,01481 „ kiezelaarde. 

14. Van 781,25 grm. water verkreeg men 2,100 grm. zwavelzure bariet- 
aarde, welke aan de geheele in het water aanwezige hoeveelheid 
koolzuur beantwoordt; voor 100 grm. water 0,2688 grm. bedragende 
en beantwoordende aan 0,0507 grm. koolzuur; na aftrekking van het- 
geen aan de kalkaarde, bitteraarde en het ijzerprotoxijde gebonden is , 
blijft 0,00455 grm. of 2,32 kub. c. bij 0° temp. en 0,76 meter druk. 


Resultaat. 


\ 


100 grm. water van 1,00197 soortelijk gewigt bevatten. 


grm. 

Koolzure kalkaarde , é . 5 : Ô ; 0,04441 
5 bitteraarde \ b 4 3 , / ; 0,05052 

n ijzerprotoxijde n 5 Â 5 5 0,00142 

_ Zwavelzure kalkaarde (gips) N : - â 5 0,06612 

Joodpotassium 7 6 ; : NE é 0,00040 
Chloorpotassium - 2 à 5 RS s 0,03058 
Chloorsodium ® jp k f ; , S 0,1985 
Kiezelaarde ' Ee } : 3 8 ; 0,01431 
Aluinaarde A 5 p - . 3 0,0005 
0.40676 

Koolzuur ö ° . : j ë 0,00455 
Koolzaur mangaanprotoxijde sporen. 


Org. zelfstandigheden. ; é ' ni . ò 


184 


Voorts was het, in een glas gezien iets helderder, en hef 
praecipitaat, dat zich gedurende het staan aan de lucht vormde, 
scheen ’mij toe geringer in hoeveelheid te zijn. Scheikundig 
heb ik dit water niet onderzocht; de zamenstelling er van zal 
echter weinig van die der onderzochte bron verschillen. 
Eene derde, ongeveer 160 voeten oostelijk van de eerst ge- 
noemde welliggende, heb ik deze keer niet kunnen zien, ver- 
mits al de omliggende rijstvelden onder water stonden. Wan- 
delft men langs de dijken dezer velden, dan ontwaart men op « 
vele- plaatsen uitzijpelingen van mineraalwater, met sporen van _ 
aardolie bezwangerd. 
Deze bronnen zijn in het jaar 1744 ontdekt en door S. C._ 
Krier scheikundig onderzocht. Dit onderzoek gaf niet slechts — 
opheldering omtrent de soort, waartoe dit water behoort, maar — 
ook van de verhouding der in gedestilleerd water oplosbare E) 
en onoplosbare zouten der vaste bestanddeelen; zoo kwamen 5 
op Î once, Î drachme en 6 grein oplosbare zouten, 3 drach- 5 
men en Î2 grein onoplosbare, eene verhouding, die slechts \ 
weinig verschilt van de thans waargenomen resultaten en welk 
verschil meer of min afhankelijk zal zijn geweest van het niet 
behoorlijk droogen van het zout, alvorens het gewogen werd. 
Zie Verhandelingen van het Bat. Genootschap van kunsten en we- 
tenschappen Sste deel pag. 87. 


Warme minerale bronnen, voorkomende op de noordnoord- 
oostelgke helling van den Gedeh, ter hoogte van 6775 
rijnl. voeten. 


Op de noordnoordoostelijke helling van den Gedeh, ter hoog- 
te van 6775 rijnl. voeten boven de zee, 4 palen beneden den 
top van den Pangerango, langs den weg, dien men volgt om 
van Tjipannas (het buitenverblijf van den gouverneur generaal) 
den top van genoemden berg te bereiken, komt men bij deze 
warme bronnen, die uit 19 rotsgaten van verschillende grootte 
te voorschijn komen, eene beduidende hoeveelheid mineraal 


165 


water opleveren, verscheiden kleine watervallen vormen en zich 
vervolgens in n. w. rigting in een diep, romanesk ravijn stor- 
ten, wolken van waterdamp verspreidende. 

Het mineraalwater komt daar uit eene poreuse, lavaächtige , 
echter harde trachietsoort, waarvan de buitenste korst zwart van 
kleur, gedeeltelijk dof is, gedeeltelijk metaalglans bezit, week 
is en met een mes gemakkelijk afgeschrapt kan worden. Bij 

het medegebragt exemplaar had de korst gemiddeld de dikte van 
een millimeter en bestond uit de door het minerale water af- 
gezette deelen, betrekkelijk weel mangaanorijdoryduul bevatten- 
de, zoodat zij op verscheidene plaatsen eenen zwarten potlood- 
achtigen metaalglans en voorts de volgende eigenschappen be- 


zit. 

Zij geeft een zwartachtig-bruin poeder, wordt na gloeijing 
meer zuiver bruin en bezit eene zuiver bruine streek. Met 
soda in de oxijdatievlam behandeld, werd eene blaauw groe- | 
ne, met phosphorzout eene amethistkleurige parel gevormd, 
de laatste in de herleidingsvlam de kleur verliezende. Het poe- 
der wordt door gekonecentreerd koud zwavelzuur gedeeltelijk met 
roode kleur opgelost; met gekoncentreerd zoutzuur werd het 
opgelost onder ontwikkeling van chlorium met bruine kleur, 
bij verwarming eene ongekleurde vloeistof gevende onder af- 
scheiding van kiezelaarde. De zoutzure oplossing met ammo- 
nia, chloorammonium en geel zwavelammonium behandeld, gaf 
een vleeschrood praecipitaat van zwavelmangaan, in overmaat van 
zwavelammonium onoplosbaar. 

Het mineraalwater zelf is zonder reuk, van flaauwen smaak 
en 1,0013 soortelijk gewigt bij 27° CG. warmte. De temperatuur 
heb ik wel aan de plaats zelve bepaald doch de aanteekening 
8 daaromtrent heb ik na mijne terugkomst te Batavia niet meer kun- 
gf nen vinden. Volgens den heer HasskanL bedraagt zij 1249 F. = 
Pst,1e C. (1). De barometerstand tot 0® herleid bedroeg den 
W27sten Oktober ’s middags 2, uur 596,35 mm. terwijl de temp. 
Pder lucht 17,3° C. toonde. 


(1) Zie Tijdschrift voor N. Indië 3den jaargang 2de deel pag. 341. 


186 


In een platinaschoteltje verwarmd, ontwikkelden zich slechts _ 
enkele gasblazen van koolzuur. Het water bleef aanvankelijk 
helder. Tot de helft uitgedampt, werd het troebel, terwijl een 
wit praecipitaat zich vormde; tot droogwordens toe uitgedampt, 
verkreeg men een wit, hijgroskopisch zout, gedeeltelijk van ku- _ 
bieken vorm, gedeeltelijk uit naaldvormige kristalletjes bestaande. 

Door behandeling met gedestilleerd water zonderde men de _ 
daarin onoplosbare deelen af,‚ die uit Kiezelaarde en weinig 
aluinaarde met sporen van gzeroxyde en mangaanprotoxide 
bestonden. Het filtraat bevatte chlorium, zwavelzuur, potassa, 
soda, kalkaarde, bitteraarde en sporen van org. stoffen. 


Kwantitatieve analyse. 


1. Bepaling van het Chlorium. | 

195,276 grm. water gaven bij 100° C. gedroogd chloorzilver _ 
wegende 0,157 grm. j 
100 grm. water 0,0804 grm; waarin 0,01987 grm. chien | 


2. Bepaling van het Zwavelzuur. 


' 130,184 grm. water gaven bij 1009 C. gedroogde zwavelzu- 
zure barietaarde , wegende 0,227 grm. | 

100 grm. water dus 0,17437 grm., waarin 0,059913 grm. 
zwavelzuur. 


3. Bepaling der Kiezelaarde. 


130,184 grm. water met zoutzuur uitgedampt, het zout zwak 
gegloeid enz , gaf 0,016 grm. gegloeide kiezelaarde; 
100 grm. water 0,01229 grm. 


4, Bepaling der Aluinaarde. 


Uit het filtraat der kiezelaarde verkreeg men 0,00125 grim. 
gegloeide aluinaarde, een spoor ijzeroxijde bevattende. | 
100 grm. water dus 0,00096 grm. 


5. Bepaling der Kalkaarde. 


Het filtraat der aluinaarde gaf 0,112 grm. bij 100° C. Se 
droogden oxalas calcis. 


187 
100 grm. water 0,08603 grm, waarin 0,033 gem. kalkaarde. 


6. Bepaling der Bitteraarde. 


Het filtraat van den oxalas calcis gaf 0,064 grm. bij 100° C. ge- 
_droogde phosphorzure bitteraarde-ammonia, na gloeijing 0,02976 
grm. wegende; 

100 grm. water 0,02286 grm, bevattende 0,00838 grm. bit- 
teraarde. | 


1. Bepaling van het Koolzuur mangaanprotoxiyde. 


259,5 erm. water met eenig salpeterzuur tot op een klein 
volumen uitgedampt, genoegzaam chloorammonium en koolzuur- 
vrije ammonia in overvloed bijgevoegd, onder afsluiting der 
lucht gefiltreerd, bij het filtraat geel zwavelammonium gevoegd, 
na eenige uren digestie op eene warme plaats gefiltreerd, het 
praecipitaat met zwavelammonium houdend water gewasschen, | 
vervolgens met zoutzuur en gedestilleerd water behandeld, eeni- 
gen tijd verwarmd, het filtraat met overmaat van koolzure so- 
da ontleed, gaf koolzuur mangaanprotoxijde, op een filtrum 
verzameld en gebrand 0,0023 grm. mangaanoxijdoxijduul ge- 
vende, bevattende 0,00166 grm. mangaan. 

100 grm. water dus 0,00064 grm., gevende 0,001335 grm. 
koolzuur mangaanprotoxiyde. 


8. Bepaling der Potassa. 


260,368 grm. water op de behoorlijke wijze behandeld, gaf 
bij 1009 C. gedroogd chloorplatina-chloorpotassium, wegende 
0,056 erm. k 

100 grm. water dus 0,02151 grm, bevattende 0,00657 grm. 
elhoorpotassium, beantwoordende aan 0,00415 grm. potassa. 


9. Bepaling der Zwavelzure kalkaarde. 


100 erm. water bevatten 0,033 grm. kalkaarde, 
gevende met 0,04715 „ zwavelzuur. 
en 0,02121 „ water. 


0,10136 grm. gips. 


188 


10. Bepaling der Zwavelzure potassa. 


In 100 grm. water zijn 0,00415 grm. potassa. 
gevende met 0,00352 „ zwavelzuur. 


0,00767 grm. zwavelzure potassa. 
11. Bepaling van de Zwavelzure soda. 
f00 grm. water bevatten 0,05991 grm. zwavelzuur; 


aan de kalkaarde is gebonden 0,0472 germ, 
> » Potassa „„ » 0,0035 „ En | 


0,0507 grm.; afgetrokken van de 
geheele hoeveelheid, blijft 0,00924 grm , gevende 0,01647 grm. 
zwavelzure soda. | 
| 12. Bepaling van het Chloormagnium. 

100 grm. water bevatten 0,00838 grm. bitteraarde, 
beantwoordende aan 0,00512 grm. magnium, 
gevende met 0,0144 _ „ _chlorium. 


0,01952 erm. chloormagnuum. 
13. Bepaling van het Chloorsodium. 


100 grm. water bevatten 0,01987 grm. chlorium; aan het 
maguium is gebonden 0,0144 grm ; afgetrokken blijft 0,00547 _ 
srm, gevende 0,00906 grm. chloorsodium. 


Resultaat. 

100 grm. water bevatten 
Zwavelzure potassa. s } e 

Gi soda - É 5 

4 kalkaarde (gips) . : : : 
Chloorsodium s k $ 
Chloormagnium 8 : 5 : 8 
Kiezelaarde / - 
Aluinaarde 


Koolzuur mangaanprotoxijde . 


189 


Koolzuurgas zeer geringe hoeveelheid 
Koolzuur ijzerprotoxijde- sporen. 
Org. zelfstandigheden pn 


Door het gehalte der mangaanverbinding is dit mineraalwater 
zeer belangrijk , voornamelijk door de vorming van het man- 
gaanoejdowijduul, hetwelk zich in eenen-meer aardachtigen vorm 
als eene korst op de steenen afzet waar bet water te voor- 
schijn komt en waar het er over heen loopt, 


De warme bronnen Tjipannas by Lembang in de Preanger- 
regentschappen. 


Om deze bronnen te bereiken, volgt men van het land- 
huis van den heer Paripprav te Lembang, 3963 rijnl. voeten 
boven zee gelegen, in gemiddeld noordoostelijke rigting eenen 
weg door weelderig groeijende koffijtuinen, vervolgens in ge- 
middeld zuidelijke rigting een voetpad van ongeveer een paal 
lengte in een wild romaneskravijn, passeert de rivieren Tjiki- 
warin en Tjikidang (f). Na 597 rijnl. voeten gedaald te 
zijn, bevindt men zich bij deze bronnen. De afstand dezer 
bronnen van het landhuis Lembang bedraagt ongeveer 3! 
palen. 

Een der bronnen ligt een el verwijderd van den noordelij- 
ken oeverrand der rivier Tjikidang, die, verscheidene water val- 
len vormende, zich eene bedding in de zuidelijke helling van 

den Tankoeban prahoe gegraven heeft, bestaande het terrein 
aldaar uit konglomeraatrotsen, trachietrotsen en uit lavaächti- 
gen trachiet, die allen de menigvuldigste ontledingsperioden 
doorloopende, een belangrijk geognostisch voorkomen hebben. 

Deze bron, door eenen steenen dam van de rivier geschei- 

den, en 3366 rijnl. voeten boven zee gelegen, is door de zorg 


(1) De rivier Tjikidang heeft verscheiden benamingen; daar waar zij in 
de nabijheid van Bandong den bekenden waterval vormt, is haar naam 
Tjikapoendoeng; meer naar haren oorsprong toe, heet zij Tjikoekoe. 


Hi. 14 


190 


van den heer kontroleur Van Raerpe van OupsnoorN met bamboe 
afgeschut, van een afdak voorzien en de bodem met houten 
planken belegd, tusschen welker spleten het mineraalwater 
onder ontwikkeling van eene groote hoeveelheid koolzuurgas 
met eene warmte van 114,69 F. —=45,9° C. opborrelt. 
| De wel stelt eene vierkante opening daar van 2,2 el lengte, 
1,1 el breedte en 0,2 el diepte en levert eene zeer groote 
hoeveelheid water. Brengt men blaauw lakmoespapier in het 
water, dan wordt het onmiddellijk rood gekleurd; aan de lucht 
echter wederom blaauw. Rood lakmoespapier ondergaat, in 
de wel gehouden, geene verandering, doch wordt daarna buiten 
de wel blaauw. 

Het water is aan de bron zonder reuk en van prikkelend 
zuurachtigen eenigzins inktachtigen smaak. Bij 26,5° C. warmte is 
zijn soortelijk gewigt 1,00152. Tot droogwordens toe uitgedampt, 
ontwikkelt het rijkelijk koolzuurgas, wordt troebel, en einde- 
lijk verkrijgt men na drooging een wit een weinig geelachtig 
zout, gedeeltelijk van kristallijnen, gedeeltelijk van meer aard- 
achtigen vorm. Op platinadraad in de binnenste vlam gehou- 
den, kleurt het de buitenste geel; in gedestilleerd water is het 
zout gedeeltelijk oplosbaar; het filtraat reageert alkalisch , ont- 
wikkelt, met een zuur overgoten, weinig koolzuurgas en bevat 
voorts chlorium, soda en potassa in weegbare hoeveelheid, 
terwijl zwavelzuur en jodium slechtsals sporen daarin bevat zijn. 

Het in gedestilleerd water onoplosbare gedeelte is tot op kiezel 
aarde en organische zelfstandigheden na oplosbaar in zoutzuur. 
Het filtraat bevat in weegbare hoeveelheid gzeroxzijde, aluin 
aarde, kalkaarde en bitteraarde, en voorts nog sporen van man-- 
gaanprotozijde. à 


Kwantitative analijse. 


Bepaling van het Chloor. 


a. van 195,387 grm. water verkreeg men 0,045 grm. bij 100e 8 
C. gedroogd chloorzilver, bevattende 0,011124 grm. chloor. ° 
b. van 130,258 grm. water 0,031 grm. chloorzilver, waarin _ 
0,00766 grm. chloor. 


- 191 


100 grm water bevatten volgens a =0,0057 grm. chloor. 
4 b=0,00588 „ 


gemiddeld =0,00579 „ 
2. Bepaling der Koolzure soda. 


260,516 grm. water werden tot droogwordens toe uitgedampt, 
verhit, met gedestilleerd water behandeld, gefiltreerd, het filtraat 
naauwkeurig met zoutzuur verzadigd, uitgedampt, zwak ge- 
gloeid, met water opgenomen en met salpeterzuur zilveroxijde 
behandeld. Het gevormde chloorzilver bij 100° C. gedroogd, woog 
0,250 grm. en beantwoordt aan 0,0618 grm. chloor, voor 
100 grm. water 0,02372 grm. bedragende. 


100 grm. water bevatten volgens de Íste bepaling 0,00579 
grm. chloor; het verschil = 0,0f793 grm. chloor beant- 
woordt aan 0,011127 grm. koolzuur, 
gevende met 0,015816 „ soda. 


0,026943 „ koolzure soda. 
3. Bepaling van het Chloorpotasstum. 


187,472 grm. water gaven bij 100° C. gedroogd chloorpla- 
tina-chloorpotassium , wegende , 0,042 grm , bevattende 0,61285 
grm. chloorpotassium. 

100 grm. water dus 0,00684 grm, waarin 0,60325 grm. 
chloor. 

A, Bepaling van het Chloorsodium. 


De geheele hoeveelheid chloor in 100 grm. water bedraagt 
0,00579 grm; aan het potassium is gebonden 0,00325 grm; 
afgetrokken, blijft 0,00254 grm, gevende 0,00421í grm. chloor- 
soduum. | 
| 5. Bepaling der Miezelaarde. 


Van 325,645 grm. water verkreeg men 0,053 grm. gegloeide 
iezelaarde, voor 100 grm. water 0,01627 grm. bedragende. 


6. Bepaling der Aluinaarde. 


Van 325,645 grm. water verkreeg men 0,0105 grm. gegloet- 


192 


de alwinaarde; voor 100 grm. water 0,00322 grm. bedragende. 
7. Bepaling van het Koolzuur úzerprotoxide 


Van 325,645 grm. water verkreeg men 0,012 grm. gegloeid 
ijzeroxijde; beantwoordende voor 100 grm. water aan 0,003685 
grm., gevende 0;00534 grm. koolzuur üzerprotozijde, waarin 
0,00203 grm. koolzuur. | 

8. Bepaling der Koolzure kalkaarde. 

Van 325,645 water verkreeg men bij 1009 C. gedroogden 
oxalas calcis wegende 0,189 grm. en beantwoordende aan 0,0725 
grm. kalkaarde , 

voor 100 grm. water 0,02226 grm. bedragende en 
gevende met 0,01749 „ koolzuur. 


0,03975 grm. koolzuren kalk. 
9. Bepaling der Koolzure bitteraarde. 


Van 325,645 grm. water verkreeg men bij 1009 C. gedroog- 
de phosphorzure bitteraarde-ammonia, wegende 0.180 grm.; 
hiervan gaven 0,1585 grm. door gloeijen 0,125 grm. phosphor- 
zure bitteraarde; bij gevolg 0,180 grm. 0,14196 grm., waarin 
0,05201 grm. bitteraarde. 

100 grm. water beantwoorden dus aan 0,01597 grm. bitter- 
aarde. gevende met 0,01704 grm. koolzuur 0,03301 grm. 
koolzure bitteraarde. 


10. Bepaling van het Koolzuurgas. 


195,021 grm. versch uit de bron genomen mineraalwater 
onmiddellijk met ammonia en chloorcalcium behandeld, gaven 
0,6825 grm. koolzure aarden; hiervan gaven 0,263 grm. met 
zoutzuur boven kwik in een cilinder glas behandeld, vochtig 
koolzuurgas, hetwelk herleid tot O° temp. en 0,76 meter B. 
na aftrek van den waterdamp 47,897 kub. c. bedroeg = 0,094 
grm. koolzuurgas. 0,6825 grm. koolzure aarden bevatten dus 
0,24628 grm. koolzuur, bedragende voor 100 grm. mineraal 
__ water 0,12629 grm. 


195 


In 100 grm. water is koolzuur gebonden. 
aan de soda =0,0l{13 grm. 
> S  kalkaarde =0,01749 „ 

„ _»„ bitteraarde =0,01704 „ 
„ _iijjzerprotoxijde =0,00203 „ 


te zamen =0,04769 grm. en afgetrokken van 
de geheele hoeveelheid, blijft 0,0786 grm. =39,669 kub. c, 
bij O° temp. en 0,076 meter B.—of 52,224 kub. c. bij de temp. 
(45,90 C.) en druk (0,674 m. B.) waarin de bron verkeert. 


Pi Resultaat. 
100 grm. water bevatten nj grm. 
Koolzure soda Ä } s 5 : : 0,02694 
„ __kalkaarde ; ; 3 0,05975 
„ _bitteraarde PE, k ® 0,03301_ 
„ __ iijzerprotoxijde 5 8 k d 0,00534 
Chloor potassium 2 - À À / 0,00684 
Chloorsodium ; À £ 2 0,00421 
Kiezelaarde . 4 N : 0,01627 
Aluinaarde 3 : : 0,00322 
| Totaal der vaste deelen. _ 0,13558 
Koolzuurgas (52,224 kub. c.) - 0,0786 


en de volgende niet kwantitatief bepaalde stoffen: 
__ Koolzuur mangaanprotoxijde, 

Zwavelzure potassa, 

Joodpotassium , 

Zwavelwaterstofgas, 

Org. zelfstandigheden. 

Dampte men 195,387 grm. water tot droogwordens toe uit en 
gloeide men de vaste deelen eenigen tijd bij eene „matige hit- 
te, dan verkreeg men 0,19 grm. vaste deelen , voor 100 grm. 
water 0,009724 grm. bedragende; voegt men hierbij de aan de 
kalkaarde en bitteraarde beantwoordende hoeveelheid koolzuur en 
voorts het verschil der hoeveelheid ijzeroxijde en koolzuur ijzer- 
protoxijde, dan verkrijgt men 0,13343 grm.; — een resultaat , 


” 


194 


hetwelk slechts 0,00215 grm. afwijkt van de bovenvermel- 
de cijters der vaste deelen. 

_Eenige schreden hooger in westelijke rigting van deze bron 
borrelt op verscheiden plaatsen warm mineraalwater uit 
den grond en vormt een halfrond bekken van 12 voeten leng- 
te en breedte, 3 voeten diep water bevattende. De rivier Tjiki- 
dang stroomt achter een gedeelte van dit bekken en is bij wij- 
ze van eenen dam door een konglomeraatachtige steenmassa er 
van gescheiden en valt met eenen kleinen waterval tegenover 
de boven beschreven warme bron in dit bekken en vermengt 
het mineraalwater met veel stroomend rivierwater. Daar ziet 
men in de rivierbedding ook groote konglomeraatrotsen die 
tijdens mijn bezoek (den 3Ôsten Oktober 1851 in gezelschap 
der heeren Patrepeau en BreekKer) met bloeijende melastoma- 
ceën en varens bedekt waren. De geheele, niet onbevallige, om- 
streken dezer plaats pronken met een weelderigen plantengroei, 
waaronder al dadelijk eenige vijgen, varens en aronskelken in 
het oog vallen en liefelijk afsteken bij het meer eentoonige groen | 
der dikke wouden van de omliggende bergruggen. 

Overal in dit bekken ziet men koolzuurgas zich in eene 
groote hoeveelheid ontwikkelen, voornamelijk op eene plaats, 
die door eenen steenen dam eenigzins afgescheiden is van het 
water des bekkens; hier borrelt in groote hoeveelheid mine- | 
raalwater op van dezelfde warmte, als reeds boven vermeld 
is. Zit men eenige oogenblikken op dezen steenen dam, om 
b. v. de warmte van het water te bepalen, dan wordt men 
spoedig bedwelmd. Eene brandende obor er over gehouden, 
blijft voort branden, hoezeer minder goed dan in de zuivere 
lucht. Dit mineraalwater is van dezelfde zamenstelling, als dat 
der onderzochte bron. 

Volgens opgave van den heer Van Raerepe van OupsHoorn bevin- 
den zich langs de rivier nog meerdere zulke warme bronnen, 
welke hier ter plaatse hunnen hoogsten graad van ontwikkeling 
schijnen bereikt te hebben. De inlanders maken met goed ge- 
volg gebruik van dit water, voornamelijk bij huid- en sijphili= 
tische ziekten. 


N 4 
dh 5, k; dk 


kid ee PEES | 
wi id Me en k 


M 
ek, 
t 
de. 


E/ . 
$ Ep veh gene 
vri _ 
ï 
Br. 4 ph, Jer N 
& NH é ef bor ks 1 £ Zed 
1 CES Jh _ dent! 
4 7 f 7 Ae Ì 
ET | cn A En) & 
/ ad Ld 
{ EJ 4 5 d A 
Pe . ze / H rs r t 
Er Rd OA 
DA} Pat, _ ke ke » Agt 
Le r RAE Lo el Re % 7 
d eN TE: kaai as, Dende. la en prs hi koe biert be 
ie r hi fade 
de ds & é 
ï Je je " 3 d 
k í E Y 
1 b a | 
EÀ MOEN 7 _ ï } 
ï $ î id N 
a Ì 
En dl RE N ij 
vete pe Mei Vai: Sh 
Me Zj Gij: 
Eid gn | 
" 4 Fi 
DN ij Ei roc Sateh hdd 
se benaderd Biedlink dn doin EE zr 
y ) / | 
eme ie A £ Berg, Jetten) Gi 4 
Ë FAT 4} t 
At ee 8 d Ee _ 
zij, pe id ke % ds | 
ek - =i és, 
Y il Dl à \ 
ER RRRS 6 ENT, 4 
> hes k N pe ' 
bd we f 
diane éne 
* 
; E, -… Es j ij j “is zek ra d 
D . \ en 
“ ke \ Bs: kds wi is 
, et al heil h N Jp ee Ì { id 
Á ° Kl 4 A Nr % 
is vi $ | p 5 t AV] 
4 A N 
4 n hike kde Ld 
En Dj) 7 En Red N ‘ í ’ 


7 nat 
5 

ri] 

GO Ee 
Ee 

ir 

PS 

En, 

Rad 

gE, 

_ 


Hd ERE ADR eh 5 AR 

d “ p . % 
Wp ï iet dj 
ehs EEN ka) Hì ER nen: 
s 5 Ver al 

Nj pn Ei ef ‘ à 48, bi k EN | 

AOR îy deni ond ‚k Gts uk Bers ORE 
ik ts d ik AT tk ; Te 


ring jas Rn K. we) RE, ag ia MUG. TE Al rik / 
« d pt gef st Ù Ne sl | Ak dt ot, 

id a de. Sepia 

vids # Ie “ n4ake2 | 


atd ze id at: bent Hel DE I 


ef 


{n 


stent var:dnd wats! 
ade af, blend, breid 
mans ef Mt iik Ai dine afs 


. 
rh. lln dh dh EE TP, 


Tabel A. 


| 


“Chemische zamenstelling van eenige 


NAMEN DER 


Koffijgronden in de residentie 


TUINEN. 


KADOE. 


Poerwotjatjor Ketanon Tagalsahari 
HAS, ter diepte van ter diepte van ter diepte van 
DER S 
BESTANDDEELEN. E À 1e 
1 voet. 2 voet. | 5 voet. | 1 voet. 9 voet, 5 voet. 1 voet. 2 voet. 5 voet. 
gemiddeld gemiddeld gemiddeld 
TTE NN TONEN, PN 
Humus, plantenoverblijfsels 6.19 7.58 4,42 
enz. 5.56 pt. 5.68 pCt.) 7.54pCt.| 7.46 pCt.| 7.57 pCt. 7.90 pCt} 5.56 pCt.) 4.46 pCt} 5.45 pCt} 8 
/ / Dt 
Sn 0.023 » Ù oost» 0,026 » 
EE Soda $ 5 
5 Kalkaarde niet on- | 0.006» | nieton- | nieton- | 0.019» | nieton- | nieton- | 0.050» | niet on- 
5 | Gips derzocht. | 0.054 » | derzocht. | derzocht. | 0.015 » f derzocht. | derzocht. | 0.005 » { derzocht, ( | 
5 
& | Chloor 0.054 » 0.044 » 0.050» j | 
S\ Kiezelaarde 0.002 » 0.002 » ® | 
= / Kalkaarde IJ 0:85 pCt.) 0.52 » | 0.78pGt./ 0.44pCt.\ 0.55 » | 0.55 Ee 1.05 pCt.) 1.74 » | 1.01 pCt 
re] 
S| Gips 2 0.075 » ? 2 0.085 » ? 0.112» ® 
8 Magnesia ? 0.15 » P 2 0:08 » ? 0.17 » ( lt 
5 IE 
5 Aluinaarde 5.25 7.59 » | 4.76 » | 7.04 » (10.01 »p | 6.14 » | 5.70 » | 5.65 »l | 
en 14.91 » z | 
=$ IJzer verzuursel 4,64 y 5.20 » / | 
zE 4.50 » 5.07 » | 582 » 5.55 5.92 » 5.21 »/ 
5 | Phosphorzuur 0.107 » 0.055 » 0.020» | 
Z | Kiezelaarde 2.94 » | 201 » | 216 » | 256 » | 55 » 2.54 » | 5.57 » | 2.14 )) 
5 
2 5 | 
S “oss 0.67 » 0.54 » 5 0.62 » ( 0.25 » | 
5 \ Soda k \ 
80.92 » 175.78 » (77.06 » 80.64 » 175.91 » 270. 89 pCt.l85.19 » [82.87 » 82.56 » 
En oplosbaar delete, ain | 
zand, enz, | 
BEOO 100 100 100 100 100 100 100 100 
Tijdens de analyse bevatten 
de gronden de nevenstaan- | 
de hoeveelheden water 5.67 plt.| 6.77 pGt.| 9.74 pCt.) 6.52pCt.| 8.50 Bee pCt.) 2.54pCt.| 4.80 pCt.) 4.77 pCt. 


mmm mmm mmm 
Het watergehalte is, bij de bovenstaande uitkomsten, niet in rekening gebragt, maar vooraf van het gewigt der 4 
alleen voor twee voet diepte in de drie eerstgenoemde gronden bepaald geworden, omdat er voor een en drie voet diepte 


duiden mede aan: 


p niet onderzocht,” — De grond van Tagalsahari is, in meerdere opzigten, de schraalste van allen, 


Si- 
Selo= ; Sekarlingo. 
\ gedong P 
retah Kradjang. 
van 
48/49 HE ir dlink ì Leer 
L vt. diepte. : 
D Pp Od Jonge tuin. 
47 pCt. (18.75 pCt. | 10.78 pCt. | 9.76 pCt. [11.24 pCt, 
)06 » } 0.015 » 0.006 » | 0.026 » 
—= 0.008 » 0.028 » 
Í 0.012 » 0.011 » 
)52 » 0.022 » 0.037 » 0.010 » 0,015 » 
J02 » 0.017 » |_0.008 » 0.005 » sporen. 
—- — 0.052 » 7 7 
IMEC 9) 0.77» 0:62 » 0.75 » 0.66 » 
[19 » 0.129 » 0.255 » 0.090 » 0.120 » 
0» ( 0.08 » 0,52 » 0.20 » 
10.20 » 5.08 » 4,86 » 586 » 
» 
| 7,54 » | 4,07 » 605 » | 651 » 
D) | ? ARS) 1750) | 2.66 » 
D) | 0.57 » 0.26 » | 0,55 » 
» 622 5» W725 » 17616 » |7257 »p 
Ë 100 100 100 100 
| 
9.5(pCt. 5.86 pCt. | 5.90 pCt. | 9.16 pCt, | 6.95 pCt, 
ron) afgetrokken. — De in water oplosbare zouten zijn 
niefveel verschil te verwachten was, — De vraagteekens 


| 


UITTREKSEL UIT EEN VERSLAG 


OVER 


DE OORZAKEN DER UITSTERVING VAN KOFFIJ- 
BOOMEN IN DE RESIDENTIE KADOE, 


} DOOR 


Dr. P.F. H. FROMBERG. (1) 


Zamenstelling der gronden. 
hd 


Deze blijkt uit de bijgevoegde tabel A. 

Op deze tabel komen ook voor de resultaten onzer onder- 
zoekingen van vijf andere koffijgronden van Kadoe, namelijk , 
uit de tuinen: Kradjan, sSelo-gretah, Si-gedong , Sekarlingo 
(oude en nieuwe aanplanting). 


Deze meerdere onderzoekingen heb ik gemeend te mogen 
ondernemen, zoowel om onze kennis van Kadoe-gronden eenig 
zins uit te breiden, als om ook eenig verband uit te vinden 
tusschen den staat van het gewas en de zamenstelling dier 
gronden. Lager, bij de aanduiding van de meest gewigtige 
der in tabel A. opgenoemde stoffen, zal ik tevens het gewas, 
200 als het zich in het laatst van 1849 bevond, kor telijk be- 


er 


8 kh Dit verslag is der Natuurkundige Vereeniging aangeboden door 
het 
Ô 


Souvernement ter plaatsing in dit Tijdschrift. 


Rep. 


196 


Bij het onderzoek der drie eerstgenoemde gronden is het 
gebleken, dat zij eene aafimerkelijke hoeveelheid trachietgruis 
bevatten. Dit is alleen reeds daarom een nadeel, dewijl het 
waterhoudend vermogen der gronden er zeer door verminderd Ì 
wordt. Andere nadeelen, van ankie aard , zal ik straks 
pogen aan te wijzen. 

De voornaamste bestanddeelen, op tabel A voorkomende, 
en waartoe ik de vrijheid neem de aandacht te bepalen, 
zijn: | | 

f. de oplosbare (alkalische) zouten. 

2. het phosphorzuur. 

3. het zwavelzuur. 

4. de magnesia. 

5. de kalk. ° 

6. de organische stof (humus en plantenvezels). 

Vooraf een paar woorden over het nut en de werking der 
minerale stoffen in den bodem. | | 

Zaden, in eenen grond geplaatst, die geene minerale stoffen _ 
bevat, en met gedestilleerd water bevochtigd, spruiten slechts 
weinig uit, sterven spoedig, en de plantjes bevatten dan juist 
zoo veel en dezelfde zouten, als ue zaden, waaruit zij zijn 
opgegroeid. | 

Dit bleek uit de proeven van WircmanN en POLSTORFF (prijs 
schrift, Göttingen 1842), welke kers in fijngeknipt platinadraad 
zaaiden. 
‚ Ook uit die van en (Erdmann’s Journal v. 1850, No. 

10), welke gerstenzaad in koolpoeder legde, dat verkregen 
was van kandijsuiker. | 

Ook is de groei hoogst gebrekkig, wanneer er wel minera- 
le stoffen, maar niet van de vereischte soort, in den bode ì 
zijn. b 

De tabak, die de heeren Wri1ecmanN en Porsrorrr in goet 
uitgewasschen kwartszand zaaiden, bekwam slechts vier bla 
den, en de plant werd niet grooter dan vijf duim, zonde 
stengel gevormd te hebben. | 

Bij onderzoek bleek het, dat het zand volstrekt geen phoë 


FE 


ê 
. 


197 


‚ phorzuur, zwavelzuur en chloor bevatte, welke stoffen allen 
in gewonen tabak voorkomen. | 

Het verband tusschen dit, weinig opgroeijen , spoedig uitster- 
ven en afwezig zijn van minerale stoffen, springt duidelijk in 
het oog. 

De oorspronkelijke vruchtbaarheid des bodems hangt gedeel 
telijk af van de minerale stoffen, die deze bevat; daarin be- 
staat haar nut. 

De wyze van werking dezer stoffen is minder zeker bekend; 
maar als de meest waarschijnlijke neem ik aan : dat de afwe- 
zigheid of hetgebrek dier stoffen in den bodem de plant doet 
kwijnen; dat deze daardoor hare normale funktiën, waaronder 
‚het bloeijen en het voortbrengen van vruchtbaar zaad de hoogste 
of eindresultaten zijn, niet meer kan verrigten; de inhoud der 
cellen zet zich op andere wijze om dan bij de getonde plant, 
hij vervalt allengs in gewone chemische ontleding, waardoor 
de plant sterft. 


À Î. De oplosbare (alkalische) zouten. 

__ Het schijnt weinig meer te betwijfelen, dat deze zouten, 
welke iedere voor den plantengroei geschikte grond in op- 
losbaren toestand moet bevatten, ook in hunnen aard niet 
onverschillig zijn voor bepaalde plantensoorten. 

_ De zouten van potasch en soda komen hier het meest in 
aanmerking. Evenzeer nu, als verschillende planten dezelfde 
minerale of anorganische stoffen in verschillende verhoudingen 
opnemen, evenzeer schijnt het zeker, dat één dezer beide al- 
Bkaliën (potasch en soda) bij uitsluiting of bij voorkeur door be- 
paalde plantensoorten wordt opgenomen. Zoo vindt men in 
den aardappel enkel potasch, en geene soda; in de, tot heden 
nog zoo weinig onderzochte koff, is de potasch althans hef 
grootelijks overwegende, zoo niet het eenige vaste alkali: 
en volgens de leer der phijsiologie, dat de planten, in norma- 
Blen toestand, alleen datgene opnemen, wat zij opnemen moe- 
ten, om haar bepaald karakter te verkrijgen en te behouden, 
HI. 15 


198 


kan geene plant daar in volkomenen staat groeijen, waar zij Ì 
de haar benoodigde stoffen niet kan opnemen. 

De asch van zeewieren bevat 16 tot 22V, perct. potasch 
en toch is er slechts eene zeer geringe hoeveelheid potasch in 
zeewater aanwezig, en daarentegen zeer veel soda. Het 
chloor daarentegen, dat een der hoofdbestanddeelen van het 
zeewater is, vindt men in sommige zeewieren slechts in zeer 
geringe hoeveelheid. Ook is het bekend, dat de kustplanten _ 
niet tieren op gronden, die meer binnenwaarts gelegen zijn; | 
op gronden, die enkel potasch en geene soda bevatten. 

Zoo blijkt het, dat eene plant, in de mogelijkheid zijnde, 
om de haar eigene soort (en hoeveelheid?) van een alkali in 
hare cellen op te nemen, daaraan voldoet, ook bij de zeer o- 
verwegende hoeveelheid van een ander alkali, ten einde in. 
normalen teestand te kunnen voortgroeijen. Indien de grond 
fe veel oplosbare zouten bevat, dan kan dit voor den planten- 
groei nadeelig zijn. Zulks schijnt althans te volgen uit eene 
proef, genomen door Maanus (Erdmann’s Journal v. 1850 NO 
10), reeds boven aangehaald. Hij heeft namelijk eene zekere 
hoeveelheid kool, verkregen van witte kandijsuiker (en die 
slechts een spoor van minerale stoffen bevatte), deels op zich 
zelve, deels met eene zekere hoeveelheid der gewoonlijk in 
vruchtbare aarde voorkomende zouten vermengd, tot kweek 
grond aangewend. De verhouding dier zouten tot de kool be= 
liep, in zeven verschillende proeven, van ff, tot 15!) pts 
waarbij 5 perct. zouten van potasch en soda. \ 


De zaden wilden hierin niet groeijen, dan nadat het mee 
rendeel der oplosbare zouten door water was uitgetrokken. 

Ook in grof gestooten veldspaath, met 10 perct. der gewon 
anorganische bodem-zouten gemengd, wilde geen zaad opkos 
men. | 

Het blijkt dus, dat eene te groote hoeveelheid dezer zoute 
schadelijk is voor den plantengroei; en inderdaad , ofschoon 
hun volslagen gemis dien groei onmogelijk maakt, is 
toch slechts weinig van noodig in direkt oplosbaren staat 
Maaenus zaaide gerst in enkel, deels zeer fijn gemalen, veld. 


hets Á 
| 
d 


E 199 


„ Spaath, en verkreeg ontwikkelde gerstenplantjes, een van twin- 
tig duimen hoog en met vier rijpe zaden. 

De anders vrij aanzienlijke hoeveelheid potasch, die het 
veldspaath bevat, is in eenen bijna onoplosbaren toestand aan- 
wezig, en kon eerst bij zeer kleine gedeelten door den invloed 
der atmosfeer oplosbaar gemaakt worden. Eenige proeven 
van Worrr, mij eerst zeer Onlangs bekend geworden (Erd- 

‘mann’s Journal 1850 No. 17 en 18), geven eenige aanduiding, 
hoeveel oplosbare alkalische zouten voor eenen bodem genoeg, 
en tevens het maximum is, om een zeer aanzienlijk produkt 
te bekomen. 

__ De uitkomsten waren als volgt: 


Van Keukenzout 1200 à 1800 kil. per hektare of 0,048 pCt. 
tot 0,072 „ 
_ „ Soda 860 Dn os ORO USA 
_ » Zwavelzure soda 1200 SNr, > of0,018 „ 
\ „ Potasch 2160 Vat > _0f0,086 „ 
A Salpeter _ 1200453800, „ „ of0,018 „ 
8 Lob LG 
_» Zwavelzure magnesia 1000 RT > of0,040 „ 
B Kalk 900 41600, „ a TORO 


_ Dit is berekend voor zes duim diepte. De grond van een 
hektare (à 10000 o meters) bij een soortelijk gewigt van 1,5, 
ter diepte als boven, weegt ongeveer 21), millioen kilogrammen. 
| Terwijl hier, aan den eenen kant in aanmerking komt, dat 
elk der bovengenoemde zouten in meer dan de aangegevene 
hoeveelheden gebezigd, eene vermindering van produkt veroor- 
zaakte, zoo moet, aan de andere zijde, vermeld worden, 
dat de proefgrond gevormd was, door opbrenging van eene 
zeven duim dikke laag ijzerhoudend kies, terwijl de onder- 
grond zandig was. Op meer humus- en kleihoudenden bodem 
zou zeker eene veel grootere hoeveelheid dier zouten aanwend- 
baar en nuttig geweest zijn, en indien deze zouten allen te ge- 
dyk met den grond waren vermengd geworden, dan had hun- 
ne hoeveelheid zeker nog veranderingen kunnen ondergaan. 
“9. Het Phosphorzuur en 


9. Het Zwavelzuur. 

Deze zijn mede geheel onmisbare bestanddeelen van eenen 
bouwgrond, en wel om redenen, overeenkomende met die, hier- 
boven voor de akaliën aangevoerd. De planten, door WreeMann en 1 
Porsrorrr in zuiver kwartszand gezaaid, namelijk wikken, gerst, 
haver , boekweit, tabak en klaver , groeiden allen kommerlijk, ga- 
ven geen zaad en stierven spoedig. | 

De beide bovengenoemde zuren waren niet in het kwarts- 
zand aanwezig. Zij zijn in alle planten bevat, en deze moe- 5 
ten ze dus in den bodem vinden, waarin ze zullen groeijen. 
De lager aan te voeren uitkomst van het onderzoek der kof- 
fij, in het laboratorium alhier uitgevoerd, zal het gezegde ook 
op deze plant toepasselijk maken. 

Wat hoeveelheid betreft, van het eerstgenoemde zuur kan 
een bouwgrond zeer veel bevatten, zonder nadeel voor het ge- j 
was, omdat het in den bodem steeds ín moeijelijk oplos-_ 
baren toestand voorkomt, hetzij met kalk of met ijzeroxijde 
en aluinaarde verbonden. 

Dit mag ook voor het zwavelzuur gelden, dat bijna enkel in 
de gedaante van gips (zwavelzuren kalk) in den bodem gevon- 
den wordt. Ik herhaal weder, dat dit enkel geldt, zoo er ge- ' 
noeg humus aanwezig is; want deze heeft eenen belangrijken_ 
invloed op de verbindingen en werking der minerale stoffen in 
den grond. 4 

hi. De Magnesia en 

5. De Kalkaarde | 

zijn mede onontbeerlijke grondbestanddeelen, doch in ee | 
tweeledig opzigt. | 
1°. als onmiddelijk voedsel voor de planten, en 
20, als dienende ter verbetering van den phijsischen toestand. 

des bodems. | 

Deze schijnt daarvan eene veel grootere hoeveelheid zonder 
nadeel voor de planten, ja met voordeel, te kunnen bevatten, 
dan van de eigenlijke alkalische (potasch- en soda-) zouten. 5 

Dit geldt vooral van den kalk, doch weder alleen bij aan= 
wezigheid van genoegzamen humus. Ik heb eenen zeer vrucht- 


201 


£ baren grond uit Surreij (in Engeland) geanalijseerd, die At 
perct, en eenen anderen uit de vlakte van Athene, die 38 perct. 
kalk in verbinding met koolzuur bevatte. 

6. De Humus 
eindelijk is voor den grond van zeer wezenlijk belang. De 
door praktijk gevestigde overtuiging hiervan bij de landbouwers 
is later, niettegenstaande de tijdelijke overstemmende tegen- 
spraak van een’ Duitschen scheikundige, ook door wetenschap- 
pelijke proeven en onderzoekingen bevestigd geworden. | 

Het nut en de werkingswyze dezer stof is veelsoortig, en 
hangt voornamelijk af van hare voortdurende ontleding, waar- 
door een deel in oplosbaren- toestand overgaat of in de be- 
kende bodemzuren veranderd wordt. 

Daardoor ontstaan verbindingen met de verschillende mine-_ 
rale stoffen in den grond en met de stikstof, die door middel 
van den humus in amvmondakverbindingen overgaat. 

Tevens is de humuseen krachtig middel tot openmaking van 
den grond, en tot vermeerdering van zijn waterhoudend, en 
water en zuurstof-opnemend vermogen; eindelijk tot afwe- 
ring der overmatige warmte. 

Eene korte opgave moge dit verduidelijken. 


ed ED ri 
te GANDA Ege ‚| Vermogen om water 

Ee © w Ke el 

o Ne SS Av op te nemen. 

De © 95 es eg 

Pz] == Dr Dv 

Ee L ie: ss rte Te EEEN ed 
oE ZES SS ISES 
‚ Namen der stoffen. EN ORN 5 2e 8 a 2 

A Se ed 5 5 

H° laas) se le8S| 8 zi 
| LE dbsel® Ib Ë =r 
ê» | Kl Zl os d N= 
| | „je [&S 
w 1 | | 
ror 0 | 1,6 | 95,6 25 | 20 } drie à vier. 
Kalkzand. … 0; 5,6 100 29 20 uren. 
Thoon- of aluingrond.| 400 | 15,3, 66,7 | 70 | 80 | 20 24 uren 
Koolzure magnesia. 11,5 | 17,0 | 38 | 456 | 
umus, - 8,7 | 20,3 49 | 190 , 100 | 1 à 2 uren. 


at #l 


… De laatste kolom duidt aan, dat in den genoemden tijd de 


202 


opneming van water geeindigd, dus de stof met water verza- 
digd was. 

Deze getallen behoeven bijna geene verklaring. 

Men ziet er uit, dat humus slechts #/,, der vastheid heeft van 
thoon, ruim 12 maal zoo veel zuurstof. opneemt als zand , 
bij gelijke hitte van de lucht ongeveer de helft minder ver- 
warmd wordt dan zand, bijna 8 maal zoo veel water terug- 
houdt, en in de halve tijdsruimte 5 maal zoo veel water op- 
neemt. 

De belangrijkheid van eenigen dezer eigenschappen verdient 
nog eene korte uiteenzetting. 

Vermengd met thoon, eene in sommige opzigten en voor som- 

mige planten zoo voordeelige grondsoort, verbetert de humus _ 
het nadeel van te grooten zamenhang; aan zandgrond deelt hij k 
een grooter vermogen mede om zuurstof uit den dampkring Ä 
op te nemen, waarmede steeds eene geringe hoeveelheid | 
ammonia vermengd is, terwijl hij tevens de verwarming van 
den grond door de zonnehitte matigt, en zijne aantrekking van | 
het water verhoogt. 

Het is verder bewezen, dat die opneming van zuurstof ver- 
meerdert met den staat van vochtigheid des gronds en dat zij 
bij droogen grond geheel nul wordt; zoo ook toeneemt, 
met de vermeerdering van warmte en van licht, dat is, van \ 
de helderheid der lucht. fi 

De humus mag dus gezegd worden, zoo zij niet ten eene 
male door digten plantengroei overschaduwd is, in gelijkelijk 
klimmende mate geschikt te worden (en dus den grond geschikt 
te maken), voor twee, tot de goede ontwikkeling der wortels 
zoo noodige werkingen t.w. opneming van en chemische vers 
binding met zuurstof en vasthouding van water, het vereischte 
oplosmiddel voor het voedsel der planten. Deze twee eigen= 
schappen worden versterkt, door dat de humus betrekkelij 
weinig warm wordt, zoodat hij bijna enkel de gunstige werking 
der warmte, namelijk de bevordering der opneming van zuurs 
stof, ondervindt. | 

Een paar vergelijkende proeven zijn alhier gedaan, omtrent he 


„ water opnemend en terughoudend vermogen van twee koffij- 
gronden, namelijk uit tuin Tjikolle in Buitenzorg, die water- 
vrij 9f perct., en uit tuin Tagalsahari in Kadoe, die nog 
geene 4!/, perct. humus enz. bevat. 

De resultaten zijn deze. Tjikolle kan opnemen 77,3 perct. 
en Tagalsahari 36 perct. water. 

Hiervan was verloren: 


205 


door Fjikolle « Tagalsahari. 

na 48 uren 0,60 perct. 1,28 perct. 
OB dy, 1,80 »;, 1,84 „ 
ol) Ag de es, 3,29: 


Zoowel het water opnemend, als het waterhoudend vermo- 
gen is dus in Tjikolle veel sterker dan in Tagalsahari, en wel 
ten gevolge van het grootere humusgehalte. 

Doch van den humus is nog meer te zeggen. 

_ Eene zijner, niet het minst gewigtige, werkingen is het, die 
hij uitoefent in verband met de alkalische zouten en de, in den 
grond en in den dampkring aanwezige stikstof. 

Het is reeds herinnerd, dat bij een behoorlijk humusge- 
halte, de grond door eene groote hoeveelheid zouten van al- 
‚kaliën en kalk minder schadelijk voor den plantengroei wordt. 
Naar de zeer aannemelijke verklaring van den hoogleeraar G. J. 
Murper, worden deze minerale zouten, in de plant overgaande, 
van hun phosphorzuur en zwavelzuur beroofd, welke zu- 
ren verder in phosphor en zwavel veranderd, het plantenei- 
wit en andere proteïne-ligchamen helpen vormen. 

_De daartoe noodige organische bestanddeelen worden door 
een deel ammonia houdenden humus geleverd, en een ander 
deel humus helpt (door middel van de vrij gewordene alka- 
liën, kalk en magnesia) de zuren en andere stoffen voortbren- 
gen, waardoor zich de verschillende plantengeslachten ken- 
merken; zij treden er zelfs mede in chemische verbindingen. 
|_De bouwstoffen tot die eigenaardige voortbrengsels worden 
dus mede voor een groot gedeelte door den humus geleverd. 
\_ Om de door sommigen vooronderstelde werking van den hu- 
ius, als bron van koolzuur, eenigzins te beoordeelen, heb ik 


204 


en den zoo humusriijjken grond 


een der gronden van Kadoe, 


uit tuin Tjikolle, drie dagen lang met gedestilleerd water zon- 


der en met koolzuur, afzonderlijk behandeld. 


rij 


De uitkomsten daarvan zijn in tabel B opgeteekend. 


het volgende uit 


. 


zien er 


PETE red on 


ero loogoo | 967 an 
21100 06000 21000 18000 “annzjoavag 


63400 | 94700 


OTT00 09500 T8600 74000 EN 
08500 08700 00500 T0600 “yoserod ua (4) epos 
st q ueA Surjoysuourez of 
58700 | 00500 | S6500 } 07000 ai ee ed be, Ì 
57000 85000 | “tmnzaoydsoyd uo josannzaoAzozprf 
T7500 | 66000 | TS500 | FOLOO “TEI 57000 66000 “IPIYBUD 
67 T00 ZF TOO "Z[9ACAZ 89700 SST00 ‘opaegrozern 
stp ueA SuIjjorsuowez og 

: 08500 LvT00 | 'snwny oxeqsojdo uo mmnzrooy snq 
08600 | 08600 |_80400 | 802400 "burfiooyb op vu uo"q 

00TO | 09200 | O7STO | 06600 09910 | oTzTO | <80TO | 08800 “durssoydo ordurep 
—98jn Soorp Anoru do zap 191MaH) 
0vzoo | 'sd:3 | 08500 08700 | “PIT | 88500 “(topy) uororge® Snaar «o 
“Jore ur Sulssojdo 1apaa (ig 
00TO vcr0 vsTo £0T0 “uogojs ojetour mf 
£710 6800 9600 1809 |'snwny ue annzjooy :ymm opuveisog 
S850 5050 OT50 vSTO "uogors ojsojedo op ployrooAsop 
mmm 

“19}e AA “19JEA 
(raa amnzjooy | puopnoyamnziooy (tra mnnzrooy | puopaoysmnzjooy puot8 
jow prepueueg your propueyog uajsop 0QL Ut uojsoppueisog 


EEE MME TT DE ri En oe ne Conert pj eet 


ATTONICL IAVHYVSTIV9V L 


“uajoospuodb aam zin warysyougobpn Loya 
(an-annzg0oy uo puopnoy-unnzjooy Joop ualfoys aop zons opuoyligobuar ‘dq 190e1 


rr en 
' 
Er. 


Tagalsahari. 


behandeld 


met koolzuur 
minder opgelost: dit mindere bestaat 
alleen in anorganische of minerale 
stof. 

Het mede doorvloeijijjen van klei 
werd belet; eerst bij het uitspoelen 
met koolzuurvrij water vloeide we- 
der klei door. De in deze klei aan- 
wezige kalk werd niet door het 
koolzuur uitgetrokken. 

In de opgeloste zouten was meer 

‚ potasch en zwavelzuur, maar minder 
kalk. De kalk schijnt hier (door 
gebrek aan oplosbaren humus?) in 
een weinig oplosbaren toestand te 
zijn. 


Voor het chloor was geen verschil. 


_ niet aanwezig, dus ook hoogst 


zonder koolzuur 
Het meerder uitgetrokkene bestaat 
ten deele in mede doorgevloeide kleis 
Hierin is veel kalk. 


De hoeveelheid daarvan 


Ë was zeer groot; de drooge zoutmassa vervloeide; gips bijna 


weinig zwavelzuur. 


Tjikolle. 


dè met koolzuur 
_ minder opgelost, doch van het anor- 
p: ganische of minerale gedeelte alleen, 


smeer. 
Van potasch, en vooral kalk meer 
uitgetrokken, chloor insgelijks meer. 


{ 


ek 


__Voor het gips geen verschil; 


gelijk. 


behandeld 


zonder koolzuur 
meer organische stof opgelost, geene 
klei mede doorgevloeid. 


dus ook het zwavelzuur bijna 


De potasch en kalk zijn dus beiden in eenen ligt ontleed- en 


_oplosbaren toestand. 


Het uitwerksel derzelfde behandeling van deze twee grond- 
soorten, zoo verschillend in humusgehalte, is dus zeer ver- 
Schillend geweest, en ten aanzien der gemakkelijk oplosbare 


zouten, leert de vergelijking: 


206 


Dat er in den grond van Tagalsahari meer chloor, doch 
minder zwavelzuur en gips en minder potasch is, dan in dien 
van Tjikolle. 

Het chloor ís van de hier genoemde zelfstandigheden de 
minst gewigtige voor den plantengroei. [ 

Het is van veel belang, de hoeveelheid en den toestand 
der ligt oplosbare zouten te kennen. Ten aanzien der hoe- 
veelheid op de tabel aangeteekend, vraagt men: 

Is er in den grond Tagalsahari te veel van, in betrekking tot 
het humusgehalte ? 

Of wel, is deze grond geheel uitgeput te noemen ? 

De alkalische zoutmassais in Tjikolle even groot, en ik ge- 
loof daarom, dat er in Tagalsahari betrekkelijk te veel is. Wij 
hebben boven gezien, dat hiervan niet zeer veel behoeft aan- 
wezig te zijn, maar in Tagalsahari zien wij tevens eene groote 
vermindering der meest noodige oplosbare zouten. Dit leidt tot 
het besluit: dat in den laatstgenoemden grond eene algeheele, 
dadelijke uitputting bestaat, waardoor hij langen tijd voor het 
kweeken van planten ongeschikt zal zijn, ten ware er doelma- 
tige bemesting worde aangewend. 

Voor de gronden Ketanon en Poerwotjatjor geldt hetzelfde 
ofschoon in mindere mate, gelijk lager zal blijken. 

De vraag naar de grenzen van de hoeveelheid humus in 
vruchtbare bouwgronden, is niet wel algemeen te beantwoor- 
den. | | 

Ik heb gronden geanalyseerd, die meer dan 80 perct. hu- 
mus bevatten, ja tot 90 perct. toe, —ware veengronden, geheel 
ongeschikt voor den landboaw ; maar beneden dit maximum 
js voor het eene gewas nog nuttig, wat voor het andere — 
reeds onvruchtbaarheid veroorzaakt. 

Nog duidelijker spreekt dit in de minima. Haver en boek- 
weit tieren welig in gronden, die voor tarwe en knollen, 
wegens gebrek aan humus, ongeschikt zijn. Ook schijnen klei- — 
en leemgronden zich, over het algemeen, het verst van de 
_ beide grenzen te verwijderen. 

Maar van meer belang is de hoedanigheid van den humus, de 


Pd 


207 


hoeveelheid van het oplosbare gedeelte, dat zich met de anor- 
ganische stoffen verbindt. Door de voortdurende inwerking der 
dampkringslucht namelijk, wordt hij, bij kleine gedeelten, in 
eenen oplosbaren toestand gebragt; en het is de hoeveelheid 
van dat oplosbare gedeelte, die zijne dadelijke vruchtbaarheid 
bepaalt. 

De uitkomsten, die ik hier omtrent verkregen heb, met die 
van andere vruchtbare gronden zamengesteld, en vereenigd 
met eenen vergelijkenden staat der vroeger behandelde hoofd 
bestanddeelen van gronden, zijn opgeteekend in tabel C1. 

Een blik op de vier laatstgenoemde zelfstandigheden (de stik- 
stof en het water niet gerekend) kan het gezegde verduidelij- 
ken. 

De werking van koolzure ammonia kan beschouwd worden 
als, in zekere mate, overeenkomstig met die der dampkrings- 


Jucht; zij ontbindt ook de humuszure kalkzouten. 


Nu, Tjikolle heeft van dit humuszuur eene fwintigmaal groo- 
fen hoeveelheid opgeleverd, dan Tagalsahari. En vergelijken wij 
de laatstgenoemde grondsoort met die van Selogretah en 
Sigedong, beiden ook uit Kadoe, ten aanzien der veel sterkere 


werking van de koolzure soda, dan zijn de verkregene hoe- 


veelheden uitde twee laatsten meer dan honderdvoudig van die 
uit Tagalsahari, waarvan bovendien het uitgetrokken humuszuur 
eene (gansch ongewone) graauwgele, in plaats van zwartbruine 
kleur had. Daar nu in Sigedong het geheel der organische stof 
slechts vierdubbel en in Selogretah slechts dubbel is van 
dat in Tagalsahari, zoo is het blijkbaar, dat de hoedanigheid 
veel spoediger dan de hoeveelheid het minimum van vruchtbaar- 
heid bereikt, hetwelk wij bij Tagalsahari zien uitgedrukt. 

Tjikolle leert dit nog duidelijker, daar de werking der kool- 
zure ammonia meer overeenkomt met de natuurlijke omstan- 
digheden, dan die der koolzure soda. 

Doch voordat ik overga tot verdere aanmerkingen op tabel 


CL. moet iets gezegd worden over de tien grondsoorten, die 
nevens de drie onderwerpelijke Kadoe-gronden, op de tabel 
voorkomen. 


bad Le] 


è id 056'S | 008'sr| 0966 | 09T'6 006:e o98e |oge:e |oosr | ooe'g | 0249 "oyjeyadaore AA 
0660 0080 0550 0530 id ê CE Ed id ser 0 | OETO | 5400 JONS 
Oer 0858 |060'S 09608 OFGT T| 094'6 780'T OSL'8T\ 0473 [OSE TY | OEE L | 098'G “zuo_‘snur 


-ny “jojs ayostuedIo 1op 199yo5 


* 


ë é ê ë è À c 0cs'9 | O88'SG | 4700 é ê F8 A « « « 
ë É é 0970 é é ê ê id 5500 ë ê B 5 « oM & & & 
è é ê ê ë c ê é è 400'0 ë é “1 (‘uowwe oP BA EN OE 
0580 (0850 | O7O'T ‚ O97'O | 00T'O | OESO | 0460 | 5400 | OTE'O |938'O | 9T0'O | S40'0 | S7T'O « elsouse nf 
0840 088'0 \085'G 00G'O |STL'O | O4L'O [OET'O | 869'0 | 0840 'Z6TO | OTG'T | 564'O | 08G-0 « e opreene 
040°0 | O8T'O ë | 0670 é Ae é é ê d 050'0 | S50'0 | 4OT'O « % annziouydsoyg 
( 9GT'O 10400 | E5O'O | STO'O | SEO'O | £S0'O |6F0'O | 9700 | SEO'O | TEO'O “IBEQSOT 
ë 0600 | OF5'O -do annzjnozooz u1 ‘pT PI 
| 500 | 800'0 [900'9 | S00'O | 500'0 6000 | 8TO'O { 500'O | 900'0 | 7TO'O “zeegsordo 
Joye ur “(sd19' sye) annzjoac ag 
25 ê ë 10840 | 8400 fd ê ê ê 860'0 | 7ST'O | 6010 ‘epos uo yosezod 
5 utA uojnoz odegsojdo 1ojeA uy 
5) | 
EROTIC EDE EDEN TE EERE DEE ENE SEEN TE NELE FOREST EDE DIL TECE TVRL BET DECT DEE TAS CE GET KNS A OE PRN EDEN NELE RELOAD IE RN ARTE le SRE CEE 
ae | ‘uin} 
GS REN sene ai 
í 2 EP 8 5 5: 38 LR 5 2 ‘uojsoppueisog 
oLAUIAOIT pe Ze 5 8 5 Ae D 9 El 
ES cl ee 9 5 > e 9 
WasOUuIo YPS I, ‘oSulpIejag sr e 


- = 
“wapwagoad ur wopsoospuorb oumqyyonda dooz sjoop 
‘adopuw wpa ua “uopuoubd-aoppy atp op upa wopdoppumjsoqpfooy vop gomys opuoyliob.1o A ‚D Ieqel 


209 


Van No. 4 tot No. {0 zijn het alle Java-gronden, en wel 
met uitzondering van No. 10, allen uit Kadoe. 


In den regel zijn de in het wild groeijende planten net rijk 
aan stikstof en phosphorzure zouten. 

Kultuurgewassen, vooral die, welke tot voedsel dienen en op 
goed bemeste gronden groeijen, zijn daaraan veel rijker. Zij le- 
veren meer zaden, de hoofdzetels dezer gewigtige stoffen. Van 
daar dat de humus-rijke grond in de eeuwen-oude wouden 
verre is, van altyd tot voordeelige kultuur geschikt te zijn. 

Deze zoo genoemde geile gronden bevatten te veel water, le- 
veren te veel water aan de wortels, bevorderen te veel de 
snelheid van groei en den omvang van het gewas, ten koste 
van de hoeveelheid van zijne wezenlijkste of vruchtdeelen , 


dat is: van zijne hoedanigheid; en alleen door herhaalde be- 


planting met niet veel lommer gevende gewassen, kunnen zij 
eindelijk goede kultuur-gronden worden. 

De bovenlaag der gronden is niet alleen een woedend medium 
voor- maar ook een produkt van de daarop levende en sterwen- 
de planten. 

Uit het gezegde volgt dus daf, en blijkt de reden waarom, 
goed en met bemesting onderhoudene kultuurgronden, des te 
vruchtbaarder worden, naarmate zij langer worden bebouwd: en 
tevens, dat wefputting van den grond eene slechte kultuurwijze 
verraadt. 
| De humus der gronden verschilt in zijne zamenstelling naar 
den aard der planten, waaruit hij ontstaan is: sterven de plan- 
ten niet ter plaatse, waar zij gegroeid zijn, of verzuimt men 
een ekwivalent voor het in den oogst verwijderde gedeelte, als 
mest, aan den grond terug te geven, dan is witputting het nood- 


zakelijke gevolg. 


Over het nylslijk zal het, ter opheldering, voldoen te zeggen, 
dat dit bestaat uit de, van het Abijssinische gebergte afgespoelde 
en verweerde rotsfragmenten, bij het terugtreden der rivier ach- 


210 


tergelaten, en dat het groote vruchtbaarheid aan een gedeelte 
der delta van Neder-Egijpte geeft. 

De tschernosem of zwarte aarde, die in het zuiden en zuid- 
westen van Europeesch Rusland over eene verbazende uitgestrekt- 
heid tusschen 54° en 57° N.B. verspreid is, munt uit door haar 
produktief vermogen. Reeds bij zeer matige bewerking, brengt 
zij, zonder mest en vele jaren achtereen, 15 à 20 voudig zaad 
voort. De hennip en tabak van dezen grond zijn door al te 
weelderigen groei onbruikbaar en waar de grond bemest 
wordt, is alle landbouw onmogelijk; dáár groeijen enkel 
brandnetels van 10 à 15 voet hoogte. 

Slaan wij nu nog een vergelijkend oog op de overige stoffen 
in tabel C! genoemd, dan zien wij een algemeen nadeelig ver- 
schil tusschen hare hoeveelheid bij de drie Kadoegronden, 
Poerwotjatjor, Ketanon en Tagalsahari en die van Tjikolle, 
de tschernosem en het nylsljk. Vooral gewigtig is het groote 
gebrek aan zwavelzuur (als gips aanwezig), phosphorzuur en 
magnesia, in Tagalsahari en Ketanon. Van Kalk zou, zonder 
eene gelijktijdige toename van humus, eene belangrijke ver- 
meerdering niet raadzaam zijn, vooral met het oog op de 
straks te bespreken tabel E. 


Tabel E. 
Zamenstelling van het in verdund zeezoutzuur onoplosbare 
gedeette van de gronden. 


mn eee 


sore 8 8 

in 55 s 5 

. had emd dt tt 

Bestanddeelen in 100 deelen EE EE aken 
cs wr 

grond. E 5 23 58 

| deo ge o 

| oe P- En P 

| aak hand , 


Í 


Kiezelaarde. 5533 4415 5545 
Aluinaa de. 1720 1948 |metijzer- 3 2922 
Kalkaarde. 582 729 [verzuursel. } 614 
Magnesia. 097 111 085 
Zie boven. 


Potasch , soda en verlies. 775 834 


IJzerverzuursel. 1541 | 2022 
{ 
| 100 


Bece 


dirscil 


211 


Tevens blijkt uit tabel C°, dat de reeds geringe hoeveelheid 
magnesia in eenen onoplosbaren toestand is. 

Eindelijk, ten aanzien der voor den plantengroei zoo noodi- 
ge stikstof in den grond, zijn de verschillen hoogst aanzienlijk, 
en wel ongeveer in de volgende verhoudingen. 

Tschernosem (maagd. grond). ° . : ; 100 

Tjikolle (koffijtuin). 6 ; ë 8 ' 65 


Fschernosem (lang bebouwd zonder bemesting). . 30 
Nijlslijk. : : 7 Á Ù f 3 À 22 
Ketanon. 8 : 8 - 6 ' 13 
Tegalsahari. . . ‘ ë : 4 12 
Poerwotjatjor. é : ; 8 


Zonder deze stikstof, die door de wortelsponsjes in den vorm 
van ammoniak, en in verbinding met humuszuur wordt opge- 
zogen, kunnen de planten geen eiwit, enz., koffij bovendien 
geene caffeïne vormen, en zonder caffeïne geene koffij. 

Wij zien overigens uit deze tabel, en uit tabel C° zal dit 
nog verder blijken, dat van de drie onderwerpelijke gronden 
de een meer, de ander minder van zekere stoffen ontbloot 
is. 

Op tabel C? is de zamenstelling van het @n water oplosbare 
gedeelte der Kadoe-gronden en van Tjikolle opgegeven. Daar- 
uit blijkt onder anderen: dat Poerwotjatjor en Ketanon meer 
potasch en zwavelzuur bevatten, dan Tegalsahari, en daarin met 
Tjikolle kunnen wedijveren; welken zij echter, even als Tegal- 

__sahari, in chloorgehalte overtreffen. De geringe hoeveelheid, 
en vooral de toestand der organische stof in de twee eerstge- 
noemde gronden schijnt meer tot hunne onvruchtbaarheid bij 
te dragen, dan gebrek aan alkalische zouten. Het gips, door 
het zwavelzuur voorgesteld, is een voornaam bestanddeel; 
het is op zich zelf zeer weinig oplosbaar in water, meer bij 
tegenwoordigheid van humus (Î). Het chloorcalcium (ongeveer 


(1) Onder zijne bemiddeling is het voornamelijk, dat het gips door kool- 
zure ammonia ontleed wordt. Daarbij ontstaat de zeer oplosbare zwavel- 
zure ammonta; en deze is een der hoofdmaterialen ter vorming van de 
proteine- en andere stikstofhoudende ligchamen in de planten. 


1 
CONSIE ies 
Gors ss 
Tschernosem. RTS 
en > 5 
Ss AS ==) 
hb | 
ian = 
ses Ss 28 
E- 10 Al 10 © 19 
Bees 
Fm an > ded 
Nijlslijk. 5 
ie} 
mmm 
De 
Là 
el 
lj 
Nn el De © les 
1 et Rejkn ae en 
Tjikolle. appie Ee 
S Co ==) 


00264 
Kaak 
00331 
00017 

? 

P 
00498 
01110 
00224 


Tagal-saharie, 


Zamenstelling van het in water oplosbare gedeelte der drie Kadoe- 
gronden, en van eemge andere. 


En! TED LD OD emd [1D DOD 
DeNENE TiS 18 
Ketanon. 5 Sessa 
© SSS 
A AAA een | 
pretnet SS 
‚Poerwotjatjor. © SSSssle 
| s SSS 
D s 
EE: KZ 
Lb 
. 0 
2 ) 
vS 
=) 55 
© 28 
bh GE: 
Eh: Eh 
o >; 
A lie | 
5 en 
k ka Eesveen 
a = ed u 
dj Ë BE 38 
Pe] id NN 3 5 en 
== 7 TE DIE eg 
Ei) ® Dur rnoS sE | 
2 & Sos ED 
ei oo TtEoOd © u 8 


door het chloor voorgesteld), dat ik in Tegalsahari heb gevon- 
den, is wel hoogst oplosbaar, ook zonder de inwerking van hu- 
mus, maar het is niet voldoende ter vruchtbaarmaking, en 
kan eerder dan de andere stoffen nadeel doen, als het eenig-_ 
zins in hoeveelheid toeneemt. FP, 

Ik zou, op denzelfden voet voortgaande, ook vergelijkingen 
tusschen de drie onderwerpelijke en de overige, op de Cab 
voorkomende, gronden kunnen daarstelien. 


& 


215 


Doch kortheidshalve meen ik dit hier te mogen nalaten ; eene 
eenvoudige vergelijking der cijfers, vooral die tegen over de 
woorden phosphorzuur, zwavelzuur en stikstof geplaatst zijn, 
zal voldoen, om de armoede dezer gronden, ook in verge- 
lijking met andere, te erkennen. 


De gronden der tuinen Ketanon, Tegalbangle en Fjikolle, meer 
opzettelijk onder geheel dezelfde omstandigheden, en met ge- 
lijkelijk verdund zeezoutzuur analijtisch behandeld, hebben de 
uitkomsten opgeleverd, die opgeteekend zijn in tabel D. 


Tabel D. 


Vergelijkende staat van de zamenstelling der gronden Tjikolle, 
Tegalbangle en Ketanon, geheel onder dezelfde omstan- 
digheden behandeld. 


In 100 deelen. 


_Tjikolle. 
Tegal bangle. 


_ Onoplosbare Ben, zand, enz. 4791 7371 7876 
_Oplosbare kiezelaarde. 398 187 222 
_ Kalkaarde.. 047 043 083 
Magnesia. 043 097 099 
_Phosphorzuur ijzer. 144 038 012 
IJzerverzuursel. 415 337 432 
Aluinaarde. 301 454 263 
Organische stof, humus, enz. 3115 1473 733 
Potasch, soda en verlies. 146 280 


100 | 100 [100 


ik Wij zien hieruit overal het zeer opmerkelijke verschil, tus- 

schen de hoeveelheid oplosbare kiezel- en aluinaarde, alkalische 

zouten en het onoplosbare gedeelte, alles ten nadeele der gron- 

den uit Kadoe. 

Ô _ De in verdunde zuren oplosbare, alkalische zouten staan in 
HI 16 


214 


zekere verhouding tot de oplosbare kiezel- en aluinaarde, en 
beider oplosbare toestand is aan de inwerking van den humus 
toe te schrijven. 

Al deze stoffen werden uitgetrokken door zeer verdund zee- 
zoutzuur, van gelijke sterkte, en zij duiden eenigzins aan, hoe- 
veel voedsel na verbruik van het dadelijk oplosbare gedeelte, 
voor de planten spoedig bruikbaar zal zijn. 

Naarmate dus meer aluinaarde uit het onoplosbare deel 
der gronden uitgetrokken wordt, naar die mate vermeerdert 
ook hun waterhoudend vermogen en, ceteris paribus, de 
vruchtbaarheid. Ketanon bevat hiervan dê helft minder dan Te- 
galbangle, en slechts een vierde van Tjikolle. 

Boven heb ik gezegd, dat de drie hoofdzakelijk onderzochte | 
gronden van Kadoe voor langen tyd (niet voor altijd) onge- 4 
schikt zullen zijn tot eene voordeelige kultuur, en inder- â 
daad bevatten zij nog stoffen genoeg, die de vruchtbaarheid ver- E 
oorzaken, maar in eenen onoplosbaren, als het ware opgesloten, 
dus niet ín eenen dadelijk bruikbaren staat. De uitkomsten \ 
op tabel E. bijeengesteld, duiden dit aan:zij toonen aan de za- í 
menstelling van het in verdund zeezoutzuur uiet oplosbare ge- 4 
deelte dier gronden. De hoeveelheid kalk en alkaliën, daarin 
als weggelegd, is nog aanzienlijk, en ook van magnesia is 
er nog voorraad. Doch dit alles is voor de gewone inwerking 
der atmosferische invloeden slechts weinig toegankelijk, daar 


' 


die werking niet geholpen wordt door eenen aanhoudenden plan= 
tengroei, de bron van den humus, en dus mag deze schat van } 
vruchtbaarmakende stoffen met regt als bijna geheel weggesloten 
aangemerkt worden. Dit is te meer waar, omdat de ontbin Ì 
ding dier vastgelegde zouten gedurig moeijelijker wordt. B sl 
de eerste ontleding van het veldspaath in den grond, wordt 
een zoogenaamd onderkiezelzuur alkali, hetwelk oplosbaa 4 
is, door den regen uitgewasschen. Daar nu een onderkies 
zelzuur alkali eene verbinding is, waarin de verhouding vam 
het alkali die van het zuur overtreft, zoo moet die van het 
laatste in het overblijvende, niet opgeloste gedeelte, aanhoude 3 


toenemen. Naarmate dan de verhouding van het kiezelzuur te 


ER gr 
kre 


215 


gen over het alkali grooter wordt, vermindert ook de oplos- 
baarheid van het kiezelzure alkali (dat dan het bijvoegsel over, 
in plaats van onder bekomt). 

Men ziet hieruit, dat een zekere grond, in wolstrekten zin 
vruchtbaar, maar betrekkelijk onvruchtbaar kan zijn voor hetzelf- 
de gewas. Die betrekkelijkheid wordt gegeven door den tijd, 
“welke verloopen moet, om de elementen van vruchtbaarheid 
in werkzamen staat te brengen. 

Het zij hier kortelijk herhaald: dat de humus in de drie on- 
derwerpelijke gronden de.noodige hoedanigheid miste en te ge- 
ring in hoeveelheid wk, om tot oplosbaarmaking van het nog 
in den grond opgeslotene plantenvoedsel te kunnen mede- 
werken. Zij kon daarbij ook geene genoegzame afkoeling be- 
werken en geen vocht genoeg in den grond terughouden,. 
waardoor de, te allen tijde noodige, voorraad van voedsel in 
opgelosten toestand moet gehouden worden. Eindelijk, de 
hoeveelheid minerale stoffen, in water oplosbaar ‚„ schoon zeker 
dn massa niet te weinig, tegen over de geringe hoeveelheid hu- 
mus, bevatte niet of verre van genoegzaam, die zelfstandighe- 
den, welke voor den plantengroei, voor het kweeken van koffij 
in het bijzonder, noodzakelijk zijn. 

_ Een enkel woord nog, over de medewerkende voorwaarden 
fot vruchtbaarheid der gronden. Immers de grond zelf is niet 
de eenige oorzaak daarvan, maar Klimaat, ligging, weersgesteld- 
heid zijn wezenlijke hulpmiddelen. 

_ Bij gebrek van licht en warmte, of bij te grooten overvloed 
van vocht in de lucht, kan de vruchtbaarheid grootelijks afne- 
men, ook al bevat de grond de vereischte stoffen in oplosba- 
ren toestand en al zijn er reeds bladen aan de plant aanwe- 
zig. Er is dan te weinig of geene capillaire opstijging in den 
grond, geene verwaseming van de oppervlakte, geene of zeer 
weinig opklimming van vochten in de planten, wier cellen in- 
oud dan te waterachtig is, en ook geen aanvoer van mine- 
tale zouten. Men heeft dan tydelijke of ook periodieke on- 
chtbaarheid. Door witmergeling van den grond ontstaat be- 
slendige of blijvende onvruchtbaarheid, die echter niet alleen 


AR NA BE Een 
| AAN vre ê a 
hi Dn 


216 


hare graden heeft, maar ook voor verschillende gewassen ver- 
schillend begrensd is. 


Thans zal het noodig zijn, tot staving van het bovengezegde E 
over de ongeschiktheid der drie gronden voor de koffijkultuur, 
een en ander over de zamenstelling der koffij zelve te zeggen. 

Alleen bij zoo veel mogelijk, normale zamenstelling, kan 
eene plant gezond opgroeijen en vrucht dragen; de daartoe 
benoodigde minerale stoffen kan zij enkel uit den grond be-_ 
„komen. Wat wij dus aan minerale stoffen in de gezonde 
plant vinden, moet de grond waarin zij groeijen kan, in toe- 
reikende hoeveelheid bevatten. ! 

Die minerale stoffen verschillen zeer in de verschillende dee- 
len eener plant, en daar die verschillen, over het algemeen | 
genomen, vrij bestendig zijn, zoo mag men de, in elk hoofd-® 
deel dier plant voorkomende stoffen beschouwen, als aan 
haar eigen te zijn. 

Planten van dezelfde soort, vooral de niet van nature 
opgroeijende, bevatten wel niet altijd juist dezelfde hoeveelhe- 
den van bijzondere minerale stoflen, — grond en vooral bemes= 
ting, kunnen daarin zekere veranderingen bewerken , die ech 
ter niet zonder invloed zijn op den toestand en de groeiwijze 
van het gewas; maar elk deel eener zekere plant bevat steeds 
zijne eigene hoofd- of meer wezenlijke, minerale stoffen, im 
tamelijk overeenkomstige verhoudingen. 

Na dit vooraf te hebben opgemerkt, kan ik thans verse 
wijzen naar tabel F, waarin zijn te zamengesteld de uitkom 
sten mijner analijsen van de bladen en vruchten der koffijs 


die eene ophelderende inleiding behoeven, namelijk: Magne 


zuur , schijnen de minerale of anorganische stoffen te zijn, zons 
der. welke er volstrekt geen plantengroei kan bestaan. Allé 


« 66° T le ezz | | ‘pSooupa8:pruc « « 
« 66°0 | « 640 “Yos19A 
| wopt ueA orregos zorg 
78, OT: VAT 0 « gee « 186 « c6°6 “pöoorpas ggrdoe« « 
| 68:5 « FG'T « 95e K 158 “YosioA Wopt ueA orpeyoyosy 
Le 08 27 080 TS |o/0€9 VANTANE) "uargona 
| | | | _uo uoperd Jop opjeyodaore AA 
68 & __'_ 00E | _F9EO' -0OT Tse T00k Sl 95E im OOI Ie 8 00E _ 
= |_510 5 | 5 | 5000 | 720 600 | 385 700 | SST | “Iooryg 
STO |_ S75 4500 | 674 ‚_5000 \ 850 A00 | AT5 €00 850 | ESPL 
600 065 EE |_ 0900 | 37 810 | 596 TIO | 657 | “INnz[PAtAZ 
LO |__ FIT LTIO | 8158 | 0950 | ZS9T vI0 | 657 _ 810 TSG | “aanzioydsoyg s 
600 Tor 7500 | C49 5000 \ 069 600 995 200 Oï5 | [esannzIoAdozff 
650 SCET JSO | VAT GTEO | TIL A50 Scr _ 08 76 | “el-ouse 
' ZAO | __ TS95 v500 | 799 S200 | 897 480 | 4695 920 GAST | zi à 
en 660 6578 9700 | 77 Os0r | 6099 Sv 1 0977 697 8908 | HRE 


“uorgYondA 1op Yosy "uoperg zoep yosy 


Pntaed Ee et En vn DE ED 
ek} 
: js) 
k=! 5 5 5 5 5 5 5 5 5) 
o Et 24 ee eel Ee == leon _ lenen 
(5) [2] » d D de u D EE) D En) 
Ea Sea |E edn 
ee: el EA 78 © 5 75 2 "5 5 5 
53 5 SH SS Sn med Den 2 s 3 
= 9 © Blap =_N a en A Den es r Da 
lev e =| ls) KS 8 a) el 5 e=) 
ke) ri) © ed Lm md ed an | N 
es 5 vn | ann uojsoppueyseg 
e= “prepueyog 1nuz | 
EE S „49jedjes Jou Je1OOA! 9UOAB UEA “uawoog opuo ueA | ‘uawoog 9Suof uea 
uo ee uea | 
__ssTaspoored Eee ideen Ee 


—\YonIA Jop U SV 


sv” Es 


‘(puoyavaq annzjooy 1oy dopuoz) uajyonad ua 


918 


tot heden onderzochte zaden bevatten ze; en- wat het gezeg- 
de vooral bewijst, is de zamenstelling der gist; eene plant, 
die in de eenvoudigste natuurlijke omstandigheden verkeert. 
Immers zij groeit in een vocht, neemt daaruit alleen de voor 
haar noodige bestanddeelen op, en groeit niet in een vocht, 
dat die bestanddeelen mist. De zamenstelling van het minera- — 
le deel der biergist is, in 100 deelen. | 
bovengist _Ondergist. 


Phosphorzuur 52.72 59.21 
Potasch 99.50 28.30 
Magnesia 6.16 8.29 
Kalk 1.02 4.30 
Verlies 0.60 _— B 


100.00 100.10 | 
De kalk is hier waarschijnlijk meer toevallig dan wezenlijk, 
als zijnde opgelost geweest in het vocht, waarmede de gist- 
plant doortrokken was. 
Uit tabel F blijkt nu het volgende: | 
10, Er is verschil in de zamenstelling der asch of minerale 
bestanddeelen der vruchten en bladen van den koffijboom. 
De vruchten bevatten meer potasch en phosphorzuur (van het 
laatste het drie á viervoudige), minder magnesia en kalk (van 
het laatste slechts een vyfde gedeelte). | 4 
_Phosphorzuur en magnesia, daarenboven potasch en zwar 
velzuur,- blijken dus de meer uitsluitend gewigtige bestands 
deelen der vrucht te zijn. Het zal straks blijken, dat dit vier=| 
tal nog voor splitsing vatbaar is. \ 
20, Er is verschil tusschen de zamenstelling der asch van zeer 
jonge en zeer oude koffijbladen , ofschoon op denzelfden grond! 
gegroeid. | 


219 


tingen van oude en jonge bladen, dan van bladen en vruchten. 

Deze uitkomsten geven aanleiding tot het praktisch besluit, 
dat door het zoo veel mogelijk bevorderen (door toppen en 
snoeijen) van den groei van jonge takken en bladen, ook eene 
grootere hoeveelheid phosphorzuur en potasch-houdend sap door 
het bladstelsel verspreid en daardoor meer van deze bouwstoffen 

aangevoerd zal worden om, onder gunstigen invloed van 
' grond en dampkring, in bloesem en vrucht te worden veran- 

derd. ; 

Dat daarvoor een humusrijke grond (als waterhoudend en 
warmte-matigend) en eene toereikende hoeveelheid der genoem- 
de minerale zouten in den bodem noodig zijn, behoeft naau- 
welijks herhaald te worden. 

De hoofdzaak is hier, dat de plantenorganen zelve in werk- 
zamen staat moeten gehouden worden. 

30, In de inleiding tot deze afdeeling is reeds over de hoofd- 
Whestanddeelen van de asch der plantenzaden, in het algemeen, 
gehandeld geworden. Met het oog daarop, is de vergelijking 
van de zamenstelling der asch van gewone en van verkoolde, 
door eenig zuur geheel uitgetrokkene koflijzaden, gewigtig. 
Wat in de verkoolde massa aan de wer king van het zuur weer- 
stand biedt, moet wel door zeer sterke verwantschappen in de 
_Plantenkool terug gehouden worden. | 
k En welke zijn nu hier de door de khad zao zeer vastge- 
| houdene stoffen in de, op een negende verminderde verhou- 
{ding der asch? Het zijn magnesia, die meer dan de helft, en 
hosphorzuur, dat een vs jfde der oorspronkelijke hoeveelheid 
draagt. In de asch der kool zelve maken zij daardoor be- 
sin ruim 2 en bijna Y, van ‚het geheel uit. (Hierbij 
j ansemerkt, dat van het phosphorzuur een zeker gedeelte 
j de verkoling is verloren gegaan, zijnde tot phosphor her- 
leid en vervlugtigd. Dit moet ook met het zwavelzuur gebeurd 
zijn, hetwelk onmisbaar is, om zwavel te leveren voor het 
pianten-proteine, want zijne hoeveelheid in het aftreksel der 


Kool was slechts eene kleine fraktie van die in de onverkool- 
e vrucht.) 


Ethel, we 


220 


Voorts is de kalk tot /, en de potasch tot Hil der aan- 
vankelijke hoeveelheid gedaald. Het laatste schijnt in tegen- 
spraak te zijn met de groote rol, die aan de potasch in den 
plantengroei wordt toegeschreven (vergelijk ook het gezegde 
over de biergist); maar men bedenke, dat deze asch allêen die 
van het zaad is, dat de zoo overwegende potasch uit de roode 
schil en het vruchtvleesch, die de noodige bekleedsels van 
dit zaad zijn, kunnen zijn ingevoerd geworden, en vooral, dat 
de zuren (looi- en koffijzuur) waarmede de potasch in deze 
vrucht verbonden is, bij de verkoling in koolzuur veranderd 
zijn. Daardoor werd alle organische verbinding tusschen po- 
tasch en plantenvezels verstoord, en de zoo ligt oplosbare 
koolzure potasch gemakkelijk door het gebezigde zuur uitge- 
trokken. 

Uit dit alles zou dan volgen. 

a. Dat phosphorzuur en magnesia, te zamen minstens 2/a65 
of 31, der geheele hoeveelheid asch uitmakende, de onmisbare 
minerale bestanddeelen zijn van de kern der koffijvrucht , waar- 
in het levensbeginsel der geheele plant schuilt. 

Op grond van het straks gezegde, moet zwavelzuur mede 

hiertoe gerekend worden. 
b. Dat potasch, die ruim de helft van de minerale bestanddeelen 
der koffijboon uitmaakt, wel hoofdzakelijk tot de vorming der 
zoo waterrijke vruchtbekleedselen onmisbaar is, maar even als 
welligt de kalk, daarom niet minder wezenlijk is tot het voort- 
brengen der geheele en gezonde koffijvrucht. 

Á Over de stikstof zal ik hier weinig aanmerken. Hare on- 
misbaarheid voor elke plant hoegenaamd is reeds vroeger aan 
gestipt en het verband tusschen de vorming van stikstof-hou— 
dende eiwitachtige stoffen en het ontstaan van zouten met een 
organisch (plantaardig) zuur in de planten, ontwikkeld gewor- 
den. Zij speelt, in verband met het phosphorzuur en zwavel= 
zuur van den bodem, eene eerste rol in de planten. ie 

In de bladen der koffij schijnt zij iets meer te bedragen dan 
in de vruchten, maar dit is, nadat zij in volkomen droogen 
toestand gebragt zijn. Doch daar de vruchten, in natuurlijken 


221 


toestand , minder water bevatten dan de bladen , zoo komt het 
plus aan de zijde der eersten. Dat het grootste gedeelte dier 
stikstof in de vruchten een ander plantenbestanddeel helpt 
vormen (namelijk het caffeïne} dan in de bladen (namelijk het 
6 adgroen) is waarschijnlijk; maar het oorspronkelijke materi- 
ee js dezelfde stikstof, die, daar zij niet door de bladen schijnt 
| kunnen opgenomen worden, in de worteleinden moet bin- 
Rendringen. 
__ Daar zij voorts in water zeer weinig oplosbaar is, terwijl 
de wortels alleen vochten kunnen opnemen, moet zij vooraf met 
de ontledingsvoortbrengselen van den humus, in den grond oplos- 
bare verbindingen vormen. De aanvoer van stikstof voor 
de planten is dus eenigzins evenredig aan de hoeveelheid en 
den toestand van den humus, en dit herinnert ons weder, behalve 
de reeds genoemde, eene andere hoogst nuttige dienst van den 
iumus in den grond. 
ror eens: zonder aanvoer van stikstof kan eene plant geene 
iwitstof , de koffij dexrenboven, geene caffeïne vormen (want 
caffeïne bevat veel stikstof); zonder stikstof geene caffeine, zonder 
vaffeïne geene koflijvruchten , dus zonder veel stikstof-houdende 
rganische stoffen geen vruchtbare koffijgrond. 
Van dit alles komen wij ongedwongen terug tot een over- 
, van de betrekking der bovengenoemde hoofdbestanddeelen 
# de asch der koffij tot de zamenstelling van den grond. 
Dm dit eenigzins aanschouwelijk te maken, zal ik opgeven, 
peveel naar de boven medegedeelde uitkomsten van elk der 
inerale stoffen uit een bouw gronds door de koffijplant 
ordt weggevoerd, en hoeveel van die stoffen over deze uit- 
strektheid en tot een half voet diepte in den grond bevat is. 
Op een bouw gronds a 72000 @ voet staan, à 8. v: D, 
125 koffijboomen ; 
Een koffijblad weegt gemiddeld ongeveer een Ned: wigtje. 
Stellen wij 1000 bladen per boom van 4 à 5 jaren en het ver- 
es op de helft (zeker niette veel), dan hebben wij (à 3,269, 
koolzuurhoudende asch). 


ko 
ho 
ksa 


3.26 x 500 x 1125 
100 

minerale stoffen, die door de bladen des koffijbooms aan 
een bouw gronds ontnomen wordt. 
Nemen wij 2!/, katties, gelijk. ongeveer 14, N. pd. lucht- 
drooge koffij aan, als het prodakt van eenen goeden boom van — 
opgemelden leeftijd, dan vinden wij (a 3,36% koolzuurhoudende — 
936 X 1,509 X 1125 

asch), ak eh MUR a 
veelheid minerale stoffen, die door de vruchtkernen of de boo- — 
„nen des kofijbooms aan één bouw gronds ontnomen wordt. N 
Eindelijk, ten aanzien der vruchtbekleedselen (de zoogenaam- 
de roode schil) heb ik bevonden, dat 409 deelen versche koffij- Â 
vruchten ongeveer bestaan uit: 


= 18,33 N, pd. asch, als de hoeveelheid & 


= 56.7 Nederl. pd. als de hoe- 


Kernen (Î) met de hoornschil 45 deelen. 3 
93 
Schil en vruchtvleesch .… d EET 


Daar nu luchtdrooge koffij minstens nog 8%, en geheel E 
versche koffij 54%, water bevat, zoo is 54 pond der eerste Á 
gelijk aan 100 pond der laatste. 100 pd. versche koffijzaden | 
zijn bekleed met 122 pd. roode schil (45 : 55 = 400 : 122), Î 
en daar 1.5 N. pd. luchtdrooge koffij (= 2.78 versche) als het 
produkt van één boom is aangenomen, zoo levert een boom 
d.4 N. pd. roode schil. Wij hebben dus (a 2.890/, koolzuur | 


289 x 3,400 X 1125 Et 
houdende asch) TT 100 _ = 11054 N. pd. alsde 


hoeveelheid minerale stoffen, die door de vruchtbekleedsels 


(1) Hieruit blijkt, dat men in dwaling is, door aan te nemen, dat 6 
pd. roode koffij slechts 1 pd. drooge kan uitleveren. Als 100 pd. der 
eerste 45 pd. versche koffij geven, die 548 water bevat, dan wordt dit, 
op luchtdrooge herleid (waarin nog minstens 88 water is teruggebleven) 
24,3 pd. EE 8 en Sn == 24,3 6000 pikols roode koffij kunnen 1500 
pikols luchtdrooge koffij in de hoornschil of 1200 pikols gepelde uitlevered, 


en men stelt het rendement slechts op 1000 pikols. 


223 


(de roode schil) der koffij aan Î bouw gronds ontnomen wordt. 
In de 18,33 N, pd. koolzuurhoudende asch der bladen zijn 


_ bevat: 
Potasch. Magnesia. Kalk, Zwavelzuur. Phosphorzuur. 


BREN.’ pd. 5,6 df Á 0,8 0,6 
__In de 56,7 Ned. pd. koolzuur houdende asch der koffijkernen 
zijn bevat: 

iN. pd. 20,2 3,4 2 1,9 7,3 

In de 110,54 N. pd. koolzuur houdende asch der roode schil 
| Jen zijn bevat: 
BEN: pd. 27,1 10,7 20,9 245 12,7 


Totaal 61,9 15,8 26,9 5,0 20,6 

_ Deze totalen stellen voor , hoeveel N. pd der, in hoofde dezes 
genoemde, minerale stoffen, er jaarlijks aan eene bouw grond 
ontnomen wordt door de bladeren en vruchten van Aà5 jarige 
_ koffijboomen. 

_ De kalk, ofschoon misschien geen wezenlijk deel der zäden, 
s hier in rekening gebragt, omdat de bladen en vruchtbe- 
leedsels er althans eene aanzienlijke hoeveelheid van uit den 
grond trekken, en deze dus aan dit, ook tot zijne physische 
‘verbetering, onmisbare bestanddeel armer wordt. 

__ De minerale stoffen van stam, takken en wortels zijn hier niet 
jn aanmerking genomen: van dezen kan onmogelijk bepaald 
w orden, hoeveel zij elk jaar aan den grond ontnemen. 

— De afgevallene bladen en vruchten zouden de uitputting des 
€ jronds vertragen, zoo zij op de plaats in humus overgingen. 

3 Doch doot het, somtijds voorvallende, schoonmaken der tui- 
nen, waarbij tevens die bladen verwijderd worden, meer nog 
door de zware regens, gaat wel bijna het geheel dezer natuur- 
lijke meststof te loor. 

Stellen wij, tegenover dit jaarliijksch verlies van, en dus 
behoefte aan: 


iS: 


62 N. pd. potasch, 
16 „ „ magnesia, 
er EREN 1251 


5 kt 
ke 
‘ 
; D: 
: 


224 


B zwavelzuur, 
20V, „  phosphorzuur, — 
de hoeveelheid daarvan, in fÎ bouw gronds, van den tuin Ta- 
galsahari, tot 4 voet diepte genomen, bevat. 

1 voet =:0,3048 meters. 

1 kub. palm gronds van Î,77 soortelijk gewigt, weegt 1,77 
kilogr.; dus weegt Î kub. voet gronds = 28,3168 kub. palm, 50 
kilogr. De aarde van Î bouw grond à 72,000 vierkante voeten, 
en tot 1, voet diepte, weegt dus 1,800,000 kilogrammen. 

Daarin is bevat, in koolzuur houdend water oplosbaar, zie 
tabel Ct en C?2. 


540 N. pd. potasch ’ G 
Ds jo magnesia 9 | gn | 
MB ak 5d voudig van de jaarlijksche 

58 zwavelzuur 19 behoefte. 

Ps , phosphorzuur ? 


en, alleen oplosbaar in zeezoutzuur houdend water (dus niet À 
dadelijk bruikbaar). ; 
9000 N. pd. alkalische zouten, ten deele potasch. 
288 N. pd. magnesia {8 8 
12,647 „ „ kalk 8000 { voudig van de jaarlijksche 
828 „ „ zwavelzuur 4165 behoefte. j 
360 „ „ phosphorzuur 18 


Oppervlakkig moge het schijnen, dat de hoeveelheden van 
sommigen dezer stoffen, die veelvouden van de jaarlijksche 
behoefte voorstellen, voldoende zijn voor. minstens eenige jaren; 
doch: 5 

1. Van twee, voor den plantengroei hoogst wezenlijke stoffen, 
het phosphorzuur en de magnesia, zijn slechts sporen in kool= 
zuurhoudend water oplosbaar. à 

2. Wat daarvan in verdund zeezoutzuur oplosbaar is, al 
niet dadelijk voor de planten bereikbaar zijn, en bovendien. — 

J. Over welk eene oppervlakte zijn die, veelvouden voor 
stellende, hoeveelheden verspreid! Deelen wij 540 Ned. pd, 
potasch door 72.000, (0 voeten gronds) dan is het quotient, 


225. 


0.75 Ned. lood. Dit is voor U, voet diepte: — voor 3 vt. diep- 
te en 4 vt. DO zou het 72 Ned. lood bedragen. 

Deze Á vt. og zullen ongeveer de gemiddelde begrenzing zijn 
der schuinsche en horizontale wortels van eenen koffijboom, 
van bovengenoemden ouderdom. Doch met welk eene kleine 
fraktie van dien klomp aarde van vier voet zijde en drie voet 
dikte zijn die wortels in aanraking! Hoog stel ik het, door 
dit op een vijftigste te bepalen, en dan daalt die hoeveelheid 
van 72 Ned. lood potasch tot 1/, Ned. lood, dadelijk voor de 
wortels verkrijgbaar. | 
} Dit nu was de geheele, beschikbare voorraad, die wegens 
[het gering humusgehalte, en daarvan afhangend waterhou- 
dend vermogen des gronds, slechts hoogst langzaam kon wor- 
‚den aangevuld, veel langzamer dan de wortelvezels van eenen 
gezonden , krachtigen boom, in dit insulair en tropisch klimaat, 
ze moeten kunnen opnemen. 

s De beschikbare som van voedsel was veel te gering; de 
noodige hoeveelheid dadelijk oplosbare potasch niet aanwezig; 
want naar. de bovenstaande, op mijne resultaten steunende, 
berekening, moet een gezonde, vruchtgevende koffijboom jaar- 
lijks minstens 5, Ned. lood potasch uit den grond kunnen 
| 62 Ned. pd. 
& 1125 boomen 
gi g van bladen en vruchten (ongerekend de houtige deelen) 
terwijl slechts Î'/, Ned. lood dadelijk kon geleverd worden. 
_ Het zal niet noodig zijn, deze berekening ook voor het 
wavelzuur , nog minder voor de magnesia en het phosphor- 
zuur, door te voeren. Het resultaat daarvan, ook voor de 
N, eide andere gronden berekend , leidt tot hetzelfde besluit na- 
melijk: 

dat van de vier voor de koffijplant meest wezenlijke, mine- 
Tr bestanddeelen, veel te weinig dadelijk beschikbare voor- 


trekken = 5.5 Ned. lood ‚alleen tot voortbren- 


Ei let stikstofgehalte der gewassen wordt door dierlijke be- 
‚mesting niet altijd vermeerderd; en die vermeerdering heeft in 


326 


eene gezonde plant altijd hare grenzen. Dit is de uitkomst van 
vertrouwenswaardige proefnemingen, en wij besluiten er uit, 
dat er voor elke plantensoort een maximum van stikstof gehal- 
te is, welks overschrijding de plant ziek maakt. 

Wordt er, binnen zeker grenzen, meer stikstof in de mest 
aangevoerd, dan hoogstens voor dat maximum noodig is, dan 
werkt dit meerdere ten voordeele der hoeveelheid van het ge- 
was, of van deszelfs produkt, van de vrucht, bij gunstige uit- 
wendige invloeden van vocht, licht en warmte. 

Ter vergelijking met de karbouwenmest, volgt hier eene op- 
gave van het stikstofgehalte van eenige andere dierlijke mest- ä 
stoffen (in droogen staat berekend). Á 


Karbouwenmest (Buitenzorg) - - 3 pCt. 
Koemest (Europa) , . ; à 2,3 " 
Paardenmest idem 5 - : 8 2,2 en 
Varkensmest idem : ® 8 ‚TSN AS 
Schapenmest idem e . . : 3 if 
Bokkenmest idem REET TAI ATEN EERE d 
Duivenmest idem $ £ k ' 9,0 5 
Guano idem - ! : ; 6 à 150), 5 
Bloed idem 8 d : É 15,5 . 
Beenderen idem . . - . 7,6 À5 
Beenzwart (uit de raffinaderijen) idem 2,0 5 


Hieruit blijkt, dat de karbouwenmest lager staat, dan koemest. 
Ik stel mij voor, in het vervolg ook de koemest van Java te 
onderzoeken ΰ. om het praktische nut, zoo die welligt meer _ 
stikstof mogt bevatten dan de mest van karbouwen en 20. de- 
wijl in dat geval de meerdere gehardheid van het rundvee tegen 
langdurige vermoeijenissen zou kunnen verklaard worden, na 
melijk, uit het gebruik van meer stikstofhoudend voedsel. ï 

Tot heden is mij nog geene analijse van rundermest uit een 
tropisch land bekend. 

Dit geringere gehalte van stikstof, eene hoofdoorzaak der, bij 
de ontbinding voortgebragte, warmte, verwijdert alle denkbeeld 
van zoogenaamde verschroeijing der wortels door versche kars 
bouwenmest; te meer , zoo wij in het oog houden , dat de koë= 


Re új 
(n 

pe 

j 

j 


227 


mest een zevende meer, en de varkensmest, die men in Euro- 
pa koud noemt, drie vierden meer stikstof bevat, en ze ook 
in den gewonen, natten toestand daarin overtreft. Tevens zijn 
de beide laatstgenoemden minder water houdend, en wel in de- 
ze evenredigheden. 


stikstof in de natte mest. watergehalte. 
Karbouwenmest É \ 0,25 pCt. 87,3 
Koemest … / N k 0,321: 85,9 
Varkensmest à N É 0,635 „ 81,4 


zoodat, in den natuurlijken toestand, de varkensmest (in Frank- 
rijk) fwee en een half maal zoo veel stikstof bevat, als de kar- 
bouwenmest (te Buitenzorg). 

Dat inderdaad het organische gdeelte van dierlijke mest krach- 
tig medewerkt tot de verbetering der gronden, leeren wij, zoo 
het nog noodig ware, op het overtuigendst uit de proeven van 
_Maenus (Erdmann’s Journal van 1850 No. 10). 

In een geschikt, met volkomen uitgebrande aarde voorzien, 
en met eene glazen klok hermetisch gesloten vat, werden acht 
“gerstkorrels gelegd. Eene hoeveelheid versch bemeste tuin- 
aarde was tevens onder de glazen klok geplaatst, doch afge- 
scheiden van de andere aarde. 

Dagelijks werd, door middel van eenen aspirator, een halve 
kubiek voet, geheel van ammoniak en koolzuur bevrijde, damp- 
_kringslucht, door de klok gevoerd, om de noodige zuurstof 

aan te brengen, en ook dagelijks besproeide men de planten 
met koolzuurvrij, gedestilleerd water , alles zonder de buiten- 
Jacht binnen de klok te laten. 
_ Twee andere, eveneens ingerigte toestellen, doch de een 
met onverbrande, de andere met verbrande bouwaarde gevuld, 
beiden zonder de bemeste twinaarde, werden nevens den vori- 
gen geplaatst. 

Veertien dagen lang bleef de groei in de drie glazen gelijk; 
doch daarna geraakte die in de beide laatstgenoemden ten ach- 
teren. De planten daarin hielden, na drie weken, op te groei- 
j hs zij waren 7 a Îf duim, enkelen 17 duim hoog, en 
Keten drie à vier blaadjes gekregen. Doch die onder de eerst- 


Pp 


EN 


225 


genoemde klok, groeiden voort; na acht weken begonnen zij 
in aar te schieten, ieder met twee tot acht zaadkorrels, die 
echter niet volkomen rijp werden, en de hoogste was 2 tot 28 
duim, zoo dat zij zich zeer onder de klok moesten krommen. 
Ook bleek hare meerdere ontwikkeling uit het veel krachtis 
ger voorkomen en het verschijnen van een aantal witsprutsels 
of zhalmen; zelfs meer dan van gerst, die in dezelfde, nog 
onverbrande aarde, geheel onbedekt, dus in eene koolzuur 
en ammonia-bevattende lucht, doch niet met de bemeste tuin- 
aarde voorzien, gegroeid. waren. 
Eene dergelijke uitkomst was reeds voor vele jaren door De 
SaussurE van eene dergelijke proef verkregen geworden. | 
De organische stof der dierlijke mest bevordert dus, oo 
zonder dadelijke aanraking, den plantengroei zeer zigtbaar. 


À 


Buitenzorg den 13den Oktober 1851. 


Naschrift. 


Het verband tusschen den titel en den inhoud van dit stuk 
js onduidelijk, ten gevolge der weglating van sommige, ni at 
onwezenlijke gedeelten. Om die onduidelijkheid eenigzins weg 
te nemen, zij hier kortelijk aangemerkt, dat het chemisch on- 


derzoek, niet alleen van versche ‚ maar ook van de in der tijd | 


in Kadoe aangewende, karbouwenmest tot twee gevolgtret e 


kingen geleid heeft, namelijk : | 
19, dat de laatstgenoemde hare meest werkzame pestanddee: , 


len bijna geheel verloren had. 4 
Qo, dat zelfs de meest werkzame karbouwenmest de onder | 
zochte gronden niet weder geschikt had kunnen maken | 


Kd 


voor de koffijkultuur, en dat er dus- andere meststoffen 0 


hall 


hadden moeten aangewend worden. & 
Zoowel het minerale als het organische gedeelte , beide k 
versche en van de gebezigde karbouwenmest , is chemisch ol 


LR 


derzocht en bepaald geworden. | * 
FROMBERG. 


BIJDRAGE 
ì TOT DE KENNIS DER 


ICHTHIJOLOGISCHE FAUNA VAN DE 


MOLUKSCHE EILANDEN, 


VISSCHEN VAN AMBOINA EN GERAM, 
DOOR 


ER Dr. P. BLEEKER. 


_ Niettegenstaande reeds meerdere schrijvers der 18de eeuw 
sgehandeld hebben over de visschen der Moluksche eilanden, is 
de kennis daarvan zelfs thans nog zeer gering en grootendeels 
je danken aan de ichthijologen der 40 laatste jaren. VarenriJN, 


de Molukken en zelfs niet in den Indischen Archipel waren 
gevangen, maar behoorden tot de fauna der verschillende stre- 
ken van de Indische zee, waar de Oost-indische Kompagnie 
zag had. Latere schrijvers, zooals Partas, Gronovius, SrBA, 
Boca, LacÉrèpe , hebben wel talrijke visschen dezer gewesten 
beschreven, maar de opgaven der woonplaatsen van de door 
hu beschrevene soorten ontbreken gedeeltelijk en verdienen 
vo r een ander groot gedeelte weinig of geen vertrouwen. In 


17 


250 


meer zekere kennis verbreid over de visschen van de Molukken _ 
en Nieuw-Guinea, het voornaamste van welke kennis is neder- — 
gelegd in de groote Histoire naturelle des Poissons. In den 
jongsten tijd heeft de heer RicaarpsoN insgelijks nog eenige 
species van de Molukken en Nieuw-Guinea bekend gemaakt. 
Voor zoover ik heb kunnen nagaan was de stand der kennis 
ten dezen opzigte, tot op mijne nasporingen, ongeveer als volgt: 


Visschen van de Molukken, waarvan het eiland van voorkomen — 
niet opgegeven ús. | 


4. Lates nobilis CV. 82. Caesio lunaris Ehr. 

9. Serranus leucogrammicus Rwdt. 393. Gerres poeti CV. 

9 » variolosus CV. 34. Aphareus coerulescens CV. 

 » argus CV. 35. » rutilans CV. 

5. » boenack CV. 36. Chaetodon Meyeri Bl. 

6. » punctulatus CV. Di » strigangulus Soland. 
7. Plectropoma melanoleucum CV. 38. » dorsalis Rwdt. 

g. Mesoprion macolor Blkr.= Dia- 99. » melanotus Rwdt. 

cope macolor LMS 40. » spilopleura Rwdt. 

; 9. » lutjanus CV. al. » setifer Bl. 

10. Cirrhites arcatus CV. 42. » ephippium CV. 

41. Priacanthus argenteus CV. 43. » principalis CV. | 
12. Therapon servus CV. 4Â.  » chrysozonus K. v. H._ 
13. Percis cylindrica CV. 45. Zanclus cornutus CV. | 
14. _» ocellata CV. 46. Scatophagus argus CV. 

15. Upeneoïdes Vlamingit Blkr. = 47. Taurichthys varius CV. 

Upeneus Vlamingii OV. 43, Holacanthus bicolor CV. 

16. Upeneus japonicus CV. 49. » mesoleucos CV. 

17. » cinnabarinus CV. 50. » annularis CV. 
18. Peristedion moluccense Blkr. 51. » imperator CV. 

19. Dactylopterus orientalis CV. 52. » dux Lac. 

20. Platycephalus insidiator Bl. 53. » trimaculatus Lac. 
21. Scarpaena diabolus EN. 54, Platax guttulatus CV. 

99, Sebastes minutus CV. 55. Pempheris moluca CV. 
23. Pteroïs zebra CV. 56. Trichopus trichopterus CV. } 
24. Synanceia horrida Bl. 57, Cybium lineolatum CV. 4 
25. » bicapillata CV. 58. Histiophorus indicus CV. 
96. Diagramma Sebae Blkr. 59. Elacate mottah CV. À 
ZS » poecilopterum CV. 60. Chorinemus Commersonianus JY. 
98. Chrysophrys sarba GV. 61. » sancti Petri CV. ne 
99, Dentex eynodon CV. 62. Trachinotus mookalee CV. Si 
30, Pentapus vittatus GV. 63. Carangoïdes gallichthys Blkr. Be 
31. Caesio coerulaureus Lacép. 64. » blepharis Blkr. # 


ef 
E. 4 


be ee tk 
, 


nd 


j $ JN » 
3. Ambassis Dussumierii CV. 


É _ 4, Serranus biguttatus CV. 


65. Seriola cosmopolita CV. 

66. Nauclerus compressus CV, 
67. » brachycentrus CV. 
68. Coryphaena chrysurus CV. 


__ 69. Equula filigera CV. 


70. Mastacembelus maculatus Rwdt. 


72. » 


fraterculus CV. 
lineatus Lac. 
striatus OG. 
» humeralis CV. 
» velifer Bl. 

. Naseus tripeltis CV. 

» brevirostris CV. 

» _ lituratus CV. 

» _ Vlamingiiì CV. 

„ Cepola abbreviata CV. 

‚ Mugil cephalotus CV. 


» _cunnesius CV. 


AMBOINA. 


3 1. Apogon roseipinnis CV. 
orbicularis K, v. H. 


5. Mesoprion octolineatus Blkr. 


Ë 6. » 


unimaculatus QG. 
_ 7. Priacanthus macracanthus CV. 


| ES. Upeneus bilineatus CV. 


9, Pterois volitans CV. 
» antennata CV. 


» _ fusco-virens QG. 


13. Chrysophrys bifasciata CV, 


ik: 4, Chaetodon vittatus Bl, Schn. 


» vagabundus LL. 


71. Amphacanthus vulpinus M. Sch. 
marmoratus CV. 


73. Acanthurus glaucopareius Forst. 


‚ Eleotris strigata CV, 
‚ Julis Gaimardi QG. 


. Cheilinus fasciatus CV 


5 Vo 


» Jacrymans CV. 


„ Novacula pentadactyla CV. 
$ Scarus fasciatus CV. 


» capitaneus CV. 


. Odax moluccanus CV, 


‚ Amphiprion bifasciatus CV. 


» intermedius M. Schl. 
» trifasciatus CV. 


‚ Pomacentrus pavo Lacép. 
Oe 
100. 
101. 
102. 
103. 
104. 
105. 
106. 
107. 


» littoralis K..v. H. 

» trilineatus Ebr. 
Glyphisodon coelestinus Soland. 
Hemiramphus lucens CV. 
Exocoetus poecilopterus CV. 
Chatoessus chacunda CV. 
Ophisurus colubrinus Richards. 

» versicolor Richards. 
Muraena lita Richards. 
Balistes conspicillum Bl. Schn. 


Molukken bekend geworden de volgende soorten: van 


„ Heniochus macrolepidotus CV. 
‚ Scatophagus ornatus CV. 

‚ Taurichthys viridis CV. 

‚ Platax Blochii CV. 

‚ Naucrates indicus CV. 

‚ Chorinemus tol CV. 

‚ Megalaspis Rottleri Blkr. 


‚ Selar trachurus Blkr. = Caranx 


trachurus CV. 
» _boöps Blkr. z= Caranx 
boöps CV. 


. Caranx Peronii CV. 

. Temnodon saltator CV. 

. Amphacanthus margaritiferus CV. 
. Acanthurus hepatus Bl. 


. Atherina cylindrica CV. 


» lacunosa Forst. 


„ Gobius ecyprinoïdes Pall. 
. Periophthalmus Schlosseri Bl. 


Schu. 


. Callionymus sagitta Pall. 


» ocellatus Pall. 


. Antennarius hispidus Cant; 


Chironectes hispidus CV. 


. Amphisile velitaris Cuv. 

. Gomphosus Cepedianus QG. 
‚ Epibulus insidiator CV. 

„ Dascyllus aruanus CV. 

. Glyphisodon rahti CV. 


» melas K. v. H. 


‚ Heliases analis CV. 


BOEROE. 


1. 
2. 


Apogon trimaculatus CV. 
Mesoprion striatus Blkr. = Dia- 
‚ cope striata OG. 


. Myripristis hexagonus CV. 
‚ Mulloïdes flavolineatus Blkr. == 


Upeneus flavolineatus CV. 


. Platycep\:alus isacanthus CV. 


‚ Lethrinus semicinctus CV. 


» mierodon CV. 


» olivaceus CV. 


‚ Holacanthus semicirculatus CV. 


10. 


Toxotes jaculator CV. 


MANIPA. 


1. 


Acanthurus altivelis CV. 


BANDA. 


1. 


Acanthurus scopas CV. 


‚ Muraena eolubrina Richards. 


tS 


. Plotosus lineatus CV. 

‚ Alausa melanurus CV. 

. Engraulis boelama CV. 

‚ Saurus myops CV. 

. Tetragonopterus argenteus Less. 


. Solea trichodactyla Cuv. 


mt 
jam 


Muraenophis colubrina Lacép. 


‚ Balistes ambonensis Gr. Hardw. 
‚ Triodon bursarius Rwdt, 

. Syngnathus fasciatus Gr. Iardw. 
‚ Solenostoma paradoxum Lac. 

. Pegasus draconis L. 

„ Carcharias (Prionodon) amboi— 


nensis MI. 
Pristis cuspidatus Lath. 


. Chorinemus tol CV. 
„ Caranx melampygus CV. 
. Amphacanthus concatenatus CV. 


» doliatus CV, 


„ Periop' thalmus Koelreuteri Bl, 
. Hemiramphus Lutkei CV. 

„ Exocoetus micropterus CV. 

‚ Chirocentrus dorab CV. 

. Chanos lubina CV. 

. Megalops indicus CV, 

‚ Sardinella lineolata CV. 


2. Premnas trifasciatus CV. 


Telt men alle de boven opgesomde soorten te zamen, dan 
erlangt men een geheel van 186 soorten voor den Molukschen 
Archipel, waarvan 56 bekend waren van Amboina, 21 van Boe- 


roe, Î van Manipa en 2 van Banda. 


238 


__Het lijdt echter mijns inziens, geen twijfel of het cijfer 186 
drukt nog niet uit het V, gedeelte der Moluksche visschen , en 
over weegt men, dat van verre weg de meeste Moluksche ei- 
Janden zelfs nog geene enkele species bekend is geworden, dan 
blijkt het, dat de bestaande kennis der Moluksche vischfauna 
tot nog toe als uiterst gering is te beschouwen. 

_ In het vorige jaar was ik reeds in de gelegenheid, ten dezen 
k Kete. omtrent de Banda-eilanden eenig licht te verspreiden en 
het aantal der van daar bekende soorten van 2 te brengen op 
É- 78, waaronder de meeste soorten nieuw voor de Molukken 
kk n meerderen nieuw voor de wetenschap (zie Bijdrage tot de 
ak ke ennis der ichthyologische fauna van de Banda-eilanden in Na- 
u turk. Tijdschr. N. Ind. II. pag. 225—26I). Niet minder dan 
8 3 dier soorten waren toen nog niet van de Molukken in het | 


Ie gemeen bekend. De 78 thans bekende Bandasche soorten 
ijn de volgenden. 


4. Serranus pardalis Blkr. 24. Chaetodon strigangulus Soland. 


2. Mesoprion quadriguttatus Blkr. 25. » virescens CV. 


| 
p 
Í 
| 
fa 
| 


. Cirrhites pantherinus CV. 26, » dorsalis CV. 

be Priacanthus carolinus CV. var ld baronessa CV, 
Î : 5. Myripristis Violaceus Blkr. 28. nesogalllieus CV, 
| ) > pralinius CV. 29, unimaculatus Bl. 
, Holocentrum operculare CV. 30. » speculum K. v. H. 


„ Percis eylindrica CV. 

J Mene barberinus CV. 

k >» __ Brandesii Blkr. 
trifasciatus CV, 
Upeneoïdes variegatus Blkr. 
‚ Dactylopterus orientalis CV. 
. Trigla Brandesii Blkr. 
Peristedion moluccense Blkr. 
j Scorpaena bandanensis Blkr. 
dl Pterois volitans CV. 
La hvpselopterus Blkr. 
ynanceia brachio CV. 

D Diagramma Sebae Blkr. 
id bilineatus CV, 
esio chrysozona K. v. H. 


A » 


‚ Chaetodon punctato-fasciatus CV. 


31. Chelmon longirostris CV. 

32. Taurichthys varius CV. 

33. Zanclus cornutus CV. 

34. Holacanthus trimaculatus CV. 

35. Pempheris oualensis CV. 

36. Selar torvus Blkr. = Caranx tor— 
vus Jen. 

37. Acanthurus scopas CV, 

89. Atherina brachypterus Blkr. 

99. Petroskirtes Temminckii Blkr. 

90. » mitratus Rupp. 

41. Gobius phalaena CV. 

42. Amphisile scutata Cuv. 

43. Premnas trifasciatus CV. 

44, Pomacentrus pavo Lacép. 

45. Dascyllus niger Blkr. 


46. Daseyllus xanthosoma Blkr. G2. Cheilinus decacanthus Blkr. 
47. » aruanus CV. 63. Scarus nuchipunctatus CV. 

49. Glyphisodon bandanensis Blkr. 64. >» _ balinensis Blkr. 

49, Weliases xanthochirus Blkr. 65. Callyodon vaigiensis CV.? 


50. Julis (Halichoeres Hoevenii Blkr. 66. Saurus synodus CV. 


51. » (__» ) melanurus Blkr. 67. Oxybeles Brandesii Blkr. 
52» (_» )strigiventerBenn. 68. Rhombus sumatranus Blkr. 
53. » (__» } spilurus Blkr. 69. Ophisurus maculosus Cuv. 
54. » (_» ) interruptusBlkr. 70. Syngnathus haematopterus Blkr. 
55. » (_» ) Renardi Blkr. 71. Syngnathoïdes Blochii Blkr. E 
6 (__» ) balteatus QG. 72. Diodon punctatus Cuv. 
57 AND, (__» ) bandanensis Blkr. 75. Triodon bursarius Reinw. 


58. Labroïdes paradiseus Blkr. 5 74, Balistes aculeatus Bl. 
Cossyphus dimidiatus GV. 75. » _ lineatus Bl. Schn. 

59. Crenilabrus nematopterus Blkr. 76. Alutar'us prionurus Blkr. 

60. Novacula julioïdes Blkr. 77. Ostracion cornutus L. 

61. Cheilio hemichrysos CV. 78. » Sebae Blkr. 


Door deze Bandasche soorten werd heft aantal der van de 
Molukken bekende visschen gebragt op 219. Ï 

Aan de welwillendheid mijner ambtgenooten en vrienden, de” 
heeren G.J. van Tuinen en Dr.J. Hanrzeerp heb ik te danken 
een paar verzamelingen van visschen van Amboina, welke een 
groot gedeelte van het onderwerp dezer bijdrage uitmaken, em 
waardoor ik op nieuw iets heb kunnen bijbrengen tot uitbrei 
ding der ten dezen opzigte nog ZOO onvolledige kennis. Deze 


n 


beide verzamelingen, waaronder vooral die van denheer HartzreLD 


staan achter de namen uitgedrukt. 


1. Apogon Hartzfeldii Blkr. 7. Serranus crapao CV. ibid. 

2 » _ roseipinnis CV 8. » amboinensis Blkr. 

3. Ambassis urotaenia Blkr. 9. Mesoprion octolineatus Blkr. V. 

4. Cheilodipterus quinquelinea- Bat. Gen. XXII. Perc. 
tus CV. 10. _ __»- _ amboinensis Blkr. A 

5. Serranus cyanostigma K. v. H. 14. Therapon theraps GV. Verh. B. 
Verh. Bat. Gen. XXII Perc. G. XXII Percoïd. | 

6. » _ leucogcammicus Rwdt. 12. » servus CV. ibid. - Zi 


ibidem. 13. Priacanthus japonicus CV. 


Jm HED 


14. Myripristis parvidens CV. 46. Keris amboinensis Blkr. 
A0. » microphthalmus Bl. 47. Petroskirtes anema Blkr. 

16. Holocentrum sammara CV. Verh. 48. Gobius caninoïdes Blkr. 

Bat. Gen. XXII Percoïd. / 49. Callionymus filamentosus CV. 

pr 17. » diadema GV. 50. Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. 
18. Sphyraena obtusata CV. Verh. 51. Pomacentrus nematopterus Blkr. 
| Bat. Gen. XXII Percoïd. 52. » prosopotaenioïdes 
‚ 20. Upeneoïdes variegatus Blkr. ibid. Blkr. 
‚21. » bivittatus Blkr. ibid. 53. Glyphisodon rahti CV. 
22. Dactylopterus orientalis CV, 54. Julis (Halichoeres, kalosoma Blkr. 
23. Pteroïs vofitans CV. Verh. Bat. 55. Fistularia immaculata Commers. 
| Gen. XXII Scleropar. 56. Amphisile scutata Cuv. Nat. Tijd- 
| 24. Apistus fusco-virens QG. schr. Ned. Ind. II pag. 245 ib. 
25. Diagramma punctatum CV. Verh. 57. Belone cylindrica Blkr. Verh. 
Bat. Gen. XXIII Sciaen. Bat. Gen. XXIV Snoek. 
k 26. Scolopsides Iycogenis CV. ibid. 58, Saurus trachinus T. Schl. 


‚ Emmelichthys leucogrammicus 59. Saurida nebulosa CV. 


Blkr. ibid. Maenoid. 60. Rhombus sumatranus Blkr. Ver- 
‚ Chaetodon virescens CV. ib. Chaet. hand. Bat. Gen. XXIV Pleuron. 
» vittatus B). Schn. ibid. 61. » poecilurus Blkr. 
» princeps CV. ibid, 62. Plagusia Kopsii Blkr. Nat. Tijd- 
» oligacanthus Blkr. ib. schrift N. Ind. II. p. 494, 
» vagabundus Bl. ibid, 63. Ostracion cornutus L. Verh. Bat. 
» strigangulus Sol. ibid. Gen. XXIV Balist. 
Heniochus macrolepidotus CV. 64. » eubieus Bl. ibid. 
ibidem. 65. Monacanthus tomentosus Cuv. ib. 
„ Scatophagus argus CV. ibid. 66. Tetraödon laterna Richards. 
„ Platax Blochii CV. ibid, 67, » virgatus Richards. 
‚ Pempheris mangula CV. ibid. 68. » kappa Russ. Verh. 
„ Toxotes jaculator CV. ibid. B. G. XXIV Blootk. Vissch. 
‚ Scomber loo CV. ibid. XXIV Ma- 69. » hypselogeneion Blkr. 
kreelacht. visschen. 70. » margaritatus Rupp. 
‚ Chorinemus tol. CV. ibid. “71. Syngnathus haematopterus Blkr. 
« Caranx Forsteri CV. ibid. Nat. T. Ned. Tad. II. p. 259. 
» ekala CV. ibid. 72. Syngnathoïdes Blochii Blkr. ibid. 
Carangoïdes ophthalmotaenia Blkr. p. 259. 


,, blepharis Blkr. Verh. 73. Hippocampus taeniopterus Blkr. 
5 Bat. Gen. XXIV Makr. Vissch. 74. » moluccensis Blkr. 
85. Amphacanthus dorsalis GV. ibid. 
XXII Teuthid. 


\ Vergelijkt men deze lijst met de hierboven reeds gegevene, 
van de van Amboina zelf bekende species, dan blijkt het, dat 


256 


niet minder dan 62 soorten der verzamelingen van de heeren d 
HartzreuD en Van TareneN als nieuw zijn te beschouwen voor 
de stellige kennis van Amboina, en dat daardoor het aantal ” 
bekende vischspecies van Amboina op f{7 wordt gebragt. On- € 
der de hier opgesomde 74 soorten zijn er voorts 2, welke reeds 
van Boeroe, 9 welke reeds van Banda en 4, welke van de 
Molukken in het algemeen bekend waren. Telt men na aftrek 
dezer 18 soorten de overigen bijeen, dan erlangt men een cij- — 
fer van 310. 5 

Eenigen tijd geleden gelukte het mij, in het bezit te gera- í 
ken van eenige platen, onder de leiding van Forsten te Ter- $ 
nate vervaardigd en betrekking hebbende tot Ternataansche vis- kl 
schen. Die afbeeldingen zijn zeer gebrekkig, doch laten vol-_ 
doende eenige species herkennen, zooals: 


1. Mesoprion chrysotaenta Blkr. 8. Scolopsides monogramma K. v. H._ 
Nat. T. N. Ind. IL. p. 170. ibid. XXII Sciaen. | 

2. » decussatus CV, Verh. 9, Caesio coerulaureus Lacép. ibid. 
B.G. XXII Perc. Maen. 


De » amboinensis Blkr. 10. Chaetodon Kleinii CV. ibid. Chaet 
‚ Serranus horridus K.v. H. Verh. 11. » princeps CV. ibid. # 
B. Gen. XXII Perc. 12. » vittatus Bl. Schn. ibid. 


Ris 


5. Dactylopterus orientalis CV. 13. Amphacanthus vulpinus M. Schl. 
6. Pterois volitans CV. Verh. B. G. 14. Gnathanodon speciosus Blkr. V. 


XXII Sclerop. B.G. XXIV. Makr. 
7: Synanceia brachio CV. ibid. 


boven opgegeven, edt” ie wordt 315. An 

In de maand Maart dezes jaars werd mijne verzameling an= 
dermaal verrijkt met Moluksche visschen en wel met niet min- 
der dan 92 soorten, afkomstig van Wahai, aan Cerams noord- 
kust, en met uitzondering slechts van eene enkele soort, ald a 
in zee gevangen. Deze Ceramsche visschen heb ik te danken 
aan den heer D. Prraum, die ze mij met welwillendheid heeft 
afgestaan. Ze bestaan uit de volgende species: 


237 


1. Apogon orbicularis K. v. H. 
2 » ceramensis Blkr. 
3. » melanorhynchos Blkr. 
Á, » chrysosoma Blkr. 
5. Ambassis urotaenia Blkr. 
6. Mesoprion octolineatus Blkr. V, 


B. Gen. XXII Percoïd. 


R-7. » madras CV. ibid. 
8. » striatus Blkr. ib. 
9. » bottonensis Blkr. Nat. 


Tijdschr. N. Ind. II. p. 170. 
. Therapon servus CV. Verh. Bat. 
Gen. XXII Percoïd. 
Sphyraena obtusata CV, ibid. 
„ Upeneus barberinus CV. Nat. T, 
N. Ind. II. p. 172. 
13. » barberinoïdes Blkr. 
Upeneoïdes variegatus Blkr. Ver- 
hand. B. Gen. XXII Percoïd. 
„ Dactylopterus orientalis CV. 
‚ Pteroïs volitans CV. Verh. Bat. 
Gen. XXII Sclerop. 
» brachypterus CV. 
» zebra CV. 
„ Apistus fusco-virens QG. 
> dermacanthus Blkr. 
es maeracanthus Blkr. 
‚ Scorpaena diabolus CV. 
‚ Synanceia horrida CV. Verhand. 
Bat. Gen. XXII Sclerop. 
» brachio CV. ibid, 
‚ Lethrinus latifrons Rúpp. Nat. 
REN. sInd. II p. 220. 
» xanthotaenia Blkr. ib. 
II. p. 176. 
27. Caesio coerulaureus Lacép. Verh. 
Bat. Gen. XXIII Maen. 
28. Gerres abbreviatus Blkr. 
B ON. T. N.Ind. I p. 103. 
29. Chaetodon virescens CV. Verh. 
Bat. Gen. XXII Chaet. 
_3C » baronessa CV. Nat. 
T. N. Ind. II. p. 239. 


ibid. 


46. 


59. 


60. 


‚ Chorinemus sancti 


‚ Platax Blochii CV. Verh. Bat. 


Gen. XXIII Chaet. 
Petri 
ibid. XXIV Makreel. 


CV. 


‚ Trachinotus Baillonii CV. ibid. 
„ Carangoïdes blepharis Bkr. ib. 
‚ Equula ensifera CV. ibid, 

‚ Amphacanthus dorsalis GV. ibid. 


XXII Teuth. 


. Acanthurustriostegus Bl. Schn.ib. 


» melanurus CV. 


. Keris amboinensis Blkr. 
‚ Petroskirtes rhinorhynchos Blkr. 
„. Gobius phalaena CV. Nat. T. N. 


Ind. II p. 244. 


» _ interstinctus Richards. 


„ PeriophthalmusargentilineatusCV. 
. Eleotris muralis QG. 


„ Ántennarius hispidus Cant. 


Batrachus diemensis Richards. N. 


T.N. Ind. III p. 168. 


‚ Halieutea stellata CV. 
. Fistularia immaculata Comrmers. 


. Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. 


» percula CV. 


E Pomacentrus pavo Lacép. Nat. 


EN: Ind HI p.247. 
» chrysopoecilus K. v. H. 


» taeniometopon Blkr. 


. Dascyllus niger Blkr. Verh. Bat. 


Gen. XXI Kamsch. Labr. 
» aruanus CV. Nat. 


N. Ind. II. p. 247. 


1: 


. Cheilio hemichrysos CV. ib. II 


p. 255. 


. Novacula pentadactyla CV. ibid. 


II p. 222. 

» __julioïdes Elkr. ibid. II 
p. 254. | 

Julis (Halichoeres) elegans K. 
v. H. 
» (__» _) interruptus 
Blkr. N T.N.Ind.Il p. 252. 

18 


61. 


62. 
63. 
64. 


65. 
66. 
67. 
68. 
69. 
70. 


71. 
72. 


73. 
74. 


Deze soorten zijn allen nieuw voor de kennis der fauna van 
Ceram, van welke nog geene enkele in de wetenschap bekend 
Van deze 91 species zijn 52 vermeld in de hiervoren- 
gaande opgaven, zoodat niet minder dan 39 er van nieuw zijt 
Hierdoor stijgt het aantal mij. 


was. 


238 


Julis (Halichoeres) strigiventer 

Benn. ibid. p. 251. 

» Cn 
Cheilinus ceramensis Blkr. 
Callyodon waigiensis CV. N. T. 

N. Ind. II p. 256. 
Plotosus lineatus CV. Verh. Bat. 

Gen. XXI Silur. 

Sardinella leiogaster CV, Verh. 

Bat. Gen. XXIV Har. 

Alausa melanurus CV. ibidem. 
Engraulis encrasicholoïdes Blkr. 

ibid. N. T.N. Ind. III p. 173. 
Saurus trachinus T. Schl. 
Rhombus sumatranus Blkr. Verh. 

Bat. Gen. XXIV Pleur. N. T. 

N. Ind. I p. 409. 

Achirus pavoninus Lacép. Verh. 

Bat. Gen. ibid. 


Oxybeles Brandesii Blkr. Nat. 


T. N. Ind. IT p. 276. àl 


Muraena lita Richards. 
» Richardsonii Blkr. 


voor de fauna der Molukken. 


thans bekende Moluksche species tot reeds niet minder dan 354, 
dat is 168 meer dan door de schrijvers met eenige zekerheid 


) kalosoma Blkr. 


75. 
76. 
did, 
78. 


79. 
80. 


81. 


als zoodanig bekend gemaakt zijn. 


zameling bevinden zich eenige nieuwe soorten, welke mij noch 
van Banda noch van Amboina onder de oogen gekomen zijn, caf 


wel ten getale van 12. 


In het volgende overzigt van de geographische verbreiding der 
visschen in de Molukken, heb ik tevens vermeld de tot nutoêë 


(1) Behalve deze 91 species bevat. deze verzameling eenige specia 13 
van-eene monstrositeit van Carassius auratus Nilss., welke echter niet v 


Ceram afkomstig zijn. 


. Ostracion cornutus L. ibid. Ba- 


. Syngnathus haematopterus Blkr. 
. Syngnathoïdes Blochii Blkr. ibid. 


. Hippocampus taeniopterus Blkr. 
. Pegasus volans L. | 
. Solenostoma paradoxum Lacép. 
. Chimaera monstrosa L. (1). 


Muraena ceramensis Blkr. 
» micropterus Blkr. 


» variegata Richards. 
Tetraödon hypselogeneion Blkr. 
> kappa Russ. 
Diodon punctatus Cuv. Verhand. 
Bat. Gen. XXII Blootk. 
Balistes praslinus Lacép. ibid. 
Balistin. Ostrac. 


» flavomarginatus Rüpp. 


. Alutarius laevis Cuv. Verh. Bat. 


Gen. XXIV Balist. Ostr. 


list. Ostr. 


» _tesserula Cant. 
Nat. T. N. Ind. IT p. 259. 


II p. 259. 


‘wij 


Ook in de Ceramsche vers 


Ì 


el 
3 
ad 
n 
Kl 
a 
0 


4 
H 


259 


bekend gewordene vischspecies van de eilanden Waigioe, Ra- 
wak, Nieuw-Guinea en Timor. 
In deze bijdrage zijn beschreven meer dan 60 soorten. 


f Meerderen dezer soorten waren vroeger niet in mijne ver- 
A 
_ zameling, doch zijn door andere schrijvers reeds meer of min 


; 


bekend gemaakt, t. w.: Cheilodipterus quinquelineatus CV., 
Apogon roseipinnis CV., Apogon orbicularis K. v. H., Holocen- 
| En diadema CV., Myripristis parvidens CV., Pteroïs brachy- 
EEn: CV., Pteroïs zebra CV., Scorpaena diabolus CV, Apistus 
a virens QG., Acanthurus melanurus CV, Gobius insterstinc- 
tus Richards. , Periophthalmus Beekes ene CV., Eleotris mu- 
ralis QG., Callionymus filamentosus CV., Antennarius hispidus 
7 ant., Halieutea stellata CV., Fistularia immaculata Comm., 
| mphiprion bifasciatus Bl. Schn., Amphiprion percula CV., 
jen chrysopoecilus K. v. H., lvphisadon rahtiC Ve, 


Tetraödon kappa Russ., Tetraödon margaritatus 
8 Rüpp. ‚ Balistes flavimarginatus Rüpp., Ostracion tesserula Cant., 
‘ Pegasus volans L., Solenostoma paradoxum Lacép., Chimaera 
monstrosa L. 


Ô b eschreven zijn: Apogon Hartzfeldii Blkr., Apogon melanorhyn- 
hos Blkr., Apogon chrysosoma Blkr., Apogon ceramensis Blkr., 
Ambassis urotaenia Blkr., Serranus amboinensis Blkr., Meso- 


d béneus BrBeiniïndes Blk. ‚ Apistus macracanthus Blkr., Apis- 
tus dermacanthus Blkr., Carangoïdes ophthalmotaenia Blkr., Keris 
mboinensis Blkr., Petroskirtes rhinorhynchos Blkr., Petroskirtes 


| iik \ Blkr., Gobius caninoïdes Blkr., Pomacentrus tacniometopon 


pc aenioïdes Blkr., Julis (Halichoeres) welden. oe ‚ Chei- 
dinus ceramensis Blkr., Rhombus poecilurus Blkr., Muraena 
Richardsonii Blkr., Muraena ceramenis Blkr., Muraena micro- 
pterus Bìkr., Tetraödon hypselogeneion Bikr., Hippocampus 


moluccensis Blkr., Hippocampus taeniopterus Blkr., en alzoo 28 
soorten. 


Geographasch overzigt der thans bekende vischsoorten 


jm) | 
ONE 
55 |, | IE 5 
e ADN ele, ND : Dll .|®v 
EsAjajölSlelSigie else lAlS 
© {Ol & © | esse 1 
SOORTEN. RAE EN ER BA ee ERP 
MS aZlalelflSlelsië le 
deBlajeles iel miilals is 
laser VIE, : = 
Sale 5 | 2E Ver 
NRA | pe je: 
MIRT | : 
Re Me: | 
RENE TER AIEE EED ET ESE ON IRIS DEE TTE SHEARER NE AE OA PEET LAT RL OENE EES ME 


240 


van de Moluksche eilanden. 


Lates nobilis CV. 
Labrax waigiensis CV. 
Apogon trimaculatus CV. 
novemfascìatus CV. : 


>» 


» 


roseipinnis CV. 
ceramensis Blkr. 
orbicularis K. v. H. 
melanorhynchos Bl. 
Hartzfeldii Blkr. 
chrysosoma Blkr. 


Ambassis Dussumierii CV. 


» 


urotaenia Blkr. 


Cheilodipterus quinqueli- 
neatus CV. 
Serranus cyanostigma K. v. H. 
» leucogrammicus Rwdt. 


» 


» 


marginalis CV, 
erapao CV. 
amboinensis Blkr. 
horridus K. v. H. 
pardalis Blkr. 
biguttatus CV. 
variolosus CV. 
argus CV. 
boenack CV. 
punctulatus CV. 
boelang CV. 
Ouoyanus CV. 
Gaimardi CV. 
vìtta QG. 

merra CV. 
guttatus CV. 


Plectropoma melanoleucum 


GV. 


Mesoprion chrysotaenia Blkr. 
amboinensis Blkr. 
octolineatus Blkr. 

quadriguttatus Blkr. 


» 
» 
Di 
» 


striatus Blkr. 


Transport. 


1 
1 
1 
| 
1 
| 1 
| B 
| 
| 
1 
if 
1 
k 
1 
1 
1 
Bit 
Pi 
Ne 
dp 
hd 
[4 
Ni 
it 
A 


1 
1 
1 
1 
1 

1 
1 

1 


1 
| | Ì 
3 2 7. al 1 


SOORTEN. 


Molukken. 
Eiland van voorkomen 


241 


niet juist bekend. 


Amboina. 
Boeroe. 
Ternate. 
Ba midea. 
Manipa. 
Ceram. 
TE amtor. 
Solor. 


fel hd 
zlëls[à 
KN eN 
Sle{s|s 
Kol den 
RRA 
a: 2 


B, Per transport. 
__Mesoprion unimaculatus QG. 


» macolor Blkr. 

» lutjanus CV. 
k » Sebae Blkr. 
» olivaceus CV. 
. » semicinctus CV. 
3 » __rufolineatus Blkr. 
» deeussatus CV. 
Á » bottonensis Blkr. 


» madras CV. 

» Calveti Blkr. 
Cirrhites pantherinus CV. 
» arcatus CV. 

» aprinus CV. 


Barnev. 


Therapon theraps CV, 
» __ servus CV. 
_ Priacanthus japonicus CV? 
> carolinus CV. 
» macracanthus 
GV. 
BE» argenteus CV, 
__Myripristis parvidens GV. 
» microphthalmus 
Blkr. 
» violaceus Blkr. 
» Bn CV.? 
» exagonus CV. 


Holocentrum sammara CV. 


» diadema CV. 
» operculare GV, 
» leo CV. 


Ee \Percis eylindrica CV, 

» ocellata CV. 

_ Sphyraena obtusata CV. 

À: » jello CV. 
illago acuta CV. 


__ Polynemus plebejus Brouss. 
Upeneoïdes variegatus Blkr, 


» bivittatus Blkr. 
» Vlamingii Blkr. 
hi Upeneus barberihus GV. 


E 


Transport. 


Myriodon scorpaenoïdes Bris. 


argenteum CV. 


ed je jh 


De 
Bie 
1 
1 
1 4 
1 
1 
1 
1 
11| 2} 8 


1 | 
1 
1 
1 vara 
1 1 
aaa | 
13 25| al al4ol 1312 1! 


SOORTEN. 


Per transport. 
Upeneus barberinoïdes Blkr. 
» Brandesii Bikr. 
» trifasciatus CV. 
» zeylonicus CV. 
» _ ecrassilabris CV. 
» Russellii CV. 
» japonicus CV. 
cinnabarinus CV. 
Mulloïdes flavolineatus Blkr. 
Dactylopterfus orientalis CV. 
Peristedion moluccense Blkr. 
Trigla Brandesii Blkr. 
Pteroïs volitans CV. 
» brachypterus CV. 
» zebra CV. 


» antennata CV. 
Platycephalus isacanthus CV. 
» insidiator Bl. 
» pristiger GV. 
» timoriensìs CV 


Sebastes minutus CV. 
Scorpaena bandanensis Blkr. 
» diabolus CV. 

» Novae Guineae 
CV. 
» papuensis CV. 
ap fusco-virens QG. 
maecracanthus Blkr. 

» hypselopterus Blkr. 

» dermacanthus Bikr. 

» _ longispinis CV, 

» marmoratus CV. 
Pelor maculatum CV. 
Synanceia brachio GV. 

» asteroblepa Rich. 

» horrida Bl. 

» bicapillata GV. 
Diagramma Sebae Blkr. 


» Lessoniì CV. 
» poecilopterum CV 
» punctatum CV, 
Seolopsides monogramma 
K. v. H. 
» lycogenis GV. 


Transport. SMS 


ee 


jef Ì : 
ie | | | 
re) «| Ef 
s48lsl el .lel.lel. le I8 
ox | Ni (oen A= ee 
MAAAR en 
3 Eslejels Als ale die ielk 
made sief s 
5E a É 
ie | 
13 las) 2} 4 10 13 12| 4) |14l 2 3 
1 | 
1 
1 
1 
1 { 
1 | 
1 Í 
1 1 1 AA 1Ì 
Ia 
1 REN 
al Hr 
1 
il 4 
- | 
1 1 
1 | | 
E 
1 
1 ! 
1 
1 1 
1 
1 
4! 
1 | 
1 
1 
1 á 1 
1 
1 , 
1 
1 
1 
1 
1 
1 
1 
19 |32{ al sieol |oaliel 1, |17 2 


SOORTEN. 


é 
Eman 


Kk “Per transport. 
Scolopsides bilineatus CV. 


3 » temporalis GV. 
3 » margaritifer CV 
» cancellatus CV. | 


__Heterognathodon bifasciatus 
Re Blkr. 
_ _Malacanthus taeniatus CV. 
__ Dentex ruber CV. 
» _tolu CV. 
» _hexodon QG. 

B » ‘cynodon CV, 
_ EChrysophys sarba CV. 

b te nd bifasciata CV. 
K iras semicinctus CV. 


» anatarius Rich. 

> mierodon CV. 

» olivaceus CV. , 
» xanthotaenia Bl, 
» opercularis CV. 
» _wailgiensis CV. 
» reticulatus CV. 
» sordidus CV. 


h » latidens CV. 
Pentapus vittatus CV. 

Caesio chrysozona K. v. H. 

_» _côerulaureus Lacép. 

» _lunaris Ehr. 

E mmelichthys leucogrammi- 


Gerres poeti CV. 

__» abbreviatus Blkr. 

_» _ filamentosus CV. 

ZE argyreus CV. 

Kn kapas Blkr, 

Aphareus coerulescens CV. 

… RA rutilans CV. 
Chaetodon Kleinii CV. 

» princeps CV. 

vittatus Bl. Schn. 

virescens CV, 

oligacanthus Blkr. 

vagabundus Bl, 


» _ latifrons Rupp. 


YE YY 


Transport. Pt 


= 

o | | 
8 rd . . 
e= Ei fe Ë 
aes rd ee . KE . 

A= 4 ke . > oe hae] ® [| 
erm  , 5 | . her 
ede Ee sela dels |Ble ls 
GPA le) Sad | REE lasd AK kt Hsen s Ir 
ES rele (A Le Ee 5 Pe 
Beessie: 
ED 5 oC IAS 
Sid | | A zi 
al EN | | 
EERDER ONE ENECO NDE MET RET ETE 


Je 


atheae 24161 1) [17 2117 
1 | 
| 1 1 
| 1 
| 1 1 
| 1 1 
| 1 
| 1 
| 
| 1 
1 | 
1 
1 
1 à 
1 
1 
1 | | 
1 
1 | 
1 | 
zeke 
É 
1 
1 
id 
1 
1 1 1 | 
d | 
| | 
1 
1 | 
1 
1 
1 
: | 
1 | 
1 m 
if 1 | 1 
1 1 | 1 
1 1 |A dd 
1 
1 | 
26 \39j 712 23, [2921) 4} |23| 3,28 


SOORTEN. 


Per transp. 
Ohadtodor strigangulus Sol. 
punctato- —fasciatus 

GN 
baronessa CV, 
dorsalis CV. 
nesogallicus CV. 
unimaculatus CV. 
» speculum K. v. H. 
sebanus CV. 

» Meyerì Bl. 
melanotus Rwdt. 
spilopleura Rwdt. 
setifer Bl. 
ephippium CV. 

p principalis CV. 

» chrysozonus K. v. H 
Chelmon longirostris CV. 
Heniochus macrolepidotus CV 
Taurichthys varius CV. 

» viridis CV. 
Zanclus cornutus CV. 
Scatophagus argus CV. 

» ornatus CV. 
Drepane longimana CV. 
Holacanthus tendensen La- 

cép. 
semicireulatus CV. 
dux Lacép. 
bicolor CV. 
mesoleucos CV. 
annularis CV. 
imperator CV. 
Plats Blochii CV. 

» guttulatus CV. 

» punctulatus CV, 

» Gaimardi CV. 

» teira CV. 
Pimelepterus altipinnis CV. 

» marciae QG. 

Pempheris mangula CV. 

» oualensis CV. 

» moluca CV. 
Toxotes jaculatór CV. 


Transport. : . 


Molukken. 
Eiland van voorkome 


12 
ds 
de 


n 


Boeroe. 
Ternate. 
Banda. 


niet juist bekend. 
Amboina. 


26 (39| 711223 
1 | 


ES 


eed jd eh 


Je jd jd jb 


il 1 


mm mn | mn mame | 


40 |47| 9, 12135! 


Manipa. 


Jb de jd jede jd je 


Solor. 


29/21) 4 


31 24 5 


Aroë-eilanden. 


RKawak. 
Nieuw Guinea. 


Waigoe. 


ho 
kj 
(ed 


_ 


25 313 


nen en dee 


ho 
lef 


SOORTEN. 


, 


Per transport. 
Trichopus trichopterus CV. 
_ Secomber loo CV. 

__ Auxis taso CV. 

_ Cybium lineolatum CV. 
Histiophorus indicus CV. 

_ Blacate mottah CV. 
Chorinemus Commersonia- 


nus CV, 
» sancti Petri CV. 
J » tol CV. 
_ Trachinotus mookalee CV. 
p\ » Baillonii CV. 


‚ Megalaspis Rottleri Blkr. 
Selar trachurus Blkr. 
__» boöps Blkr. 

__» torvus Blkr, 

__» Hasseltii Blkr. 

EE >» Novae Guineae Blkr. 
Caranx Forsteri CV. 

} > ekala CV. 

__» _melampygus CV. 
Bes Peron CV. 8 
Carangoïdes blepharis Blkr. 


\ 
| 
Î 
8 


Es citula Blkr. 
d » coeruleopinna— 
a : tus Blkr. 

E nb, gallichthys Blkr.! 


__» ophthalmotaenia Blkr. 
Gnathanodon speciosus Blkr.' 
Femnodon saltator CV. 
Beriola cosmopolita CV. 
Nauclerus compressus CV. 
A) brachyeentrus CV. 
_Coryphaena chrysurus CV. 
_Equula filigera CV. 
ik» ensifera CV. 
0e» oblonga CV. 
kastacembelus maculatus CV. 
Amphacanthus vulpinus M. 
& Schl. 
>» dorsalis CV. 
NE » concatenatus CV. 
» doliatus CV. 


‚ Transport. „ 


3, ’ | 
SE. dd 
SBA s We lslalale|. eid .Id 
ENE AEEA 
Bea slEjSalslE ng 3 Pie 
Saal sis mmites sk 
EE |, 5 es EMAS 
Redd aa et 
EI FF 
=| 
5 | | | 
40 47| 9/12/35 lala 5 25) 3)36 
1 
d 1 1 
1 
1 
1 
1 
1 
1 
#4 
1 
1 
1 
1 
1 
1 
1 
1 
1 1 1 1 
1 ij 
1 | 14 
1 | 
1 1 4} 
1 
1 
1 
1 
Ate 
1 
1 hi 
| 
1 
1 
1 1 1 
1 
1 
1 
1 
1 vd 
1 
1 1 


En a || erven) A enn ade ee ee A PE 


53 |59/13]14136, |3630| 5| |29| 4l43 
19 


| ô | | 
5 | 
le | Ld 
88e 8 
eS&leldiëlelelsle|.|e|s 
2eZjelelsieitlElels|E|S 
7 ed Ô | A ei 
SOORTEN. San alsiäjslalslëre ss 
[5 ES 2 |© lea ln ole 2e 
=| © (FA De) d 
Fo Ts & 2 
dl | 


zl 


Per teansp. |: 53 [59 Ise 36/30) 5| |29/ 4143 
Amphacanthus margaritife- | 
rus CV. 5 Ô 
» marmoratus CV. 1 
» vermiculatus CV. 
» lineatus CV. 
» nebulosus QG. 1 
Acanthurus matoïdes CV. 1 
» _triostegus Bl. Schn. | 1 
» hepatus Bl. Í 1 
» melanurus CV. 1 
» doreënsis CV. 
» etenodon CV. 
» strigosus Benn. 
» scopas CV. 1 1 
» lineatus Lacép. 1 | 
» nummifer CV. 1 
» glaucopareius 
Forsk. 1 
» fraterculus CV. 1 | 
» striolatus QG. 1 
» humeralis CV. p | 
» velifer Bl. ai 
» altivelis CV. 1 
Naseus tripeltis CV. 1 
» brevirostris CV. î 
» lituratus CV. | 1 
» Vlamingii CV. s| 
» fronticornis Comm. | 1 
» brachycentron CV. | 1 
Axinurus thynnoïdes CV. | 
Prionodon annularis CV. | 1 
Keris amboinensis Bìkr. 1d 1 
Cepola abbreviata CV. | 1 | 
Mugil cephalotus CV. 1 | 
» cunnesius CV. 1 Ni 
» melanochir K. v. H. | 1 10 
» axillaris CV. | Ib 
» _parsia Buch. Ham.? dà 
Atherina brachypterus Blkr. | Ì ô 
» endrachtensis CV, | en 
» eylindrica CV. 1 1 4e 
» lacunosa CV. 1 KD: 
Petroskirtes anema Blkr. 1 | 


nn mn | man | ann | en | mn en | mn | en | | | 


Transport. … 67 (65/13 14138! 1139 34) 6) |36 


247 


mm 


Nieuw Guinea, 


SOORTEN. 


Molukken. 
Eiland van voorkomen 
Boeroe. 
Ternate. 
Banda. 
Manipa. 
Ceram. 
Timor. 
Solor. 

Aroë — eilanden, 


niet juist bekend. 
Amboina. 
Waigioe. 


67 


ps Per transport. 05 15 ala 1 bd 6 36 
__ Petroskirtes Temminckii 

en Blkr. 

| » rhinorhynchos Blkr. 
ij » mitratus Rupp. 
ik » _ filamentosus Rupp. 
_ Salarias quadripinnis CV. 

_ Gobius phalaena CV. 

___» interstinctus Richards. 


Î 1 
1 


EE » Goldmannii Blkr. 
Ki» elegans K. v. H. 
EE >» eriniger CV, 
EE » sphijnx CV. 
» papuensis CV. 
» eyprinoïdes Pall, 
OR» caninoïdes Blkr. 
_ Periophthalmus Koelreuteri 


De eh ph ee 


beb eh 


N » Schlosseri Bl. Schn. 
bl » Freycineti CV. 
ie » argentilineatus CV, 
B oleophthalmus Boddaerti CV 
Bleotris strigata CV. 
» _ _muralis QG. 
BS nigra OG. 
aallionymus filamentosus CV, 
B» sagitta Pall, 
F/ » ocellatus Pall, 
atrachus diemensis Richards. 
_Ántennarius raninus Cant. 


Jed jd jah 


BE >» hispidus Comm. 
lalieutea stellata CV, 
Istularia immaculata Comm. 
mphisile scutata Cuv. 
> velitaris Cuv. 
Femnas trifasciatus CV, 
mphiprion bifasciatus Bl, 
Zu chn. 
E» laticlavius CV, 
__» intermedius M. Schl. 
AR percula CV. 
ED trifasciatus CV. 
macentrus pavo Lacép. 
_» chysopoecilus K.v. H. 
Ee? littoralis K. v‚ H, 


nne Enne 


Transport. 


ek jd joh ad 
ed 


pn 


Transport. . . 


ee) 
Paal 
°o 


= Ì | 
En Ep 
. S É asalhnt de 5 | 5 | ze 5 
BEELEN sl ala ËlelB es 5d 
SOORTEN. Pd Pee kiel ale Siglais Sl 
SE2elsjejele =P alat d 
sofa re rige EZ 
3 Ben) 
Sa | ij 5 
A | 
Per transport. 72 rolt ale dns 6 99| 565 
Pomacentrus taeniometopon el 
(Blkr. 
> trilineatus Ehr. | 
» katunko Blkr. | 1 
» emarginatus CV. 1 
» nematopterus Blkr. 1 
» prosopotaenioides Blkr. 1 | 
Glyphisodon bandanensis 1 
Blkr. 1 
unimaculatus CV. La | 
» azureus QG. ik 
» uniocellatus QG. 1 ik | 
» rahti CV. | | 
» biocellatus CV. 
» zonatus CV. 
» waigiensis CV. 1 
» coelestinus Sol. 1 
» melas K. v. H. 4 | 1 
Heliases analis CV. 1 | 
» lepisurus CV. 
» _ coeruleus CV. 
» _xanthochirus Blkr. 4 | 
Dascyllus niger Blkr. 4 1 
» aruanus CV. 4 4 RS | 1 
» xanthosoma Blikr. 4 
Plesiops melas Blkr. ak | 
Julis (Halichoeres) kaloso- | 
(ma Blkr. 4 1, 
» (_» JelegansK. v. H. | 1 
» (_» ) Hoevenii Blkr. 4 | 
» (__» ) melanurus Blkr. 1 | 
suk Pi) strigiven— 
[ter Benn. 4 1 
» (__» ) spilurus Blkr. 1 
» (__» ) interruptus Blkr. 4 1i'4 
» ( >» ) Renardi Blkr. 1 | 
» (__» ) balteatus QG. 1 
» 5 » ) bandanensis Blkr. 1 
» ( » ) miniatus K. v. H. | Ì 
» » ) Schwarzii Blkr. 4 
» ( _» ) binotopsis Blkr. B | 
» (__» ) kawarin Blkr. | 1 
» ( » ) timorensis Blkr, he à 
» Gaimardi OG. | | 


nm | | fm 


75 182/15,14)58| 1159 50| 7 1/42 EE 


SOORTEN. 


Molukken. 
Eiland van voorkomen 


nietf&ist bekend. 


Amboina. 


Boeroe. 


Ternate. 


Banda. 


Manipa. 
Ceram. 
Timor. 
‘Solor. 
Aroë-eilanden. 


| 
| 


| 


Rawak. 
Nieuw Guinea, 


: 
Ê 


xr 


De 
me, 


% 


k 


Per transport. 

Labroïdes paradiseus Blkr. 
Crenilabrus nematopterus | 
| 

| 


Blkr. 
Novacula julioïdes Blkr. 

» pentadactyla CV. 
Cheilio hemichrysos CV. 
Gomphosus Cepedianus QG. 
Xyrichthys macrolepidotus 

CV 


Cheilinus decacanthus Blkr. 
ceramensis Blkr. 
diagrammus CV. 
fasciatus CV. 
lacrymans CV, 
insidiator CV. 


» 
> 


Epibalus 


Scarus nuchipunctatus CV, 


» 
» 
» 
» 


balinensis Blkr. 
fasciatus CV. 

capitaneus CV. 
vaigiensis CV. 


» _ longiceps CV. 

Odax moluccanus CV. 

rh waigiensis CV. 

__Plotosus macrocephalus CV. 
» lineatus CV. 


4 Hemiramphus Quoyi CV. 


lueens CV. 
Lutkei CV. 
Dussumierii CV. 


_ Belone cylindrica Blkr. 


_ Exocoetus micropterus CV. 


Ù 


E myops CV. 


1 
As 


» poecilopterus CV. 
irocentrus dorab CV. 


_ Albula neoguinaica CV. 


» seminuda CV. 
hanos lubina CV. 
egalops indicus CV. 
ardinella lineolata CV. 

» leiogaster CV. 
lausa melanurus CV. 
ngraulis encrasicholoïdes 
Blkr. 


atoessus chacunda CV. 


Transport. iv 


ennen Kens Man 


75 


an annd 


ed eb 


Jed jade lend pede 


ni aen and 


| 
(82/15 14 58) 1 59 
1 


eh ek jk 


pek 


eh Jek joeb 


Hip 
ij: 


/ 


| 


so! 7 Laa 6 


70 


Dek jd jad 


mm Jen Jen Jm | nn | nn | mn | men | mam 


83 89,21)14 66! 1168/52! 71 1146) 7 77 


250 


[el 1 K. 
5 
5 . | … 
Ld js 4 Had BIS 3 
amal 2 lesie es do o 4 |-s F- 
e eg art © sIS|jË le © BREN 
SOORTEN. zeas|slalafal selle Pele 8 
285 o bie e on Ì s|e = AN 
> E r 0 je 
stakes se ESL 
Eh <5 Z 
mame 
5 


| 
| 
; Per transport. 83 | 8921114166 1 6852 7| 1/46) 7177 
Saurus trachinus T. Echt. 1 1 { 
» synodus CV. 1 in 
Saurida nebulosa CV. 1 1 1n 
» tombil CV. k | 1 
Tetragonopterus argenteus 
Less. 1 Rn 
Oxybelus Homei Richards. be 
» Brandesii Blkr. 1 1 
‚Leptocephalus taenia Less. 
Muraena siderea Richards. 
» micropterus Blkr. 1 
» canina QG. UK: 
» Richardsonii Blkr. 1 
» marmorata QG. ETE il 1 
» lita Richards. 1, 
» ceramensis Blkr. 1 
» colubrina Richards. 1 
Ophiurus maculosus Cuv. 1 
» colubrinus Richards. 1 | 
» versicolor Richards. 1 
Rhombus sumatranus Blkr. 1 | 1 
» poecilurus Blkr. zp ' 
Solea trichodactyla Cuv. 1 
_Achirus pavoninus Lac. 1 
Plagusia Kopsii Blkr. 1 
Ostracion cornutus L. 1 | 1 
» tesserula Cant. 1 
» eubicus Bl. 1 
» Sebae Blkr. 1 
Balistes conspicillum Bl. Schn. 1 
» _ lineatus Bl. Schn. 1 | 
» _ azureus Less. 
» aculeatus Bl. 1 
» medinilla QG. 
» _ flavomarginatus Rüpp. 1 
» praslinus Lacep. 1 
» ambonensis Gr. Hw. IJ | 
Monacanthus tomentosus Cuv. de 
Alutarius prionurus Blkr. 1 | 
PS laevis Cuv. U 
» personatus Less. | 
» Berardìi Less. | 
Tetraödon mappa Less. 3 
» laterna Richards. 1 | 
Transport. 86 |102|21:14|75| 1181 54) 7| 11511 9} 


P 


SOORTEN. 


Molukken. 
Eiland van voorkomen 


niet juist bekend. 


Amboina. 
Boeroe. 
Ternate. 


ral 


Guinea. 


Banda. 
Timor. 


Ároë —eilanden. 
Rawak. 


_ Nieuw 


Per transport. 


‚ Tetraödon virgatus Rich. 


» kappa Russ. 
» _hypselogeneion Blkr. 
» margaritatus Rüpp. 
Diodon punctatus Cuv. 

» coeruleus QG. 
Triodon bursarius Reinw. 
Syngnathus haematopterus 

Blkr. 
fasciatus Gr. H. 
B ehauhotdes Blochii Blkr. 


Hippocampus taeniopterus Blkr. 


LM 


en dd 


» moluccensis Blkr. 
Solenostoma paradoxum Lac. 
Pegasus volans L. 

» draconis L. 
» natans Bl. 


_ Scyllium ferrugineum Less. 


Chiloscyllium plagiosum MH. 
» malayanum MH. 
Carcharias (Prionodon) me- 
lanopterus QG. 
(_» _) am- 
boinensis MI. 
(Hypoprion ; Ma- 
eloti MH. 
Meistis euspidatus Lath. 
Trygon Kuhlii MH. 


» 


>» 


_ Taeniura lymma MI, 
Chimaera monstrosa L. 


Totaal. 


86 |102 21 


ee 


86 1116/2114 70 


14 


jee joh beb oh 


mmm | en | mn 


E Van alle bovengenoemde eilanden te zamen 
reeds bekend 47% soorten, 


& 


in welk cijfer 
geveer l,, Ceram en Nieuw Guinea elk voor bijkans Ws, 
anda voor 'l,, Timor en Waigioe elk voor U, tot U, enz. 


75 Hej 7 151 9 87 


| 
| 
| 
| 
1 KN 
| 
| 
| 
| 


nn 


1 90, 


zijn alzoo thans 
Ambotna deelt voor 


ON ADT AREN is 


d 


DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE. 
PERCOÏDEL 


Cheilodipterus qiinguelineatus CV. Poiss. IL p. 124. 
Less. Zoöl. Voy. Duperr. II p. 237. 


Cheilodipt. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in ejus 
longitudine, latitudine 2 fere in ejus altitudine; capite acuto, 34 circiter 
in longitudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in ejus longitudine; 


oculis diametro 3 in longitudine capitis; linea rostro-frontali leviter con- 
vexa; maxilla inferiore superiore paulo breviore; dentibus maxillis pluri- 
seriatis parvis, maxilla superiore antice caninis 4, maxilla inferiore an- Ì 
tice lateribusque caninis 6 vel 8; praeoperculo rotundato margine posteri- 
ore denticulato; squamis deciduis, lateribus 25 p. m. in serie longitudi- 
nali; dorso humilis pinna dorsali spinosa dorsali radiosa paulo humiliore, 
spinis 2* et 3* ceteris longioribus; dorsali radiosa acuta, corpore paulo 
humiliore; peectoralibus rotundatis et ventralibus acutis longitudine subae- 
qualibus, capite minus duplo brevioribus; anali angulata dorsali radiosa 
paulo humiliore; caudali emarginata, angulis acuta, 44 eirciter in longitu- 
dine corporis; colore corpore hyalino-flavo vittis 10 nigricantibus, vittig 
dorsali et ventrali mediis imparibus, ceteris utroque latere 4 cephalo- 
caudalibus; cauda macula magna flava medio macula rotunda nigra no- 
tata; pinnis dorsali radiosa caudalique viridescente-hyalinis; pectoralibus, 
ventralibus analique flavis; dorsali spinosa antice nigra. 
B. 7. D. 6-1/9 vel 1/10. P. 2/10, V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. 17e 
lat. brev. 
Synon. Apogon novemstriatus Rüpp. N. Wirbelth. Faun. Abyss. F.R. M 
p. 85 tab. 22 fig. 1. \ 
Chéilodiptère à cinq raies CV. Poiss. II p. 124. 
Habit. Amboina, in mari. 
Longitudo speciminis unici 82, 
jj 
Aanm. Deze soort werd door de heeren Lesson en GARNO 
bij Bolabola ontdekt. De heer Rürperr beschreef haar later, onde 
den naam van Apogon novemstriatus, welke soort alzoo behoor 


te vervallen. Het exemplaar naar hetwelk de heer Rürrerr haat 


beschreef, had slechts de halve lengte van het mijne. De heer 
_ RüreerL schijnt haar tandenstelsel niet onderzocht te hebben, 
althans maakt hij daarvan geene melding. De staartvin is ook 
merkbaar uitgerand en niet afgeknot, zooals de afbeelding van 
den heer RürrerL aangeeft. Overigens zijn de evenredigheden 
_des ligchaams en der vinnen, de verdeeling der banden, de ge- 
tallen der vinstralen enz. volkomen dezelfde en laat zich de 
_ identiteit van de soort van Bolabola, van de Roode zee en van 
_Amboina niet betwijfelen. 


Apogon roseipinnis CV. Poiss. III p. 861. 


Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 84 ad 34 in ejus longitu- 


dine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite 81 ad 32 in lonegitu- 
’ 3 bl Pp Z 3 o 


dine corporis, vix longiore quam alto; linea rostro-frontali declivi recti-- 
_uscula; oculis diametro 3 circiter in tongitudine capitis; maxilla inferiore 
Superiore vix longiore; praeoperculo rotundato, margine posteriore denti- 
_eulato; linea laterali subarborescente; squamis lateribus 25 p. m. in serie 
ee 9 vel 10 in serie transversali; dorso elevato; pinna dorsali 
| spinosa radiosa humiliore, spinis 8% et 4° ceteris longioribus; dorsali ra- 


oe KA s DE . . . . 
diosa acuta, corpore humiliore; pectoralibus obtusis ventralibus acutis paulo 


ES 7. D. 7-1/9 vel 1/10. P. 9/12, V. 1/5. A. 2/8 vel 9/9. C. 17 et 
NE lat. brev. 

_ Synon. Centropomus aureus Lacép. Poiss. IV p. 253 et 273, 

f Centropome doré Lacép. ibid. 
Ostorhinchus Fleurieu Lacép. ibid. p. 24. 

Ostorhinque Fleurieu Lacép. ibid. p. 24 et III tab. 32 fig. 2. 
Apogon à nageoïres roses CV. Poiss. III p. 361. 

at Amboina, in mari. 


bed 


| Longitudo 2 speciminum 94” et 100”. 


Aanm. ReyNaup nam deze soort waar op Ceylon. Het schijnt, 
L zij ook is waargenomen bij Waigioe en Rawak door de 
naturalisten, welke Frrisciner op zijne ontdekkingsreis hebben 
vergezeld. Ik aarzel niet, haar terug te brengen tot de aange- 
haalde soorten van Lactrkpr, te meer daar de overeenkomst 


254 


van den habitus met dien der afbeelding van Ostorhingue Fleu- | 
rieu van LacÉrkpe zeer groot is. 


Apogon Hartzfeldvi Blkr. 


Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 fere in ejus altitudine; capite 81 circiter in longitu- 
dine corporis; altitudine capitis 12 in ejus longitudine; linea rostro-fron- 
tali declivi rectiuscula; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; 
maxilla inferiore superiore paulo breviore; praeoperculo rotundato margine 
“posteriore denticulato; linea laterali non vel vix arborescente; squamis 
lateribus 25 p. m. in serie longitudinali, 7 vel 8 in serie transversali; 
dorso subelevato; piuna dorsali spinosa dorsali radiosa humiliore, spina — 
3* eeteris longiore et crassiore; dorsali radiosa acuta corpore paulo hu- 
miliore; pectoralibus obtusis ventralibus obtusis paulo longioribus, 54 
eirciter in longitudine corporis; anali angulata , dorsali radiosa humiliore; > 
caudali paulo emarginata lobis obtusis 44 circiter in longitudine corporis; 4 
eolore corpore flavescente-roseo, pinnis rosco; cauda ad basinpinnae 
caudalis’ macula rotunda nigra; pinna caudali membrana maenlis fuscis. — 

B. 7. D.7-1/9 vel 1/10. B.-2/11.- Vs 1/5. "A. 2/3hvelf 2/90 GEL NEN 

lat. brev. 

Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo speciminis unici 77°”, 


Aanm. Deze soort schijnt groote overeenkomst te hebben 
met Apogon thermalis CV., doch heeft | rugdoorn meer. Daar 
de beschrijving van Apogon thermalis CV. overigens zeer on- 
voldoende is , laat zich daarnaar niet over mogelijk. andere 
soortelijke verschillen oordeelen. Tot andere bekende soorten 
laat zij zich nog minder terugbrengen. d 

Ik noem deze soort ter eere van mijnen ambtgenoot en 
vriend Dr. J. HartzreLDp, aan wiens verzamelingen de we- 
tenschap eene betere kennis der vischfauna van Amboina te, 
danken heeft. 


corporis, aeque alto ecirciterac longo; linea rostro-dorsali vertice concavs 


255 


rostro recfiuscula; oculis diametro 2% in longitudine capitis; maxilla in- 
feriore superiore Jongiore; praeoperculo rotundato, margine posteriore den- 
ticulato; linea laterali non arborescente; squamis lateribus 22 p. m. in 
serie longitudinali, 9 vel 10 in serie transversali; dorso elevato; pinna 
dorsali spinosa radiosa vix humiliore, spina 2* ceteris longiore et crassi- 
ore; dorsali radiosa angulata, corpore humiliore; peectoralibus obtusis et 
ventralibus acutis longitudine aequalibus, 44 circiter in longitudine cor- 
poris; anali angulata dorsali radiosa vix humiliore; caudali emarginata, 
angulis acuta, 84 circiter in longitudine corporis; colore corpore virides- 
cente inferne dilutiore; fascia dorso-ventrali nigra spinas dorsales 2* et 
3” inter et medium ventrem; cauda medio fascia longitudinali nigra; 
squamis corpore caudaque pluribus gutta nigra; pinnis viridescentibus, 
ventralibus apice nigris. 
BIRB 67-1/9. vel 6-1/10. P. 2/10: V..1/5.- A. -2/B vel 2/9. GC. 17-et 
Jat. brev. 

Synon. Apogon orbiculaire CV. Poiss. II p. 115, VI p. 372. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 

Longitudo speciminis unici 61°”, 


Aanm. Volgens Quoy en Garmarp zouden bij de versche 
specimina, kop, eerste rugvin en buikvinnen rood gevlekt zijn, 
de 2de rugvin geelachtig met bleekrooden rand, de staartvin 
roodachtig en de aarsvin blaauwachtig met een’ breeden roo- 
den rand. Hoezeer mijn specimen in goeden toestand van be- 
waring verkeert, kan er ik van deze kleuren niets waarnemen. 


Apogon melanorhijnchos Blkr. 


Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longitu- 
dine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 34 ad 34 ín longitu- 
dine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali declivi convexius- 
eula; oculis diametro 22 ad 3 in longitudine capitis; praeoperculo rotun- 
dato, margine posteriore denticulato; linea laterali non arborescente; squa- 
mis lateribus 23 p. m. in serie longitudinali, 8 p. m. in serie transversali; 
dorso humili; pinna dorsali spinosa radiosa multo humiliore, spinis 3* et 
4° ceteris longioribus ; dorsali radiosa et anali convexis, corpore humilio- 
ribus; pectoralibus obtusis ventralibus acutis longioribus, 5 in longitudine 


corporis; caudali emarginata 4 circiter in longitudine corporis; colore cor= 


pore rubro; fascia rostro-oculo-caudali nigricante antice coerulescente mar- 
Sinata; cauda ad basin pinnae caudalis macula rotunda nigra; pinnis ru- 
bris; dorsali spinosa amtice nigra; dorsali radiosa analique basi fascia lon- 
gitudinali nigra. 


256 


But: Dire 14E veln7 s,1,/B. Bk iden Vel nye LAS EN a 
et lat. brev. 
Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 


Longitudo 3 speciminum 47” ad 65°” 


Aanm. Bij mijn kleinste specimen, hetwelk in den besten toe- 
stand van bewaring verkeert, gaat de overlangsche band van den 
staart tot aan den snuit, waar hij zich met dien der tegenover- 
gestelde zijde vereenigt, en waardoor de snuit zwart gekleurd 
is. Bij de 2 grootere specimina reikt de overlangsche band 
niet verder dan van den snuit tot aan het voorste gedeelte der 
zijden. In band- en vlekteekening heeft deze soort veel van Apo- | 
gon ceramensts Blkr., doch zij is langwerpiger van ligchaam, heeft 
Î rugdoorn meer en ligchaam en vinnen zijn rood gekleurd, ter- | 
wijl zij bij Apogon ceramensis groenachtig en geelachtig zijn. 


Apogon chrijsosoma Blkr. 


Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 3% ad 4 in ejus longitu- # 
dine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 34 ad 84 in longicu- 
dine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali declivi rectiascula; 
oculis diametro 24 ad 83 in longitudine capitis ; maxilla inferiore superiore Ì 
longiore; praeoperculo rotundato, margine posteriore denticulato ; linea late- 8 
rali non arborescente ; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali, 8 p. m. ; 
inserie transversali; dorso humili; pinna dorsalí spinosa dorsali radiosa humi- 
liore, spinis 3* et 4° ceteris iongioribus; dorsali radiosa et anali angulatis, 
acutis, corpore humilioribus; pectoralibus obtusis ventralibus acutis longiori-s 
bus, 5 circiter in longitudine corporis; caudali emarginata angulis subrotunda= 
tis, 44 circiter in longitudine corporis; colore toto corpore aureo, pinnis 
rubro; vittis vel maculis nullis. 

B. 7. D. 7-1/9 vel 7-1/10, P. 2/12. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. TW 
ef lat. brev. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 


5 23 


Longitudo 3 speciminum 52” ad 55 


Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan Apogon melano- 
rhynchos Blìkr. doch mist alle band- of vlekteekening. 
Apogon ceramensis Blkr. 


Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 34 ad 34 in ejus longitu- 
dine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite 34 circiter in longi- 


tudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali deelivi rectius- 
cula; oculis diametro 834 ad 834 in fd hide capitis; maxilla inferiore 
superiore vix breviore; pracoperculo rotundato, margine posteriore den- 
ticulato; linea laterali non arborescente; squamis lateribus 25 p. m. in se- 
rie longitudinali, 8 p. m. in serie transversalis dorso elevato; pinna dorsali 
spinosa dorsaliradiosa humiliore, spinis 2*et 3s subaequalibus, ceteris longi= 
oribus, corpore duplo humilioribus; dorsali radiosa acuta, altitudine 14 in 
altitudine corporis; pectoralibus obtusis ventralibus acutis longioribus, 5 
eirciter in longitudine corporis; anali acuta dorsali radiosa paulo humiliore; 
caudali emarginata, angulis acuta, 44 circiter in longitudine corporis; colore 
corpore superne viridescente inferne argenteo; capite fusco arenato; vitta 
thoraco-caudali gracili fusca; cauda postice gutta nigra; pinnis flavescente- 
hyalinis; dorsalí spinosa radium 2e inter et 8, nigra. 

ERD vel 61/10. P. 2/12, Vs 1/5. AL'9/R vel 2/9. Cs 17 

et lat. brev. 


Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 
Longitudo 2 speciminum 80” et 82” 


Aanm. Deze soort nadert in verwantschap tot Apogon ro- 
seipinnis CV. doch is hiervan, alsmede van de overige bekende 
soorten te onderkennen door hare kleurteekening enz. 


_ Ambassis urotaenia Blkr. 


Ambass. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus lon- 

\ gitudine, latitudine 2% circiter in ejus altitudine; capite acuto 4 circiter in 
f longitudine corporis, vix longiore quam alte ; linea rostro-frontali concavius- 
eula; oculis diametro 24 ad 3 in longitudine capitis; orbitis inferne denticulatis; 

maxilla superiore inferiore breviore, sub oculi parte anteriore desinente; 
_dentibus maxillaribus vis conspicuis; osse suborbitali et praeoperculo mar- 
_gine interno denticulatis; suboperculo interoperculoque margine glabris; 
_ dorso subelevato; linea dorsali rotundata linea ventrali paulo convexiore; 
_squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali; linea laterali singulis 
sqüamis tubulo simplice notata, sub pinna dorsali radiosa valde curvata; 

pinnis dorsalibus basi unitis, spinosa radiosa altiore, spinis validis, 2a ce- 

teris altiore 5 ad 54 in longitudine corporis; dorsalí radiosa angulata; pec- 
toralibus acutiusculis ventralibus acutis paulo longioribus, capite brevio- 
ribus; anali angulata, spinis 3 validis 8° 1* et 2* longiore sed spina dor- 
Sali 2s breviore; caudali profunde incisa, lobis acutis, 34 ad 32 in lon- 
gitudine corporis; corpore flavescente-hyalino, fascia cephalo-caudali ar- 

gentea; pinnis flavescente-hyalinis, dorsali spinosa spinam 2" inter et 3" 
migricante; caudali utroque lobo fascia lata longitudinali violaceo-nigri- 


“Cante. 


rd 


P, 


niet uitgerande staartvin, Îf rugdoornen en overlangs gestreept 


258 


B-6.D.7-1/9 vel 7,/1/10. 5 2/12 vel 2/18. V. 1/5. A: 3/9 vel 
3/10. C. 17 et lat. brev. 

Habit. Amboina et Wahai, in mari. 

Longitudo 6 speciminum 74” ad 88. 


Aanme Deze soort heeft groote verwantschap met Ambas- 
sis Commersonii CV , doch is wat ranker van ligchaam , heeft 
den voorsten liggenden rugdoorn stomp en onder de huid ver- 
borgen en is bij den eersten oogopslag herkenbaar aan hare 
overlangsche zwartachtige staartvinbanden. 


Serranus amboinensis Blkr. 


Serran. corpore oblongo compresso, altitudine 32 ecirciter in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 3 circiter in longitu- 
dine corporis; altitudine capitis 1# circiter in ejus longitudine; oculis dia- 
metro 44 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectius- 
eula; rostro alepidoto; osse maxillari superiore squamulis parcis, sub oculi 
kmbo posteriore desinente ; maxilla superiore inferiore breviore, dentibus 
pluriseriatis, serie externa conicis, seriebus internis setaceis, antice cani- 
nis 2 medioeribus; maxilla inferiore valde adscendente, dentibus plurise- 
riatis, antice caninis 2 vel 4 parvis; praeoperculo rectangulo, margine 
posteriore denticulis valde conspicuis, angulo dentibus 5 majoribus; suboper- 
culo interoperculoque denticulis parcis; operculo spinis 8 planis, spina media — 
ceteris majore; dorso humilis lineis dorsali et ventrali convexitate subae- 8 
qualibus; squamis lateribus ciliatis, 100 p. m. in serie longitudinali; pin- 
nis dorsali et anali postice rotundatis, dorsali spinosa dorsali radiosa non 
vel vix altiore, spinis 38*, 4* et 52 ceteris longioribus corpore plus duplo 
humilioribus; pectoralibus rotundatis, ventralibus acutiusculis et caudali 
leviter cenvexa 5 ad 58 in longitudine corporis; spina anali media capite 
plus triplo breviore; corpore umbrino inferne dilutiore; capite punctis 
fuseis numerosis; dorso lateribusque vittis longitudinalibus plus minusve 
serpentinis 10 ad 12 profunde fuscis; pinnis fuscis, immaculatis. 

B. 7. D. 11/18 vel 11/19. P. 2/17. V. 1/5. A. 3/8 vel 2/9. C. 15 veld 
17 et lat. brev. 

Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo speciminis unici 108” 


Aanm. Deze soort behoort tot degroep van Serranus met 


ligchaam, en schijnt na verwant te zijn aan Serranus lineatus 
CV. van Pondicherij, van welke soort echter gezegd wordt, dat 


zij slechts 4 of 5 strepen op den rug heeft, welke bij versche 
visschen blaauw zijn, terwijl de borstvin slechts 16 stralen 
zou hebben. 


Mesoprion amboinensis Blkr. 


Mesopr. corpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; linea rostro-frontali le- 
viter convexa; capite 34 ad 34 in longitudine corporis, longiore quam al- 
to; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis, rostro acuto vix longi- 
oribus; dentibus maxilla conicis; maxilla superiore antice caninis 4 cur- 
vatis mediocribus, externis internis majoribus; maxilla inferiore lateribus 
dentibus aliquot rectis ceteris majoribus; maxilla superiore inferiore paulo 
Jongiore sub oculi parte anteriore desinente; osse suborbitali angulo oris 
oeulo duplo circiter humiliore; pracopereulo subrectangulo, angulo rotun- 
dato, margine libero toto denticulato, denticulis angulo majoribus, mar- 
gine posteriore incisura profunda; opereulo spina unica plana; dorso ele- 
_vato; linea dorsali linea ventrali multo convexiores squamis lateribus 55 
p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali parte spinosa parte radiosa al- 
tiore, rotundata, spinis mediis ceteris longioribus, 1* ultima breviore, 
parte radiosa rotundata; pinnis pectoralibus acutis 4 circiter, ventralibus 
acutis 5 et paulo in longitudine corporis; anali spina media ceteris ma- 
jore et parte radiosa altiore, parte radiosa rotundata; caudali leviter emar- 
_ginata, angulis acuta, 42 cireiter in longitudine corporis; colore corpore 
superne roseo, inferne flaveseente ; dorso vittis obliquis aurantiaco-rufis; 
Jateribus vittis 5 vel 6 horizontalibus flavis'; pinnis flavis. 

7 De 11/13 vel 11/14. P. 2/15. V. 1/5. A. 3/8 vel 2/9. C. 17 et 
Jat. brev. 
Habit. Amboina, in mari. k 


Longitudo 2 speciminum 76” et 110” 


Aanm. Het sterk uitgesneden zijn des praeoperkels zou deze 
soort doen behooren tot Diacope CV., indien Driacope CV. en 
Mesoprion CV. als twee verschillende geslachten aan te nemen 
waren. Hare herkenning wordt voorts gemakkelijk gemaakt 
door hare Îf rugdoornen en kleuren. 


Holocentrum diadema GV. Poiss. UI p. 159. Less. 
ì Loöl. Voy. Duperr. IL. Ip. 220 tab. 25 fig. 2. 


e 


_ Holocentr, corpore oblongo compresso , altitudine 88 in ejus longitudine, 
Jatitudine 2 et paulo in ejus altitudine; linea rostro-frontali leviter convexa; 


260 


capite acuto, 4 fere in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter 
in ejus longitudine; oeculis diametro 23 circiter in longitudine capitis; ros- 
tro acuto oculo breviore; osse suborbitali valde emarginato dentibus bene 
conspicuis postrorsum spectantibus; maxillis aequalibus, superiore valde 
protractili, sub oculi parte anteriore desinente; dentibus orbitalibus et 
opercularibus numerosis; spina praeoperculari limbum opercularem supe- 
rante; operculo spinis 2 validis superiore longiore; vertice lateribus striis 
9 vel 10 divergentibus; lineis dorsali et ventrali convexis, dorsali ventrali 
multo convexiore; squamis lateribus 48 p. m. in serie longitudinali; pin- 
na dorsali usque ad basin incisa, spinis mediis ceteris longioribus, ultima 
prima breviore, parte radiosa obtusa rotundata parte spinosa vix vel non 
altiore; pinnis pectoralibus ventralibus paulo brevioribus 5 et paulo in lon- 
gitudine corporis; anali spina 3 maxima parte radiosa angulata altiore; 
caudali profunde incisa, lobis acutiusculis rotundatis 54 ad 6 in longi- 
tudine corporis; corpore rubro vittis 8 ad 11 longitudinalibus argenteis; 
pinna dorsali spinosa nigra, vitta longitudinali alba vel rosea (media pinna 
interdum interrupta); pinnis ceteris roseis; membrana spinas anales 3@ in- 
ter et 4, nigricante. . 
B. 8. D. 11. 1/12 vel 1/13. P. 2/12. V. 1/7. A. 4/9 vel 4/10 C. 4.19. 4. 
Synon. Molocentrus diadema Lacép. Poiss. IV p. 372 et 374 Rüpp. Atl. 
RN. Afr, FE. Be Mp. 84 tabe 22-fig 8, 
Holocentre diadème Lacép. ibid. et III tab. 32 fig. 3. CV. Poiss. 
IEI p. 159. Jess: Zool. Voy. Duperr. JE po: 
Sciaena vittata Parkins. 
Perca pulchella Benn. Zoöl. Journ. III p. 377 tab. 9. fig. 5. 
Fi-eï Indig. Bolabola. 
Habit. Amboina, in mari, 
Longitudo speciminis unici 128” 


Aanm. De witte banden der zijden bij mijn specimen heb- 
ben bruinachtige streepjes naast zich. De witte band der doorn- 
achtige rugvin is bij den zesden doorn afgebroken en begint 
weder, doch hooger bij den achtsten rugdoorn. 


Myripristis parvidens GV. Poiss. III, p. 129 et VIL, 
p. 969? \ 


Myriprist. corpore oblongo compresso, altitudine 34 ad 3 in ejus longi- — 
tudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; dorso elevato convexo; lis 
nea rostro-frontali convexa; capite obtuso 82 circiter in longitudine cor-_ 
poris, aeque alto circiter ac longo; ocuiis diametro 2 circiter in longitus 
dine capitis; distantia interoculari 84 circiter in longitudine eapitis; vertice _ 
utroque latere carinis 5 vel 6; maxillis antice caninoïdeis nullis, superiore 


sub oculi dimidio posteriore desinente; osse supramaxillari nullibi dentie 


4 Ve Ad TTA A SN 
sE eha kersen 
EN » 
à 


261 


ato; fossa rostrali trigona; praeoperculo rotundato; operculo rotundato, 
atitudine 3 in ejus altitudine, spina brevi; osse scapulari non denticulato; 
amis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali, longitudinaliter valde 
jatis; pinnis dorsalibus yix /unitis, spinosa radiosa humiliore, radiosa 
acuta; pectoralibus acutis 5, ventralibus acutis 54, caudali profunde in- 
Bisa lobis acutiuscule rotundatis 44 circiter in longitudine corporis; anali 
rs colore corpore violaceo-rubro, lateribus argenteo nitido intermixto; 
s roseis vel rubris, caudali radijs externis violascente; membrana 
grculari axillisgue macula nigerrima. 


8e D. 10. 1/14 vel. 1/15. P. 2/14. V. 1/7. A. 4/18 vel 4/14..C. 4. 


4 Synon. Myripristis à petites dents CV. Poiss. IIL p. 129. VII p. 369? 
‚Habit. Amboina, in mari, : 
Longitudo 2 speciminum 98” et 105” 


_Aanm. Ik houd de bovenbeschrevene soort voor dezelfde als 
Mjripristis parvidens CV. van Port Praslin. De bepaling der soor- 
n van Myripristis is niet gemakkelijk, eensdeels door de groote 
vereenkomst der soorten onderling, en ten andere door het on- 
ldoende der meeste beschrijvingen. De afbeelding van Russerr 
an Sullaneroo kuntee beantwoordt vrij wel aan mijne spe- 
u na, doch behoort volgens Cuvier tot eene eigene soort, 
elke hij Myripristis kuntee noemt. | 


yripristis microphthalmus Blkr. 

Myriprist. corpore oblongo compresso, altitudine 2% in ejuslongitudine, 
itudine 2 et paulo in ejus altitudine; dorso elevato convexo; linea ros- 
-frontali convexaj; capite obtuso, 4 in longitudine corporis, aeque alto ac 
oeulis diametro 24 circiter in longitudine eapitis; distantia inter- 
4 fere in longitudine capitis; vertice utroque latere carinis p. m. 65 
s antiee dentibus aliquot conicis obtusis ceteris majoribus alde 
EE Superiore sub oeulí dimidio posteriore desinente; osse supramaxil- 
_postice dentieulato; fossa rostrali trigona;s praeoperculo rotundato; 
rculo rotundato, latitudine 3 fere in ejus altitudine, spina brevis osse 
: ri non denticulato; squamis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali, 
it udinaliter valde striatis; pinnis dorsalibus vix unitis, spinosa radiosa 
loro, hae acutiuscula plee srad pied ri heee 


intermixto ; Ven dorsalibus marginibus rubro- AEN macula, 
de 
Ì nigra; pinnis roseis. 


20 


262 


Habit. Amboina, in mari. 
Longitudo speciminis unici 152” 


B 
| 
B. 1.D. 10. 1/15 vel 1/16 P. 2/13. V. 1/1. A. 4/13 vel 4/14. C. 4. 19. 3. — 
| 
| 
Î 


Aanm. Ik breng deze soort slechts aarzelende op als eene 
nieuwe. De oogen zijn aanmerkelijk kleiner dan bij mijne 
overige soorten, t. w. Myripristis hezagonus CV., Myripristis 
pralinius CV. , Myripristis violaceus Blkr. en Myripristis par-_ 
videns CV. In dit opzigt is zij verwant aan Myripristis axil- 
laris GV., doch deze zou langwerpiger zijn van ligchaam dan ij 
Myripristis pralinius CV. terwijl Myripristis microphthalmus 
betrekkelijk het hoogste ligchaam heeft van de 5 soorten mijner — 
verzameling. Deze 5 soorten laten zich naar volgehd-schema 8 
gemakkelijk van elkander onderscheiden. N 


JL. Os supramaxillare edentulum. Macula nigra opercularis et — 
axillaris. 


Myripristis parvidens CV.? 

HM. Os supramaxillare angulo denticulatum. 

A. Squamae 40 p. m. in serie longitudinati.. Operculum 

latitudine 34 circiter in ejus altitudine. 
Myriprestis pralinius CV.? 

B. Squamae lateribus 30 p. m. in serie longitudinalis 

Operculum latitudine minus quam 9 in ejus altitu= 

dine. 


a. Corpus altitudine 3 vel plus quam 3 in ejus longitudine. 
Macula axillaris nigra. | 


Myripristis violaceus Blkr. 


jj Macula axillaris nulla. 
Myripristis hezagonus CV.? 


b. Corpus altitudine minus quam 3 in ejus longitudine. 
Macula axillaris nigra. 


Myripristis microphthalmus Blkr. 


265 


_MULLOIDEI. 


Upeneus barberinoïdes Blkr. 


Upen. corpore oblongo compresso, altitudine 44 ad 44 in ejus longitu- 
dine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite 4 circiter in longitu- 
dine corporis; linea rostro-frontali convexa; oculis diametro 34 ad 5 in 
__Jongitudine capitis; osse suborbitali oculo junioribus paulo, aetate pro- 
K vectioribus multo altiore ; rostro oculo junioribus minus duplo, aetate provec- 


__ nullis; praeoperculo subrectangulo rotundato ; operculo spina acuta; cirris in- 
__framaxillaribus operculum attingentibus; linea laterali arborescente; squa- 
k: mis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali spinosa dorsali 
_ radiosa duplo circiter altiore; pinnis ventralibus pinnis pectoralibus paulo 
_ longioribus et capite paulo brevioribus; caudali profunde excisa, lobis acu- 
_ tis 44 ad 5 in longitudine corporis; colore corpore superne rubro inferne 
_ roseo; squamis dorso singulis medio gutta nitente rubro-violacea; fascia 
d rostro-dorsali media et fascia rostro-oculo-dorsali lata*fusco-nigricantibus 
ad initium pinnae dorsalis radiosae desinentibus; opereulis lateribusque 
C° antice macula maxima fusco-nigricante postice eum fascia rostro-oculo-dor- 
‘sali unita; cauda antice linea laterali et ad finem pinnae dorsalis ra- 
 diosae macula nigricante; cirris carmosinis; pinna dorsali spinosa antice 
‘flavescente-rubra postice violascente-rubra; dorsali radiosa basi violaceo- 
nigricante, dimidio superiore fasciis longitudinalibus flavis et coeruleis alter- 
nantibus ; pectoralibus roseis basi fuscis; ventralibus rubris apice violascen- 
tibus; anali fasciis pluribus longitudinalibus rubris et flavis alternantibus; 
eaudali aureo-flava, (adultis) margine inferiore violascente. 

BRB: 3. D.8-1/8 vel 1/3. P. 2/13. V. 1/5. As 2/6 vel 2/7. .C. 15 et 
lat. brev. n 
_ Habit. Wahai ‚ Ceram septentrionalis, in mari. 

_ Longitudo 8 speciminum 67°” ad 155.” 

Á 


__Aanm. Deze soort is verwant aan Upeneus barberinus CV., 


minder in de borstvin, kortere voeldraden enz. De zwarte 
vlek, welke zich bij verwante soorten bij de staartvin bevindt , 
ds hier op het voorste gedeelte van den staart, nagenoeg onder 
den laatsten rugvinstraal. 


Pel 


SCLEROPAREL. 


Dactylopterus orientalis CV. Poiss. IV. p. 98. Richards. 
Rep. Ichth. Chin. Jap. in Rep. 15° meet. Brit. 
assoc. p. 218. T. Schl. Faun. Jap. Poiss. p. 87. 


Dactylopt. corpore elongato prismatico, altitudine 6 ad 6% in ejus lon- — 
gitudine, latiore quam alto; eapite quadrangulari, toto scabro, obtuso, 
absque processubus osseis 5 fere ad 54 in longitudine corporis, latiore 
quam alto; fronte inter oculos concava; rostro obtuso ante os prominen- 
te; oculis diametro 24 ad 3 et paulo in longitudine capitis (absque pro= 
cessubus); maxilla superiore inferiore longiore, sub pupilla desinente; 
scuto capitis utroque latere in spinam pinnam dorsalem spinosam attingen- 
tem producto, incisura supra praeoperculum desinente; spina praeoperculari 
longissima, insertionem pinnarum ventralium superante; squamis scabris 
cgrinatis, lateribus 45 p. m. serie longitudinali; lateribus inferne et pos- 
tice carinis squamarum in laminas horizontales dentieulatas productis; ra- — 
dio dorsali antico filiformi supra praeoperculum inserto, capite longiore; 
pinna dorsali spinosa proprie sic dicta pinna dorsali radiosa non vel 
vix humiliore; pectoralibus latissimis caudalem attingentibus vel supe- 
rantibus; ventralibus acutis capite brevioribus; anali corpore vix humili-® 
ore; caudali truncata vel vix emarginata, 5 circiter in longitudine corpo 
ris; colore corpore superne fuscescente-viridi inferne flavescente; dorso la- | 
teribusque fusco nebulatis vel maculatis; filo dorsali antico ejusque membrana / 
nigris; dorsali spinosa viridescente; dorsali radiosa caudalique flavescen- 
tibus radijs füsco variegatis; pectoralibus violaceo-nigricantibus maculis 
nigris et luteis; ventralibus aurantiacis; anali flavescente. | 

B. 7. D. 1—-1—6—8. P. 4/26 vel Den ad 5/31 V. 1/4. A. 6. Cl 

9 et lat. brev. 
Synon. Beudjou terpang et Vliegende zeeaap De Vlam. Rec. É 
Ikan Terbang warna roepanja Valent. Ind. Amb. II p. fig. 
35. | 
Terbang Boudjou Ren. Poiss. Mol. I tab. 10 fig. 66. 
Cyanoptère Commers. fig. citat. in CV. Poiss IV p. 99. 
Dactyloptère Bes Indes CV. Poiss. IV tab 76. 
Dactyloptère tacheté de la mer des Indes. 
Habit. Amboina, Wahai, Banda Neira, Macassar, in mari. 
Longitudo 4 speciminum 74” ad 520,” | 


Aanm. Het grootste mijner 4 specimina ontving ik zeer on- 
langs van Celebes (van Makassar), van welk eiland deze soo t 
tot nog toe nief bekend was. 


265 


\Pterois brachypterus CV. Poiss. IV p. 270. 


Per. corpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus lon- 
bl « í 
gitudine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite 4 circiter in longitudine 


corporis; oculis diametro 8 circiter in longitudine capitis, diametro £ cir- 
citer a se invicem distantibus; vertice postice et antice, temporibus, or- 
bita rostroque spinis vel spinulis armatis; spinulis orbitalibus pluribus, 
rostralibus minimis; cirris vel fimbriis cutaneis supraorbitalibus brevissimis 
vix conspicuis, rostralibus, suborbitalibus et praeopercularibus oculo bre- 
Svioribus; crista suborbitali antice oculo contigua, spinulis numerosis; 
praeoperculo obtusangulo rotundato spinis 3 acutiusculis; operculo spina 
nulla; squamis lateribus 40 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali spi- 
nosa corpore multo humiliore, spinis mediis ceteris longioribus, membra- 
na inferne tantum unitis; dorsali radiosa et anali rotundatis dorsali spi- 
nosa altioribus; pectoralibus rotundatis integris, rctundatis, initium caudae 
attingentibus ; ventralibus analem subattingentibus; caudali rotundata 4 
longitudine corporis; colore corpore fuscescente-rubro, fusco profundi-. 
re nebulato vel subfasciato;s pinnis dorsali spinosa fuscescente, membra- 
8 nigro marginata; dorsali radiosa, anali caudaliqgue flavis radiis nigro 
a jegatis; pectoralibus superne fuscescente-viridibus fasciis 6 p. m. trans- 
ersis latis fuscescente-nigris, inferne nigro, flavo et fusco marmoratis; 


ED 2/10 vel 12/1/10. P. 17. V. 1/5. A. 3/5 vel 3/6. C, 18 
Met 5 spin. later. brev. 


Aanm. In de beschrijving dezer soort in de groote Histoire 
u elle. des Poissons is de plaats van haar voorkomen niet 
gegeven. Ik kan bij mijn specimen geene bandteekening op 
| ligchaam waarnemen, maar het achtergedeelte des ligchaams 
beschadigd, zoodat de kleuren er niet meer duidelijk uitge- 


ikt zijn. In habitus heeft deze soort veel van eene Scorpaena. 


brois zebra CV. Pois. IV, p. 269. Règn. anim. 
éd. d. luxe Poiss. 


er. corpore oblongo compresso, altitudine 34 ad 82 in ejus longitudine, 
dine 14 circiter in ejus altitudine; capite 34 ad 34 in longitudine 
ris; oculis diametro 3 ad 34 in longitudine capitis, minus diametro 


266 


1 a se invicem distantibus; rostro oculo junioribus breviore, aetate pro , 


eulum longitudine aequante; vertice postice et antice, tem- 


vectioribus 0 
nis orbitis pluri- 


orbita rostroque spinis vel spinulis armatis; spi 


poribus, 
s oculo longioribus ramo= 


cirris vel fimbriis cutaneis supraorbitalibu 


bus; 
ularibus oculo brevioribus; ossibus 


sis, nasalibus , rostralibus et praeoperc 
guborbitalibus crista spinosa horizontal oculo approximata; praeoperculo 


rotundato, spinis 3 acutis; opereulo spina unica plana; squamis lateribus — 
50 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali spinosa corpore altiore spi- 
nis mediis ceteris longioribus , membrana parte inferiore tantum unitiss 


. . . . .. . e == 
dorsali radiosa et anali rotundatis, corpore humilioribus; pectoralibus cau- 
dam, ventralibus analem attingentibus; 


caudali rotundata 4 ad 44 in lon- 
gitudine corporis; colore corpore rubro inferne dilutiore; genis maculis { 
fuscis; operculis fascia transversa 


fusca; corpore fasciis latis transversis 
fuscis p. m. 6; pinnis verticalibus Aavescentibus, spinis et radiis fusco vel 
nigro variegatis; pectoralibus antice flavo, nigro et fusco variegatis, pOs- 


tice basi nigricantibus flavo maculatis; ventralibus nigricantibus favo gut- 


tatis; cirris orbitalibus favo et fusco variegatis. 
B 1. D: 12/1/10 vel 12/1 /MTE MB. V. 1/5. A. 3/ö vel 3/7. C. He 


et spin. lat. brev. 5 vel 6. 
Louw Renard Poiss. Mol. I tab. 6 fig. 41. 


Ptéroïs zèbre CV. L. c. 
Habit. Amboina et Wahai, in mari. 
Longitudo 3 speciminum 86” ad 158”. | 


Aanm. Tot deze soort heeft blijkbaar betrekking de uiterst 
gebrekkige afbeelding van: Renarp, boven aangehaald. Ä 


Scorpaena diabolus CV. Poiss. IV, p. 999. Richards. 
Ichth. Voy. Sulph. p- 76, tab. 40. 4 


Synon. 


Scorpaen. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus Jon- 


gitudine, latitudine capite 1 et paulo; lateribus 14 fere in ejus altitudine; 


capite acuto 8 circiter in longitudine corporis, postice latiore quam alto, 


temporibus operculisque superne tantum squamato, inter orbitas verticeque 


valde depresso; linea rostro-frontali rostro valde convexa, fronte valde 
concavaj oculis diametro 6'circiter in longitudine capitis, plus diametro Ì 
fossa suborbitali magna; rostro oculo longiore; 


a se invicem distantibus; 
paulo post oculum desinente ; 


maxilla superiore inferiore breviore, 
valde obliquo; spinis utroque latere fronte et vertice p. m. 10, orbitis 
5 vel 6, rostro 3, suborbitalibus fasciculatis plus quam 10, praeopercu'o 
3 superiore daplice ; operculo cristis 2 superiore dentibus 4 vel 5, inferi- 
ore dentibus 2; fimbriis cutaneis utroque latere supraorbitali ocalo n n 


longiore, nasali 1 lata ramosa, rostrali 1 brevi, suborbitali lata 06 


2671 


vix breviore, inframaxillaribus pluribus, praeoperenlaribus 3, operculari 
1, lateribus et linea laterali pluribus; dorso elevató, gibboso; squamis 
_ Jateribus 40 p. m. in serie longitudinalis; pinna dorsali spinosa radiosa 
Af rotundata humiliore, spinis anticis curvatis, mediis ceteris longioribus et 
_ eorpore plus duplo humilioribus, 1“ et 11° ceteris brevioribus; pectoralibus 
14 fere, ventralibus 5 fere, caudali convexa 5 in longitudine corporis ; 
_ amali rotundata spina 2* radio le vix breviore; colore corpore rubro fusco 
_ parce nebulato et margaritaceo-coeruleo marmorato; pinnis ventralibus 
_ fuscis margine libero rubris; pinnis eceteris rubris margaritaceo-coeruleo 
_ et fusco variegatis et marmoratis; pectoralibus postice nigro maculatis; 
k caudali basi et apicem versus fascia transversa diffusa fusca. 
B. 7. D. 12/9 vel 12/10. P. 1 simpl. + 4 vel 5 fiss. 4 12 vel 11 simpl. 
WV. 1/5. A. 3/5 vel 3/6. C. 12 vel 14 et lat. brev. 
4 __ Synon. Jkan Sowanggi bezar Valent. Ind. Amb. III p. 399 fig. 170. 
4 Ikan Satan Renard Poiss. Mol. II tab. 8 fig. 35. 
| Crapaud de mer du Croisic ou Diable Duham. Pêches II sect. 
% 5 p. 92 tab. 3 fig. 1. 
| \ Scorpaena marmorata Parkins. 
| k Scorpaena multicolor K. v. H. fig. inedit. 

Scorpène diable de mer CV. Poiss. IV, p. 229. 
Habit. Wabhai, Ceram septentrionalis, in mari. 


__Longitudo speciminis unici 143”. 


__Aanm. Deze soort heeft groote verwantschap met Scorpaena 
gibbosa Bl. Schn. Syst. posth. (Scorpaena bufo GV.?) doch ver- 
schilt er van, door rankerligchaam, spitseren kop, meer bog- 
chelachtigen rug, gemis der dwarsche bruine borstvinbanden enz. 


Apistus macracanthus Blkr. 


pist. corpore subelongato compresso, altitudine 44 circiter in ejus 
pngitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite obtuso 5 in 
mgitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; linea rostro-frontali 
alde concava; oculis diametro 4 in longitudine capitis, minus diametro 
| approximatis; rostro vix ante frontem prominente; spinis suborbitalibus 
„ superiore inferiore majore sub pupilla desinente; rictu parvo; maxillis 
| equalibus, superiore sub oculo desinente, inferiore cirris nullis; dentibus 
qa xillaribus, vomerinis et palatinis minimis; praeoperculo spinis 5 obtu- 
siusculis, brevibus, superiore tamen ceteris majore; linea laterali ad basin 
inr ae caudalis desinente; squamis corpore minimis, sparsis, non conti- 
guis; pinna dorsali integra fronte ante oculum incipiente, spina ls oculo 
| Ë majore, spina 2* longissima corpore altiore, spinis 11 posticis subae- 
quilongis corpore duplo circiter humilioribus, membrana spinas anticas 


TTE rg AP LEDSE 
EAR AL 


te 


- tundata corpore duplo humiliore; pectoralibus rotundatis, radio libero nul: 


inter margine libero convexa; pinna dorsali radiosa postice angulata, corpore 
paulo humiliore, cum basi pinnae caudalis unitas; pectoralibus radio libero — 
nullo, rotundatis 34 fere, ventralibus acutis 54 circiter, ecaudali rotundata 
4 in longitudine corporis; anali spina 3* ceteris longiore, corpore duplo \ 
humiliore, parte radiosa acutangula; colore corpore pinnisque fusco; ca- 
pite antice nigricante, inferne punctis flavis; dorsali antice et postice ní- 
gro, medio flavo marginata; anali antiee flavo postice nigro marginata; 
caudali postice nigra, lateribus postice flavo marginatis.- 

B. 7. D, 15/2, Ps IL Verl/ä., A, 3/8.G: 19 efnlats em 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 

Longitudo speciminis unici 86°”, 


Aanm. Deze soort is verwant aan Apistus taendanotus GV., 
doch aanmerkelijk ranker van ligchaam, heeft een meer uit-_ 
puilend voorhoofd, kortere praeoperkeldoornen, nog verder > 
voorwaarts beginnende rugvin, andere getallen der vinstralen, 
grootere borstvinnen enz. Mijn specimen verschilt van de af-_ 
beelding, voorkomende met den naam van Apistes taenianotus 
inde zoölogie der reis van het schip Samarang (Fish. tab. 4 fig. f) 
door hoogeren 22 rugdoorn, meer uitpuilend voorhoofd, an- 
dere kleurteekening enz. 


Ápistus dermacanthus Blkr. 


Apist. corpore oblongo compresso, altitudine 34 in ejus longitudine, 
latitudine 2 ecirciter in ejus altitudine; capite obtusiusculo, 34 circiter in 
longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali declivi rec- 
tiuscula; orbitis glabris; oculis diametro 5 circiter in longitudine capitis 
diametro 1 circiter a se invicem distantibus; rostro oculo longiore; spinis 
suborbitalibus 2 obtusis superiore majore sub oculi parte anteriore desi- 
nente; rietu parvo; maxillis subaequalibus, superiore ante oculum desi- 
nente, inferiore cirris nullis; dentibus maxillaribus, vomerinis et palatinis 
minimis; praeoperculo spinis 5 obtusis superìore ceteris majore, ocule 
breviore; linea laterali ad basin pinnae caudalis desinente; cute toto cors 
pore pinnisque dorsali et pectoralibus maxima parte spinulis parvis cont 
cis scabriuscula;s pinna dorsali integra, supra medium oculum incipiente, 
postice basi eaudalis contigua, spinis 1° et 2* ceteris longioribus, subaes 
qualibus, altitudine corporis duplo circiter brevicribus; dorsali radiosa ro 


lo 44, ventralibus acutis 8 fere, caudali rotundata 5 in longitudine cots 
poris; anali rotundata, corpore plus duplo humiliore, spinis parvis; colore 


269 


__corpore griseogoseo punctis et guttulis sparsis fuseis; pinnis, caudali ex- 
cepta, griseo=roseis, dorsali superne, anali inferne fuscescentibus; caudali 
A _ fusceScente nebulata. 
Mo. D. 12,/9.-P. ll vel 12. v. 1/3, A 3/7. vel. 2/8. C. 18, et lat 
brev. 
Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 
0 Longitudo speciminis unici 55”. 


___Aanm. Deze merkwaardige soort is zeer kenbaar aan hare 
_ grijs roode kleur, met tallooze kleine doorntjes bedekte huúid, 
_ onverdeelde rugvin, stompe onderoogkuils- en praecoperkel- 
__ doornen enz. 


_Apistus fusco-virens QG. GV. Poiss. IV. p. 801? 


8 Apist. corpore oblongo compresso , alfitudine 32 ad 4 in ejus longitu- 
_ dine; latitudine 12 ad 12 in ejus altitudine; capite obtus® 34 ad 832 in 
Ì longitudine corporis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; oeculis dia- 
metro 34 ad 34 in longitudine capitis; orbitis superne cirro unico simplice 
oculo breviore; spinis orbitis et rostro nullis, suborbitalibus 2, superiore 
inferiore plus duplo longiore oculi marginem posteriorem attingente; spi- 
nis praeopercularibus 5, superiore elongata, acuta, aperturam branchialem 
Subattingente, ceteris parvis obtusis; maxillis aequalibus, superiore sub 
oculi dimidio anteriore desinente; rictu parum obliquo; cirris maxillaribus 
pullis; squamis vertice nullis, lateribus parvis sed bene conspicuis; lineu 
| laterali vix curvata, ad basin pinnae caudalis desinente; pinna dorsali 
; unica, membrana inter singulas spinas valde emarginata, supra oculum 
incipiento, cum pinna caudali non unita, spinis 2? et 8° verticé insertis 
spinis ceteris et parte radiosa altioribus, corpore vix humilioribus; pinnis 
peetoralibus rotundatis et ventralibus acutiusculis rotundatis longituding 
caput aequantibus, pectoralibus radio libero nullo, ventralibus analem 
at! attingentibus; anali spina postica spinis ceteris longiore; caudali convexa 
4} eirciter in longitudine corporis; colore corpore fuscescente maculis 
onfortis fuscis rotundis et subrotundis; pinnis fusco vel rubro et nigro 
ar moratis et variegatis; dorsali vittis obliquis rufis et spinam 5” inter 
t t gm vulgo macula magna nigra. 

BB 7: D. 14/7 vel 14/8. P. 1/9. V. 1/4. A. 3/4 vel 3/5. C. 12 et lat. 
Bebrev. 

_Synon. Apiste brun-verdatre CV. Poiss. IV p. 301? 

Habit, Amboina, Wahai, in mari. 

_Longitudo 26 speciminum 65°” ad 102”. 


2 
Aanm. in habitus heeft deze soort zeer groote overeenkomst 
21 


270 


met Apistus multicolor Richards. {Zoöl. of the Safmarang, Fish. 
p. 3. tab. 4 fig. 3, A), zoowel wat kop en ligchaam als 
vinnen betreft, doch deze heeft eene andere kleurteekening, ® 


é 


‘heeft den laagsten borstvinstraa onverdeeld, en als vinstralen 
B. 6. D. 15/6. A. 3/4. P. 14. V. 1/4 C. 102, (op de af= 
beelding zijn evenwel die cijfers uitgedrukt = D. Î4f7. V. 1/5. 
A. 9/5). Kvenzoo heeft de boven beschrevene soort groote over- 
eenkomst met Aptstus hypselopterus Blkr. en Apistus melas Bkr. 
doch onderscheidt zich daarvan door hare kleuren enz. Ik ver 
moed, dat de boven beschrevene specimina te brengen zijn tot 
Apistus fusco-virens QG. CV. Poiss. IV p. 301, hoezeer {de 
vinstralen daarvan opgegeven zijn = D. 15/7. V. 1/5. Het 
overige der beschrijving in de groote Histoire naturelle des 
Poissons beantwoordt vrij wel aan mijne exemplaren. Ook 
Apiüstus cottoïdes CV. Poiss. IV p. 302 moet er groote over 
eenkomst mede hebben. 


SCOMBEROÏIDEL 
Carangoïdes ophthalmotaenia Blkr. 


Carang. corpore oblongo compresso, altitndine 24 ad 22 in ejus lon 
gitudine, latitudine 84 ad 32 in ejus altitudines capite 4 circiter in lons 
gitudine corporis, paulo altiore quam longo, vertice elevato obliquog 
linea rostro-frontali valde declivi rectiuscula; oculis in medio capite sitis 
diametro 3 ad 834 in longitudine capitis, plus diametro 4 a linea frontali 
remotis; osse suborbitali angulo oris oculi diametro duplo circiter hus 
miliore; rostro oculo non vel vix longiore; maxillis dentibus bene con 
spicuis; maxilla superiore inferiore breviore, valde protractili, sub ocul 
limbo anteriore desinente; dorso elevato ventre multo convexiore; genis 
operculis superne et triangulis pectoralibus lateralibus superne squamosis 
triangulis pectoralibus lateralibus inferne et triangulo inferiore alepidotis 
linea laterali usque sub 2° tertia parte pinnae dorsalis radiosae curvat 
(curvatura lata aperta), postice scutis armatis p. m. 35, latissimis 16 q 
m. in altitudine corporis; pinnis acutis; dorsali spinosa 34 circiter in al 
titudine corporis; dorsali radiosa radio ̰ producto corpore paulo humt 
liore; pectoralibus falcatis capite vix vel non brevioribus; ventralibus 
capite duplo fere brevioribus; anali antice corpore plus duplo vel dupk 
fere humiliore, spinis parvis subaequalibus; caudali lobis aequalibus & 
ad 42 in lopgitudine corporis; colore corpore superne coerulescente infern 
argenteo; fascia oculo-dorsali fusca; pinnis flavis. 


a7i 


ió Baete Dl procumb., +31 427 vel. 8 — 1/28, PB. 2/19. .V. 1/5. A; 
21/23. C, 17 et lat. brev. 

__ Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 86” et 126'”. 

Jm 

__Aanm. Deze soort staat in verwantschap nabij Carangoïdes 

chrysophrys (Caranx chrysophrijs CV Jen Carangoïdes talampara 
| (Caranx malabaricus CV.), maar onderscheidt zich daar- 

van, alsmede van andere verwante soorten, door hoogere 2de rug- 

vin, talrijker rug- en aarsvinstralen, bruinen oog-rugband enz. 


jb 


TEUTHIDES. 


Acanthurus melanurus CV. Poiss. X p. 177. 


_ Acanth. 
k in ejus altitudine; capite obtuso, 34 circiter in longitudine corporis, 


corpore orbiculari, altitudine 2 in ejus longitudine, latitudine - 


altiore quam longo; orbitis et cristis rostro-frontalibus denticulis 
pinimis obsitis; oculis diametro 3 fere in longitudine capitis; linea ros- 
ro-frontali valde convexa; rostro obtuso convexo, oculo vix breviore; 
entibus maxillis denticulatis; limbo praeoperculari obtusangulo; squamis 
01 pore linearibus transversim dispositis; posticis spinulis minimis scabrins- 
lis; cauda spina valida; ventre dorso vix humiliore ; pinna dorsali spinosa 
orsali radiosa altiore, spina 2* ceteris longiore corporis altitudine plus triplo 
Me: dorsali radiosa corpore plus quadruplo humiliore; pectoralibus 
utiusculis 4 fere, ventralibus acutis plus'quam 8, caudali truncata 5 
reiter in longitudine corporis; anali spina 2° ceteris longiore, parte ra- 
0sa corpore plus quadruplo humiliore; colore corpore viridi-fascescente, 
entre argenteo, pinnis dorsali et anali nigris, caudali viridi-nigricante, 


al 


B 57 D. 1 proeumb. + 8/25. B. 2/AD. Ve AAA A2 ere Aal GL lake 


Acanthure à queue noire CV. Poiss. X p. 177. 
_Karoupou-mine Tamul. 


Wahai, Ceram septentrionalis, in mari, 


x. wat de eigenaardige schubvorming betreft en de algemeene 
men des ligchaams, doch verschilt er van door meerdere 
merken, minder vinstralen, bruinachtig ongevlekt ligchaam, 


272 


zwarte vertikale vinnen enz. Acanthurus argenteus QG. is eene E 
nog meer verwante soort doch is langwerpiger, heeft eene 
gevorkte staartvin, D. 9/27. A. 3/26. P. 18. Acanthurus melas E 
CV. schijnt zich van Acanthurus melanurus CV. slechts te on-_ 
derscheiden door een weinig ranker ligchaam. | 


Keris ambomensis Blkr. 


t 
Ker. corpore ovali, altitudine 2 ad 24 in ejus longitudine, latitudine 
4 fere in ejus altítudine; capite obtuso 4 in longitudine corporis, altiore 
quam longo; linea rostro-frontali convexa; oculis diametro 24 ad 22 in 
_longitudine capitis; rictu parvo, longe ante oculum desinente; dentibus 
maxillis conicis, acutis, confertis, parvis; operculo et praeoperculo obtusan- 
gulis; dorso et ventre sabearinatis; ventre valde prominente dorso convexi= 
ore; cute toto corpore granulis subspinulatis et spinulatis scabra; squamis 
lateribus 100 cireiter ín serie longitudinali; pinna dorsali non emarginata, 
acuta, spina anteriore spinis ceteris etradiis longiore, corpore triplo cir= 
citer humiliore; pectoralibus acutiusculis oculo duplo fere longioribus 
ventralibus ante pectorales insertis, oculo paulo longioribus, acutis, spina 
serrulata; anali acuta dorsali humiliore, spina 1* serrulata; caudali subs 
truncata 6 circiter in longitudine corporis; colore corpore fusco, ventre 
dilutiore; pinna dorsali spinosa fusco maculata, dorsali radiosa et anali 
fuscis vitta longitudinali media grisea; pectoralibus ventralibusque viridie 
bus; caudali flava basi fusca. 
B. 3 vel.4. D. 6/29. P.,2/13. Verl/8. A.,2/30.09 16 s0tplat: brevs 
Habit. Amboina, Wahai, in mari. 


La) 


Longitudo 5 speciminum 44” ad 52”, 


Aanm. Tot nog toe is slechts eene enkele soort van Keris 
in de wetenschap bekend geworden en wel Keris anginosu; 
CV. (Poiss. X. p. 225 tab. 295), waarvan de woonplaats ni 
opgegeven is. Volgens de beschrijving heeft Keris anginosts 
als formule der vinstralen, D. 7/26. P. 13. V. 1/5 A. 5/28 
C. 17., welke alzoo vrij aanmerkelijk van de bovenstâande for 
mule afwijkt. Voorts zou bij Keris anginosus de kop eve 
hoog als lang wezen, volgens de afbeelding de rugvin uitgeraû 
zijn en de buik minder naar voren uitpuilen dan die mijne 
soort, welke overigens in habitus er zeer veel op gelijkt. 
Voorts nog zou bij Keris anginosus CV. de diameter van 
oog slechts tweemaal gaan in de lengte van den kop. 


bf 


’ 
E 


278 


„deze verschillen in aanmerking nemende, meen ik de boven- 


’ beschrevene soort als eene afzonderlijke te moeten beschouwen. 
új 


EE BLENNIOÏDEL 


5 
f, 
il 


_ Petroskirtes rhinorhijnchos Blkr. 


led 


Petrosk. corpore elongato compresso, altitudine 7 circiter in ejus lon- 
_ gitudine; capite convexo, acutiusculo, 54 ad 54 in longitudine corporis, 


À 


_ multo longiore quam alto et altiore quam lato; linea rostro-frontali con- 
hik s rostro conico ante os prominente; crista occipitali et cirris supra- 
_ orbitalibus nullis; oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis, dia- 
__metro l ecirciter a se invicem distantibus; rictu sub oculo desinente; 
maxillis antice tantum dentatis, dentibus eonfertissimis p. m. 30; maxilla 


citer in longitudine corporis; ventralibus pectoralibus brevioribus; anali 


(altitudine dorsali aequali, margine inferiore convexo; caudali emarginata, 


 Aanm. Van alle mij bekende soorten van Petroskirtes heeft 
de boven beschrevene de talrijkste rugvinstralen. Hierdoor, 


len snuit, uitgerande staartvin, eigenaardige kleurteekening enz. 
Ss zij gemakkelijk te onderkennen. 


setroskartes anema Blkr. 


Petrosk. corpore elongato compresso, altitudine 7 circiter in ejus lon- 
tudine ; capite obtuso convexo, 54 circiter in longitudine corporis, lon- 


bus; rictu sub oculi margine anteriore desinente; maxillis antice tantum 
dentatis, dentibus confertis p. m. 20; maxilla superiore utroque latere 


zr 


274 


dente canino parvo, maxilla inferiore utroque latere dente canino elon- 
gato curvato; apertura branchiali rimaeformi; cute laevis pinnis radiis 
omnibus simplicibus, dorsali integra vertice incipiente, corpore vix hu- 
miliore, radio producto nullo, prope basin pinnae caudalis desinente; # 
pectoralibus obtusis 94 circiter, ventralibus 7 eirciter in longitudine 
corporis; anali convexa corpore minus duplo humiliore; caudali acute 
rotundata 5 ecirciter in longitudine corporis; corpore aureo-favo, fasciis 
3 longitudinalibus nigris, superiore dorso-caudali, media oculo-caudali pinna 
caudali cum fascia dorso-caudali unita, inferiore thoracico-caudali; capite, 5 
punctulis coeruleis obsito; pinnis flavis, dorsali basi fascia nigra et ra- 
dium 3" inter et 10” nigricante, marginem superiorem versus violascente 
et striis obliquis coeruleis; anali basi fascia violascente, marginem inferi- ® 
orem versus fascia longitudinali nigra. ; 
B 73 D: 80 Pi TAVV. B ‘vel 3. Ás 19, GC, 11 et Tanvarem: 
Habit. Amboina, in mari. 


. 


Longitudo speciminis unici 62”, 


Aanm. Deze soort is herkenbaar, niet alleen aan hare sterk — 
uitgedrukte kleuren maar ook aan hare. nergens verlengde rug- | 
vin, rank ligchaam, kleinen kop, ronde staartvin en afwezig- 
heid van draden of cirri aan den kop, aan welk laatste ka- 
rakter ik haren naam heb ontleend. 


GOBIOÏDEL 


Gobrvus canvnoïdes Blkr. 


Gobius corpore elongato compresso, altitudine 54 ad 6 in ejus longitu-s 
dine, latitudine 14 ad 14 in ejus altitudine; eapite obtuso convexo, 44 cire 
citer in longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 2 ad 12 in 
ejus longitudine; oculis diametro 3 ad 834 in longitudine capitis, valde aps 
proxìmatis, maxima parte in anteriore dimidio capitis sitis; vertice squa: 
moso; rostro obtuso convexo, venlo breviore; rictu obliquo sub ocult 
margine anteriore desinente; maxillis aequalibus, dentibus pluriseriatis 
parvis, serie externa majoribus, maxilla inferiore caninis 2 parvis curvas 


tis; sulco oculo-operculari valde conspicuo; squamis magnis, lateribus 


nullo; dorsali 1° rotundata, spinis mediis ceteris longioribus; dorsali 2° a 
gulata; pectoralibus, ventralibus et caudali-rotundatis 54 ad 6 in longitue 
dine corporis; colore corpore viridis squamis dorso lateribusque plurimis 
guttula nigricante; dorso lateribusque insuper maculis nigricantibus ma 
ribus, lateribus in seriem longitudinalem dispositis; pinnis favescentibuss/ 


375 


| _anali tantum violascente; pinnis dorsalibus et caudali guttulis nigricanti- 


_ bus, dorsali 1* in series 2 longitudinales, dorsali 2 in series 3 longitndi- 
7 males, caudali in series 4 vel, 5 transversas dispositis ; 
5 posteriore violascente. 

MBL D. 61/10 vel 1/1. P. 1/17. V. 1/5. A. 1/10 vel 1/11. C 
oi (lat. brev. inclus.). 

} _ Habit. Amboina, in mari. 

ie ongitudo 9 speciminum 55” ad 80” 


caudali margine 


Aanm. Deze soort is verwant aan Gobius caninus CV., Gob. 
resim Blkr. enz. behoorende zij tot de groep van dit 
gjeeslacht met 2 hondstanden in de onderkaak, stompen kop 
en staartvin en groote schubben. De hondstanden zijn er ech- 
ter klein, zoodat zij der waarneming ligtelijk ontglippen. 


( Gobius unterstinctus Richards. Voy. Ereb. Terr. Fish, 


ol p. 9 tab. 5 fig. 96. 


id 


EK Gob. corpore elongato, antice cylindraceo, postice compresso, altitudine 


6 circiter in ejus longitudine; capite obtuso convexo, 44 circiter in lon- 
gitudine corporis; altitudine capitis 12, latitudine 1} circiter in ejus lon- 


g gitudine ; oculis diametro 34 cireiter in longitudine capitis, valde approxi- 


matis, maxima parte in anteriore dimidio capitis sitis; wertice squamoso; 
rostro obtuso, convexo, laevi, oeulo non longiore; rictu vix obliquo vix 
te oculum desinente; maxillis subaequalibus dentibus pluriseriatis parvis 


albus, caninis nullis; sulco oculo-operculari conspicuo; squamis mag- 


is, 26 p. m. in serie longitudinali; appendice anali conica obtusa; pinnis 
e: tiealibus altitudine subaeqnalibus, corpore paulo Kk 
foducto nullo; dorsali 1* obtusa spinis 3 antici 


radio 
Is spinis ceteris longiori- 
; dorsalí radiosa analique angulatis; pectoralibus et caudali rotundatis 


Benbransbs 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore viridi 
ac lis fuscis numerosis in series longitudinales vel irregulariter disposi- 
s cspite corporêque insuper punetis numerosis flavis vel viridibus; pin- 
js flavescente-viridibus et, ventrali excepta, maculis numerosis pluriseria- 
Knigris. 

B. 4. D. 6—1/10 vel 6—1/11. P. 18 (4 superior. filos.). V. 1/5. A 
8 vel 1/9. C. 13 et lat. brev. 

labit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 

| zo ngitudo speciminis unici 65,” 


NE 


Aanin. Deze Gobius was tot nog toe slechts van de noord- 
Westkust van Nieuw-Holland bekend. De afbeelding boven 


276 


aangehaald, is zeer naauwkeurig. Slechts is er de buikvineen _ 
weinig te lang afgebeeld. Mijn specimen heeft dezelfde lengte, 
als het door den heer Rricmarpson afgebeelde. 


ij 
bee en  KE a pe 


Periophthalmus argentilineatus GV. Poiss. XII p. 144. D 


Periophth. corpore elongato, antice subtetragono postice compresso, al- Ü 
titudine 7 circiter in ejus longitudine; capite obtuso convexo, 5 in longi- 
tudine corporis; altitudine et latitudine capitis 14 circiter in ejus longitu-- 
dine; fronte angulata; oculis diametro 4 eirciter in longitudine capitis, * 
palpebris magnis; dentibus maxillaribus conicis mediocribus, maxilla infe- É 
riore serie externa ceteris majoribus, caninis nullis; rictu subhorizontali d 
sub anteriore oculi parte desinente;labio superiore lato mobili; squamis parvis b 
lateribus 70 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali 1* dorsali 2* multo 
altiore, corpore vix altiore, longiore quam alta, spinis 2 anticis spinis ceteris — 


dine corporis; appendice anali oblonga obtusa; colore corpore superne 
coeruleo inferne flavescente; lateribus inferne vittis transversis marga- 
ritaceis vel ecoeruleis; capite punctis numerosis coeruleis; pinna dorsali 
1: fusca margine superiore et medio fascia longitudinali flava vel rus N 
bra, spinam 1” inter et 3" macuia nigra; dorsali 2a basi fusca, medio vite 
ta longitudinali nigra, superne et iaferne flavo vel rubro marginata, mars 
gine superiore fusco-rubra; pectoralibus rubro-fuscis; ventralibus et anal 
aurantiacis; caudali radiis rufis fusco variegatis, membrana postice viola= 
cea. 8 
B. 5. D. 15—1/11 vel 16—1/12 P. 12. V. 1/5. A. 1/10. C. 106 
lat. brev. X 

Synon.  Périophthalme rayé d'argent CV. Poiss. XII p. 144, 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 58” et 66,” 


Aanm. Ik houd de bovenbeschrevene soort voor dezelfde als, 
Periophthalmus argentilineatus CV., voornamelijk op grond der 
overeenstemming in de kleurverdeeling, waartoe zich de be 


nagenoeg bepaalt. 


Eleotris nvuralis OG. GV. Poiss. XII p. 190, tab. 357 


Eleotr. corpore elongato, antice cylindraceo postice compresso, altitú 
el 


247 


tudine et altitudine capitis 2 circiter in ejus longitudine; oculis diametro 
fl eireiter in longitudine capitis, in 2* quarta ejus partesitis, diametro 4 
vix a se invicem distantibus; orbitis glabris; dentibus maxilla superiore 
curvatis caninoïdeis 6 anticis, maxilla inferiore curvatis caninis 2 latera- 
libus; rietu obliquo, sub oculi margine anteriore desinente; squamis par- 
‚ lateribus 80 p. m. in serie longitudinali; appendice anali brevi conica; 
Á pna dorsali 1* acuta corpore altiore, dorsali 2: et anali postice acutis 
dorsali 1* humilioribus; pectoralibus capite brevioribus sed ventralibus 
lo ngioribus; caudali convexa 4 circiter in longitudine corporis; colore 
yrpore rufescente-viridi inferne dilutiore ; capite corporeque vittis longi- 
tudinalibus rubris; vittis corpore maculis oblongis transversis profundiori- 
bus aliquot unitis; pinnis dorsalibus analique flavis longitudinaliter rubro 
vit atis, dorsali 1* apice macula nigra; pinnis ceteris aurantiacis; caudali 
h ma ulis oblongis rubris et fuscis. 

B. 5 „D. 6—1/12 vel 6—1/13. P. 19. V. 1/5. A. 1/12 vel 1/13. CG. 
13 vel 15 et lat. brev. 

s ynon. Eléotris muraille QG. CV. 1 c. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 

1 ongitudo speciminis unici 72”, 


A anm. De kleuren van mijn specimen zijn gedeeltelijk ver- 
a wd en veranderd, maar zij hebben dezelfde rangschikking 
s die, afgebeeld van Mleofris muralis QG., met welke soort 
ijn specimen vrij stellig identisch is. Vroeger (Nat. Tijdschr. 
‚ Ind. Ip. 254) heb ik als mijn vermoeden opgegeven , dat 
eotris seaxguttata CV. slechts eene varieteit van Zleotris 
wralis QG. zou zijn. Dit vermoeden wordt allezins ver- 
ik nu ik beide soorten met elkander heb kunnen verge- 
en , daar zij, wat de meer wezenlijke kenteekenen betreft, 
komen met elkander overeenkomen. Van Bleotris sexguttata 
f. echter slechts 2 en van Zleotris murahs QG. slechts een 
el specimen bezittende, specimina, welke zich bovendien 
jn den besten toestand van bewaring bevinden, zou mijne 
lissing hieromtrent slechts van betrekkelijke waarde kunnen 
| en zal het beter wezen, de genoemde soorten nog geschei- 
} te laten, totdat nadere waarnemingen hierover uitspraak 
len hebben gedaan. 
Ee 23 


zi 


278 


CALLIONIJMOIDEL. 
Callionymus filamentosus CV. Pois. XII p. 227 tab. 359. | 


Callion. corpore elongato depresso , altitudine 11 ad 12, latitudine maxi= 
ma 5 circiter in ejus longitudine absque filis caudalibusg capite acuto 
depresso, 4 ad 44 in longitudine corporis absque filis caudalibus , paulo 
longiore quam lato; oculis fere contiguis, diametro 4 circiter in longitu= 
dine capitis; orbitis glabris ; rostro acuto, oculo non vel vix longiores 
‚ operculo non producto; processu praeoperculari oculo paulo longiore , ba-_ 
si externa dente unico, postice dentibus 5 ad 8 armato; foramine bran- 
chiali supra ad nucham; appendice anali connica acuta; lineis lateralibus 
bene conspicuis, nucha linea transversa unitis et inde opercula versus | 
descendentibus; pinna dorsali spinosa, masculis radio anteriore filiformi lie 
bero capite longiore, dorsali spinosa propria corpore paulo altiore, femi- 
nis radio libero filiformi nullo; dorsali radiosa corpore paulo altiore, emar- 
ginata, angulata; pinnis pectoralibus rotundatis ventralibus paulo brevioris 
bus; ventralibuslatis, postice angulatis, capite paulo brevioribus; anali poss 
tice angulata, corpore non vel vix altiore; caudali rotundata 4 ad 44 in 
longitudine corporis, radiis 2 mediis in fila productis; colore corpore su- 
perne olivaceo-viridi guttulis et punetis numerosis pulchre coeruleis, in- 
ferne antice albicante postice roseo; lateribus masculis fusco et nigro pune 
tulatis; pinna dorsali spinosa antice fuscescente marmorata et nigro macus 
lata, postice nigra oblique flavo vittata; dorsali radiosa margaritacea fusco 
coeruleoque nitido punctata et striata; pectoralibus et ventralibus virides- 
centibus nigro punetulatis; anali basi hyalina marginem inferiorem versus 
violascente, margine alba; caudali viridescente, dimidio superiore fusct 
ocellata et flavo rivulata. 4 

B. 6. D. 4—10 (ult. 2 tantum fiss.) P. 1/18 ad 1/20. V. 1/5. A 1 
(penultim. fiss.). C. 14. À 

Synon. Callionyme à filamens CV. Poiss. XII p. 227. 

Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 109” et ir a pee 


‘Aanm. Van deze fraaije soort, die reeds van Celebes beke 
js, bezit ik een mannetje en een wijfje. In de groote Histoire 
naturelle des Poissons is slechts het mannetje beschreven en 
afgebeeld. De afbeelding laat, vooral wat de kleuren betreft, 
veel te wenschen over. De kleuren van het wijfje zijn 
der fraai en helder dan die van het mannetje. Voorts 
het wijfje den eersten rugvinstraal en de middelste staartvin 


279 


stralen nief draadvormig verlengd en het anaalaanhangsel kor- 
_ ter dan het mannetje. 


_ PEDICGULATI, 


Me cutaea stellata GV. Poiss. XII p. 340 tab. 366. 
| _T.Schl. Faun. Jap. Poiss. p. 160 tab. 72 


8 
Halieut. corpore maxime depresso; capite orbiculari, latiore quam longo, 
cirenlariter rotundato; oculis diametro 6 ad 74 in longitudine capitis us- 
hi ad aperturam branchialem, diametro 1 a margine capitis anteriore 
semotis, diametro lj circiter a se invicem distantibus; rostro a capite 
non distineto, medio fossa profunda pedunculo valde protractili apice tri- 
Jobo; maxilla supericre valde protractili maxilla inferiore longiore; maxil- 
Ja inferiore spinis cincta; rictu latitudine 3 fere in latitudine capitis; denti- 
| bus maxillis pluriseriatis parvis aequalibus; corporis parte postbranchiali 
t riangulari, minus duplo longiore quam basi lata; capite corporeque super- - 
Es e marginibusque spinis simplicibus, bifidis et trifidis scaberrimo, inferne 
slabro; pinna dorsali obtusa, humili; pectoralibus oblique rotundatis 2E 
3 et paulo in latitudine disci capitis; ventralibus oblique truncatis 
onge ante pectorales insertis pectoralibus brevioribus; anali trigona; cau- 
lali Ren convexa; colore corpore pinnisque rubro vel fuscescente. 
B. 6. D, 4 simpl. P. 13 simpl. V. 6 simpl. A. 4 simpl. C, 1 simpl. + 
divis. + 3 simpl. 
prnon. Lophius stellatus Wahl. Act. soc. hist. nat. Hafn. IV, I p. 2ì4 
tab. 3 fig. 3, 4. Bl. Schn. Syst posth. p. 142. 
_Lophie Faujas Lacép. Poiss. I p. 318. : 
Lophtus muricatus Shaw, Gen. Zoöl. V, p. 382, tab. 162. 
Diable de mer rouge du Japon Tiles. Voy. Krusenst. tab. 61. fig. 
3, 4. 

Halieutée étoilée CV. Poiss. XII p. 340, tab. 366. 

i. Akaankoo Japonens. 


Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. — Japonia prope insu- 
j Kaminoseki, Murotso et Mitarai , in mari. 
7 E Edo 8 speciminum 40” ad 115.” 


Aanm. Twee der drie specimina ontving ik van Japan van 
den heer Dr. Monnike, het derde van Ceram van den heer Dr. 
1 AUM. Een mijner specimina is misvormd en heeft de reg- 
rhelft van den schijf veel smaller dan de liúker en alle vin- 
ì naar het vrije einde toe zwartachtig. De afbeelding der 
Fauna japonica is beter dan die van de groote Histoire natu- 


LEEK 


280 


relle des Poissons. Bij mijne exemplaren kon ik de volgende _ 
anatomische bijzonderheden waarnemen. | 

De ruime buikholte ligt geheel tusschen de kieuwholte en 
loopt spits naar voren uit. Buikvlies zwart. Het darmkanaal 
ligt grootendeels in de regterhelft der buikholte , de lever groo 
tendeels in de linkerhelft. Lever oranjekleurig, tweekwabbig , 
de regterkwab veel kleiner dan de linker. Maag cylindervor- 
mig met een zeer kleinen blinden zak. Buitenste maagrok ge 
heel zwart. Geene pylorusaanhangsels. Darmkanaal veel lan- 
ger dan het geheele ligchaam, resten van molluskenschalen be- 
vattende. Kieuwholte zeer ruim. De Ä kieuwbogen reiken 
nog niet tot aan het midden dezer holte doch de. kieuwvlies- 
stralen strekken zich tot nabij de borstvin uit. | 


Antennarius hispidus Cant. Cat. Mal. Fish. p. 208. 


Antenn. corpore oblongo compresso, altitudine 24 ad 24 circiter in ci 
longitudine ; oculis diametro 4 circiter in longitudine maxillae superiorisg 
rictu subverticali postrorsum descendente; dentibus intermaxillaribus et im 
framaxillaribus pluriseriatis, conicis, subaequalibus; vomerinis nulliss 
palatinis conicis aequalibus in thurmas 2 parvas oblongas collocatis; aper- 
tura branchiali oculo vix majore; cute toto corpore radiisque Pin 
spinulis parvis conspicuis scabra, spinulis plurimis furcatis; fimbriis capite 
corporeque inconspicuis; radio rostro libero tubereulo scabro apice aal 
inserto, 5 circiter in longitudine corporis, apice clavato fimbriato; pinm nö 
dorsali spinosa spina 1* libera, obtusa, horizontaliter antrorsum flexili 
spina 2* 1* paulo altiore, obtusa, maxilla superiore vix vel non breviore, 

membrana scabra cum basì pinnae dorsalis radiosae unita; dorsali radiosa 
et anali rotundatis, dorsali anali paulo altiore et duplo longiore; caudali 
rotundata 4 et paulo in longitudine corporis; ventralibus parvis maxi 
superiore duplo brevioribus; colore corpore pinnisque aurantiaco- flavo; 
capite, corpore supeme pinnaque dorsali radiosa inferne maculis oblon 
et vittaeformibus oblique transversim ordinatis, parcis, nigris; pinnis m 
ginem liberum vel apicem versus maculis rotundis parvis nigris; ra 
rostrali libero flavo fusco annulato. hA 

B. 6. D. 2—12 (3 poster. fissi). P. 10 (simplic.) V. 5 (poster. geadd A. 

7 (post. fiss.) C. 9 (7 inf. fiss.) il 

Syuon. Bend ius "BT Commers? 


Lophius OEP Bl. Schn. Syst. eh p- 148 No. 6. 
Kappa mura moia Russ. Cor. Fish. I fig. 19. 


281 


ij Lophius striatus Shaw. Nat. Misc. V tab. 175. 

Chironectes lophotes Cuv. Mém. Mus. H. Nat. III tab 17 fig. 2- 
Chironectes hispidus CV. Poiss. XII p. 303. 

Chironecte apre CV. ibid. 
4 Para mine Incol. Pontic. 
___ Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 
br Longitudo speciminis unici 76”. 


Aanm. Bij mijn specimen kan ik geene huiddraden en hade 
zijlijn slechts zeer onduidelijk waarnemen. 


FISTULARES. 


‚Fistularia immaculata Comm. Cuv. Règn. anim. Ri- 


chards. Rep. Ichth. Chin. Jap. in 15° Meet. Brit. Assoc. 


___Fistular. corpore maxime elongato, altitudine plus quam 30 in ejus 
longitudine absque filo caudali, aetate provectiore latiore quam alto; 
apite minus quam 3 in longitudine corporis absque filo caudali; rostro 
Bt ad 32 in longitudine corporis absque filo caudali, utroque latere den- 
tibus numerosis serrato;s oculis diametro 7 ad 94 in longitudine rostri; 
s maxilla inferiore superiore longiore; dentibus maxillis conspicuis, conicis, 
acutis; orbita et temporibus serratis; squamis inconspicuis; linea laterali 
postice praesertim spinulis armata ; pinnis dorsali et anali totis oppositis, 
peutis, eorpore multo altioribus; pectoralibus rotundatis capitis parte post- 
peulari brevioribus; ventralibus pectoralibus multo brevioribus; caudali 


bh 
a] 


jiloba, lobis acutis, filo medio capite longiore; colore corpore viridescente- 

hyalino, pinnis flavescente-hyalino. 

MB 7. D: 13 ad 16. P.15 vel 16, V. 1/5. A. 14 ad 16. C. 17 +Ffil. 

| med. + rad. lat. brev. 

Goorum Russ. Corom. Fish. II p. 58 fig. 178. 

Fistularia tabaccarta White Voy. Bot. Bay p. 296 fig. 2. 

Histularia Commersonit Rüpp. N. Wirb. F. Abyss. EF. R. M. p. 
142 ? 

Cannorhynchus immaculatus Cant. Cat. Mal. Fish. p. 211. 

Kurbatsch Arab. 

Ma peen yu vel Ma pin Chinens. 


_Synon. 


Habit. Amboina, Wahai, Batavia, in mari. 
Japonia, prope insulas Kaminoseki, Murotso et Mitarai, in mari. 
Longitudo 46 speciminum 160” ad 520”. 


| Aanm. Mijne specimina dezer soort zijn afkomstig van Am- 
boina, Wahai, Batavia en Japan. De Japansche hebben den 


282 


snuit betrekkelijk een weinig langer dan de Bataviasche, doch 
komen er overigens volkomen mede overeen. De jongste spe- 
cimina hebben donkere vlekjes op den rug, doch bij de ou- 
deren verdwijnen die allengskens. De soort is thans reeds 
bekend behalve van de genoemde plaatsen, van Pinang, de — 
kust van Coromandel, Nieuw-Holland, de Roode zee en China. 


LABROÏDEI CTENOÏIDEL 


Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. Syst. posth. p. 204 
GV. Poiss. V p. 294. Schleg. Mull. Overz. Am- 
phipr. Premn. in Verh. Ned. overz. Bezitt. p. 18. 


Amphipr. corpore oblongo compresso, altitudine 3 circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 2 ad 24 in ejus altitudine; capite obtuso convexo 4 
in longitudine corporis, paulo altiore quam longo; linea rostro-frontali val- 
de convexa; oculis diametro 3 ecirciter in longitudine capitis; fronte alepi- 
dota; osse suborbitali sub oculo oeulo plus duplo humiliore, denticulis nullis — 
sed spina parva deorsum spectante armato; maxillis aequalibus, dentibus 
conicis valde conspicuis; maxilla superiore sub oculi parte anteriore desis 
nente; rictu curvato; praeoperculo rectangulo angulo rotundato, leviter den-_ 
tato; ossibus opercularibus ceteris spinoso- dentatis spinis gracilibus; squamis 
lateribus 50 p. m. in serie longitudinalis linea laterali simplice sub postica 4 
parte pinnae dorsalis radiosae interrupta; pinna dorsali partem spinosam 
inter et radiosam valde incisa, parte spinosa radiosa humiliore spinis mes 
diis ceteris longioribus, parte radiosa obtusa rotundata; pectoralibus ro= 
tundatis et ventralibus obtusis 5 circiter in longitudine corporis; anali ros 
tundata dorsali radiosa vix humiliore; caudali obtusa rotundata 5 circiter 
in longitudine corporis; colore corpore fusco; capite antice pectoreque | 
rubris; fascia dorso-operculari lata margaritaceo-coerulea nigro limbatag 
fascia dorso-anali lata margaritacea coerulea apicem pinnae dorsalis radios 
saë inter et anum; PN dorsali A fusca, hee we et k 


anali nigra albo marginata; caudali maxima parte nigra, superne, inf 
et postice late albo limbata. f 
B. 5. D. 10/14 vel 10/15 vel "11/14 vel 11/15 P. 2/17. V. TZ 
2/12 vel 2/13. C. 15 vel 17 et lat. brev. Ee 
Synon. Anthias bifasciatus Bl. Aus). Fisch. tab. 316 fig. 2, atol 
Doppelband Bl. ibid. Jan 

Jourdin Bl. ibid. ie ' 

Lutjanus jourdin Lacép. Poiss. IV p. 191 et 235. Ek: 


285 


| Eutzan jourdin Lacép. ibid. 
Holocentrus bifasciatus Bl. Schn. Syst. posth. p. 567. Koelreut. 
Nov. Comm. Petrop. X p. 340 tab. 8 fig. 4. 
Amphiprion deur bandes CV. Poiss. V p. 294. 
Amphiprion laticlavius CV. Poiss. V p. 296 tab. 132 fig. 1. 
Amphiprion à larges bandes CV. ibid. 
Habit. Amboina, Wahai, in mari. 
Longitudo 3 speciminum 56” ad 65.” 


___Aanm. Brocn’s afbeeldiug dezer soort laat te wensshen over. 
De doornachtige rugvin is er te hoog, en van den onderoog- 
_kuilsdoorn ziet men er niets. Voorts ontbreekt er de witte 
rand der aarsvin en zijn er de borstvin, buikvin, aarsvin. en 
staartvin allen bruin gekleurd. + Bij een mijner drie specimina 
omvat de achterste witte band niet het onderste gedeelte des 
_ligchaams. Bij dit specimen bevindt zich tevens eene groote 
zwarte vlek op de basis der borstvin en telt de rugvin 1Î 
doornen, terwijl mijne andere specimina slechts 10 rugdoor- 
nen hebben. Overigens echter beantwoorden mijne drie spe- 
eimina volkomen aan elkander. Het specimen met het ligchaam 
niet geheel omringenden tweeden witten band zou behooren tot 
| Amphiprion laticlavius GV., doch deze soort behoort met Amphi- 
| prion bifasciatus CV. zamengetrokken te worden. Bij mijn 
grootste specimen, bij hetwelk de 2de rugband het ligchaam 
geheel omringt, zijn beide witte banden betrekkelijk nog bree- 
der, dan zij volgens de groote Histoire des Poissons bij Am- 
j hiprion laticlavius zouden zijn. 


Fomacentrus taemometopon Blkr. 


Eomac. corpore oblongo, compresso, altitudine 3 in ejus longitudine, 
datitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite obtuso, leviter convexo, 4 
@E paulo in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; oculis dia- 
metro 8 et paulo in longitudine capitis; linea rostro-frontali obligua vix 
onvexiuscula; osse suborbitali oculi diametro humiliore, postice emargi- 
nato, denticulato; dentibus utraque maxilla p. m. 28; praecoperculo obtu- 
angulo, margine posteriore dentibus valde conspicuis; opereulo postice 
pa unica plana brevi; dorso ventre multo altiore et convexiore; squamis 
ateribus 28 p. m, in serie longitudinalis linea laterali sub initio pinnae 
GOrsalis radiosae interrupta; pinnis dorsali et anali radiosis rotundatis , 


284 


dorsali spinosa spina postica ceterislongiore; ventralibus acutis, longitudi- 
ne caput aequantibus et pectoralibus obtusis paulo longioribus; caudali 
emarginata lobis rotundatis, superiore longiore 4 circiter in longitudine 
corporis; colore corpore superne violascente-viridi, inferne viridi-flavescen- 
te; capite vittis 2 oculo-maxillaribus coeruleis; praeoperculo operculoque 
maeculis, fronte punctulis coeruleis; capite antice vittulis 2 maxillo-dorsa- 
libus coeruleis rostro unitis, inter oculos divergentibus; pinnis aurantia- 
co-viridibus, dorsali spinosa nigro marginata. 

B. 5. D. 18/14 vel 13/15. P. 2/14, V. 1/5. A. 2/14 vel 2/15. C. 15 

vel 17 et lat. brev. 
Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 
Longitudo speciminis unici 67,” 


Aanm. Deze soort, verwant aan Pomacentrus prosopotae- — 
nia Blkr., Pomacentrus katunko Blkr. en Pomacentrus emargi- 
natus CV., is voornamelijk herkenbaar aan de twee smalle 
blaauwe bandjes, welke van den snuit, over het voorhoofd, | 
naar den rug loopen en bij de rugvin eindigen. 


Pomacentrus chrysopoecilusK.v. H. Müll. Schleg. Overz. 
Amphipr. Premn. in Verh. Ned. Overz. Bez. p… 
21 tab 5 fig. 8. | 


Pomac. corpore oblongo, compresso, altitudine 22 ad 34 in ejus longi- 
tudine, 24 ad 2 et paulo inejus altitudine; capite obtuso, convexo, 41 ad, 
ad 44 in longitudine corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 35 
ad 4 in longitudine capitis; linea rostro-frontali obliqua, ante oculos cô het 
vexiuscula; osse suborbitali junioribus oculi diametro humiliore, adultis 
ocalo non vel vix humiliore, dentibus valde conspicuis; dentibus utraque 
maxilla p. m. 40; praeoperculo obtusangulo rotundato, margine vo 
dentibus valde conspicuis; operculo postice spinulis 2 planis; dorso ventre 
altiore et convexiore; squamis lateribus 30 p. m. in serie longitutaaii 
linea laterali sub anteriore parte pinnae dorsalis radiosae interrupta; pi =| 
nis dorsali et anali radiosis angulatis angulo rotundatis; dorsali MEN 
spina postica ceteris longiore; pectoralibus obtusis capite et ventralib 
acutis paulo brevioribus; caudali emarginata, lobis rotundatis, superiore 
longiore; colore corpore violaceo-fuscescente; operculo superne macule 
nigra; dorso ad mediam basin dorsalis spinosae macula magna alba; sq 
mis junioribus capite coeruleo maculatis, lateribus vitta transversa subsê= 
milunari coerulea; pinnis viridi-fuscescentibus vel nigricantibus; dorsalt 
spinosa aurantiaca nigro marginata. t 
h5-D. 18/14. B: 2/16,-V. 1/55 A 2/135,C. tkAi VBN vebali. brevs, 


285 


Wahai, Batavia, in mari. 


Habit. 
Longitudo 2 speciminum 72” et 125,” 
__Aanm. De beschrijving in aangehaald prachtwerk heeft slechts 
_ betrekking tot de kleuren, welke echter niet geheel beantwoor-= 
L den aan de boven opgegevene, welke naar een versch speci- 
_ men zijn genomen. De soort wordt met toenemenden leef- 
KE ú tijd aanmerkelijk ranker van ligchaam en de blaauwe vlektee- 
& ening verdwijnt daarbij allengskens. 


_Pomacentrus nematopterus Blkr. 


_Pomacentr. corpore oblongo compresso, altitudine 34 in ejus longitudine 
absque filo caudali, latitudine 23 circiter in ejus altitudine; capite obtuso 
41 circiter in longitudine corporis absque filo caudali, aeque alto ac longo; 
linea rostro-dorsali vertice convexa, fronte et rostro declivi-rectiuscula; 
oculis diametro 3 et paulo in longitudine ecapitis; rostro oeulo breviore; 
@sse suborbitali angulo oris oculi diametro plus duplo humiliore, non 
| denticulato; praeoperculo subrectangulo angulo rotundato, denticulis vix 
conspicuis; operculo spinis 2 planis brevibus; squamis lateribus 30 p. m. 
in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali radiosis angulatis; dorsali 
radio 6°, anali radio 8° in filum productis; dorsali spinis crassis , mediis 
gubaequalibus, postica ceteris longiore; pinnis pectoralibus obtusis capite 
jaulo brevioribus; ventralibus radio primo producto capite multo longiore; 
audali leviter emarginata radijs lateribus 1 vel pluribus in filum pro- 
luctis ; colore corpore viridi- “Havescente; fasciis 8 transversis latis fusces- 
ente-violaceis, 1* oculari, 2* dorso- -pectorali trigona ad basin pinnae 
getoralis desinente, 3* dorso-analí mediis lateribus desinente; squamis 
teribus plurimis gutta margaritaceo-coerulea; pinnis dorsali spinosa fus- 
1 nigvo marginata, dorsali radiosa aurantiaco-viridi guttulis numerosis 
peruleis; pectoralibus et ventralibus flavescentibus; anali aurantiaco-flava; 
Ja 8 viridescente guttis transversim seriatis violaceis et rufis. 

BD: 13/11 vel 13/12. P. 2/15. V. 1/5. A. 2/12 vel 2/13, C 15 
117 et lat. brev. | 

Habit. Amboina, in mari. 

zin speciminis unici 97” 


Aanm. Deze sierlijke soort is kenbaar aan haar langwerpig 
zcl aam, ongewapende onderoogkuilsbeenderen, eigene kleuren 
voornamelijk door de draadvormige verlenging der stralen 
a de vertikale en buikvinnen, aan welk laatste kenmerk ik 
ren naam ontleend heb. 

HI 23 


286 


Pomacentrus prosopotaenioïdes Blkr. 


Pomacentr. corpore oblongo compresso, altitudine 24 circiter in ejus 
longitudine, latitudine 2} circiter in ejus altitudine; capite obtuso 4 fere — 
in longitudine corporis, paulo altiore quam longo; linea rostro-dorsali 4 
vertice et fronte convexa, rostro declivi rectiuscula; oculis diametro 4 > 
circiter in longitudine capitis; rostro oculo vix longiore; osse suborbitali © 
angulo oris altitudine oculi diametro aequali, postice valde dentato; prae- 
operculo rectangulo angulo rotundato, denticulis bene conspicuis ; operculo — 
spina vix conspicua; squamis lateribus 28 p. m. in serie longitudinali, 
pinnis dorsali et anali postice rotundatis, dorsali spinis medioeribus pos- 
tica spinis ceteris longiore; pinnis pectoralibus obtusis capite paulo, ven= 
tralibus acutis capite non vel vix brevioribus; caudali emarginata lobis 
obtusis rotundatis 44 ad 44 in longitudine corporis; ‘colore corpore fus-_ 
cescente-viridi; squamis plurimis capite, corpore pinnisque dorsali et anali 
gutta dilute coerulea; pinnis verticalibus viridi-fuscescentibus, dorsali 
spinosa nigro marginata; axillis regioneque anali immaculatis; pinnis pec- 
toralibus aurantiacis, ventralibus fuscescentibus. 

B. 5. D. 12/15 vel 12/16. P. 2/16. V. 1/5. A. 2/13 vel 2/14. C, Tag 
vel 17 et lat. brev. 

Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 92” et 97,” 


Aanm. Deze soort heeft zeer groote verwantschap met Po- 
macentrus prosopotaenia Blkr. (1) en heeft ongeveer dezelfde 
kleuren, met dit verschil, dat het blaauwe der schubben vam 
kop en ligchaam vlekjes en geene strepen of bandjes zijn. Voorts 
heeft de rugvin Î doorn minder, is het profiel konvekser, 
het onderoogkuilsbeen betrekkelijk hooger, evenals het ligchaa , 
ontbreken de groote blaauwe oksel- en aarsvlek enz. In habí- 
tus heeft zij insgelijks veel overeenkomst met Pomacentrus no- 
tostigmus Richards. ( Zoöl. of the voyage of the Sulphur p. Sg 
tab. 4Á fig. Â.), welke echter eene groote bleeke vlek op den 
rug heeft, bij het midden der basis van de doornachtige rug- 
vin en voorts als vinstralen D. 13/13. A. 2/12. P. 16. 


(1) Beschreven in mijne Bijdrage tot de kennis der ichthyologis 
fauna van Singapore (Nat. Tijdsch. v. Ned. Ind. III p. 67)- In Ma 
1852 nam ik te Batavia een tweede specimen van Pomacentrus piosopot 
nia waar, welks kleur donkerder is dan die van het Singapoersche s 


eimen en hetwelk 175” lang isen alzoo 35” langer dan dat van Singapore: 
ko 


287 


Amphiprion percula CV. Poiss. V p. 298. 


Amphipr. corpore oblongo compresso, altitudine 3 ferc in ejus longitu- 
dine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite obtuso, convexo, 4 cir= 
4 iter in longitudine corporis, vix altiore quam longo; linea rostro-front: 
_convexa; oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis; fronte alepidota; 
Hf osse suborbitali sub oculo oculo paulo humiliore, dentibus valde conspi- 
cuis armato, dentibus 2 üfferioribus ceteris majoribus; 


ali 


maxillis aequali- 

bus, dentibus conicis valde conspicuis; maxilla superiore sub oculi limbo 

_anteriore desinente; rictu leviter curvato; praeoperculo rotundato den- 

_ticulato; ossibus opercularibus ceteris spinoso-dentatis, spinis gracilibus; 

ats lateribus 55 p. m. in serie longitudinali; linea laterali simplice, 

sub media parte pinnae dorsalis radiosae interrupta; pinna dorsali partem 

_ spinosam inter et radiosam valde incisa, parte spinosa radiosa humiliore, 

__spinis mediis ceteris longioribus, parte radiosa obtusa rotnndata; pectora- 

libus rotundatis 44, venfralibus rotundatis 6, caudali rotundata 4L ad 42 

n longitudine corporis; anali radiosa rotundata dorsali radiosa paulo hu- 

miliore; colore corpore fuscescente- rubro; corpore fasciis 3 latis margarita- 

ceo- coeruleis corpus totum cingentibus, latis, nigro limbatis, 1% cephalica 

_operculari, 2° dorso-anali trigona angulo anteriore caput versus spectante , 

B caudali; pinnis dorsali et caudali rubro-fuscis nigro et roseo margi= 

Bi: pinnis ceteris carmosinis nigro et roseo marginatis. 

EB. 5. D. 11/15 vel 11/16. P. 1/15 vel 1/16. V. 1/5. A. OWARE ND 

Bel vel 17. et lat. brev. 

B Klein Miss, IV. tab. 11 fig. 8. 

Tyson, Transact. Philosoph. LXI tab. 8 p. 245. 

Anthias polymna Bl. Ausl. Fish. tab. 316 fig. 5. 

Perchot de la Nouvelle Bretagne Commers. ap. Liacép. Poiss. IV 
p-. 239. 

Lutjanus percula Lacép. Poiss. IV p. 239. 

Lutjan perchot Lacép. ib. p. 239 et 248. 

Lutjanus polymnus var. Lacép. ib. p. 224. 

Amphiprion perchot CV. Poiss. V p. 298. 

Tjene Papuens. 

H. abit. Wahai, Ceram septentrionalis, et Sibogha, Sumatrae occiden- 

Á talis, in mari. 

| Longitudo 2 speciminum 54” et 56”. 


Ek 
kr 
… 
| 
k 
| 
| 


lijphisodon rahti CV. Poiss. V p. 341. IX. p. 375, 
E M. Schleg. Overz. Premn. Amphipr. ete. in 


_Verh. Nat. Gesch. Ov. Bez. p. 22. 


lyphisod. Corpore oblongo-ovali compresso, altitudine 24 ad 22 in ejus 


288 


longitudine, latitudine 3 ad 34 in ejus altitudine; capite 44 ad 43 in longi- ì 
tudine corporis, vix altiore quam longo; linea rostro-frontali declivi conca- — 
viuscula; oculis diametro 3 circiter in longitudine ecapitis; osse suborbi- 
_tali humili rotundato; praeopereulo subrectangulo angulo rotundato; squa- 
mis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali radiosis 
angulatis acutis; dorsali spinosa radiosa multo humiliore, spina ultima E 
spina penultima longiore; peectoralibus et ventralibus longitudine subaequa- 
libus, capite vix vel non longioribus; ventralibus radio 1° filiforme pro- 
dueto; caudali profunde incisa lobis acutis superiore longiore 32 circiter, À 
in longitudine corporis; colore corpore superne flavescente-viridi inferne 
favescente-margaritaceo; corpore fasciis transversis coeruleo-nigricantibus 
5, 1* spinam dorsalem 1" inter et basin pinnae pectoralis, 2* spinas dor-_ 
sales 5", 7" et 6" inter et medium ventrem, 8* spinas dorsales 3 vel 4 
posticas inter et initium pinnae analis, 4° inter partes posteriores dorsalis 
radiosae et analis, 5* prope basin pinnae caudalis; pinnis verticalibus 
viridi-violascentibus; dorsali spinosa nigro marginata; pectoralibus et 
ventralibus dilute viridibus, peetoralibus superne basi et axilla macula 
nigricante. É | 
B. 5. D. 18/12 vel 13/13. P. 2/17. V. 1/5. A. 2/12. C. 15 ct lat 
brev. $ 
Synon. Chaetodon saxatilis Bl. Ausl. Fish. tab. 206 fig. 2. 
Gabelschwantz Bl. ibid. . 
Moucharra Bl. ibid. 
Rahti Potah Russ. Corom. Fish. I p. 67 fig. 86. 
Chaetodon Tyrwhittt Benn. Ceyl. Fish. p. 25 tab. 25. 
Glyphisodon saxatilis Rüpp. Atl. R. N. Afr. F.R.M. p. 35. 
Get Arab. 
Radeya Cingalens. 


q 
ï 


Ikan Bonang bonang Mal. Batav. 
Habit. Amboina, Batavia, Sibogha, in mari. 
Longitudo 3 speciminum 110” ad 152”, 


Aanm. Glyphisodon rahti is zoo na verwant aan Glyphisodon 
waigiensis, dat men ze ligtelijk als eene enkele soort zouk n- 
nen beschouwen. Bij naauwkeurige vergelijking blijkt het echte 
dat het profiel van Glyphisodon waïgiensis boller is en de kj 
betrekkelijk korter en hooger, terwijl ik bij beide mijne spe- 
cimina f straal meer tel in de borstvin. | 


289 


f LABROÏDEI CYCLOÏDEL. 

DN À 

__Julis (Halichoeres) kalosoma Blkr. 

$ Julis (Halichoer.) corpore subelongato compresso, altitudine 42 circiter 
$ 


__ in ejus longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto, 
__ 4 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in cjus 
he longitudine; oculis diametro 5 eirciter in longitudine capitis; linea rostro- 
ij frontali declivi convexiuscula; dentibus maxillaribus mediocribus; maxilla 
_ Superiore antice caninis 2 mediocribus, postice angularibus magnis rectis; 
E Jabiis carnosis; linea laterali singulis squamis tubulo simplice vel dichotomo 
notata; squamis lateribus longitudinaliter valde striatis, 26 p. m. in serie 
_ longitudinali; pinnis dorsali et anali basi glabris postice angulatis; caudali 
integra postiee convexa; pectoralibus capite multo minus duplo, ventrali- 
_bus capite duplo brevioribus; colore corpore superne viridescente-rufo, 
_inferne margaritaceo, mediis lateribus aurantiaco vel flavo; capite vitta 
__maxillo-infraoculo-operculari flava; lateribus antice vittis 2 vel 3 longitu- 


_ dinalibus fuscis flavo marginatis; capite superne dorsoque flavo dense 
„punectulatis; lateribus flavo reticulatis; ventre postice caudaque inferne 
_fasco punctulatis ct substriatis; pinna dorsali tota flavo et violaceo punc- 


e - . « « « . . 
tata vel subreticulata; caudali aurantiaca; pinnis ceteris aurantiaco-flavcs- 


eentibus. 


_ B. 6. D. 9/11 vel 9/12. P. 2/1. V. 1/5. C. 3/11 vel 3/12. C. 12 
K vel 14 et lat. brev. 


Ö Habit. Ambaina, Wahai, in mari. 
 Longitudo 5 speciminum 60” ad 95”. 


| Aanm. Deze sierlijke soort vind ik in geene der mij bekende 
beschrijvingen terug, noch ook in de talrijke afbeeldingen van 
J ls van VarentuN en Renann. Zij is zeer kenbaar door de 
sierlijke rangschikking der kleuren op het ligchaam en hare 
ongevlekte gele en oranjekleurige staart-, borst-, buik- en aars- 


Julis (Halichoeres) elegans K. v. H. CV. Poiss. XIII 
| p. 942. 


ekeren insnet 
= 8 Me ME - 


we ul. (Halich.) corpore oblongo compresso, altitudine 43 ad 4 in ejus 
longitudine, latitudine 27 ad 24 in ejus altitudine; capite acuto 4 eirciter 
in longitudine corporis; altitudine capitis 14 ad Jt in ejus longitudine; 
lis diametro 5 ad 65 in longitudine capitis; linea rostro-frontali decli- 
k, ectiuscula vel concaviuscula; labiis earnosis; dentibus maxillaribus me- 


230 


dioeribus, eaninis magnis, maxilla superiore 4 mediis prominentibus la- 
teralibus valde eurvatis, inframaxillaribus 2 prominentibus; dentibus angula- — 
ribus parvis; linea laterali singulis squamis indivisa; squamis lateribus 28 
p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali basi glabris postice angula- 
tis; pectoralibus 124 ad 18, ventralibus radio 1° producto 14 ad 14 in longi- ä 
tudine capitis; caudali integra convexa 6 ad 7 in longitudine corporis; Ì 
corpore Superne viridi rubro-violaceo maculato, inferne margaritaceo; 
dorso ad pinnam dorsalem flavo; fascia oculo-maxillari et praeoperculari — 
rubro-violacea; operculo maculis rubro-violaceis; lateribus sub linea late- 
rali fascia longitudinali lata diffusa violacea; squamis lateribus ventreque 
singulis stria semilunari flava; pinnis dorsali et anali dilute roseis, fasciis 
3 longitudinalibus, superiore et inferiore rubris, media viridi; pectorali- 
bus margaritaceis; ventralibus roseis; caudali pulchre flava, dimidio basa- k 
li maculis rubro-violaceis in series transversas dispositis. 4 
B. 6. D. 9/11 vel 9/12 vel 9/13. P. 2/12. V. 1/5, A. 3/11 vel 3/12. @ 
C. 14 et lat. brev. Á 
Synon. Girelle Elégante CV. Poiss. XIII p. 342. 
Habit. Wahai, Batavia, in mari. 
Longitudo 3 speciminum 119” ad 172.” 


Aanm. De beschrijving dezer soort in de groote Histoire na-_ 
turelle des Poissons bepaalt zich slechts tot die harer kleuren. 
De kleuren, hierboven opgeteekend, zijn naar 2 geheel ver- 
sche specimina van Batavia genomen. , ; 


Cheilinus ceramensis Blkr. 


Cheilin. corpore oblongo compresso, altitudine 44 ad 44 in ejus longi= 
tudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acutiusculo 4 ot 
paulo in longitudine eorporis, longiore quam alto; oculis diametro 44 ad 
5 in longitudine capitis, longiore quam alto; oculis diametro 44 ad 5 
in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula vel con 
vexiuscula; maxillis dentibus medioecribus, caninis curvatis anticis maxilla 
superiore 4, maxilla inferiore 2; mento non prominente; praeoperculo su 
rectangulo angulo paulo rotundato; linea laterali singulis squamis indivi 
sa, squamis anterioribus curvata; squamis lateribus 22 p. m. in serie lof 
gitudinali; pinnis basi squamosis; dorsali et anali radiosis postice acutan- 


F7 


gulis; ventralibus acutis pectoralibus obtusis longioribus, capite minus é us 
plo brevioribus; caudali rhomboidea radio diviso superiore eb un 
de tota pinna biloba; corpore superne violaceo-viridi, diffuse fusco nebu: 
lato, inferne viridis capite vittis et maculis rubris, circa oculum si 
radiatim dispositis; pinna dorsali spinosa violacea rubro marginata, radi 


osa antice violacea, postiee rubra flavo ocellata; pectoralibus roseis bas 
/ 


A! 
hl 


291 


f is; ventralibus flavescentibus margine anteriore violascente; anali auran- 
 tiaca margine inferiore rubra nigricante maculata; caudali rubro ocellata 
eoetice violascente. 

__B. 6. D. 9/10 vel 9/11. P. 2/10. V. 1/5. A. 3/8 vel 3/9. C. 14 et 
$ t. brev. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 93” et 100.” 


_Aanm. Deze soort is verwant aan Cheilinus trilobatus Lacép. 
doeh aanmerkelijk ranker van ligchaam, heeft anders gekleur- 
de vertikale vinnen, ongetakte zijlijn, mist de onderste staart- 
vinkwab enz. 


PL, 


MA , 


_____ SALMONES. 


Saurus trachinus Temm. Schleg. Faun. Jap. Poiss. p. 


982 tab. 106 fig. 


Saur. corpore elongato compresso, altitudine 54 ad 6 in ejus longitu- 
ine, latitadine 14 ad 14 in ejus altitudine; capite 4 et paulo in longi- 
udine corporis; altitudine capitis 1% ad 12 in ejus longitudine, vertice 
epr esso sulcato-rugoso; linea rostro-frontali valde convexa; linea intero- 
dari concava; oculis diametro 6 ad 64 in longitudine capitis, minus 
jametro 1 a se invicem distantibus; orbitis valde prominentibus denticu- 
tis; rostro oculo breviore, 8 in longitudine capitis; rictu obliquo; maxillis 
baequalibus dimidio eapitis longioribus, dentibus gracilibus acutis antice 
=, lateribus biseriatis, serie interna majoribus; dentibus palatinis maxil- 
bus et lingualibus brevioribus ; lingualibus valde conspicuis curvatis; ge- 
totis squamosis; operculis maxima parte alepidotis; linea laterali non 
mata; squamis cycloïdeis, lateribus 55 p. m.in serie longitudinali; pinna 
sa 1 radiosa postice in anteriore dimidio corporis sita, angulata, non 
rginata, corpore humiliore; dorsali adiposa parva, angulata, radiis ana- 
Be opposita;s pectoralibus obtusis capite plus duplo brevioribus; 
libus acutisradiis posticis radijs anticis plus duplo longioribus capite 
0 Beerts; anali corpore plus duplo humiliore, radiis omnibus fere 
licibus; caudali profunde incisa lobis acutis 6 circiter in longitudine 
0’ ris; corpore dorso aurantiaco, fusco et coeruleo marmorato; lateribus 
jrne vittis longitudinalibus aurantiacis et coeruleis, striis fuscis alter- 
bus ornatis, inferne aurantiaco tantum vittatis;, ventre margaritaceo; 
 aurantiacis; macula humerali nigra; pinna dorsali hyalina radijs 
scentibus fusco punctatis; pectoralibus flavescentibus; ventralibus et 


ZM 


An 


292 


anali Havescente-aurantiaciss caudali viridi-flavescente. 
B. 15. D. 2/10 vel 2/11. P. 2/10. WVE 1/7 AF TA Vel IEM C HI et Ta 
brev. 
Synon. Okijezo Japonens. 
Habit. Amboina, Wahai, Banka, in mari. 
Longitudo 8 speciminum 95” ad 160,” 


Aanm. Ik houd boven beschrevene soort voor dezelfde als 
Saurus trachinus T.Schl. niettegenstaande zij in eenige opzig- Í 
ten afwijkt van de beschrijving en afbeelding der Fauna ja- 4 
ponica, afwijkingen, die mij echter toeschijnen geen regt te Á 
geven om haar als eene eigene soort op te stellen. Zoo is op 
de afbeelding, in gezegd werk voorkomende, de bovenkaak 
korter dan de helft van den kop, vertoont de oogkas geene 
tandjes, de schouder geene zwarte vlek en de zijden niet die 
regelmatige teekening met overlangsche bruine strepen. Voorts 
zouden volgens de heeren Temminck en ScurraerL de getallen 
der stralen bij Saurus trachinus zijn: B. 12. V. 7. en de hoog- 
te des ligchaams Î0 maal in zijne lengte gaan. Een en ande 4 
kan op onnaauwkeurige waarneming en het laatste op eene 
drukfout berusten. Saurus trachinus moet uiterst verwant zijn 
aan Saurus myops CV., en daarvan voornamelijk verschil= 
len door betrekkelijk korter ligchaam en minder talrijke schub- 
ben op eene overlangsche rei. Daar echter Saurus myops C à) 
eene groote verbreiding heeft en tot bij de oostkust van Amê- 
rika leeft, laat zich vermoeden, dat deze soort in meerdere va- 
rieteiten vervalt en komt het mij voor, dat de verschillen tus- 
schen haar en Saurus trachinus nog nader behooren vastgesteld 
te worden. De heer Canror beschouwt Saurus frachinus [. 


Schl. als een’ jeugdigen toestand van Saurus myops CV. bi 
Eh 
Saurida nebulosa CV. Poiss. XXII p. 374. tab. 648. 


bt, 


Saurid. corpore elongato subeylindrieo, altitudine 7 ad 9 in ejus longt. 
tudine, paulo latiore quam alto; capite pyramidali quadrilatero 42 ad 5 mi 
longitudine corporis, duplo longiore quam alto; linea rostro-frontali com 
vexiuscula; oculis diametro 5 ad 5t in longitudine capitis; rostro (adul 


es 


tis) oculo paulo longiore; maxillis aequalibus 2 fere capitis longitudint 


ed Te 5 td e - 8 8 sie eld 
efficiente; rictu amplissimo; dentibus maxillaribus, vomerinis, palatimis 


293 


pterygoïdeis lingualibusque bi- ad pluriseriatis acutis; maxillaribus serie 
interna majoribus; palatinis accessoriis in thurmam parvam gracilem col- 
locatis; palatinis anticis aliquot elongatis; operculis inferne alepidotis; lie 
nea laterali carinata; squamis basi vulgo quadrilobis, lateribus 50 p. m. 
in serie longitudinali; axillis inguinibusque squumis elongatis; pinna dor- 
sali radiosa antice in 2* tertia corporis parte sita, corpore altiore, acuta; 
pinna adiposa oblonga rotundata; pectoralibus capite duplo fere breviori- 
bus; ventralibus ante pinnam dorsalem sitis, pectoralibus longioribus sed 
k capite brevioribus, oblique rotundatis, radiis subposticis ceteris longiori- 
| bus; anali dorsali multo humiliore et breviore; caudali profunde incisa 
Jobis acutis 6} ad 7 in longitudine corporis; colore corpore superne fus- 
4 cescente-viridi; inferne argenteo; capite fusco punctato et maculato; late- 
ribus fusco variegatis, junioribus fasciis 10 p.m. transversis diffusis fuscis; 
pinnis hyalinis viridi-flavescentibus, dorsali, peetoralibus et caudali fusco 
variegatis. 

SB. 12 vel 13. D. 2/8 vel 2/9 P. 1/11. V. 1/8. A. 2/7 vel 2/8. C. 19 
let lat. brev. 

_Synon. Denter nebulosus Soland. apud CV. Poiss. XXII p. 375, 

di Saurus gracilis QG. Zoölog. de la Voyag. de Y Uranie p. 224, 
d Sauride nuageur CV. Poiss. XXII p. 374. 

Karhei a alhai ëutataheina Otaitens. 

‚Habit. Amboina, in mari. 

4 „ongitudo 7 speciminum 90” ad 151,” 


_Aanm. Alle mijne specimina zijn meer gevlekt en balk 
an de afbeelding in de groote Histoire naturelle des Poissons 
n hebben dan snuit niet bol. De wang- en bovenoperkelschub- 
zijn op die afbeelding niet uitgedrukt. De dwarsche band- 
eekening des ligchaams is bij de jongeren specimina zeer dui- 
elijk doch verdwijnt allengskens bij toenemenden leeftijd. 
____PLEURONECTEOÏDEL 


thom bus poecilurus Blkr. 


Rhomb. corpore ovali, altitudine 24 in ejus longitudine; capite non 


ajore 34 circiter in longitudine capitis, inferiore paulo ante superiorem 


dore 3 in longitudine capitis, sub oculi limbo anteriore desinente ; den- 
ps maxillaribus uniseriatis, conicis, aequalibus, parvis; praeoperculo 


4 IH. , 


ulis sinistris, diametro 2 ecirciter a se invicem distantibus, superiore , 


ominente ; linea rostro-frontali declivi recta; rictu curvato; maxilla su=! 


5 
| 
ij 
ä 


rnuto , 4x circiter in longitudine corporis, paulo altiore quam longo; 


234 


obtusangulo rotundato; squamis lateribus 40? p. m. in serie fogitadniatisn 
linea laterali antice curvatura valde convexa; pinnis, caudali excepta, 
radiis omnibus simplieibus; dorsali et anali rotundatis, altitudine 4 in al- 
títudine corporis, dorsali rostro incipiente; pectoralibks acutis capite bre- 
vioribus; ventralibus pectoralibus brevioribus;, caudali obtusa convexa, 
5 circiter in fongitudine corporis; corpore pinnisque latere oculari griseo- E 
fuscescentibus fasco arenatis, latere anophthalmo albescentibus; pinna cau= 4 
"dali marginibus snperiore et inferiore medio macula nigra. 

B6 De Sl RO We ANSI rn 

Habit. Amboina, in mari. 


Longitudo speciminis unici 83”, 


Aanm. Deze soort staat in verwantschap tusschen Rhombus 
aspilos Bìkr., Rhombus lentiginosus Richards. en Rhombus gran-_ 
desquama Te Schl. doch is genoegzaam van die allen onderschei- 
den en bij den eersten oogopslag herkenbaar door hare twee 
zwarte staartvinvlekken. 


MURAENOIDEI 


Muraena lita Richards. Zoöì. Voy. Ereb. Terr. Fish. 
p. 84. 


Muraen. corpore elongato compresso, altitudine 16 circiter in ejus lon= 


d 


gitudine; capite acuto 72 in longitudine corporis, duplo longiore quam 
alto; oeulis diametro 10 circiter in longitudine capitis; naribus anteriori= 
bus tubulatis, posterioribus non tubulatis; rostro acuto, convexo, oculo 
minus duplo longiore, vix ante maxillam infertorem prominente; rictu post 
oenlos producto 8 eirciter in longitudine eapitis; dentibus palatinis nasas 
Jibusque uniseriatis, vomerinis biseriatis, inframaxillaribus sympbysi tan= 
tum sabbiseriatis dentibus caninis elongatis nullis; dentibus palatinis utroquê 
latere p. m. 10 eonicis acutiusculiss nasalibus palatinis majoribus acutisy 
periphericis 10 vel 12, antiee medio dente unico majore; inframaxillaribus 
conicis acutis utroque latere p. mm. 15 anticis posticis majoribus; vomerinis 
conicis obtusis plus quam 20, dentibus nasalibus non contiguis; apertura 
branchiali in media altitudine corporis sita, oculo vix majore; cute laevi 
squamis inconspicuis; linea laterali inconspicua; pinna dorsali ante apertus | 
ram branchialem incipiente corpore plus duplo humiliore; anali antice im 
posteriore dimidio corporis incipiente corpore plus triplo humiliore; corp@ e 
superne lateribusque et pinna dorsali rufo-fuscis; toto corpore fusco var 
riegato, dorso , lateribus pinnisque maculis numerosis subhexagonis, pros 


funde fuscis, corpore quadri-vel triseriatis. ig 


295 


BRB. 7D: 370 p: m. A. 210-ps m. Cp: 10m. 
E_ Svnon. Muraena variegata Mus. Britt. (sec. Richards.) 
Tabit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 


Longitudo speciminis unici 355”. 


____Aanm. De dentitie dezer soort doet haar gemakkelijk van 
de bekende soorten van Muraena onderkennen even als hare 
eigenaardige meestal zeshoekigeligchaams- en vinvlekken. Deze 
zeshoekige vlekken, welke hier en daar afgerond zijn, bestaan 
uit de het geheele ligchaam bedekkende speldenknopgroote 
zwartachtig-bruine vlekjes, en vormen over het ligchaam 3 of 
4 overlangsche onregelmatige reijen. De ruimten tusschen 


deze hoekige grootere vlekken ziju insgelijks dn met min- 
der donkere speldenknop roote vlekjes. 

De getallen der vinstralen zijn door den heer Rrcrarn-. 
SON niet opgegeven. Die der kieuwstralen heb ik niet naauw- 
keurig kunnen tellen, wegens hunne uitstekende dunheid, 
wat voor de meeste der door mij waargenomen Muraenen 
geldt. 


| 
| 
| 


Muraena variegata J. R. Forst. variet. Richards. Zool. 
4 Ereb. Terr. Fish. p. 94 tab. 47 fig. 11 —16. 


\Muraen. eorpore elongato compresso, altitudine 18 circiter in ejus longi- 
dine; capite acuto, Qt circiter in longitudine corporis, duplo fere longiore 
nam alto; linea rostro-dorsali fronte concava; oculis diametro 11 circiter: 
longitudine capitis; naribus anticis tubulatis, posticis non tubulatis; rostro 
pnvexo oculo minus ‚duplo longiore, ante maxillam inferiorem prominente; 
etu post oculum producto 8 in longitudine capitis; dentibus conicis obtu- 
usculis; palatinis uniseriatis utroque latere p. m. 8; dentibus unasalibus 
ntibus palatinis et vomerinis majoribus, peripheria uniseriatis 11, medio 
guper 2 crassioribus; vomere maxillaque inferiore dentibus biseriatis, vo- 
erinis p-m. 20, antieis dentesnasales subattingentibus; dentibus inframaxil- 
ri bus serie interna serie externa et anticis posticis majoribus, utrogue la- 
e Pp. m. 52; cute maxillis poris pluribus valde conspicuis annulo albo 
ctis; apertura branchiali oeulo majore in media corporis altitudine sita: 
elaevi squamis inconspicuis;linea laterali inconspicua; pinnadorsali ante 
rturam branchialem incipiente, corpore duplo circiter humiliore; caudali 
mdata; anali antice-in posteriore corporis dimidio incipiente, corpore 
druplo vel quintuplo humiliore; gonpore pinnisque nigro et flavescerte- 


1e 
» 
4 


296 


rufo marmoratis et variegatis, nigro insuper fascias diffusas latas transver- E 
sas 24 p. m, similante. | 
Boe D:4360 p. mm. As*220L pt mr GEIN Dm 

Synon. Seba Thesaur. II tab. 69 fig. 1. 
Muraena geographica Bks. Soland Mss. 
da variegata Icon. ined. G. Forst. J.R. Foist: Enchirid. 

1, gen. 5 Anim, cura Lichtenst. p. 181. 

dag nebulosa Thunb. Dissert. p. 7 tab. 1, fig. 2. 
Gymnothorax nebulosus Bl. Schn. Syst. posth. p. 528. 
Gymnothorax echtdna Bl. Schn. ibid. p. 526. 
Pipirho, Pipiro vel Pipirha Insul. Societat. 
Boohee Otait. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis , in mari. 

Longitudo speciminis unici 420,” 

Ld 
Aanm. Mijn eenig specimen dezer fraaije soort behoort tot 
de varieteit, afgebeeld ter boven aangehaalde plaatse in het 
werk van den heer Rrcuarpson. De groote zwarte vlekken loo 
pen er slechts wat meer in een, zoodat zij min of meer dui- 
delijke dwarsche banden vormen, welke echter zelve nog met 
geelachtig roode vlekjes geteekend zijn. Muraena ophis Rüpp. 
en Muraena minor T.Schl. zijn zeer na aan Muraena vartega- 


ta verwant. 


Muraena Richardsoniis Blkr. 


Muraen. corpore elongato compresso, altitudine 17 ad 20 in ejus longië 
tudine; capite acuto 74 ad 74 in longitudine corporis, plus duplo longios 
re quam alto; oculis diametro 8 circiter in longitudine capitis; naribus 
anterioribus tubulatis, posterioribus non tubulatis; rostro acuto, convexo 
oculo minus duplo longiore, paulo ante maxillam inferiorem prominen 05 
rietu post oculos producto 24 circiter in longitudine ecapitis; dentibus acùf 
tis; palatinis uniseriatis compressis utroque latere p. m. 8; disco na 
peripheria dentibus uniseriatis p. m. 8, medio dentibus 2 vel 3 longi 
bus subulatis; vomere deutibus conicis brevibus 8 ad 12 in seriem s 
duplicem dentes nasales non attingentem dispositis; maxilla inferiore d 
tibus uniseriatis compressis utroque latere p. m. 12; apertura branch 
oculo paulo majore, in media altitudine corporis sita; cute laevi squamis 
conspicuis; linea laterali inconspicua; pinna dorsali supra aperturam br 
chialem incipiente, corpore duplo circiter humiliore; anali postice in ams 
teriore dimidio corporis incipiente, corpore triplo circiter humiliore; € 
pore fusco nigricante-fusco dense transversim substriato vel vittato; pi 


297 


fuscescente-flavis fusco maculatis, maculis pinna dorsali plurimis fascias vel 
_vittulas transversas subsimilantibus. 

B. ? D. 310 ad 350 A. 220 ad 240 C. 10 p. m. 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, et Padang, Sumatrae occidenta- 
lis, in mari. 

8 Longitudo 2 speciminum 188” et 230,” 

\, 

É Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan Muraena scoli- 
_odon Blkr. (beschreven in mijne Bijdrage tot de kennis der 


Ik noem haar ter eere van den heer Dr. J. Rrcmarmson, die 
veel heeft bijgedragen tot eene betere kennis der Muraenoïden. 


K laten geene juiste vergelijking toe. 


Mwraena ceramensis Blkr. 


‚Mur. corpore elongato compresso, altitudine 18 circiter in ejus longi- 
j fudine; capite acuto, 7 ad 8 in longitudine corporis, plus duplo longiore 
j juam alto; oculis diametro 9 ecirciter in longitudine capitis; naribus ante- 
rioribus tubulatis, posterioribus non tubulatis; rostro acuto, convexo, oculo 


minus duplo longiore, paulo ante maxillam inferiorem prominente; rictu post 
y 


geulos producto 24 circiter in longitudine capitis; dentibus palatinis et vo- 
merinis biseriatis; palatinis acutis serie interna utroque latere 2ad 6, serie 
externa 12 ad 14; vomerinis obtusis p.m. 16, dentes nasales non attingenti- 


bus; nasalibus periphericis uniseriatis acutis dentibus palatinis majoribus; 


ribus uniseriatis, utroque latere p. m. 24; apertura branchiali oculo paulo 


majore, in media altitudine corporis sita; cute laevi squamis ineonspicuis; 


nente, corpore duplo humiliore; anali in media corporis longitudine ìn- 
Piente, corpore plus triplo humiliore; corpore fusco, fusco profundiore 
ebulato; pinnis fuscescentibus fusco profundiore nebulatis. 


298 


B, P-D.-340 p.:m. A, 240 pj m..,C. VOrpgem. 
Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 


Longitudo 3 speciminum 180” ad 212”, 


Aanm. Deze soort behoort tot de groep van Muraena thyr- 
soïdea en Muraena sathete H. Buch. van welke beiden zij ech 
ter verschilt door minder talrijke tanden op de binnenste ge- 
hemelte rei, andere kleuren enz. 


Muraena micropterus Blkr. 


Mur. eorpore elongato compresso, altitudine 22 ecirciter in ejus longi= 
tudine; capite aento 10 fere in longitudine corporis, paulo plus duplo 
longiore quam alto; oculis diametro 10 circiter in longitudine capitiss 
naribus posterioribus non tubulatis, anterioribus tubulatis; rostro acuto 
convexo, oculo minus duplo longiore, non ante maxillam inferiorem pro } 
minente; rietu post oculos producto 3 fere in longitudine capitis; dentibuss 
palatinis, nasalibuset inframaxillaribus biseriatis, serie interna serie externas 
majoribus; palatinis utroque latere p. m. 30; disco nasali peripheria dentibuss 
plus quam 20, medio dentibus 2 vel 3 longioribus , mobilibus; dentibus infra 
maxillaribus utroque latere plus quam 30; dentibus vomerinis p. m. 8 serie 
unica dentes nasaïes non attingente dispositis; apertura branchiali in media 
altitudine corporis sita, oculo vix majore; cute laevi squamis incouspicuiss 
Jinealaterali inconspicua; pinnis dorsali, anali caudalique rudimentariis 
humillimis cute ablata radiis ad apicem caudac tantum leviter conspicuis® 
ano in media corporis longitudine sito; corpore pinnisque fuscescentibug 
nigro pulcherrime et dense reticulatis; mento ventreque flavescentibus 

B. ? D. A. (ad apicem caudae aliquot tantum conspicui). C. 14 vel 168 

Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 8 


Liongitudo 2 speciminum 265” et 270”. 


Aanm. De rug- en aarsvin dezer soort zijn wel door eenêf 
verdubbeling der huid aangeduid , doch onder de huid vind ik 
slechts eene vleesachtige strook, in welke slechts in de nabije 
heid der staartvin eenige stralen herkenbaar zijn. Deze soort 
vormt alzoo een’ overgang van Muraena tot Uropterygius! 
Rüpp. en Muraenoblenna Lacép. a 

Wat hare dentitie betreft, behoort zij tot eene eigene groep 
van Muraena, met scherpe tweereijige gehemelte-, neus- el 
onderkaakstanden en eenreijige ploegbeenstanden. Haren naam 
heb ik ontleend van hare lage, nagenoeg straallooze vinnen. 


GIJMNODONTES. 


Mradon laterna Richards. Voy. of the Sulphur. Zool. 
p. 124 tab. 61 fig. 


 Petraöd. corpore oblongo, antice aeque alto circiter ac lato, altitudine 


1 


41 ad 5 fere in ejus longitudine; capite 82 circiter in longitudine corpo- 
ris; linea rostro-dorsali ante oculos concavas oculis superis, diametro 5 ad 
B in longitudine capitis, diametris 2 ad 3 a se invicem distantibus; pa- 
pillis nasalibus utroque latere 2 conicis oblongis; maxilla superiore ante 
inferiorem prominente; capite corporeque spinulis scabris;s rostro, labiis, 
basibus pinnarum caudaqve maxima parte glabris; linea lateralí inconspi- 
Eua; pinnis dorsali et anali subflabelliformibus rotundatis; caudali convexa 
circiter in longitudine corporis; colore corpore superne pulchre pro- 
ande viridi inferne albo; capite (superne et rostro), dorso, lateribus et 
jauda maculis numerosis margaritaceo-coeruleis; ventre vittis curvatis vi- 
jdibus subparallelis; axillis nigris; pinnis viridibus, pectoralibus basi ni-_ 
rieantibas; caudali dimidio anteriore guttis numerosis margaritaceo-coeru- 
gis, postice violascente. 

B IN/5 vel 2/16. A. 1/9 vel 1/10. C.- 9 et lat. brev. 

E abit. Amboina et Sibogha, Sumatrae occidentalis, in mari. 
edn 8 speciminum 104” ad 215,” 


Aanm. Deze soort verschilt van Zetraödon testudineus door- 
en er de vlekken kleiner, de wangen zonder bandteekening 
4 en de staartvin slechts aan de grondhelft geteekend is met 
upvormige vlekjes; voorts door de zwarte okselstreek, 
aijere breedere staartvin en grootendeels gladden staart. 
ogelijk is de bovenbeschrevene soort slechts eene varieteit 
n Zetraödon testudineus Bl. doch stellig is zij dezelfde als 
traödon laterna Richards. De: boven aangehaalde figuur is 
geveer van dezelfde grootte als mijn grootste specimen en 
antwoordt er geheel aan, behalve dat er het voorhoofd 
at meer uitpuilt, de ruwheid: van rug, zijden en buik niet 
gedrukt is en het oog te groot is afgebeeld. 


ti aödon virgatus Richards. Zoöl. Ereb. Terror, Fish. 
Bp. O2 tab. 99 fig, 8, 9. 


etraöd. copore elongato, antice aeque lato circiter ac alto, altitudine 
weiter in ejus longitudine; capite 4 circiter in longitudine corporis; 
RK 


500 


linea rostro-dorsali ante oculos concava; oculis superis, diametro 44 ad 5 
in longitudine capitis, diametris 24 ad 24 a se invicem distantibus; pa- 
pillis nasalibus utroque latere 2 oblongis basi unitis; maxilla superiore 
ante inferiorem prominente; capite corporeque spinulis secabris; rostro, 
labiis, basibus pinnarum caudaque postice glabris; linea laterali incon- 
spicua; pinnis dorsali et anali subfiabelliformibus rotundatis; caudali con- 
vexa, 4 ad 43 in longitudine corporis; colore corpore superne griseo- vel 
coerulescente-viridi, inferne albescente vel flavescente;5 capite, dorso lateri- 
busque vittis pluribus longitudinalibus pulchre profunde et dilute viridi- 
bus; pinnis viridibus, caudali marginibus nigricante, 

D. 2/7, vel 2/8. B. 1/15.,A. 2/7 vel 2/8. C.,9 et lat.sbrev. 

Synon. Tetrodon virgatus Richards. 1. cit. 

Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 168” et 220.” 


Aanm. Deze soort, behoorende tot Arothron J. Müll., heeft 
groote verwantschap met Zetraödon testudineus Bl. en Tetraodon 
laterna Richards., doch is zeer kenbaar aan het geheel getee- 
kend zijn van kop en ligchaam met fraaije groene overlangsche 
banden, waarvan er op elke zijde des ligchaams ongeveer 10 
tot 12 gaan. De beschrijving van den heer Rrcmarpson is kort 
en de kleuren zijn door hem opgegeven naar lang in wijngeest 
bewaarde specimina. Tot nog toe was Zetraodon virgatus 
slechts van Port Jackson bekend. 


Fetraödon hypselogeneion Blkr. 


Tetraöd. corpore elongato, aeque lato circiter ac alto, altitudine 5 eirci- 
ter in ejus longitudine; capite 84 ad 84 in longitudine corporis; linea ros= 
tro-dorsali ante -oculos declivi rectiuscula; oculis superis, diametro 3 ad 


34 in longitudine capitis, minus diametro 1 a se invicem distantibus; pa- 


pilla nasali utroque latere simplice indivisa, oblonga; maxilla superiore — 


ante inferiorem prominente; mento elevato prominulo; capite, dorso, la- 
teribus ventreque spinulis scabris; labiis, basibus pinnarum eaudaque gla- 
bris; linea laterali conspicua utroque latere duplice; pinnis dorsali et ana- 
hi altioribus quam longis, rotundatis; caudali truncata vel convexiuscula- 
44 ad 54 in longitudine corporis; colore corpore superne nigricante-viridi, 
inferne albo vel flavescente; capite lateribus fasciis 3 vel 4 latis transver- 


sis viridi-nigricantibus; vertice, dorso, caudaque superne ocellis maculis- 


que confertis pulchre coeruleis; pinnis flavescentibus vel rubris. 
De 2/6 velr2/14, Pin 1/1 Zi vels 5/43, Ar2/6:-Cr8ret lát. beer 


de 


rt 


ig 
Ee 


DR, 
Eid 
ES 


ihk Eelen ie 


801 


— Habit. Amboina, Wahai, in mari. 
__Longitudo 12 speciminum 44” ad 71”. 


_Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan 7efraodon Ha- 
miltondi Richards. (Zoölog. of the Voy. Ereb. Terr. Fish. p. 63 
tab. 32 fig. 10, 11), doch onderscheidt zich daarvan door ge- 
heel gladden staart, hooge min of meer vooruitstekende kin , 
digter bijeenstaande oogen, afwezigheid der groote zwarte zij- 
vlekken ‘enz. 


Tetraödon kappa Russ. Corom. Fish. Ip. 18 fig. 25, 
k Verh. Bat. Gen. XXIV. Blootk. Vissch. p 16. 


ke Tetraöd. corpore oblongo antice cylindraceo postice compresso, altitu- 
dine 41 ad 5 in ejus longitudine; capite obtuso 34 ad 34 in longitudine 
corporis; linea rostro-frontali convexa; oculis superis: diametro 34 ad 42 
in longitudine capitis, diametro 1 ad 2 a se invicem distantibus; papillis 
nasalibus oblongis utroque latere 2 depressionem infundibuliformem amplec- 
fentibus; maxilla superiore prominente; vertice, dorso antice ventreque 
spinulis scabris; capite antice, lateribus maxima parte caudaque glabris; 
linea laterali vix conspicua, utroque latere duplice (speeiminibus pluribus 
inconspicua); pinnis dorsali et anali altioribus quam latis, apice rotunda- 
tis; eaudali convexa; corpore superne viridi inferne argenteo vel flaves- 
cen 8, superne fasciis 2 ad 4 diffusis transversis viridi-nigricantibus ocel- 
lis sque numerosis rotundis et oblongis dilutioribus et margaritaceis; macula 
r zin pulcherrime flava sub pinna pectoralis; pinnis viridescentibus, cau= 
dali dimidio posteriore nigra. 

Me: vel 2/8. P. 2/14 vel 2/15. A. 2/6. C. 8 vel 10 et lat. brev. 
Synon. Kappa Russ. Corom. Fish. I p. 18 fig. 25. 

er: | Tetrodon dissutidens Cant. Mal. Fish. p. 582. 

Jkan Buntak barik Mal. Batav. 

‚Habit. Amboina, Wahai, Sumatra occidentalis, Batavia, in mari. 
Bied "21 speciminum 40” ad 120”. 


Ede 


_Aanm. Sedert ik deze soort beschreef, in mijne Bijdrage tot 
le kennis der Blootkakige visschen van den Indischen Archipel, 
Bitving ik nog een aantal specimina van Sumatra, Amboina en 
ei zoodat ik de toen gestelde diagnose heb kunnen her- 
zien en het ontbrekende der vroegere beschrijving aanvullen. 
zijlijn is gewoonlijk niet zigtbaar, doch waar zij zigt- 
paar is, gaat de bovenste van den snuit over de wangen tus- 
UI. 25 


A 
Nl: 


„Mi 
_ 


AD ne Ak 


502 


schen oog- en borstvin naar den rug en daalt vervolgens naar 
den staart. De tweede zijlijn gaat van het onderste gedeelte 
van den staart naar den buik. 


Tetraödon margaritatus Rupp. Atl. R.N. Afr. F. R. 
M. p. 66. 


Tetraöd. corpore irregulari oblongo compresso, altitudine 3 circiter in 
ejus longitudine, latitudine 2 ecirciter in ejus altitudine; capite acuto, 
rostrato, 34 circiter in longitudine corporis; linea rostro-frontali concavíi- 
uscula; oculis superis, diametro 4 circiter in longitudine capitis, diametro 
l a se invicem distantibus; naribus in cute praeorbitali perforatis fere in= 
conspicuis, utroque latere 1; capite totoque corpore spinulis scabris, 
spinulis supra pinnam anaïem parcioribus; dorso carinato, angulato; linea 
laterali inconspicua; pinnis dorsali et anali altioribus quam longis, dorsali 
angulata, anali rotundata; caudali truncata vel convexiuscula, 5 circiter 
in longitudine corporis; colore corpore superne griseo-fuscescente inferne 
griseo flavescente; oculis et labiis radiis coeruleis et rubris cinctis; genis 
totoque corpore guttulis numerosis coeruleis; vitta mento-anali recta coe- 
rulea;s dorso vittulis 2 vel 3 coeruleis ad basin pinnae dorsalis; pinnis 
flavescente-viridibus. 

DZB Bere ALS: An AAT as Sera bres. 
Synon. Jkan ad vel Gesterde visch Valent. nee Amb. III p. 
358 fig. 2 

Jkan akk, matanja Valent. ibid. p. 427 fig. 269? 
Verkenskop Valent. ib. p. 502 fig. 498, 
Casu casu Ren. Poiss. Mol. I. tab. 59 fig. 200. 
Ikan Ticus Ren. ibid. I tab. 25 fig. 138. 
Carcasse Ren. ib. II tab. 25 fig. 124. 

Habit. Amboina, in mari, 


Pi 


Longitudo speeiminis unici 62 


Aanm. Deze soort behoort tot de groep van Zetraödon ros- 
tratus Bl. en TFetraödon papua Blkr., en heeft vooral met de 
laatstgenoemde groote verwantschap, verschillende zij voorna- 
melijk slechts daarvan door het gemis der zwarte vlek aan de 
basis der rugvin (f), door wat korteren kop, enz. — De Car- 


(1) In mijne beschrijving van Zetraödon papua (Verh. Bat. Gen. XXIV 
Blootkak. Vissch. p. 13) komt als drukfout voor, dat de zwarte vlek aan 
de basis der staartvin zou zijn. Im plaats van caudalis leze men daar dors 


salis. 


503 


casse van Renarp of MKaskasse van VALENTIJN (Renard, Poíiss. 
Mol. I tab. 39 en II tab. 6 fig. 29; Valent. Ind. Amb. III p. 
_ 353 fig. 19) is almede eene zeer verwante soort met breede 
zwarte of bruine banden over het ligchaam. 


| BALISTINL. 


_Balistes flavimarginatus Rupp N. W.F. Ab. F. R. 
À M. p. 54 tab. 15 fig. 1 (adult), fig. 2 (juvenis). 


Balist. corpore oblongo compresso, altitudine 2 circiter in ejus longitu- 


{ 


dine, latitudine 8 circiter in cjus altitudine; capite 34 circiter in longi- 
tudine corporis, altiore quam longo; oeulis diametro 4 fere in longitudine 


capitis, 24 circiter in longitudine rostrij vertice convexo; linea rostro- 
__frontali ante oculos et apice rostri convexiuscula; rostro ante oculos sulco 
_friangulari; labiis carnosis; dentibus utraque maxilla 8, mediis ceteris 
__majoribus; apertura branchiali ante basin pinnae pectoralis desinente; scu- 
tis lateribus 36 p. m. in serie longitudinali usque ad aperturam branchia- 
‚ Jem; cauda compressa, spinulis pluriseriatis scabriuscula, medio multo 
__altiore quam lata; pinna dorsali spinosa spina 1* rostro breviore, crassa, 
__obtusa, scabra, membrana pinnam dorsalem radiosam non attingente; 
dorsali radiosa et anali rotundatis, subaequialtis, multo longioribus 
quam altis, corpore plus triplo humilioribus; pectoralibus obtusis rotunda- 
_ tis; pinna ventrali spina crassa brevi dentata, radijs gracilibus p. m. 
_ 14; caudali convexa 6 et paulo in longitudine corporis; colore corpore 
superne viridi-favo inferne „aurantiaco-flavo; capite superne corporeque 
__maculis sparsis rotundis nigris; pinna dorsali spinosa viridi-flava ni- 
gro marginata; dorsali radiosa, caudali et anali media violaceis ceterum 
__aurantiacis, peectoralibus aurantiacis. 

TD. 3—2/25. P. 1/14, A. 2/23. C. 12, 

Synon. Balistes castaneus Richards. Voy. Sulph. Zoöl. Fish. p. 126 tab. 
Ki 59 fg. 9— 12? 

kt Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 

___Longitudo speciminis unici 125.” 


KE 
Ai 


__Aanm. Ik houd mijn specimen voor dezelfde soort als Balis- 
fes flavimarginatus Rüpp., alhoewel, volgens de afbeelding 
daarvan van den heer Rürperu te oordeelen, het profiel bij laatst- 
genoemde species boller zou zijn. De bovenstaande beschrij- 
’ ing is genomen naar een uitmuntend bewaard specimen van 
nog jeugdigen leeftijd, daar de soort, volgens den heer Rürreur 


304 


tot. meer dan Î%5, voet lang wordt. Bij de oudere specimina 
wordt de ligchaamskleur bruinachtig en verdwijnt de vlek- 
teekening. Het verdient mijns inziens nog nader bepaald te 
worden, in hoeverre Balistes castaneus Richards (Zoöl. Voij. 
Sulph. Fish. p. 126 tab. 59 fig. 5), naar een lang in spiritus 
bewaard specimen beschreven en afgebeeld, als species van 
Balistes flavumarginatus zou kunnen verschillen. Pe habitus 
dier afbeelding beantwoordt geheel aan mijn specimen, doch 
de tweede rug- en aarsvin zijn er gevlekt, wat noch bij mijn 
specimen, noch bij de Rüppellsche afbeeldingen het geval is. 


Alutarius laevis CGuv. Cant. Mal. Fish. p. 355. Verh. 
Bat. Gen. XXIV, Balist. p. 21. 


Alutar. corpore oblongo compresso, altitudine 44 ad 4 in ejus longitu- 
dine, latitudine 34 ad 84 in ejus altitudine; capite acuto 42 ad 44 in lon- 
gitudine corporis, junioribus longiore quam alto, adultis aeque alto circi- 
ter ac longo; oculis diametro 5 ad 64 in longitudine capitis, diametro 4 
ad l a linea rostro-frontali remotis; linea rostro-frontali concava; rostro 
acuto oculo quadruplo ad quintuplo longiore; dentibus maxilla superiore 
6, mediis 4 acutis, angularibus obtusis; maxilla inferiore dentibus 4 acu- 
tis emarginatis; apertura branchiali ante basin pinnae pectoralis inferio- 
rem desinente; cute coriacea squamis inconspicuis; càuda nee setosa nec 
spinosa; spina dorsali 1* supra oculum sita, gracili, non dentata, rostro 
plus duplo breviore, 2° subocculta minima; pinnis dorsali radiosa et anali 
corpore plus quadruplo humilioribus, rotundatis, radiis simplicibus; pec- 
toralibus obtusis radiis simplicibus; caudalí obtusa 32 ad 4 in longitudine 
corporis; colore corpore luride viridi; capite, dorso lateribusque vittis 
numerosis irregularibus plus minusve curvatis, brevibus, coeruleis et ma- 
culis rotundis vel ovalibus coeruleis et fuscis; pinnis aurantiacis vel flavis, 
caudali viridi vel fuscescente. 

D. 2—44 ad 2-47. P. 14 vel 15. A. 47 ad 49. C. 12. 

Synon. JZkan Panggontor wel Donderaar Valent. Ind, Amb, III p. 508 

fig. 523. 
Fwauwe Pangay ou Luey Ren. Poiss. Mol. I tab. 11 fig. 69. 
Balistes scriptus Osbeck Voy. L p. 174? 
Balistes laevis Bl. Ausl. Fisch. tab. 414. 
Platte Hornfisch Bl. ibid. 
Baliste lisse Bl. ibid. 
d Smooth old wife Bl. ibid. 


Balustes monoceros Soland. 


05 


Alutera laevis Cuv. Règn. anim. Swains. Nat. Hist. Fish. II p. 
327, 

Aleuteres laevis Richards. Ichth. Voy. Sulph. p. 131 tab. 61 fig. 
3. Report. 15th meet. Brit. Assoc. 1845 p. 202, 

Mornati Indigen. Malabar. 

Jkan Hajam Mal. Batav. 
Habit. Wahai, Bima, Batavia, in mari. 

„_Longitudo 5 speciminum 167” ad 430”, 


____OSTRACIONES. 


Ostracion tesserula Cant. Mal, Fish. p. 867. tab. 8. 
É OE 


Ostrac. pyxide tetragona, altitudine maxima 24 circiter in corporis lon- 


ir 


‚_gitudine, aeque alta circiter ac lata; dorso et ventre convexis, lateribus 
‚concavis; ventre dorso latiore; capite 34 circiter in longitudine corporis, 
 altiore quam longo; linea rostro-frontati et linea interoculari concavis; 
oculis diametro 2 et paulo in longitudine capitis; rostro oculo altiore; ore 
ante rostrum prominente; apertura pyxidis anteriore ovali oculo non ma- 
jore; pyxide spinis nullis scutis hexagonis radiatim carinatis; pinnis ob- 
tusis rotundatis; colore corpore pinnisque flavo, capite corporeque guttis 
sparsis profaunde coeruleis. s 

CD. 1/8. P. 2/10 vel 2/11. A. 1/8. C. 1/8/1. 

__ Habit. Wabai, Ceram septentrionalis, in mari. 

B _Longitudo speciminis unici 82.” 


_Aanm. Deer Cantor ontdekte deze soort op Pinang en gaf 
er eene beschrijving en afbeelding van ia zijn werk over de 
Maleische visschen. Mijn specimen behoort tot den zeer jeug- 
digen leeftijd en is nog aanmerkelijk kleiner dan de afbeelding 
van den heer Cantor. Aan dezen jeugdigen leeftijdstoestand is 
waarschijnlijk toe te schrijven, dat de rug van mijn specimen 
niet gekield is. 

_LOPHOBRANCHIL. 

Hippocampus moluccensis Blkr. 

E: ippocamp. corpore heptagono, altitudine maxima 64 in totjus piscis 
0 ongitudino, latitudine 2 fere in ejus altitudine; cauda tetragona; capite 


4 ad 42 in longitudine corporis ab occipite usque ad apicem caudae; ros- 
rc ) longitudine capitis partem postocularem aequante, altiore quam lato, 


506 


ante oculum tubereculo parvo, non fimbriato; oeulis diametro 8 circiter in 
longitudine capitis; orbita superne tuberculo unico conico brevi non cla- 
vato; occipite in processum obtusum quinquetuberculatum non fimbriatum 
exeunte; operculis radiatim striatis; pyxide corporis ex annulis 11 for- 
mata, cristis longitudinalibus tuberculatis, tuberculis humilibus nec ramo- 
sis nec fimbriatis; cauda annulis 35 vel 36, cristis longitudinalibus tuber- 
culis humilibus non fimbriatis; pinnis -dorsali et pectoralibus rotundatis; 
colore corpore fuscescente; operculis striis albidis; pinnis viridibus. 

D. 16. vel 17 P. 16. A. 4 

Synon. JZkan Kuda Malaic. 

Habit. Amboina, in mari. 

Hongitudo 2 speciminum 130” et 150,” 


Hippocampus taentopterus Blkr. 


Hippocamp. corpore heptagono, altitudine maxima 64 circiter in totius 
piscis longitudine, latitudine 2 in ejus altitudine; cauda tetragona; capite 
32 ad 44 in longitudine corporis ab occipite usque ad apicem caudae; 
rostro 24 ad 2% in longitudine capitis, altiore quam lato, ante oculum tu- 
berculo parvo, non fimbriato; oculis diametro 6 ad 7 in longitudine ca- 
pitis;s orbita superne tuberculo conico non clavato; occipitije in processum 
5 vel 6 tuberculatum non fimbriatum exeunte; operculis radiatim striatis; 
pyxide corporis ex annulis 11 formata, cristis longitudinalibus tuberculis 
humilibus non fimbriatis; cauda annulis 85 vel 56, cristis longitudinalibus 
tuberculis humilibus non fimbriatis; pinnis dorsali et pectoralibus rotunda- 
tis; corpore fusco, toto fere flavo et nigro punctulato; pinnis hyalinis, 
dorsali vitta longitudinali nigra. 

De VBeriBiott vel didi, Arnd. 

Habit. Amboina, Wahai, in mari. 

Longitudo 3 speciminum 80°” ad 110,7 


Aanm. Mijne verzameling bevat thans 4 soorten van Hip- 
pocampus, welke na aan elkander verwant zijn. Een dier soor- 
ten, afkomstig van Japan en Hippocampus Mohniket genoemd 
heb ik beschreven en afgebeeld in eene kleine Bijdrage tot de 
kennis der Ichthyologische fauna van Japan, welke aangeboden 
isaan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amster- 
dam. De overige drie soorten behooren tot den Indischen Ár-_ 
chipel en wel Hippocampus kuda Blkr. tot de fauna van Singapore 
(Nat. Tijdschr. v. Ned. Ind.Illp. 82)en de beide hier beschre- 
_ vene tot die van Amboina. Hippocampus Mohnikei is kenbaar 


307 


aan de breede dwarsche witte banden over den staart; Hip- 
_pocampus kuda aan de achterhoofds- en kindraden en langen 
snuit; Hippocampus taeniopterus en Hippocampus moluccensis 
aan de afwezihheid van witte staartbanden en kopdraden en 

de eerste bovendien aan’ den zwarten overlangschen rugvinband 
| en de laatste aan het gemis daarvan en aan den langen snuit, 
die even lang is als het achteroogkuilsgedeelte van den kop, 
terwijl hij bij Hippocampus taeniopterus 2, tot 23/, maal gaat 
jn de lengte des kops. 


$ Pegasus volans L. Syst. nat. ed. Gmel. I p. 1459. 
| Lacép. Poiss. IÌ p. 83. 


l 

ke _ Pegas. corpore depresso, altitudine 5 circiter, latitudine maxima 22 cir- 
_ eiter in ejus longitudine; capite prismatico quadrilatero, acuto, 8 et paulo 
jn longitudine corporis, longiore quam alto et dupio circiter latiore 
À quam alto; vertice utroque latere taberculo conico; orbitis elevatis; ocu- 
lis diametro 5 fere in longitudine capitis, 2 et paulo in longitudine ros- 
Bir, diametris 2 ecirciter a se invicem distantibus; rostro supra os utroque 
_Jatere tuberculo osseo, ante os in processum phylloïdeum producto, pro- 
gessu antice rotundato, margine denticulato, transversim sulcato, superne 
_bicarinato , carinis denticulatis; ore infero maxillis protractilibus; mento 
_regioneque suboculari tuberculatis; apertura branchiali oeulo minore; cor- 
pore e@ pyxide tetragona formato, pyxide ubique rugosa, superne sulco 
ei zephalo-caudali profunda lata bipartita; cauda tetragona ex scutis 7 com- 
_posita, scutis angulis carinatis; scutis 4° et 5° lateribus carina elevata brevi; 
_pinnis radiis omnibus simplicibus, dorsali angulata scutis caudalibus 2° et 


83° inserta; peetoralibus flabelliformibus radiis longissimis capite paulo bre- 


et dorsali vix humiliore; caudali vix convexa, 54 fere in longitudine cor- 
_ poris; colore capite superne et dorso roseo, rostro nigricante-fusco; pinnis 
flavescentibus, pectoralibus caudalique fusco variegatis. 

BRD: 2. B. Il vel 12. V.2. A. 5. C. 8, 

S Synon. Pégase volant Lacép. Poiss. II p. 83. 

__ Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 

p: _Longitudo speciminis unici 90”, 


nd 


__Aanm. Het komt mij voor, dat de soorten van Pegasus 


5 


nog onvoldoende bepaald zijn. De bovenbeschrevene soort is 
vrij zeker de Pégase volant van Lackrùpr. Ik bezit nog eene 


508 


soort van Pegasus van Sumatra, bij welke de breedte des lig- 
chaams 6 maal in zijne lengte gaat en welke blijkbaar dezelfde 
is als de Cataphractus rostro spatuliformi truncato Gronov. Zoö- 
phijl. N. 357 p. {15 tab. {1 fig. 2, 3. Andere species echter zijn 
mij niet beschikbaar , zoodat ik tot hare betere karakteristiek 
niet kan bijdragen. Ik heb de synonijmen van Pegasus volans 
L, zooals deze species boven aangeduid is, niet willen vermeer- 
deren, door daartoe afbeeldingen te brengen, “welke er wellisk 
niet identisch mede zijn. 


Solenostoma paradorum Lacép. Rafin, 


Solenost. corpore elongato compresso, altitudine 6 et paulo in ejus 
longitudine, latitudine 84 circiter in ejus altitudine; capite 3 circiter in 
longitudine corporis; oculis diametro 8 circiter in longitudine capitis; 
orbita antice spinula brevij rostro acuto oculo plus quintuplo longiore, 
altiore quam lato, superne antice in 3° tertia parte tuberculo conico; rictu 
terminali obliquo parvo; scutis corpore 23 p. m. in serie longitudinali, 
pluricarinatis posticis anticis minoribus; dorso postice ventreque post 
anum gibbosis; pinna dorsali 1° postice in anteriore dimidio corporis. 
sita, altitudine corporis altitudinem aequante, basi oculo non longiore, 
acuta, radio medio ceteris longiore; pinnis dorsali 2* et anali pinnae cau- 
dali approximatis, corpore quadruplo circiter humilioribus, longioribus 
quam altis, rotundatis; pectoralibus oculo duplo latioribus sed non lon- 
gioribus, obtusis; ventralibus rostro non brevioribus, obtusis; eaudali 
rhomboidea acuta, 34 circiter in longitudine corporis, radiis membranam 
superantibus; corpore roseo toto nigro punectato; pinnis roseis; dorsali 
1* radium 1” inter et 3” macula magna pulchre coerulea, ceterum maculis 
pluribus fuscis; ventralibus caudalique postice violaceis; caudali tota ni- 
gricante punctata et maculata. 

Db 19..P, 223 Melt A. LO 

Synon. Solenostomus varws, rostro serrato, pinnis dorsali et ventralibus 

praelongis Seb. Thes. III p. 106 tab. 34 fig. 4. 
Bonte Solenostomus ete. Seb. ibid. 
Trompette solénostome Bonnat. Planch. Eneyclop. méth. 
Fistularta paradoxa Pall. Spicil. zoöl. 8 p. 32 tab. 4 fig. 6. L. 
Syst. nat. ed. Gmel. I p. 1338. Bl. Schn. Syst. posth. tab. 30 
fig. Ll. 
Solenostomus paradorus Lacép. Poiss. V p. 36, Cuv. Richards 
Rep. ichth. Chin. in Rep. 15th meet. Brit. Assoc. p. 2083. 
Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, ín mari. 
Longitudo 3 speciminum 85°” ad 111” 


hes MLA) 


509 


â __Aanm. Niettegenstaande deze soort reeds aan Srra en Parras 
bekend was, bestaat er nog geenegoede afbeelding van en zijn 
de kleuren nergens goed opgegeven. Mijne specimina hebben 
hunne kleuren nog goed bewaard en zooals boven beschreven is. 
‚ Voorts is bij mijne specimina de rugvin lager dan op de af beel- 
_ dingen van Parras, Srpa en Brocu Scanmiper is uitgedrukt, ter- 
Ì wijl ik er ook volstrekt geene kindraden kan waarnemen. Boven- 
dien zijn ook de vinstralen door genoemde schrijvers eenigzins 
anders opgegeven. Door deze verschillen, welke deels aan het 
| minder goed bewaard zijn der in Europa gebragte specimina, 
deels aan minder naauwkeurige waarneming kunnen toe te 
schrijven zijn, achf ik mij niet geregtigd, boven beschrevene 
specimina te beschouwen als tot eene eigene soort te behoo- 
ren. 


CHIMAEROÏDEL 


Chimaera monstrosa L. Bl. Lacep. Cuv. T. Schl. 


Ji k 
Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 


92 


Longitudo speciminis unici 900. 


__Aanm. Mijn eenig specimen is in zeer gebrekkigen toestand van 
bewaring, zoodat ik mij van de beschrijving er van onthoud. 


Mijn specimen is het eerste, wat, voor zoover mij bekend is, 
n den Indischen Archipel is aangetroffen. 


Scripsi Batavia Calendis Aprilis upeceLu. 


WAARNEMINGEN 


VOOR DE 


ASTRONOMISCHE PLAATSBEPALING 


VAN 
BAT AVI A, 


DOOR 


SS. HH. DE LANGE, 
Geographisch Ingenieur. 


Ik deel hier een gedeelte mijner waarnemingen mede-ter be- 
paling der breedte. Het gemiddelde resultaat uit alle waarne- 
mingen verschilt genoegzaam niets met dat uit de hieronder- 
volgende afgeleid. | 


Breedte waarnemingen. 


26 Augustus 1851. 15 September 1851. 20 September 1851. 


« Lijrae. « Paromis. « Paromis. 


waarnem. afwijk. waarnem. afwijk. waarnem. afwijk. 
6°9/'60,”65 — 4,”33 6°9'58,63 —1,'%6 6°9' 54,97 +1,’ 42 


56, 07 +0, 25 54, 83 +2, 04 5%, 99 — 1, 60 
58, 5 42, 37 56, 83 —0, 04 57, 85 — 1, 46 
54, 93 +1, 39 56, 93 +0, 16 54, 69 + 1, 70 


52, 19 +4, 15 56, 93 +0, 16 56, 30 + 0, 09 


s11 


55, 25 +0, 0% 53, ser 3,00 56, 91 — 0, 32 
60, 93 —4, GI 58,2% + 1, 40 58, 42 — 2, 03 
5%, 83 —1, 51 He va ee a0 53, 57 + 2, 82 
54, 5% +1, %5 5%, 3% +0, 50 56, 99 — 0, 60 
BR 03 +3, 29 58, 47 + 1, 60 6°9' 56,”39 w. f. 0,37 
58, 99 —2, 67 60: Je 3, 50 


56, 93 —0, 61 _6°9'56,”87 w.f. 0,”44 
BRA 42 
50, 86 +5, 46 
B 59, 88 —3, 56 
6°9' 56,” 32 w. f. 0,” 52 


20 Septemb. 1851. 20 Septemb. 1851. 20 Septemb. 1851. 
| a Cijgni. y Cijgni. y Cruces. 


waarnem. afwijk. waarnem. afwijk. __waarnem. afwijk. 
6° 9’ 54,”80 + 1,703 6°9’59,”31 —1,/”62 6°958,’38 — 0,’ 49 


55, 44 + 0, 39 55, 66 + 2, 03 58, 51 —0, 36 
58, 70 —2, S7 59, 44 — 1, %5 58, 51 —0, 36 
OG 1, 23 55, 82 +1, 87 60, Sl +1, 94 
52, 15 +3, 68 58, 24 —0, 55 60, 76 + 1, 89 
55, 9 —0, 08 6°9'57,'69 w. f. 0,'55 56, 98 — 1, 89 
| 56, 71 — 0, 88 58, 24 —0, 63 
6°9 55”, 83 w. f. 0,51 60, 90 +1, 22 


59, 24 +0, 37 
lend ek 
58, 24 —0, 63 
58, 47 —0, 40 
58, 37 —0, 50 


in het oog houdende, zoo verkrijgt men tot eindresultaat: 
6° 9 57,73 


_ De heer G. A. pr Lanae, luit. ter zee der 2de kl., als ad- 
sistent aan mij toegevoegd, heeft in de maand December de 
volgende waarnemingen gedaan. Zijne waarnemingsplaats lag 


s12 


9 December 1851. 2 December 1851. 
h? Geminor. h Argus. h2 Geminor. 
6° 9’ 56,” 02 be 9505 6° 9’ 57,” 81 
58, 52 55, 62 58, 06 
59, 4l 51, 03 57, #3 
57, 46 56, SI 59, 79 
56, 34 6°9' 56,”65 w. f. 0,” 23 57, 69 
54, 37 54, 22 
58, 95 54, 98 
61, 13 58, S8 
55, 14 56, 23 
6° 9’ 57,” 56 w.f. 0,” 65 58, 16 
56, 97 
60, 59 
53, 97 
55, 87 
58,26 
57, Ol 


6° 9’ 57,”26 w.f. 0,”47 
26 December 1851. 


h? Geminor. h Argus. 

6° 9’ 56,” 55 6° 9’ 50,” 89 
57, 49 55, 26 
54, 25 60, 71 
58, SI 54, 51 
57, 04 5%, 39 
51, 67 53, 53 
57, 02 59, 26 
5%, 09 58, 43 
56, 64 53, 25 
55, 37 53, #9 
55, 66 6° 9’ 55,” 75 w.f. 0,” 97 
60, 14 
56, 97 
52, 67 


6° 9’ 56,” 25 w. f. 0,’ 59 
Gevende, de betrekkelijke waarden der uitkomsten in aan- 


merking nemende, 
Z. Breedte 69 9’ 56,” 72. 


915 


_Klaagt men in Europa bij astronomische waarnemingen her- 
haaldelijk over ongunstig weder, hier is het aantal dagen, waar- 
op men heldere lucht heeft, zeker nog geringer. Van het laatst 
van Junij, toen ik mijne waarnemingen kon beginnen, tot den 
1öden Oktober, heb ik slechts f8 maansdoorgangen kunnen 
waarnemen; zes daarvan zijn onder zulke onvoordeelige om- 
standigheden waargenomen, dat ik die heb moeten verwerpen; 
de overigen volgen hieronder. Ik vlei mij, uit Europa korres- 
ponderende waarnemingen te ontvangen, waardoor de resul- 
taten voor de fouten der maanstafelen kunnen worden gekorri- 
geerd. Na den f5den Oktober heb ik geen’ enkelen doorgang 
kunnen waarnemen. 


Waarnemingen ter bepaling der lengte. 


Maansmeridiaans waarnemingen. 


8 September © I (%) 9 September © I (4) 
A. R. € =ò Capr. + 11"26:,10 (4) A. R. C= 7? Aquar.— 3" 6:, 965 (6) 
| u „ + 5e 4,47(6) D „18° 9:,578(5) 
C uurbew. 118. 72 DP » _ 28-1°,547(6) 
LL" 7e 40°, 16 EC uurbew. 114. 77 
| L — 7" 4m 58:, 82 
__ 10 September € II (6) __1 September © MH (6) 
€ À. R.=D Aquar. +18" 51:,448(6) A. R. @€=33Pisc. + 13" 32°, 612 
À We „ +14" 155, 238(5) 20 Ceti — 34" 8:, 709 
33 Pisc. — 32" 14°, 582 4) e Pisc. —49= 26°, 778 
E uurbew. 111, 88 @ uurbew. 110, 44 
B Le ve 35'-81 L 4" 7" 38.94 
__ 12 September © IH (6) 13 September © HI (6) 
ARE Cetit1l"16:,76(5) A-R. E=gPisc.+20" 2,463 (2) 
ePisc.— 4" 1:,50(3) _ y „ + 8" 445, 853(5) 
ik n — 25" 42°,66(4) E1 Ceti — 34" 49°, 007 (7) 
ET O0 teste 0',53(6) 845 ASC — 54" 29°,957 (7) « 
Euurbew. 110,63 Euurbew. 112,595 


L— "4" 29°, 12 L— 4e 4e 41°, 51 


® 11 Julij Bedekking („* Sagittarii Ingang. 15" 7» 8°,20M. Ts 


sl4 


3 Oktober © 1 (7) 4 Oktober © I (7) 
CA.R.=h? Sagitt. —22" 40°,335(7) CA.R.=BCapr.+30" 45°, 25(7) 
e2  „ — 16e 18°, 935 (2) - EP „ + 6* #5,213(7) 
B Capr. +22 19°, 775 (8) D „ —55* 25°,713(6) 
@ uurbew. 130, 09 € uurbew. 125,0 | 
L—7" 4" 46°, 45 per! L 7e 44e, 24 
9 Oktober £ I 11 Oktober € II (7) 
CA. R.=20 Ceti — 3" 42, 51 CA.R.=E!Cetit 9e 3:,413(4) 
pz Pisc. — 40" 41°, 62 E: „ — 6r 4°,607(6) 
yv „ —5l* 59,52 845 ASC —22n 43°, 617 (4) 
EC uurbew. 110, 71 7 Arietis — 26" 49°, 19% (4) 
Le 57,88 Euurbew. 115, 57 
L— 4" 4m 45°, 438 
12 Oktober © II (7) 13 Oktober € HI (3) 
CA.R.=845 ASC +25" 33:,789(5)  CA-R-=2,Tauri+ 0" 33°, 09(6) 
cTauri — 37” 38:, 633 (5) Un 34" 23,47 
„ Tauri — 49" 58°, 110 (7) o* Orionis —51" 7°21 
G uurbew. 120, 34 € uurbew. 126, 33 
L— 7" 7e 42°, 59 L—7"7" 30°, 66 


De cijfers achter de waarnemingen geplaatst, hebben betrek- 
king op het aantal draden waaraan de maan en sterren zijn 
waargenomen. 

Vereenigen wij nu de uitkomsten, afgeleid uit den oostelijken 
rand en die uit den westelijken, daarbij de betrekkelijke waar- 
den der uitkomsten in het oog houdende, zoo vindt men voor 

resultaat W.R.— 7u. 7m. Bis, 81 

dn O.R. — 7u. Zm. 9/s., 71 

Gevende voor L. — 7u. 7m. Aás., 76 = 1069 56’ 11,” 40 

Slechts vijf sterbedekkingen heb ik mogen waarnemen, waar- 
van ik één heb moeten verwerpen. 


Sterbedekkingen 1851. 


1% April Bedekking 9 Librae Ingang. 16’ 53" 27°, 89 M. T.; 
L—7"7" 32, 09 


/ 


L— 7" ge 32°, 44 


515 
1 September Bedekking 4 _ Librae Ingang. 19" 2% 34, 728. T.; 
ke gi L— 4" 4e 37 96 
_28 December Bedekking #* Aquarii Ingang. 8" 43m 53°, 85 M. T.; 


L 7" 7» 38°, 80 


_De sterbedekkingen in rekening brengende bij het resultaat 
der waarnemingen van de maansdoorgangen, wordt voor de 
Reste verkregen 1060 54’ 18,” 15 O. Greenw. 
__Volgens de topographische kaart van Batavia en ommelanden, 
opgenomen op last van Z. H. den hertog van Saxen Weimar Er- 
iik op de schaal Î: 10000, ligt de plaats der waarneming 
4232. 0 Ned. El. bezuiden den uitkijk 
| UO vore bepesten or ns 
hiermede herleidende komt de uitkijk: 

Breedte 69 7’ 40,” 2 Z. 

Lengte 1069 54’ 2,” 4 O. Greenw. 
_Op de resultaten, verkregen uit een groot aantal waarne- 
mingen van gelijke hoogten der maan en de en 
hoop ik later terug te komen. 


DE 
DIAMANTGRONDEN 


VAN 


KOENAN, 


DOOR 


Dr.J. KH. CROOCKEWIT Hz. 


Op vele plaatsen schijnen in het landschap Koesan diaman- 


ten gevonden te worden, of wel vooronderstelt men, dat men 
ze zou bekomen, als de grond bewerkt werd. De gronden, 
wanneer zij bewerkt worden, maken een deel uit der in- 
komsten van den regerenden pangerang. Iedereen toch heeft 
de vergunning, diamantgronden te bewerken (diamantputten te 
graven of wel diamanten te wasschen) tegen betaling eener 
schatting van Î gulden (120 duiten) ’s maands per hoofd aan 
dem pangerang. Alsdan zijn alle diamanten, die minder dan 
9 kdraat wegen (een karaat is een gewigt van 0,212 gram) 
de eigendom van den vinder: allen die hij vindt van dit ge- 
wigt of die dit te boven gaan, is hij verpligt aan den pange- 
rang op te brengen, die hem dan f 20 voor elk karaat 
gewigt daarvoor betaalt. Onvolkomener wijze om eene schat- 
ting of liever pacht van landerijen te heffen (want geheel het 
landschap behoort den pangerang toe) is niet wel denkbaar, 
zoude men meenen, om de vele verleiding en gemakkelijke 
ontduiking: dit is hier echter minder het geval, zelfs zonder 
eenig toezigt. Daar ieder voor zich wascht, en meestal 
in eens anders onmiddellijke nabijheid, valt het ongemerkt 
verstoppen van eenen steen van bijzondere grootte al bezwaar- 


517 


lijk, en nog veel moeijelijker is het, om dien ongemerkt aan 
den man te brengen: meestal komen zulke ontvreemdingen aan 
den dag. Tijdens mijn verblijf in Koesan was er eene derge- 
lijke zaak hangende: een diamant van 30 karaten was voor 
een paar jaren door eenen Banjarmasinschen opkooper op het 
grondgebied van den pangerang van Koesan ingekocht en op 
Java voor f 13,000, naar ik vermeen, verkocht; men had 
toen den dader reeds gevat op Java, en de koopprijs was, 
‚naar men mij zeide, in ’slands kas te Banjarmasin voorhan- 
den, waar de pangerang hem toen ging ontvangen. Ik acht 
deze Wijze van pachtinning ook niet zoo onregtvaardig. Het 
is toch in deze zaak anders gelegen, dan met landerijen, die 
aan landbouwers verpacht worden; gewoonlijk wordt hiervan 
in deze gewesten een gedeelte der opbrengst als schatting be- 
taald, en al is dan een vastgestelde jaarlijksche huurprijs, bij 
het mislukken van den oogst bezwaarlijker dan in een voordeelig 
Jaar, het behoort tot de zeldzaamheden, als meerdere jaren 
achtereen het eerste geval plaats heeft, zoodat meestal een 
slechte oogst door eenen ruimeren daaropvolgenden vergoed 
wordt. Bij het diamantwasschen bestaat deze omstandigheid 
niet, en ik geloof niet, dat één inboorling zich tot dit werk 
zoude willen leenen, wanneer hij maandelijks daartoe zooveel 
moest opbrengen, als zoude opwegen tegen de kans, om 
soms eens een’ steen van eene grootere waarde dan gewoonlijk 
voorkomt te vinden, terwijl nu toch hij, wien dit geluk te 
beurt valt, in zijne omstandigheden, daarvoor nog eene ruime 
winst geniet. Dat het bedrag dezer schatting het eene jaar met 
het andere zeer verschilt en niet te bepalen valt, ligt in den 
aard der zaak; eene plaats is het ééne jaar zeer bezocht, om 
soms het volgende, wanneer ze slechte resultaten heeft gege- 
ven, geheel verlaten te zijn: — de eene werkman is gelukkig, 
en werkt daardoor met onvermoeiden iijver, de andere loopt 
het “tegen en het werk verdriet hem: genoegzame redenen om 
met het wisselvallig aantreffen van groote diamanten, dit be- 
drag ook zeer wisselvallig te maken. 

Het kan wel niet bevreemden, dat de bijgeloovige inwoners 
Re II. 26 


918 


dezer woeste gewesten, hetzij zij zich volgelingen van Moham- 
med’s leer noemen of dat, zooals bij de Dajah’s, het door dezen 
verspreide licht of de voorgeschreven leefregels ook nog niet tot 
hen zija doorgedrongen, ook aan het wisselvallig aantreffen van 
diamanten den invloed van goede of kwade geesten meent te_ 
onderkennen. De in zoo vele. opzigten veel meer verlichte 
Chinesche tinmijnwerkers doen dit wel, wat den tinerts aangaat, 
zooals ik in mijne vroegere rapporten aan het gouvernement 
van mijne reizen door Banka en Malakka heb medegedeeld. 
Zoo werd mij uitdrukkelijk verzocht, om in de nabijheid der 
diamantputten niet te schieten of te laten schieten, opdat de 
booze bosch- en bergduivels niet opgewekt zouden worden, 
die dan het vinden van diamanten geheel beletten. 

Ook het zoeken naar nieuwe, nog nief bewerkte, diamantgron- 
den gaat bij hen, die het islamisme toegedaan zijn, met eenig 
bijgeloof vergezeld. Zij meenen, dat er menschen zijn, die daar- 
toe eene bijzondere ingeving hebben gekregen, en even als de 
priesters door de godheid daartoe uitverkoren zijn. Zulke lie- 
den reizen rond en toonen dan, op het verzoek van sommige 
diamantlustigen, niet zonder de noodige kwakzalverij, plaat- 
sen aan, waar men dan met het volste vertrouwen het werk 
aanvangt. Zij ontvangen daarvoor eene kleine belooning, of 
soms wel van den eigenaar der landstreek, die er steeds be- 
lang bij heeft, dat er veel naar diamanten gezocht wordt, verlof, 
om met eenige manschappen, zonder hem maandgeld te beta- 
len, diamantputten te bewerken, blijvende hun het tweede 
gedeelte der schatting opgelegd. Valt soms eene door hen 
aangetoonde plaats tegen, dan is de sejtan (boschduivel) er tus- 
schenbeiden gekomen, en niets van het in hun gestelde ver- 
trouwen verloren. Aan het vinden van zekere soorten van 
steentjes (men zegt dat er 7 soorten zijn), welke steentjes blijk 
baar zeer silicahoudende zijn, en meestal een zwart amijgda- 
loïedachtig voorkomen hebben, erkent men bij de proefneming 
het aanzijn van diamanten. Vindt men deze steentjes niet, men 
behoeft ook niet, volgens hun oordeel, naar diamanten te zoe= 
ken, maar omgekeerd, zoo lang als men ze vindt, moeten er 


519 


óok diamanten aanwezig zijn. Niet daf zij meenen, dat de día- 
_manten uit deze steentjes ontstaan, maar, zeide de pangeran zelf 
mij, zoo als een vorst noodzakelijk onderdanen moet hebben, 
zoo moet ook de diamant, die den vorst voorstelt, van deze 
zwarte steentjes (de onderdanen) vergezeld zijn: zich onder- 
_danen zonder eenen vorst voor te stellen is, volgens zijn oor- 
deel, eene ongerijmdheid. 

Ik zal niet uitmaken, wat hiervan aan te nemen is, maar kan 
echter geen verband tusschen de diamant- en kiezelhoudende steen- 
tjes vinden. Zoo lang als niet in andere landen, waar diamant- 
gronden bewerkt worden, iets dergelijks waargenomen wordt 
(ik ‘heb het nog nergens vermeld gevonden), ben ik geneigd, ook 
dit onder hunne bijgeloovigheden te rangschikken, met hoeveel 
zelfvertrouwen en overreding zij het aangehaalde ook mede- 
deelen. 

De eerste door mij bezochte diamantputten, waar gewerkt 
v erd, waren die van Soengei Danau (Ì). 

k Volgens mijne opname liggen deze in eene vooronderstelde 
regte lijn 5000 m. van het door mij betrokken huis in de 
kampong Praboekarta in de rigting w. 90° n. verwijderd. Om 
van daar tot ze te komen, moet men eerst de rivier op in 
eene vooronderstelde regte lijn over eene lengte van 5500 m. in 
de rigting n. 38° w., wanneer men overland wederom in eene 
vooronderstelde regte lijn 2000 m. in de rigting z. 280 w. 
moet afleggen. De weg hierheen leidt door bosch, is een weinig 


rijzende en voert langs twee plaatsen, waar men eenige putten 
bewerkt maar ook even spoedig verlaten had, daar ze geene 
resultaten gaven. 

‚Bij mijne komst aan de eigenlijke diamantputten was daar 


slechts een 20tal menschen werkzaam. De pangerang, die mij 


' (1) Bij het opnemen met de kommissie voor de grensscheiding tusschen 
de rijken Koesan en Pagatan, was ik op twee plaatsen, tusschen de vroe- 
gere kampong Koempa en de kampong Soengei Doewa, vroeger bewerk- 
te diamantputten, alsmede de thans bswerkt wordende van Langanan ke- 
tjil gepasseerd, maar heb toen meer het doel dier reize, dan aan bijko- 
m ende omstandigheden mijne opmerkzaamheid geschonken. 


Be 
ER 
€ 


920 


vergezelde verzekerde mij echter, dat voor die plaats ín die maand 


door 50 man de schatting betaald was, en dat deze in andere 
maanden soms f 70 bedroeg. Het riviertje, waaraan de plaats 


haren naam ontleent, is hoogst ondiep, met zeer weinig stroom: 


het loopt van n. n. w. waar het zijn’ oorsprong heeft, naar 
n. n. 0., waar het in de Soengei Bakarangan uitkomt; het 
water was rood-melkachtig door de er in afgespoelde lee« 
maarde. 

Het terrein, waarin de diamantputten bewerkt worden , is al- 
Juviaal; het bestaat uit eene donkerroode leemaarde, waarin 
zich vele stukjes roode zandsteen (de leemaarde is blijkbaar door 
den invloed van het water daaruit ontstaan) en enkele stukjes 
kwarts bevinden, naar mijn oordeel in niets te onderscheiden, 
van de straks vermelde verlaten plaatsen. De putten zijn & 4 
à 5 voet in ’t vierkant en soms tot 10 à 12 voet diep. Zij zijn 
een Î2 tal voeten van elkander verwijderd, en hebben dan 
onder den grond gemeenschap met elkander , zoodat men dan 
voor dit eind alleen de aarde, die de diamanten bevat, behoeft 
te verwerken. (f) 

Alzoo worden fÎ á 2 voeten van den bovengrond niet ge- 
wasschen, en eindigt men met uitgraven, wanneer de bodem 
ophoudt minder roode steentjes te bevatten. De wijze van uitgra- 
ving dezer putten is zeer gebrekkig, daar de Koesansche inboor- 
lingen geene patjols of spaden weten te gebruiken, en alzoo zich 
met gevlochten mandjes, eene soort van breekijzers en parangs 
behelpen. De uitgegraven aarde ‘wordt verzameld in eene in 
het water geplaatste hoogst fijngevlochten teenen mand, die 
11, à 2 voet diepte heeft, en welker openingen fijn genoeg 
zijn, om bijna het kleinste zandkorreltje terug te houden, en het 
water toch doorlaten, dat dan onder het aanhoudend omroeren 


dezer aarde de fijne deelen wegspoelt, en alzoo de steentjes | 


alleen, van aanhangende leemaarde gezuiverd, terug laat. Deze 
steentjes worden vervolgens, altijd boven dezelfde mand, door 


(1) Op gelijke wijze werd vroeger, onder de regering van den sulthan 
van Palembang, door de Inlanders de tinerts op Banka verzameld. 


521 


een ander mandje, welks openingen fÎ Ned. duim D groot 
zullen zijn, gezift, en die er op blijven liggen verwijderd, 
echter niet dan nadat ze opmerkzaam zijn gadeslagen. Het in 
de mand terugblijvende wordt nu, & Ws, klapperdop vol te gelijk, 
‚_in eenen langanan nader gewasschen. De langanan is een ronde 
_ houten bak, gemaakt uit een gedeelte van den wortel van ze- 
kere boomen, langs de lengte afgesneden, zoodanig, dat de 
houtvezel langs de oppervlakte loopt: ze heeft gewoonlijk 7 
_ palmen diameter, en loopt in het midden in eene puntige holte 
4 uit, terwijl de grootste diepte niet meer dan 12 Ned. duim be- 
draagt. Door aan deze houten bak eene bijzondere beweging 
te geven, worden de grooiste ligtste steenen, na eerst nog 
onderzocht te zijn, met het water weggespoeld; het over- 
blijvende, na het water te hebben laten wegloopen, wordt 
nu met de hand langs de geheele oppervlakte dun uitgestre- 
| ken, en alsdan wordt elke glinsterende oppervlakte met de 
grootste inspanning en verwachting met een scherpziend oog 
# onderkend, onderzocht en nog eens onderzocht, en deze be- 
‚ handeling zoo dikwijls herhaald, tot genoegzaam alles weg- 
_ gespoeldis, als wanneer men eene nieuwe hoeveelheid bijvoegt; 
voorzeker een werk, waar het grootste geduld toe behoort, en 
‚ daarom zeer geschikt voor eenen inlander, terwijl de meeste 
_ Europeanen het spoedig zouden laten steken. In mijne te- 
_genwoordigheid werd een steentje van misschien %,, karaat 
gevonden, waarvan ik door het betalen van f 1 eigenaar 
E. werd. Door elkander gerekend kan iemand, hier wasschen- 
de, wanneer hij redelijk slaagt (het geluk behoeft hem dan 
slechts weinig te dienen), fl à f 1, daags verdienen. 


KWIKERTS EN KWIK VAN SUMATRA (1), 
SCHEIKUNDIG ONDERZOCHT 


DOOR 


A. SCHARLEE. 


Op uitnoodiging van den heer G. Wassink, dirigerenden officier 
van gez. f kl, alhier, die mij bovengenoemde stoffen ter hand 
heeft gesteld, met verzoek ze te onderzoeken en de resultaten 
daarvan door dit tijdschrift bekend te maken, laat ik hier- 
onder de uitkomsten van dat onderzoek volgen. 

Wanneer ertsen eener te ontginnen mijn zullen worden on- 
derzocht, gebiedt de voorzigtigheid, dat men zich de vraag ter 
beantwoording stelle, of daarin eene genoegzame hoeveelheid der 
hoofdstoffen voorkomt, om met voordeel te kunnen worden 
verwerkt. Dat dit bij den aan mij gegeven’ erts het geval iss 
kan aan geenen twijfel onderhevig zijn, daar er volgens de berig- 
ten, op eene geheel onpraktische wijze, door de Maleijers zelven, 
80%, zuiver kwik uit wordt verkregen. De kennis van de juis- 
te hoeveelheid kwik, in den erts bevat, was dus hier volstrekt 
noodig, om de mogelijke opbrengst bij eene goede praktische 
bewerking te kunnen bepalen. 

Bovendien was het doelmatig, te weten of soms als bijprodukt 
konde worden verkregen eene of andere stof, welke met voor- 
deel tot eenig ander doel zoude kunnen worden aangewend. 


(1) Zie Nat. Tijdschr. voor N. I. 3den jaargang 1 afl. bladz. 108-112, 


925 


Hierbij zijn echter negatieve resultaten verkregen, daar wel is 
j waar magneetijzer bij den erts gemengd is, doch in te geringe 
hoeveelheid (1,542 à 1,626 procent) om na verwerking winst- 
gevend te zijn. Het zal derhalve onnoodig wezen, de hoeveelheid 
der overige stoffen te vermelden, te meer daar dit uit een we- 
tenschappelijk oogpunt slechts weinig waarde heeft. 
___Het scheikundig onderzoek hoofdzakelijk eene juiste bepa- 
ling van het kwik ten doel hebbende, is ter verkrijging van 
| zeer naauwkeurige uitkomsten aan den zoogenoemden natten 
weg de voorkeur gegeven. 
De erts werd hiertoe, nadat het magneetijzer was afgezon- 
derd, ter volkomene oxijdatie van de zwavel, met koningswa- 
‚ ter behandeld, het onoplosbare gedeelte afgefiltreerd en uit de 
oplossing, na verwijdering vanhet overtollige zuur enz., volgens 
bekende regelen het kwik als zwavelkwik bepaald. 
__ Kortelijk deel ik hier eenige eigenschappen van den erts me- 
de. Hij bestaat uit onregelmatige stukken van verschillende 
grootte. Aan sommige stukken was duidelijk de kristalvorm (rhom- 
boëder) te onderkennen. Zij waren gemengd met zwarte sterk glin- 
sterende , zeer magnetische kristallen van magneetijzer, bene- 
vens die stoffen, welke veelal in den grond worden aangetroffen. 
Breuk. Oneffen tot schelpachtig, daarbij glinsterend, doch ook 
somtijds dof. Kleur. Kochenillerood, loodgraauw tot vuilgeel. 
In een kolfje verhit, sublimeert, onder ontwijking van zwavel- 
waterstofgas, zwavelkwik en kwik, met achterlating van een 
weinig asch, die onder toetreding der lucht op platinablik ge- 
gloeid, door ijzeroxijde rood gekleurd wordt. Het specifiek ge- 
wigt is naar 6 proeven bij 27° C. = 7,535—7,820. 
_ Uit de hiergenoemde eigenschappen, vooral wat het sp. gew. 
betreft, blijkt, dat de erts moet geplaatst worden tusschen Cin- 
naberaarde (sp. gew. 8,0-—8,1) en Levererts (sp. gew. 7,1—7,3), 
beide Cinnabersoorten, welke tot het winnen van kwik gebezigd 
worden. 


924 


Kwantitatieve Analijse. 
Bepaling van het Water. 


17,317 grm. verloren bij 100° C. gedroogd 0,017 grm.= 0,098°/, 
en 12,130 grm. verloren 0,013 grm. =0,1089/,. Gemiddeld 
0,1030/0. 


Bepaling van het Magneetyzer. 


Drie hoeveelheden elk van 50 grm. werden met eenen magneet 
behandeld en hieruit als gemiddeld getal verkregen 1,55°/,. 


Bepaling der in zuren onoplosbare stoffen 


Dit onoplosbare gedeelte bestond uit kiezelzuur, kiezelzure 
zouten en eene geringe hoeveelheid kool, misschien gedeel- 
telijk als carburetum ferri aanwezig zijnde. 

1,938 grm. van magneetijzer bevrijden erts (gelijk 5,014 grm. 
oorspronkelijk) gaven 0,070 grm. aan onoplosbare stoffen; dat is 
1,3940/, terwijl 5,549 grm. (of 5,635 grm. zooals het voor- 
komt) gaven 0,080 = 1,419, Gemiddeld 1,40560%. 


Bepaling van het Kwik. 
Na afzondering van de hier boven vermelde stoffen gaf de 
oplossing van 5,014 grm. aan zwavelkwik 4,84 grm.= 96,5299/,, 


waarin 83,2176 grm. kwik:- 5,635 grm. gaven 5,45 gr. = 96,716°/, 
zwavelkwik waarin 89,3788 kwik. Gemiddeld aan 


zwavelkwik 96,624°/, of aan 
zuiver kwik 85.298°/, e 


Bepaling der overige in zuren oplosbare stoffen. 


Naar verschillende bepalingen bedroeg de gezamenlijke hoe- 
veelheid gemiddeld 0,654°%, en bestond uit Mangaan, Yzeroxij- 
‚ de, Aluinaarde, Kalk, Magnesia, Potasch, Soda, Kiezelzuur , 
Phosphorzuur en Chloor. 


Resultaat. 


100 deelen erts bevatten aan 
Kwik 4 } É À 4 d k 83,298 


925 


_ Zwavel ; k \ î 13,326 
____Magneetijzer p j E E 8 1,550 
In zuren onoplosbare stoffen _. : É Ë 1,405 

In zuren oplosbare stoffen J ; £ é 0,654 


Water ae, É : ; } y jk 0,105 


en 


| Totaal 100,336 
Een enkel woord aangaande een onderzoek van het op in- 
 landsche wijze uit meergenoemden erts afgezonderde kwik moge 
Á hier nog volgen. Nadat het kwik door wasschen met zuiver 
water en filtrering van het op de oppervlakte aanwezige stof en 
een weinig oxijde bevrijd was, had het eenen helderen spie- 
‚ gelglans, was bijna zilverwit, met eenen grijzen tint, vloeide 
p gemakkelijk zonder staart en loste volkomen in salpeterzuur 
_ bij de gewone temperatuur op, vervlugtigde volkomen bij 
‚ verhitting, en had kortom alle eigenschappen van zuiver kwik. 
_ Tot bevestiging dienen eindelijk de specifieke gewigtsbepalin- 
gen, welke bij 26° C. hebben gegeven 13,58 — 13,59, waar- 
uit volgt, dat het kwik zoo zuiver is als men het met moge- 
lijkheid in den handel verlangen kan. 


Weltevreden 19 Mei 1852. 


NIEUWE PLANTENSOORTEN 


IN 


'SLANDS PLANTENTUIN TE BUITENZORG, 


J. E. TEIJSMANN en S. BINNENDIJK. 


Ordo MOREE. 
Endl. Gen. Pl. 1859. 
Ficus Tournef. 


F. asperrima. 

Caule alte scandente radicante, foliis ovatis oblongis acutis basi ingequa- 
liter rotundatis vel emarginatis supra strigosis utrinque asperrimis margi- 
nibis ciliatis subtus reticulato-nervosis, receptaculis ovatis asperrimis ru- 


bro-coloratis pedicellatis. 


De bladen van deze soort zijn scherper dan die van F. Ampelas 
Brown en #F. poltoria Lam, doch de stijve haren zijn langer dan 
van de twee genoemde, om welke reden dezen dan ook niet tot 
dezelfde doeleinden kunnen gebruikt worden. Zij zijn 23 —5 duim 
lang, 12—2; breed, de bladsteel 3—Á& lijnen. Het receptaculum 
2 duim lang, in doorsnede Î3 breed. 

Groeiplaats Gebergte van Buitenzorg. 

Naam (Mal) Aroy Kongal. 

Bloeitijd Bijna altijd. 


927 


{ 


_Ordo RUBIACE Z. 
Endl. Gen. Pl. 3160. 
Pavetta L. 


_P. subulata. 


__ Fruticosa, ramis erectis junioribus compressis, foliis petiolatis elliptico- 
oblongis acuminatis basi attenuatis vel obovato-oblongis basi acutis utrin- 
‚que glabris supra lucidis, stipulis basi connatis apicibus lateraliter com- 
‚pressis subulatis petiolo longioribus, corymbis terminalibus erectis tricho- 


ij 


tomis magis minusve pubescentibus, calycis dentibus acutis, corolla alba 
 tubo brevissimo gracili lobis oblongis sagittatis, stylo exserto, stigmate 
 bipartito segmentis linearibus recurvatis. 


Een heester, welke reeds eene hoogte bereikt heeft van on- 
 geveer 8 rijnl. voeten. De regtstandige takken en takjes zijn 
met veel bladen bezet, die naar hun einde toe steeds klei- 
ner. worden en van eene ligtgroene kleur zijn. Zij zijn 
25E duim lang en 1—14 breed, de bladsteel 3—4 lijnen 
Jang. | j 

Om dezelfde reden, die opgegeven wordt in het Ned. Kruidk. 
Arch. 2 dl. bladz. 257 hebben wij de geslachten Pavetta en 
Ixora vereenigd, daar de vroeger opgegeven onderscheidings- 
teekenen zoodanig ineenloopen, dat het onmogelijk is, daarnaar 
de geslachten van elkander te onderscheiden. 


__Groeiplaats Gebergte van Buitenzorg. 
__ Naam (Mal) Sokka poetie. 
_ Bloeitijd Bijna altijd. 


Gardenia Ell. 
Endl. Gen. Pl. 3305. 


G. Schömannii. 
_ Caule arboreo excelso, ramis patentibus inermibus, foliis ternis vel oppo- 
Sitis lanceolatis breve-acuminatis integerrimis basi angustatis in petiolos 
magis minusve decurrentibus supra lucidis subtus subflavescentibus utrin- 
que glabris; corymbis axillaribus trifidis breve-pedicellatis, calycis tubo 
brevi 5 dentato, tubo corolle inflato intus purpureo-punctato, limbo 
5 partito, lobis ovatis acuminatis reflexis inodoris, antheris sessilibus, 
stigmate clavato bifido. Bacca subglobosa brevissima coronata basi angusta- 


ja 1—2 locularis multis seminibus. 


328 


Deze boom heeft reeds eene hoogte bereikt van ongeveer 
40 Rijnl. voeten, is met dunne takken bezet, bloeit zeer mild 
en draagt overvloedig vruchten. Ofschoon reeds verscheidene 
jaren in den plantentuin aanwezig, heeft hij in 1851 het eerst 
bloemen voortgebragt. | 

De bladen hebben de lengte van 23—8f duim en zijn 1—13 
breed, de bladsteel 2—2} lijn; de bloemkroon 13—2 duim; 
de doorsnede der vrucht is 1Η1£ duim, min of meer kort 
peervormig en grooter dan van G. Blumeana DC. 

De soortnaam is gegeven naar den heer C. Scnöman Phil. Dr., 
als plantenliefhebber en bevorderaar der wetenschappen. 

Groeiplaats Residentie Bantam. 

Bloeitijd Mei , Junij. 

Rijping der vruchten Maart. 


G. curvata. 


Caule scandente, spinis ad bases ramulorum refiexis, petiolum aequanti- 
bus, foliis oppositis elliptico-oblongis acuminatis basi rotundatis vel acutis 
glabris subtus in axillis nervorum glanduliferis, floribus terminalibus subso- 
litariis hypocrateriformibus odoratis, calycis tubo quinquedentato, corolla 
tubo eurvato limbo inaequaliter 5- fido ad faucem pilosiusculo, stigmate 
bifido recurvato. Bacca globosa magnitudine cerasi majoris. 


Slechts aan de achtereinden der takken vindt men twee te- 
ruggeslagen doornen van 4—5 lijnen lengte. De nerven zijn 
aan den voet des blads tegenovergesteld, de middennerf geelach- 
tig wit. De klieren in de oksels der nerven bevinden zich 
somtijds tot in de bovenste paren. De bladen zijn 4—64 duim 
lang, 22—3Z breed. De kelk 5 lijnen, de buis der bloem 19%, 
duim lang. Bij hare eerste ontwikkeling zijn de bloemen melk- 
wit, doch twee dagen later zwavelgeel en van een’ aange- 
namen reuk. De vruchten zijn £ duim in doorsnede. 

Groeiplaats Residentie Bantam. 

Bloeitijd Bijna altijd. 


929 


Ordo OLEACE. 
Linoctera Swartz. 


Endl., Gen. Pl. 3347. 


_L. rostrata. 

__Caule fruticoso, ramis ramulisque verrucibus minutissimis, foliis ellip- 
_ tico-oblongis longe-rostratis basi acutis integerrimis vel undulatis coriaceis 
| glabris nervis lateralibus vix perspicuis subtus flavo-virescentibus breviter 
__petiolatis, racemis axillaribus ramulis apice trifloris, petalis fornicatis al- 
bidis, fructibus oblohgis coeruleo-nigricantibus. 

Een middelmatige heester met min of meer regtstandige 
Á takken. De bladen zijn 3—44 duim lang en 14—1Z breed, 
de bladsteel 2—3 lijnen lang. De blaauwzwartachtige vruch- 
8 ten hebben onder de opperhuid eene reukelooze en zeer vette 
olie. 

_Groeiplaats Gebergte van Buitenzorg. 

Bloeitijd September , Oktober. 

Rijping der vruchten Twee maanden later. 


Ordo APOCYNACEZ. 


Rauwolfia Plum. 
Endl. Gen. Pl. 3391. 


R. reflexa. 


__Arbuscul. ramulis trigonis interdum tetragonis, foliis ternatis vel ver- 
ticillatis elliptico-oblongis superne latioribus acuminatis basi angustatis in 
petiolum decurrentibus utrinque glabris longe-petiolatis, pedunculis 3—4 um- 
bellatis et apice umbelliferis, floribus 3—4 reflexis, tubo corollae calyce 
duplo longiore albo odorato ad faucem pilosiusculo, baccis cerasiformibus 
pendulis, seminibus compressis. 


E Dit boompje heeft eenige overeenkomst met A. sumatrana 
Jack doch is evenwel genoeg onderscheiden , vooral door de 
teruggeslagen groeiwijze der bloemsteelfjes en de lengte van 
den algemeenen bloemsteel, welke tot aan de verdeeling 2 duim 
lang is. De bladen zijn 3—6 duim lang en 2-27 breed, de 
bladsteel Î# duim. De hangende vruchten aan lange steeltjes 
zijn in oprijpen staat grijsachtig wit, de rijpe donker paars. 
Ook zijn deze veel grooter dan van de genoemde AR. suma- 


ce kn dd EO Ii el 
A 4 Zie „ 


350 


trana. Het witachtige vocht, door insnijding uit de vrucht ver- 
kregen, is in verschen toestand rekbaar en sterk, doch koud 
geworden zijnde zeer broos. 

Groeiplaats 

Bloeitijd Bijna altijd. 


Ordo EBENACEE. 
Diospyros L. 


Endl. Gen. Pl. 4249. 


D. aurea. 

Caule arboreo, ramis fastigiatis ramulis petiolis pedicellisque junioribus 
ferrugineo-puberulis, foliis bifariis alternis elliptico-oblongis breviter acu- 
minatis basi acutis angustatis in petiolos decurrentibus supra glabris nitidis, 
petiolis crassiusculis, floribus hermaphroditis axillaribus solitariis, calyce 
45 fido lobis acutis extus revolutis glabris, corolla 4—5 fida apice con- 
stricta calyce vix duplo longiore, staminibus 10—1l1l, stigmate profunde 
3 fido. Bacca globosa aurantiaca. 


Geene der ons bekende soorten brengt zulke goudgele bloe- 
men voort. De stam heeft zich op eene hoogte van 4 voeten 
in takken verdeeld, welke zeer digt en door elkander geplaatst 
en met vele bladen bezet zijn, zoodat zij eene zeer digte kroon 
vormen. _De bladen zijn 4 — Af duim lang en Î5 — 14 breed, 
de bladsteel 4 —S5 lijnen lang. De vrucht is van eene oranje- 
gele kleur. De zaden zijn meest onvruchtbaar. 


Groeiplaats Residentie Bantam. Ö 
Bloeitijd Mei en Junij. 
Rijping der vruchten September. 

D. laxa. 


Caule arboreo, ramis laxis, foliis bifariis alternis oblongis breviter ob- 
tuse-acuminatis coriaceis glabris basi acutis marginibus revolutis subtus 
nervis subcarinatis flavo-virescentibus breve-petiolatis magis minusve canali- 
culatis, floribus hermaphroditis axillaribus solitariis, calyce 4-fido lobis la- 
tissimis retusis rcflexis glabris, corolla calyce duplo longiore 4-fida lobis- 
acutis patentibus gilvis basi albidis, staminibus 8-10, stijlis 4 basi adnatis. 
Bacca magnitudine cerasi minoris 8-locularis glabra. 


51 


Even als de vorige is zijne stam verdeeld. De takken- zijn 
4 slap en wijd uitgestrekt en vormen door hunne talrijkheid eene 
mierlijke kroon. De bladen zijn 44—6 duimlang, 13-—2 breed, 
de bladsteel 2—J3 lijnen lang; de bloemen hebben de lengte 
der bladstelen. 

Het is nog niet bekend of deze beiden eenige soort van eb- 
benhout zullen opleveren. 

\ Men zou ze kunnen rangschikken in de sectio II $ f der 
 Prodr. Dec. VIII, 224. | 


Groeiplaats De berg Sallak. 
Bloeitijd Mei, Junij. 
Rijping der vruchten September. 


Ordo ANONACEZE. 
Uvaria L. 
Endl. Gen. Pl. 4717. 


U. concava. 
‚__Sarmentosa, foliis alternis elliptico-oblongis acuminatis basi angustatis 
| subrotundatis integerrimis hyalino-marginatis supra nitidis utrinque glabris, 
_petiolis medioeribus basi articulatis supra canaliculatis interdum subglauces- 
eentibus, pedunculis oppositifoliis solitariis petiolo duplo longioribus 1 brac- 
teolatis caducis, floribus concavis petalis 6 aequilongis connatis apicibus ro- 
tundatis inflexis atropurpureis scabriusculis, calyce sepalis 3- basi cbalitis, 
lobis extus furfuraceis intus puberulis, carpellis oblongis acutis longe 


 pedicellatis sanguineis. 


Een rankengevende heester met donkerbruine of zwarte tak- 
ken, die zich in zeer hooge boomen verwarren. De bladen 
zijn 4—9 duim lang en 2-23 breed, de bladsteel 3 —4 lijnen 
Jang. De bloembladen f duim lang en aan de punt 3 duim 
breed. De middellijn der geheele bloem is 12 duim. De 
vruchten {3—3 duim lang, waarvan de grootsten meestal twee, 
zelden drie zaden bevatten, 

# Hoewel er eenige overeenkomst bestaat tusschen deze soort 
en U. purpurea. Bl. ‚Fl. Jav., Anon. Tab. 1, moet zij. ge- 
rangschikt worden in de afdeeling petalts inflexis. Daar de 


bloembladen min of meer te zamen gegroeid en de afgeronde 
punten binnenwaarts geslagen zijn, ontstaat hierdoor een ver- 
diept geheel. 

Groeiplaats Sumatra. 

Bloeitijd September en Oktober. 

Rijping der vruchten Twee maanden later. 


Ordo TERNSTROEMIACEZE. 
Ternstroemia Vent. 


Endl. Gen. PI. 5409. 


T. gedehensis. 


Arborea, ramis strictis innovando-brachiatis vel ternatis, foliis biennibus 
cujusvis anni ternatis vel subverticillatis approximatis oblongis acuminatis 
vel subretusis basi acutis in petiolos decurrentibus coriaceis integerrimis _ 
supra lucidis subtus nitidis interdum subquintuplinervibus, petiolis pedicel- 
lisque basi articulatis, floribus inter foliorum fasciculos solitariis flavis 
odoratis, pedicellis floribus pluries longioribus, calycibus bibractcolatis mi- 
nutissimis, petalis reflexis. 


Een kleine boom met breede kroon, wiens stam zich op 9 
tot 4 voet in eene menigte niet zeer dikke takkeu verdeelt, welke 
boven den grond met heldergroene lichtende bladen bezet zijn. 
Aan het einde van elken tak ontspruiten drie takjes, die aan 
het einde elk drie of vier kransvormig geplaatste bladen hebben. 
Deze takjes zijn ongelijk van lengte, zoodat men altijd twee vindt 
van 23% tot 34 en de kortste van 1—13 duim. De afstanden 
der bladkransen zijn veel grooter dan în T. japonica S. & Z. 
Fl. Jap. Tab. 80, tusschen welke 7—1{ alleenstaande bloempjes 
zich bevinden. De bladen zijn 25—3 duim lang en Η13 breed, 
de bladsteel 4tot 6 lijnen lang. 

Hoewel deze boom zeer mild bloeit heeft men er echter nog 
geene vruchten van verkregen. 

Groeiplaats De berg Gedeh. 

Bloeitijd Bijna altijd. 


Buitenzorg, Februarij 1852. 


NOTULEN VAN DE GEWONE VERGADERING DER 
NATUURKUNDIGE VEREENIGING, 


perd 


GEHOUDEN DEN SDEN MEI 1852 TEN HUIZE VAN DEN HEER BLEEKER, 


De vergadering heeft plaats des avonds 8 uur. 
Tegenwoordig zijn de 


Dirigerende leden: 


de HH. P. Brreker, President. 

… J.H. Croockewir. 

hed: GROLL. 

es Je -MAIER. 

„… _D. W. Rosr van ToNNINGEN. 

… H.D. A. Smrrs, Sekretaris. 

zijnde de heer P. Baron MervirL vaN CannBee verhinderd de 
vergadering bij te wonen en de overige dirigerende leden van 
Batavia afwezig. 

_ Voorts nemen deel aan de vergadering de 


Gewone leden : 


ú HH. A. G. Brouwer. 

___… A. SCHARLÉE. 

> A.J. D. Srrensrra Toussarnt. 
„ C.H. G. SreuerwaLD. 

__„ _D. L. Worrson. 

_ en als 

Gasten ; 
de HH. D. Dourn. 

‚… _E. Nerscarr. 


ii Tesa Be SPOELSTRA. 
Re IL. di 


ri 
+ 


5459/ 


De President, de vergadering geopend hebbende, deelt mede, 
dat het gewone lid, de heer J. GrorrL, in de vergadering der 
direktie van den 2isten April j. 1. tot lid des bestuurs is ver- 
kozen, en verwelkomt den heer J. (irorL als zoodanig. 

Op eene gemotiveerde voordragt van het bestuur worden 
benoemd tot 


Gewone leden: 


de HH. P. Drarp, honorair inspekteur der kultures, R.O.N. L. 
te Batavia. 

E. Nerscuer, 2de kommies ter algemeene sekretarie , 
te Batavia. 

Mr. A. Prins, algemeene sekretaris, te Batavia. 

_H. A. Scureuper, praktiserend geneesheer, te Batavia. 

J. A. Vriesman, resident van Tagal, te Tagal. 


Ed 


29 


De heer E. Nerscurer, in de vergadering aanwezig, wordt # 
door den President geluk gewenscht met de hem te beurt 
gevallene onderscheiding. 

De President doet voorts mededeeling, dat de 2de en 3de 
afleveringen van den derden jaargang van het tijdschrift gelijk 
tijdig zullen worden uitgegeven, zijnde de uitgave van de 2de 
aflevering vertraagd geworden door het lithographiëren en druk- 
ken van de kaarten en platen, behoorende bij de verhandeling 
van het besturend lid Corns. pe Groor over Blitong (Biliton). 

De heer Rosr van TONNINGEN spreekt over het platina. Hij 
geeft een kort overzigt van de geschiedenis van dit metaal, 
deelt mede op welke plaatsen het vooral wordt aangetroffen 
en verzameld, spreekt over de groote produktie van Rusland 
van platina en de voordeelen, welke dit land daarvan trekt. 
Voorts handelt hij over de eigenschappen van dit metaal en 
de toepassing daarvan in het gewone leven, in de wetenschap 
en de industrie en eindigt met eenige mededeelingen omtrent 
het voorkomen van platina op Borneo, waarbij hij wijst op 
de overeenkomst tusschen het voorkomen er van in Rus- 
Jand en op Borneo. In Rusland toch wordt het meeste pla- 
tina gevonden, daar waar chroomijzererts aanwezig is en het 


355 


voorkomen van chroomijzererts op Borneo nabij de plaatsen 
waar men platina vindt, is insgelijks thans reeds voldoende 
aangetoond. De heer Rosr van TonninceNn vermoedt op dien 
grond, dat Borneo eene voorname rol in de platina-produktie 
zal kunnen spelen. 

De heer Croockewir noodigt de vergadering uit tot bezigti- 
ging der vogels en zoogdieren welke hij, voornamelijk op Bor- 
_ neo, in Koesan, heeft verzameld. Deze kollektie bestaande uit 
_ niet minder dan 554 vogels en eenige zoogdieren is bestemd 
voor ’s Rijks Museum van Natuurlijke historie te Leiden. On- 
der de vogels zijn waarschijnlijk meerdere nog onbekende 
soorten, welker bepaling echter, wegens de onvolledigheid 
_ der te Batavia aanwezige hulpmiddelen hier niet doenlijk is. 
Evenwel zijn van de Borneosche vogels de volgende soorten 
bepaald herkend geworden. Falco ptilonorhijnchus, Falco 
jchthyaetus, Falco coerulescens, Picus pulverulentus, Picus 
_puniceus, Picumnus abnormis, Psittacus philippensis, Phoeni- 
cophaeus javanicus, Bueco mystacophanes , Bucco chrysopogon, 
Bucco multicolor, Cuculus orientalis, Cuculus canorus, Melias 
calorhijnchus, Trogon fasciatus, Frogon oreskios, Alcedo so- 
litaris, Alcedo meninting, Alcedo hispida, Buceros plicatus, 
Rupicola viridis, Eurijlaimus cucullatus, Eurijlaimus nasutus, 
Eurijlaimus Horsfieldii, Podargus javanensis, Cypselus longipen- 
nis, Cypselus cornutus , Cinnyris lepidus, Cynniris sperata, 
Nectarinia inornata, Gracula religiosa, Phyllornis cyanopogon, 
Pitta Baudii, Turdus ochrocephalus , Lamprotornis cantor, E- 
dolius remifer, Edolius puella, Oriolus xanthonotus, Muscicapa 
miniata, Muscicapa flammea, Muscicapa indigo, Columba ca- 
pella, Columba perspicillata, Merops badia, Malurus gracilis, 
Ibis falcinellus, Scolopax gallinago, Anhinga Levaillantii, Ardea 
goliath. Alle voorwerpen dezer verzameling bevinden zich in 
eenen uitmuntenden toestand van bewaring. 

_ De heer Brreker brengt ter tafel de reeds vervaardigde af- 
_ beeldingen voor een groot ichthyologisch plaatwerk over den 
 Andischen Archipel, met welks uitgave een begin zal worden 
gemaakt, wanneer zulks door de ondersteuning der regering 


536 


mogelijk zal zijn geworden , waartoe trouwens gegronde hoop 
bestaat. Deze afbeeldingen, reeds meer dan 200 in getal, 
vertegenwoordigen voor verre weg het grootste gedeelte door 
den heer Breeker ontdekte soorten, munten uit door naauwkeu- 
righeid en hebben betrekkingtot 33 Percoïden, 9 Scleroparei, 
5 Sciaenoïden, Î Scomberoïed, 4 Blennioïden, 4 Gobioïden, 
2 Nandoïden, 4 Kamschubbige Labroïden , 4 Gladschubbige 
Labroïden, 37 Siluroïden, 72 Cyprinoïden , 1 Luciocephaloïed, 
1 Clupeoïed, 2 Salmones, 26 Muraenoïden, 7 Gymnognathen 
en 7 Lophobranchiën. Zij maken echter nog slechts een ge= 
ring gedeelte uit der teekeningen, welke de heer BrrekKer plan 
heeft te doen vervaardigen, zullende hij zoo mogelijk, alle 
Nederlandsch-Indische visschsoorten van zijn kabinet, ten be- 
drage van meer dan 1100, doen afbeelden. 

Na bezistiging dezer platen, waarbij de heer BrrekKer op- 
lettend maakt op talrijke zeer merkwaardige vormen en eenige 
bijzonderheden mededeelt omtrent de geographische verbreiding 
der visschen in den Indischen Archipel, vertoont de heer 
Surrs zijne Kaart van Straat Makassar, welke thans voltooid 
en afgedrukt is. 

Niemand verder het woord verlangende of iets voor te stel- 
len hebbende, sluit de President de vergadering. 


Batavia, 5 Mei 1852. 
Mij bekend: 
De Sekretaris, 
H. D. A. Sars. 


| BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD. 


Aardbeving vn de residentie Cheribon. 


In de Javasche Courant van den fíAden April 1852, komt 
_ volgend berigt voor: 

„Den 22sten Maart, des avonds ten half tien ure, zijn in de 
„rigting van o. naar w. drie elkander snel volgende vrij he- 
„vige schokken eener aardbeving te Tjiamies, in de residentie 
‚‚„Cheribon, gevoeld, welke echter geene ongelukken of schade 
„hebben veroorzaakt.” | 


Uitbarsting van den Gedeh. 


In de Javasche Courant van 9den Junij 1852 blijkt, dat eene 
vrij aanmerkelijke eruptie van den Gedeh heeft plaats gegrepen. 
Volgend berigt is aan deze Courant ontleend. 

„Van Tjandjoer wordt gemeld, dat bij de uitbarsting van 
„den vulkaan Gedeh, in den morgen van den 28sten Mei j. 1. 
„eene groote hoeveelheid steenen van 2 tot 12 voeten diame- 
„ter, en asch zijn uitgeworpen, die den groententuin te Ke- 
„dongbadak hebben beschadigd en genoegzaam overdekt. 

„De tuinjongens, dien ten gevolge gevlugt zijnde, bleef het 
„huis te Kedongbadak verlaten; het dak is door de vallende 
„steenen ingeworpen en nedergekomen op een vuur, op het- 
„welk men rijst gekookt had, waardoor het huis geheel ver- 
„ brandde.” 


De redaktie is in de gelegenheid, omtrent deze uitbarsting 
og de volgende bijzonderheden mede te deelen, welke zij te 


356 


danken heeft aan den heer Frirprricn, wiens berigt hier in 
zijn geheel volgt: 

„Ik beklom in gezelschap van den heer E. Harpouin op den 
„2östen Mei 1852 den Pangerango, en bezocht den 24sten, op de 
„terugreis, den krater van den Gedeh. Op dien dag, slechts 4 dagen 
‚„voor de laatste eruptie, vertoonde de krater geene buitenge- 
‚‚ wone verschijnselen; de zwaveldampen drongen wel is waar 
„uit meer dan 20 gaten omhoog, maar er was geene grootere 
‚„rookkolom. Den 28sten zagen wij te Toegoe aan den voet van 
‚de Megamendoeng, alwaar de krater van den Gedeh door den 
‚‚ Pangerango aan het gezigt onttrokken is, eene prachtige en 
‚„breede rookkolom achter den Pangerango oprijzen. Onze Ja- 
‚vanen hadden ook een drie keeren kort achter elkander her- 
„‚taald dof geluid gehoord, op donder in de verte gelijkende, 
„doch wij namen dit niet waar. De eruptie duurde tusschen 
„5 en 1Î0 minuten, na welken tijd de kolom zich als in krul- 
sslen verdeelde en met de uit de gebergte oprijzende wolken of 
„nevels versmolt. Voor en gedurende de eruptie was de lucht 
‚„helder en zonder eenige wolken. Gedurende de volgende dagen 
‚was het weder nevelachtiger dan gewoonlijk. De vallende 
‚steenen konden wij wegens de distantie niet zien. — Om- 
‚trent 48 uren na de eruptie was er eene vrij hevige aard- 
„beving, die den heer Harpovin en mij ontwaken deed. Deze 
„aardbeving is ook op het land Pondok Gedeh van den heer 
‚Van DEN Boscn bespeurd, doch schijnt te Buitenzorg niet 
…… waargenomen te zijn. Eenige zwakkere trillingen geloofde 
‚‚de heer Harpouin gedurende de eruptie waar te nemen, en 
„ook ik meende in die dagen verscheidene keeren, dat de 
‚‚ moederaarde uit hare gewone traagheid opgewekt was. — Op 
„,Pontjak, het hoogste punt van den weg over den Megamen- 
‚,doeng , hoorde ik nog van de inlanders, dat bij de eruptie 
„een breede zoom van vuur op den krater der bergs gezien 
‚werd. Hij was niet hoog genoeg, om ons te Toegoe zigtbaar 
‚te kunnen worden.” 


Nog iets over de aardheving op Bali van 17 
February 1848. 


Bij het boven gegeven berigt voegt de heer Frrieperten nog 
het volgende over eene vroeger door hem waargenomen aard- 
beving te Kassiman in Badong (zuidelijk Bali): 

„Van andere aardbevingen, die ik in Indië waargenomen 
„heb, verdient die van 17 Februarij 1848 nog opmerking. 
‚‚ Daarover is gehandeld in het Tijdschrift voor Nederlandsch Indië 
„,jaarg. X bladz. 161, en zij is volgens het daar gegeven be- 
 „rigt ook te Boleling op de noordkust van Bali gevoeld. Ik 
„was in dien tijd juist op het tegenoverliggend zuidelijke einde 
„van Bali in mijn huis te Kassiman in Badong. Er waren 
„toevallig twee vreemden bij mij, de heer Herms van Koetta 
„en mijn oude huisvriend Gorsri K'roer Wancasa. Toen wij 
„bijna op het punt stonden van het ontbijt te nuttigen, begon 
‚ „de lamp boven onze hoofden te slingeren, en wij voelden. 
„herhaalde hevige schokken, die ons zeer spoedig uit het huis 
Á „deden vlugten. De schokken duurden omtrent 3 minuten, 
| „en ik geloof later nog trillingen waargenomen te hebben. 
’ „Deze aardbeving, op de twee uiterste punten van Bali ge- 
„voeld zijnde, zal wel door het geheele eiland waargenomen 
B zijn. 


‘Baoquskorw °m 


‘oe8r Geonuop ‘ONVANIG 


OEL tieef zoq ur uodvpuadar PI) 


essemuodor uojjeaad rop o1doog ‘PIG Og Uopureu FYoe oIsteer op 1oA0 piopuoy ua 


_uopuerw 3Yoe ojsjeej op 1oA0o wroadwep ut zyoujsdurijydwep zop oyjegosrazea pjopprueg 


‘Iorom ZQpL'g :uspueem g orseer op ur 
proyêuyooa oyftrayyomeg opjepptweg "uowwerd gez 
DELE tINnyezodwor opjopprwed oyosylijzeer 


EEE ENE RT RAD ENE RE EE EEE EE EEE EI DENDE BEDE DTE DE IE TENDRGE TER ADEN EEE NEEN 


| 


A 61 


oL'88 


| _« eeze'oj seen | « Loep es | oeeeI te « 09198 «& |opre | 88 |" * 1oqwooog 
‘MAN N| ST « 9gpr‘oleieifs | « GeEEO' ee | e8IGS'LE 0638 « vEG Eg « Pe 88 | * * 1YWAON 
‘0 9 « _Sorol euerL | « 1108 | vege gg | 868 LC COLE € 83 DEBS" ie 2PHOO 
E ‘0 0 « 0 ELS'GL | « GELPGSI | ol69LE WOE GE C oG08 € |pee veeg |* * woqmordog 
‘0 6 & EPLOSOIPFOR RL | « 687008 | oBLOELS | BRE C oCL'G3 € 0988 | CP IE “__*__snjsnêny 
0 g « S8e20°0| IP‘O8 | « 88208 NYEI LE (CCI 8E € GGE « 19/8 08 18 Ee 
Ee Beek zo Li | © p180f0 E18/08 E € maqarles (GROOT MALE Coe ARE oP OB oe uaf 
- zawoÂy 0. Or jew poeo'of Sorg j'wrid egt Ie | oEGILLE | op'BE LC oGRIE € [BES | oh IE Tog 
en) ua 1933Wolgd 'ONUL'MZ | EL Ds E= en B LE | 0988 C 89E 4 | 08 LE [09 1E | ° °°  mdy 
„{sd uoo3 sem Ak dd _— — — ot°98 06 LE € 068 € | PPZ Hol Te en, 
ueapueeut Jarl “MAN UO A ez — — — oP “9e c6 LE & oP € ob'a8 | 88E nd renaqer 
ozs1oa op UI A Kad _— — — oL3 ol 88104 oQqZ ULA| B8'ee | oee | © *  Gacnuep 
fi if 4 EE Re an @ en _— _— _—= ES ee 
el Ae Er Ser Eriin EE Ee El 
le) AFS 5 © | ad ER ee ee 6 a 4 sE 
ä 2 os ie md ES | 4 Sa) vR ER a 5 e el Er En © p= 
| 5 a 4) he ==, Se pS \ J ie . 
suadunmaweey) (AA [PSE B a IS Smi RRel ‘NAANV VI 
B EE Ss 8 a oprepptwoë | uowouodrera 
‚ Es a ee nt 
3 ES B Ea BEARS NAA VHUOLING 
=R S 5e EEK IN49 NI YONLVUAdNAL 


efegeroog Lg Suedurg 97 wovpob ‘agr dool zy 
opuaanpal ‘soyowofiy wa dojowiomyofisd ‘wozowoworyr uap gou NAONINENUVVAA EET NAISMONLIN 


Le 
Ka 
pe 
pel 
Ee 
mb 
$ 
Ki 
„À 
Kl 
… 


weil 


hee aa Mk 


AL 


We Js 
iN 


Li 


iu 


{ 
} 
sn 
Ek 


fans 
El 
Tfle 
‚ 
1 a tt 
1 


CEN 4 
Ld 


Ee he en De mor indjla car Mee 9 wms 


\ meneere nt mare Mi Kat we rg eres = 
EEE je | 
= f. ir N ha » Kef Tk E 4 hand à- en , Ì zg es KD E en % Ô 5 | 
SEE nent A RS mn Ren es: TURA PE a sMhjrt 4 B Rt en 
d : k at, at Se s Ì | 
hd „ _ 3 ® 


v 
In NE eenn tn ed en ï 


WiPe 
é 


nn! 
wr 
ee 
Bd 


q 


vond d vem fn Mh ds 


OA ch to 


mn 
Mt wet B nn 
brak de WE st En 
SE dab on, KE; 


4 


nm 


de % Bret en 


km in nn. Sinosian- 


Bn 


(Men is voor elke soort 6 uren ond er stoom geweest). 


IJF NUMMERS VAN STEENKOLEN UIT DE N IJN ORANJE-NASSAU EN MET ENGELSCHE. 


PROEVEN MET V 


puts 
ap ueA 1YorI 


yyonjuormg Ie 
Jap nag (7 


“ronjuorng 
Jop annjvaodwoy, 


“s[a1a 5 
op ur ynapmoos | 
apjopplwag LE 


“uoy dad uapoor “pony 
EL S[A Jop JAL 
1 uajoopynog 


"proymoz 


uopnoy uooros uo 


-uootyos 10} joo “oytaour 


ap zow yljed uopuoy 


—Woojs JOOA “sar 


"ayosjadug op 


Ga oep zorftengewen | 


“Jap1oAmmz ost ap oop 


‘oyosjadug op (iq s1v 


p208 saputur uapnog 


Anad uapuoy “yaus 


uopuvigio “ualtoo3do 


yap 99 La WV U 


| 
| 
| 
| 
| 
| 
Ì 
| 
| 
| 
Ì 
Ì 
| 
| 
Ì 
| 


€ g, 
BOTS EEO tua qoIp B 5 100A RCN [ auosladoar op AABsIV, puepuogaee uoyoslota4, 
El =) | 19 el 5] | ES 
van Jod (A s & a F5) E= F3 
5 E 8 5 ES I 8 5 | 
YIIGtoAUDJO E 
5 | | | 
“uoduaig a} Yorp 5 =| co 5) ) el 5) 
EE] 5 
@ “are 101 waors vop 5 e | 5 | 8 8 5 5 
wo YinITtoAUOY |Z ind Sn 


uosin1d Io U 


Jaaa uosinid 


—19A ua uly zooz ulig 


ap uep Joputw uas 


=d JoA uo * prey ulig 


UoJAIY LJ UO 


uep JojstA uo Jo ulig 


D Seer 
—Uojoy ULA olp STV 


“sin19 zoow sjol uoAod | , 
Ey uepaossoig Say {° 


En) ) ea E) E) EN E) = | bel Er) EN A 
G] 
El BE Se Mie KA Oi SER 
10} 1eoAoor hal hal hal hal hal hal [ hal hal Ì hal hal [ hal hal 
OloAAA “oyosjadug | “SICAD 19A0 | | | oan UastnadIoA 


a ua py Seep ucA olp 
uep zauly uo aossorg 


“AYUINL "ANIG 


fet GEUS 


rod yljoroog 


voy ljzorin 
kl EEL 


u 
Duralirgosag 


“Juynorq-yara 


=ny “sinad jaaa soa | 


pieg (aa ‘poop 


| ‘puapuoy-or£d Sroroa 
| ‘Siynarqdjyos S2rg 


“puopnog 


=purz ‘Draapeyg ‘sorg 


“puapnoq-oyaÂd ‘uoojs 
—=putz ua lay 99109 
Jeep uo Joly ‘JaAmgz Í 


„1oosuoTor 


“ayosjadug 


5) 


| 


& 


ma 


"Ia ‘qny [ Ta ‘qni TA ‘qnT “a SIv | : SIV 
ST Ul PA'PANPIOE | SEFE UIP PON VIOE | Teer Ul ‘Pd ‘PAN FEOF | SS6°E Ut ‘PA “PAN PEOT | 
> 15 1 2) | zi He 
<3 5 I 5 I EE I en | Ed 
Sal I a Ì el Ì al Ì el Ì el 
| 


“opauls ap J00A 


3rgoso8 1ajaq ‘sOIJ 


ee 


Ee 


ij | 5 ë 5 = | 5 
JI zodwog, = kel = hal Ì = = 
E 5 I | | 
8 | ‘Plemnoz 5) 5) - [ - | = = 
EE 
Re) e | 1e e | eo Ee) 1e 
8 |-y ‘zodmoy, 5 5 5 | 5 Sel 5 
Ì l l | 
L | | “as 
“puopnoy “1901 JAA PLU | onrenet saan mmm | (ee OEE (sean | —rooyos op 11m werA sje 
“901 uo zooy =1901 [PA toor Sgozuee Bruro ooo | A jee fj *n_ne Alp s[v Rs Ee KE ik Bupjan opaoî kqrwor | 
oavAz “ozliadsonaog | olp *HOOrven-d SOA) OE T u eers: HT “OO1 pere [224 
ij (in | | Yaarz “ozliadroyuogf 
E [ 5 [ E E 
“on Jop uoreuiin (es 8 Ì 8 I 8 Ea) 2 I 5 
on la 5 [ | I 
uurs Pa | | | | 
El Le} | ca | ke) | en Ld id 
“BuroAtmz-uosy. en el 3 | 2 El 8 5 
afro 5 | | 
z Ì | Ü 
“ayosjodul | ó “u00)s 
“uoInA Jop "uopnom, morte WOOS 
| 
| 
| 


PROEVEN VAN STEENKOLEN UIT DE MIJN VAN KANTISSAN EN MET ENGELSCHE. 


(Men is voor elke soort 2 uren onder stoom geweest). 


ed | al 
ee 
S = 
E E 
@ | 5 
NEE INES 
es) 
Za ha ol 
ù Ei 
Ei | tk 
rm 
NEN EN 
mt 1 
Re 
ie ei 
oel ol 
| 
hal 19 
RE kel 
= - 
e | 
€ 
) | ca 
co Co 
| 
19d0JA STV | “Bunog 
| 
“Bruto 1997, | “Jruros 1007, 
Ì 
I 5 
id al FA 
8 
5 | als 
| E 


“oyosjodug op 
iq uep yaoAt Jaa 
1yosto JurpuvrgioA Jap. 
uadapioAeg Jay ANU 
Bruto uojayylauo 


"1adao1A sIV | 


Ned. Pd 


Ned. pd 


“10901A STV. 


[A AOT 


EERE A7 geor ut “pd ‘pan vrOE 


“JodaorA STV 


| 

| “1aies J0Op 

|_ gesae ae voral 
Eken A7 | sE aq vou “puapnoy 

| -nusd ‘Brynoagdynyag 

| 


vayosjodug Í “uesstiue 5 


841 


Verslag van proeven met Indische steenkolen, geno- 
men in April 1852 aan boord Z. M. stoomschip 
Vesuvius door den heer Gorns. pe Groor, Jnge- 
meur voor de mynen in Nederlandsch Indië, in 
kommissie vereenigd met de heeren P. A. Marrur- 
SEN, bevelhebber, en L. EF. Koorman, eersten officier 
van dien hodem. 


Deze proeven, genomen met kolen der mijn Oranje Nas- 
sau op Borneo en uit de mijn van Kantissan op de west- 
kust van Celebes, strekten ter bepaling van de algemeene waar- 

de der brandstof en die voor het stoomwezen in het bijzon- 
der. Tot dat einde zijn zij ook vergeleken met de Engelsche 
soort, zoo als die in Indië wordt verstrekt. Zij hadden in zee 
_plaats. 

Uit de mijn Oranje-Nassau te Pengaron zijn 5 verschillende 
‚soorten of lagen gebezigd, en voor de volledigheid der waar- 
| nemingen voor elke soort een afzonderlijke dag genomen. Uit 
_ de proeven, welker uitvoerige resultaten in de hiernevens ge- 
‚ voegde staten zijn vereenigd, blijkt, dat de soorten A, Cen D 
zeer gunstige resultaten opleverden, vooral tegenover de Engel- 
_ sche, welke te Onrust waren geladen. De berigtgevers beve- 
Jen ze dan ook aan, immers voor gewone ketels met vlamgan- 
gen gelijk de Vesuvius heeft, in het midden latende of zij te 
veel roet zouden geven om op den duur ín tubulaire (vlam- 
Pijp —) ketels te worden gestookt. Ook isop te merken, dat 
deze steenkolen regtstreeks uit de mijn aan boord zijn gezon- 
den, terwijl de Engelsche door herhaald verschepen en lang 
liggen in de magazijnen in goede hoedanigheden achteruitgaan. 
__De heer Dre Groor heeft ook de kolenlagen op den Noord- 
hoek van Poelo Lawut onderzocht, en zoowel de hoedanigheden 
als de zwaarte en strekking der lagen voortreffelijk bevonden. 
De plaatselijke omstandigheden maken daar echter eene vesti- 
ging onmogelijk en bovendien loopen de kolen onder de zee 


weg, hetgeen natuurlijk de ontginning kostbaar zou maken. Het 
| je 


842 


onderzoek van het ijzerzand te Pagatan en op Poelo Lawut aan- 
wezig, heeft het als chromiumijzer doen kennen, doch de ver- 
wachting teleurgesteld van het ter exploitatie te kunnen aan- 
bevelen. 

De steenkolen van Kantissan hebben voorshands niet voldaan; | 
zij verbrandden niet vlug genoeg en ontwikkelden geene ge- 
noegzame warmte om voortdurend de noodige hoeveelheid stoom 
te kunnen voortbrengen. Het verbruik tot stoom opstoken en 
dat per uur vereischt, is niet groot; doch er is wegens de 
langzame verbranding zooveel meer tijd noodig, en uit dien 
hoofde werden zij voor als nog als ongeschikt voor de stoom- 
vaart aangemerkt. Nadat bij de proef de stoom eene spanning 
van 5 Eng. pa per G Eng. dm had bereikt, werden de werk- 
tuigen aangezet; zij deden 20 omwentelingen in de minuut en 
gaven het schip eene snelheid van 6%, mijl per wacht; doch 
reeds weinige minuten later was de stoomspanning, hoe zorg- 
vuldig ook werd gestookt, tot op 3 en f!/, Pd gedaald, en de 
omwentelingen zoowel als de vaart verminderden aanmerkelijk. 

De beide ketels van den Vesuvius houden te zamen 33500 
Ned. kan water en 18800 kub. palmen stoom-ruimte. Elk van 
de 4 vuurhaarden is lang 1,9, breed 0,9 el; de roosterstaven 
hebben fÎ Ned. de afstand; de schoorsteen is Î0 el hoog en 
van f!/, el middellijn. Om het uur is gespuid, vermoedelijk 
telkens 4000 Ned. kan. 


Minerale wateren van Maros op Celebes. 


De heer E. F. GraaF van BENTHEIM TrEKLENBURG RreDa, adsis- 
tent resident van Maros, berigt der Vereeniging, dat hij tijdens 
een bezoek der nieuw ontdekte kolenlagen in Maros, twee 
warme minerale bronnen heeft bezocht, waaromtrent hij het 
volgende mededeelt. 

Aan de beide lage oevers van de rivier Maros, op onge-f 
veer 5 palen afstands van de hoofdplaats Maros, bij de kam-# 


ij 


mee: 


me 


348 


pongs Amarang en Magemba bevinden zich twee warme mi- 
nerale bronnen. 

Het water van beide bronnen is helder, reukeloos, van een 
flaauw zamentrekkenden, prikkelenden, zuurachtigen smaak en 
heeft eene temperatuur van ongeveer 41° Cels. 

Het water der eene bron borrelt in derivier zelve op, naast 

_ eene steenkolenlaag, en vermengt zich natuurlijk onmiddellijk 
met het rivierwater. Dat der andere bron welt, bij laag wa- 
ter, op 30 tot 40 schreden afstands van de rivier op. 

De heer Van Benraem voegt er nog bij, dat zilver en ijzer in 

_ het water zwart worden en dat de ligging der bronnen uitmun- 
tend geschikt is voor de oprigting eener badplaats. 

Het is wenschelijk, dat eenige flesschen van deze wateren aan 
de Vereeniging worden gezonden, ten einde een scheikundig 
onderzoek verder over de waarde daarvan in geneeskundig op- 
 zigt kunne beslissen. | 


er 


Kina- kultuur op Java. 


Bij brief van den 1Î7den Augustus 1851 deelde ik der redaktie 
mede, dat er veel waarschijnlijkheid bestond, dat de kultuur der 
door den hoogleeraar Miquer gezondene kinaboompjes zou slagen. 
Thans gevoel ik mij verpligt op te merken, dat die verwachting 
niet verwezenlijkt geworden is, aangezien het bij de opening 
der kist, waarin gedachte boompjes zich bevonden, bleek, dat 
er slechts één jeugdig plantje leefde, waarvan echter de wor- 
tel reeds gedeeltelijk afgestorven was. 

De 1ste hortulanus van ’slands plantentuin te Buitenzorg, 
de heer TeisMann, die er zelf veel belang in stelde, beproef- 
de alles wat wetenschap, in verband met ervaring, vermag, om 
het nog levende gedeelte in leven te houden, zonder nogtans 
zijne pogingen met gewenscht gevolg bekroond te zien. 

_ In het begin van de maand April j.l. ontving het gouver- 
_nement andermaal uit Nederland eene bezending kinaboompjes 
met het schip Prins Frederik der Nederlanden, kapt. P. Hun- 


3hh 


DEKOPER, van welke bezending evenwel, in weerwil der daar- 
voor gedurende de reis aan boord besteede zorgen, zoo als bij 
het openen der kisten te Buitenzorg bleek, maar één boompje 
het leven behouden had. De overigen waren allen dood. Dit 
levende boompje, genaamd China calisayja, met veel moeite en 
kosten door den hoogleeraar Vriese te Leiden uit den planten- 
tuin te Parijs verkregen, draagt den naam van de provincie in 
welke hare bast verzameld wordt doch is ook in den handel 
bekend onder den naam van Koningskina. De species welke 
deze kina levert, is tot dus ver nog onbestemd, hoezeer Von 
Humsorpr en BonrLanDp meenen, dat ze afstamt van de Cinchona 
cordifolia Mutis. Zoo veel is zeker, dat in het jaar 1788— 
1789 de eerste verzending van haren bast naar Madrid plaats 
had en daar voor het uitsluitend gebruik des konings gekocht 
werd. De bast bevat van alle bekende kinasoorten de meeste 
kinine. 

Ofschoon het hiervoren bedoelde boompje is overgevoerd ín 
een, daartoe opzettelijk vervaardigde glazen kast, heeft dit, ver- 
eenigd met de zorgvuldigste verpleging aan boord, toch niet 
kunnen beletten, het ontstaan eener versterving, die, eerst 
zijnen top innemende, zich thans reeds tot digt bij zijnen stam 
heeft uitgebreid. Met welke belangstellende zorg de heer 
TeissMANN die versterving tracht te beperken is te bevroeden. 
Mogten zijne pogingen ten deze onverhoopt niet slagen, dan 
geniet hij toch de zelfvoldoening, dat de drie door hem bij 
tijds afgezette gezonde en nu met jeugdige kracht groeijende 
stekken de geschiktheid van Java’s bodem voor de kina-kultuur 
bewijzen ; eene kultuur, die, wat de belangrijkheid en het nut 
betreft, voor geene andere behoeft onder te doen, en in de 
toekomst eene bron van welvaart belooft, waaruit schatten 
naar het moederland kunnen vloeijen. Ter staving dezer bewe- 
ring zal ik slechts aanhalen, dat naar luid der jongste berigten 
uit Zuid-Amerika jaarlijks voor meer dan 4000000 dollars aan 
kinabast alleen in Duitschland worden ingevoerd. 

Het gouvernement van Indië heeft aan den heer HuupekKoPrr 
voor de goede overbrenging van den kinaboom eene premie toege- 


345 


__ kend van f/ 500 en hem gedurende zijn aanwezen alhier ver- 
dere bewijzen van onderscheiding gegeven. 

De maand April van het jaar 1852 verdient met gouden 
letters in de geschiedboeken van Indië te worden aangetee- 
kend. y 


Ik heb de eer te zijn, enz. 
Batavia, 7 Junij 1852. G. Wassink. 


Aan 


de Redaktie van het Natuurkundig Tijdschrift 
‚voor Nederlandsch Indië. 


Houtsoorten van Rrouw. 


De heer E. Netscner, heeft de welwillendheid gehad der Ver- 
eeniging aan te bieden eene verzameling van houtsoorten van 
_ Riouw, bestaande uit de volgende 47 exemplaren. Achter de 
namen dier soorten is tevens aangeteekend, het gebruik, wat 
op Riouw daarvan wordt gemaakt. 


1. Merbau. — Stijlen van huizen. Inhouten van groote praau- 
wen. 

2, Ambalo. — Bouwen van huizen en huisraad. 

3. Daroe-daroe. — Id. 

h, Tambasoe. — Planken voor huizen en vaartuigen. Wordt 


niet door de witte mieren beschadigd. 

_ 5. Tampinis. — Paalwerk in den grond en in het water. 

| Wordt niet door witte mieren of zeeworm aangetast. 

6. Teralus. — Deksplanken van vaartuigen en huishoudelijke 
benoodigdheden. 

7. Medang. — Idem. 

8. Ambalo-boenga. — Fijne meubels. 

9. Kempas. — Grove meubels; roeren van vaartuigen en mas- 

ten van wangkangs. 

10. Penaga. — Kromhouten voor groote vaartuigen. 


346 


. Kaledang. — Chinesche doodkisten. Knieën en kromhouten 


van schepen. 


‚ Rengas. — Meubels, enz. 

. Seraja. — Planken voor huizen, enz. 

. Bintangor-batoe. Masten voor groote schepen en waagkingie 
. Krandji. — Meubels. Masten voor wangkangs. 

. Palawan. — Paalwerk, enz. Wordt niet door de witte mie- 


ren aangetast. 


. Kelat. — Huisraad. 
. Merawan. — Paalwerk, enz. Wordt niet door de witte mie- 


ren aangedaan. 


. Semaram. — Planken voor huizen en praauwen. 


Seloemar. — Paalwerk en huisraad. Wordt niet door wit- 
te mieren aangetast. 


. Kroewing. — Harsboom. Wordt ook gebruikt voor kielen 


van groote praauwen. 


22. Ambedalajam. — Paalwerk. Heeft niet van de witte mie- 
ren te lijden. 

23. Seranding. — Bouwen van huizen en kielen van vaartui- 
gen. 

2. Tiop-tiop. — Huisraad; planken, enz. 

25. Arang. — Klein huisraad. 

26. Baroeh lawut. — Meubels. 

27. Resak. — Kielen en buitenhuid van praauwen. Wordt niet 
door den zeeworm aangetast. 

28. Medang-merawas. — Planken van huizen en dekken van 
kleine vaartuigen. 

29. Bengkoe. — Schuttingen enz., van huizen. Wordt niet door 
de witte mieren aangedaan. 

30. Tjengal. — Scheepsbouw. Lijdt niet door den zeeworm. 

31. Saloemar-boekit. — Huishoudelijke benoodigdheden. 

92. Koelim. — Idem. 

dd. Merpoejang. — Paalwerk. Wordt niet door de witte mie- 


Tad: 


ren aangetast. 


‚ Tampang. — Huisselijke benoodigdheden. 


Djeloetong. — Planken voor huizen. 


947 


96. Zeroentoeng. — Paalwerk in zee. Wordt niet door den 
zeeworm aangedaan. 

37. Saga. — Ligte planken. 

38. Kaloempang. — Meubelen. 


39. Batjan-hoetan. — Fijne meubelen. 

A0. Medang-paauw. — Ribben van huizen, enz. 

Atl. Kemap. — Paalwerk. Heeft niet te lijden van witte mie- 
ren. | 

A2. Groeng-gang. — Zeer ligte planken voor huizen. 

A3. Kelat-paja. — Grove planken. 

A4, Laka-oelar. — Stijlen van huizen. 


45. Medang-koenjit. Kleine praauwen. Wordt niet door den 
| zeeworm aangetast. 
_ A6. Mera-tamping. — Deksplanken voor vaartuigen. 
47. Meranti. — Zeewerken en scheepsbouw. Wordt niet door 
den zeeworm aangedaan. 

Sedert lang reeds houden zich in Nederlandsch Indië meer- 
dere liefhebbers bezig met het verzamelen van houtsoorten. 
‚ Zulks heeft evenwel tot nog toe niet geleid tot aanmerkelijke 
‚uitbreiding vande botanische kennis der boomen, van welke ze 
‚afkomstig zijn, noch ook tot eene eenigzins ruime toepassing 
van een en ander op de industrie. Zulks schijnt voornamelijk 
toe te schrijven te zijn daaraan, dat de verzamelaars in het al- 
gemeen zich moeten bepalen tot het opgeven der inlandsche 
namen en van het gebruik. Maar die namen zijn op de onder- 
scheidene eilanden van den Archipel en zelfs op de verschil- 
lende gedeelten van een zelfde eiland verschillend en men weet 
daardoor niet, of sommige houtsoorten, uitmuntende door goe- 
de eigenschappen voor technisch gebruik en van onderscheidene 
streken onder verschillende namen vermeld, welligt niet tot 
eene zelfde soort behooren. 

__ Ten einde van dezen tak van kennis meer nut kunne ge- 
trokken worden voor de wetenschap en de industrie, acht 
de redaktie het wenschelijk, dat de verzamelaars van hout- 
soorten zich er op toeleggen, om daarbij tevens te verzamelen 
enkele takjes met de bladen, bloemen en vruchten der betrek- 


348 


kelijke boomen en tevens aanteekening te houden van de juiste 
groeiplaats, van de hoogte en dikte der boomen, van de menig- 
_vuldigheid of schaarschheid van voorkomen, van de gemakkelijk- 
heid of moeijelijkheid van vervoer, enz. 

De redaktie noodigt tevens de verzamelaars uit, om, in- 
dien zij zelven nietin de gelegenheid zijn te bepalen, tot welke 
planten-species de houtsoorten behooren, een exemplaar daar- 
van, vergezeld van takjes met bladen en bloemen en vruchten 
aan haar te zenden, zullende zij alsdan trachten tot eene juiste 
kennis van de betrekkelijke boomen te geraken en die kennis 
door haar tijdschrift algemeen te maken. 


Sciurus mgrovittatus Horsf. van Banka. 


De heer D. F… Scuaap resident van Banka heeft der Ver- 
eeniging aangeboden een fraai opgezet specimen van Sciurus 
nigrovittatus Horsf. van Banka. Deze soort, volgens den heer 
Dr. S. Mürren dezelfde als Sceurus plantani Horsf, is op Banka 
zeer zeldzaam en is de derde species van Eekhoorn, welke 
van Banka is bekend geworden, levende aldaar, behalve Sciu- 
rus nigrovittatus ook Sciurus vittatus Raffl. en Sciurus Rafflesië 
Vig. Horsf. 


Regeringsbesluit omtrent de werkzaamheden der 
ingenieurs van het mijnwezen in Neder= 


landsch Indië. 


In de Javasche courant van den 12den Junij 1852 komt een 
regerings-besluit voor opzigtelijk de organisatie en de werk- 
zaamheden van het korps ingenieurs van het mijnwezen in 
Nederlandsch Indië. 


849 


De redaktie vermeent dit besluit wegens haren belangrijken 
inhoud hieronder in zijn geheel te moeten laten volgen enhulde 
te brengen aan den verlichten zin der regering, vooral ook ten 
opzigte van het beginsel der publiciteit, in dit besluit (art. 5) 
uitgedrukt. 


Extrakt uit het register der besluiten van den gou- 
verneur-generaal van Nederlandsch-Indië. 


Buirenzore , den Sden Junij 1852, (No. 5). 


Gelezen, enz. 

De raad van Nederlandsch-Indië gehoord; 
‚__Is goedgevonden en verstaan: 
_Berstelijk: Onder nadere goedkeuring des konings, te be-_ 
palen als volgt: 
1°. De ingenieurs en aspirant-ingenieurs voor de mijnen , zijn 
werkzaam overeenkomstig de bevelen van den gouverneur 
generaal; doch onder leiding van eenen der oudsten en 
bekwaamsten onder hen, door den gouverneur-generaal 
met die taak belast. 

Te zamen werkende, zijn zij aan elkander ondergeschikt, 
naar den rang van hunne benoeming, indien geen andere 
rang door den gouverneur-generaal is bepaald. | 
0, De ingenieurs en aspirant-ingenieurs zijn belast met: 
__&. Geologische, mineralogische en mijnbouwkundige onder- 

zoekingen; 

b. Het ontwerpen en tot stand brengen van al wat noodig 
is tot de gouvernements mijnontginningen en de daar- 
uit voortvloeijende fabriekmatige inrigtingen ; 

ce. Het toezigt, van gouvernementswege, over de uitvoering 
van alle ontginningen van delfstoffen en daaruit voort- 
vloeijende fabriekmatige inrigtingen ; 

d. Het vervaardigen van geologische kaarten en het ver- 
zamelen van delfstoffen ; 


30, 


İ, 


De 


7e. 


80, 


850 


e. Het opsporen van berigten omtrent geologie en míine- 
ralogie, waarvan het gouvernement nog geene kennis 
draagt. 

De ingenieurs en aspirant-ingenieurs voor de mijnen, zijn 

verpligt, de ontginningen van delfstoffen en de daaruit voort- 

vloeijende fabriekmatige inrigtingen, het zij door het gou- 
vernement, het zij door partikulieren gedaan, met hunne 
kennis bevorderlijk te zijn. 

De ingenieur, aan wien de leiding der ingenieurs en aspi- 

rant-ingeneurs is opgedragen, stelt aan den gouverneur- 

generaal voor, wat hij in het belang van de onder zijne 
leiding werkende personen en van de dienst bij het mijn- 
wezen noodig acht. 

De ingenieurs en aspirant-ingenieurs maken het weten- 

schappelijke van hunnen arbeid voor openbaarmaking, door 

middel van de drukpers, gereed, en bieden hetzelve tot 
dit einde den algemeenen sekretaris aan, door middel van 
den ingenieur, onder wiens leiding zij gesteld zijn. 


. De hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur zijn ver- 


pligt aan de ingenieurs en aspirant-ingenieurs te verstrek- 
ken de middelen, tot uitvoering van de hun gegeven be- 
velen noodig, en zullen derzelver arbeid bevorderlijk zijn. 
De ontginningen van delfstoffen en daaruit voortvloeijende 
fabriekmatige inrigtingen, gedaan voor rekening van het 
gouvernement, worden, onder het beleid der hoofden van 
gewestelijk en plaatselijk bestuur, beheerd door admini- 
strateurs en opzieners. 

De administrateurs en opzieners bij de ontginningen, voor 
rekening van het gouvernement, en de daaruit voortvloei- 
jende fabriekmatige inrigtingen, zijn verpligt de inlichtin- 
gen te geven en de aanwijzingen te doen, welke van hen 
door de ingenieurs en aspirant-ingenieurs voor de mijnen 
worden verzocht, wanneer deze zich op de werken be- 
vinden. 


Ten Tweede: Den ingenieur der tweede klasse voor de 
mijnen in Nederlandsch-Indië, G. pr Groor, te belasten met 


951 


de leiding der thans in Nederlandsch-Indiët aanwezige aspirant- 
ingenieurs, overeenkomstig de bevelen, welke hemtot dit einde 
zullen worden gegeven door den gouverneur-generaal. 


Ten derde: Enz. 
Afschrift, enz. 
Akkordeert met voorschreven register. 
De algemeene sekretaris 


À. PRINS. 


Tentoonstelling te Batavia, te houden in 1855. 


In de vergadering van de algemeene kormnmissie voor de Ten- 
toonstelling, gehouden den 12den Februarij jl., is onder ande- 
ren besloten, dat door den toen verkozen president, vice- 
president en sekretaris uit de leden der algemeene-kommissie. 
een besturend kommitté zou worden gevormd, tot leden waar- 
van zijn verkozen de HH. Dr. P. Brerger, L. M. F. Prarr 
en J. Tromp, welke heeren zich deze verkiezing helsben laten 

welgevallen. 

__Het werd al dadelijk wenschelijk geacht, om op eenige belang- 
rijke plaatsen op en buiten Java subkommissiën ‘op te rigten. 
Ten dien einde zijn in dd. Î7 Maart jl. uitnoodigingen gerigt 
aan de residenten van Soerabaja en Samarang, en aan de gou- 
verneurs ter westkust van Sumatra, van Celebes en onderhoo- 
‘righeden en van de Moluksche Eilanden. 

Het verheugt ons de mededeeling te kunnen doen, dat de 
‘heer P. J. B. pr Perez, resident van Soerabaja met de meeste 
“welwillendheid gevolg heeft gegeven aan deze uitnoodiging, 
en dat zich den 2ísten Apriljl. aldaar een kommittee heeft ge- 
vormd, bestaande uit 

de H. H. P.J. B. pe Perez, President, P. Krnver, Thesaurier, 
IS. Bennerr, C. G. von Dentscu, Han Kox Pinc, F. ’s Jaco, 


kt 


Rl 7 T \ 
A. MACLENNAN, D. Macrocnran, O. Marsen, F. N. Nieuwen- 
SHUIJZEN , PANGrRAN Samm Arorwi bin Saip Hassan Ar Hanassis, 
ADEN ApiParr Kromopsorso Apt Necoro, A. BARON SLORT VAN 


352 


OrpruirenBorGn, H. B. Warprnaar, J. Haarman J.o.zn., Se- 
_kretaris. | 

Het kommittee te Soerabaja heeft nadere inlichtingen van het 
bestuur voor de Tentoonstelling gevraagd, betreffende de aan- 
wending der gelden waarvoor zal worden ingeschreven; deze 
inlichtingen zijn nog niet gegeven, omdat niet genoegzaam be- 
kend was het bedrag der inschrijvingen ter hoofdplaatse en in 
de binnenlanden van Java. 

Wij laten hier volgen eene opgave van ingeschreven gelden 
voor zoo verre de inteekeningslijsten zijn terug ontvangen. 

Zijne excellentie de gouverneur-generaal van N.E. f 1000.— 


Bantam. À 8 É „ 100— 
Batavia. (#) : ; 5 p „ 5483,50 
Buitenzorg. … $ Ä Ô 5 : „ 292 
Krawang. … £ . „ 140—_ 
Preanger Regentschappen. . „ 143.— 
Tegal. à „WB 
Pekalongan. ; 8 N ; k $ » _240.— 
Japara. … : 6 6 F „ Jl 
Rembang. .… \ 8 : 3 4 „210. 
Pasoeroean. f ° „__900.— 
Banjoewangi. s : ; Á „ Nihil. 

Bagelen. ô „ 121.— 
Banjoemaas 8 Â : ä : s „Nihil. 

Kediri. : $ É 5 „ 1009,50 
Patjitan. . Ä ; „A 
Soerakarta. . angle „18 
Djokdjokarta. p : ' : „ 1865.— 
Kadoe À . f î 4 ' ; „ 151— 
Banka ; 5 : A à f iii ÂSr 
Bandjermasin. … 2 s ’ f ; … B. 


ER ee 


Totaal f_ 11603. 


(*) Van de residentie Batavia zijn nog niet alle inteekeningslijsten terug — 


ontvangen. 


353 


Het is een verblijdend verschijnsel, dat in eenige residentiën 
de inlandsche vorsten en hoofden door ruime bijdragen bewij- 
zen hebben gegeven van warme belangstelling voor de onder- 
werpelijke tentoonstelling. 

Inzonderheid is zulks het geval in de residentie Djokdjokarta, 
waar door zijne hoogheid den regerenden sulthan is ingeschre- 
ven voor een bedrag van f 500 en door de overige leden van 
het hof nog bovendien voor f 605, zomede in de residentie 
Kediri, waar ook door de regenten en door zeer vele min- 
dere inlandsche beambten voor een aanzienlijk bedrag is deel 
genomen; ook in eenige andere residentiën zijn de inlandsche 
hoofden niet ten achteren gebleven. Het is ons niet bekend 
of in alle residentiën de welgestelde inlanders en andere oos- 
terlingen in de gelegenheid zijn gesteld door bijdragen hunne 
belangstelling te doen blijken. | 

Door den resident van Djokdjokarta, den heer J. J. HASSELMAN, 
in wiens residentie de ingezetenen zeer veel belangstelling doen 
blijken, is aan het bestuur voor de tentoonstelling in overwe- 
ging gegeven om, indien zulks uitvoerlijk mogt zijn, de te Ba- 
tavia ten toon gestelde voorwerpen later naar Samarang over 
te brengen, ten einde ook daar eene tentoonstelling te hou- 
den, uit aanmerking dat die plaats nagenoeg in het centrum 
van Java gelegen is, zoodat zich velen derwaarts zullen kun- 
nen begeven, die bezwaarlijk de reis naar Batavia kunnen on- 


_ dernemen. 


Aan vele personen, die zich thans in Nederland bevinden en 
voortdurend warme belangstelling betoonen in de welvaart en 


ontwikkeling der Nederlandsch Indische bezittingen, zijn intee- 
‚ keningslijsten toegezonden. Wij voeden de hoop, dat de ten- 
| toonstelling door ruime bijdragen uit Nederland krachtdadig zal 


‚ 
y 


Ee es 


5 
i 
d 
is, 


worden ondersteund. 


mn adt ae 


354 


Geschenken aan de Vereeniging. 


Naturaliën. 


1. Eene verzameling van 47 Houtsoorten van Riouw en nabij gelegene 


eilanden, hierboven vermeld op bladz. 345, van het lid der Ver- 
eeniging den heer E. Nerscuen. 


Le, 


„ Eene verzameling van Tinerisen van Banka, van het lid der vereeniging, 
den heer F, Scrurrr. 
3. Eene flesch inhoudende eene bijzonder soort van zand van Banjoewangi, 
aangeboden door den heer Linpeneen. 

4. Voorts zijn aangeboden door den heer J. A. Vriesman, resident van 
Tagal, lid der Vereeniging, eenige kruiken mineraalwater uit de 
residentie Tagal, en door den heer KrasenBrisK, lid der Vereeniging 
eenige kruiken mineraalwater uit de residentie Cheribon. Deze wa- 
teren alsook het sub 2 bedoelde zand worden door den heer P.J, 
Marer scheikundig onderzocht. 


Boek werken. 


Verslag der werkzaamheden van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten 
en wetenschappen van September 1850 tot April 1852, namens het 
bestuur des Genootschaps voorgelezen in de algemeene vergadering op 
den 27sten April 1852 door P. Brreken, Batavia 1852. 40, 

Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Weten- 
schappen, Dl. 22 en 23. Batavia 1849, 1850. 4° (van het Genootschap). 

Biäng Lala, Indisch Leeskabinet tot aangenaam en gezellig onderhoud, 
onder redaktie van W. L. Rirrer en L.J. A. Torrens. Jaarg. [. 
1852. Aflev. 1 en 2 (van de redaktie). 

The Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia, edited bij J. R. 
Locan, vol. VI. Aflev. Jan. — Maart. Singapore 1852, 8° (van de 
redaktie). 

Bijdrage tot de kennis der Haringachtige visschen van den Indischen Ár- 
chipel door P. Brengen, Batavia 1851 4°. (van den schrijver). 

Bijdrage tot de kennis der Makreelachtige visschen van den Indischen Ar- 
chipel door P. Brereken. Batavia 1851. 4e. (van den schrijver). 

A descriptive Atlas of Astronomy and of Physical and political Geography, 
embracing the latest informations and most recent discoveries in astro= 
nomical and geographical science, with descriptive letterpress by 
Tnox. Miunen, Lond, 4° (aangeboden door den heer H.D. A. Samirs). * 


| 


da rn 


JL 
| { 


bramiel. 


Uzer 
| c 


Zin. 


| 0 Anpor. 


d Yzer. 


@ beoonoend 
5 


B Boektt 


| Zed Zhnudsond 


s__ doender 


P Pootoe, 


o 5 C 
de Broolo- LA 
Ot ngenteur voor dee mignern (nt KjÛ 


volgens opte en Door hoeuw edaauw, En 


Geoloarsche kaart 


vou Te [=e) 


Clande GUA IJD 


vt Cv 
2d 5 


de OI 


JSS) 


or 


Fso 


5, Tag a} X 


5 Shou 
osn dag 
Shoe 


Tlbeugkok 


ere 


® Seloeutan 


Arp qe 


7074 VSnte 5 EE 


Se, FSwale 


el En 


od remo seh 


GU. Ee 
Doegie” 0 Dag 
5 Srahow Seal 


o 


5 Song 


GE R 
149 Le 
gee Nn 


he 
hed 
5 


' 
Wmm, Ù' roeroeuy Aandie 


& 
Ie Sadjerw Dero poem 


SSS Nl 


5 [Samar 


Ssocyel) 


S 
Godau 


EEn fj Ì Ò C Glenda r Bokor Wa) 
q iN ’ 
berecht, NS Oe ie 4 

en je En / Pes 8 amalade , 


Soltocngar® 


rd 
leg 


e 
Gy PN! je 
Ubargror da Dik (t 


Soyoug 


3 ols naad 


pedo 


NS SS emoehoer 
: We 
N DAanewwpeere 5 Ee, 


Ben ) Doner 
5 klewang, | 


3D ajar 


Sock 
Ee DS 
yerokh Baloky, % 


À En TANT om 
SS Glee 


— ) 
= ( 


Zi ANS SNLedsna, 
5 Hp) 


Scree 
9 EB eanlelan 
Stee DO 
Grolted sE Nesna  \ 


& Seis HA q 
5 | jaren 
ss, Ip 

eSAll ee Salon Feujoe 


8 Seed ouo ano} 
25 Syladlok © 
28 Gout 


5 Vaas 


Ss Varages 


ES 
SI 8Sadlie 


er 


AK qe 


SEE Eid ; ad 
5 ST 5 F EZ F Ee sn 
Ì 
Oeds hrornda " 
é ú á 
Ee e Ze heurnts veer Peebeele, do hooerte al Zurctel Neto 0. 
| zijnde de Onsthnek van Katmarmbung nlstaon Ktri0. 
IJ | 
Hi 
ï 
Ï 
iN GÉ-Tubnlo 
If 
| P/4 
| 47 
| | zz 
| 47 
| 47 
Il 97 4 
Ii De 40 Di vand | 
Hi zo ZON A / Met hayaste van hal Mianus gohurnte 
MOL = 40 5. (Mm Ca 
Il 5 15 0 / ë ie ) 
ij OO 
|| 2 vof a 
I| NS 
161 103 ri 1 zo t 
NO nenrtkonel ioddor Aligsnrand 
| Pe | 
4) 6 ‚Auras | 
I 7 | 15 oek Bodhi, | ; 
| 7 | Miri 0 
Ii 76 er d & | 
| | 74 9 | \ l 
| 0 6 | Ì 
I ; Ji ( | \ \ | 
| | 4 Ai z| h \ | 
en ze send mol fles N | 
| 40 k gaf | 
If N zr ° SA \ / | 
II 4 25 LEM aA Apsloro 
ij P7 4 ue 4 p 
I | de en Soenet Paehka N 
| #4 Lr ae 4 eh £ . / | 
| | pe Le rt ed : 7 
II 1e Zi ne ene / 
IN A ol - - 
asl ze pn IL GE d oefs = epe 
á 
| 
| zat LD HO 7 6 == EE a L 
| , Zi à > 
EAA le Ea p 
LH ve Ì « 
ij za Dn PL | E ee 
INE Zaanen MP Leen derde 
VJ veemchprnn ZU os ‘ EN 
4 „ac 5 ) ij / 
ï 2 Js 7 Ô / / 
| pe 


| 
| W/À 
INI 14 Millen eeen berend 
ue Ar A8 7 6 
Í 97 
Li A a1 
NT KALNA 409 


„Arano dofat 0 
WNL Zo Lartak a 


zr 


o 


4 (e 


droo & 


rule 


s ov slteAne/ 
je 


or py Le 
e al 


(Ya Pomdond 


ZA 


nietnneanÂ| 


Le Zerkuuns 


We Zihoen 
Ì geproerdorofs. 


er Erf. 


Zalmaoa Oort opt 


Ze 
Krekel 
Herve of Pendjotecr 
Hi Poersarma ris 


vtm Glagoonc 


Zer) rens Sher amper Zeerlpeern {rn 


vaspe REDDIE var PIERDE JOEP ov oe 


YH DOMO 


p OCANNS 


Virvurrppoennd 


Gd wegen 


Lukkt 4 


KAART 


WES TKUN!T vasBLEPON : 
anr door de Pumtenonts Ver zat 


HA. Modderurmmn en J.Wivan Blrijn, 


Zoer woor UINZ ON pagrerg err 


C.H. Mulder 
1651 


_ @GEZICTEN WAN BLITONG 


BOEKIT MELANTIEN 


P°KLAMOA ENDE MONDDER AIVIEA TJEROE TJOEP O/ENOMEN VAN DE BENTING 


_& pr, Dn 
Bede Be Ag 


haf 


R ee te nnie Ke = ee En “e- wegen dn 
be dk Ea en B - n 


4 


ke, a : fi b : 
kj GEZIGTPEN MAN Bit roNea 4 " 


G° BADAUW EN WESTELIJKE BERGEN GENOMEN VAN DEN TOP 


DER B°° TOENGAL 


nbele del Wh Deden Hue 


HET GEBERGTETADJEM GEZIEN VAN DEN TOPDER B" TOENGAL GS PRAMOEAN VAN DEN TOPDER B'' TOENGAL 


IN MOUD. 


Af“opering U & LIL 


jragen tot de geologische en mineralogische kennis van Neder- 
ndsch Indië, door de ingenieurs van het mijnwezen in Neder- 
Andsch Indië. 


II Eiland Blitong (Biliton), door Corns. pe GRoor, met 
kaarten en platen. ® ° p 5 ; . 


age tot de kennis der ichthyologische fauna van Timor, door 
IR. DP. BLEEKER. - } f ) ; : s } ’ 


Gikundig onderzoek van eenige op Java voorkomende minerale 
ateren, door P. J. Marer. 


De warme bronnen te Tjipannas, nabij paal 64 in de Preanger- 
regentschappen. REE LAT NAE PE EE 4 SET 


Warme minerale bronnen, voorkomende op de noordnoordoos- 
telijke helling van den Gedeh, ter hoogte van 6775 rijnl. 
| voeten. . . Ld . . . Ld . e . . 


De warme bronnen Tjipannas bij Lembang in de Preanger- 
_ regentschappen. f ROER. À ô ê « . 


reksel uit een verslag over de oorzaken der uitsterving van 


ffijboomen in de residentie Kadoe, door Dr. F. H. FromBere, 
st tabellen. } 3 k 8 | 


age tot de kennis der ichthyologische fauna van de Moluk- 
She eilanden. Visschen van Amboina en Ceram. door Dr. P. 
LEEKER. 


nemingen voor de astronomische plaatsbepaling van Batavia, 
jor S. H. pe LANGE. É ’ 

[4 

diamantgronden van Koesan, door Dr. J. H. Croockewir Hz. 


kerts en kwik van Sumatra scheikundig onderzocht, door A. 
( p 
LEE. hd . . . . . „ . . 2 


je plantensoorten in ’slands plantentuin te Buitenzorg, door 
„ TeIJSMANN en S. BINNENDIJK. _» è : - À ; 


za vande pe mersedering-der. nadere Vereeni- 


gchönden den 5den Mei 1852. 8 EE. 


BLADZ. 


133 


159 


175 


184 / 


189 


ennn 


Ber glen van verschillenden“aard : 


Aardbeving in de residentie Cheribon op den nn Kla 


HA 
ed 
ed 


‚Nog “iets over de aardbeving op Bali van 17 Telkaaci 18485 


Jahr A 


Uidkomsten der waarnemingen met den te ormomeres peychrame- 


E 


Rl itbarsting van den Gedeh op den 20sten Mei 185 2; 


F5 


A5 


“teren byometer, gedurende. hef. jaar tit an aad te sle 4 


*, À: x id 
Ht Soerabaja, door F. F. dr d ad a ns Nene 
RN Re k KS _ 
„Verslag van proeven met Indische ste „ten in April 
1852 aan boord Zr. Ms. stoomschip vree nn, wor SON DE 
Groot, P. A. MarruysseN en IL. EF. KooPManN. ' “. atd 
„Minerale wateren van Maros op Celcbes. k R Ee $ 
Kina-kultrúr op Java, door G. Wassink. k k E 
‚Jfoutsoorten. van, Riouw. JN ë edi ; . 
Sciurus nigrovittatus Horsf. van Banka. et ; e 


Gert) E fj Mi 
re ESA Cry 
Regeringsbesluit omtrent de werkzaamkglen der ingenieurs, van 74 


ziet mijnwezen in Nederlandsch Indië, » : R 
Fentoonstelling te Batavia, te houder in 1853. . 5 


Geschenken aan de Natuurkundige Vereenieine in Nederlandseh 
Len | > kend 7 % 


Indie. . - „ » . - - adh ad en . . 


» 
ge do 
TI = ' 
Safir Jeho, ME 
pn 
t he 
… 
 % 
Ld E 
\ 
13 
:, 
‚ 
ue 5 | 
EN 
Í 7 
Giv ú 
ne, , ú 
Pi 
hed mi he 
Wee 
à * E. PA 
ziet k A 5 
\ ee Aij ek 
nere ER 
jn lr 
he 
ze 7 
Ù ve ap 2 ris rf en 
EN 
Rt 
RE 
8 \ 
La ze _ 


02 
5) 


SS 


NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT 


VOOR 


EDERLANDSCH INDIE, 


UITGEGEVEN DOOR 


DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING 


SA A 107) WY, 407 


IN 


NEDERLANDSCH INDIE. 


WERDE JAARGANG. 


_ Aflevering EV & V. 


BATAVIA, 
LANGE & Co, 
1852. 


(@ 


her 


wlakis 


rai 


UITTREKSEL VAN HET RAPPORT 


EENER 


EIS OVER HET EILAND BILLITON, 


_ het Gouvernement aangeboden den 15den April 1851, (2) 


DOOR 


J. EE. CROOCKEWIEE Hz. 
Math. Mag. Phil, Nat. Doct. 


Voorwoord. 


4 besluit van zijne excellentie den minister van staat, gou- 
eur generaal van Nederlandsch Indië, dd. 17 September 
‚ No. 8 en dd. 26 September 1850, No. 10, werd mij 
ne a. naar het eiland Billiton opgedragen. 

De eze zending had ten doel, het instellen van een onderzoek 
pens het aanwezen van tin op het eiland Billiton en de mo- 
ijkheid van exploitatie van dat mineraal, hetzij van gouver- 
nents wege, hetzij door partikulieren, met tast, om desbe- 
kkelijk zoo spoedig mogelijk te dienen van rapport. 

p ij bovengenoemde besluiten werd bepaald, dat ik met Zr. 
1D In de spelling van dit woord heb ik het gebruik gevolgd; in alle 
EK hementsstukken, en in alle mij bekende aardrijkskundige boeken 
j alzoo, ofschoon minder met de Maleische schrijfwijze overeenkomende, 
ge nomen. 

2) ‘Verschillende omstandigheden hebben het eerder publiceren van het 
zende verhinderd, terwijl reeds den 22sten April ll. daartoe verlof van 
gouvernement was bekomen. 


28 


a Ue 
„dn 


956 


Ms. stoom-adviesvaartuig Tjipannas naar Banka zoude over- 
gevoerd worden, en verder naar Billiton met Zr. Ms. stoom- 
schip Bromo. 

Naar ik wel onderrigt ben, was den overste, kommandant 
van genoemd stoomschip, opgedragen, om onderzoek te doen 
naar de zeeroovers, die zich in de Billitonsche wateren ver- 
toond hadden, en waarover klagten bij den resident van 
Banka, bij schrijven van den depati van Billiton, waren in- 
gekomen, met last aan hem, om die maatregelen te nemen, 
welke hem het meest gepast voorkwamen. 

Ook was bij artikel 4 van het eerstgenoemde besluit bepaald, 
dat ik mij, bij mijnen terugkeer van Billiton naar Batavia, het- 
zij regtstreeks, hetzij over Banka, zou hebben te verstaan met 
den resident van Banka en met de kommanderende officieren 
van dein de Bankasche en Billitonsche wateren gestationeerde 
stoom- of andere oorlogsvaartuigen, terwijl verder bij artikel 5 
de waarnemende resident van Banka werd aangeschreven, om 
mij, ter bevordering der mij opgedragene taak , zooveel moge- | 
lijk hulp en bijstand te verleenen. Á 

Ik gevoelde al het gewigt dezer belangrijke zending en was | 
doordrongen van de moeijelijkheden , met welke zij gepaard” 
zoude gaan, welke bezwaren daarin bestonden: Ì 

1°. Doordien artikel 4 van het genoemde besluit geheel zon= 
der kracht bleef, daar in de Billitonsche wateren geene Ne 
derlaadsche stoom- of andere vaartuigen gestationeerd werden Ì 
zoodat ik mij, zoo dikwijls ik mij op zee bevond, zoowel als 
bij mijnen terugkeer naar Banka, van de ranke praauwtjes derij 
Billitonnezen moest bedienen, en mij daardoor daarenboven 
geheel van hen afhankelijk stellen. 

go, De vooraf niet te berekenen zekerheid, dat de kom= 
mandant van de Bromo de zaak aangaande de zeeroovers, | 
geheel in het vriendschappelijke èn naar wensch der Billitonne S 
zen, èn naar wensch van het hoofd van Billiton zoude schik-ij 
ken, terwijl toch immer de orang seka zouden moeten die- 
nen, om mij op mijne togten over zee, de behulpzame hand | 
te bieden. 


857 


À 3°. De juiste gezindheid van het hoofd van Billiton was 
niet zoo-geheel bekend, en kon ook niet geheel uit de daar- 
omtrent bij het gouvernement berustende rapporten opge- 
maakt worden. Zeker is het, dat de depati, op verkeerde 
“berigten af, vroeger door het gouvernement verongelijkt en 
in zijne regten verkort schijnt te zijn, en waarschynlijk was 
het, dat zijne hierdoor opgewekte haat, bij de herstelling in 
/ zijne regten, zoude geweken zijn; maar zoude zijn wantrou- 
‚wen (uit welke bron of om welke redenen dan ook) niet we- 
der opgewekt worden, bij de komst van eenen gouverne- 
ments afgevaardigde, hetgeen in lange jaren niet plaats had 
gehad? Dit wantrouwen, als het bestond, moest nog toe- 
nemen, wanneer die ambtenaar het eiland in alle rigtingen 
ging doorkruisen en bij alle andere onderhoorige hoofden 
eenigen tijd wilde vertoeven. Volgens de verklaring der oud- 
ste Billitonnezen in de binnenlanden, was dit nog nooit door 
eenen Furopeaan ondernomen. 
AC. Ben onderzoek naar tinerts,— waarvan de depati op 
mijn verzoek van gouvernementswege werd geïnformeerd, -— 
‚ daar dit toch niet kon verholen blijven, en het beter was er 
regt voor uit te komen, dan dat hij het van ter zijde 
vernam, — moest den depati en ook sommige minder door- 
ES onder de inwoners, minder aangenaam zijn. Im- 


Omis - 


mers werd dit metaal nu eerst opgespoord en gevonden, 
shet was voorzeker met het doel, om het te gaan exploi- 
teren, hetgeen stellig de aanstelling van een Europeesch be- 
tuur zoude ten gevolge hebben, waarbij hij altijd minder 
magt behouden en de tweede persoon zou blijven. Hij zeide mij 
wel eens, toen ik mij, na eenige weken verblijfs, reeds wat 
EE ertrouwelijker voordeed, dat hij naar een Europeesch be- 
Bn op Billiton wenschte, maar gaf geene andere reden op 
waarom hij zulks verlangde, dan dat de Palembangers en 
andere vreemdelingen, gewoonlijk orang dagang (handelaars) 
geheeten, zijne bevelen niet wilden opvolgen, en hij hen alzoo 
“piet regeren kon. Hij was zelfs zóó bevreesd voor hen, 
dat hij zich in de kampong Tandjongpandang, de hoofd- 


NK 


Ce 


NN 
r 
dy 
A 


35ö 


plaats, waar zij bij elkander wonen en die ruim 200 schre- 
den van zijn verblijf verwijderd is, volgens getuigenis van vele 
Billitonnezen, in geene 5 jaren, ofschoon altijd door een groot 
gevolg vergezeld zijnde, heeft durven vertoonen, en toen de 
kommandant van het stoomschip met nog eenige Europea- 
nen zich naar de kampong begaf, al weifelende medeging. 
Deze eenige reden om zijnen wensch te verklaren, nam ik 
echter niet aan, even zoo als ik hem ongemerkt tot op den 
laatsten dag van mijn verblijf gewantrouwd heb. 

De hierboven genoemde redenen zal ik niet behoeven na- 

der te omschrijven, als ik aanhaal, hetgeen door den heer 
_Bierscmrr, vroeger met het civiel gezag op Billiton belast, bij 
zijne missive aan den resident van Banka dd. St Januarij 
1830, No. U, medegedeeld wordt: 

„Dat, zoowel de hoofden als minderen op Billiton, den 
„sterksten tegenzin aan den dag legden, zoodra men- hen 
„over dit onderwerp (het tin) aansprak, en stellig weigerden 
„om in het aanwijzen en helpen opzoeken van mijngronden 
„behulpzaam te zijn, zoodat ik, gedurende mijn vroeger ver- 
„blijf aldaar, genoodzaakt was, mijne toevlugt tot vreemdelin- 
„gen, die aldaar gezeten waren, te nemen, ten einde de 
„noodige informatiën, betrekkelijk het al of niet aanzijn van 
„erts te verkrijgen.” 

Hoe ik, omtrent dit punt, de zaken gevonden heb, zal Ë 
in het vervolg van dit rapport behandeld worden. | 

Een vijfde bezwaar was de tijd van het jaar, waarin de reis ä 
ondernomen werd. Men was toch weldra de westmoesson en 
alzoo regentijd te wachten, en deze bleef dan ook niet lang — 
uit. Reeds in het begin van November, na schier zes maan- À 
‚ den bijna onafgebroken droogte (gelijk als eene zeldzaam- 
heid ook op Banka is waargenomen) werd de wind westelijk, 
en was ná dat tijdvak, een dag, waarop het minstens niet | 


de 
Á 


een drietal uren stortregende, eene uitzondering. Alzoo wa= 
ren alras de beekjes en kleinere rivieren zeer gezwollen: de 
bruggen over de laatsten waren in eenen slechten staat, of 
soms geheel weggespoeld; de eersten werden gewoonlijk 


959 


doorwaad, hetgeen het bezwaar had, dat men alzoo een ge- 

deelte van den dag in natte kleederen moest doorbrengen. 

Eindelijk maakten de hevige westelijke winden, het varen langs 

de noord-en westkusten van het eiland , met kleine praauwtjes, 

langdurig en soms gevaarlijk, gelijk vooral op den terugtogt naar 
Banka is ondervonden. 

Alle deze omstandigheden in aanmerking nemende, zoo zal 
men deze reis noch onder de aangename, noch onder de ge- 
makkelijke rangschikken. Ik verheug mij echter, dat zulks 
mij niet heeft weerhouden, haar evenwel te ondernemen, ter- 
wijl tevens deze bezwaren volstrekt geen’ invloed hebben ge- 

had op de uitvoering van alles, wat ik mij voorgesteld had. 

De administrateur van Blinjoe werd door den waarnemen- 

den resident aangeschreven, om twee kundige Chinesche mijn- 
werkers aan te duiden, die lust gevoelden, om tegen behoor- 
lijke belooning mij te volgen. De keus dezer menschen is zeer 
‚gelukkig geweest. Beide waren inboorlingen van Banka, en 
spraken alzoo zeer goed Maleisch. Een hunner, Aouw genaamd, 
Ä was hoofd eener partikuliere of kontrakt-mijn (eene der wei- 
\ nige mijnen op Banka, die hun tin tegen den prijs van f 13'/, 
de pikol, — er zijn enkele tegen f 15 — aan het gouvernement 
leveren, maar geene voorschotten genieten), ruim 60 jaren oud, 


| gedrongen. Gedurende het grootste gedeelte van de reis op 
‚Billiton droeg hij offer-en reukkaarsjes en offerpapier bij zich, 
_om behoorlijk te kunnen bidden in het geval, dat er tinerts 
gevonden werd: was dit niet het geval, dan was het offeren 
en bidden volgens zijn gevoelen ook onnoodig. 

4 De andere, Bov-Sina geheeten, ruim 40 jaren oud, was 
hoofd eener mijn in het distrikt Blinjoe. Sedert hij het rege- 
Eb en der werkzaamheden op zich genomen had, had die mijn, 
die vroeger onvoordeelig gewerkt had, betrekkelijk gunstige 
resultaten gegeven. Ook hij was niet minder dan de ander, 
met al wat het tin betrof, ingenomen. Beide hebben dan ook 
_Onvermoeid mij op mijne exkursiën vergezeld, en zelfs in de 


560 


rusturen steeds onderzoekingen gedaan, door de schoone be- 
loften die ik hun deed, in geval zij mij tinerts bragten, hiertoe 
niet weinig aangespoord. 


Inrigting van het Rapport. 


Het eiland Billiton, volgens den heer MervirL vAN CARNBÉE 119 0 
geographische mijlen of 2875 O Javasche pafen groot, ligt tus- 
schen Banka en Borneo. Reeds vele toelichtingen, die dit ei- 
land van groot belang doen voorkomen, zoo voor koophandel 
als landbouw en nijverheid, zijn in het ter sekretarie berus- 
tende archief voorhanden. Zooals het er thans gesteld is, en 
ik geloof, dat er ín de laatste decenniën weinig verandering in — 
is gekomen, is het verre, dat ik omtrent deze omstandigheden 
hetzelfde oordeel zou durven uitspreken. Gaarne had ik alzoo — 
hierover mijne bevindingen in dit rapport medegedeeld, maar — 
ik vreesde, dat de uitgebreidheid alsdan, en de mogelijke be- 
langrijkheid van bijzaken, de hoofdzaken, het doel waarmede 
ik in kommissie gesteld was, konde nadeel doen. Ik zal al- À 
zoo de bij mijne vroegere rapporten gemaakte verdeeling op- 
volgen, met dit onderscheid, dat ik de drie over Billiton ge 
maakte hoofdtogten, omstandiger beschrijf dan vroeger opzig- 8 
telijk Banka en Malakka geschied is, waarbij dan tevens eenige 
onderweg ondervonden moeijelijkheden kortelijk aangehaald zul 
len worden. Ik acht dit noodzakelijk, opdat het voor mijn 
gevoel tot verantwoording kunne strekken, dat ik alles, met | 
voorbijzien van alle bezwaren, en dikwijls van den raad van 
den depati, aangewend heb om tinerts (indien het op Billie 
ton voorhanden is) te vinden: verder, omdat er geene kaart (1) 
van de binnenlanden van Billiton bestaat, en het toch niet on | 
verschillig zal zijn te weten, waar ik mij zoo al bevonden heb. | 


(1) Namelijk toen dit rapport ingediend werd. 


56l 


Uit deze beschrijving der reis zal ik een overzigt opmaken, 
waarin dan tevens eenige opmerkingen omtrent de geologische 
gesteldheid van het eiland zullen worden medegedeeld. In een 
volgend hoofdstuk zal ik, hetgeen mij bekend is, dat over de 
tinaangelegenheid van Billiton geschreven staat, in korte woor- 
den, met eenige aanmerkingen daarop, mededeelen , terwijl ik 

„ten slotte beredeneerd aantoonen zal, dat de gebruiken der 
Billitonnezen, volgens analogie met Banka, niet aan het daarzijn 
van tinerts op hun eiland kunnen doen denken, hetgeen ein- 
delijk door eenige scheikundige aanmerkingen over eene erts- 
soort, op Billiton gevonden, die veel op tinerts gelijkt, maar 
volstrekt geen tin in hare zamenstelling bevat, toegelicht zal 
worden. 


Op welke wijze een kaartje (1) zamengesteld is. 


Dat men in een bijna onbewoond land, zonder wegen en 
voor een groot deel met kreupelbosch begroeid , moeijelijk zui- 
vere peilingen kan nemen, al had men ook de daarvoor be- 
noodigde instrumenten en middelen, wanneer eene juiste op- 

_name niet het hoofddoel der reis is en men niet onbepaald 
; over den duur der reis kan beschikken, dit is duidelijk; en 
Î dewijl ik mij alleen, als bijzaak, om mij, waar ik mij bevond 
te orienteren, van een gewoon kompas bediend heb, zoo zal 
jk geenszins elk punt door mij gepeild, als onomstootelijk juist 
“waargenomen verdedigen. Maar een klein verschil doet hier 
minder ter zake, terwijl door de vele genomen peilingen, de 


i (2) Dit kaartje, te gelijk met het rapport aan het gouvernement inge- 
‚diend, kan hier zeer goed achterwege blijven, dewijl men de drie door 
_mijj in verschillende rigtingen over het eiland gemaakte reizen, op de 
kaart bij de vorige aflevering van dit tijdschrift gepubliceerd, genoegzaam 
zal kunnen nagaan. Ik heb evenwel gemeend dit hoofdstuk hier te moeten 
daten volgen, om niet aan de volledigheid der mededeeling mijner werk- 


zaamheden te kort te doen. 
a 


ES bn Tan ld il 
562 


fouten niet zoo aanmerkelijk zullen zijn. Een inboorling in deze 
gewesten weet veelal beter, dan de Europesche landbewoner , 
waar hij zich bevindt op den weg, d. ie in welke rigtingen hij 
verschillende bekende punten van zich heeft. Hiervan had ik 
een duidelijk bewijs, toen ik mij op den Goenong Tadjam (de 
hoogste van Billiton’s bergen) bevond. Op den top van dien, 
geheel met hooge boomen begroeiden berg gekomen, was het 
zoo dampig, dat ik niets van beneden kon waarnemen. Ik nam 
een der oudsten uit het gevolg bij mij, en liet mij met de hand 
eenige bekende plaatsen aanwijzen, welke rigtingen ik op het 
kompas aflas en opteekende. Na een uur vertoevens werd het 
helderder: ik beklom toen, met kompas en verrekijker gewa- 
pend, een der hoogste boomen tot op 40 à 50 voeten hoogte 
en had een ruim uitzigt; ik peilde aldaar weder dezelfde pun- 
ten, en was verwonderd over de groote overeenkomst met — 
de vorige peilingen. 

Alzoo liet ik mij over de geheele reis, in elke kampong 
waar ik aankwam, eenige bekende punten door de oudsten — 
met de hand aanwijzen, uit welke peilingen ik, die, welke niet } 
overeenkwamen verwerpende, een kaartje der binnenlanden < 
heb opgemaakt. 

De afstanden heb ik op deze wijze bepaald, dat ik, bij elke — 
kampong waar ik aankwam, of wèl, op elk punt waar ik peilde, E 
den oppasser en de beide Chinezen (de inwoners van Billiton — 
kennen toch geene maat voor tijd of afstanden) afvroeg, hoeveel À 
palen, sedert eene vorige plaats volgens hunne meening afge- ä 
legd waren. Deze gevoelens vergeleek ik met den verloopen’ ú 
tijd, rekenende in elk uur, wegens de slechte wegen, slechts 21/, — 
paal gemaakt te hebben. Hoe gebrekkig deze wijze van me- 
ten was zal men bevroeden, als men nagaat, dat door het 4 
kronkelen der wegen, soms 2 à 3 palen afgelegden weg, één É 
paal vol d’oiseau zullen voorstellen. ki 

In dit rapport zal ik alle peilingen, wanneer zij tot niets ij 
als tot het zamenstellen van het kaartje gediend hebben, on= 
vermeld laten. | En 


563 


De reis van Batavia naar en over Billiton. 


Den 2lsten September 1850 *vertrok ik van Batavia aan 
boord van Zr. Ms. stoom-adviesvaartuig Ajipannas en ging 
den 2den Oktober aan boord van de Bromo over, welke mij 
naar mijne bestemming zoude overbrengen. Eerst werd de 
Klabat-baai , ten noorden van Banka, ingeloopen, alwaar 
eenige troepen, voor de Bankasche expeditie bestemd, ont- 
scheept en de beide Chinesche mijnwerkers aan boord ge- 
nomen werden. Den ífÎden ankerden wij voor Poeloe Le- 
par. 

Den Î9den Oktober ‘vroegtijdig onder stoom gaande, arri- 
veerden wij ten 9 ure des namiddags voor Tandjong Pandang, 
op de westkust van Billiton. Een schot uit eenen 80-ponder 
kondigde de komst van een van Zr. Ms. groote vaartuigen 
aan. Den volgenden dag, reeds vroeg in den morgen, kwam 
de depati met twee praauwen en eene menigte volks het 
stoomschip op zijde en vertoonde zich weldra op het dek. Een 
eeresabel , hem vroeger door het gouvernement ten geschenke 
gegeven, werd hem achterna gedragen. Zijn uiterlijk kwam 
mij zeer innemend voor, zijne manieren vrij beschaafd en beleefd, 
zonder dat ze al te kruipende waren: hij scheen mij toe 50 à 
55 jaren oud te zijn, terwijl hij nog volstrekt niet grijs is: zijne 
‘kleeding was netjes en eenvoudig. 

Het gehoor met den overste geëindigd zijnde, werd ik hem 
oorgesteld en een brief van den waarnemenden resident 
an Banka hem overhandigd. Na lezing verklaarde hij geene 
ezwaren tegen mijne kommissie te hebben, belovende mij, 
aarin hij maar konde, behulpzaam te zullen zijn. 

__ Den volgenden morgen ging de overste, vergezeld van een 
der officieren en mij, aan wal. Er lagen 3 Àà 4 grootere 
handels- en wel 100 kleine praauwtjes in de baai, die hier de 
monding van de rivier Tjeroetjoep vormt, langs wier strand 
aan de noordzijde de hoofdkampong van het eiland gebouwd 
is. De benting ligt op het uiterste der landtong, door de ri- 
vier en de baai gevormd, terwijl het huis van den depa- 


E 
k 


964 | 


ti, de landingsplaats en eene kleine mesdjid (moskee), tusschen _ 
de benting en de kampong in gelegen zijn. Het terrein waarop 
de benting gebouwd is, komt mij zeer geschikt voor. Deze 
bestaat uit eene palissadering, geplaatst op eenen heuvel van _ 
p. m. 50 voeten hoogte, waaruit èn de rivier, èn de baai, 
èn de kampong bestreken kunnen worden. Binnen deze palis- 
sadering zijn gelegen eene vrij goede kazerne en wachthuis 
en eene vroegere kommandants-woning (in welke wij ontvangen 
werden en welke allen door den depati onderhouden worden), 
de vlaggestok, van welke de Hollandsche vlag wappert, be- 
nevens de resten van een steenen kruidhuis. Na genuttigd 
ontbijt en een over verschillende punten gehouden diskoers, | 
gingen wij de kampong bezoeken, bij welke wandeling de de- 
pati ons vergezellen moest. Tegen den middag vertrok de | 
overste en gevolg, terwijl ik aan wal bleef. | 
Mijne goederen van boord gekomen zijnde, vestigde ik 5 
mij , zoo goed als de omstandigheden het toelieten, in de Î 
vroegere kommandantswoning , welke geheel op inlandsche < 
wijze, dat is, zonder eenig venster gebouwd was: eene goede d 
voor haar geplaatste pondokh was dan ook over dag mijn 
verblijf. Het aanwezige meubilair was niet noemenswaardig, 6 
zoodat ik mij hierin nog al behelpen moest, waaraan ik á 
spoedig gewend raakte. Ik besloot alhier mijn verblijf te_ 
houden die dagen, welke ik niet in de binnenlanden door-— 
bragt, en alzoo na elken togt hier weder terug te keeren, > 
ten einde van de doorgestane vermoeijenissen wat uit te rus-, 
ten, mijne gedurende elke reis opgeteekende losse opmerkin- 
gen te verzamelen en uit te werken , en mijne korrespondentie , | 
wanneer tot het verzenden van brieven gelegenheid bestond, 
bij te houden. 
Den Î7den Oktober zond ik de beide Chinezen het land in Ä 
ten einde, vóór ik mij zelf op reis begaf, eenig berigt van de 
landstreek in te winnen. Zij waren ruim 4 palen noord-_ 
oostelijk opgegaan en langs eenen kleinen omweg, wat zui- 
delijker op, teruggekeerd. Hetgeen zij mij omtrent den 
toestand der wegen, die ook gewoonlijk in de onmiddellijke 


565 


nabijheid eener hoofdplaats, beter dan op grooteren afstand 
zijn, mededeelden, kwam ook met mijne verwachting overeen. 
_ Het land was vlak, met laag hout bewassen en zandig. Alhoewel 
minder opzettelijk daartoe uitgezonden, hadden zij oppervlak- 
kig geenen tinerts ontdekt. 

Den volgenden dag ging ik, door de Gntlesen vergezeld, 
met eene kleine sampang de rivier Tjeroetjoep op. Even 
voorbij het fort is zij bij hoog water slechts 5 voeten 
diep, z. WV, w. een geruim eind voortloopende. Men ont- 
moet vele groote, op elkander gestapelde granietrotsblok- 
ken, door welke dan ook de gansche kust als omzoomd is, 
en eenige eilandjes, van welke Poeloe Kapal het grootste is. 
Even voorbij het fort zal de rivier wel 150 passen breed 
zijn. Na volgens gissing 6 palen roeijens , — waarbij nog me- 
nige kronkeling der rivier afgesneden werd, — kwamen wij op 
den regteroever aan eene zeer kleine beek, waar een voetpad 
over gevelde boomen en hunne wortels, leidde naar eene 
kleine kampong, die echter te ver af lag. 

De bodem (het was laag water) bestond slechts uit zwar- 
ten moddergrond, welke bij hoog water onderliep, en alzoo 
niet dan met de grootste moeijelijkheden en kosten op de 
Chinesche wijze zoude te bewerken zijn. Tot hier was de 
rivier gemiddeld 12 voeten diep. Hare boorden zijn bijna 
uitsluitend met bakoen begroeid. Het water bleef tot hiertoe 
steeds zout. Iets merkwaardigs leverde dus deze rivier, in 

welke ik de Bankasche rivieren geheel terugvond, en in welker 
beschrijving ik alle rivieren van Billiton, die ik bezocht heb, 
beschreven heb, dus niet op. Ik kom hierop alzoo niet we- 
der terug. 

Den 20sten Oktober ging ik met de mijnwerkers in eene | 
_Sampang langs het strand om de noord tot aan Soengie Koe- 
boe, p. m. 3 palen van de hoofdplaats verwijderd. Bij laag 
water stonden ruim 3 voeten water voor den ingang. Zij 
doopt bijna onafgebroken oost op. Op circa 800 passen van de 
monding af wordt de regteroever iets hooger. Tot hier zal de 
 Fivier 35 passen breed zijn; nog 300 passen verder, en ze is voor 


966 


de kleinste sampang niet meer bevaarbaar. Op den linker-_ 
oever stapte ik aan wal en kwam weldra aan eene kampong, 
uit twee huizen bestaande en Kalamkoeboe geheeten. Op | 
eene zeer laag gelegene plaats deed ik onderzoek met den 
Chineschen steker, sjam genaamd. Dit werktuig, in mijn 
rapport over de Banka-tinmijnen reeds beschreven, bestaat uit 
eene 16 voet lange ijzeren staaf, eindigende in eene holle _ 
kegelvormige punt, waarvan aan de eene zijde de rand iets 
hooger opstaat dan aan de andere. Deze opening wordt met 
een lapje, daf aan een touw bevestigd is, gesloten, en dan _ 
langzaam in het te onderzoeken terrein, onder op en neder- E 
gaande bewegingen gestoken. Aan het geluid en het gevoel 
kan men bij eenige oefening, waarin de heer Herspeuan, ad- 
ministrateur van Soengijslan, mij onderrigt had, den aard der — 
verschillende lagen ten naastebij onderkennen. Twijfelt men, men 
verwijdert het lapje en de holle kegel vult zich met den op 
die plaats aanwezig zijnden grond, die men dan verder onder 
zoeken kan. Wanneer men over geene ruimere of meer te- 
zamengestelde middelen beschikken kan, acht ik, met de 
noodige voorzorgen, de sjam nog tot de beste middelen. te 
behooren, om een vreemd terrein tot op eene zekere diepte 
te onderzoeken. 4 

Op 3 voeten diepte kwam men op eene laag witte pijp- of 
kaölin-aarde, die wel 40 à 11 voeten dik en onder welke 
eene laag wit grof zand gelegen was, hetwelk gewasschen ’ 
zijnde, volstrekt geen’ tinerts achterliet. Ook liet ik op on- 
derscheidene plaatsen een weinig grond uit2en 3 voeten diep-— 
te wasschen, zonder ander resultaat. Ik hield mij echter ver-… 
zekerd, en„de Chinezen bevestigden dit mijn gevoelen, dat, al 
ware hier tinerts gevonden, het toch hoogst bezwaarlijk zoude 4 
zijn, om het op de Bankasche wijze te exploiteren, daar wegens 
de gelijkheid van het terrein , het benoodigde water van eenen — 
te grooten afstand moest aangevoerd worden. Een ander be- ij 
zwaar van geringeren aard, was, dat ook hier in den omtrek, 
geen hoog hout, om goede kolen van te branden, groeide. È 

Over het zelfde terrein voortgaande, kwam ik aan de kam- gf 


AN 
3e 


367 


pong Kalamoe, groot 4 huizen, en na in ’tgeheel 5 à 6 pa- 
len gemaakt te hebben op Tandjong Pandang terug. 

De volgende dagen werden, met het maken van: toebereid- 
selen voor eene reis over Badau naar Blantoe doorgebragt. 
Ik begon met den depati dit mijn plan bekend te maken, 
die tegen het gaan naar Blantoe de grootste bezwaren had, 
zeggende, dat hij de menschen aldaar mistrouwde, en ik 
misschien vermoord, misschien door een langzaam werkend 
vergif ongelukkig zoude worden. Dergelijke geruchten had- 
den de Chinezen ook reeds in de kampong vernomen. | 
__Daar ik dacht, dat de depati wist, dat in dit distrikt tin- 
erts was, en door zulke bedreigingen slechts zocht mij van die 


plaatsen af te houden, zoo drong ik er te meer op aan, om 
mij hier heen te begeven. Ik werd hierin versterkt, door dat de 
depati den 23sten Oktober mij naar Tjeroetjoep ,de plaats waar 
het oude fort stond, en waarvan thans niets als eene wilder- 
nis meer te vinden is, liet roeijen, mij een paar gidsen (ka- 
swans) behalve de benoodigde 4 koelies medegevende, die, 
toen wij geland waren, verklaarden den weg naar Badau niet 
te kunnen aanwijzen. Onverrigter zake moest ik dus dien 
dag weder, terug keeren. Of dit nu toevallig was of voorbe- 
dachtelijk afgesproken en beredeneerd, durf ik niet beslissen. 

In allen gevalle was nu de tijd daar, dat ik den depati in 
krachtige bewoordingen moest te kennen geven, hoe ik wensch- 
te behandeld te worden. Ik liet onmiddellijk den ingebeij van 
Badau bij mij ontbieden, die dien van Blantoe dadelijk van mij- 
ne komst moest kennis geven en voor gidsen en koelies moest 
zorgen: op den 26sten Oktober werd alzoo de reis bepaald. 
Den vorigen avond liet de vrouw van den depati mij nog goed- 
gunstig waarschuwen om toch niet naar Blantoe te gaan, en 
zulks in geen geval, voor ik tijding van het hoofd van Blantoe 
had terug bekomen. 


LU 


Reis naar Badau en Blantoe. 


Des morgens ten 6, ure vertrok ik met 4 koelies en 2 ka- — 
wans, de beide Chinezen en den oppasser, die mij te Banka _ 
toegevoegd was. Mijne beide bedienden moest ik wegens ziekte 
achterlaten. Het voetpad was aanvankelijk redelijk, ofschoon er 
op sommige plaatsen één voet of meer water op stond. De \ 
bodem bestorid meestal uit grof zand, en was, zoo ver men Î 
zien kon, met laag hout en varens bedekt. Op 4 palen gaans 
ten oosten der hoofdplaats is eene rivier Soengie Raja gehee- 
ten, die in de Tjeroetjoep uitloopt. Hier was de grond mer-_ 
gelachtig en iets golvend. Op 2 en 9 voeten diepte bevatte 
de bodem eene uiterst kleine hoeveelheid eener zwartachtige | 
zeer fijne ertssoort, die aldra door de Chinezen voor koppong 
(valsche tinerts, die geen tin bevat) erkend werd. Nabij de | 
rivier, met de sjam beproevende, kwam men op eene zwart- à 
achtige pijpaarde (door de Chinezen op Banka ka genoemd), ® 
die op ruim Î4 voeten diepte niet veranderde, waarom men ® 
de proef hier ‘staakte. Wanneer er erts was, dan zoude het: | 
terrein hier toegelaten hebben om kollong te werken. Later 
heb ik de Chinezen wat hoogerop gezonden, als wanneer zij van ® 
nabij Soengie Pantjoer eene groote hoeveelheid koppong-erts mede 
bragten, een scheikundig onderzoek van welken later volgen zal. 

Ten 10!/, ure kwam ik te Trawas, eene kampong 3 huizen 
groot, ging z. o. op en had ten n.o. de bergketen van Tam- 
boeroean, die uit een vijftal weinig verhevene heuvels bestaat. 
Hier begint reeds het landschap uit niets dan vroeger bewerkte 
of nieuw opgerigte ladangs (hooge rijstvelden) te bestaan, wel= 
ke laatsten het een treurig aanzien geven; onwillekeurig 
toch komt de opmerking voor den geest, welke vernieling het 
vuur, in de handen van den mensch, kan veroorzaken. Hef 


spreide huizen bestaande, en had langs de kronkelende voet 


969 


paden naar berekening f5 palen afgelegd. Op het laatste eind 
van den weg beproefde ik in een tweetal beekjes, maar vond de 
eene keer slechts zand , de andere veel zand en een weinig pijp- 
aarde en dan daaronder zeer harden groven zandgrond (passir 
garam in het Maleisch genoemd). De grond bleef bijna zon- 
der verandering zandig, was slechts op zeer enkele plaatsen geel 
Jeemachtig , zonder eenige overblijfselen van ontleeden graniet. 
In den omtrek van Djankan, waar ik den nacht verbleef, vindt 
men eenige groote rolsteenen, uit grofkorreligen graniet, mis- 
schien porfier te zamen gesteld: het hout is veelal laag. 

Den volgenden morgen beproefde ik op verscheidene plaatsen 

in 2 beekjes, maar vond geen spoor van tinerts, meestal wit- 
te soms zwartachtige kleiaarde, dan gewoon zand en daar- 
onder soms dezelfde konglaag, als waarop te Banka de erts- 
laag gewoonlijk rust. Om 9 uur ging ik langs eenen weg, 
die door hooger hout dan ik nog gezien had loopt, naar Ba- 
dau. Op U}, uur afstand is eene vrij breede rivier, in welke 
thans door de droogte slechts 4 voeten water stond; hier lag 
de kong zeer laag, met klei- en zandlagen er boven, terwijl 
op Badau, dat van Djankan 8 palen afligt, de kong in eene 
put van 3 voeten diepte reeds te voorschijn kwam. Ik werd 
door den ingebeij zeer voorkomend ontvangen en nam in een 

voor mij ontruimd koelit- (boomschors-) huis mijnen intrek. 

Naar mijn gevoelen meen ik hier met de vermelding van 
elke boring met de sjam verrigt, te kunnen eindigen. Al- 
len zijn in mijn gehouden journaal omstandig opgeteekend, 
maar komen gewconlijk op hetzelfde neder. Dan eens is de 
bodem uit wat meer of wat minder zand, uit witte of geelachtige 
klei- en leemaarde zamengesteld, soms ligt de kong hooger, 
dan weder lager: waar hierop uitzonderingen gevonden zijn, 
‘daar zullen deze omstandig medegedeeld worden. Zeker is 
het, dat het nog niet vinden van tinerts, mij ten hoogste ver- 
wonderde (daar ook ik bij mijne komst op Billiton in het denk- 
beeld verkeerde, dat de bodem rijk aan tinerts was) en mijne 
onderzoekingen verdubbeld heeft, gelijk ik de eer had aan 


zijne excellentie den minister van staat, gouverneur generaal 
k 
| 


| 


870 


mede te deelen den Îfden November 1850. 
Zoo bragt ik twee dagen in de omstreken van Badau, steeds 
nasporingen doende, door. De depati zond mij nog twee zij- 
ner broeders achterna, om mij nogmaals af te raden om naar 
Blantoe te gaan, of wel om, wanneer ik van deze reis niet af 
te houden was, zorg voor mij te dragen. 
Den JÔsten Oktober vertrok ik van Badau naar Blantoc. 
Na 4 palen afgelegd te hebben, kwam ik aan kampong San- 
datoe, genoegzaam z. van Badau gelegen. Hier in de nabij- 
heid loopt de ééne arm der rivier Tjeroetjoep, aan de gene 
_ kant van Badau de andere: beide ontspringen naar men mij 
zeide in den Goenong Tadjam. Nog Î1 palen verder, terwijl 
de weg niefs bijzonders opleverde, als dat hij vreesselijk slecht 
was, kwam ik aan een huis, in het midden eener ladang ge- 
legen, waar ik overnachtte. De grond blijft steeds zeer zandig: 
nergens kon ik een stukje kwarts of mica ontdekken, noch op 
de oppervlakte, noch met de sjam. Het oog stuit hier op eene 
aaneenschakeling van heuvels, van 5O tot 200 voeten hoogte. 
Deze heuvels bestaan, voor zoover ik opmerken kon, uit 
geene vaste steensoort. De tusschen hen gevormde valleijen 5 
kunnen geen’ tinerts bevatten, daar de beekjes die er ontsprin-_ 
gen geen tinerts afvoeren, of in hunne beddingen bevatten, en 
ook de koelit-grond nergens bij wassching tinerts achterlaat. — 
Op verschillende plaatsen werden beide zaken dien dag on-_ 
derzocht. ' 
Den volgenden morgen vroegtijdig op reis gegaan, kwam, 
nadat ik 7 palen afgelegd had, een afgezant met volgelingen — 
van den ingebeij van Blantoe mij te gemoet. Hij was even 
als de volgelingen met lans, kris en eenigen ook nog met den — 
klewang gewapend, zeer voorkomend, en zoude op zijn uiter- ' 
lijk af‚ al dadelijk mijn vertrouwen gewonnen hebben, indien k/ 
hij niet, onmiddelijk na het afleggen der gewone komplimen- — 
ten, aan een mijner menschen gevraagd had, of het geweer, & 
dat ik altijd zelf droeg, ook geladen was, en geen antwoord gaf, 
toen hij vernam, dat ik het iederen dag met den Esp in hun- & 
ne tegenwoordigheid laadde. ' 


d 


Wij gingen den Goenong Mang, die ruim Î4 palen van de 
p ‘plaats, waar ik het laatst overnacht had, verwijderd is, over. 
De formatie van dezen berg is een jonge zandsteen. Hij vormé 
de afscheiding tusschen het distrikt Badau en het Oostelijke 
distrikt van den depati. Tot hiertoe is de bodem nog steeds 
zandig, verderop soms geel, klei- of mergelachtig van den 
_ontleeden zandsteen: soms ligt de kong zeer hoog, maar 
sporen van tinerts vindt men hier nergens. Ik verbleef aan den 
‚voet van den berg, in een huis, kampong Tembali genaamd. 
| Den volgenden dag werden de Badausche tegen Blantoesche 
koelies verwisseld en ging ík weder vroegtijdig op reis. De 
weg was over het algemeen genomen iets beter dan de voor- 
gaande dagen. Na ruim f2 palen afgelegd te hebben, kwa- 
é _men wij aan eene kleine vlakte, door eene heuvelketen van 
voor zoover ik zien konde, 6 heuvels, van welke de hoogste 
300 voeten hoog zal geweest zijn, ingesloten. De grond blijft, 
steeds fijn zandig welk zand minder het aanzien van zeezand 
heeft dan vroeger, soms met gele kleiaarde vermengd, welke 
echter volstrekt niet glibberig is. Na in het geheel 20 à 21 
Bbalen afgelegd te hebben, kwam ik aan eene kampong van 
2 huizen, Keloebi genaamd, waar ik verbleef. 
4 Den 2den November vertrok ik van hier, en ging over eene 
vrij lange kunstmatige brug, de rivier Kemiri over, die de 
“grensscheiding is tusschen het distrikt Blantoe en het oostelij- 
Eke distrikt van den depati. De weg liep genoegzaam den 
E eheelen dag over ladangs (het distrikt Blantoe is een der meest 
bevolkte), naar berekening wel 24 à 25 palen. Nabij Blan- 
toe komende, werd de landstreek heuvelachtiger , en men 
onderscheidt er eenen berg, die wel 600 voeten hoog zal zijn. 
|Mijn gevolg groeide tot een 40tal personen aan, daar uit 
Wel huis waar ik langs kwam, een of meer personen, om 
mij eer te bewijzen, zich er bij voegden. Zoo kwam ik on- 
verwachts voor eene hooge palissadering, aan de vier hoeken 
met wachthuisjes voorzien, binnen welke het huis van den 
lingebei van Blantoe zich bevond. 
Hier eenige vrees te toonen zoude onvoorzigtig en ook on- 


HIL | 99 


gur 


872 


noodig geweest zijn: teruggaan kon ik niet, en stapte dan ook 
maar de benting binnen. De zoon van den ingebei kwam mij 
hier te gemoet en noodigde mij uit in huis te komen, daar 
zijn vader oud en ongesteld was. 

Dit huis was aan beide zijden met groote metalen lilla’s 
gewapend, die, zooals ik nader bemerkte, op de praauwen 
gebruikt worden. De ingebei heeft een zeer gunstig uiterlijk. 
Hij begon met mij om vergeving te vragen, indien hij eenige 
lompheid jegens mij mogt begaan , daar hij, zooals hij zeide, 
tot de boschmenschen behoorende, niet beschaafd genoeg was _ 
om met Europeanen behoorlijk om te gaan. 

Een huisje buiten de benting werd mij tot verblijf aange- 
wezen; ook dit maakte weder mijn wantrouwen gaande, daar 
in de benting ook nog een ledig huisje was. Ik wilde voor 
mij en de mijnen rijst laten koken, maar de ingebei stond 
er op om hier zelf in te voorzien, iets dat ik, hoewel hem _ 
wantrouwende, niet durfde weigeren. Ik nam dit aanbod 
dus aan, maar verlangde dan ook, dat voor mijne volgers te 
vens zou gezorgd worden, dieik allen bij mij verzocht, en ik 
wist toen de voor mij bestemde spijzen met die der koelies | 
te verwisselen. Ook des nachts was ik meer op mijne hoede 
dan gewoonlijk. 


Reeds vroegtijdig ontving ik den volgenden morgen een be- 
zoek van den ingebei en familie. Van dezen man vernam ik 
eenige bijzonderheden, die ik misschien anders niet te weten 
zou zijn gekomen. Zoo deelde hij mij mede, dat de inge= 
bei’s niet bezoldigd werden, maar een deel der rijstopbreng t 
in hun distrikt ontvangen. Verder, dat een gedeelte der ml | 
woners in hun distrikt eenen zekeren tijd in het jaar verpligt 
zijn, tegen vrijen kost voor hen te werken. Het distrikt Blan- 
toe, zeide hij mij, —en dit is genoegzaam over het geheele ei- 
land het geval, — bevat geene eigenlijke kampongs; de inwo= 
ners slaan de huizen in de elk jaar bewerkt wordende ladangs 
op. De voetpaden worden alzoo elk jaar verlegd, daar zij 
steeds zoo veel mogelijk langs de woningen leiden. Daaraan 
kan men de weinige zorg voor begaanbare wegen toeschrijven, 


373 


en ook het onbegrijpelijk kronkelen dier paden, terwijl ook 
de beste gids zich meermalen in den weg vergist. Het dis- 
trikt Blantoe zoude 100 huizen bevatten. Over de orang sekah 
in zijn distrikt repte hij geen woord. 

Ik. ging naar de rivier, ruim !/, paal van de benting ver- 
 wijderd, over eenen uit wit zeezand (soms met eenig zwart- 


nn a en 


achtig zand vermengd) bestaanden bodem. De Chinezen gingen 
naar een beekje niet ver van de benting, waar zij op 4 voe- 
ten diepte reeds eene roodachtige kong vonden, en hierboven 
eene fijne, eenigzins roodachtige aarde. Hiervan waschten wij 
drie klapperdoppen vol en verkregen eene zeer fijne helder- 
zwarte ertssoort, die ook dadelijk voor koppong-erts erkend werd, 
jn hoeveelheid volgens mijne berekening naauwelijks , wigtje. 
_ Volgens hun gevoelen was dit, indien dan al de erts goed ware, 
niet alleen te weinig om met voordeel bewerkt te kunnen worden, 
maar zelfs om het zout in de rijst te verdienen. Later vernam 


ik, dat uit deze streken vroeger 4 mandjes erts verzameld en 
naar Muntok gezonden waren, ten einde gesmolten te worden, 
‚ hetgeen de vader van den jaksa ondernomen heeft, welke den erts 
voor koppong verklaard had, daar’ hij geen spoor van tin 
opleverde. 

__ Den Aden November werd ik door des ingebei’s zoon en ver- 
der gevolg in eene praauw noord op, naar Fandjongpandang 


malen bij harde windvlagen met de zwaar geladene praauw 
oesten ankeren en eerst den Sden November in den na- 


Ie Meermalen vroeg ik mij af, wat den depati toch wel bewo- 
gen had, om mij de reis naar Blantoe, waar ik zoo goed ontvan- 
gen was, zoo bepaald af te raden, en deze als zoo gevaarlijk 
te beschrijven. Later vernam ik, dat hij geslagen vijand is 
met den ingebei, en wel om reden, dat deze laatste van zijne 
vrouws zijde aan Mas Aaors, het hoofd der Lepar-eilanden, 
naauw verwant is, en hij dus liever had, dat ik daar niet ging, het- 
zij dat hij bang was, dat ik met zijnen vijand ééne lijn zoude trek- 
ken, hetzij dat hij hoopte, dat, als ik het gouvernement kennis 


974 


gaf, dat ik te Blantoe niet had kunnen komen, de ingebei en _ 
verdere familie uit het bestuur, misschien van het eiland, ver- E 
wijderd zouden worden. ' 

Hoe het zij, ik wenschte mij zelven bij mijne terugkomst ge- À 
luk, dat ik mij aan alle deze praatjes niet had gestoord: was 
ik nief naar Blantoe gegaan, het ware eene groote leemte in 
mijne reis, en voor hen, die blijven beweren, dat Billiton rijk Ee: 
aan tinerts is, een schoon punt van aanval geweest. 

Zoo was ik, die in het vertrouwen, dat er veel tinerts op À 
Billiton te vinden zoude zijn, naar dit eiland toeging, geheel 
in mijne verwachting bedrogen. Ook de Chinezen deelden mij 
bij de terugkomst van dezen eersten togt mede, dat zij zich 
schaamden, als zij geenen erts vonden, bij hunne landgenooten — 
te Blinjoe terug komen, daar ook op Banka overal beweerd 
werd, dat Billiton rijk aan tinerts is, en men alzoo aan 
hunne kennis of wel werkzaamheid zoude gaan twijfelen. 


Reis naar Sidjoek en Boeding. 


Den 18den November in den vroegen morgen vertrok ik vand 
Tandjongpandang, door hetzelfde personeel als vroeger verge= 
zeld, en ging n. o. op over eenen zeer zandigen bodem, die 
geheel met karmoentingstruiken begroeid was. Na 7 palen gaans 
kwam ik aan eene kampong van 2 huizen, die Assamlobang 
heet, waar in de nabijheid een klein beekje stroomt, waart 
ik boorde: ik vond slechts witten zandgrond of nog fijne 


loopzand en daaronder onmiddellijk witte kong. Nabij deze | 


vond ik, 3 voet onder deu beganen grond, sporen van fijnen kop- 
pong-erts. Hier zoude, wanneer deze erts werkelijk tinerts was; 
naar der Chinezen oordeel, misschien een koelit-mijntje van 
à 6 man en 2 bandars (waterleidingen) de onkosten goed kun- 
nen maken, omdat er, volgens de kampongbewoners, steeds 


EES 


d ki 
id 
ge 


875 


overvloed van water is. In de beek zelve kon men niet be- 
‚ proeven, daar het water er te hoog ín stond. Nergens in den 
| omtrek kon ik iets dat tinerts was of aanduidde ontdekken. De- 
ze kampong is van zee p. m. 2 palen verwijderd. 
__ Den volgenden morgen liep ik stellig 19 palen ver, door uit- 
gewerkte ladangs, zonder één huis te zien. Steeds blijft de 
_grond zandig. Hierop volgt een nog slechtere weg door een 
‚ boschje, waarin vele beekjes overgetrokken moesten worden, over 
hoogst moeijelijk te bégane kunstbruggen. Die beekjes be- 
vatten geen van allen tinerts: overal is vrij grof zand gevonden 
en daaronder de kong. De koelitgrond bevat nergens een spoor 
van tinerts. Wederom eenige groote graniet-rolsteenen gezien, 
en in hunne onmiddellijke nabijheid kleine kwarts of feldspaath- 
stukjes gevonden, stellig hunne ontledingsprodukten. Op en- 


kele plaatsen heb ik hier ook kleine stukjes roodijzersteen. 


getroffen, door dater vroeger ijzererts bewerkt werd. Het ter- 


gezien, alsmede ook ijzerslakken, beiden waarschijnlijk daar aan- 
rein wordt iets golvend, doch de hoogten bedragen niet meer dan 


48 à 20 voeten. Hier zag ik den eersten bamboestoel. Na 
vl dag in het geheel 18 à 20 palen afgelegd te hebben, 
„bevond ik mij aan de benting van den ingebei van Sidjoek, die 
ij ook zeer voorkomend ontving. 

‚De monding van de rivier Sidjoek is van hier 8 palen, de 
kampong Sidjoek (3 huizen) 3 palen verwijderd. 

| Den Aöden November ging ik den omtrek der benting met de 
( hinezen onderzoeken. Ik ging ruim 2, paal zeewaarts op 
ak zag vele rolsteenen van zeer groven Braniet, De A) 


/ t ting, iets belangrijks ge en van tinerts geene sporen. 

if Den volgenden dagtrok ik, om naar Soengei Padang te gaan, 

twee armen der rivier Sidjoek over. In een dezer armen met 

„den sjam borende, stootte men tweemalen op rolsteenen, die 

bier in massa verspreid liggen: ik drong tot op 16 voeten 
iepte in de kong door, door zand, dat steeds grover werd. 

E koelitgrond werd meermalen vruchteloos gewasschen. Ook 


ij 


paste ik dien dag eene regthockige ladang af‚ die voor twee huis- « 


376 


gezinnen of zes personen, voor een jaar voldoende rijst moest 
opbrengen: ze was p. m. 400 passen langsen 225 passen breed. 
Na í2 jaren kan dezelfde grond weder gebezigd worden, Zeven- 
tien palen afgelegd hebbende, kwam ik aan een huis, %, uur 
roeijens van de monding van Soengie Padang gelegen, waar ik 
verbleef. De rivier zal hier 50 passen breed zijn. 

Den 1Î7den November de rivier uitgeroeid zijnde, zag ik, dat 
de ingang, even als de geheele kust, met vele ontzaggelijke rots- 
massa’s bezet was. Strand is hier niet, maar alles modder- 
grond. Teruggekeerd zijnde liet ik de Chinezen de rivier op- 
varen. Na Î!, uur roeiijjens konden zij niet verder komen. 
Aan geen’ der beide boorden van de rivier, noch overal in den 
omtrek, waar ik verbleven was, was tinerts te ontdekken. 

Den volgenden dag de Soengie Padang overgestoken zijnde, liep 
ik 9 palen en kwam aan de kampong Parak, de grensschei- jj 
ding tusschen de distrikten Sidjoek en Boeding. Van hier kon ik < 
den Goenong Tadjam, den hoogsten van Billiton’s bergen, zeer — 
goed onderscheiden. | 

Ik trok verder twee kleine beekjes over, die zich in de #i 
Soengie Boeding, — welke in den Goenong Tadjam ontspringt, — 
uitstorten. In een hunner werd met den sjam gestoken. De _ 
zandige grond, die over den geheelen afgelegden weg zeer fijn — 
en soms iets geelachtig gekleurd was, tot op 6 voeten diep-_ 
te door zijnde, stootte men op eene laag, die slechts 3 dui- — 
men dik was, maar vele kwarts- en feldspaath-stukjes bevatte. Bil 
Hier had men veel reden om tinerts te verwachten: onvermoeid 
werd dus op verschillende plaatsen iets van deze laag met den 
sjam naar boven gehaald, maar zelfs niet eene enkele maal hield — 
men na wassching eenig spoor van tinerts of koppong over. On-_ 
der deze laag lag onmiddellijk de kong. Na dezen dag in het 
geheel 20 prien gemaakt te hebben, kwam ik in kampong _ 
Semoenjoe, 2 huizen groot. bp, 

Den 18den November ging ik Î!/, paal o. op naar de Soen= 
gie Djamat, die ook in de Soengei Boeding zich uitstort. 
Ruim Î uur gaans hooger op van de rivier lag weleer het huis 
van den ingebei van Boeding, die sedert een jaar van woon. 


TRT 
_— 


877 


plaats veranderd is. Ik roeide dus eerst de rivier ruim !, uur 
lang af‚ als wanneer ik in de Soengie Boeding kwam, die hier 
p. m. 80 passen breed zal zijn. Nog 1/ uur roeijens verder, 
en ik had ten oosten de Soengie Gomba, die wij ingingen. De 
monding van Soengie Boeding is een uur roeijens van hier. Na 
nog 5/, uur geroeid te hebben, stapte ik aan wal, als wanneer nog 
2 palen tot aan het huis van den ingebei afgelegd moesten wor- 
den, welk huis, te midden eener nieuw aangelegde ladang 
zeer onlangs opgetrokken was. Ik werd voorkomend door den 
ingebei ontvangen, die mij voorkwam de minst schrandere van 
alle Billitlonsche hoofden te zijn, en die uiterlijk meer van een? 
koelie dan van een distriktshoofd heeft. Het onderzoek naar 
tinerts in deze omstreken, had geene betere resultaten dan 
vroeger. 

Door laag bosch liep ik den volgenden dag, zonder eene enkele 
woning te ontmoeten, een {2-tal palen tot aan kampong Moedoe. 
Onderweg geen’ tinerts gevonden. Eenmaal op het vroeger ont- 
dekte laagje kwarts- en feldspaath-stukjes gestooten , doch ook 
hier was er geen tinerts in te ontdekken. De onderliggende 
kong was hier geelachtig gekleurd. De oppervlakte van den 
grond is hier nu eens zandig, dan weder ligt geel gekleurd klei-of 

mergelachtig. Ik trok eenen kleinen heuvel om, die geheel uit 
ijzererts scheen te zamengesteld, welke erts niet magnetisch was, 
maar toch zeer geacht werd. Zes palen verder bevond ik mij 
jn kampong Seroe, waar ik in een ellendig en verlaten huis 
_ overnachtte, nabij den Goènong Seroe, die 150 voeten hoog zal zijn, 
en ten zuiden der kampong ligt. In eene put zag ik hier 
gele klei met roode aderen, even als ook wel op Banka ge- 
vonden wordt, welke dáár, even min als hier, tinerts bevat» 
door de Chinesche mijnwerkers zapkong geheeten en door 
hen op Banka nergens bewerkt wordt. Deze kampong be- 
grenst ten zuiden het distrikt Boeding, ten noorden het oos- 
telijke distrikt van den depati. 

Den 24sten November ten 6 ure op reis gegaan zijnde, fegde ik 
11 palen af door een uitgestrekt bosch, waar sedert jaren geene 
ladangs bewerkt worden, dewijl de vroegere inwoners verhuisd 


978 


waren. Het bevatte eenige hooge boomen, waaronder kajoe melan- 
ti, waaruit de dammarhars verkregen wordt. De bodem is steeds 
zandig. Bij uitzondering ziet men ligt-geel gekleurde leemaarde. 
Nergens bevat de koelit tinerts. Ook onderzocht ik in een beekje, 
datin de Soengie Mangar zich uitstort, alsmede in eene der ar- 
men van Soengie Mangar, die ik overtrok, zonder ander resultaat. 

Op deze laatste ging de boor eerst door zand, waar een 
weinig leemaarde op volgde, daarop fijn zand en daaronder 
de kong op wel 6 voet diepte, in het laagste gedeelte der rivier. 
Des namiddags, na 22 palen naar gissing afgelegd te hebben, 
eerst o. opgegaan zijnde en daarna 4 palen n., kwam ik aan 
een huis in eene ladang, waar men mij zeide, het digst mo- 
gelijk bij den Goenong Boerongmandi te zijn, maar er nog wel, 
indien men den berg bereiken kon, een dag gaans af te 
wezen. Er bestond geen weg, van welken kant men ook den 
berg bereiken wilde, naar men mij hier zeide, en om dien 
te maken, dit was in dit jaargetijde bijna onmogelijk, daar — 
de omstreken van den voet des bergs zeer laag zijn. In de 
nabijheid van dit huis werd geen’ tinerts gevonden. 

Het is hier de plaats om te vermelden, aan welke mislei- 
dingen men op eene dergelijke reizen al niet blootgesteld is. 
Naauwelijks was ik op Billiton te Tandjongpandang aange- 
komen, of een zeer oude man had zich bij de Chinezen 
vervoegd , verklarende Bankanees te zijn, weleer mandoer” 
der mijnen in het distrikt Jeboes, ten bewijze hiervan chi 
neesch sprekende, en met den heer Brerscuur op Billiton te 
zijn gekomen, waar hij later als koopman is blijven wonen. 
Hij zeide den Chinezen vertrouwelijk, dat hij wel wist waar 
tinerts te vinden was en bewerkt was geweest, maar het 
niet durfde zeggen, daar de depati hem dan zoude doen — 
vermoorden. Ik liet hem bij mij roepen, maar hij durfde 
uit vrees voor den depati niet komen, waarop ik op ze- — 
keren avond zelf hem ín de kampong bezocht. Door het be- B 


379 


aanwees, en in het laatste geval ook vrije passage naar- en 
_ toestemming om op Banka te blijven wonen, haalde ik hem 
over, om mij op reis te vergezellen. Bij mijn vertrek voor 
‚de eerste reis over Badau en Blantoe, was hij ziek, of wel deed 
hij zich ziek voor, zoodat hij toen niet mede kon gaan. Op deze 
tweede reis bleef ik er op aandringen, vooral daar hij zeide, 
dat hij op den Boerongmandi de slakken van vorige smeltingen 
‚ van tinerts wist aan te wijzen, en verleidde hem om mij te 
vergezellen, door hem een klein voorschot in geld te geven. 
Maar hoe was ik bedrogen en verontwaardigd, toen hij, in 
de nabijheid van de laatste kampong gekomen, niets van 
den weg afwist, mij zelfs eens een viertal palen mis liet loo- 
pen, en op mijn herhaald aandringen, eindigde met te ver- 
klaren, dat hij zelf er wel nooit geweest was, maar het al- 
leen van hooren zeggen had: zelf had hij nooit de bedoel 
de tinslakken gezien. Den hoogen ouderdom van dien man 
in aanmerking nemende, liet ik de zaak hierbij. Het was 
echter eene les, om in dergelijke gevallen inlanders geen ver- 
trouwen te schenken. 

Van het laatste ladang-huis dus niet verder naar den Goenong 
Boerongmandi door kunnende dringen, besloot ik den 22 
sten November terug te keeren. Ik moest alzoo denzelfden 
fweg terug, en kwam aan een der oevers van de Soengie Mangar , 
die ik in eene kleine sampang afvoer tot in de hoofdrivier , 
zijnde 2 uren roeijens. Hier moest van praauwtje verwisseld 
worden, hetgeen eenige uren duurde voor de nieuwe eige- 
naar opgezocht was. Tegen 4 uur des namiddags roeiden 
wij de groote rivier af, maar landden ten 8 ure des avonds, 
daar de kleine praauw te lek was, om geladen den ganschen 
nacht te blijven liggen. Al spoedig maakten wij vuren aan, 
kookten rijst en vleide ik mij op het zand onder den bloo- 
ten hemel neder, in mijnen mantel gewikkeld, die mij voor 
den stofregen dien nacht vrij wel beschutte. 

* Den volgenden morgen om 6 uur weder in de praauw 
gegaan zijnde, kwam ik om 10 uur aan de monding der Man- 
gar-rivier, waar de zee aar beide zijden een schoon strand 


580 


‚_ van zuiver zand vormt. Alras roeiden wij verder langs het strand 
noord op naar Tandjong Boerongmandi, waar de praauw | 
van den depati, die ik verzocht had dat daar gezonden werd, reeds 
op mij wachtende was. Vier uren zeilens waren voldoende _ 
om mij nabij deze kaap aan wal te zetten, alwaar ik weldra 
ontdekte, dat het anders witte zeezand op sommige plaatsen _ 
eene grijsachtige kleur had, zooals men ook dikwijls op de | 
Bankasche stranden waarneemt. Hier is een klein riviertje , | 
Soengie Lolo genaamd, dat in den Goenong Boerongmandi ont- _ 
springt, maar door eenen dam van zand geheel toegespoeld was. — 
In den bodem van dit riviertje was niets als zuiver zand — 
te herkennen, hetgeen voorzeker vreemd zoude voorkomen, wan- | 
neer de berg tinerts bevat. Het werd als eene onmogelijk- 
heid beschouwd om van hier den berg te genaken, daar mijn 
personeel te klein was en de middelen ontbraken om eenen — 
weg te kappen, alsook daar de zeezijde van den berg geheel _ 
met borangs (scherpe bamboezen of ander hout, in den grond Ì 
gestoken om den vijand te kwetsen), tegen de zeeroovers,_ 
die hier het wonen vroeger zeer onveilig maakten, beplant 
was. Hoe ik de zaak dus ook aanlegde, ik moet het tot mij 
ne smart erkennen, de berg bleef voor mij in dit jaargetijde — 
en met de mij ten dienste staande middelen , ongenaakbaar. 
Op het strand voor de kaap, vond ik U, voet onder het | 
zeezand een’ fijnen erts, die moeijelijk, wegens hare ligtheid, 
goed te spoelen en duidelijk laagsgewijze afgezet was. Ik liet 
een gat graven en verzamelde weldra !/, pikol gewasschen erts, — 
welk gat spoedig door het opwellende zeewater vol liep of — 
instortte. Met de boor kon hier dus ook niets uitgevoerd 
worden, daar bij elke opgaande beweging, het gat zich met 
loopzand vulde. De kaap zelve, die uit eenen 30 voet hoo- — 
gen grond van roodachtig gele aarde bestond, beklom ik, on- PN 
derzocht dien grond en bevond, dat de fijne erts waarschijn- — 
lijk door het regenwater van haar afgespoeld was, daar — 
deze grond ze ook bevatte. dl 4 
Talrijke verbazend groote granietblokken lagen hier op en_ 
voor de kaap verspreid. Tegen den avond stapte ik aan 


Se Pik Ee peen 


söl 


boord der praauw van den depati en ging noord op. Ten 
noorden der kaap ligt de Goenong Boerongmandilawut, ter 
onderscheiding van den achter haar liggenden Goenong Boe- 
rongmandidarat. Zoo komt men verder voorbij Telok On- 
tong (vrij vertaald: baai van geluk, “waar weleer een hoofd 
der zeeroovers zijn verblijf hield en waar zij bij vervolging 
eene veilige schuilplaats vonden), dan voorbij de Soengie Pring, 
die de grensscheiding tusschen Boeding en het oostelijke distrikt 
van den depatiis. Ik had toen gelegenheid op te merken, hoe 
gehard en gespierd de orang sekah zijn, die als matrozen op 
de praauw dienen. Jongens van {2 à Î4 jaren zaten 36 uren 
bijna onafgebroken aan de lange riemen. Den 2östen Novem- 
ber kwam ik te Tandjongpandang aan. 


Reis naar den Goenong Tadjam en Soengie Lingga. 


Den 5den December in den morgenstond aanvaarde ik de 
reis naar den Goenong Tadjam, genoodzaakt zijnde den oppasser 
en den ouden Chinees wegens zware koortsen achter te laten (een 
mijner jongens was weder hersteld). De weg leidde weder, 
even als toen ik naar Badau ging, eerst over Trawas, maar 
wegens de vele regens was het riviertje Ajer Raja zoo ge- 
zwollen, dat de vorige weg nu niet gevolgd kon worden. Ik 
ging dus wat noordelijker op, waar eene brug was, die wij 
overtrokken, echter nog tot aan de borst. door het water wa- 
dende. Ik ging nog 4 palen verder, onder eenen vrees- 
selijken stortregen, tot kampong Ajerboelokklekkabaroe, uit 2 
huizen bestaande, waar ik verbleef, 

Den volgenden dag werd ik door den gids, een’ Balinees, die 
sedert lang op Billiton woonde, zeer misleid, daar hij, ofschoon drie 
dagen vroeger van den Goenong Tadjam gekomen, zich in den weg 
vergistte. Hij bragt mij tot voor den berg Tamboeroean, toen 
wij weder terug moesten, altijd onder eenen harden regen. Ik 
gaf hem mijn misnoegen hierover eenigzins gevoelig te ken- 


302 


nen, in tegenwoordigheid van allen die mij volgden, beval 
hem, zich nimmermeer bij mij te vertoonen en liet mij van huis 
tot huis door eenen gids vergezellen. Toen kwam ik na 7 palen 
gaans weder langs eenen omweg in kampong Ajerboeloe- 
tombang, die, als men den juisten weg volgt, slechts 3 palen 
van de plaats waar ik overnacht had, verwijderd is. 

Den Zden December liep ik door bewerkt wordende en af- 
gewerkte ladangs op den Goenong Tadjamiaki aan. Ik moest ver- 
scheidene beekjes tot aan den buik of de knieën doorwaden. 
De grond bleef steeds zandig. Ik zag een paar weinig verhe- 
vene heuvels, die granietrolsteenen aan hunnen voet had-_ 
den liggen. Ik trok alzoo 4 kampongs, elk van 2 á 4 hui- | 
zen door en den Goenong Tadjam van w. tot n. om. Hier komt 
men aan eene vlakte, welke uit het zuiverste witste zeezand | 
bestaat, en, waar alleen een bijzonder laag struikgewas, geen 
enkele boom of andere plant, groeit. Hier lag ook veel rood- 
ijzersteen in grootere en kleinere stukken verspreid. Dien dag 
90 palen gemaakt hebbende, kwam ik aan een huis ten n. 
van den Goenong Tadjam gelegen. | 

Het regenachtige weder weerhield mij, om dien dag nog den berg 
te beklimmen. De Chinees onderzocht de kleine beekjes, die van! 
den berg afstroomen, en de lage streken in de nabijheid. Hij_ 
kon geen’ tinerts ontdekken. De grond bestaat hier hoofdzakelijk 
‚uit eene gele leemaarde. Vele rolsteenen, geene grootere, 
meestal kleinere, die uit zandsteen bestaan, worden door die 
stroompjes medegevoerd of afgezet. Geene ontledingsprodukten 
van graniet hier aangetroffen. Beide omstandigheden deden alras 
vooronderstellen, hetgeen mij den volgenden dag duidelijk werd, 
dat de hoofdformatie van den berg geen graniet, maar zand- 
steen zoude zijn. 4 

Den Yden December begaf ik mij ten 5, uur naar den 
berg. Ik ging z. op, over eenen vlakken bodem, toen ik 
eenen berg bereikte, die hier voor den Goenoeng Tadjam ligt. ) 
Deze berg moest eerst beklommen worden, en zal volgens mijne 

berekening wel 1000 voeten hoog zijn, zoodat men uit het 
huis, waar ik overnacht had, alleen dezen berg, en niets van 


805 


den Goenong Tadjam zien kon. Mijn barometer ontsteld zijnde, 
was achter moeten blijven. Den top van den eersten berg be- 
reikt hebbende, moest men weder %5 van zijne hoogte dalen 
en toen den Goenong Tadjam bestijgen. Deze berg is volgens de 
inlanders 250 vademen hoog. Ik zal hem op 1200 voeten stel- 
len. Van den voet van den eersten berg tot aan den top van 
den Goenong Tadjam zal de weg wel 8 palen lang zijn. 

Op zijnen top gekomen, zag ik aldra de drie graven van 
Arabieren, die jaren oud zijn en zeer in eere worden gehou- 
den, en voor welke alzoo eerst gebeden en gewierookt werd. 
Het kostte vrij wat moeite, eer ik de koelies overgehaald had, 
om die boomeu, — welke het gezigt uit den hoogen boom, 
dien ik beklommen had, beletteden, — om te kappen, daar 
zij meenden, dat hierdoor heiligschennis begaan werd. 

Ik peilde nu de punten, die ik zien kon of bij name ken- 
de, gelijk hierboven reeds medegedeeld is. Boven is de berg 
uit eene gele klei- of leemaarde zamengesteld. Op zijne 
helling ontmoet men vele steenen van eenen zachten geelach- 
tigen zandsteen, en blijkt het ook op vele plaatsen duide- 
lijk, dat deze steen de vaste massa des bergs uitmaakt. De 
medegenomene exemplaren kunnen mijn oordeel staven. Aan 


den voetdes bergs vindt men veel roodijzersteen. Na een ver- 
blijf van 3 uren op den top werd de terugreis aangenomen. De 


weg, die over den berg leidt, is onbeschrijfelijk slecht en moecije- 


lijk. De berg wordt slechts zeer zelden beklommen, zoodat 


de meeste Billitonnezen, die ik sprak, nooit op zijnen top 


waren geweest. Een Europeaan was nog nooit in de bin- 


_ nenlanden geweest, en had dus veel minder den berg bezocht. 


Zeer vermoeid kwam ik in den namiddag in de reeds ge- 


noemde woning terug, en werd een koortsachtig gevoel ge- 


b 
| 


“waar, dat ik aan het steeds door en door nat zijn gedurende 


de vorige dagen, toeschreef. 

Den volgenden dag vertrok ik van daar. De weg leidde 
eerst door een bosch, waarin enkele groote boomen en bij- 
zonder veel bankoean (eene tot de Cycadeën behoorende plant) 


gevonden wordt, waarna men den eenen arm van de Soen- 


ar 3 
_ k 
hi 
% 
… 


904 


gie Boeding overstak, die in den Goenong Tadjam ontspringt. 
Hier kon men niet onderzoeken, daar het riviertje, geheel _ 
met zandsteen- rolsteenen opgevuld was. Na 5 palen kwam 
men in eene vlakte, welke voor een klein gedeelte met gele 
klei- of leemaarde, even als het bosch, dat er geheel uit be- | 
stond, met veel zand gemengd, te zamengesteld was. Verder 
op vond men niets als zeer zuiver wit zand. Geen’ enkelen 
boom of plant ziet men hier, behalve eene tjemara, die ge- 
woonlijk alleen aan het zeestrand groeit. Ten z. z. w: had 
ik eene lage bergketen in het gezigt, waarvan de Goenong 
Sepong den hoogsten heuvel vormde. In het geheel 12 pa- 
len gemaakt hebbende, kwam ik aan kampong Boeding,_ 
weder behoorende tot het distrikt Boeding. Ik was toen 
steeds oost opgegaan. Nu werd de Goenong Sepong geheel 
omgetrokken. Het terrein bleef bijna zonder uitzondering even 
zandig. De onderzoekingen naar tinerts leverden niets bij- 
zonders op; alleen negatieve resultaten. Na 22 palen afgelegd — 
te hebben, kwam ik aan kampong Kajoeararambej, 9 hui- 
zen groot, waar ik verbleef. 
Den Îlden December vroegtijdig op reis gegaan zijnde, be- 
zocht de koorts mij weder nadat ik had drie palen afgelegd. Nog 4 
5 palen moest ik over een gelijk terrein als dat van den vorigen E 
dag voortgaan, toen ik het eerste huis bereikte, in eene zeer 4 
onlangs aangelegde ladang gebouwd en kampong Baroe ge- 
heeten. 
Den volgenden dag ging ik weder 9 palen verder. Ik 
trok twee armen der Soengie Lingga over, die in den Goenong 
Badau ontspringt, en kwam toen aan kampong Lingga, waar ik 
dadelijk tegen betaling eene handelspraauw van Blantoe preste_ 
om mij de rivier uit te brengen, waar volgens de afspraak, del 
praauw van den depati reeds 2 dagen op mij had moeten — 
liggen wachten. Nergens zijn, uit vroegere vrees voor de d 
zeeroovers, wegen van het strand naar de binnenlanden ge- 
maakt, terwijl om die reden dan ook eerst op eenen behoor 
lijken afstand van het strand, inwoners en ladangs gevon= 
den worden. Geene andere praauw was er aanwezig. Te-_ 


985 


gen den avond bereikten wij de monding der rivier, maar 
de praauw van Tandjongpandang was nog niet aangekomen. 
Daar die echter niet lang meer achterwege konde blijven , zoo 
zond ik de handelspraauw op dringend verzoek van den eige- 
naar terug, en vleide mij in eene brandende koorts, onder 
eene katjangmat, op het strand neder. 

Den f3den bezocht de koorts des morgens reeds vroeg 
mij weder. Tegen 8 uur kwamen drie praauwen met orang 
sekah aan wal: zij waren 18 man sterk. Het hoofd der 
praauwen kwam mij, onder de mat liggende, bezoeken. Een 
mijner volgelingen zeide mij, dat hij Ma Corrie heette, die met 
Ma Mina, Ma RanrJan, Pa Morpa en Ma Srrar, des depati’s 
bevelen niet hadden willen gehoorzamen, dezelfden, over welker 
rooverijen door den depati aan het bestuur te Banka geklaagd 
was. Hij bezag mijne wapens en vroeg om rijst te koop, dat 
ik weigerde, daar het overblijvende naauwelijks voor twee dagen 
meer voldoende was, waarop hij met de zijnen vertrok. Des 
avonds waren $ groote sekah-praauwen, waarvan 2 de rivier 
instaken, misschien om mij, wanneer er iets voorviel den af- 
togt over land door het bosch af te snijden, in het gezigt. Zij 
schenen tot het donker was te willen wachten met te landen, 
en kruisten op !/, mijl afstands voor de plaats, waar ik mij be- 
vond. Ik liet verscheidene vuren aansteken, en besloot om het 
uur wacht te laten houden, zelf, — de koorts was geweken, — 
het eerste voorbeeld gevende. Het weder werd vreesselijk storm- 
achtig, het stortregende den geheelen avond, zoodat wij allen 
maar moesten zorg dragen, dat ons eenigste beschutsel, de 
katjangmat, niet weg woei. De praauwen konden bij dit weder 
toch onmogelijk landen en waren den volgenden morgen een 
gezigt ver terug geslagen. 

Den Î5den December bezocht de koorts mij weder; de me- 
degenomene rijst was nog voor dezen dag voldoende; het zout 
was reeds den vorigen dag opgebruikt, maar in de zee, die voor 
ons lag, was genoeg voorhanden. Als ware schipbreukelingen, 
was reeds honderd malen naar de plaats van waar de praauw 
moest komen gekeken, toen ten Î ure de praauw van den 


366 


depati, vlag in top hebbende, herkend werd, welke praauw, 
wegens slecht weder en tegenwind, Á dagen langer reis had 
gehad, dan men berekend had. Wij scheepten ons zoo spoedig 
mogelijk in, en bevonden ons (ten noorden weder het eiland 
om moetende, daar de westmoesson de zuidelijke passage moeijc- | 
lijk en langdurig maakte) den Î7den December weder te Tan- 
djongpandang, waar ik door het gebruik van kinine de koorts 

weldra verjoeg. E 

Ik beschouwde nu mijne reizen over Billiton als geëindigd, 
hebbende ik het eiland in drie verschillende rigtingen doorkruist. 
Daar er geene Nederlandsche vaartuigen in de Billitonsche wa- 
teren gestationneerd waren, zoo besloot ik met de op het ein-_ 
de van elk trimester van Billiton naar Toboalij vertrekkende E 
praauw , om rijst en het traktement van den depati te halen, 
mede te gaan. 

Ik was alzoo niet weinig gelukkig, toen ik op den 2ásten Á 
December, hoewel in eene zeer lekke praauw en bij ongunstig 
weder, mij inscheepte en het eiland Billiton verliet. Dit zal niet 
toegelicht behoeven te worden, als men nagaat, welk een ellen— 
dig land ik doorreisd had. Een groot gedeelte van den dag 
moest men over zeer slechte voetpaden te voet gaan, met het 
hoofd gebukt, om toe te zien, op welke plaats men den voel 
nederzette, zonder eenige afwisseling in het afgrijsselijk leelijke 
landschap, gewoonlijk nog minder smakelijk gevoed, dan de 
minste koelie te Batavia, in ellendige huizen of onder den blooten 
hemel den nacht doorbrengende, die voor mij des avonds ten 
6 ure begon, daar wegens de muskieten geen licht kon aan- 
gestoken worden en een verpestende rook deze plaag alleen 
kon afweren. Verder deed zich dagelijks meer het gebrek aan 
één eenig persoon slechts, met welken ik spreken kon, met | 
wien ik over alle die ongemakken kon schertsen, gevoelen, 
vooral daar op de togten noch lektuur, noch eene eenige 
zaak die voor den Europeaan gemak aanbrengt, mede genomen _ 
kon worden, zoowel wegens de wijze van pikelen (dragen) in 
de kleine mandjes, — waarin alles bij regen doornat werd, hoe 


__men ze ook verzorgde, — als door gebrek aan koelies. zi 


Pe 
e 


; 
| 


887 


Den 27sten December kwam ik, na eene reis van ongeveer Á 


dagen en 3 nachten te Toboali aan. Om van hier over zee naar 


_ Muntok te gaan , dit durfde ik met de oude ranke praauw niet on- 


| 
| 
| 


dernemen: het was reeds een klein waagstuk te noemen om 
met haar van Billiton over te steken. Onophoudelijk toch moest 
het water door één, soms twee menschen te gelijk, uit haar 
geputst worden. Eene andere praauw was op Toboali niet 


_ aanwezig, zoodat mij niets anders overbleef dan de reis naar Mun- 


tok overland te maken. Dienzelfden nacht vingik die dan ook 
aan, maar vorderde wegens gebrek aan koelies voor mijne 
goederen, die niet vooruit besteld konden worden en wegens 
vele zieken en sterfgevallen alsmede door het pressen voor de 
militaire operatiën, schaarsch waren, zeer langzaam. Ik zag 
toen in, dat het niet mogelijk was om de mailboot, die in de 


eerste helft van Januarij Muntok aandoet, aldaar nog aan te 


treffen, en reisde dus minder gehaast over de distrikten Koba, 
Soengislan en Pankal pinang. Van deze laatste plaats ging ik 
over Roemah bakon, waar het hoofdkwartier van den majoor 
_kommandant der Bankasche expeditie was, naar Kotta waringin, 
van waar ik met eene praauw, na 2 dagen en 2 nachten reis 


over zee, den 23sten Januarij 1851 te Muntok aankwám , en 


verder met de mailboot den 9den Februarij van daar vertrok, 
„waarna ik den 40den dier maand te Batavia wederkeerde, 
na eene afwezigheid van bijna 5 maanden. 


4 

' 

Geologische beschrijving van Billiton, met Banka en het 
wèl of niet aanwezen van tinerts in verband gebragt. 


: Een terrein geologisch te beschrijven is geene ligte zaak. 
Hoe verder men in de wetenschap der aardkunde indringt, 
hoe meer men de moeijelijkheden daarvan inziet en onder- 
vindt. Om een eiland van eene uitgestrektheid als Billiton goed 
geologisch te onderzoeken, daartoe behoort vrij wat langer 
tijd dan ik op het eiland heb doorgebragt, daartoe behoeft 
men vrij wat meer en meer zamengestelde middelen, dan 
me II. 30 


888 


mij ten dienste stonden. Het is daarom, dat ik, bij het be- 
handelen van dit onderwerp, om bijzondere verschooning ver- | 
zoek. Het hoofddoel der reis was een onderzoek naar tin- 
erts (f). Wat ik daarenboven geologisch opgemerkt heb, mag 
als bijzaak beschouwd worden. dl 
De hoofdformatie van Billiton is, dunkt mij, even duidelijk 
uitgedrukt als die van Banka. Op Banka is deze graniet of 
syeniet; op Billiton zandsteen. Elke door mij bezochte berg 
van eenige hoogte is op deze beide eilanden respectievelijk uit 
deze steensoorten gevormd. De granietrolsteenen, op Billiton 
gevonden, zijn alzoo van elders aangevoerd, even zooals het 
mogelijk kan zijn, dat dit voor een deel ook op Banka het 
geval is geweest: hierover heb ik meer breedvoerig gehandeld 
in mijne reisrapport over Banka en Malakka aan het gouver- 
nement. Op Banka treft men ook van dezelfde soort van _ 
zandsteen aan; ik herinner mij onder anderen te Muntok, waar 
dan ook in den omtrek gele mergel gevonden wordt. Of dus 
op Billiton de zandsteen op eene graniet-basis ligt, is, zonder 
diepere boringen, dan ik heb kunnen doen, niet gemakkelijk ge- 
heel uit te maken. Zeker is het, dat de graniet op Billiton, ner- 
gens waar ik geweest ben, ondubbelzinnig aan den dag komt. 
En op dit punt heb ik bijzonder de aandacht gevestigd, ten 
einde het in verband te kunnen brengen met de onderstel- 
ling, dat de tinerts op Banka gevonden, van Banka'’s bergen, 
of wel, gelijk ik vroeger aangenomen en verdedigd heb, van 
elders en wel van het noorden afkomstig is. De tinerts wordt 
eigenlijk alleen in primaire gesteenten, in graniet, porfier, 
enz., gevonden, en slechts alluviaal, wanneer genoemde tinerts 
bevattende gesteenten, door den invloed van lucht en water ont- 
leed zijn. Worden dus aan de oppervlakte van een zeker 
terrein, geene groote massa’s graniet, porfier, enz., gevonden, 
die tinerts kunnen bevatten, er zal ook geen alluviale tinerts, 
als het van die plaats afkomstig moet zijn, gevonden kunnen 


(1) Met het oog op de techniek namelijk, hetgeen niet onduidelijk uit 
_ het vroeger aangehaalde gouvernementsbesluit blijkt. 


3 


399 


worden. Dit nu is het geval met Billiton, en voor hen, die 
‚de eerste stelling als waar aannemen en met kennis van zaken 
en terrein verdedigen, die zullen al dadelijk uit de afwezig- 
heid van groote massa’s primaire gesteenten aan de oppervlak- 
te, besluiten, dat Billiton geen’ alluvialen tinerts (1) kan bevatten. 
Verdedigt men daarentegen het omgekeerde der gemaakte stel - 
ling (2), zoo zal men de op de hoofdformatie van elk terrein 
liggende alluviale lagen nader moeten beschouwen. 

_ „De pogingen om de onder den alluvialen tinerts gelegene kao- 
lienaardelaag (door de Chinezen konglaag genaamd) door te 
dringen, en die in mijn rapport over Banka medegedeeld zijn, 
: ijn zonder resultaat gebleven. Men blijft dus ten naastenbij in het 
onzekere, wat er tusschen den graniet op Banka en de konglaag 
ligt, of wel, als er zandsteen boven den graniet op vele plaat- 
sen ligt, of de kong onmiddellijk op den zandsteen ligt. Deze 
konglaag, uit ontleed veldspaath ontstaan, vindt men ook op 
B Uiton. De meeste boringen op lage plaatsen, die ik in het 
werk gesteld heb en die in het vorige gedeelte van dit verslag 
beschreven zijn, werden als geëindigd beschouwd, wanneer 
deze laag aangetroffen werd. Niets magtigt ons, om deze laag 
te denken, op eenen anderen tijd ontstaan te zijn, als de 
Bankasche, en alzoo kan men, van deze laag af, alles wat op 


se 


kl 


8 1) Toe te lichten, hetgeen ik hieronder versta, zal onnoodig geacht 
worden: dit volgt trouwens dan ook op pag. 402, „dat het eiland Billiton 
geen’ tinerts in zijnen bodem bevat, namelijk niet op zulk een wijze enz,” 
we ke plaats ik tot deze omschrijving mijner gevoelens hieromtrent als de 
meest geschikte uitgekozen heb, om eene gedurige herhaling te vermij- 
den. Daarenboven zal hier niet behoeven opgemerkt te worden, dat groote 
h peveelheden alluvialen tinerts (welke gedachte van het woord exploitatie 
or afscheidbaar is) als deze dan van primaire gesteenten afkomstig zal zijn, 
door de ontleding van zelden aangetroffen tinoxyde bevattenden graniet 
afgezet kunnen wezen. 

Á (2) Volgens deze stelling zoude Billiton even goed groote hoeveelheden 
_ tinerts Kunnen bevatten, zonder dat er solide primaire gesteenten aange- 
roffen worden. 


MN 
nl 


ES 


| k ps 
| lig 


90 


Banka en Billiton er boven ligt, als in hetzelfde tijdsverloop i 
gevormd te zijn, zich voorstellen. 

Wie nu vraagt: waarom zijn de lagen boven de kong op Ban- | 
ka en op Billiton nu niet dezelfde, wanneer zij toch in het- E 
zelfde tijdsverloop gevormd zijn? — kan met hetzelfde regt vra- — 
gen; waarom de snelheid van het licht niet grooter of minder Î 
groot is? waarom de sterkte van het licht zich in omgekeerde _ 
rede van het vierkant der afstanden verhoudt enz. Zóó zijn er $ 
in de natuurkundige wetenschappen, en in geene meer dan in 
de geologie , honderden zaken, die men door waarneming gron- % 
dig kent, maar waarin men bij het „waarom” het antwoord 
schuldig moet blijven. 

Dezelfde vraag kan men, wat Banka aangaat, opperen, waar 
om twee nabij elkander gelegene valleijen niet even rijk zijn, 
of wel, waarom dezelfde vallei op eenige plaatsen zooveel 
rijker is dan op andere (f). In slechts enkele gevallen kan 
men deze vraag, en dan nog wel zeer gewrongen, eaitwoortei 

Maar dit weten wij, dat op Banka en Malakka de tinerts nim 
mer zonder de ontledings-produkten van het graniet voor 
komt. Vindt men deze op Banka dan soms niet in den bo= 
vengrond (koelit), en wel tinerts, de reden daarvan kan ge 
vonden worden, in hetgeen in een vorig rapport door op 
merkingen in loco bijna is gestaafd, dat een tweede water É 
vloed waarschijnlijk op de door eene vroeger aangevoerde en _ 
afgezette tinertslaag ingewerkt heeft. Dit doet echter niets 
ter zake: de op de kong rustende tinertslaag is steeds met 
kwarts- en veldspaathstukjes vermengd (2); zeer dikwijls vind 


men ook deze mineralen aan de oppervlakte van den bodem. 


(1) Welke groote verschillen in ertsrijkheid neemt men op Banka, in 
eene en dezelfde kollongmijn (eene oppervlakte van 10,000 [J meters of 
meer of minder) op onderscheidene plaatsen soms niet waar. 

(2) Hetgeen ik in de vele verschillende door mij bezochte tinmijnen op 
Banka en Malakka heb gezien en opgemerkt, heeft mij tot dit besluit ger 
leid. 


391 


Ontbreken deze, dan kan: men bijna zeker reeds tot de af- 
wezigheid van tinerts besluiten, zonder dat daarom de aan- 
wezigheid van kwarts en veldspaath of ook wel hunne ont- 
ledings-produkten, ook het aanzijn van tinerts aantoonen, daar 
deze van primaire gesteenten, die geen’ tinerts bevatten, afkom- 
stig kunnen zijn. Op één uitzondering na, die tot bevestiging 
van het aangevoerde mag strekken, namelijk het laagje kwarts- 
en veldspaathstukjes drie duimen dik, in de reis over Billiton 
beschreven, is nergens, waar ik geweest ben, iets aangetrof- 
fen dat naar kwarts of veldspaath geleek. 
Verder vindt men op Banka en Malakka na zware regens 
op honderden plaatsen (f) steeds tinerts uitgespoeld op de wegen 
liggen, soms met meer of minder mica-plaatjes vermengd. Niets dat 
daarop geleek, heb ik op Billiton waargenomen. 
Wanneer ik dan al toestem, dat de geologische gesteldheid 
van Billiton, verre van geheel bekend is, ik houde mij over- 
‚ tuigd, dat, uit hetgeen men er van weet, stellig kan beslo- 
ten worden, dat alluviale tinerts op diepten, zooals ze op Banka 
voorkomt en op de Chinesche wijze bewerkt kan worden, op 
_ Billiton niet aanwezig kan zijn, mij steeds bepalende tot die 
4 streken, waar ik mij, volgens aanteekening op de kaart, be- 
vonden heb. 
Ten slotte van dit hoofdstuk voel ik mij genoopt aan te 
merken, dat het nief vinden van tinerts op Billiton, mijn ge- 
voelen omtrent den oorsprong van den Banka-tinerts volstrekt 
niet heeft veranderd, daar de onderstelling , dat Billiton tinerts 
zoude bevatten , maar weinig kracht bij zoovele andere waar- 
genomene daadzaken kan bijzetten. Valt nu deze onderstel 
ling weg, dan zullen deze daadzaken dezelfde kracht be- 
houden en voldoende zijn, om het geuite gevoelen te staven. 


/ 
kh 


& 
et 


Ni 
F 

Pe 
„ 


k 
be 
p 
8 


(1) Niet overal, daar niet overal de omstandigheden dáár zijn, dat dit 
__ plaats kan hebben, en toch ook op Banka zelf vele plaatsen aangetroffen 
_ worden, die zich tot eene tinexploitatie niet laten aanbevelen. 


892 


Wat was er vóór deze reis over de Billitonsche tinaangele- 
genheden bekend? 


Wanneer ik deze vraag naar mijn beste vermogen tracht te 
beantwoorden, zal ik mij geenszins bepalen tot die geschrif- « 
ten, welkee door menschen, die persoonlijk niets van de zaak af Ì 
konden weten, gepubliceerd zijn. Zoo zegt Dr. Erp in zijne „„Schil- © 
derungen aus Indiëns Archipel in 1841”, terwijl hij nooit 
op Billiton is geweest: „wenn auch die Ausbeute von Zinn — 
„auf Banka minder ergiebig werden sollte, so bietet doch die 
„Insel Billiton ein reichhaltiges Lager von Zinnerz dar” en 
wat verder: „der Insel Billiton, die in ihrer Formation und 
„in ihren Naturproducten mit Banka übereinkomt, ist reich — 
„an Zinn und Eisen.” Zulke uit de lucht gegrepen gezegden 
zal ik niet wederleggen. } 

Veel meer belang, dan in hetgeen daar zonder een eenig 
bewijs medegedeeld wordt, stel ik in de officiële stukken over ES 
Billiton , in ’s gouvernements archief voorhanden, en verzocht je 
daarom bij missive aan den algemeenen sekretaris, inzage van Ë 
alle de stukken, het eiland Billiton betreffende. Hetgeen in 
deze over de tinaangelegenheid behandeld wordt, zal ik hier id 
mededeelen, en, waar ik zulks noodig acht, toelichten. Á 


De voormalige raad van Indië H. W. Munrinaae heeft in eene Ë 
nota dd. 9 Augustus 1820, betrekkelijk de inbezitname van het © 
eiland Billiton, de volgende vraag behandeld: Js het bezit van ® 
Billiton voor ons belangrijk , niet alleen negatief , om afbreuk aan 4 
de zeeroovers te di maar ook wegens de produkten van dat À 
eiland, als tin, enz.: zoo ja, welke zijn de vooruitzigten, welke 
het bezit van Billiton oplevert ? Ë 

Uit het opperen der vraag alleen, zou men moeten opmaken, — id 
dat het daarzijn van tinerts op Billiton met zekerheid bekend k 
was en moet men dus verwonderd zijn, dat in de beantwoor- À 
ding hierover niets bepaalds uitgesproken wordt. Dit punt 
wordt in genoemde nota dan ook zoo vlugtig behandeld, dat 
het niet alleen blijkt, dat alle inlichtingen hieromtrent ont- 
_ braken, maar dat men ook duidelijk opmerken kan, dat hef 
aannemen van het aanwezen van tinerts alleen op overleverin- 


Á wel eenig licht: werden toch tin en ijzer beiden bewerkt en 


895 


gen en vertelsels berust. Niemand zal dus het hier verhandelde 
als een bewijs, dat er tinerts op Billiton gevonden wordt, durven 
beschouwen, daar men dan met hetzelfde regt ieder, die zoo iets 
bevestigend zegt, omdat hij het anderen heeft hooren vertellen, 
als een bewijs te meer voor de stelling zou kunnen bijhalen. 

Het kan alzoo niet onbelangrijk zijn, hetgeen in boven- 
genoemde nota over Billitonschen tinerts en tin gehandeld wordt, 
mede te deelen. De verschillende zinsneden zal ik alzoo over 
dit onderwerp hier verzamelen, als: 

„De hoeveelheden tin en iijzer, welke het eiland Billiton op- 
„levert of zow kunnen opleveren, zijn niet bekend; evenmin is 
s„bekend de wijze, waarop daarvan de bewerking en betaling 
„geschiedt. Er schijnt echter van deze produkten geene ver- 
»pligte leverantie aan den sulthan van Palembang te hebben 
‚„bestaan;” (hierop zal ik nader terug komen): „alleen van het 
„ijzer, in kleine schuitjes of tot spijkers geslagen, heb ik eene 
„kleine hoeveelheid bij wijze van geschenk of hommage zien 
„aanbrengen. De ingezetenen van Billiton verkochten het ijzer 
s,gewoonlijk tegen 5 Sp. matten de pikol: even zoo zal het 
„waarschijnlijk met het tin gelegen zijn, doch welke prijs daar- 
„voor verkregen wordt is mij onbekend” 

Deze laatste zinsnede, hoe bevreemdend ook, geeft toch 


, van Billiton uitgevoerd, waarom zoude men alleen van het 
ijzer, — en het schijnt vrij zeker bewezen, dat dit sedert jaren 


ER. 
bj 


_ bewerkt wordt, — den prijs kennen? — 
Verder bestaat er eene missive van den kapitein, civielen en 


/ Ne dje IE 
_ militairen kommandant van Billiton, Morrr, aan den raad van 


} Indië Munrineuze gerigt, dd. 5 November 1822, welke de vol- 
_ gende zinsneden, letterlijk overgenomen, bevat: 


„On me conseil de là (dix pas de Tanjong Tamelam) met- 
„tre un poste á cause qu'il y a beaucoup de Y'étain, mais 


„l'on me dit dans tous les cas si on va là que l'on doit bien 


„se fortifier à cause que c'est un passage des pirates et cette 
„position sera malsaine á cause qu'il ya beaucoup de letain etc. 
„On m'a aussi dit que Tanjong Birom Mandi est une po- 


304 


„sition à peu près comme Tanjong Tamelam, que là il y a 
„aussi beaucoup de Yétain, que cette place est malsaine et 
„encore déserte (sur le dire des plusieure personnes il y a 
„„environ 70 à 80 ans qu'il y a eu là un établissement Euro- 
‚„péen ils y ont fait quelques retranchements et ils y ont pris 
„de létain, il a fallu qu'ils abandonnent cette place à cau- 
„se qwelle est très malsaine, on na’ pas pu nous dire qu’ elle 
„nation qui a là été), etc.” 

Verder: „il parait que le Depattie veut livrer le fer lui même 
„au gouvernement. Quant á l'étain il n'en parle pas, parce- 
„que les gens de Billiton ne s'avent pas le travailler, il est 
„venu ici quelques Chinois de Pontiana qu’ils m’ont dit que 
„‚si le gouvernement voulait faire quelques avances qu'il vien- 
‚„„draient beaucoup des Chinois de Pontiana à Billiton pour 
„commercer et travailler, etc. 

„Radeen Badau me dit qu'il en n’à tiré (de Y'étain) à Tan- 
„jong Binga, et Intje Oemaar me dit qu'il en n’a tiré à Tan- 
„jong Padang. 

Het moet verwondering baren, dat alles wat in genoemden 
brief over tinerts handelt, zoo onbepaald, onduidelijk en on- 
waarschijnlijk voorgesteld wordt door iemand, die langer dan 


eenige andere Europeaan op Billiton verbleven is, die als ci- 
viele kommandant het best in de gelegenheid was, de noo-_ 


dige berigten over tinerts in te winnen. 
Men raadde den kapitein aan, om een fort op Tanjong Tamelan 
te bouwen, want men zeide, dataldaar veel tin was; ook zei- 


de men hem, dat het aanwezen van tnerts de plaats zeer on- 
gezond maakte. Dit laatste punt zal der wederlegging niet 


noodig gekeurd worden. — Nabij Tanjong Tamelan heb ik in 


een riviertje valschen erts (koppong) in eene uiterst kleine hoe- 


veelheid ontdekt: aldaar deelde een der oudsten mij mede, 
dat hij zelf, voor vele jaren, 4 gevlochten mandjes met derge- 
lijken erts, naar Muntok heeft overgebragt, waar de vader van 
den tegenwoordigen jaksa dien heeft getracht te smelten, maar 
er niets geen tin uit heeft kunnen verkrijgen. Ook dit ver- 
klaart de jaksa zich nog te herinneren. 


595 


Het is alzoo meer dan waarschijnlijk, dat de tinerts, waar- 
over de kapitein heeft hooren spreken, koppongerts is geweest. 
Hetzelfde mag men over hetgeen van Tandjong Boerongman- 
di gezegd wordt, besluiten. Ook daar heb ik niets anders, 
dan koppongerts gevonden en dat nog wel in groote hoeveel- 
heid. Alweder is hetgeen men den kapitein gezegd heeft, 
over het bewerken van tinmijnen aldaar, vóór 70 à 80 jaar, 
zeer wel overeenkomende met hetgeen de oude Bankanees mij 
voorgelogen heeft en waarover op pag. 979 hiervoren gehandeld 
is, iets dat alzoo tot de vele inlandsche sprookjes zal behooren. 

De tegenstrijdigheden, welke verder de brief bevat zijn opmer- 
kelijk. Volgens den kapitein toch, wil de depati wel ijzer 
aan het gouvernement leveren, maar over tin wil hij niet spre- 
ken, daar de Billitonnezen dit niet bewerken kunnen (dit 
metaal is gemakkelijker uit zijnen erts te verkrijgen dan het ijzer), 
en laat er dan dadelijk op volgen, dat Rapen Bapau tin op 
Tandjong Binga bewerkt heeft en Inrse Ormaar op Tandjong 
pandang. 

Toevallig is het zeker, dat mij, zoo als men mij zeide uit 
het kabinet van het Bataviaasch Genootschap, erts van Tan- 
djong Binga is geworden , die mij gebleken is niets als kop- 


1 pong-erts te zijn, en dat S. Pantjor, waar ik ook koppong- 


erts gevonden heb, zoo nabij Tandjong pandang is gelegen. 


_ Op drie van de vier verschillende plaatsen, of in hunne nabij- 
heid, waar dus volgens de nota van den kapitein Morre tin- 


erts aangetroffen of bewerkt is, heb ik koppong-erts gevonden, 
en aangaande de vierde plaats (Tandjong Binga) is hetzelfde 


_ resultaat verkregen. 


Ten slotte bevreemdt het mij, dat Pontianaksche Chinezen 


_ (Bankasche zou een geheel ander geval zijn) tinmijnen op Bil- 
_ kton zouden komen bewerken: wilden zij daar komen om 
handel te drijven, of een ambacht uit te oefenen, dit is het, 


wat een 20-tal Chinezen thans op Billiton aan den kost 
helpt, maar het is er verre van af,‚ dat ieder Chinees uit 
onze bezittingen, Banka uitgezonderd, het tinmijunwerk zoude 


_ verstaan. — 


396 


Een niet gedagteekend rapport over Billiton, opgemaakt door 
een inlandsch kind, schrijver van bovengenoemden kapitein, en 
door den laatsten herzien en verbeterd, bevat over Billiton’s tin- 
aangelegenheden niets anders als hetgeen de kapitein woor- 
delijk zelf medegedeeld heeft. —_ | 

Een rapport van den heer J.J. VAN SEVENHOVEN over het 
eiland Billiton, dd. in Julij 1823, bevat, over de voortbreng- 
selen van Billiton handelende, het volgende: „het harte der 
„aarde bevat onderscheidene kostbare metalen, als: goud, tin 
„en ijzer; van het laatste wordt reeds veel bewerkt , meestal 
„tot spijkers, enz. Omtrent het tin, dat te Billiton nog in de 
sk aarde is, zoude ik van oordeel wezen, dat men aan den tijd 
„en de ontwikkeling van de industrie moet overlaten, wan- 
„neer er mijnen zullen worden ontgonnen.” 

Bevreemdend is het, dat in het zoo uitgebreide rapport 
van den heer VAN SEVENHOVEN, zoo ter loops en ook onbe- 
paald over deze gewigtige aangelegenheid gehandeld wordt. 
Blijkbaar is het, dater naar het aanwezen van tinerts volstrekt 
geene onderzoekingen zijn ingesteld, en dat alleen is opgeteekend, 
wat waarschijnlijk door den civielen en militairen komman- 
dant medegedeeld is. — 

In eene missive van den resident van Banka, Der ra Fon- 
TAINE, van Î7 Oktober 1823, wordt het punt, dat er tin- 
mijnen op Billiton te openen zouden zijn, omslagtig behan- 
deld, en duidelijker en bepaalder dan in elk ander geschrift 
gezegd, dat er tinerts op Billiton aanwezig is, dus luidende: 

„„Mij onledig gehouden hebbende, met hieromtrent de noo- 
„dige informatiën te nemen, welke allen zeer gunstig zijn, en 
„den grond van Billiton doen voorkomen als bijzonder rijk aan 
„tinerts, zoo hebben mijne zorgen zich daar alleen niet bij 
‚„bepaald, maar door den panumbahan Sarir Morammap eene 
„zekere hoeveelheid tinerts herwaarts hebbende doen over- 
„brengen, heb ik die met het beste gevolg doen smelten, 
„„en het resultaat daarvan heeft getoond, dat Billiton niet 
„alleen rijk aan erts, maar ook dat de erts zelf rijk is enz. 

__ Verder heeft de resident den kapitein-chinees te Muntok- 


897 


voorgesteld, om een of meer mijnen in de nabijheid van het 
etablissement te openen, zullende het verkregen tin tegen den 
prijs van 6 Sp. matten de pikol, even als op Banka (f), aan 
het gouvernement geleverd moeten worden. 

Hieruit schijnt vrij duidelijk te blijken, dat er tinerts op Billiton 
is en zal het naauwelijks geoorloofd geacht worden om hieraan 
te twijfelen. Maar een zestal punten, die mij minder helder voor- 
komen, zal ik echter aanhalen: 

19. Is het vreemd, dat er niet vermeld wordt, van waar 
de beproefde erts afkomstig was. Overal zal Billiton toch wel 
geen’ tinerts bevatten; dit is zelfs met het rijke Banka het 
geval niet. 

20, Bevreemdt het mij, dat juist aan Sarir Monaman de toe- 
zending van den erts is opgedragen. Misschien had deze slimme 
inlander, toen hij op dat oogenblik juist op het punt stond uit 
zijne betrekking ontslagen te worden, er toen voordeel bij, met 
te beweren dat Billiton tinerts bevatte; volgens de overige be- 
rigten toch, toonden de inlanders anders eenen grooten afkeer, 


‚dat er tinerts op Billiton bearbeid zoude worden. 


90. Is het wonder, dat na deze eerste proef geene verdere 
navorschingen, zoo door den resident, als door zijne opvolgers, 


_ ingesteld zijn. Wij zullen toch later zien, dat de adsistent resi- 
_ dent Brerscmrr nog zeer over dit punt in het onzekere verkeerde. 


40, Was het noodzakelijk, dat de hoeveelheid bekomen tin 


_ wat nader beschreven was. Een proef, waar zooveel van af- 
hing, en die alléén tegen zoovele onderstellingen over staat, 
_ kan niet genoeg met alle plaats gehad hebbende omstandig- 
_ heden beschreven worden, terwijl het zelfs niet te verwerpen 
ware geweest, dat zij in de tegenwoordigheid van den 
resident genomen of herhaald ware. 


50. Begrijp ik niet, hoe de uitslag der smelting heeft kun- 
nen aantoonen, dat Billiton rijk aan tinerts is. 
69. Is het opmerkelijk, dat de kapitein-chinees niet tegen 


(1) Op Banka wordt het tin met 134 gulden zilveren munt of 5%/, „Spaansche 


_ matten de pikol door het gouvernement betaald, 


998 


den bedongen prijs mijnen heeft geopend. Daarenboven had 
het smokkelen van tin vrij wat gemakkelijker uit Billiton dan 
van Banka uit kunnen geschieden, wanneer men toch al ligt 16 
a 18 Sp. matten voor de pikol op Singapore of elders kan 
bekomen. — 

De heer Haase, resident van Banka, schrijft in eene missi- 
ve dd. 16 Februarij 1827 aan den luitenant gouverneur ge- 
neraal van Nederlandsch Indië: „Hoezeer het lang genoeg be- 
„kend is geweest, dat Billiton, even als Banka, in deszelfs 
„schoot rijke lagen van tin bevat, zoo %s hiervan nimmer 
„eenige partij getrokken,” en heeft op grond hiervan een kon- 
trakt met den kapitein der Chinezen op Muntok Tan Hone Kwe ge- 
sloten, waarbij dezen veroorloofd werd, om tinerts op Billiton 
voor eigene rekening te bewerken, mits het te bekomen tin aan 
het gouvernement afstaande tegen 12 Sp. matten de pikol: een f 
prijs, meer dan eens zoo hoog, als bij het Bankasche kon- 
trakt bedongen is. Te verwonderen is het, dat (Î) aan dit kon- 
trakt nooit eenig gevolg is gegeven, daar een rijke Chinees, on- 
der zulke voordeelige voorwaarden, toch wel wat wagen en | 
ondernemen durft. Deze voorwaarden zijn dan ook, volgens de | 
verklaring van den resident, zoo bijzonder voordeelig gekozen, om hi 
eenen aanvang met de exploitatie uit te lokken. Zeker is het, dat _ 
men in niet één stuk, mij toegezonden, iets naders over dit kontrakt & 
vermeld vindt, en moet men de niet-nakoming, naar mijn oor-— 
deel, het allereerste aan het niet-aanzijn of aan de schaarschte 
van tinerts op Billiton toeschrijven. Alle andere omstandighe- 
den, die den kontraktant konden afschrikken, waren bij het 
sluiten van het kontrakt toch reeds vooraf bekend. | 

Op Billiton, — maar ik stel in dit gezegde niet te veel 
vertrouwen , — zeide een inwoner uit de binnenlanden mij, 
dat voor vele jaren een twintigtal Chinezen door den kapitein- 
chinees van Banka gezonden was, om den grond te onder- 


me 


(1) Wanneer het aanwezen van tinerts, tot exploitatie geschikt, op Bil 
hton niet twijfelachtig ware. 


a99 


zoeken: dat die Chinezen slechts een vijf-en-twintigtal palen het 


_ land in waren geweest, en toen verklaarden, dat Billiton geen’ 


tinerts bevatte, en zij ook wegens de onbegaanbaarheid der 
wegen niet verder konden doordringen. 
Het gevoelen door den resident van Banka Dv Bur in zijne 


s missive dd. 5 Julij 1830 medegedeeld, als zoude de door den 


resident Haase met den kapitein-chinees in het gesloten kon- 
trakt bepaalde prijs te hoog gesteld zijn, zal ik hier, om bo- 
vengenoemde redenen, noch verdedigen, noch verwerpen. — 

De heer BrerscmirL, weleer adsistent resident op Billiton, 


_ handelt in een rapport over dat eiland dd. 31 Januarij 1830, 


ook over het openen van tinmijnen op Billiton, zooals hierbo- 
ven op pag. 959 reeds aangehaald is. Het aldaar medegedeel- 
de bevat den hoofdinhoud van hetgeen door hem hierover is 
aangeteekend , en toont ten duidelijkste aan, hoe onzeker ook hij 
nog over die aangelegenheid denkt. Het valt toch ieder ligt, 


om over eene uitgemaakte zaak op eene heldere wijze te 


schrijven ; verre echter is het er af, dat ik dit van de me- 


_ degedeelde zinsnede kan zeggen. Hoe toch kan de heer Brrr- 


‚ scuiL klagen, dat de bevolking van Billiton alles wat moge- 


wan tinerts te verkrijgen. 


nn 


_ lijk was in het werk stelde, om het openen van tinmijnen 
op dat eiland te beletten, en weigerde om in het aanwijzen 


van mijngronden behulpzaam te zijn, wanneer hij er onmid- 


| dellijk op laat volgen, dat hij vreemdelingen moest bezigen, 


om de noodige informatiën betrekkelijk het al of niet aanzijn 


Geene stukken van latere dagteekening dan dit rapport op dit 
onderwerp betrekking hebbende zijn mij uit ’sgouvernements 


archief geworden, en bestaan er alzoo niet. Ik houd mij 
overtuigd, dat er met mij in toegestemd zal worden, dat 
__ wanneer men alles, wat over de tinaangelegenheid van Billiton 


geschreven is, in een onderling verband brengt, er niet één 
direkt bewijs bestaat, dat er ooit tinerts op Billiton bewerkt 
is, noch zelfs, dat er tinerts op het eiland gevonden is. 


400 


Is het waarschijnlijk dat er tinertsop Billiton voorhanden 
is, uit hetgeen men uit het domestieke leven der Billitone- 
zen kan opmaken ? 


Even als Banka behoorde ook Billiton weleer aan den sul- 
than van Palembang. Volgens de overlevering is in 1710, bij 
het aanleggen van een rijstveld (ladang), door het afbranden 
der gevelde boomen, tinerts op Banka ontdekt. Immers de 
aan de oppervlakte liggende tinerts werd door het branden- 
_de hout herleid; door de inwoners werd eenig dus uitge- 
smolten metaal gevonden, en aan den sulthan van Palembarg 
gebragt. Door kundige Chinezen liet deze het metaal onder- 
zoeken, waarop de sulthan uitgravingen liet ondernemen, en zelfs 
Chinesche uitgewekenen in zijne dienst nam. Ook deed de sul- _ 
than als eene belasting elken getrouwden Bankanees, even als _ 
ook op Linga ingevoerd moet zijn geweest, eene jaarlijksche ê 
schatting, uit één schuitje (V, pikol) tin bestaande, opbrengen. 

Deze omstandigheden, op beide eilanden plaats gehad hebbende, — 
met Billiton vergelijkende, zoo zal het wel minder vreemd voor- í 
komen, dat, indien er tinerts was, deze niet op eene even toe- 
vallige wijze als op Banka ontdekt is, dan dat het ons ver- 
wonderen moet, dat de sulthan, in dit geval, niet van deze — 
zaak voordeel zoude getrokken hebben. 

De schatting of liever de geschenken, die vroeger, volgens — 
het officiële schrijven van den heer Van Wetering Buus, 
jaarlijks aan den sulthan van Palembang door het bestuur van — 
Billiton gezonden werden, bestonden uit: ei 

1000 kleine staafjes ijzer van eene span lengte en 3 vingers 4 

breedte, en | 

50 matjes van 6 voeten lengte en 3 voeten breedte. 

Verder gaf de depati ten dien tijde nog als een bewijs zijner 
persoonlijke onderdanigheid 2 katties garoehout, 5 katties wit 
was, 2 katties vogelnestjes, en 10 stuks matten aan den sulthan 
ten geschenke. Opmerkelijk mag het dus zijn, dat ten dien tijde 
alleen produkten opgebragt werden, die ook thans nog verkre- 
gen worden, terwijl van tin geen woord gerept wordt, en 


401 


verder, dat de opbrengst van een produkt, dat zulke groote 
winsten oplevert, indien het land het bevatte, van de Billitone- 
zen niet gevorderd werd. 

Verder komt het mij onbegrijpelijk voor, dat de Billitonees 
ijzererts en geen’ tinerts zou kunnen herleiden. De laatste, of- 
schoon wel eene groote warmte vorderende, wordt toch vrij wat 
ligter dan het ijzeroxyde herleid. En dan nog komt de vraag 
op, hoe de Bankanees en de Linganees het konden doen. Ik 
onderstel toch niet, dat bij de bewoners dezer drie eilanden, 
die zoo nabij elkander liggen, de natuurlyke beschaving zoo zeer 


Ä zoude verschillen. Dit niet kunnen bewerken van tinerts kan 


ook aan den sulthan niet als eene verontschuldiging opgegeven 
zijn, waarom de Billitonezen de tinbelasting niet konden vol- 
doen; immers zou hij er dan wel Bankasche deskundigen heb- 
ben heengezonden. 

Ten slotte merk ik op, dat de Billitonees, vrij wat on- 


_ voordeeliger en met vrij wat meer moeite ijzer smelt, dan dat 


hij tinerts zoude smelten. Hij toch doet dit alleen als hij bijv. 


een onmisbaar ijzeren werktuig zich aanschaffen wil en geen 


1 
ui 


| 


ë 


RE 


Í 


4 
À 
Ì 


Ì 
Af 

: 

Ï 


geld heeft om het te koopen, of wel, als hij door den hon- 
ger of naaktheid genoodzaakt is, eenige spijs of een enkel 
kleedingstuk zich aan te schaffen. Bij welgelukken toch kan 
hij gedurende een nacht (12 uren) ijzersmeltens, slechts 25, 


bouwen en onderhouden, en hamers, smeltoven, enz, zelf 
vervaardigen. Hoeveel grooter zouden zijne verdiensten niet zijn, 
indien hij tinerts in stede van ijzererts in dienzelfden oven slechts 


herleidde. Men twijfele er dus niet aan, dat, indien er voldoen- 


de tinerts ware, de onbeschaafdste Billitonees verkiezen zoude 
om dezen alleen , en minder uitsluitend den ijzererts te bewerken, 


zooals in het distrikt Koba op Banka ook plaats heeft. (f) 


(1) Het tinnen huisraad, dat zoo zelden op Billiton in vergelijking 
met Banka, onder de bevolking aangetroffen wordt, is naar men mij vers 
zekerde, zonder uitzondering van Toboali (z. o. kust van Banka) afkom- 


‚ Stig. 


402 


Besluit. 


Uit dit, volgens mijne opregte en innige overtuiging geschre- 
ven rapport, geloof ik, dat het duidelijk genoeg blijkt, daf het ei- 
land Billiton geen tinerts in zijnen bodem bevat, namelijk niet 
op zulke wijze, als tot heden toe de tinerts op Banka gevonden 
wordt en aldaar bewerkt kan worden, want over „ het harte 
der aarde van Billiton,” waarvan de heer Van SEVENHOVEN 
spreekt, kan ik niet oordeelen, even min als over „de schoot 
van Billiton’ waarover de heer Haase in zijn rapport handelt. 

Alzoo opsommende, hetgeen ik breedvoerig heb uiteengezet, 
zoo besluit ik daartoe: 

19, Omdat ik, het eiland in drie verschillende rigtingen 
doorkruisd hebbende, geenen tinerts (f), noch aan de opper- 
vlakte , noch tot op eene diepte, waarop dit op Banka en Ma- — 
lakka gewoonlijk voorkomt, gevonden heb, en ook zelfs niet — 
of zeer zelden, die ligchamen (kwarts, veldspaath en mica), die 
het op genoemde plaatsen gewoonlijk vergezellen, en ik ook 
nergens plaatsen, alwaar vroeger gewerkt is, aangetroffen heb, _ 
noch de overblijfselen (tra) van tinertssmelting heb gevonden. 

20, Omdat met groote waarschijnlijkheid geologisch kan be- 
wezen worden, dat Billiton geene noemenswaardige hoeveel- — 
heid tinerts aan zijne oppervlakte (p. m. 30 voeten diepte) 
kan bevatten. 

99. Omdat uit alle de officiële stukken over Billiton, in 
’s gouvernements archief voorhanden, geenszins blijkt, dat ooit $ 
tinerts van Billiton door ooggetuigen gezien is. 

Á°, Omdat úit alle die officiële stukken niet blijkt, dat ooit Á 
eene tinmijn op Billiton aangelegd is geweest, 

5°. Omdat nooit iemand, zoo te Banka, Billiton of el- £ 
ders, tinerts of tin, bepaald van Billiton afkomstig, gezien heeft (2) | 


(1) In eenige belangrijke hoeveelheid, want het gevondene, op pag. 374 RS 
vermeld, kan hier niet wel in aanmerking komen. 

(2) In het Kabinet van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en 
__ Wetenschappen zijn ook, volgens de etiketten, tinerts en tin, van Billiton 
afkomstig, voorhanden. Aangaande den tinerts heb ik reeds op pag. 395 


je 5 


nnn 


4 af pee 
benee 


ze Aen Mg 


405 


en het ook niet blijkt, dat van Billiton ooit tin is uitgevoerd. 

69. Omdat een zoo voordeelig kontrakt, als den Bankaschen 
kapitein der Chinezen aangeboden is, zonder eenig gevolg 
is gebleven. 

79. Omdat verder het domestieke leven der Billitone- 
zen, het vermoeden, dat aldaar tinerts zoude zijn, weder- 
spreekt. 

80. Omdat er wel eene ertssoort gevonden wordt, die op 
tinerts uiterlijk wat gelijkt, maar volgens de scheikundige en 
mechanische eigenschappen, volstrekt geen tin in hare zamen- 
stelling bevat. Onkundigen hebben dezen koppong-erts voor- 
zeker voor tinerts aangezien, waaruit de vele overleveringen 
omtrent tinerts op Billiton, waarschijnlijk haren oorsprong 
hebben genomen. 


Scheikundige aanteekeningen. 


Het is eene waarheid, en ik heb het in mijn rapport over 
Banka’s tinmijnen ook reeds aangehaald, dat het specifiek 
gewigt van den tinoxyde-erts, zóó groot is, dat men dien 
daaraan, behalve nog door het uiterlijke, zonder eenige uit- 
zondering ligt kan onderkennen. Ik heb vroeger twee erts- 
soorten van Toboali op deze eigenschap onderzocht en bevon- 
den, dat zij 6.51 en 6.62 malen zwaarder dan gedestilleerd 
water waren. 


gehandeld, toen het mij bij onderzoek gebleken is, dat de vermeende 
tinerts volstrekt geen tin bevatte, Noch de plaats van waar op Billiton 
het tin afkomstig zoude zijn, noch de tijd wanneer, noch door wien dit 
uitgesmolten is, zijn bekend gesteld. 

Later heeft men vernomen (waarmede het op pag. 135 van de Ie 


Aflevering IlIen Jaargang van dit tijdschrift vermelde in verband staat), 


dat eenige proefstaafjes tin, van Billiton afkomstig, door den heer Baron 
VAN TUILL VAN SEROOSKERKEN te Batavia medegebragt zijn; beide welke 
omstandigheden, in verband met het voorkomende op pag. 388, dit 5de 
aangevoerde bewijs toch weinig zullen kunnen wijzigen. 


404 


Op gelijke wijze heb ik in een fleschje, welks inhoud be- 
kend en voor de proef bijzonder ingerigt was, op eene gevoe- 
lige balans een weinig der ertssoort, van Billiton af komstig, af- 
gewogen, en daarop onderzocht, hoeveel het verlies aan ge- 
wigt van dezen erts in gedestilleerd water was. Zoo heb ik 
wederom met goeden tinerts van Muntok de proef genomen, 
welks densiteit 6.41 bedroeg. 

De erts, te Boerongmandi verzameld, en zoo goed mo- 
gelijk gewasschen, had een specifiek gewigt: 

bij de Íste proef van 4.79 
„ „2de proef „ 4,83 


gemiddeld 4.81 dat is 1.60 verschil 
met den Muntokschen tinerts. 

Dit groote verschil kan al dadelijk doen besluiten, dat deze 
erts geen tinerts is, wanneer ook de volgende proeven het 
niet bewezen, terwijl ze waarschijnlijk ook niet met goeden 
tinerts vermengd’ kan zijn, daar deze bij het vele wasschen 
dan alleen terug zoude zijn gebleven. 

De erts van Soengie Pantjor had bij dezelfde proef een soorte- 
lijk gewigt van 4.92, dus 2.09 verschil met den goeden Mun- 
tokschen tinerts. Eindelijk onderzocht ik op deze eigenschap 
ook eenen koppongerts, van Koba (Banka) afkomstig, door 
alle Chinezen als zoodanig erkend, welke 4.15 tot densiteit 
had. 

Behalve deze physische eigenschap, heb ik ook op scheikun- 
dige wijze willen aantoonen, dat deze ertssoorten geen tinerts 
zijn, noch tinoxyde in hunne zamenstelling bevatten. Ik heb | 
daartoe den erts van Soengie Pantjor in een’ agaten mortier zoo 
fijn mogelijk afgewreven, en in sterk zeezoutzuur twee dagen 
lang gekookt. Er was nog maar zeer weinig opgelost gewor= 
den, hetgeen ook het geval was, toen ik het overblijvende nog 
eenen dag met koningswater kookte. Ik zag alzoo in, dat op 
deze wijze de erts niet te analyseren was, en sloeg toen eenen — 
anderen weg in. 

De zoo fijn mogelijk verdeelde erts werd met driemaal zijn 


405 


gewigt koolzure soda innig gemengd, en in een gesloten pla- 
tina kroesje, dat tusschen koolpoeder in eenen geslotenen hessi- 
schen kroes geplaatst was, 9 uren lang wit gloeijend gehou- 
den. De oven, waarin dit geschiedde, is geheel overeenkomen- 
de, zoowel als de blaasbalg, met de inlandsche goudsmids- 
ovens, in welke eene bijzonder hooge temperatuur kan ver- 
kregen worden. 

Door deze gloeijing en smelting loste de erts volkomen in 
de koolzure soda op. Deze werd daarop in verdund zeezout-. 
zuur gekookt, als wanneer een vlokkig praecipitaat, dat niet an- 
ders als silica kon zijn, ontstond. Dit werd afgefiltreerd en 
de vloeistof nader op tinoxyde in den oplosbaren staat, onder- 
zocht. Bij deze zeezoutzure oplossing zwavelwaterstofgas in water 
opgelost, gevoegd zijnde, ontstond een wit zeer fijn verdeeld 
praecipitaat, dat na toevoeging van meer opgelost zwavelwater- 
stofgas niet verdween. Duidelijk was dit praecipitaat afgescheidene 
zwavel en deed yzeroxyde vermoeden. Ware hier een helder 
citroengeel of oranjegeel praecipitaat ontstaan, men had tin 
of arsenicum te vermoeden. De kenmerken van deze praeci- 
pitaten zijn echter zoo duidelijk, dat men zich hierin niet ver- 
gissen kan, en het dus zeker is, dat deze metalen in ‘den on- 
derzochten erts niet bevat zijn. De zwavel werd afgefiltreerd, 
en de doorgeloopen vloeistof met ammonia een weinig alka- 
Misch gemaakt, waarop na toevoeging van zwavelammonium, 
en zwart praecipitaat ontstond, dat afgefiltreerd werd. 

Het zwarte praecipitaat werd in zeezoutzuur geheel opgelost 

onder afscheiding van zwavel. Noch nickel noch kobalt heeft 
men kunnen onderkennen. Het praecipitaat toont ijzer aan. 
# nog andere zelfstandigheden werd hier niet onderzocht. 
} In dezen valschen erts van Soengie Pantjor, die ook niet door 
den magneet aangetrokken wordt, zijn alzoo met zekerheid 
silica en yzeroxyde, en geen tinoxyde ontdekt. Kwantitatief 
js hij niet geanalijseerd, daar dit geen nut konde hebben, 
dewijl de kleine stukjes silica, door de loupe ligt daarin te 
herkennen, niet mechanisch konden verwijderd worden. 

Reeds op Billiton heb ik der Chinezen gewone proef op tin- 


406 


erts, op den aldaar gevonden’ erts toegepast, namelijk ge- | 
tracht om hem te smelten in eenen ijzeroven met houtskolen, — 
en ook om hem in eene iijzeren kwalie met olie gemengd 
te gloeijen. Op beide wijzen kreeg ik geen spoor van tinme- - 
taal. Van de reis teruggekeerd, heb ik deze ertsen in eenen _— 
gedekten hessischen kroes gegloeid, en zulks onder anderen 
in tegenwoordigheid van den heer baron Vincent van Tuvin 
VAN SEROOSKERKEN. Noch van den erts van Soengie Pantjor, 
noch van dien van Tandjong Boerongmandi, en ook niet van 
den reeds genoemden koppongerts van Koba, werd de klein- 
ste korrel tinmetaal verkregen. Ik vermeende toen op te mer- _ 
ken, dat de heer Van TuirrL aan mijne smeltingswijze en on- 
derzoek begon te wantrouwen, “waarop ik een weinig Mun- 
tokschen erts op dezelfde wijze behandelde, en een staafje tin, 8 
dat p. m. 15 wigtjes woog, daaruit verkreeg, ten bewijze 
dienende, dat, als de Billitonsche erts tinoxyde bevatte, ik 
stellig eenig metaal had moeten verkrijgen. 

Met regt besluit ik alzoo uit deze onderzoekingen, op drie 
verschillende wijzen ondernomen, dat de op Billiton gevonden — 
erts, geen tinoxyde bevat. 


ZESDE BIJDRAGE 


TOT DE KENNIS DER 


VISSCHEN VAN PAMANGKAT, BANDJERMASSING, 
PRABOEKARTA EN SAMPIT, 


DOOR 


Dr. P. BLEEK HE ES. 


_ Mijne vroegere bijdragen tot de kennis der vischfauna van 
Borneo heeft de wetenschap te danken aan den belangeloozen 
ijver van mijne ambtgenooten en vrienden, de heeren J. Worrr 
en Dr. J. Eirnoven. Ik heb daarin het aantal van Borneo 
bekende vischsoorten kunnen brengen tot 117. Beide mijne 
bovengenoemde vrienden hebben mij kort daarna nog nieuwe 
verzamelingen doen geworden, de heer Worrr weder van 
andjermassing, de heer EinrzoveN van Pamangkat, gelegen 
aan de monding der rivier van Sambas en vermaard geworden 
door den zege, in 1850 daar behaald door de Nederlandsche 
troepen op de oproerige Chinezen van Westelijk Borneo. 

‚ Eenige maanden later ontving ik nog een aantal visschen van 
Borneo door de vriendschappelijke welwillendheid van den 
heer Dr. J. H. Croockewir. Deze visschen vormen twee ver- 


D 
Ù 


zuidkust. van Borneo, ongeveer 2 graden westelijk van Ban- 


djermassing, en een van riviervisschen, bijeengebragt te,Praboe- 
WENT. | 31 


408 


karta in de binnenlanden van Koesan, gelegen aan de rivier _ 
Koesan in de nabijheid van het meer Betamboan. 

in het begin van Junij 1852 had ik het genoegen te ontmoe- 
ten mevrouw Ïpa Prerierer , de beroemde reizigster , die toen 3 
juist wag teruggekeerd van Borneo, waar zij met eenen in ä 
eene vrouw naauwelijks denkbaren moed, alleen en zonder $ 
bescherming de Dajahsche stammen van het stroomgebied der k 
Kapoeas heeft bezocht. Van Sarawak uit drong zij tot ver in 8 
de binnenlanden door, kwam, na het Batangloepar gebergte É 
te voet overgetogen te zijn, bij het meer Danoe loear, en daal- 
de langs de Kapoeas af naar Pontianak. Deze merkwaardige ú 
vrouw houdt zich ook onledig met het maken van verzame- 
lingen van natuurlijke historie, en met bijzondere welwillend- 
heid heeft zij, tijdens haar verblijf te Batavia, aan mij afgestaan > 
eene kleine verzameling van visschen uit de rivier Kapoeas, 
welke zij te Pontianak had bijeengebragt. 

Deze vijf verzamelingen stellen mij in de gelegenheid, de Rt 
kennis der fauna van Borneo op nieuw aanmerkelijk te ver 
rijken en het aantal bekende vischsoorten van dit merkwaar-® 
dige eiland te brengen van Î1Î7 op niet minder dan 176. 

De bedoelde verzamelingen zijn zamengesteld als volgt: 


PONTIANAK (verzameling van mevrouw Ipa Prerrrren). 


b pes P: DS, is id = 
er Mar en s , 3 


Î. Ambassis Wolfii Blkr. 9. Apocryptes macrolepis Blkr. 

2. Polynemus macronema Blkr. 10. Rohita Schlegelii Blkr. 

3. Anabas scandens CV. 11. Leuciscus dusonensis Blkr. 4 

A. Ophicephalus striatus Bl. 12. Engraulis Pfeifferi Blkr. 3 

5. Scatophagus argus CV. 13. Rhombus lentiginosus Richards. _ 

6. Toxotes jaculator CV. 14. Synaptura panoïdes Blkr. Ä 

7. Mastacembelus erythrotaenia Blkr. 15. Tetraödon potamophilus Blkr. 

8. Gobius kokius CV. 16. ” modestus Blkr. js 

È 

PAMANGKAT (verzameling van Dr. J. EinrTHOven). d 

1. Lates nobilis CV. 4. Corvina Kuhlii CV. 

2. Polynemus tetradactylus CV. 5. _» trachycephalus Blkr. 


9. Synanceia asteroblepa Richards. 6. Drepane longimana CV. 


| 


7. Scatophagus argus CV. 19. Spratella pseudopterus Blkr. 
8. Trichiurus haumela CV. 20. Engraulis melanochir Blkr. 
9. Caranx Forsteri CV. 2í. » Brownii CV. 

10. Equula gerreoïdes Blkr. 22. Coïlia borneënsis Blkr. 

11. Mugil macrolepis Blkr. 23. _» _macrognathos Bikr. 

12. Gobius chlorostigma Blkr. 24. Conger talabon Cuv. 

13. Arius truncatus CV. 25. Rhombus lentiginosus Richards. 
14. Belone caudimacula Cuv. 26. Plagusia potous Cuv. 

15. Hemiramphus Gaimardi CV. 27. Tetraödon lunaris Cuv. 

16. Pellona Grayana CV. 28 » potamophilus Blkr. 
/ 17. » _xanthopterus Blkr. 29, » naritus Richards. 
R13. » Russellii Blkr. 

SAMPIT (verzameling van Dr. J. H. Croockewir). 
4. Ambassis nalua CV. 20. Equula filigera CV. 
2. Serranus crapao CV. 21. Magil melanochir K. v. H. 
3. Mesoprion unimaculatus QG. 22. » macrolepis Blkr. 
4. Therapon servus CV. 23. Trypauchen vagina CV. 
5. Sillago acuta OV. 24. Callionymus sagitta Pall. 


E 6. Polynemus tetradactylus CV, 
7. 


‚ Batrachus grunniens CV. 


» longifilis CV. 26. Echeneis neucrates L. 
8. » macronema Blkr. 7. Chirocentrus hypselosoma Blkr. 


9. Platycephalus scaber CV, 
10. Corvina sampitensis Blkr. 


. Belone caudimacula Cuv. 


eN a ed 


. Pristigaster tartoor CV. 

‚ Pellona Russellii Blkr. 

. Engraulis rhinorhynchos Blkr. 
DAD tri Blkr. 

‚ Rhombus lentiginosus Richards. 


41. Pristipoma nageb Rüpp. 
12. 


R13. Diagramma crassispinum Rüpp. 


» argyreum CV. 
14. Drepane longimana CV. 
_ 15. Scatophagus argus CV. „ Plagusia microlepis Blkr. 
16. Chorinemus Commersonianus CV. 
017. Trachinotus mookalee CV. 

418. Selar Kuhlii Blkr. 


19. Equula ensifera CV. 


‚ Tetraödon oblongus Bl, 
‚ Triaeanthus Nieuhofii Blkr. 
‚ Rhinobatus ligonifer Cant. 


BANDJERMASSING (verzameling van den heer J. Worrr). 


. Ámbassis Wolfii Blkr. 


7. Lobotes hexazona Blkr. 


_ 2. Polynemus longifilis CV, 8. Anabas scandens CV, 
í 19. » macronema Blkr. 9. Polycanthus Einthovenii Blkr. 
Rd. » polydactylus Blkr. 10. Trichopus trichopterus CV. 


Ë 5. Corvina polykladiskos Blkr. 
6. 


11. Ophicephalus striatus Bl. 


» ER » lucius K. v. H. 


trachycephalus Elkr. 


k 


410 


13. Scatophagus argus CV, 28. Pimelodus borneënsis Blkr. 

14. Toxotes jaculator CV. 29. Clarias pentapterus Blkr. | 
15. Equula ensifera CV. 30. Systomus truncatus Blkr. 

16. Gobius kokius CV. 31. » melanopterus Blkr, j 
re borneënsis Blkr. DA » bulu Blkr. 4 
18. Eleotris urophthalmus Blkr. 33. Rohita melanopleura Blkr. 
sk EE marmorata Blkr. 34. » Hasseltii CV. 

20 » melanorhynchos Blkr, 35. Leuciscus dusonensis Blkr. 

21. Silurus apogen Blkr. 36. Belone caudimacula Cuv. 

LPT) eryptopterus Blkr. 37. Hemiramphus borneënsis Blkr. 

23. Pangasius macronema Blkr. 38. Engraulis melanochir Blkr. 

24. » polyuranodon Blkr. 39. Coïlia borneënsis Blkr. 

25. Bagrus Wolfii Blkr. 40. Achiroïdes melanorhynchos Blkr. 

26. Bagroïdes melanopterus Blkr. 41. Tetraödon modestus Blkr. 

27. Arius borneënsis Blkr. 42. Pristis zysron Blkr. 


PRABOEKARTA (verzameling van Dr. J. H. Crooeckewir). 


1. Anabas scandens CV. 8. Systomus apogon CV. 

2. Ophicephalus lucius K. v. H. 9. Barbus kusanensis Blkr. 

3. Silurus bieirrhis CV. 10. Rohita Schlegelii Blkr. 

4. Bagrus micracanthus Blkr. 11. Leuciscus dusonensis Blkr. 
ss 9 Hoevenii Blkr. 12. » oxygastroïdes Blkr. 
6. Arius borneënsis Blkr. 15. Tetraödon leiurus Blkr. 

7. Clarias melasoma Blkr. 


van Bandjermassing kwamen voor het grootste gedeelte reeds 
voor in vroegere verzamelingen van die plaats, doch meerde-_ 
ren er van zijn insgelijks nieuw voor Borneo en enkelen ook 
voor de wetenschap. Ki 

De mij thans van geheel Borneo bekende vischspecies zijn 
de volgende. Achter hare namen zijn uitgedrukt, de plaatsen, 
waar zij door mij zijn beschreven en de plaatsen van voorkomen. 
Pm. beteekent Pamangkat; B. beteekent Bandjermassing; Sb. 
Sambas; Pr. Praboekarta; Sp. Sampit; Sr. Sarawak; D. Doe- 
son ; Pont. Pontianak; Z. zee plaats onbepaald. | 


\ 


411 


1. Lates nobilis CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. Pm. 


2. Ambassis Wolfii Blkr. (Ikan Baga baga) Nat. Tijds, N. 

Indi Tp. 9. B. Pont. 

3 » __apogonoïdes Blkr. ibid IL p. 200. B. 
E/4. » nalua CV. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. Sp: 
| 5. Serranus crapao CV. ibid, Sp: 

____ 6. Mesoprion unimaculatus QG. ibid. Sp. 

7. Therapon servus CV. ibid. Sp. 
<8. Sillago acuta CV. ibid. Sp. 
___9. Polynemus tetradactylus CV. ibid. Pm. Sp. 
Ei 10. > longifilis CV. „B. Sp: 
‚} 11. 2 macronema Blkr. B. Sp. Pont. 
ï 12. » peolydactylus Blkr. B. 

4 13. Platycephalus insidiator Bl. Verh. Bat. G, XXII Sclerop. B. 
\ 14. _» scaber CV. ibid. Sp. 
4 15. Apistus cottoïdes CV. L. 
4 16. Synanceia asteroblepa Richards. Pm. 


17. Otolithus borneënsis Blkr. N. T. N. Ind, I p. 268. B. 
. Corvina. Kuhlii CV. Verh. B. Gen. XXIII Sciaen. Pm. 
» trachycephalus Blkr, N. T. N. Ind. (1 p. 200. B. Sp. Sb. 


» Wolfii Blkr. ibid. p. 66. B. 
» polykladiskos Blkr. B. 
s » __sampitensis Blkr. Sp. 
. Pristipoma nageb Rüpp. Verh. B. Gen. XXIII Sciaen. Sp. 
y argyreum CV, ibid. Sp. 
. Diagramma crassispinum Rüpp. ibid. Sp. 
. Lobotes hexazona Blkr. N. T.N. Ind. Ip. 9. B. Sb. 
. Anabas scandens CV. Verh. B. Gen. XXIII Doolh. K. B. Sb, Pr. Pont. 
‚ Helostoma Temminckii K. v. H. ibid. B. 
„ Polyacanthus Einthovenii Blkr. N. T. N. Ind. II. p. 425. B. Sb. 
„ Trichopus trichopterus CV. V. B. G. XXIII V. Doolh. K. B. 
» … striatus Blkr. ibid. N,T.N,Ind.1 p. 106. B. 
. Osphromenus olfax Comm. Verh. B.G. XXIII Doolh. K. B. Sb. 
„ Betta anabatoïdes Nat. T. N. Ind. I p. 269. B. Sb. 
„ Ophicephalus striatus Bl. Verh. B. G. XXIII V. Doolh, K. B. Sb. Pont. 
» ‚lucius K. v. H. ibid. B Shar 
» micropeltes K.v. H. ibid. B. Sb. 
» pleurophthalmus Blkr. N. TN. Ind. T. p. 270. B. 
» melasoma Blkr. ib. II. p. 424. Sb. 
» __marulioïdes Blkr. ib. II. p. 424. Sb. 
» rhodotaenia Blkr. ib. IF p‚, 425, Sb. 


„ Scatophagus argus CV. (Ikan Kepper) Verh, B.G, XXI N 
Chaet. ” den 1E B. Pm.Sp. Pont. 


64. 


412 


‚ Drepane longimana CV. ibid. 

. Toxotes jaculator CV. (Ikan Soempit) ibid. 

. Chorinemus Commersonianus CV. ibid, XXIV Makr. 
‚ Trachinotus mookalee CV. ibid. 

‚ Trichiurus haumela CV. ibid. 

. Caranx Forsteri CV. ibid. 

. Equula filigera CV. ibid. 


» ensifera CV. ibid. 
» gerreoïdes Blkr. ibid. N. T.N. Ind. I p- 971. 


. Amphacanthus marmoratus CV. 
„ Mastacembelus erythrotaenia Blkr. (Ikan Telong) N. T.N. 


Ind. Ip. 10. 


. Mugil borneënsis Blkr. ibid. II p. 201. 


» melanochir K. v. H. 


» _ macrolepis blkr. 


. Gobius kokius CV. (Ikan Boeloesoh) Verh. B. Gen. XXII 


Gobioïd. 

» __chlorostigma Blkr. ibid. 

» _ Hoevenii Blkr. Nat. Tijds. N. Ind. II p. 426. 
» _ borneënsis Blkr. ibid, I p. 10. 


‚ Apocryptes maerolepis Blkr. ibid. II p. 66. 


» changua CV. Verh. B. G. XXII Gob. * 


‚ Trypauchen vagina CV. ibid. 
. Periophthalmus borneënsis Blkr. N. T. N. Ind. Ip. 11. 


Boleophthalmus Boddaertii CV. Verh. B. G. XXII Gob, 


. Eleotris melanostigma Blkr. ibid. 


» Wolfii Blkr. Nat. Tijds. N. Ind. Ip. 253. 
» urophthalmus Blkr. ibid, II p. 202. 


» marmorata Blkr. 


. Philypnoïdes surakartensis Blkr. Verh. B. G. XXII Gob. 
. Callionymus sagitta Pall. Nat. Tijds. N. Ind, I p. 34. 

. Batrachus grunniens CV. ibid. II p. 487. 

. Catopra fasciata Blkr. ibid. IL p. 65. 

‚ Glyphisodon modestus T, Schl. 


» unimaculatus CV. 


‚ Wallago dinema Blkr. (Ikan Laïs) N. T. N. Ind. II p. 202. 


» Leerii Blkr. ibid, II p. 427, 


. Silurus apogon Blkr. ibid, II p. 67, 


» _eryptopterus Blkr. (Ikan Laïs) ibid. I p. 270. 
» _ phalacronotus Blkr. ibid. II p. 429. 
» laïs Blkr. II p. 429. 


B. Pm. Sp. 
B. Pont. 


B. Sb. 
B. 

Sp. 

Pm. Sp. 


B. Sb. Pont. 


Pm. 


Sb. 


0 ded 


B. Sb. 


„Sb. 


hexapterus Blkr. (Ikan Laïs poet) ibid. II p. 208. B. 


> 
» _ macronema Blkr. (Ikan Laïs) ibid. II p. 208. 


B. 


eend Ste neme oe 


418 


83. Silurus phaiosoma Blkr. ibid. II p. 428. Sb. 
84. » _bicirrhis CV. ibid. I p. 271. Pi 
85. Bagrus micracanthus Blkr. Verh. B. G. XXI Silur, En 
86. » Hoevenii Blkr, ibid. Pr. 


87. » _nemurus CV, (Ikan Singirian katjang) ibid. B. Sb. 
88. » Wolfii Blkr. ( » )N.T.N.Ind.IIp.205. B. 


89. Bagroïdes melanopterus Blkr. ibid. IT p. 204, B. Sb. 
90. Pangasius macronema Blkr. (Ikan Rios tjoring) ibid. I 
p- Íd. B 

91. » rios Blkr. (Ikan Rios tjoring) ibid. IIp. 205. B. 

92. » peolyuranodon Blkr. B. 

93. Ketengus typus Blkr. NT. N. Ind. Ip. 271. B, 

94. Arius borneënsis Blkr. (Ikan Gangoet) ibid. II p.67. B. Pr. 

95. » truncatus CV. Pm. 

96. Pimelodus borneënsis Blkr. Nat. T.N.Ind.IIp. 430. B. Sb. 

97. Clarias pentapterus Blkr. ibid. IT p. 206. B. Sb. 

98. _» _ leiacanthus Blkr. ibid. II p. 430. Sb. 

99. » punctatus CV. Verh. B, G. XXI Silur. B. 
100. » _ melasoma Blkr. Pr. 
101. Barbus Hoevenii Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 207. B. 
402. -_» kalopterus Blkr. ibid. I p. 18. B. 

g 103. » kusanensis Blkr. Er 
104. Systomus truncatus Blkr. N. T.N. Ind. I. p. 13. B. 
105. > melanopterus Blkr. ibid. Ip. 11. B. 

_ 106. >» _ microlepis Blkr. ibid. I p. 12. B. 

me 107. » _bulu Blkr. (Ikan Boeloe boeloe) ibid. II p. 207. B. 

_ 108. » apogon CV. Pr. 

_ 109. Capoeta enoplos Blkr. N. T. N. Ind. II p. 431. Sb. 

_ 110. » __microlepis Blkr. ibid. II p. 206. B. 

__ 1414. Dangila spilurus Blkr. ibid. I p. 272. B. 

_ 442. Rohita Hasseltii CV. B. Sb. 

P113. » vittata CV. B. 

444. » _Schlegelii Blkr. Nat. T.N. Ind. II p. 432. B. Pr. Pont. 

45. » Artedii Blkr. ibid II p. 434. Sb. 

Ì 116. » _melanopleura Blkr. B. 

_ 4117. Leuciscus oxygastroïdes Blkr. Pr. 

| 418. _» _ kalochroma Blkr. N.T.N. Ind. Ip.272. B. Sb. 
119. » Einthovenii Blkr. ibid. II p. 434. Sb. 

… 120. » dusonensis Blkr, ibid, FT p. 14. B. Sb. Pont, 
121. » uranoscopus Blkr. ibid. I p. 14. B. Sb. 
122. Cobitis barbatuloïdes Blkr. ibid. IJ p. 435. Sb. 


123. Belone caudimacula Cuv. (Ikan Djolong djolong) Verh. 
B. Gen. XXIV Snoek. P. Pm. Sp. 


klh 


thalmûs ‘Blkr.) B. 


124. Hemiramphus borneënsis Blkr. (Ikan Dandoelang) N. T. 
N. Ind. II p. 68. B. 
125. » Gaimardi CV. Verh. B.G. XXIV Snoek. Pm. 
126. Panchax melanotopterus Blkr. ibid. B. 
127. Aperioptus pictorius Richards. ZL. 
128. Luciocephalus pulcher Blkr. N.T.N,Ind. Ip. 273. III p. 99. B. 
129. Chirocentrus hypselosoma Blkr. N. T.N. Ind. III p. 71. Sp. 
130. Osteoglossum formosum M. Schl. ibid. II p. 436. Sb. D. 
181. Notopterus borneënsis Blkr. ibid. II p. 437. Sb. 
132. » maculosus Blkr. ibid. II p. 438. Sb. 
133. Clupeoïdes borneënsis Blkr. ibid. I p. 275. __ B. Sb. 
134. Pellona Grayana CV.? Verh. B. G. XXIV Har. B. Pm. 
135. >. _Russellii Blkr. ib. N. T. N, Ind. III p. 72. Pm. Sb. 
136. » _ xanthopterus Blkr. ibid. II p. 439. - Sb. Pm. 
137. Spratella pseudopterus Blkr. Pm. 
138. Pristigaster tartoor CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Har Sp. 
139. Alausa toli CV. Z. 
140. Engraulis crocodilus Blkr. (Ikan Piring piring) N. T. N. 
Ind. IL. p. 15. B. 
141. _» _ Pfeifferi Blkr. Pont. 
142. » melanochir Blkr. (Ikan Piring piring) Verh. 
B.G. XXIV Har. B. Sb. Pm. 
143. » Browaii CV. ibid. Pm. 
144. » rhinorhynehos Blkr. ibid. Sp. 
zi bf > tri Blkr. ibid. Sp. 
146. Coïlia borneënsis Blkr. ibid. B. Pm. 
147. >» _maeroguathos Blkr. Pm. 
148. Rhombus lentiginosus-Richards. Verh. Bat. Gen. XXIV 
Pleur. . Pm. Sp. Pont. 
149. Synaptura panoïdes Blkr. (Ikan Lidah) ib. N. T. N. Ind. ‚ 
II p. 440. B. Pont. 
150. » ommatura (Solea ommatura Richards). Z. 
151. Achiroïdes melanorhynchos Blkr. (Ikan Lidah) N. T. 
N. Ind. FE, p. Î5. B. 
152. Plagusta microlepis Blkr. (Ikan Lidah) ibid. Ip. 413. B. Sp. 
153. D potous Cuv. Verh. Bat. G. XXIV Pleuron. si Pans 
154. Echeneis neuerates L: Dede Obirog. Lutan tess Sp. 
155. Conger talabon Cuv.. Pm. 
156. Ophisurus hypselopterus Blkr. ibid, II p. 69. B. 
157. Muraena bullata Richards. … … … Z. 
158. >» _« reticulata Richards. Z 
159. Symbranchus immáculatus Bl. (Tetrabanchus microph- 


dte mr] k £ p Ver à ke B En 
BG Te Eid ede 


415 
160. Tetraödon potamophilus Blkr. Verh. Bat, Gen. XXIV 
Blootk. V. B. Pm. Pont. 

161. » modestus Blkr. N. T.N. Ind, I p.16. B. Pont. 
Ek 162. » lunaris Cuv. Verh. B. G. XXIV Blootk. V. Pm. 

163. » oblongus Bl. ibid, Sp. 

164. » naritus Richards. Pm. Sar. 

165. » leiurus Blkr. BE. 

166. -Balistes aculeatus L. L. 

Er A rectangulus Bl. Schn. ZL. 

168. Triacanthus Russellii Blkr. Verh. B.G. XXIV Balist. B. 

169. » Nieuhofii Blkr. ibid. Sp. 

170. Syngnathus boaja Blkr. N. T. N. Ind. I p. 16. B. 

UE » heterosoma Blkr. ibid. II p. 441. Sb. 

172. Sphyrna Blochii MH. Verh.B. G. XXIV Plagiost. Sb. 

173. Pristis zysron Blkr. B. 

174. Rhinobatus ligonifer Cant. Verh. B.G. XXIV Plagiost. Sp. 

175. Pteroplatea micrurus MH. Z. 

176. Amphioxus Belcheri Gray. Z. 


Alzoo: Percoïden 12, Scleropareën 4, Sciaenoïden 10 ‘Os- 
phromenoïden 14, Chaetodontoïden 3, Scomberoïden 7, Teu- 
thiden fÎ, Notacanthinen Î, Mugiloïden 2, Gobioïden fÎ4, Cal- 


‚ lionymoïden fl, Pediculaten Îf, Nandoïden f‚ Kamschubbige La- 
‚ broïden 2, Siluroïden 26, Cyprinoïden 22, Esocioïden 5, Lucio- 
‚ cephaloïden f, Chirocentroïden fÎ, Hyodontes 1, Notopteren 2, 


Clapeoiden 5, Pleuronecteoïden 6, Echeneoïden 1 ‚, Muraenoïden 
Á, Symbranchoïden Î, Gymnodontes 6, Balistinen 4, Lopho- 
branchiën 2, Carchariën fÎ, Squatinorajen 2, Trygones Í, 
Leptocardiën f. | 

Van de opgesomde 176 soorten is de kennis van niet min- 


E ; : 
_ der dan 156 te danken aan de verzamelingen van de heeren 


b 

Û 
st: 

Ld 
À 


Worrr, KinrnoveNn en Croockewir en aan die van mevrouw 


_ Preirer, zijnde tot op den tegenwoordigen tijd, voor zoover 
_ mij bekend is, door anderen in het geheel slechts 20 vischspecies 


van Borneo bekend gemaakt. 
De nieuwe soorten, hieronder beschreven, zijn ten getale van 
18, t. w. Polynemus polydactylus , Polynemus macronema, Cor- 


vina polykladiskos, Corvina sampttensis, Mugil macrolepis, 
 Bleotris marmorata, Pangasius polyuranodon, Clarias melaso- 


416 


ma, Barbus kusanensis , Roluta melanopleura, Leuciscus ory- 
gastroïdes , Spratella pseudopterus, Engraulis Pfeifferi, En- 
graulis tri, Engraulis rhinorhynchos , Coilia borneënsis, Coïlia 
macrognathos en Pristis zysron. 

Van enkelen dier soorten zijn de beschrijvingen reeds opge- 
nomen in het binnen kort uit te geven 2áste deel der Ver- 
handelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en _ 
Wetenschappen en hier overgenomen. 


DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE, 


PERCOÏDEI. 


Polynemus polydactylus Blkr. 


Polynem. corpore elongato compresso, altitudine 54 circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 54 circiter in lon- 
gitudine corporis, longiore quam alto; oeulis diametro 54 circiter in 
longitudine capitis; linea rostro-frontali supra oeulum declivi rectiuscula; 
rostro obtuso rotundato; maxilla superiore inferiore longiore, paulo post 
oeulum desinente, 24 ecirciter in longitudine capitis; praeoperculo rotun- 
dato denticulato, spina majore nulla; operculo acuto postice membranaceo; 
squamis lateribus 100 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsalibus al- 
titudine subaequalibus, corpore paulo humilioribus; dorsali 2* et anali 
vix emarginatis; pectoralibus acutis pinnam analem subattingentibuss; 
radiis pectoralibusliberis 14, radiis superioribus eorpore multo longioribus 
inferioribus pinnas ventrales attingentibus; ventralibus acutis pectoralibus 
duplo circiter brevioribus; spina ventrali ante pinnam dorsalem 1” inserta; 
eaudali lobis acutissimis, superiore longiore St circiter in longitudine 
corporis; colore corpore superne coerulescente, inferne flavescente; pinnis 
flavis vel flavo-aurantiacis. 

B. 7. D.8-1/15 vel 1/16. P. 15 + 14 solitar. V. 1/5. A. 3/12. C. 

17 et lat. brev. 
Habit. Bandjermassing, in fluviis. 
Longitudo speciminis unici (absque filis) 185”, 


Aanm. Deze Poljnemus heeft in habitus en lengte van draden het 
meest van Polynemus longifilis GV., doch laat zich daarvan ge- 
makkelijk bij den eersten oogopslag onderkennen door hare 
veel kleinere schubben, terwijl zij tevens het dubbele van het 
aantal vrije borstdraden heeft van Polynemus longifilis CV. Bij 
mijn specimen zijn de twee bovenste vrije borstdraden meer 
dan twee maal zoo lang als het ligchaam. Deze is de eenige 
mij bekende soort, welke een zoo groot aantal van die dra- 
den heeft. 


418 


Polynemus longifilis GV. Poiss. III p. 970. 


Polynem. corpore elongato compresso, altitudine 6 circiter in ejus 
longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 6 ad 54 in k 
longitudine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 5 ad 7 in lon- — 
gitudine capitis; linea rostro-frontali supra oculum concava; rostro obtuso _ 
rotundato ; maxilla superiore inferiore longiore, post oculum desinente 
21 circiter in longitudine capitis; praeoperculo rotundato denticulato, 
angulo dente unico majore spinaeformi; operculo acuto postice membra- Ô 
naceo; squamis lateribus 60 ad 70 in serie longitudinali; pinnis dorsalibus 
altitudine subaequalibus, corpore humilioribus; dorsali 2* ef anali vix 
emarginatis; peetoralibus acutis pinnam analem attingentibus; radiis pec- < 
toralibus liberis 7, radijs superioribus corpore longioribus, inferioribus 
apicem ventralium attingentibus vel subattingentibus; ventralibus acutis « 
pectoralibus duplo vel plus dupio brevioribus; spina ventrali spinis dor- 
salibus anterioribus opposita; caudali lobis acutissimis, superiore longiore 
3 
flavo; pinnis flavis, dorsalibus fusco arenatis. 

B. 7. D. 7 vel 8-1/16 vel 1/17. P. 15 ad 17 + 7 solitar. V. 1/5. Ar 

3/12 vel 3/18. C. 17 et lat, brev. 

Synon. Pentanemus Seba Thesaur. III p. 74 tab. 2 


ad 3 in longitudine corporis; colore corpore superne coeruleo inferne © 


fig. 
Polynemus quinquarius L. Syst. nat. ed. Giel. I p. 1400. 


TJ 


Polynemus paradiseus L. ibid. p. 1401. 

Tupsee Mutchey Russ. Corom. Fish. II p. 69 fig. 185. 

Polynemus risva Ham. Buch. Gang. Fish. p. 228. 

Polynemus aureus Ham. Buch.? ibid. 

Polynemus toposui Ham. Buch.? ibid. 

Poisson mangue ou de paradis Edwards Av. 208 tab 208. 

Polynème à longs filets CV. Poiss. III p. 270. 

Topsi muatz Bengalens. 

Na denimbia Birman. l 

Poisson mangue, Pêche mangue et Mango-fish Gall. et Britt. Ind = 

orient. Î 

Habit. Bandjermassing et Palembang, in fluviis; Sampit, in mari. 
Longitude-8 speciminum 90” ad 190”, 


Aanm. Ik beschreef deze soort vroeger (Nat. Tijdschr. Nl 
Ind. Ip. 269) naar een enkel zeer jeugdig specimen. Sedert g 
ontving ik nog zeven grootere specimina van Palembang en 
Bandjermassing en Sampit, welke het stellen eener meer juiste k 
diagnose hebben toegelaten, hetwelk te meer noodig was, om od 


on nn nat 4 


419 


de verschillen aan te toonen tusschen deze soort en de hier- 
onder beschrevene nieuwe species Polynemus macronema, welke 
zeer na aan haar is verwant. 


Polynemus macronema Blkr. 


Polynem. corpore elongato compresso, altitudine 6 cireiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 12 circiter in ejus altitudine; capite 5 ad 54 in lon- 
gitudine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 7 circiter in lon-_ 
gitudine capitis; linea rostro-frontali supra oculum convexiuscula; rostro 
obtuso rotundato; maxilla superiore inferiore longiore, longe post oculum 
desinente, 12 ad 2 in longitudine capitis; praeoperculo rotundato, den- 
ticulato, spina majore nulla; operculo acuto postice membranaceo; squamis 
lateribus 65 p. m. in serie longitudinalis pinnis dorsalibus altitudine sub- 
aequalibus, corpore humilioribus; dorsali radiosa et anali non vel vix 
emarginatis; pectoralibus acutis capite longioribus; radiis pectoralibus li- 
beris 7, radiis superioribus corpore longioribus, inferioribus apicem ven- 
tralium attingentibus vel subattingentibus; ventralibus acutis pectoralibus 
duplo vel plus duplo brevioribus; spina ventrali spinis dorsalibus anterio- 
ribus opposita; caudali lobis acutissimis 84 ad 4 in longitudine corporis; 
colore corpore superne coeruleo inferne flavo; pinnis flavis, pectoralibus 
magna parte nigerrimis, dorsalibus caudalique fuscescente arenatis; radiis 
pectoralibus liberis superioribus adultis fuscis. 

Be B - 1/16 vel 1/17. -P‚,17. vel. 187 solitar.’ V. Nn . 3/12 

vel 3/13. C. 17 et lat. brev. 

Habit. Bandjermassing et Pontianak, in fluviis; Sampit, in mari. 

Longitudo 3 speciminum 185” ad 245”, 


Aanm. Deze soort, hoe na ook verwant aan Polijnemus lon- 


É, gifilis CV. is er toch bij den eersten oogopslag van te onder- 


kennen door min of meer konveks voorhoofd, langere boven- 


_ kaak en grootendeels zwarte borstvinnen. De lengte harer 
Sj vrije borstdraden doet niet onder voor die van Polynemus 


longifilis CV. Van Polynemus melanochir CV. verschilt zij ten 
duidelijkste door veel langere vrije draden, ranker ligchaam 
veel talrijker schubben op eene overlangsche rei enz. 


SCLEROPAREL. 


Synanceia asterohlepa Richards. Voyage of the Sul- 


phur Zoöl. p. 69 tab. 89 fig. 1—8. 


Synanc. corpore subelongato antice cylindraceo postice compresso, alti- 


420 


tudine 44 ad 44 in ejus longitudine; capite alepidoto tuberculis et cristis 
osseis sulcato et tuberculato, 34 ad 44 in longitudine corporis, vix lon- 
giore quam alto ac lato; vertice fronteque depressionibus vel foveis mag- 
nis nullis; oculis superis orbitis non elevatis, diametro 9 ad 11 in lon- 
gitudine capitis, diametris 8 ad 4 a se invicem distantibus; fossa subo- 
culari nulla; ore simo; maxilla inferiore verticaliter adscendente; labio 
inferiore mentoque fimbriatis, mento cirris 2 majoribus; ossibus suborbi- 
talibus tuberculatis antice processubus 2 obtusis; praeoperculo processubus 
4 osseis obtusis; operculo eristis 2 osseis; cute alepidota, capite dorsoque spi- 
nulis minimis vix conspicuis sparsis scabriuscula; pinnis, caudali excepta, 
radiis fere omnibus simplicibus; dorsali spinosa radicosa paulo humiliore 
sed plus duplo longiore, spina postica spinis ceteris longiore; dorsali ra- 
diosa ante basin caudalis desinente; pinnis pectoralibus radiis longissimis 
capite vix brevioribus; ventralibus capite duplo circiter brevioribus mag- 
na parte liberis; anali rotundata; caudali convexa 5 circiter in longitu- 
dine corporis; colore corpore superne viridi-nigricante, inferne dilute vi- 
ridescente; dorso lateribusque guttis et maculis numerosis nigricantibus; 
pinnis nigricantibus, pectoralibus caudalique viridi vel rufescente variega- 
tis et marmoratis; caudali postice rufo marginata. 
B. 7. D. 16/6 vel 16/5. P. 15 vel 16. V. 1/4. A. 3/7 vel 4/6. C. 12 
vel 14 et lat. brev. 
Habit. Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. Ä 
Longitudo 2 speciminum 100''’ et 154'//, / 


Aanm. Deze soort was tot nog toe slechts van Nieuw Gui- 
nea bekend en werd eerst in de laatste jaren beschreven en 
afgebeeld door den heer J. RicuarDson. Bij mijne beide spe- 
cimina tel ik slechts 4 en niet 5 buikvinstralen (zoo als de heer 
Rrcmanpson opgeeft) en voorts f5 en Î6 buikvinstralen. 


SCIAENOÏDEI. 


Corvina polykladiskos Blkr. 


Corvin. corpore oblongo compresso, altitudine 4 et paulo in ejus lon- 


gitudine, latitudine 12 in ejus altitudine; capite 4 circiter in longitudine — 


corporis; altitudine capitis 14 circiter, latitudine 2 fere in ejus longitudine; — 
oeulis diametro 5 et paulo in longitudine capitis; rostro convexo, oculo _ 
paulo longiore, non ante os preminente; linea frontali leviter concava, 
maxilla superiore ante inferiorem prominente, sub pupilla desinente; — 
„maxilla inferiore inferne poris 4; ore antico rictu parum obliquo; dentibus 
maxillis bene conspicuis, maxilla superiore serie externa utroque latere 


421 


j p. m. 18; praeoperculo margine posteriore valde obliquo, leviter dentato, 
__ angulo rotundato; linea dorsali rotundata, linea ventrali multo convexiore; 
_ linea laterali usque sub 2* tertia parte pinnae dorsalis radiosae curvata, 
singulis squamis ramulis numerosis flabelliforme dispositis; squamis late- 
__ribus 50 p. m.in serie longitudinali; pinna dorsali parte spinosa longitudine 
f 12 in parte radiosa sed parte radiosa altiore et corpore duplo circiter hu- 
| miliore, spina 4* ceteris longiore, 2* 4° duplo fere breviore, penultima ultima 
multo breviore; pinnis peetoralibus 12 eirciter in longitudine capitis; ven- 
tralibus radio 19 in filam anum attingentem producto; anali spina 2° 12 in 
longitudine capitis; caudali rhomboidea 62 circiter in longitudine corporis; 
colore corpore superne griseo inferne argenteo; dorso vittis obliquis nu- 
merosis nigricantibus; pinnis flavescentibus, dorsali fusco arenata. 
Dr LO 1 OT vels 1/28, B.:2/175: Na. l/50! As 2/7. vel 2/8. Ci 17 
et lat. brev. 


| 


Habit. Bandjermassing, in fluviis. 
Longitudo speciminis unici 230''’. 


Aanm. Deze soort is na verwant aan Corvina cuja CV. en 
Corvina miles CV., van welke beiden zij echter door meerdere 
kenmerken is te onderkennen. Ik heb haar genoemd naar de 
_ talrijke fijne vertakkingen, welke de zijlijn op elke harer schub- 
d _ ben“vertoont. 


Corvina sampitensis Blkr. 


Corvin. corpore oblongo compresso, altitudine 4% circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite 44 circiter in 
EE longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 2 circiter in ejus 
[ longitudine; oculis diametro 4 in longitudine capitis; rostro convexo 
Ù oculo breviore, non ante os prominente; linea rostro-dorsali fronte non 
concava; maxilla superiore vix ante maxillam inferiorem prominente, 
ë ‘euúb posteriore oculi parte desinente; maxilla inferiore inferne poris 4 vel 
_ 5; ore antico, rictu obliqguo; dentibus maxillis bene conspicuis, maxilla 
Ë Superiore serie externa utroque latere p. m. 14; praeoperculo rotundato 
‚ dentato; linea dorsali rotundata linea ventrali multo convexiore ; linea laterali 
ke usque sub posteriore dimidia parte pinnae dorsalis radiosae curvata, singulis 
$ Squamis ramulis 2 vel l vel nullis; squamislateribus 45 ad50 p. m. in serie 

hnne ; pinna dorsali parte spinosa parte radiosa duplo breviore sed ea 

_ altiore et altitudine 14 circiter in altitudine corporis, spinis gracilibus 3° ceteris 

longiore, 2° tertia paulo breviore, penultima ultima longiore ; pinnis pec- 
_ toralibus 12 circiter in longitudine capitis; ventralibus non productis anum 


422 


non attingentibus; anali spina 2* capite duplo breviore; caudali rhombois 
dea 5 ecirciter in longitudine corporis; colore corpore superne coeruleo- 
griseo inferne argenteo, pinnis flavescente. 
B. 7. D. 9-1/29 vel 9-1/30 vel 10/29 vel 10/30. P. 2/15. A. 2/7 vel 
2/8. C. 17 et lat. brev. 
Habit. Sampit, Borneo australis, in mari. 
Longitudo speciminis unici 111///, 


Aanm. Ook deze soort is verwant aan Corvina miles CV. 
doch ranker van ligchaam, heeft kleineren kop, den snuit 
korter dan het oog, een rugdoorn minder, de zijlijn niet noe- 
menswaardig getakt, enz. 


MUGILOIDEL. 


Mugil macrolepis Blkr. 


Mug. corpore oblongo compresso, altitudine 4 fere in ejus longitudine; 
capite depresso 5 fere in longitudine corporis; altitudine capitis 14, lati- 


tudine 12 circiter in ejus longitudine; oculis diametro 3 et paulo in lon- < 


gitudine capitis, 1% in capitis parte postoculari, diametro 14 circiter a 


se invicem distantibus; membrana palpebrali iridem non tegente; linea 
rostro-dorsali capite declivi rectiuscula; rostro non convexo, depresso, oculo — 
breviore; naribus anterioribus rotundis, posterioribus subrimaeformibus; 
osse suborbitali emarginato , postice truncato, denticulis bene conspicuis; < 
osse maxillari superiore ore clauso inconspicuo; labio superiore carnoso_ 
non papillato; denticulis maxillaribus oculo armato tantum conspicuis; 
maxilla superiore deorsum valde protractili; tuberculo inframaxillari sym- 


physali subtetragono; dentibus palatinis in thurmas 2 elongatas colloca- 


tis; lingua peripheria thurmis denticulorum parvis obsita; foramine prae- 
vomerino nullo; praeoperculo acutangulo angulo rotundato, margine pos- 
teriore obliguo emarginato; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudi- 
nali, parte basali striis 6 ad 8; squamis axillaribus brevibus; pinnis dor- 
salibus minus longitudine pinnarum pectoralium a se invicem distantibus, 
altitudine subaequalibus, corpore multo humilioribus, spinosa spinis cras- — 
sis, l2 ceteris longiore et crassiore ; dorsali radiosa acuta, non vel vix emargi- Ri 
nata; pinnis pectoralibus capite paulo brevioribus; ventralibus angulatis pe 


pectoralibus paulo brevioribus; anali acuta vix emarginata, dorsaliradiosa — 

A e 5 ° - . . . hier 
vix altiore, spina 38° radio 19° minus duplo breviore; caudali leviter emar- — 
-ginata 42 eirciter in longitudine corporis; colore corpore superne viridi — 


inferne argenteo, pinnis hyalino vel flavescente. 


NE Pd 


495 


B. 6. D. 4-2/7 vel 2/8. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C. 14 et 
lat. brev. 

Habit. Pamangkat, in fluviis, Sampit, in mari. 

Longitudo 4 speciminum 54''’ ad 79'//, 


Aanm. Deze soort is vooral herkenbaar aan haar kort lig- 
chaam, groote schubben en korten kop, die bijkans even 
hoog is als lang. Het komt mij voor, dat deze soort na ver- 


__ want moet zijn aan Mugil amarulus CV., doch de beschrijving 


re Ig Bj ge 


daarvan in het groote vischwerk is zoo onvolledig, dat ik 
daarnaar niet over de mogelijke identiteit of verschillen kan oor- 
deelen. Zoo zie ik in die beschrijving geen gewag gemaakt 
van de hoogte des ligchaams, van het aantal schubben op 
eene overlangsche rei, van de lengte van het achteroogkuils- 
gedeelte van den kop enz. Daar ik de bovenbeschrevene 
species tot geene der bekende kan terugbrengen, stel ik voor 


5 haar een’ nieuwen soortnaam te geven, afgeleid van hare be- 
_ trekkelijk groote schubben. 


_ Mugil melanochir K. v. H. GV. Poiss. XI p. 106. 


Mug. corpore subelongato, anticee subeylindrieo, postiee compresso, 


je altitudine 44 ad 5 in ejus longitudine; capite convexo, 41 ad 42 in lon- 
5 gitudine corporis; altitudine capitis 12 ad 14, latitudine 12 ad 12 in ejus 
( 5 


3 


ee longitudine; oculis diametro 23 ad 4% in longitudine capitis, 2 ad 22 in 
 capitis parte postoculari, diametro 14 ad 28 a se invicem distantibus; 
 palpebris oculi bulbum non tegentibus; linea rostro-frontali convexa 5; ros- 
tro junioribus oculo breviore, adultis oculo longiore; naribus anterioribus 
v rotundis, posterioribus ovalibus majoribus; osse suborbitali emarginato, 
 denticulis valde conspicuis; labio superiore gracili non fimbriato; maxilla 
ee superiore deorsum valde protractili;, osse maxillari superiore ore clauso 


 jneonspieuo; dentibus maxillaribus vix conspicuis; maxilla inferiore sym- 


physi tuberculo subconico; dentibus palatinis minimis in thurmas 2 vit- 


taeformes parvas collocatis; lingua peripheria thurmis denticulorum 


|_ parvis obsita; foramine praevomerino magno; praeopereulo acutangulo 
- angulo rotundato, margine posteriore oblique postrorsum descendente; 
À squamis lateribus 25 ad 30 in serie longitudinali; squamis axillaribus 
_ brevibus; pinnis dorsalibus minus longitudine pinnarum pectoralium a se 
| invicem distantibus; dorsali spinosa radiosa humiliore, spinis crassis; dorsalt 
_ radiosa et anali altitudine aequalibus, corpore humilioribus, acutis, apice 
_ rfotundatis, non emarginatis; pectoralibus acutis 14 circiter in longitudine 


_nI. 32 


Wh 


capitis; ventralibus obtusis peetoralibus brevioribus; caudali subintegra vix 
emarginata, 44 ad 42 in longitudine corporis; colore corpore superne oli- | 
vaceo-viridi inferne argenteo; pinnis pectoralibus maxima parte nigris; 
pinnis ceteris viridescentibus vel fuscescentibus; lateribus interdum vittis 
longitudinalibus fuscescentibus. 
B. 6. D. 4-1/8 vel 4-1/9. P. 2/15 vel 2/16. V. 1/5. A. 3/8 vel 3/9. 
C. 14 et lat. brev. 
Synon. Muge christian QG. Voy. de Freycin. 
Mugil melanopterus Ehr. 
Mugil macrolepidotus Rüpp. Atl. R. N. Afr.F. R. M. p. 140 tab. 
35 fig. 2. 
Muge macrolépidote CV. Poiss. XI p. 99. 
Muge à pectorales noires CV. Poiss. XI p. 106. 
Arabi Arab. Or. Mar. rubr. 
kan Greh Indig. Surabaj. 
kan Belanakh Mal. 
Habit. Sampit, Batavia, Samarang, Surabaja, Kammal, Padang, Banka, 


PT ee 


| 
| 


in mari. 
Longitudo 16 speciminum 40''’ ad 260///, 


Aanm. Mugil melanochir K: v. H. is, volgens de talrijke spe- | 
cimina die ik er van heb waargenomen, de jeugdige visch van 
Mugil macrolepidotus Rüpp. | 


GOBIOÏDEI. 


Eleotris marmorata Blkr. 


Bleotr. corpore elongato, antice cylindrico postice compresso, altitudine 
54 ad 6 fere in ejuslongitudine; capite acuto, depresso, 34 ad 34 in lon-- 
gitudine corporis; altitudine capitis 2, latitudine 14 circiter in ejus lon- 
gitudine; linea rostro-frontali declivi econcaviuscula; oculis diametro 9 
eirciter in longitudine capitis, diametris 2 eirciter a se invicem distantie 
bus; orbitis glabris; regione temporali sulcata; rostro ex parte squamoso; 
dentibus maxillis pluriseriatis parvis, serie externa majoribus conicis; 
maxilla superiore inferiore breviore, sub oculo desinente; rictu obliquos d 
squamis etenoïdeis flabelliforme striatis, lateribus 70 p. m. in serie longi- is 
tudinali; appendice anali oblonga compressa; pinna dorsali spinosa dorsali _ 
radiosa paulo humiliore; dorsali radiosa et anali postice oblique rotunda- — 
tis, corpore multo humilioribus; pectoralibus ventralibus longioribus sed 
capite multo brevioribus; caudali obtusa rotundata 5 ad 54 in longitudine ii 
corporis; corpore toto fusco profundiore et aurantiaco pulcherrime mat- a) 


_ morato et nebulato; pinnis omnibus nigro, rubro et fusco variegatis, ni- 


j . . . 
_ gro pinnis dorsalibus praevalente. 


MENGDE 1/Devel 1/10, BP; A8 vel 19. Ar I/Bvwell/9.e:C-1237 vel 14 
et laf. brev. 


_ 


Habit. Bandjermassing, Borneo austro-orientalis, et Palembang, Su- 
matrae austro-orientalis, in fluviis. 
Longitudo 2 speciminum 230''’ et 253''’. 


Aanm. Deze fraaije soort heeft in habitus veel van Philyp- 
nus dormitator GV. en behoort in haar geslacht tot de groep 
‚van Zleotris gyrinus CV. en Bleotris guavina GV., doch is 
duidelijk genoeg daarvan onderscheiden, vooral door haar 
fraai met bruin en oranje gemarmerd en gewolkt ligchaam. 


SILUROÏDEL. 


Pangasius polyuranodon Blkr. 


Pangas. corpore elongato compresso, altitudine 6 in ejus longitudine, 
latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite obtuso vix convexo, 54 
in longitudine corporis; altitudine et latitudine capitis 14 circiter in ejus 

| longitudine ; linea rostro-frontali vix convexa; oculis posteris , diametro 
j 34 circiter in longitudine capitis, superne diametris 24, 
12 a se invicem distantibus; cirris 4, supramaxillaribus os humerale paulo 


inferne: diametro 


ed 


superantibus, inframaxillaribus oculo plus duplo longioribus; maxillis denti- 
$ bus pluriseriatis, parvis, aequalibus; maxilla inferiore superiore breviore; 
_ dentibus vomerinis et palatinis parvis conicis, vomerinis in thurmam mag- 


_ nam quadratam, palatinis in thurmas 2 oblongas parvas ad latera thurmae 


s vomerinae collocatis; scuto capitis cristaque interparietali rugosis; linea 
_ Jaterali rectiuscula ramosa; linea dorsali linea ventrali convexiore; pinna 


dorsali radiosa acuta , non emarginata , corpore vix humiliore, spina pos- 


… 


tice serrata; pinna adiposa gracili, pinnae analis parti posteriori opposita, 
multo altiore quam longa, altitudine oculum subaeguante; pinnis pectora- 
libus acutis, capite paulo brevioribus, spins postice serrata; ventralibus 
pectoralibus minus duplo brevioribus, analem non attingentibus; anali 4 
fere in longitudine corporis; caudali profunde incisa, lobis acutis 54 circí- 
ter in longitudine corporis; colore corpore plumbeo-coeruleo, inferne ar- 
genteo; pinnis flavescentibus. 

BERDE /7.P. 1/12. V.1/5. A. 5/38. C.- 17 et lat. brev. 

Habit. Bandjermassing, in fluviis. 


Longitudo speciminis unicì 160’. 


426 8 


Aanm. Deze soort is kenbaar aan hare in eene groote vier- 
kante groep bijeenstaande ploegbeenstanden, gering aantal kieuw- 
stralen enz. Ik bezit nog eene na aan deze verwante nieuwe 
soort van Palembang, welke ik Pangasius juaro heb genoemd 
en welker beschrijving nog niet is gepubliceerd. Deze heeft de 
ploegbeenstanden even zoo gerangschikt en ook 7 kieuwstralen , 
doch de voeldraden zijn er aanmerkelijk korter, vooral de 
kindraden, en de oogen staan er hooger, terwijl ik er in de 
aarsvin slechts 4/30 stralen tel, niettegenstaande het specimen 
meer dan tweemaal grooter is als het boven beschrevene. 


Arius truncatus GV. Poiss. XV p. 48. 

Ar. corpore elongato compresso, altitudine 74 ad 8 in ejus longitu- 
dine; capite acuto, a rostro usque ad apicem operculi 44 ad 44, a rostro 
usque ad apicem cristae interparietalis 84 ad 84 in longitudine corporis; 
latitudine capitis 12 ad 2 in ejus longitudine usque ad apicem operculi; 
oculis diametro 6 ad 7 in longitudine capitis usque ad apicem operculi, 
diametris 2 circiter a se inviecm distantibus; linea rostro-dorsalt occi- 
pite convexa, fronte rectiuscula; rostro antice subtruncato; scuto capitis 
irregulariter sulcato et granulato, sulco antice glabro elongato, granulis 
parcis; crista interparietali minus duplo longiore quam basi lata, tota 
sulcata et granulata, apice leviter emarginata os interspinosum parvum 
granulatum attingente; cirris 6, supramaxillaribus os humerale, infra- 
maxillaribus externis et internis aperturam branchialem attingentibus vel sub- 
attingentibus; maxillis dentibus pluriseriatis parvis aequalibus, superiore 
inferiore longiore ; ore infero; dentibus palatinis conicis parvis in thurmas 
2 oblongo-ovales antice et lateraliter in palato collocatis; osse scapulari 
glabro; spinis dorsali et pectoralibus crassis, antice granulosis, apice et 
postice dentatis, non in fila productis, dorsali 6 ad 64, pectoralibus 7 


ad 72 in longitudine corporis; pinna dorsali radiosa acuta corpore multo 


altiore; pinna dorsali radiosa acuta corpore multo altiore; pinna adipcesa 
anali plus duplo breviore, oblonga, rotundata, aeque alta fere ac basi 
longa; pinnis pectoralibus 14 circiter, ventralibus angulatis 2 in longitu- 
dine capitis; radio ventrali postico non tumefacto vel cartilagines; anali 
angulata, vix emarginata, longiore quam alta; caudalì profunde excisa 
lobo superiore acutiusculo inferiore longiore 52 ad 52 in longitudine cor- 
poris; colore corpore superne ‘plumbeo, inferne argenteo, pinnis flaves- 
cente ; dorsali radiosa superne nigro marginata. 

B. 6. D. 1/7. B. 1/9. Vool/5. A. 6/16 wel 7/17 Tone NER 

Synon. Artus à nez trongué CV. Poiss. XV p. 48. jn 


dans mls e 


427 


Habit. Pamangkat, in fluviis. 
Longitudo 2 speciminum 121/// et 144///, 


__Aanm. Mijne specimina laten zich geheel terugbrengen tot 
de korte beschrijving van Arius truncatus GV., zoodat ik niet 
aarzel, ze te beschouwen als daartoe behoorende. De heer 
 VALENCIENNEs geeft van deze soort op dat ze door LrscuenAuLrT 
op Java zou verkregen zijn. Tot nog toe is mij echter van 
Java nog geen enkel specimen onder de oogen gekomen. 


sie melasoma Blkr. 


Clar. corpore elongato, antiee subeylindrieo postiee compresso, altitudine 
82 ad 74 in ejus longitudine; capite depresso 44 ad 48 in longitudine 
corporis; altitudine capitis 22 ad 2, latitudine 14 circiter in ejus longitu- 


dine; scuto capitis leviter granuloso;s impressionibus frontali et occipitali 
distantibus, ovalibus, frontali ocecipitali majore; oculis diametro 12 cir-_ 
citer in longitudine capitis; cirris nasalibus et inframaxillaribus internis 
medias pinnas pectorales attingentibus, supramaxillaribus pinnas pectora- 


les superantibus, inframaxillaribus externis apicem pectoralium fere attin- 


libusque rotundatis; pectoralibus ventralibus minus duplo longioribus et 
apite minus duplo brevioribus, spina crassa antice dentata capite plus 


gitudine corporis; colore corpore pinnisque nigro. 
RBD. 69 vel 70. P. 1/9. V. 1/5. A-57. C. 17 = D. A. C. 143. 
ee Synon. Jkan Leleh Palembangens. 


bang, Sumatrae austro-orientalis, in flumine Mussi. 
s Longitudo 2 speciminum 170'/' et 300''/. 


__ Aanm. Deze soort heeft zeer groote verwantschap met Cla- 
' tas meladerma Blkr. van Java. Wat mij noopt haar als eene 
eigene soort te beschouwen is, dat zij aanmerkelijk ranker 
is van ligchaam en minder hoog van rug, en dat hare verti- 
kale vinnen niet vleezig zijn. Clarias fuscus CV. van Sumatra 
zou slechts 48 aarsvinstralen hebben en 67 rugvinstralen. In- 


428 


dien de afbeelding van Macroptéronote brun Lacép. tot Clarias 
fuscus CV. betrekking heeft en eenigzins naauwkeurig is, dan 
wijkt Clarias fuscus CV. bovendien nog af‚ zoowel van Clarias 
melasoma als van Clartas meladerma, door kortere voeldraden 
en veel spitsere interparietaalkam. 


CIJPRINOÏDEL 


Systomus apogon GV. Poiss. XVI p. 299. 


Systom. corpore oblongo compresso, altitudine 34 ad 3 in ejus longi- 
tudine, latitudine 24 ad 3 in ejus altitudine; capite acutiusculo 44 ad 5 
in longitudine corporis; altitudine capitis 14 ad 14, latitudine 2 circiter 
in ejus longitudine; linea rostro-dorsali vertice concava; oculis diametro 
3 ad 32 in longitudine capitis, 14 ad 14 in capitis parte postoculari; 
distantia interoculari 23 ad 8 in longitudimme capitis; rostro acutiusculo 
antice leviter convexo, non ante os prominente, non truncato, junioribus 
oculo breviore, aetate provectioribus oculo non breviore; maxilla supe- 
riore inferiore paulo longiore, ante oculum desinente, verticaliter deor- 
sum valde protractili; maxilla inferiore non uncinata; ore antico labiis ® 
carnosis non lobatis; dentibus pharyngealibus triseriatis, serie externa 5 
uncinatis; osse scapulari trigono obtuso; dorso elevato angulato ventre & 
multo convexiore; linea laterali rectiuscula lineam rostro-caudalem non 
attingente; squamis parte libera longitudinaliter striatis, lateribus 35 p._ 
me. in serie longitudinali, 13 p. m. in serie transversali; inguinibus squamis 
elongatis; pinnis dorsali et anali basi vagina squamosa humili; dorsali ® 
post pinnas ventrales incipiente, acuta, emarginata, corpore multo hu- ® 
miliore, spina crassa postice dentata capite breviore; pectoralibus et ven- 
tralibus acutis, subaequalibus, capite brevioribus; pectoralibus ventrales 17 
attingentibus; ventralibus analem non attingentibus; anali acuta, non vel ® 
vix emarginata, corpore plus duplo humiliore; caudali profunde incisa, he 
lobis acutis 4 ad 42 in longitudine corporis; colore corpore superne viri- N 
di inferne argenteo; squamis lateribus plurimis basi macula verticali fusca — 
vel nigra; pinnis membrana viridibus, radijs vulgo rubris; membrana 
pinna dorsali analique frequenter fusco arenata; cauda junioribus basi 
pinnae macula diffusa nigra. 

B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/16. V. 1/9. A. 3/5 vel 3/65. C. 19 et Jalan 

brev. 

Synon. Barbus apogon Kuhl. CV. Poiss. XVI p. 299. 

Jkan Lawak et Ikan Lalawak Mal. Batav. 


429 


Habit. Prabukarta, Borneo austro-orientalis in flumine Kusan; Palem- 
bang, Sumatrae austro-orientalis, in flumine Mussi; Batavia, 
in flumine Tjiliwong. 

Longitudo 24 speciminum 85''’ ad 198’, 


Aanm. Het blijkt meer en meer, dat de stroomgebieden der 
groote Soenda-eilanden tamelijk rijk zijn aan soorten van Sys- 
fomus. Van Java ken ik er thans 2, van Borneo ö en van 
Sumatra 5. De Javasche zijn Systomus lawak Blkr. en Systo- 
mus apogon GV.; de Borneosche Systomus apogon CV., Sys- 
tomus melanopterus Blkr., Systomus microlepis Blkr., Systomus 
bulu Blkr. en Systomus truncatus Blkr.; de Sumatrasche Sys- 
tomus apogon CV., Systomus bako Blkr., Systomus melanopte- 
rus Blkr., Systomus bulu Blkr. en Systomus truncatus Blkr. 
Alle deze soorten zijn afgebeeld in mijne nog niet afgedrukte 
verhandeling over de Cyprinoïden van den Indischen Archipel. 

Systomus melanopterus beschreef ik in eene vroegere biidra- 
ge over de ichthyologie van Borneo onder den naam van 
Barbus melapterus, naar een jeugdig specimen. - Sedert ontving 
| ik grootere specimina van Borneo en Sumatra welke geen 
spoor van voeldraden bezitten, zoodat, wat ik bij het kleine 
ge specimen voor draadjes heb aangezien, stellig gescheurde lippen 
4 moeten geweest zijn, aan welke misvatting men bij kleine spe- 


Ë 


_ Cimina met teedere lippen ligtelijk bloot staat. Bij de andere 


OE is het ligchaam betrekkelijk aanmerkelijk hooger dan 
_bij de jongere. 
A 


Barbus kusanensis Blkr. 
V Barb. eorpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 24 in ejus altitudine; capite acutiusculo non convexo, 
44 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 12 in 
ejus longitudine; oculis diametro 34 in longitudine capitis, diametro 1 a 
se invicem distantibus; rostro non convexo, acuto, oculo paulo breviore; 
maxilla superiore inferiore vix longiore, deorsum valde protractili, ante 
oculum desinente; ore antico; cirris labialibus maxillaribus longioribus 
opercula attingentibus, maxillaribus oculi partem posteriorem attingenti- 
bus; dentibus pharyngealibus triseriatis, serie externa 5 subuncinatis; 


Osse scapulari trigono obtuso rotundato; linea frontali declivi rectiuscula; 


4 


450 


dorso elevato carinato; linea dorsali angulata, ventrali rotundata; linea 
laterali declivi leviter concava, lineam rostro-caudalem attingente, lineae | 
ventrali magis quam lineae dorsali appreximata; squamis medio reticula- 
tis, peripheria subradiatim striatis, lateribus 23 p. m. in serie longitudinali, 
9 ad 10 in serie transversali; inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali 4 
acuta non emarginata, altitudine 12 in altitudine corporis, spina denticu- 
lata capite breviore, paulo post pinnas ventrales inserta; pinnis pectorali- 
bus ventralibusque acutis, pectoralibus ventralibus longioribus sed capite 
brevioribus, ventrales attingentibus; anali acuta non emarginata, corpore 
plus duplo humiliore; caudali profunde incisa lobis acutis, 4 et paulo in 
longitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne argenteo; pin- $ 
nis roseis, dorsali, anali caudalique leviter fasco marginatis. 

B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 2/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. 

brev. 
Habit. Prabukarta, Borneo austro-orientalis, in flumine Kusan. 


Longitudo speciminis unici 76///, 


Aanm. Deze soort is na verwant aan Barbus bilitonensis 
Blkr. (Nat. Tijdschr. N. Ind. UI p. 97) doch mist de violet 
kleurige rugvlek, is iets hooger van ligchaam, heeft den rug- 
doorn achter de buikvinnen ingeplant en de borstvinnen tot 
aan de buikvinnen reikende. Zij moet ook zeer na verwant 
zijn aan Barbus roseipinnis CV. van Pondichery, maar deze 
soort zou den onderrand der staartvin zwartachtig hebben. 
Elders heb ik overigens reeds gezegd, dat de beschrijving van 
deze soort in het groote vischwerk te oppervlakkig is, om 
over de mogelijke identiteit met de bovengenoemde verwante 
soorten behoorlijk te oordeelen, eene identiteit, welke echter, 
het verschil van woonplaats in aanmerking genomen, niet waar= | 
schijnlijk is. ij 


Rohita melanopleura Blkr. 


Rohit. eorpore oblongo compresso, altitudine 3% ad 84 in ejus longitu- 
dine, latitudine 22 ad 24 in ejus altitudine; capite obtuso 43 ad 54 in } 
longitudine corporis; altitudine capitis 1% ad 14, latitudine 18 ad 12 ina 


. tj 
ejus longitudine; oculis diametro 84 ad 4 et paulo in longitudine ecapitis, — 
l et paulo ad 1% in capitis parte postoculari; distantia interoculari 2 fere — 


\ 


ad 13 in longitudine capitis; rostro non convexo, poris non conspicuis, — 
vix ante os prominente, oculo longiore; maxilla superiore inferiore paulo — 


481 


longioribus, oculum attingentibus, maxillaribus angulum oris superantibus; 
Jabiis valde carnosis papillis gracilibus ciliatis, papillis labio inferiore lon- 
gioribus; dentibus pharijngealibus triseriatis vix curvatis, serie externa 5; 
osse scapulari trigono, obtuso; linea rostro-dorsalí capite declivi rectius- 
d cula; dorso elevato ventre convexiore; linea laterali antice declivi postice 
rectiuscula, lineam rostro-caudalem vix vel non attingente; squamis parte 
libera longitudinaliter striatis, lateribus 50 p. m. in serie longitudinali, 
20 p. m. in serie transversali; inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali 
ante pinnas ventrales incipiente, acuta, paulo emarginata, corpore multo 
humiliore, basi 3% ad 834 in longitudine corporis; pectoralibus ventralibus- 
que acutis, capite brevioribus; pectoralibus ventrales non attingentibus; 
ventralibus pectoralibus paulo longioribus, analem non attingentibus; anali 
acuta non vel vix emarginata, corpore multo humiliore; caudali profunde 
incisa lobis acutis, superiore paulo longiore 4 ad 5 et paulo in longitu- 
dine corporis; colore corpore pinnisque viridis lateribus post medias pin- 
nas pectorales maculis nigris reticulatis. 
DAI vel 4/18. PB. 1/16. A; 3/5 vel 3/6. C. 19 et‘lats'brev. 
Habit. Bandjermassing, Borneo austro-orientalis, et Palembang, Su- 
matrae austro-orientalis, in fluviis, 
Longitudo 3 speciminum 126/'’ ad 320'/’, 


Aanm. Deze soort is zeer kenbaar aan haren gladden, niet 
bollen en niet vooruitstekenden snuit, lange voeldraden, talrijke 
s schubben, netsgewijze zwarte teekening der zijden achter hef 
midden der borstvinnen enz. 


Leueise. corpore oblongo compresso, altitudine 3% ad 44 in ejus lon- 
‚ gitudine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine; capite acuto 54 ad 6 in 
‚ longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 24 circiter in ejus 


; lineis dorsali et ventrali rotundatis, ventrali dorsali multo convexiore ; 
__ventre cultrato; linea laterali valde curvata, postice lineae ventrali multo 
_magis quam lineae dorsali approximata, tota fere infra lineam rostro- 
_ eaudalem sita; squamis magnitudine insequalibus, non vel vix striatis, 


B u. | 33 


lateribus 40 p. m. in serie longitudinali, 12 p. m. in serie transversali;_ 
pinna dorsali radiis posticis radiis analibus anterioribus opposita, acuta, 
non emarginata, corpore multo humiliore; pectoralibus acutis, capite multo 
longioribus, ventralium basin superantibus; ventralibus acutis pectoralibus 
plus duplo brevioribus, analem non attingentibus; anali acuta, emargi- 
nata, corpore plus duplo humiliore; caudali profande incisa, lobis acutis, 
inferiore longiore 42 ad 5 in longitudine corporis; colore corpore superne 
viridescente inferne argenteo; pinnis flavescente-hyalinis marginem poste- 
riorem versus plus minusve fuscescentibus vel nigricantibus. 
B. 3. D. 2/1 vel 2/8. P. 2/12 ad 2/14. V. 1/6. A. 3/29 ad 3/32. C. © 
19 et lat. brev. | 
Habit. Prabukarta, Borneo austro-orientalis, in flumine Kusan; Palem- 
bang, Sumatrae austro-orientalis, in flumine Mussi; Batavia, — 

in fluviis. 
Longitudo 9 speciminum 50’'’ ad 148'/', 


Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan Leuciscus oxygas- 
ter CV. van Java, doch onderscheidt er zich van door meer 
zamengedrongen ligchaam, minder talrijke schubben op eene E 
overlangsche rei, verder achterwaarts reikende borstvinnen en — 
door het gemis van de overlangsche violetachtige banden op 
de staartvinkwabben. | 


CLUPEOÏDEL 
Spratella pseudopterus Blkr. 


Spratell. corpore elongato compresso, altitudine 5 in ejus longitudine, « 
latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acutiusculo 54 in longitudine 
corporis, longiore quam alto; oculis diametro 3 circiter in longitudine 8 
capitiss ore antico rictu parvo; rostro oculo breviore; maxilla superiore 
edentula sub oculi parte anteriore desinente; maxilla inferiore symphysi _ 
tactu scabra, denticulis inconspicuis;s dentibus palatinis vix conspicuis utro- | 
que latere in vittam gracilem dispositis; lingua medio tantum crista den- 1 
ticulis vix conspicuis scabra; lineis dorsali et ventrali regulariter rotun- sn 
datis, ventrali dorsali convexiore; linea laterali conspicua; squamis parte — 
basali vulgo longitudinaliter, parte Ifbera vulgo nec striatis nec fimbria- KA 


18 postice spinatis serrato; pinna dorsali maxima parte in anteriore di- — 
midio corporis sita, acuta, corpore minus duplo humiliore, non vel vix emargi- — 


nata; pectoralibus acutis capite minus duplo brevioribus et ventralibus — 
minus duplo longioribus; ventralibus ante pinnam dorsalem insertis; anali 
. corpore duplo humiliore, radiis 2 posticis a cetera pinna remotis, pin= — 


433 


_ pam spuriam efficientibus; caudali profunde incisa lobis acutis 5 ad 54 in 
 longitudine corporis; colore corpore superne viridescente, inferne argen- 
_teo; pinnis hyalino-viridescentibus. \ 

B. 6. D. 13 vel 14. P. 12 vel 13. V. 1/7. A. 1442, C. 19 et lat. brev. 
j Habit. Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. 
__Longitudo 2 speciminum 48'// et 51’, 


__Aanm. Deze soort is gekenmerkt door hare slanke gedaan- 
te, voorwaartsche plaatsing der buikvinnen en vooral door 
eene kleine tweestralige valsche aarsvin, welke zich achter de 
eigenlijke aarsvin bevindt. 


Engraulis Pfeiffert Bkr. 


KE » 
he 


_ _Engraul. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in ejus lon- 
_gitudine, Jatitudine 4 in ejus altitudine; capite subtrigono, acuto, 7 circi- 
ter in longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali cou- 
vexa; lineis dorsali angulata, ventrali rotundata; oculis totis velatis, dia- 


metro 6 circiter in longitudine capitis; rostro acuto, oculo vix breviore; 


rr EEn 


maxilla inferiore ante superiorem prominente; maxilla superiore curvata, 
ij oncavitate antrorsum spectante, postice rotundata, ante aperturam bran- 
chialem desinente; dentibus maxillaribus, vomerinis et palatinis parvis, 
aequalibus, numerosis; operculo margine posteriore valde obliquo, con- 


„vexo, non emarginato; squamis lateribus ecycloïdeis, plurimis striis basi 


citer opposifa, spina erecta valde conspicuas pinnis pectoralibus radio 1e 


me 
| fi 


in Alum posteriorem pinnae analis partem attingentem producto, radio 2e 


Capite breviore; pinnis ventralibus acutis radio pectorali 2e minus duplo 


brevioribus; anali non squamosa, corpore plus duplo humiliore, corpore 


ix plus duplo breviore; caudali profunde incisa, lobis (partim abruptis); 


golore corpore superne griseo-coeruleo inferne flavescente vel argenteo; 


 dorso medio fusco arenato; pinnis flavescentibus. 

Er. 18. D. 1 spin. + 3/14. P. 1/12. V. 1/6. A. 3/58. C. 19 et lat. brev. 
Habit. Pontianak, Borneo occidentalis, in fumine Kapuas. 
__Longitudo speciminis unici 225'//, 

KN 

__Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan Engraulis te- 
lara CV. doch verschilt daarvan nog aanmerkelijk. Zij behoort 


tot de groep van Engraulis, bij welke de borstvinnen draad- 


43h 


vormig verlengd zijn, de bovenkaak stomp is, niet tot aan de 
kieuwopening reikt en de rugvin achter het begin der zeer 
lange aarsvin is geplaatst. Zij is bij den eersten oogopslag her- 
kenbaar aan de lange onderkaak, die voor den snuit uitsteekt » 
en aan het niet uitgesneden zijn van den achterrand des oper-_ 
kels. Van Engraulis telara GV. is de formule der stralen bo- 
vendien opgegeven als volgt: B. 14 vel 13. D. 13. P. 14. 
Vv. 7. A. 70, welke getallen aanmerkelijk van die van Engrau- 
lis Pfeifferi afwijken. Op de afbeelding van Engraulis telara E 
CV. in'de groote Histoire naturelle des Poissons zijn boven- 
dien slechts ongeveer fÎ7 buikkieldoornen aangeduid, terwijl 
ik er bij Engraulis Pfeifferi 21 tel. j 

De bovenbeschrevene koplengte doelt op de lengte van de 
punt des snuits tot aan het onderste gedeelte van den ach- 
terrand des operkels. De lengte van de punt des snuits tot 
aan den bovenhoek der kieuwopening gaat ongeveer ff, maal 
in de lengte des geheelen ligchaams. 

De heer Cantor beschreef in zijnen Catalogue of Malaijan 
Fishes bladz. 306 eene insgelijks aan Zngraulis Pfeifferi ver 
wante soort onder den naam van Engraulis breviceps, doch 
welke hooger is van ligchaam, grootere oogen en kortere. 
borstvindraden heeft, slechts Î6 kieuwvliesstralen bezit enz. 

Ik draag deze soort op aan mevrouw Ipa Preirrer, welke 
haar te Pontianak heeft ontdekt en mij met welwillendheid 
afgestaan. 


Engraulis rhinorhynchos Blkr. Verh. Bat. Gen. wav 
Haring. V. p. 40. | 


Engraul. corpore oblongo compresso, altitudine 4 ad 44 in ejus lon- 
gitudine, latitudine 34 ad 44 in ejus altitudine; capite acuto 43 ad 5 im 
longitudine corporis; altitudine capitis 12 in ejus longitudine; oculis dia 
metro 3 ad 84 in longitudine ecapitis, totis velatis; rostro valde promi= 
nente, acuto, oculo vix breviore; maxilla superiore ante inferiorem pro- 
minente, postice acuta, aperturam branchialem attingente; dentibus _ 
maxillaribus, palatinis et vomerinis minimis, maxillaribus mumerosisimis 
conspicuis; squamis reticulatis, lateribus 35 p. m. in serie longitudinalis; — ‚f 


axillis inguinibusque squamis elongatis; linea laterali inconspicua; ventre dl 


Tae 3 
ke ek hej 
nd pie: 


435 


L spinis serrato; pinna dorsali tota ante pinnam analemsita, acuta, margine 
À superiore convexa, corpore humiliore; spina dorsali valde conspicua; 
_ pinnis pectoralibus acutis, capite multo brevioribus; ventralibus pectora- 
_ libus duplo ecirciter brevioribus; anali corpore duplo humliore, longitudine 
83 ad 4 in longitudine corporis; caudali profunde incisa lobis acutis 5 
eirciter in longitudine corporis; colore corpore superne coerulescente, 
 Jateribus inferneque flavescente-argenteo; macula humerali fusca; pinnis 
3 flavescentibus, dorsali antice vulgo fuscescente. 
NE B. il. D. 1 spin. + 3/10 vel 3/11. P. 1/11. Ve J/6 A. 3/81 vel 
| 3/82. C. 19 et lat. brev. 
Synon. Engraulis kammalensis Blkr. Ichth. Madur. p. 13, in Verh. Bat. 
Gen. XXII. 

Íkan Bulu hajam Mal. Batav. 
| Ikan Tri Jav. et Madur. 
} ‚ Habit. Sampit, Borneo australis, in mari. 

Batavia, Surabaja, Kammal, in mari, 
Longitudo 24 speciminum 70''’ ad 110///, 


___Aanm. Deze soort is zeer kenbaar aan haren vooruitsteken- 
_den snuit, rugdoorn, scherpe doch korte bovenkaak, kort 
Lj 

ligchaam, onverlengde borst- en buikvinstralen enz. 


Vissch. p. 40. 


Engraul. corpore eiongato compresso, altitudine 5 ad 54 in ejus longi- 
be pine, Bene. 2 ad 24 1n gi aluijndine;, gene aante: convexo 5 


B. oculo breviore, acuto, convexo; maxilla NO ante in- 
in prominente, postice acuta, aperturam branchialem attingentes; 


sen 30 p. m. in serie longitudinalis axillis inguinibusque squamis 
_elongatis; linea laterali inconspicua; pinna dorsali ante pinnam analem 
incipiente, radiis posticis radiis analibus anterioribus oppositis, acuta, 
corpore humiliore; pectoralibus acutis capite multo brevioribus; ventrali- 
bus pectoralibus duplo brevioribus; anali corpore duplo humiliore, lon- 
gitudine 6 ad 62 in longitudine corporis; colore corpore flavescente-hya- 
lino; fascia cephalo-caudali lata argentea; pinnis flavescentibus, caudali 
fere tota nigro marginata. 

B. 11. D. 1 spin. t 3/11 vel 3/12. P. 1/11 vel 1/12. V. 1/6. A. 3/17 


ad 3/19. C. 19 et lat. brev. 


486 


Synon. Zkan Tri Mal. Batav. 
Habit. Sampit, Batavia, in mari. 
Longitudo 20 speciminum 55’'’ ad 120///, 


Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan ZEngraulis Brow- | 
nij CV. Men onderkent haar echter voldoende aan den korten 
rugdoorn, die bij ZEngraulis Brownùü CV. ontbreekt en aan 
de netsgewijze gestreepte schubben. Zij is ook wat platter 
dan Engraulis Browniü CV. en heeft den zilverglanzigen band 
der zijden veel breeder, terwijl de schubben tevens vaster op 
het ligchaam bevestigd zijn, zoodat men haar gewoonlijk met_ 
schubben bedekt aantreft, terwijl Engrauls Browniù gewoon- 
lijk de schubben verloren heeft. | 


Coïlia macroynathos Blkr. 


Coïl. corpore elongato compresso, altitudine 54 ad 52 in ejus longitu- * 
dine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; cauda gracili; capite acuto, 
absque processu maxillari 6 circiter in longitudine corporis; rostro acuto, 
ante os prominente; oculis diametro 54 eirciter in longitudine capitis 
absque processu maxillari; maxilla superiore postice maxime producta 
pinnas ventrales fere attiogente, denticulis majoribus et minoribus alter= 
nantibus, parte producta autem parte orali majoribus; maxilla inferiore 
denticulis parvis, symphysìi tuberculata; dorso angulato; ventre ante pin 
nas ventrales spinis 12 vel 18, post pinnas ventrales spinis 27 serrato; 
squamis cycioïdes reticulatis, lateribus 50 p. m. in serie longitudinalis 
pinna dorsali postice in 1° tertia corporis parte incipiente, acuta, corpore 
paulo humiliore, spina brevi ante radium 1"; pinnis pectoralibus filis ki 
beris initium pinnae analis multo superantibus, parte non producta capite 
non breviore; ventralibus dorsali oppositis, capite minus duplo breviori= 
bus; anali cum caudali unita, basi corpore ante eam paulo breviores 
caudali acuta 54 ad 72 in longitudine corporis; colore corpore superne 
plumbeo inferne flavescente-argenteo; pinnis dorsali, pectoralibus et ven= 
tralibus flavis, anali caudalique aurantiacis. d 

B. 10. D. 1 spin. brev. + 8/11 vel 3/12. P. fil. lib. 6 + rad. 11 vel | 

fil. lib. 5 + rad. Il. V. 1/6. A. 2/11 vel 2/60. C. 10. N 

Habit. Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. 

Longitudo 2 speciminum 205” et 215, / 

le 

Aanm. In de laatste jaren zijn meerdere soorten van Coilia 
in de wetenschap bekend geworden. De boven beschrevene 


nf 


REN 


437 


js hef naaste verwant aan Cola Grajyt Richards. door de sterke 
verlenging der bovenkaak, doch verschilt er van, door niet 
uitgesnedene staartvin, die onmerkbaar in de aarsvin overgaat, 
doordien er de aarsvin korter is dan het ligchaamsgedeelte 
vòòr haar gelegen enz. 


Coïlia horneënsis Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Har. V. 
p. 49. 


Coil. corpore elongato compresso, altitudine 6 ad 5 fere in ejus longi- 
tudine, latitudine 18 ad 24 in ejus altitudine; cauda gracili; capite acuto 
52 circiter in longitudine corporis; rostro acuto, ante os prominente; 
oculis diämetro 32 ad 4 in longitudine capitis; maxilla superiore usque 
ad aperturam branchialem producta; dentibus maxillis parvis aequalibus, 
conspicuis; dorso angulato; ventre spinis praeventralibus 4, postventrali- 
bus 7 armato; squamis cycloïdeis, lateribus 50 ad 60 in serie longitudi- 
nali, dimidio libero reticulatis, dimidio basali longitudinaliter striatis; 
pinna dorsali postice in 1° tertia corporis parte incipiente, acuta, corpore 
non vel vix humiliore, spina brevi ante radium 1*; pinnis pectoralibus 
filis liberis 2" tertiam partem pinnae analis attingentibus, radijs non pro- 
ductis capite plus duplo brevioribus; ‘ventralibus angulatis capite minus 
duplo brevioribus; anali antice corpore triplo circiter humiliore, longitu- 
dine 12 ad 2 fere in longitudine corporis; anali et caudali distinctis; 
caudali acutiuscule rotundata inferne leviter vel vix emarginata, 8 ad 9 
in longitudine corporis; colore corpore pinnisque flavescente-hyalino; la- 


teribus immaculatis. 


B: 9. D. 1 spin. + 3/10 vel 3/11. P, fil. liber. 12 ad 14 + rad. 6 
ad 8. V. 1/6. A. 84 ad 87. C. 19. 

Habit. Bandjermassing, Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. 

Longitudo 9 speciminum 90’/’ ad 140///, 


Aanm. Deze soort schijnt groote verwantschap te hebben 


met Coilia Reynaldi CV. Poiss. XXI p. 59, doch laat er zich 
niet mede vereenigen, omdat, volgens den heer VALENCIENNES, Coilia 


Reynaldi 110 aarsvinstralen heeft. De beschrijving van den 
heer VaALENCIENNES is overigens te kort, om over mogelijk 
verder bestaande verschillen te oordeelen. Van Coilia Dussu- 
mierië CV. is Coïlia borneënsis bij den eersten oogopslag te 
onderkennen door het gemis van de fraaije goudkleurige zij- 
vlekken ; van Covlia Hamiltoni CV. door minder langen staart 


en aanmerkelijk minder talrijke aarsvin- en buikvinstralen; 


438 


van Coilia qwadragesimalis CV. dóor een meer dan dubbel _ 
aantal aarsvinstralen, en van Coïlia Grayi CV. en Coilia 
Playfairii GV. door het niet verlengd zijn der bovenkaak tot 
achter de kieuwopening. 

Ik ontving Á specimina dezer soort van den heer J. Worrer 
van Bandjermassing en 5 van den heer Dr. J. Einruoven van Á 
Pamangkat. 


SIJMBRANCHOIDEL 


Sijmbranchus immaculatus Bl. J. Mill. Cant. 


Symbranch. corpore valde elongato, antice cylindrieo postiee compresso, 
altitudine 27 ad 28 in ejus longitudine; capite acuto 104 ad 114 in lon- 3 
gitudine corporis, triplo circiter longiore quam alto; linea rostro-frontali — 
declivi eoncaviuscula rostro apice tantum convexa; oculis diametro 20 p. me 
in longitudine capitis; naribus non tubulatis, interocularibus, oculis ap- 
proximatis; rostro acuto, antice rotundato, 9 ad 10 in longitudine capi-_ 
tis; labiis carnosis; maxilla superiore inferiore paulo longiore; rictu longe 
post oculos producto, 3 eirciter in longitudine capitis; dentibus maxillis 
conicis subaequalibus, inframaxillaribus supramaxillaribus majoribus, late- 
ralibus uniseriatis, anticis in thurmulas collocatis; dentibus vomero-pa- 


latinis conicis aequalibus, in arcum antice rotundatum dispositis, uniseria= 


tis; radijs membrana branchiostega 6 approximatis, basi osseis, apicem 

versus flexilibus subfiliformibus; cute laevi squamis inconspicuis; linea la- 

terali conspicuas pinnis humilibus, dorsali paulo ante anum incipiente, 

caudali radiis aliquot conspicuis; ano postice in 4* quinta corporis parte 

sito; colore corpore pinnisque viridi-nigricante. 

Synon. hee invnaculatus Bl. Ausl. Fisch IX p. 87 tab. 419 fig 

. Bl. Schn. Syst. posth. tab. 103 fig. 1. Shaw Gen. Zoöl. mv 

p. 36. Cuv. Règn. anim. 4 

Ungefleckte Halskieme Bl. Ausl. Fisch. tab. 419 fig. 1 
Synbranche immaculé Bl. ibid. 

Spotless synbrank BL. ibid. j 

Symbranchus immaculatus J. Müll. Myxinoïd. in Abh. Königl. — 

Akad. Berl. 1839 p. 245. Cant. Mal. Fish. p. 337. | 

Ophisternon bengalensis J. M. Apod. Fish. of Beng. in Cate. 

Joum. Nat. Hist. V. p. 197 et 220, tab. 11 fig. 1, 2 (secund. 

ee, an recte?) 


Habit. hae Borneo-austro- AAA in fluviis. 
Calcutta, in flumine Hooghly. 
Longitudo 4 speciminum 240''’ ad 8382''’, 


439 


Aanm. De heer Dr. Cantor te Caleuita had onlangs de goed- 
heid, mij 3 Calcuttasche exemplaren dezer soort toe te zenden. 
Ik ben daardoor in staat gesteld geworden, mijn specimen van 
Tetrabranchus microphthalmus van Borneo daarmede te verge- 
lijken en heb bij deze vergelijking geene soortelijke verschillen 
kunnen ontwaren. Deze identiteit was niet op te maken 
uit de vergelijking van mijn specimen met de afbeeldingen 
van Symbranchus immaculatus van Broen, in welke de ge- 
daante der kieuwopening geheel verkeerd is afgebeeld en 
de kleuren onjuist zijn. Volgens de heer Cantor zou Ophdster- 
non bengalensis MacClell. insgelijks identisch zijn met Symbran- 
chus immaculatus. Ik aarzelzeer, deze meening aan te nemen, 
vermits de habitus van den kop en van het tandenstelsel der 
afbeelding van den heer MacCtervanD geheel en al afwijkt van 
dien van Symbranchus immacutatus Bl, zijnde de neusopenin- 
gen op die afbeeldingen boven de oogen geplaatst en de kaak- 
en ploegbeen-gehemeltetanden blijkbaar driereijig. 

In zijnen Catalogue of Malaijan Fishes heeft de heer Can- 
TOR eene nieuwe soort van Symbranchus, S. caligans, be- 


_ schreven en afgebeeld, welke in geslachtskenmerken volko- 


een er, 


men aan Symbranchus immaculatus Bl. beantwoordt, doch er 
soortelijk van verschilt, doordien de kop er slechts 8 tot 8% 
maal gaat in de lengte des ligchaams, de kleur des ligchaams 


_ paarsachtig rood is enz. Symbranchus gutturalis Richards van Dam- 


 pier’s Archipel (Ichth. Voy. Rreb. Terror p. 49 tab. 30 fig. 14), 
_ heeft eene leverbruine kleur, een betrekkelijk korter ligchaam, 


welks hoogte slechts 20 maal schijnt te gaan in de lengte enz. 
GYMNODONTES. 


Fetraödon naritus Richards. Voyag. of the Samar. 
Fish. p. 18, tab. 8 (piscis adultus), Cant. Ga- 
tal. Mal. Fish. p. 888 tab. 10 (jun). 


Tetraöd. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite obtuso 32 ad 32 in 
longitudine corporis; linea rostro-frontali convexa; oculis superis, diametro 


A40 


A ad 5 in longitudine capitis, diametris 2 fere a se invicem distantibus; 
Joco narium utroque latere depressione infandibuliformi margine membra- 
naceo elevato bipapillato; labiis valde carnosis; maxilla superiore ante 
maxillam inferiorem prominente; capite postice, lateribus antice ventreque 


usque ad anum spinulis maxime conspicuis scabris; capite antice, dorso , 


lateribus postice caudaque glabris; linea laterali rostro incipiente, infra 
oculum decurrente, tum dorsum versus adscendente et curvatura lata ad 
pinnam caudalem desinente; cauda lineis lateralibus 2 accessoriis, supe- 
riore pinnae dorsali, inferiore pinnae anali approximata et ante anum 
caput versus adscendente; pinnis dorsali et anali obtusis rotundatis, basi 
duplo vel plus duplo longioribus quam altis; caudali integra leviter con- 
vexa, 6 in longitudine corporis; colore corpore superne flavescente-viridi, 
inferne flavo; pinnis pulchre flavis. 

D. 4/32 vel 5/31. P. 2/15. A. 2/26 vel 3/25. C. 9 vel 11 et lat. brev. 

Habit. Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. 

Longitudo speciminis unici 87''/, 

Aanm. Van deze merkwaardige soort bestaan reeds twee 
goede afbeeldingen, die van de heeren Ricnarpson en CANTOR, 
boven aangehaald. Mijn specimen behoort tot een jong indi- 
vidu, dat nog ongeveer 40’ korter is dan het door den heer 
Cantor afgebeelde, Het mist volkomen de groote zwarte vlek- 
ken op de vertikale vinnen, welke op de afbeelding van den 


heer Cantor voorkomen. 


Tetraödon modestus Blkr. 

Het exemplaar, gediend hebbende tot het ontwerpen der 
diagnose, voorkomende in den eersten jaargang van dit tijd- 
schrift (bladz. 19) was slechts 60” groot en in onvolkomen’ 
toestand van bewaring. Later ontving ik nog verschillende 
specimina van 46’ tot 89’ lengte. Hierbij liet zich goed 
waarnemen, dat ter plaatse der neusgaten even zoo eene 
trechtervormige verdieping is met opstaande vliezige randen, 
als bij Zetraodon naritus Richards., aan welke Zefraödon mo- 
destus in vormen en vaderland het naaste verwant is. Bij de 
oudere specimina is de zijlijn zigtbaar en vind ik 2/14 borst- 
vinstralen. 


Tetraödon leiurus Blkr. (diagnosis emendata). 


Tetraöd. corpore oblongo depresso, latiore quam alto, altitudine 4 ad 


krt 


lijd te 


441 


41 in ejus longitudine; ecapite obtuso 3 ad 34 in longitudine corporis; 
linea rostro-frontali declivi rectiuscula; oculis subsuperis diametro 4 ad 5 
in longitudine capitis, diametris 2 ad 24 a se invicem distantibus; papilla 
nasali utroque latere l oblonga, apice bifida; maxilla superiore ante infe- 
riorem prominente; vertice, operculis, dorso, lateribus ventreque totis 
spinulis armatis; rostro caudaque glabris; linea laterali conspicua, rostro 
incipiente, infra oculos decurrente, tum dorsum versus adscendente et cur- 
vatura ad basin pinnae caudalis desinente; pinnis dorsali et anali obtusis 
rotundatis aeque altis fere ac latis; eaudali convexa 5 circiter in longitu- 
dine corporis; colore corpore fuscescente-viridi, inferne flavescente vel 
argenteo; corpore, ventre medio tantum excepto, maculis viridibus rotundis 
obsito, maculis lateribus dilutioribus; pinnis viridibus immaculatis, caudali 
postice violascente marginata. 
Desodll Ee 1421 vel 1/22 vel 2/20. A. 2/9. Cl 8 vel 10 vet lat. brev. 
Synon. Jkan Buntak Mal. Batav. 
Habit. Prabukarta, Borneo austro-orientalis, in flumine Kusan; Batavia 
in fluviis; Solok, Sumatrae occidentalis, in fluviis. 
Longitudo 11 speciminum 60/'’ ad 115///, 


Aanm. Ik beschreef deze soort vroeger naar jaren lang in 
wijngeest bewaarde exemplaren, welke hunne vlekteekening 
volkomen verloren hadden en bij welke ik de zijlijn niet 
meer kon waarnemen. Bovenstaande beschrijving is genomen 
naar versche specimina. De soort is na verwant aan Zetraödon 


a potamophilus Blkr., doch deze laatste heeft de neustepels dub- 


bel aan elke zijde of althans de neustepels slechts aan de 
basis vereenigd, de oogen lager staande, het profiel boller, 
de staartvin met meerdere zwarte banden geteekend enz. 


Pristis zijsron Blkr. Verh-BatGen. XAV-Plagtost, 

Prist, corpore elongato depresso; capite 22 circiter, rostro 3,% circiter 
in longitudine totius corporis; rostro medio latitudine 9 ad 11 in ejus 
longitudine, postica sexta ejus parte glabro, dentibus gracilibus longis plus 
triplo longioribus quam latis, non sagittatis, basi membrana nulla unitis, 


verticaliter serra insertis, postice non sulcatis, utroque latere 20 ad 26, 
anticis minus dimidia eorum longitudine, posticis 4 vel 5 tota vel plus 


_eorum longitudine, sed omnibus plus eorum latitudine a se invicem dis- 


tantibus, anticis dimidia latitudine serrae anterioris longioribus, mediis 
latitudine serrae mediae duplo vel plus duplo brevioribus; oculis rostri 
medii latitudine duplo brevioribus; foramine temporali oeulo non vel vix 


442, 


rainore, vix plus ejus longitudine ab oculo remoto; naribus plus earum 
longitudine ante rictum sitis, a margine rostri remotis, valvulis anteriore 
oblonga, posteriore elongata gracili; squamis toto corpore pinnisque con- 
spicuis; pinnis dorsalibus altioribus quam basi longis, ‘emarginatis, apici- 
bus acutiusculis rotundatis; dorsali 1* minus dupla ejus longitudine (basi) 
a dorsali 2* remota; dorsali 2° dorsali-1* breviore sed non humiliore; 
pinnis pectoralibus latioribus quam longis, non emarginatis, angulo ante- 
riore acutiusculo posteriore acuto; ventralibus pectoralibus brevioribus, 
vix emarginatis, latioribus quam longis, angulis anteriore obtusiuseulo, 
posteriore acuto; caudali pectoralibus multo longiore, inferne post angu- 
lum emarginata, margine inferiore 2 in longitudine marginis superioris, 
14 in longitudine marginis posterioris, angulo acutiuscule rotundato; co- 
lore corpore superne viridi, inferne albescente. 

Habit. Bandjermassing, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 900''/, 


Aanm. De zaag van deze soort heb ik beschreven in mijne 
Bijdrage tot de kennis der Plagiostomen van den Indischen Ar- 
chipel, opgenomen in het 24ste deel der Verhandelingen van 
het Bataviaasch Genootschap van kunsten en wetenschappen. 
Sedert ontving ik eene zaag met den kop en huid van een 
specimen derzelfde soort. De zaag van dit specimen is aan- 
merkelijk korter en heeft slechts eene lengte, tot aan den ach- 
tersten tand, van 222’ en bezit bovendien aan elke zijde 6 
tanden minder. 


Scripsi Batavia Calendis Junit mpacern. 


BIT EDR AGE 


TOT DE KENNIS DER 


ICHTHYOLOGISCHE FAUNA 


VAN HET 


EILAND BANK A. 


DOOR 


Dr. P. BLEEKER. 


De eerste kennis der vischfauna van Banka heeft de weten- 
_schap te danken aan eene kleine verzameling, welke de heer 
Dn. J. H. Crooekewr mij met vriendschappelijke welwillend- 
heid heeft afgestaan. Ik berigtte daaromtrent in 1850 in den 
eersten jaargang van dit tijdschrift en maakte daar melding 
| van 22 soorten, welke toen het geheel onzer kennis van de 
_Bankasche vischfauna voorstelden. 

\__Na in verschillende artikels, insgelijks in dit tijdschrift op- 
genomen, te hebben kunnen bijdragen tot de vischfauna van 
Biliton, Riouw en Singapore, werd de wensch levendiger in 
mij, om ook de zee- en zoetwaterfauna van Banka naauwkeu- 
| _riger te leeren kennen. De heer D. F. Scraap, resident van 
| Banka, heeft de welwillendheid gehad, te voldoen aan mijn 
verzoek , om vischsoorten uit de zee en de zoete wateren van 
Banka voor mij te doen verzamelen, waarvoor ik dezen ver- 
_dienstelijken hoofdambtenaar hier openlijk mijnen dank be- 


kl tuig. 


hhh 


Gelijk vroeger van degeheele vischfauna van Banka niets be- 
kend was in de wetenschap, heerschte tot nog toe ook volstrekte 
duisternis over de fauna zijner zoete wateren. Ook hierom- 
trent kan ik thans eenige mededeelingen doen, en hoezeer het 
aantal mij van daar gewordene zoetwatervisschen slechts 12 
bedraagt, waarvan Íf reeds van andere plaatsen bekend zijn, 
behoort de twaalfde dezer species tot een geslacht, waarvan 
nog geen vertegenwoordigster in den Indischen Archipel ge- 
vonden was. Deze soort is eene nog onbekende van het 
geslacht Chaca, hetwelk tot dusverre slechts op het vasteland 
van Azië werd aangetroffen. 

In het geheel bevatten de verzamelingen van den heer Scraar 
100 soorten, waarvan slechts 5 zich bevonden onder de 22 
species van Banka van den heer Croockewir. Het geheel der 
mij thans van Banka’s zoute en zoete wateren bekende vis- 
schen is daardoor gekomen tot de hieronder genoemde 117 
species. 


1. Apogon quadrifasciatus CV. Verh. 19. Platycephalus scaber CV. ibid. 


Bat. Gen. XXII Perc. Sclerop. 
Bes endekataenia Blkr. 20. » punctatus CV. Nat. 
den» kalosoma Blkr. N. Ind. Ip. 25. 
4. Ambassis nalua CV. Verh. Bat. 21. Scorpaena polyprion Blkr. Verh. 
Gen. XXII Perc. Bat. Gen. XXII Sclerop. 


5. » urotaenia Blkr. Nat, T. 22. Pteroïs kodipungi Blkr. 
N. Ind. III p. 23. Minous monodactylus CV. Verh. 


6. Serranus crapao CV. Verh. Bat. Bat. Gen. XXII Sclerop. 
Gen. XXII Perc. 24. “Otolithus argenteus K. v. H. Verh. 

„4 » nebulosus CV. ibid. Bat. Gen. XXIII Sciaen. 

8. Therapon theraps CV. ibid. 25. Corvina catalea CV. ibid. 

0: > puta CV. ibid. 26. Pristipoma caripa CV. ibid. 

10. Mesopr\on phaiotaenia Blkr. ibid. 27. Scolopsides monogramma K. v. H. 
5 Ik » annularis CV. ibid. ibid. 
12 » Russellii Blkr. ibid. 29. » leucotaenia Blkr. 

13. Sphyraena jello CV. ibid. 29. Diagramma crassispinum Rúpp. 
14. Sillago acuta CV. ibid. Verh. B. G. XXIII Sciaen. 
15. Polynemus tetradactylus CV. ibid. 50. » punctatum Ehr. ib. 
16. Upeneoïdes vittatus Blkr. ibid. 31. Dentex tolu CV. ibid. Spar. 
NA » bivittatus Blkr. ibid. 32. Lethrinus opercularis CV. ibid. 


3 
18. » variegatus Blkr. ibid. 33. Gerres poetie CV. ibid. Maen. 


3á. 
35. 


36. 
37. 


38. 


a 
od. 


40. 
41. 


42. 
453. 
44. 
45. 
46. 


47. 
48. 


49. 
50. 


hh5 


Gerres abbreviatus Blkr. ibid. 
x Betta anabatoïdes Blkr. Nat. T. 
N. Ind. I p. 269. 
* » trifasciata Blkr. ibid. I. p. 107. 
* Ophicephalus lucius K. v. H. V. 
B.G. XXIII V. Doolh. K. 


* » marginatus CV. ibid. 
% » striatus Bl. ibid. 
Platax Blochii CV. ibid. 


Chaetodon oligacanthus Blkr. ib. 
Chaetod. 
Chelmon rostratus CV. ibid: 
Scatophagus argus CV. ibid. 
Drepane longimana CV. ibid. 
Holacanthus semicirculatus CV. 
Scomber kanagurta CV. Verh. 
B. Gen. XXIV Makr. 
Cybium Croockewitii Blkr. N,T. 
N. Ind. I p. 161. 
» konam Blkr. Verh. Bat. 
Gen. XXIV Makr. 
» _guttatum CV, ibid. 
Chorinemus Commersonianus CV. 
ibid. 
» tol. CV. ibid, 


‚ Trachinotus mookalee CV. ibid. 
‚ Trichiurus savala CV. ibid. 


Elacate mottah CV. ibid. 
Megalaspis Kottleri Blkr. ib. 


‚ Selar malam Blkr. ibid. 

„ Carangoïdes citula Blkr, ibid. 

„ Gnathanodon speciosus Blkr. ibid. 
‚ Stromateoïdes atoukoia Blkr. ibid. 
. Equula gomorah CV. ibid. 


» lineolata CV. ibid. 


„ Amphacanthus Kopsii Blkr. Nat. 


Tijdschr. N. Ind. II p. 483. 


‚ Mugil cunnesius CV. 


» _parsia HB. CV? Nat. T. N. 
Ind. II p. 166. 


» _ melanochir K. v. H. 


‚ Atherina duodecimalis CV.? Nat. 


Tijdschr. N. Ind. II p. 485. 


67 


97. 


ORD: 


Gobius kokius CV. Verh. B. Gen. 
XXII Gobioïd. 
» caninus CV. ibid, 
» eriniger CV. 


„ Callionymus sagitta Pall. Nat. T. 


N. Ind. Ip. 31. 
» Schaapii Blkr, 


. * Nandus nebulosus Blkr. Nat. T. 


N. Ind. [II p. 92. 


. * Catopra fasciata Blkr. ibid. II p- 


65. 


. Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. 


ibid. III p. 282. 


. Glyphisodon bengalensis CV. Verh. 


Bat. Gen. XXI Gladsch. Labr. 


‚ * Bagrus nemurus CV. Verh. Bat. 


Gen. XXI Silur. 
» sondaieus CV. ibid. 


. Arius tonggol Blkr. ibid. 


» __macruropterygius ibid. 


. Plotosus lineatus CV. ibid. 


» unicolor CV. ibid. 


. * Chaca bankanensis Blkr. 
„ * Barbuslateristriga CV. N. Tijds. 


N. Ind. HI p. 95. 
binotatus K. CV. 


„ * Leuciscus cephalotaenia Blkr. Nat. 


T.N. Ind. III p. 97. 


. Belone caudimacula Cuv. Verh. B. 


Gen. XXIV Snoek. 


. Hemiramphus Gaimardi CV, ibid. 


» _ Dussumierii CV. ibid. 


‚ Chirocentrus dorab CV. ib. Chiroc. 
. Albula bananus CV. ibid. 
. Harengula dispilonotus Blkr. 


‚ Pellona Grayana CV. Verh. Bat. 


Gen. XXIV Har. 


‚ Rogenia argyrotaenia Blkr. ibid. 
. Alausa kanagurta Blkr. ibid. 


» ctenolepis Blkr. ibid, 


„ Engraulis rhinorhijachos Blkr. ib. 


N. T.N. Ind. III p. 
» Grayi Blkr. ibid. 


446 


98. Engraulis Brownii CV. ibid. 108. Achirus pavoninus Lacep. ibid. 
99. » tri Blkr, ibid. III p. 435.109. Plagusia bilineata K. v. H. ibid. 
100. » setirostris CV Verh. 110. » _ jJavanica K. v. H. ibid. _ 

B. Gen. XXIV. Har. N.T.N. Ind. I p. 414.78 
101. Chatoessus chacunda CV. ibid. 141. Tetraödon oblongus Bl. Verh. _ 


102. » selangkat Blkr. ibid. B.G. XXIV. Blootk. V. 

108. Saurus ophiodon Cuv. ib. Chiroc. 112. » lunaris Cuv. ibid. 

104. » _trachinus T. Schl. Nat. T. 113. Triacanthus Nieuhofii ibid. Bal. 
N. Ind. III p. 114. Carcharias (Prionodon) menisor— 


105. Saurida tombil CV. Verh. Bat. rah Val. ib. Plag. 
Gen. XXIV Chiroc. 115. » ____(Scoliodon) acutus 
106. Rhombus lentiginosus Richards. _ Rüpp. MH. ibid. 
ibid. Pleur. 116. Trygon zugei Búrg. ibid. 


107. Hippoglossus erumei Cuv. ibid. 


Van deze soorten zijn nieuw voor de wetenschap Apogon 
endekataenia, Apogon kalosoma, Scolopsides leucotaenia, Calli- 
onymus Schaapii, Chaca bankanensis en Harengula dispilono- 
tus. Meerdere andere soorten zijn voor het eerst door mij 
beschreven, doch reeds in vroegere verhandelingen bekend ge- 
maakt als bij of op andere eilanden van den Indischen Archi- 
pel voorkomende. 4 

De soorten met een * gemerkt behooren tot de zoetwater 
fauna van Banka, doch de juiste plaats van voorkomen ka ï 
ik niet opgeven, evenmin als die van een groot gedeelte der 
zoutwatersoorten, welke gedeeltelijk bij Muntok, bij Tandjong 
biat, gedeeltelijk in de Klabat-baai en elders op Banka zijn gevan: 
gen, en gedeeltelijk zelfs afkomstig zijn van de Lepar-eilanden. 

De soorten afkomstig van Tandjong biat, in de nabijheid 
van Muntok, zijn Apogon quadrifasciatus CV., Mesoprion Rus= 
sellii Blkr., Mesoprion phaiotaenia Blkr., Upeneoïdes variega- 
tus Blkr., Minous monodactylus CV., Diagramma crassispinum 
Rüpp., Lethrinus opercularis CV., Holacanthus semicirculatus 
CV., Platax Blochii CV., Scomber kanagurta. CV., Chorinemus | 
Commersonianus CV., Chorinemus tol CV., Trachinotus moo= | 
kalee CV., Elacate mottah CV., Megalaspis Rottleri Blkr. 8 
Carangoïdes citula Blkr., Glyphisodon bengalensis CV., Chiro-_ 


AMT 


} Ik moet hier nog gewag maken van eene soort van Silu- 
1 us en Clarias, welke zich in de verzamelingen van den heer 
Scuaar bevonden, doch welker minder goede toestand van bewa- 
ring geene naauwkeurige beschrijving toeliet. De soort van Silurus 
heeft groote verwantschap met Silurus phatosoma Blkr., doch 
langere en eenkleurige voeldraden, zoodat zij waarschijnlijk 
eene eigene species is. De Clartas van Banka heeft veel 
van Clarias melasoma Blkr., doch het eenige door mij ge- 
ziene specimen was, wat huid en spieren betreft, grooten- 
deels vergaan, zoodat geene juiste bepaling mogelijk was. 


HI. | 34 


DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE, 


PERCOÏDEI 


Apogon kalosoma Blkr. 


Appg. corpore oblongo compresso, -altitudine 32 circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite 34 circiter in longitudine 
corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; oeu- 
lis diametro 3 ecirciter in longitudine capitis; maxilla inferiore maxilla 
superiore vix breviore; praeoperculo rotundato, margine posteriore leviter 
denticulato; linea laterali vix arborescente; squamis lateribus 36 p. m. in 
serie longitudinali, 15 p. m. in serie transversali; dorso elevato; pinna 
dorsali spinosa dorsali radiosa humiliore, spina 3* spinis ceteris longiore 
ef crassiore; dorsali radiosa obtusa corpore humiliore; peetoralibus obtu- 
sis ventralibus acutis vix longioribus, 5 ecirciter in longitudine corporis; 
anali obtusa dorsali radiosa paulo humiliore; caudali emarginata, lobis 
acutiuscule rotundatis 4£ circiter in longitudine corporis; colore corpore 
aureo-flavo, fasciis ocuìo-caudalibus 2 fuscis, superiore curvata in parte 
superiore squamarum lineae lateralis, inferiore recta cauda cum fascia. 
superiore unitas; dorso lateribusque utroque latere insuper vittulis serpen= 
tinis longitudinalibus fuscis p. m. 14; cauda ad basin pinnae caudalis 
macula magna rotunda nigra; pinnis pulchre rubris, dorsali radiosa ana- 
liqgue basi vitta nigra, dorsali spinosa antice nigricante, ceteris marginis 
bus violascentibus. % 

B. 7.-D. 7—1/9 vel 1/10. P. 2/13. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. IME 

lat. brev. : 

Habit. Banka vel Insul. Lepar, in mari. 

Longitudo speciminis unici 69''/, 


Aanm. Deze fraaije soort is zeer kenbaar aan hare kleur- 
_teekening. De goudkleurige grond is zeer fraai geteekend met _ 


449 


de 2 breedere en de talrijke smallere bandjes, welke laatsten 
slangsgewijs van den kop naar den staart loopen. De twee 
breedere banden laten een driehoekig veld tusschen zich, waar- 
in zich insgelijks 2 smallere slangsgewijze bandjes bevinden. 


Apogon endekataenia Blkr. 


Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 832 circiter in longi- 
tudine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 3 circiter in longi- 
tudine capitis; linea rostro-frontali convexiuscula; maxilla superiore infe- 
riore longiore; praeoperculo rotundato, margine posteriore et inferiore 
denticulato; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali, 8 p. m. in 

serie transversalis linea laterali subarborescente; dorso humilis pinna dor- 
sali spinosa radiosa humiliore, spina 3 spinis ceteris longiore; dorsali radiosa 
et anali acutiusculis, dorsali anali altiore et corpore paulo humiliore; pec- 
toralibus obtusis ventralibus acutis longioribus, 5 et paulo in longitudine 
corporis; caudali emarginata, lobis acutiuseule rotundatis 4 et paulo in 
longitudine corporis; colore corpore aureo-flavo; vittis longitudinalibus 11 
 mnigricantibus; vitta superiore medio dorso; utroque latere vittis 5, superi- 
ore supraoculo-caudali, 2° et 31 rostro-oculo-caudalibus, 4e maxillo-cau- 
dali, inferiore gastro-anali; cauda basi pinnae caudalis macula macna 
ä rotunda nigra; pinnis rubris, dorsali radiosa analique basi vitta nigricante. 
Ee B. 7. D. 7-1/9 vel 1/10. P. 2/13 vel 2/14. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. 
C. 17 et lat. brev. 

Habit. Banka, vel Insul. Lepar, in mari, 

Longitudo speciminis unici 57'//, 


“ Aanm. Het zou niet onmogelijk zijn, dat boven beschreven 
soort dezelfde is als Apogon taentatus Ehr. Ik zie deze laatste 
species slechts kortelijk vermeld in de groote Histoire naturelle des 
_Poissons, doch die korte beschrijving duidt op verschillen, welke, 
zoo zij bestaan, geene vereeniging daarmede van de boven beschre- 
vene toelaten. Deze verschillen laten zich afleiden uit volgende 
opgaven omtrent Apogon taeniatus t. w.: D. 7—1/8. P. 19; 
ronde zwarte vlek op de schouders; doornachtige rugvin van 
voren zwart; buikvinnen zwart. Op grond daarvan breng ik 
de boven beschrevene species voorloopig als eene eigene op. 


wi 


450 


bijzonder talrijk te zijn. Apogon endekataenia is de 18de soort, ä 
welke ik thans reeds van deze gewesten bezit. Bovendien zija 
nog Á andere species door andere ichthyologen beschreven, zoo- 
dat mij thans 22 soorten van de Soenda-Moluksche wateren 
bekend zijn. 


SCLEROPAREL. 


Pteroïs kodipungi Blkr. 


Pter. corpore oblongo compresso, altitudine 44 ad 44 in ejus longitudine , 
latitudine 14 ad 14 in ejus altitudine;s capite 4 circiter in longitudine 
corporis; oculis diametro 84 ad 4 in longitudine capitis, minus diametro 
Ll a se invicem distantibus; vertice, temporibus, orbita rostroque spinis 
vel spinulis armatis; cirris vel fimbriis cutaneis supraorbitalibus, rostrali- 
bus et peacopercularibus oculo brevioribus vel vix longioribus; ossibus 
suborbitalibus erista spinosa, diametro oculi 4 circiter ab oculo remota; praeo- 
perculo rotundato spinis 3 vel 4; operculo spina unica plana; squamis late- 
ribus 70 p.m. in serie longitudinali; pinna dorsali spinosa corpore altiore, 
spinis mediis spinis ceteris longioribus, membrana basi tantum unitiss dorsali 
radiosa rotundata corpore non vel vix humiliore; pectoralibus adultis pinnant 
caudalem attingentibus, junioribus caudalem superantibus; ventralibus anum , 
anali basin pinnae caudalis superantibus; caudali obtusa rotundata, 34 
eireiter in longitudine corporis; capite corporeque rufis, fasciis numerosis 
transversis fuscescentibus; pinnis verticalibus rubris, caudali, dorsak et 
anali radiosis immaculatis; pectoralibus membrana violacea vel nigricante — 
radijs dilutioribus vulgo nigricante punctatis; ventralibus fuscescente-vio- 5 
laceis guttis pulcherrime fiavis; humero macula fusca. 

B. 7. D. 12/1/12. P. 13. V. 1/5. A. 3/8. C. 14 et spin. lat. brev. 6. & 

Synon. Kodipungi Russ. Corom. Fish. IT p. 25 fig. 133. 

Ikan Krapo matjan Mal. Batav. 

Habit. Banka, Batavia, Padang, in mari. 


Longitudo. 11 speciminum 100//’ ad 250'//. 


Aanm. Deze soort heeft groote verwantschap met Pteroïs E 
volitans CV., Perois antennata CV. en Pteroïs lunulata T. Schl. — 
Van de beide eerstgenoemden taat zij zich reeds bij den eer-_ is 
sten oogopslag herkennen, door het volkomen ongevlekt zijn | 
der vertikale straalachtige vinnen, en van de laatstgenoemde — 


A51 


door anders geteekende borst- en buikvinnen en langere oog- 
kasdraden. Ik houd haar voor dezelfde als de Kodipungi van 
RusserrL, van welke een ouder exemplaar, waarbij de borst- 
vinnen naauwelijks tot aan de staartvin reiken, in het aange- 
haalde werk van Russerr is afgebeeld. Deze soort is vroeger 
_ ten onregte door mij onder de synonijmen van Peroïs volitans 
CV. opgenomen. Bij mijne kleinste exemplaren reiken de borst- 
_ vinnen fot ver achter de staartvin, doch de borstvinnen wor- 
| den met toenemenden leeftijd korter en bij mijn grootste spe- 
_cimen strekken zij zich niet verder uit dan tot nabij het begin 
der staartvin. 


e 


SCIAENOÏDEL 


 Scolopsides leucotaenia Blkr. 


____Seolopsid. eorpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus 
É fongitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto, 4 cir- 
citer in longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-dorsali 
fronte convexa; fronte inter oculos squamosa; oculis diametro 2% in lon- 
gitudine corporis; osse suborbitali sub oculo oculo plus duplo humiliore, 
_postice spina unica brevi, infra spinam edentulo; osse supramaxillari gla- 
bro; rostro oculo breviore; labiis carnosis; praeoperculo obtusangulo, 
_margine posteriore leviter emarginato dentibus valde conspicuis; squamis 
lateribus ciliatis, 36 p. m. in serie longitudinalis; pinna dorsali spinis me- 
diocribus, 3' et 4* spinis ceteris longioribus corpore minus triplo humiliori- 
bus, parte radiosa parte spinosa paulo altiore rotundata; pinnis pectoralibus 
_obtusis 5, ventralibus radio 1° producto 4 et paulo, caudali emarginata 
_angulis acuta 5 circiter in longitudine corporis; anali spina media spina 
1 et 3* multo longiore et crassiore, parte radiosa spina 2* humiliore ro- 
tundata; colore corpore superne olivaceo-flavo inferne flavescente; fasciis 
_cephalo-caudalibus 3, superiore fusca supra oculum iuncipienteet ad finem 
_Pinnae dorsalis desinente, media nitida margaritacea, inferiore fusca rostro 
incipiente et ad mediam basin pinnae caudalis desinente; pinnis flaves- 
gentibus, dorsali spinosa dilute violascente. 

BEB: 5. D. 10/9 vel 10/10. P. 2/17. V. 1/5. A. 3/7 vel 3/8. C. 17 et 
[ lat. brev. 

___ Habit. Banka vel Insul. Lepar, in mari. 

\__Longitudo speciminis unici 65’. 


MN ke 


Aanm. Deze soort is zeer kenbaar aan haren overlangschen _ 
parelkleurigen band, die tusschen twee bruine banden verloopt, 4 
alsmede aan hare ongetande onderoogkuilsbeenderen, welke 
slechts den gewonen doorn bezitten, enz. 


CHAETODONTOÏDEL. 


Holacanthus semvicirculatus GV. Poiss, VI p. 148 tab. 
188. _ 


Holac. corpore disciformi ovali, diametro dorso-ventrali 2 circiter in 
_ longitudine corporis; capite obtuso 82% eirciter in longitudine corporis, 
altiore quam longo; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; linea rostro- — 
dorsali linea rostro-ventrali vix breviore; osse suborbitali oculo humiliore 
dentibus inconspicuis; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; — 
spina praeoperculari oculo multo breviore, aperturam branchialem vix vel 
non superante; squamis lateribus 70 p. m. in serie longitudinali; pinnis 
dorsali et anali rotundatis, dorsali spinis posticis ceteris longioribus 5; pec-— 
toralibus rotundatis 42 circiter, ventralibus acutis radio 1° producto 34 
eirciter, caudali obtusa rotundata 5 circiter in longitudine corporis; colore 
corpore pinnisque pulchre coeruleo, vittis transversis curvatis (eurvatura 
‚ antrorsum spectante) albis et dilute coeruleis alternantibus p. m. 19, vit- 
tis albis vittis coeruleis latioribus. 

B. 6. D. 18/28. P. 2/15. NV. 1/5. A. 3/21. C. 17 et lat breve 

Synon. Molacanthe à demi cercles CV. Poiss. VII p. 143. tab. 183. 

__Mami Indig. Waigiens. 
Habit. Tandjong Biat, prope Muntok, in mari. 
Longitudo speciminis unici 47///, 


Aanm. Mijn specimen is een zeer jeugdig individu, hetwelk 
nog niet de halve grootte heeft van de afbeelding dezer soort E 
in het groote vischwerk. De getallen der rugvinstralen, in dit Î 
werk opgegeven, zijn 14/2l en wijken alzoo eenigzins van k 
die bij mijn specimen af. Ook zijn bij mijn specimen de witte _ 
en ligt blaauwe banden veel minder gehogen dan op de aan-l 
gehaalde afbeelding, wat waarschijnlijk aan den jeugdigen — 
leeftijd is toe te schrijven. Ee 

De soort was reeds bekend van Timor, Waigioe, Boeroe en _— 
Nieuw Ierland. $ 


GOBIOIDEL 


Gobius criniger CV. Poiss. XII p. 62. 


Gob. corpore elongato compresso, altitudine 6 in ejus longitudine, la- 
titudine 14 ad 14 in ejus altitudine; capite obtuso, convexo, 44 in lon- 
gitudine corporis; latitudine, capitis 14, altitudine 14 circiter in ejus lon= 
gitudine; oculis diametro 8 circiter in longitudine capitis, minus diametro 
2 approximatis, in anteriore dimidio capitis sitis; maxillis aequalibus, 
dentibus pluriseriatis parvis, serie externa 10 ad ì4 paulo majoribus, 


caninis nullis; rictu obliquo, ante oculum vel sub oculi margine anteriore 


 desinente; squamis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali; nucha et 


vertice alepidotis; appendice anali conica; pinnis dorsalibus corpore hu- 
milioribus, altitudine subaequalibus, dorsali 1° spinis 2* et 3° tantum in 
fila brevia productis; dorsali 2* postice angulata; pectoralibus rotundatis 
5 et paulo, ventralibus 6 circiter in longitudine corporis; analì dorsali 
radiosa humiliore postice angulata; caudali obtusa rotundata 54 circiter 


_ jn longitudine corporis; colore corpore viridi inferne margaritaceo ; dorso 


lateribusque fuscescente-viridi variegatis, lateribus maculis majoribus fus- 


a 


cescente-viridibus 3, 1° post pinnas pectorales, 2° sub pinna dorsali radi- 
Osa, 83° ad basin pinnae caudalis; pinnis flavescentibus, dorsalibus et 
caudali fusco maculatis, anali fusco marginata. 
BA D. BAS wel 1/9. B187 V.-1/5.: A, En vel Ag C. 12 vel 
13 et lat. brev. 
Synon. Gobie porte-crin CV. Poiss. XII p. 62, 
Habit. Banka, in mari. 


Longitudo speciminis unici 76/'/. 


Aanm. Mijn specimen beantwoordt zeer goed aan de be- 


‚schrijving van Gobius criniger GV. op eenige verhoudingen in 
de afmetingen na; het heeft ook de tanden der buitenste rei 


aanmerkelijk grooter dan die der binnenste reijen en mist de 


__dwarsche bruine wang- en operkelvlekken. De soort is zeer 


kenbaar aan hare onbeschubte kruin en nek. 


vis, 
MUGILOÏDEL 
Mugil cunnesius CV. Poiss. XI p. 84. 


Mug. corpore subelongato compresso altitudine 43 ad 5 in ejus longí- — 
tudine; capite obtuso convexo, 5 ad 54 inlongitudine corporis; altitudine 
capitis 14 circiter, latitudine 14 ecirciter in ejus longitudine; oculis dia- 
metro 34 ad 3} in longitudine capitis, 12 ad 12 in capitis parte posto- 
culari, diametro 14 ad 12 a se invicem distantibus; iride postice mem- 
brana palpebrali tecta; linea rostro-dorsali vertice convexiusenla; rostro 
valde convexor oculg breviore; naribus anterioribus rotundis, posterioribus 
subrimaeformibus majoribus; osse suborbitali medioecriter emarginato den- 
tieulis bene conspicuis; osse maxillari superiore ore clauso non conspi- — 
cuo; labio superiore carnoso non papillato; denticulis maxiliaribus non 
conspicuis; maxilla superiore deorsum valde protractili; tuberculo infra- — 
maxillari subquadrato; dentibus palatinis in thurmas 2 oblongo-trigonas E 
dispositis ; lingua peripheria thurmis denticulorum parvis scabra; im-« 
pressione pracvomerina superficiali irregulari; praeoperculo angulato an- Ì 
gulo rotundato, margine pusteriore obliquo vix emarginato; squamis 35 p. 
m. in serie longitudinali, parte basali striis 5 vel 6; squamis axillaribus F 
longis; pinnis dorsalibus minus longitudine pinnarum pectoralium a se 
invicem distantibus, altitudine subaequalibus, corpore multo humilioribus, 4 
spinosa spinis gracilibus, 1° et 2° subaequalibus, radiosa acuta emargina- 
ta; pinnis pectoralibus longitudine caput subaequantibus; ventralibus an- 
gulatis pectoralibus multo brevioribus; anali acuta emarginata, altitudine > 
dorsalem radiosam subaequante, spina 3° radio 1° ‘minus duplo breviore; 
caudali extensa truncata 5 eirciter in longitudine corporis; colore corpore_ 
superne viridi inferne argenteo; pinnis hyalinis, viridescentibus vel flaves- 
centibus; caudali postice nigro marginata. 

B. é. D. 4-1/8 vel 4-1/9. P. 2/14. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C. 14 

et lat. brev. ' 

Synon. Kunnesee Russ. Corom. Fish. II p. 65 tab. 181. 

Muge Kunnesée CV. Poiss. XI p. 84. 
Jkan Belanakh Mal. Batav. 
Jkan Kaddah Indig. Tegal. Pekalong. 
Ikan Greh Indig. Surabaj. 
Ikan Kodok Indig. Pasur. 
Habit. Muntok, Bankae insulae , in mari. k 
Batavia, Tegal, Pekalongan, Samarang, Surabaja, Bezuki, K: 
Pasuruan, Javae insulae, in mari et piscinis. 
Kammal, Madurae insulae, in mari. 


ha 


455 


Padang, Sumatrae occidentalis, in marí. 
Longitudo 12 speciminum 140/'/ ad 188'//, 


Z 


CALLIONIJMOIDEL 


Callionijmus Schaap Blkr. 


Callion. corpore elongato depresso, altitudine 15 circiter, latitudine maxíi- 
ma 6 in ejus longitudine; capite acuto , depresso,: 5 eirciter in longitu- 
dine corporis, vix longiore quam lato; oculis fere contiguis, diametro 34 
cireiter in longitudine capitis; orbitis glabris; rostro acuto; operculo ob- 
_ tuso; processu praeoperculari curvato operculi limbum posteriorem non 
Ì attingente, basi externe dente unico, postice dentibus 6 magnis cur- 
_ vatis armato; foramine branchiali nuchali; appendice anali longa gracili; 
_pinna dorsali 1° radiis valde elongatis, longissimis corpore vix duplo 
_ brevioribus; dorsali 2° corpore duplo fere altiore radiis posticis anticis 
__multo longioribus; pectoralibus et ventralibus capite paulo brevioribus; 
caudali integra 3 circiter in longitudine corporis; colorg corpore superne 
olivaceo fusco variegato, inferne albo; pinnis viridi-violascentibus, dorsali 
radiosa radiis omnibus, pectoralibus radiis anticis et anali postice basi 
_fusco vel nigricante puuctatis; ventralibus analique nigro marginatis. 
MGD 410 vel Il. B. 1/17. V. 1/5. A10 vel. 11. C. 10 et lat. brev, 
Habit. Banka, in mari. 
_ Longitudo speciminis unici 95/’. 


Aanm. Deze soort is verwant aan Calionymus filamentosus 
CV. doch er voldoende van onderscheiden. Ik noem haar ter 


_wiens _wetenschappelijke bereidvaardigheid hare kennis te dan- 
‚ kenis. Het bovenbeschreven specimen is een mannetje, zijnde 
het wijfje mij nog onbekend. 


E. 


SILUROÏDEL 


« 


a 


Chaca bankanensis Blkr. 


Chac. corpore antice maxime depresso, postice valde compresso, altitu- 
_ dine 10, latitudine maxima 4 fere in ejus longitudine; capite maxime 


_ depresso, 3 circiter in longitudine corporis; latitudine capitis 12, altitu- 


456 


dine 4 circiter in ejus longitudine; oculis minimis% rostro obtuso antice _ 


(osse vomere) processubus 2 osseis divergentibus; maxilla inferiore pro- 
minente, obtusa, rotundata? dentibus maxillis pluriseriatis parvis; cir- 


ris . . . .?; scuto capitis glabro; processu interparietali brevissimo os in- 


7 
terspinosum attingente; pinna dorsali 1* spina crassa glabra corpore non 


vel vix altiore; dorsali 2% et analibus corpore humilioribus; pectoralibus 
spina valde crassa spina dorsali longiore dentibus. 5 magnis armata; ven- 
tralibus pectoralibus brevioribus; colore corpore pinnisque viridi-nigricante. 
Be VD NAD 2OED TTR WO AAR OrT 
Habit. Banka, in fluviis. 
Longitudo speciminis unici 68'//, 


Aanm. Deze soort is de eerste van het geslacht Chaca, 
welke mij van den Indischen Archipel is bekend geworden. 
Zij is blijkbaar eene andere species als Chaca lophoïdes CV. 
van Bengalen, en vooral kenbaar aan hare vijf groote. gekrom- 
de borstvindoorntanden. Mijn specimen bevindt zich in een 
zeer gebrekkigen toestand van bewaring, waaraan het onvol- 
ledige van de bovenstaande deskriptie toe te schrijven is. 


CLUPEOÏDEI. 


Harengula dispilonotus Blkr. 


Hareng. corpore oblongo compresso, altitudine 4 fere ín ejus longitu= 
dine, latitudine 22 circiter in ejus altitudine; capite acutiusculo 5 in lon- — 


gitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; oculis diametro 3 circiter 


in longitudine capitis; ore antico rietu parvo; rostro oculo breviore; linea _ 


rostro-frontali declivi recta; maxilla superiore sub oculi parte anteriore 
desinente postice denticulis vix conspicuis; maxilla inferiore vix promi= 
nente, symphysi denticulis aliquot, tactu magis quam visu conspicuiss 
dentibus palatinis et pterygoïdeis utroque latere in thurmam oblongam dis- 
positis; vomere edentulo; lingua radice tantum denticulata; lineis dorsali 


et ventrali rotundatìs, ventrali dorsali paulo convexiore; squamis trans- 
versim vel irregulariter bi- ad quinque-striatis, lateribus 32 p. m. in 


serie longitudinali; ventre valde cultrato spinis 25 p. m. serrato; 
pinna dorsali postice in anteriore dimidio corporis sita, media ter- 
tia parte ventralibus opposita, acuta, non emarginata, corpore minus 
duplo humiliore; pectoralibus acutis capite brevioribus sed ventralibus 


longioribus; anali corpore plus quadruplo humiliore et dorsali paulo bres 


Dek 
Te 


457 


Ne) 


‚pore superne coerulescente lateribus argenteo vel flavescente-argenteo; 

_dorso linea media maculis 2 rotundis nigris, 1° ad radios pinnae dorsalis 

\ posteriores, 2* post pinnam; pinnis hyalinis vel flavescentibus. 

® B.6: D. 18 vel 19. P, 16 vel 17. V. 1/7. A. 17 vel 18. C. 17 et lat. 
brev. | 

Habit. Banka, in mari, 

Longitudo 3 speciminum 75''’ ad 82’//, 


Aanm. Deze soort heeft in habitus groote overeenkomst met 
_ Harengula latulus CV. van de Europesche zeeën, doch ver- 


A, 


door minder talrijke schubben op eene overlangsche rei en 
„minder talrijke buikkieldoornen, door hare twee zwarte rug- 
4 vlekken, ligte verschillen in de getallen der vinstralen enz. 


_ Rogenia argirotaenia Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV 
$ Haringacht. Vissch. 


Rogen. corpore oblongo compresso, altitudine 34 ad 4 in ejus longitu- 
dine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine; capite acuto 5 ad 54 in lon- 
gitudine corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 3 cireiter in lon- 
\ gitudine capitis; rostro oculo breviore; ore antico rictu parvo; maxillis 
aequalibus superiore sub medio oculo desinente tota edentula, inferiore 
symphysi vulgo denticulis aliquot tactu magis quam visu conspicuis; den- 
‚ tibus, palatinis pterygoïdeisque utroque latere in thurmam oblongam dis- 
 positis; vomere antice denticulato; lingua erista media denticulata; dorso 
carinato; ventre cultrato dorso convexiore, scutis p. m. 26 dentatis serra- 
to; squamis parte basali striis l ad 4 transversis, parte libera non stria- 
tis glabris, lateribus 40 p. m. in serie longitudinalis inguinibus squamis 
elongatis; linea laterali rectiuscula lineae dersali magis quam lineae ven- 
f trali approximata; pinna dorsali postice in anteriore dimidio corporis 
Ô ota vel fere tota post ventrales sita, non emarginata, corpore duplo hu- 
miliore; pectoralibus acutis capite brevioribus sed ventralibus duplo lon- 
_ gioribus; anali humili dorsali longiore; caudali lobis acutis 44 circiter 
in longitudine corporis; colore corpore subdiaphano-flavescente; fascia ce= 
__phalo-caudali argentea; peritoneo argenteo sub cute conspicuo; pinnis 
_hyalinis vel flavescentibus, caudali postice nigricante arenata vel mar- 
_ginata. 

B. 6. D. 15 vel 16. P. 13 vel 14. V. 1/7. A. 17 ad 19. C. 19 et lat. 
brev. 


458 


Synon. Jkan Tembang putt Mal. Batav. 
Habit. Muntok, Batavia, in mari. 
Longitudo 47 speciminum 75''' ad 85''/. 


Aanm. Deze kleine soort is zeer kenbaar door de achter- 


waartsche plaatsing der rugvin,- door haar halfdoorschijnend 
ligchaam, zilverkleurigen zijband, betrekkelijk groote schubben _ 


en weinig talrijke buikdoornen. Zij leeft gezellig in scholen en 
komt nu en dan te Batavia bij duizenden te gelijk ter markt, 


vooral in de maanden Junij en Julij. Zij is de eenige species _ 
van Rogenia, welke mij tot nog toe van de buiten Europesche _ 


zeeën is bekend geworden. 


Chatoessus selangkat Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV 
Har. Vissch. p. 47. 


Chatoess. corpore oblongo, compresso, altitudine 3 ad 32 in ejus lon- 
gitudine, latitudine 3 in ejus altitudine; capite 44 ad 42 in longitudine 
corporis, longiore quam alto; rostro angulato brevi, ante os prominente; 
ore parvo, rictu sub oculi parte anteriore desinente; oculis diametro 3 _ 


ad 34 in longitudine capitis; squamis transversim striatis, lateribus 40 p. 


m. in serie longitudinali; ventre spinis 28 p. m. serrato; pinna dorsali_ 


medio pinnis ventralibus opposita, corpore duplo circiter breviore, radio 


nullo in filum producto; pinnis pectoralibus acutis capite brevioribus,_ 
ventrales non attingentibus; ventralibus pectoralibus minus duplo brevio- 
ribus; anali humillima longitudine dorsalem subaequante; caudali profunde 
incisa lobis acutis 4 circiter in longitudine corporis; colore corpore su-_ 
perne coerulescente-griseo inferne argenteo; dorso vittis longitudinalibus 
fuscescentibus; macula scapulari oblonga fusca; pinnis flavescentibus, dor- — 


sali et caudali fusco marginatis. 
B.5. D. 9/150E. W/15.. V. 1/7. A. 2/18 GC, 19 Ol MAN 
Synon. Jkan Selangkat Mal. Batav. 
Habit. Muntok, Batavia, in mari. 
Longitudo 4 speciminum 82''’ ad 147'//. 


Aanm. Niettegenstaande de groote overeenkomst dezer soort _ 
met Chatoessus chacunda CV. houd ik haar voor eene eigene — 
species. De verschillen vallen meer in het oog, wanneer men Ë, 
exemplaren van dezelfde grootte van beide soorten met elkan- — 


der vergelijkt. 


_ 
f 


Ener. 


459 


Bij Chatoessus chacunda is de kop stomper, de rug hooger 
en boller , de schoudervlek grooter en donkerder en het lig- 
chaam betrekkelijk korter. Bij twee exemplaren van dezelfde 
8 grootte, een van elke soort, vind ik de volgende evenredig- 
heden. 


Chatoessus chacunda CV. Chatoessus selangkat Blkr. 


__< Hoogte des ligchaame 2% Hoogte des ligchaams 314 
Pin zijne lengte; kop 5 in de in zijne lengte; kop 424 in de 
 Jengte des ligchaams, hooger lengte des ligchaams, langer 
dan lang; staartvin 4//, in de dan hoog; staartvin 4 in de 
| lengte des ligchaams ; schouder- lengte des ligchaams; schou- 
vlek zwart, ovaal, zoo groot dervlek dof bruin, iangwerpig, 
als het oog; rug- en staartvin de helft kleiner dan het oog; 
zonder bruine randen. rug- en staartvin met bruine 
randen. 


eee 


BALISTINL. 


in 


Bnn. 


WE sacanthus Nieuhofrt Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Ba- 
4 list. p. 26. tab. 4 fig. 9 


Ts 


0 
ke Triacanth. corpore oblongo compresso, altitudine 23 in ejus longitudine, 


‚ Jatitudine 4 fere in ejus altitudine; capite 44 in longitudine corporis, 


REE 


__multo altiore quam longo; oculis diametro 3 in longitudine capitis; linea 


nd. 


__rostro-frontali rostro concaviuscula fronte convexa; rostro oculo minus du- 
_plo longiore vel altiore; parte capitis praeoculari plus duplo altiore quam 
ree: maxillis squamosìs dentibus biseriatis, serie externa 8 vel 10 cu- 


meiformibus, serie interna obtusis rotundatis 2 ad 6, mediis ceteris majo- 


EEN RE 


S ribus; apertura branchialí subvertieali, ante pinnam pectoralem desi- 
% nente; squamis parvis sed bene conspicuis, scabris; linea laterali con- 
_ spicua ante spinam dorsalem cruciata; pinnis radiis plurimis divisis; dor- 
\ sali spina 1° tota scabra 34 circiter in longitudine corporis, spina 2* spina 
1 plus duplo breviore, spinis ceteris oculo brevioribus; dorsali radiosa 
__ humili obtusa rotundata; pectoralibus obtusis rotundatis; anali angulata; 
caudali biloba lobis acutis 5 fere in longitudine corporis; spinis ventrali- 
_ bus totis scabris 4£ circiter in longitudine corporis; colore corpore superne 
_ griseo, inferne flavescente vel argenteo; pinna dorsali spinosa aurantiaco= 
fusco marginata; pinnis ceteris flavescentibus. 
eas FE. 14, V. 1. A. 19, C, 12. 


460 


Synon. Hoornvisch Nieuh. Gedenkw. Zee- en Luantreize p‚ 272 fig. 

- _Piseis cornutus Willoughb. Ichth. app. tab. 10 fig. 1. 
Habit. Mauntok et Sibogha (Sumatrae occidentalis) iu mari. 
Longitudo 3 speciminum 52’'’ ad 110'//. | 


Aanm. Deze soort onderscheidt zich van de bekende en 
verwante species door hooger ligchaam, stomperen kop enz. 
Het komt mij voor, dat tot deze soort betrekking heeft de 
Hoornvisch, afgebeeld in het aangehaalde werk van Nievnor 
en overgenomen door WirLouaagi. 


Scripsi Batavia Calendis Junii mpeeeru. 


SCHEIKUNDIG ONDERZOEK 


VAN 
EENIGE OP JAVA VOORKOMENDE MINERALE WATEREN. 
DOOR 


P. IJ. MAEEE. 


De Arragonietheuvels van Koeripan en hunne 
minerale wateren. 


_ De heer Brreker heeft in het jaar 1844 deze heuvels be- 
zocht en daarvan de volgende beschrijving gegeven, mij in 
handschrift medegedeeld. 

| „Op het alluvieterrein, dat zich van de Java-zee tot aan den 
Ë „breeden voet van het veelkruinig systeem des Goenoeng Sa- 
 „riboe uitstrekt en zich van de kust af eerst onmerkbaar en 
id „dan heuvelachtig tot aan den voet van dat gebergte, tot 700 
À „voeten boven de zeevlakte verheft, ziet men, op het land Koe- 


Ee 
(es 
ë 


6 


be 


ie „ripan in het distrikt Parong van de residentie Buitenzorg, 
‚niet ver van het Sariboe-gebergte, op ongeveer 380 voeten 
É „hoogte boven zee, een paar heuvels, welke zonderling afste- 
ú „ken bij de rijstveldvlakten, te midden van welke zij zich 
__„bevinden”. 

„Men ziet daar nog niets van de trachiet- of van de kalk- 
„rotsen, welke meer zuidelijk de bergen vormen of op de 
„berghelling rusten; maar eene humus- en yzeroxyderijke klei 
„vormt den bodem van den omtrek der heuvels tot op eenige 

„palen afstands in alle rigtingen. Slechts in de beddingen der 
_ „riviertjes ziet men geweldige trachietblokken, als rolsteenen 


462 


„afgerond, welke, eenmaal uit der vulkanen boezem met naau- 
„welijks denkbare kracht geworpen, of van de bergen losge- 
„scheurd, door vroegere krachtigere stroomen zijn herwaarts 
„gevoerd”. | 
„De gezegde heuvels liggen nabij het dorp Waroe, de woon- 
„plaats van den demang van het distrikt Parong. Als tweelin- 
„gen verheffen zij zich op 200 tot 300 schreden afstands van | 
„elkander tot 70 en 50 voeten boven de omliggende rijstvel-_ 
„den, zoodat men ze reeds op een’ vrij grooten afstand kan 
„herkennen. De noordelijke heuvel, door de inlanders Goenoeng 
„Kapoetiean genaamd, strekt zich van het w. naar het o. met 
„eene basis van ongeveer 250 voeten lengte en 80 tot 100 
„voeten breedte uit, heeft eene kegelvormige gedaante en _ 
„verheft zich ruim BO voeten boven den omringenden bodem 
„of ruim 430 voeten boven de zeevlakte. De zuidelijke heuvel, | 
„Goenoeng Kintjana genaamd, strekt zich uit van het n. naar het ; 
„2., is aan zijn’ voet meer dan 300 voeten lang en 80 tot 90 
„voeten breed en verheft zich tot ruim 70 voeten boven de om-_ 
„liggende rijstvelden of tot ruim 450 voeten boven de zeevlakte. 
„Hij is gevormd uit op elkander gestapelde kegels, welke van 
„de einden der lengteas tot aan den top allengskens grooter 
„worden en den heuvel een eigenaardig aanzien geven. 
„De vorming dezer heuvels is thans in volle werkzaamheid 
„en nergens welligt treft men sprekender voorbeelden aan 
„van het ontstaan van dergelijke heuvels, dan hier, waar men 
„ze als het ware ziet geboren worden. Zoowel de Kapoetiean 
„als de Kintjana zijn hun ontstaan en voortgaande ontwikke-— 
„ling verschuldigd aan de warme minerale wateren, welke thans 
„uit hun binnenste opwellen. 
„De Kapoetiean heeft nog slechts één wel, met meerdere — 
„kleine en grootere openingen nabij zijne kruin, hoezeer de | 
„vorm dezes heuvels op het vroeger aanzijn van meerdere — 
„wellen duidt, welke welligt bij de ontwikkeling des heuvels % 


„hun water in de tegenwoordige hoofdwel uitgestort hebben _— 


„en thans zich slechts door weinige openingen ontlasten. 
We R 4 
„De Kintjana daarentegen bezit nog meerdere wellen in volle — 


468 


Ne 

„werking en hier voornamelijk ziet men het bijzonder schoon, 
„hoe deze heuvels of de hen zamenstellende heuvelkegels 
„zich uit het minerale water afzonderen en kristalliseren. Aan 
„zijne noordelijke helling zijn nog 8 wellen in volle werking. 
„Aij openen zich op verschillende hoogte van den voet des 
„heuvels tot op de kruin en hebben een’ natuurlijken trap ge- 
„vormd van eenige voeten breedte, langs welken men den top 
kan beklimmen. Aan de zuidelijke helling bevinden zich nog 
„A wellen, kort bij elkander, slechts 2-3 voeten van een lig- 
„gende en bij den top. Hierdoor is deze helling des heuvels 
„ook veel steiler, zelfs zoo, dat het beklimmen hier zeer moei- 
jelijk is. | 

En „Nabij de kruin van den Kapoetiean en Kintjana zijn grootere 
‚en kleinere bekkens rondom de wellen in de rotsen uitgehou- 
„wen, om daarin het minerale water, dat als fonteinen de 
„rotsen doorboort, te vergaderen. Die bekkens konden niet 
„ruim genoeg worden gemaakt om het steeds in groote hoe- 
‚veelheid uitspringend water te bevatten en om-nu-den afloop 
„van het water te bepalen, heeft men de randen dier bekkens 
‚au eens hier en dan weder daar doorgebroken, waardoor 
shet water genoodzaakt werd, den voorgeschreven’ ‘weg te 
„volgen en daar nieuwe kalkmassen af te zetten. Vooral is zulks 
„het geval met het welbekken van den Kapoetian, dat onge- 
wveer 5 voeten lang, 3!/, voeten breed en Ηid voeten diep 
„is en tijdens mijn bezoek zoodanig was uitgehouwen, dat het 
„water genoodzaakt was van de noordzijde des heuvels af te 
„loopen , waar zich ook reeds eene aanmerkelijke korst van 
„nieuwe vorming had afgezet, waaronder de oudere vegetatie 
„was begraven en thans geene nieuwe vegetatie kan wortelen. 
„Vroeger had men het water aan de westzijde des heuvels la- 
sten afloopen, waarvan de sporen nog duidelijk zigtbaar wa- 
ren, hoezeer de vegetatie hier en daar zich reeds van die 
„naakte kalkvlakten had meester gemaakt. 

„Op den Goenoeng Kintjana bestaan nog slechts twee van 
4 Bekkens en wel bij zijne laagste en hoogste wellen. 
„Zij zijn echter van slechts geringen omvang en loopen aan 
IL. | 5 


464 


„alie zijden over, zoodat daardoor in den natuurlijken vorm 
„der heuvelkegels geene merkbare wijziging wordt gebragt. __ 

„Van gewigtigeren invloed echter op den vorm dezer heuvels 
„is de kalkbranderij, die sedert 1812 aan de voet des Kapoe- 
„tian bestaat. Sedert men had ontwaard, dat de rots na het 
„branden een’ goeden kalk gaf, heeft men er opvolgend in een 
„tijdvak van 93 jaren 237,600 takkers kalk gebrand of weg- 
„gehouwen. Hierdoor is reeds een aanmerkelijk gedeelte des _ 
„heuvels verdwenen, maar de vorming van nieuwen kalk wordt 
„er niet door belet. — De wellen zetten steeds nieuwe kalk-_ 
„lagen uit haar bruisend water af. | 

„Tijdens het verblijf ter dezer plaatse van den heer Brumr, 
„die gedurende Î4 dagen de omstreken met een plantenkun- L 
„dig doel heeft onderzocht, heeft men een’ nog in ontwikkeling 
„„zijnden kalkkegel van den Kintjana afgezaagd, welke naar 
„Batavia is vervoerd. Wat van dien kalkkegel is geworden NK 
„bleef onbekend; maar op dezelfde plaats heeft zich reeds we- 
„der een nieuwe kegel gevormd, die geen vervoer meer toe- 
„laat , wegens zijnen omvang en zwaarte en dus in 20 jaren tijds 
„zich heeft gevormd of binnen nog korteren tijd, indien, wat 
„men verhaalt, latere bezoekers de nieuw wordende kegel k 
„„meermalen hebben weggenomen of verbroken. | 

„Merkwaardig is de flora dezer heuvels, niet zoo zeer door 
„talrijkheid van individu’s als wel door talrijkheid van soorten. 
„De heer Brume heeft er meer dan 40 species aangetroffen en_ 
„beschreven en thans telt men er meer dan 50, ongerekend_ 


„crenata L., Polijpodium phymatodes (Pakis goenoeng), Acros- E: 
„tichum speciosum (Warakas) en soorten van Lycopodium (Pakis 


„er Commelina auriculata; van de Liliaceae soorten van Hemero- _ 
„callis en Sanseviera (Hanjokan); van de Gramineae en Cyperaceae _ 
„de Rompoet Paroempoeng en Seriengsin; van de Aroïdeae Ty- bet 


„„phonium cuspidatum; van de Orchideae Dendrocolla amplexi- — 


Ld 


_seaulis , Dendrocolla appendiculata, Aërides elongata (Kwawoe) EK 


JN 


nt 
Vd 


465 


„‚Habenaria reflexa, Adenostylis emarginata; van de Dioscoreae 
‚‚Dioscorea triphylla L.; van de Moreae Ficus chrysocoma Bl. , 
„Ficus gibbosa Bl. (Kiara waling); van de Urticaceae Urtica mol- 
„lissima Bl, Böhmeria longifolia Endl.; van de Artocarpeae Trophis 
„spinosa Rxb.; van de Jasmineae Philyrea robusta Rxb., Myxo- 
„porum nervosum; van de Asclepiadeae Calotropis gigantea h. 
„‚Br., Lepasma javanicum Bl, Secamone macrophyila Bl, Per- 
„‚gularia parviflora Bl, Hoya diversifolia Bl, Oxvystelma Hoo- 
„perianum Bl. (Aroy Tjapoe toehoer), Leptostemma hirsutum 
„Bl; van de Apocynaceae Alstonia villosa Bl; van de Rubia- 
„ceae Hedyotis pterita Bl, Cephaëlis diversifolia Bl; van de 
„Compositae Mikania volubilis Willd., Cacalia sarmentosa Bl; 
„van de Aurantiaceae Murraya longifotia Bi; Van de Lauri- 
„„neae Cinnamomum neglectum; van de Acanthaceae Justicia 
„‚salicifolia Bl, Lepidagathis parviflora Bl; van de Asperifoliae 
»lournefortia tetrandra; van de Convolvulaceae Convolvulus nym- 
„phaeaefolius, Convolvulus bifidus, Argyreia mollis; van de Mal- 
„„vaceae Hibiscus spathaceus Bl, Urena tomentosa Bl; van de 
„Büttneriaceae Visenia umbellata Houtt; van de Tiliaceae Trium- 
„fetta spicata Bl; van de Lythrarieae Cuphea barbata Endl. (Tjoen- 
skankan); van de Menispermeae Cocculus corymbosus Bl, Cocculus 
„ovalifolius; van de Melastomaceae Melastoma malabathricum 
„„(Harendong); van de Loranthaceae Loranthus pentandrus (Ka- 
„madoean); van de Verbenaceae Clerodendrum serratum (Djan- 
„goeboe); van de Euphorbiaceae Fluggea microcarpa (Melattian), 
„Euphorbia pilulifera L. (Nanankaän), Tragia hirsuta Bl, Rottlera 
„dispar Bl; van de Cucurbitaceae Momordica bicolor Bl (Aroy 
„Papassang); van de Rhamneae Illigera pulchra Bl; van de Ano- 
„haceae Uvaria velutina Rxb., Guatteria macrophylla Bl. (Kisan- 
„hoen); van de Papilionaceae Abrus precatorius (Dsaga, Obat 
„seriawan); en van de Mimoseae Acacia Farnesiana (Garoet)”. 
Tot zoover de mededeeling van den heer Beeken. 
__ Dexker Veenstra, in leven apotheker der fe klasse, heeft 
deze wateren scheikundig onderzocht. Beide wateren kwamen 
kwalitatief geheel met elkander overeen. Er werden namelijk 


koolzure kalkaarde, koolzure bitteraarde, chloorsodium, chloor- 
hl 


166 


magnium en chloorcalcium in gevonden, en voorts koolzuur, zwa- 
velwaterstofgas , sporen van zwavelzuur en van org. zelfstandig- 
heden. Het soortelijk gewigt van het water van den Kapoetian is 
1,0201 en van dat van den Kintjana 1,02025, bij 25° R. warmte. > 


1. Bepaling van het- Zwavelwaterstofgas. 


a. 1000 grm. Kapoetiean-water hadden ter bepaling van dit 
gas 0,0192 grm. jodium gevorderd, beantwoordende aan 
0,06259 grm. zwavelwaterstofgas. 

b. 1000 grm. Kintjana-water 0,0704 grm. jodium, beant- 
woordende aan 0,0095 grm. an 


2. Bepaling van het Koolzuurgas. 


a. 1000 grm. water in eene retort gekookt en de dampen 
door barietwater geleid, vormden bij het Kapoetian-water 
4,767 grm. gewasschen en gedroogde koolzure barietaarde, 
waarin 1,0659 grm. koolzuur ; ' 
b. 1000 grm. Kintjana-water gaven 4,938 grm. koolzure 


barietaarde, waarin 1,1042 grm. koolzuur. 


3. Bepaling der Koolzure kalkaarde en der Koolzure 
bitteraarde. 


Het praecipitaat, dat zich gedurende de koking bij de 2de 
proef in de retort afzette, werd op een filtrum verzameld en 
gewogen, vervolgens in overmaat van verdund zoutzuur opge- 
lost, met ammonia en oxalas ammoniae behandeld, het praeci=, 
pitaat gedroogd, gebrand en de koolzure kalkaarde gewogen. 
Vervolgens werd het gewigtsverlies als koolzure bitteraarde_ 
berekend. Á | 

a. Het praecipitaat van 343 grm. Kapoetiean-water woog — 
0,445 grm., waaruit verkregen werden 0,400 grm. koolzure _ 

kalkaarde en 0,045 grm. koolzure bitteraarde; voor 1000 erm. | 
water 1,1662 grm. koolzure kalkaarde en 0,1312 grm. kool 
zure bitteraarde gevende. pe: 

b. Het praecipitaat van 356 grm. Kintjana-water woog 
0,410 grm.; waaruit verkregen werden 0,380 grm. koolzure _ 
__kalkaarde en bij gevolg 0,030 grm. koolzure bitteraarde. Kf 


Ber 
KE 


467 


_ 1000 grm. water bevatten dus 1,0674 grm. koolzure kalk- 
aarde en 0,08427 grm. koolzure bitteraarde. 


Á. Bepaling van het Chloorsodium. 


a. 50 grm. Kapoetiean-water, gekookt en gefiltreerd, gaven, 
| met salpeterzuur zilver behandeld, 3,165 grm. gedroogd chloor= 
zilver, voor 1000 grm. water 63,3 grm. bedragende, waar- 
jn 15,648 grm. chlorium; volgens de Sde en 6de bepaling 
moeten 3,817 grm. chloriam worden afgetrokken. Er blijven 
dus nog 11,831 grm. chlorium, gevende 19,598 grm. chloor- 
sodium. 

b. 50 grm. Kintjana-water , gekookt en gefiltreerd, gaven 
3,190 grm. chloorzilver, voor 1000 grm, water 63,8 grm. 
 bedragende, waarin 15,77f grm. chlorium. Volgens de 5de en 
6de bepaling 3,8784 grm; afgetrokken, blijft 11,893 grm. chlo- 
rium, gevende 19,70f grm. chloorsodium. 


5. Bepaling van het Chloorcalcium. 


a. 100 grm. Kapoetiean-water, gekookt en gefiltreerd, met 
_chloorammonium en oxalas ammoniae behandeld, gaven oxalas 
calcis, gebrand 0,396 grm. koolzure kalkaarde gevende; 1000 
erm. water dus 3,960 grm., beantwoordende aan 43921 grm. 
_chloorcalcium , waarin 2,8081 grm. chlorium. 

LE b. Van 100 grm. Kintjana-water verkreeg men 0,402 erm. 
‚ koolzure kalkaarde; 1000 grm. water 4,02 grm., beantwoor- 
| dende aan 4,4587 grm. chloorcalcium, waarin 2,8507 Srm. 
_ehlorium. 


6. Bepaling van het Chloormagnium. 


__ Het filtraat van den oxalas calcis werd met ammonia en 
| phosphorzure soda behandeld, en het verkregen praecipitaat 
| gedroogd, gebrand en gewogen. 

\__a. Van 100 grm. Kapoetian-water verkreeg men 0,160 grm. 
} phosphorzure bitteraarde, voor 1000 grm. water 1,6 grm. be- 
\ dragende, en beantwoordende aan 1,368 grm. chloormagnium, 
| waarin 1,0089 grm. chlorium. — 


468 


b. Van 100 grm. Kintjana-water verkreeg men 0,163 grm._ 
phosphorzure bitteraarde, voor 1000 grm. water 1,63 grm._ 
bedragende, en beantwoordende aan 1,3936 grm. chloormag-_ 
nium, waarin 1,0278 grm. chlorium. | | 


Resultaat. 
100 grm. water bevatten grm. 
Kapoetican. Kintjana. 
Koolzure kalkaarde ; 0,11662 0,10674 
ge bitteraarde 2 0,01312 0,00842 
Chloorsodium … 1,9598 1,9701 
bj calcium _. 4 0,43921 0,44587 
if magnium … X 0,1368 0,135936 
vaste deelen 266555 967049 
Koolzuur 5 N je 0,10659 0,11042 
Zwavelwaterstofgas . 2 0,00026 0,00095 
Zwavelzure kalkaarde . sporen. sporen. 
Org. zelfstandigheden (f) id. id. 


Reeds in 1839 heeft J. Lasrpracen den arragoniet van Koe 
ripan scheikundig onderzocht (2) en in 100 gewigtsdeelen 6e 
vonden : 


(1) In de maand Mei 1846 is mij eene kruik mineraalwater toegezon= 
Daar mij hiet 
omtrent de voldoende zakerheid ontbrak, heb ik dit water slechts kwali= 
tatief onderzocht. ; 


den, dat afkomstig was van den Kapoetian of Kintjana. 


Het had eenen zout- en bitterachtigen smaak, eene 
naauwelijks zigtbare alkalische reaktie, rook naar zwavelwaterstofgas en 
had een soortelijk gewigt van 1,0219 bij 27,79 C. warmte. In een glas” 
gegoten, parelt het water en zet onder gasontwikkeling na eenigen tijd een 
praecipitaat af. Van 238,3 grm. water verkreeg ik door uitdamping 6 ‚672 
grm. droog zout of 2,8 ten honderd water. Dit zout met gedestilleerd — 
water behandeld, gaf een filtraat, bevattende chloorpotassium, chloorsodi- 
um, chloorcalcium, chloormagnium, sporen van joodmagniumen van zwavel- _ 


zure kalkaarde. De in water onoplosbare deelen van het zout bevatte- 


den koolzure kalkaarde, koolzure bitteraarde, sporen van ijzeroxijde en 
van aluinaarde; voorts zeer kleine hoeveelheden Kien en organische 
zelfstandigheden, El 

(2) Tijdschrift voor Nederlandsch Indië 2de Jaargang 1839. 4 


469 


Koolzure kalkaarde : { wi 
pj strontiaanaarde … X ' 3.25 
Izeroxijde, aluinaarde , kiezelaarde en niet 
onderzochte stoffen . } 5 3.15 


Water ki Î , OTA ' fs 
160.00 deelen. 

Als eigenschappen van den arragoniet was opgegeven, 
dat hij eene harde, broze, onregelmatige, witte, half door- 
schijnende, vetglanzige verbinding is van 2,92{ soortelijk gewigt, 
waarvan de boven- en ondervlakte met eene sterk aanhangen- 
de grijze korst was bedekt. De enkele kristal een zeszijdig 
prisma , glasglanzig en doorschijnend. 

De heer Brerker heeft eenige exemplaren van den arrago- 
niet medegebragt , waaruit de heuvel Kintjana zamengesteld is, 
waarmede ik de volgende scheikundige analijse heb bewerk- 
stelligd. | 

Deze arragoniet stelde eene witte , kristallijne , vaste massa 
daar, naar de kanten der buitenvlakten toe hier en daar 
stralig afgezonderd. Geen enkele kristal was duidelijk waar 
te nemen. Deze kristallijne arragonietmassa krast het kalk- 

_ spaath, is aan de kanten doorschijnend, bezit eene schel- 
„pachtige tot oneffene breuk, eenen sterken vetglans, witte 
streek, heeft gemiddeld 2,7 soortelijk gewigt en is onder opbrui- 
sing gemakkelijk bijna geheel oplosbaar in zout- of salpeterzuur. 
_ Voor de blaasbuis verhit, verspreidt de verhitte plaats een 
sterk licht, wordt wit en dof , reageert nu alkalisch en ver- 
hit zich bij opgieting van water. 
Stukjes van dit mineraal, in een glazen kolfje verhit, ver- 
deelen zich, alvorens de gloeihitte bereikt te hebben, doch zon- 
der uitbotting, met hevigheid tot een meer of min fijn poeder. 
Het kwalitatief onderzoek heeft, behalve koolzure kalkaarde, 
kleine hoeveelheden van koolzure bitteraarde en strontiaan- 
aarde, kiezelaarde, aluinaarde en ijzeroxijde doen kennen, ter- 
wijl chloorsodium in eene naauwelijks bepaalbare hoeveelheid 
aanwezig was. 
Het kwantitief onderzoek leverde de volgende uitkomsten op. 


470 


1. Van 2,157 grm. van dezen arragoniet verkreeg men 0.004 K 
grm. water, voor 100 grm. dus 0,18544 grm. bedragende. 

2. Van 2,837 grm. verkreeg men 0,015 grm. gegloeide 
kiezelaarde; 0,008 grm. gegloeide aluinaarde met ijzeroxijde À 
en 0,0534% grm. gegloeide phosphorzure bitteraarde. | 

100 grm. arragoniet bevatten dus 0,52873 grm. kiezelaarde, ) 
0,28198 grm. aluinaarde met ijzeroxijde en 1,4255 grm. kool- — 
zure bitteraarde. | 

9. 5 grm. arragoniet in zoutzuur opgelost, gefiltreerd , het 
filtraat met salpeterzuur gekookt, chloorammonium en am- À 
monia toegevoegd, gefiltreerd en vervolgens met koolzure am- > 
monia ontleed; het verkregen praecipitaat met salpeterzuur be- | 
handeld , de oplossing tot volkomen droogwordens toe uitge- — 
dampt, met watervrijen alkohol behandeld, het onopgelost 5 
geblevene met water opgenomen, en het filtraat met zeer ver- 
dund zwavelzuur ontleed , verkreeg men bij 1000 C. gedroogde 
zwavelzure strontiaanaarde, wegende 6,054 grm., voor 100 grm. 
1,080 grm. bedragende, beantwoordende aan 0,86788 grm. 
koolzure strontiaanaarde. 

Á. Van 2,887 grm. arragoniet verkreeg men 4,025 grm. 
bij 1000 C. gedroogden oxalas calcis en oxalas strontianae, voor 


100 grm. ' À A ‚ 141,874 grm. bedragende; 
hiervan afgetrokken _… È ï 1,137 7,50 toxalas 
strontianae, blijft nâ k … 140,7375 ;/Woalas 


calcis, beantwoordende aan 96,396 grm. koolzure kalkaarde. 


Resultaat. 

100 grm. Arragoniet bevatten grm. 
Koolzure kalkaarde î . d À . 96,396 

PN strontiaanaarde R ï ( „ _0,86788 

et bitteraarde : . A J … 1,4255 00 
Kiezelaardes « sy: salsa sesel veoree canne 0, GASTEN 
Aluinaarde en iijzeroxijde 5 à … 0,28198 
Water ì à £ É k 3 … 0,18544 7 


| 99,68553 
Chloorsodium Sporen. 


471 


Warme minerale bron, gelegen op de grensscheiding 
van Lembang en Djamboedwipa, residentie 
Preanger Regentschappen. 


In de nabijheid der grensscheiding van het distrikt Lembang 
en Djamboedwipa, omtrent 4 palen w. n. w. van Lembang 
en 5 palen n. o. van Djamboedwipa, op eene hoogte van 4077 


_ Rijal. voeten boven de oppervlakte der zee, komt dit minerale 


water te voorschijn. 
Het komt uit een heuvelachtig terrein bij wijze van een klein 
beekje, zonder gasontwikkeling, uit eene kleine ronde opening, 


‚verliest zich vervolgens in den grond, om eenige voeten ver- 


ed 


der wederom uit te komen, verzamelt zich daarna met eene 
warmte van 95 tot 960. F. (temperatuur der lucht 720. F.) 
in een gemetseld bekken, van waar het door eene aldaar aan- 
gelegde badinrigting afvloeit. | 

Dit heuvelachtige terrein is eene lavaächtige trachietrib van den 
Tankoeban prahoe en reeds tot op eenige voeten diepte zoo- 
danig ontleed, dat men daar slechts eenen rooden meer of min 
weeken kleigrond waarneemt. In den naasten omtrek der bron 


_ js het terrein voornamelijk met glaga, varens en melastoma- 
_ eeën begroeid. 


De heer Paumrprau te Lembang heeft, met een menschlie- 


_ vend doel, deze bron tot algemeen nut der Javanen doen in- 


rigten , door haar op eigen kosten op eene zeer doelmatige 
wijze in te dijken en haar met eene zeer nette en bevallig 


_ gebouwde badinrigting, in de onmiddellijke nabijheid daarvan, 


_ te voorzien. 


Deze badinrigting kan als model dienen, hoe dergelijke in- 


_ rigtingen dienen te worden gemaakt. — De badplaats is ovaal, 


bezit eene lengte van 16 en eene breedte van f2 voeten, ter- 


_ wijl de waterstand, naar verkiezing, tot op eene hoogte van 
4 voeten gebragt kan worden. 


Het door deze inrigting afvloeijende mineraalwatgr zet gedu- 


| rende zijnen loop een geel okerachtig bezinksel af. 


Tijdens mijn bezoek bij deze minerale bron, den 30Osten Ok- 


Wi2 


tober 1851, in gezelschap der heeren Puatieprau en Breeken, 
konden in een sekonde tijds f!, Nederl. kannen mineraalwa- 
ter vergaderd worden. Evenwel bleek, uit eene mededeeling 


van den heer Parippeau, dat deze hoeveelheid niet standvas- 


tig is. — Gedurende eene zeer aanhoudene droogte, die in 1850 
plaats had, leverde de bron slechts eene kleine hoeveelheid 


mineraalwater, terwijl zij na die droogte gedurende eenigen — 


tijd geheel droog was. Onlangs heeft de heer Purieprauv mij 
medegedeeld, dat de bron eene buitengewone hoeveelheid 
water opgeleverd had. 

Reuk bezat het water niet; de smaak was zuur - inktachtig. 
Soortelijk gewigt bij 279 C. 1,001. et 

Het water, tot kokens toe verhit, ontwikkelde in het be- 
gin gasblazen van koolzuurgas en bleef helder. — Is het voor 
een groot gedeelte verdampt, dan komen witte, naaldvor- 
mige kristallen te voorschijn. — Na de geheele verdamping ver- 
kreeg men een wit geelachtig zout, hetwelk een netwerk daar- 


stelde van naaldvormige kristallen en bij vermeerderde hitte 


zoutzure dampen uitstiet, bruin van kleur werd en schubach- 
tig van den bodem van het platinaschaaltje afsprong. 
Het water met salpeterzuur en salpeterzure barietaarde be- 


handeld, vormde zwavelzure barietaarde; — met salpeterzuur _ 


zilveroxyde, chloorzilver. 


Met cyaanyzerpotassium behandeld, kreeg het water eene 


heldere blaauwwitte kleur. Aan de lucht blootgesteld , werd 
allengskens een schoon blaauw praecipitaat gevormd. 


Met cyaniedyzerpotassium behandeld, werd dadelijk in het 
water eene intensief groenblaauwe kleur gevormd, na eenigen — 


tijd een praecipitaat afzonderende. 


Blaauw lakmoespapier in de wel gehouden, kreeg eenen f 


roodachtigen schijn. Na het droogen in de lucht werd het bij- 
na wederom blaauw, bleef echter eenigzins bleek. — Tot 
een klein volumen uitgedampt, bezit het water eene blijvend 
“zure reaktig op lakmoespapier. 

Veel water (ongeveer een kilogram) tot droogwordens toe 
uitgedampt, met weinig water opgenomen, het filtraat met 


tries e Pr 


p 

bed 
s 

Fi 


A 


475 


amylumpap en chloorwater behandeld, liet noch jodium noch 
bromium herkennen. De hierbij afgescheidene, in water on- 
oplosbare deelen, in zoutzuur opgelost, gefiltreerd, het filtraat 
met potassa-oplossing bijna geneutraliseerd, vervolgens oplos- 
sing van acetas potassae en een weinig yzerchloried toegevoegd, 
vertoonde zich niets bijzonders. 

Het gefiltreerde water bleef met gipsoplossing helder; ge- 
koncentreerd zijnde en met potassa-oplossing gekookt en een 
staafje met zoutzuur er overgehouden, vormden zich eenige 


witte nevels. 


Het water, in eene retort verhit en de dampen door ba- 
rietwater geleid, ontstond koolzure barietaarde. Vervolgens 
het water tot droogwordens toe uitgedampt, het zout met 
alkohol en eenig zwavelzuur overgoten en aangestoken, gaf 
deze verbranding geene buitengewone verschijnselen. j 

Op bekende wijze werden voorts potassa, soda, kalkaarde, 
bitteraarde , kiezelaarde en aluinaarde in het water opgespoord, 
en eindelijk bleek het, dat daarin, behalve de reeds gevondene 
bestanddeelen, nog sporen van mangaanprotoxyde en organi- 
sche zelfstandigheden aanwezig zijn. 

Het water, met barietwater gekookt, gefiltreerd, het filtraat 
met koolzure ammonia behandeld, gefiltreerd, het filtraat uit- 
gedampt, gegloeid, vervolgens met gedestilleerd water opgeno- 
men en gefiltreerd, ontstond eene zeer zwak alkalisch reage- 
rende vloeistof, welke, met salpeterzuur en salpeterzuur zilver- 
oxyde behandeld, chloorzilver vormde. 


Kwantitatieve analyse. 
Î. Bepaling van het Chlorium. 
260,24 grm. water gaven bij 100° CG. gedroogd chloorzilver, 


wegende 0,2437 grm., bevattende 0,06024 grm. chlorium. 
100 grm. water 0,02315 grm. chlorium. 


2. Bepaling van het Zwavelzuur. 


260,24. grm. water gaven bij 1009 C. gedroogde zwavelzure 
barietaarde, wegende 0,2455 erm. 


474 


100 grm. water dus 0,09434 grm., waaain 0,03241 grm. 
zwavelzuur. 
9. Bepaling de Kiezelaarde. 


260,24 grm. water, tot droogwordens toe uitgedampt, het 
zout gegloeid, vervolgens met zoutzuur behandeld agaven 0,0355 
grm. gegloeide kiezelaarde. 

100 grm. water 0,01364 grm. 


A. Bepaling der Aluinaarde en van het Yzeroxyde. 


Het filtraat der kiezelaarde met chloorammonium en am- 
monia behandeld, gaf aluinaarde- en yzeroxydehijdraat, het- 
welk door potassa oplossing ontleed is in: 

0,0193 grm. gegloeide aluinaarde en 

0,0f9 4 yzeroxyde. 

100 grm. water beantwoorden dus aan 0,00742 erm. aluin- 
aarde en aan 0,0073 grm. yzeroxyde of aan 0,00657 grm. 
yzerprotoxyde. 

5. Bepaling der Kalkaarde. 


Het filtraat der aluinaarde en van het yzeroxyde gaf bij 1000 
C. gedroogden oxalas calcis, wegende 0,0675 grm, bevattende 
0,02589 grm. kalkaarde. 

100 grm. water dus 0,00995 grm. kalkaarde, ge- 
vende met 0,01421 „ zwavelzuur 


en 0,00639 „ water 


0,03055 gfm. zwavelzuur 
kalkaardehydraat. 
6. Bepaling der Bitteraarde. 


Het filtraat van den oxalas calcis gaf bij 100° C. gedroogde 
phosphorzure bitteraarde - ammonia 0,035 grm., beantwoor- 
dende aan 0,0276 grm. gegloeide phosphorzure bitteraarde, 
bevattende 0,010113 grm. bitteraarde. 

100 grm. water dus 0,003886 grm. bitteraarde , 

“gevende met 0,007539 „ zwavelzuur 


0,011425 grm. zwavelzure bitteraarde. 


| 
j 
E 
| 


475 


7. Bepaling der Zwavelzure aluinaarde. 


De geheele hoeveelheid zwavelzuur in 100 grm. water be- 
draagt 0,032414 grm. — Gebonden aan de kalkaarde zijn 
0,01421 grm., en aan de bitteraarde 0,00754 grm; bedraagt 
te zamen 0,02175 grm; afgetrokken van de geheele hoeveel- 
heid, blijft 4 Ô 0,01066 grm. gevende met 

0,00456 „ aluinaarde. 


0,01522 grm. zwavelzure aluin- 
Budel O3 + 3 S02.). 
8. Bepaling van het Chloorpotassium 

Van 195,18 grm. ‘water verkreeg men op bekende wijze 
bij 1009 C. gedroogd chloorplatina - chloorpotassium, wegende 
0,055 grm., beantwoordende aan 0,01679 grm. chloorpotassiurn. 

100 grm. water dus 0,008606 grm. chloorpotassium, waar- 
in 0,00409 grm. chlorium. | 


9. Bepaling van het Chloorsodium. 


260,24 grm. water met barietwater gekookt, enz. gaven 

0,066 grm. chlooralkaliën, voor 100 grm. water 0,02536 grm. 
bedragende. — Hiervan afgetrokken 0,00861 „ 
chloorpotassium, blijft 0,01675 grm 
_ chloorsodium, waarin 0,010115 grm. chlorium. 
Re Dat het potassium en sodium in dit water aan het chlorium 
gebonden zijn, blijkt, wanneer men het chloorzilver weegt, 
dat daargesteld is volgens de bij het slot der kwalitatieve 
5 analyse vermelde wijze. Van 250 grm. water verkreeg men 
bij 100° C. gedroogd chloorzilver, 0,135 grm. wegende. 


10. Bepaling van het Chlooryzer. 


100 grm. water bevatten 0,00657 grm. yzerprotoxyde, be- 
antwoordende aan 0,01158 grm. chlooryzer. (Fe. Cl. ), waarin 
0,006%7 grm. chlorium. 


Î1. Bepaling van het Chlooralumintum. 


100 grm. water bevatten 0,02315 grm. chlorium; gebonden 
aan het potassium zijn 0,00409 grm. 
ss ss sodium 0,001 „ 


4716 


aan het ijzer 0,00647 gram. 


Te zamen 0,02067 grm; afgetrokken van de geheele 


hoeveelheid, blijft 0,00247 grm. 
gevende met 0.00063 „, 


aluminium 0,0051 grm. chlooraluminium (Al? CI?) 
12. Bepaling der Alwinaarde, noch aan het zwavelzuur 
gebonden, noch aan het chlorium beantwoordende. 


De geheele hoeveelheid aluinaarde in 100 grm. water zijn 
0,00742 grm ;—gebonden aan het zwavelzuur zijn 0,00456 grm. 
en aan het chlorium beantwoorden 

te zamen,. 


0,00119 „ 
. … 0,00575 erm. 


afgetrokken van de geheele hoeveelheid, blijven 0,00167 grm. 


alwinaarde. 


Resultaat. 


100 grm. water. bevatten 
Zwavelzure kalkaarde 

KS bitteraarde 

dn aluinaarde 
Chloorpotassium 

in sodium . 

LA aluminium 

s yzer 
Aluinaarde 
Kiezelaarde 


Koolzuurgas 
Chloorammonium 
Mangaanprotoxyde 
Organische zelfstandigheden 


erm. 
0,03055. 
0,01142. 
0,01522. 
0,00861. 
0,01675. 
0,0051. 

0,01158. 
0,00167. 
0,01364. 


0,11254 grm 


onbepaald 
sporen 

id. 

id. 


Dit water bezit dus eene groote overeenkomst met de 
wateren, die aan de noordelijke helling van den Tankoeban 
prahoe te voorschijn komen, bv. de bron Tjipabla en Tjipan- 


nas, in de residentie Krawang gelegen. 


Batavia, den 10den Mei 1852. 


| 
| 


SCHEIKUNDIG ONDERZOEK 


VAN 


TWEE MINERALE WATEREN VAN JAPAN, 


DOOR 


P. 5. MAEER, 


a. De minerale bron Oeresino. 


Deze bron is door den heer Dr. Morntke den 22sten Februarij 
1850 bezocht en door hem, volgens ontvangene opgave, beschre- 
ven als volgt: 

„„russchen Nagasakki en Kokoera liggen de bronnen Oeresi- 
‚no en Takiwo; beiden in het landschap Fezin; Oeresino op 
„19 hi (28,2 li = 15 geogr. mijlen) afstands van Nagasakki; 
„lakiwoof Tsoekasakki op 24, li afstands van Oeresino verwijderd. 
„De badifirigting te Oeresino bestond uit vijf gemetselde naast 
„elkander liggende bekkens, elk ongeveer 50 voeten lang en 
„wat minder breed. Het minerale water loopt uit het eene 
„bekken in het andere en blijft daarin altijd op dezelfde hoog- 
„te, om reden er evenveel water uit het laatste bekken af- 
„loopt, als er in het eerste toevloeit. Door deze inrigting be- 
„zit het water dezer vijf bekkens verschillende temperatu- 
„ren. Tevens werd door het aanhoudende doorstroomen 
„het water der vijf bekkens steeds vernieuwd. Ongeveer 1, 
„voeten beneden de oppervlakte van het water in deze bek- 
„kens, waarin het eene hoogte van 3, voeten bereikt, is 
langs den geheelen binnenkant eene twee voeten breede bank. 
„De badplaatsen zijn van geen afdak voorzien, slechts door 


W18 


„houten planken van elkander gescheiden. De temp. van het 
„water bedraagt tusschen 90 en 100° G., bij eene buitenlucht 
„van 8,49 C. ('s morgens 9Y, uur bepaald). Het water was 
„helder en had een’ sterken zwavelwaterstofgasachtigen reuk. De 
„„rotssoorten, waaruit het te voorschijn komt, bestaan uit au- 
„giet, trachiet en trachietachtig konglomeraat”. 

De Japausche scheikundige, van wien ik reeds vroeger heb 
melding gemaakt (fÎ), heeft mij onlangs toegezonden een fleschje 
met 200 grein (med. gew.) zout, volgens zijne schriftelijke mede- 
deeling verkregen door uitdamping van 97,5 katjes mineraal- 
water. 

Volgens Dr. Monnike is het gewigt monme de eenheid van 
het in Japan gebruikelijke gewigt, en staat gelijk met 57 grein 
med. gew. Tien monme is één zjoemonme = 570 grein; het zes- 
tienvoudige van een zjoemonme = 9120 grein of 593,75 grm._ 
is een katje. 

97,5 katjes zijn dus gelijk aan 22265,62 grm. en 200 grein 
med. gew. aan 1Î3,0208 grm. Hieruit volgt, dat 100 grm. 
mineraalwater 0,0585 grm. vaste deelen bevatten, die echter 
bij 1009 CG. gedroogd zijnde 6,6186 ten honderd water ver- 
loren. 

Het zout was eenigzins geelachtig, hygroskopisch, aardachtig, 
van alkalisch zoutachtigen smaak en meer of min loogachtigen 
reuk. In een platinalepeltje verhit ontwikkelt het een weinig 
water. Bij vermeerderde hitte werd het graauw van kleur, smolt 
later en stelde na bekoeling eene meer of min homogene 
gesmoltene zoutmassa daar, met eenen blaauwachtigen eenigzins 
groenachtigen tint aan hare oppervlakte. 

Door een kwalitatief onderzoek bleek de aanwezigheid der 
volgende stoffen. 

Potassa, soda, kalkaarde, bitteraarde, aluinaarde, yzeroxyde, 
kiezelaarde, koolzuur, zwavelzuur, chloor; voorts sporen 
van sodium, org. zelfstandigheden en van mangaanoxydule. 
Kwantitatief onderzocht, zijn de volgende uitkomsten verkregen. 


(1) Zie Jaarg. I. bladz. 882. 


479 


100 germ. bij 1009. C. gedroogd zout bevatten grm. 


Koolzure soda 58,301 
EE kalkaarde 1,3991 
ne bitteraarde 1,23869 
Zwavelzure kalkaarde 0,69858 
_Chloorpotassium 3135 
B, sodium 2%,1901 
Aluinaarde Ë 0,1772 
Yzeroxyde „ 0,04997 
Kiezelaarde „ 9,3981 
AR | Te zamen 98,52774 
Water en verlies … À 1,47226 
_Joodpotassium s k ; Sporen 


Mangaanoxydeoxydule … E 8 
Org. zelfstandigheid ) 


100 grm. mineraalwater bevatten erm. 
Koolzure soda \ 0,03231 
fj kalkaarde or > 8 0,00077 
B bitteraarde é 0,00067 
yzerprotoxyde ° ° 0,00004 
wavelzure kalkaarde . . __0,00039 
Chloorpotassium 0,00174 
sodium 0,013141 
0,00009 
iezelaarde : 0,00517 
| | Te zamen … 0,05459 
Koolzuur mangaanprotoxyde ‚ Sporen 


Joodpotassium 


Ed >, 


2 ;, 


„ onbepaald 


»j» 


36. 


„80 


De aanwezigheid van koolzuurgas en zwavelwaterstofgas 
blijkt tevens uit de mededeelingen van den Japanschen schei 
kundige. , 


b. De minerale bron Takiwo. 


Ook deze bron is door den heer Dr. Monnike den 22sten 
Februarij 1850 bezocht en aldus beschreven. 
‚De badinrigting te Takiwo verschilt van die te Oeresino 
„slechts daarin, dat er hier, behalve zes met afdaken voorziene 
„bekkens voor de lagere menschenklasse, nog twee andere 
„„door een’ muur van de eerste gescheidene zijn, die ruim en 
„zindelijk zijn ingerigt en voorzien van elegante verblijfkamers 
„tot badplaatsen voor den landsheer en zijne familie. Het mine 
„„raalwater had bij eene luchttemperatuur van 10,2 C., ’s mid- 
„„dags 41/, uur, eene warmte van 45,59. C. en was geheel zonder 
‚smaak en reuk. Het ontwikkelde slechts spaarzaam blaasjes 
„van koolzuurgas. De geognostische gesteldheid van het terrein 
„te Tawiko verschilt niet van die te Oeresino. Bij de intrede 
„van de voor het volk bestemde bekkens is een vertrek K 
„waarin elk voor een bad omtrent U, cent moet betalen”. 

Van dit mineraalwater zijn door den boven bedoelden Ja- 
panschen scheikundige 30,625 katjes uitgedampt en 137,5 
grein, med. gewigt, vaste bestanddeelen verkregen , welke te 
Batavia gewogen 144,5 grein = 9,408 grm. bedroegen en bij 
100° C. gedroogd 10,062 ten honderd water verloren. } 

30,625 katjes = 18183,6 grm. water, bevatten dus bij 
100°. C. gedroogde vaste bestanddeelen 8,4614 grm.; bedra= 
gende voor 100 grm. mineraalwater 0,04653 grm. 

De eigenschappen en het kwalitatief onderzoek van dit zout 
kwamen bijna geheel overeen met het zout, verkregen door uit- 
damping van het water te Oeresino; slechts was het iets wit 
ter van kleur. 

Door het kwantitatief drdbrsden van het zout is de zamen- 
stelling van dit mineraalwater gebleken te zijn als volgt: 


481 


__100 grm. mineraalwater bevatten grm. 
Be shae Os 0,03007 
4 if kalkaarde 8 5 6 k ‚ _0,00028 
d bitteraarde ê : se d . _0,00019 
A8 yzerprotoxyde Î : : ‚ _0,00006 
BZ watelzure kalkaarde … … _. _… _ … 0,00016 
Chloorpotassium 8 - : : . __0,00007 
Ei), 55 sodium 8 : © Á . _0,00892 
Aluinaarde 5 5 ’ - , . _0,00035 
 Kiezelaarde . ORNE LRE ORNE TO O034 AF 


E 


| | Te zamen 0,04447 
_ Koolzuurgas . . . . : onbepaald 
Ä Zwavelwaterstofgas k Gelk p \ Je 

| ’ Joodpotassium k Ê j , fi „Sporen 
__Koolzuur mangaanprotoxyde » 3 k ' PR 
Org. zelfstandigheden à $ Ù oee 


BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD, 


Aanteekeningen van de aardschuddingen, waargenono- 


men te Indramajoe in 18M1 , door S. L. P. D. Nrerce. 


Tijdstip Getal 
waarop de aard- schud- 
schuddingen heb- din- 
ben plaats gehad. gen. 


Datum. 


Nov. 16 {ff uur 45 minut. 1 Zware schok. 

NEA Bers EES A. Van dezen kan detijd niet wor-_ 
den opgegeven. 

Veel zwaarder dan de eerste. 


Seda Pe oe Mi Î Ligte schudding. 

GA so Me 5 nn 1 Dito, doch zwaarder. 

br een ET f Ligte schudding. 

RM ad) in 1 Ligte schudding. 

5 51 6-u. 45 1 _ Idem. 

sf #30 Lin Î Zware schudding. Van 9 uur 


tot 5 uur hebben er verschei- 
dene schuddingen plaats ge- 
vonden, waaronder die ten 
1,3 u. de zwaarste was. 

so SD Lin. 1 Ligte schudding. 

‚pAn SND Jit. EDEN: Î Id. doch nog al van aanbelang. 

ss 5 vO raf 30 Tin 2 Schuddingen opeenvolgende. 


Datum. 


929 13 u. 
9 11 u. 


cees Reseseses 


Tijdstip 
waarop de aard- schud- 
schuddingen heb- din- 
hen plaats gehad. gen. 


30 m. 


A5 m. 
30 m. 


„30 am: 


45 m. 
30 m. 


1230,m: 


‚30 m. 
SOrm: 
„0 m. 
fonte. 


A04 m: 


Ber u. 


’s middags 
’s avonds 


185 


Getal 


de jn en nd ed jb dh 


1 
1 
1 
Î 
f 
2 
| 
1 
Î 
1 
2 
| 
| 
1 


Ligte schudding. 

Id. vrij lang van duur. 
Ligte schudding. 
Schudding van aanbelang. 
Ligte schudding. 

Idem. 
Idem. 
Idem. 
Idem. 
Idem. 


Den ganschen nacht heeft men 
een aanhoudend onderaardsch 
gedruisch gehoord doch geene 
schokken gevoeld. 

Ligte schudding. 

Idem. 
Zwaardere schudding. 
Ligte schudding. 

Idem. 

Idem. 

Idem. 

Schudding van aanbelang. 

Ligte schudding. 

Schudding van aanbelang. 

Schuddingen. 

Ligte schudding. 

Idem. 

Ligte schudding o. en w. van 

redelijk aanbelang. 


10 11 u. 30 m.’s morg. fÎ Schudding van p. m. 8 sekonden 


o. en w. van aanbelang. 


48 


Tijdstip Getal 
waarop de aard- schud- 
schuddingen heb- din- 
ben plaats gehad. gen. 


Datum. 


Bur 25. 9m. 130 ms 2 schokken van aanbelang, nog 
steeds met onderaardsch ge- 
druisch. Î 

bb DA 118 0: DO 1 Als boven een schok, zeer he- 
vig, met onderaardsch ge- 
druisch. 


Aardbeving te Kediri. 


Volgens de Javasche Courant van den 28Ssten Julij 1852 is 
te Kediri in den morgen van den 2den Julij 1852 eene aardbe- 4 
ving waargenomen in de rigting van het zuidoosten, welke — 
echter geene schade van eenig belang heeft veroorzaakt. 


Kunstmatige bevruchting der Vanille te Buitenzorg. 


De heer F. D. J. van per Panr, adsistent bij het landbouw- — 


scheikundig laboratorium te Buitenzorg heeft, bij brief van den â 
Yden Julij 1852, der redaktie medegedeeld, dat het hem, na — 


een mikroskopisch onderzoek der bloem van Vanilla planifolia, — 


op het landgoed Pondokh Gedeh van den heer Mr. J. H. N 
GRAAF VAN DEN Boscu, den 2den Julij jl. gelukt is, daarmede Ä 
kunstmatige bevruchtingen daar te stellen, daar de vier bloe- il 
men, op genoemden dag geopend, reeds 7 dagen later peulen Ô 
hadden voortgebragt van een’ vinger lengte en een pink dikte. 

De heer Van per Pant deelt voorts nog mede, dat bij de 
bloem der vanille, de anthera aan de achterzijde van de bloem- 
kroon is vastgehecht en op den stamper sluit, waardoor de 
benedenwaarts gekeerde holle zijde van de anthera, waarin het 
„pollen is bevat onzigtbaar is; — dat de opening van het stigma 
door een klepje is gesloten en het stuifmeel daardoor verhin- 


485 


| derd wordt er op te vallen; — dat de oppervlakte van dit 
| 1 lepje kleiner is dan die der anthera en dat, bij het opligten 
_ van dit klepje, het helmknopje zich naar de opening van het - 
stigma buigt en bij eene ligte drukking het stuifmeel er op 
laat vallen ;— dat, wanneer de plaats bevrucht is, de bloem 
en het daaraan bevestigde vruchtbeginsel zich omkeert en dit 
‘laatste na een drietal dagen in lengte en dikte toeneemt. 

De heer Van per Panr voegt er bij, dat hij nader zal aan- 
bieden eene naauwkeurige beschrijving van de groeiwijze der 
plant, der bevruchting enz. met bijvoeging van teekeningen. 
‚Het is der redaktie bekend, dat de heer Terissmann te Buiten- 
zorg, reeds sedert geruimen tijd er in geslaagd is de vanille 
kunstmatig te bevruchten en dat door zijne zorg eene aanmer- 
_ kelijke en bloeijende aanplanting van vanille te Buitenzorg is 
_daargesteld. Omtrent de bijzonderheden der kunstmatige be- 
vruchtingen was men echter alhier tot nog toe in het onzekere. 


lets over de Gamlmerkultuur. 


‚De gambier is een van die artikelen, welke zoowel voor 
den handel in Indië als voor de Europesche markt van groot 
‘belang zijn. Vroeger werd geheel Indië van gambier uit den 
Riouwschen Archipel voorzien, doch thans voorziet het schier- 
eiland Malakka grootendeels of misschien geheel in de behoefte 
van de Buropesche markt en van het meerendeel der eilan- 
den, oostwaarts van Java gelegen. 

( De gambierkultuur is op Java beproefd en schijnt goed te 
(slagen. De uitbreiding van die kultuur op Java zou gewis 
spoedig kunnen bijdragen tot verlevendiging van den handel 
van dit eiland met den Oostelijken Archipel. Wij vermeenen 
dus de aandacht te mogen vestigen op deze belangrijke kul- 
1 ur, door mededeeling te doen van eenige opgaven betreffen 
de den bouw en de bereiding van den gambier, welke ons zijn 


486 


verschaft door den heer J.H. Warsernm, algemeenen ontvanger 
te Riouw. 

De gambierkultuur vereischt eenen zeer vruchtbaren grond en 
voor de bereiding wordt een hout- of boschgrond in de on- 
middellijke nabijheid gevorderd van ongeveer gelijke oppervlak- 
te als de bouwgrond. 

De gambier wordt gezaaid op beddingen van eenigzins voch- 
tige en zachte aarde, welke vooraf goed omgewerkt. moet 
worden. 

De beddingen worden luchtig gedekt met allang-allang of 
gedroogde klapperbladen, bij wijze van een dak, zoodat zij 
ook ‘voor de op- en ondergaande zon beschut zijn, tot dat de 
plant 4 à 5 duim is opgeschoten, wanneer zij overgeplant 
moet worden in het daartoe ontgonnen terrein. 

Hiertoe graaft men, op afstanden van 6 voet, vierkante gaten — 
van U, voet breed en diep, waarin de plant gezet wordt, 
welke men met 2 à 3 duim aarde bedekt, terwijl het overige 
onaangevuld wordt gelaten. Men maakt dan een dijkje van 
hout om de plant, ten einde deze te beveiligen tegen de stor- 
ting van aarde bij regens, tot dat zij f à {!, voet hoogte 
heeft. Alsdan moet de grond omgewerkt worden, zonder dat 
evenwel de plant mest behoeft. De uitschietende takjes moet 
men ombuigen om de uitspruitsels te vermeerderen. Wanneer 
goede gronden gebezigd worden, kunnen de bladen binnen 
12 of 14 maanden gesneden worden. 

De inzameling der bladen geschiedt des morgens zeer 
vroeg en men bezigt hiertoe een snoeimesje van de gedaante _ 
van een chineesch scheermes; de uitschietende takjes worden 
afgesnoeid, in manden verzameld en naar de kokerij gebragt, | 
waar de bladen worden afgestroopt in eenen ijzeren pan van 
ongeveer Á voet middellijn. 

De bladen worden met zeer zuiver water afgekookt tot dat 
het sap er geheel uitgetrokken is. De uitgekookte bladen wor- 
de er dan uitgehaald en het vocht laat men tot de vereischte 
dikte inkoken, waarna het in vierkante houten bakjes wordt 


487 


__ gestort om te stollen. Zonder deskundigen zal eene gambier- 


(3 plantaadje niet ligt slagen. 


Eene goede plantaadje kan het geheele jaar door genoegzame 
__ hoeveelheid bladen opleveren voor het gambierkoken. 

Eene uitgestrektheid zeer vruchtbaren grond van 900 vade- 
men in het vierkant (45 bouw), of, wanneer de grond min- 
__der vruchtbaar is, van 500 vademen in het vierkant, levert 
dagelijks 60 à 70 katties gambier op. Men berekent 4 à 5000 
Amsterd. pond goed zwaar brandhout per pikol gambier te 
behoeven. Elk kooksel levert 35 katties gambier en men kookt 
tweemaal daags. Te Riouw zijn voor zulk eene plantaadje 
benoodigd: één koker, drie koelies om bladen en hout aan 
te brengen en afte stroopen of te kloven en twee koelies voor 
het wieden en schoonhouden van den grond, doch deze ver- 
dienen allen een hoog loon. 

H. D. A. Sxrs. 


De Lagam-olie van Sumatra. 


De civiele en militaire kommandant ter Sumatra's Westkust, 
de kolonel Van Swieten, heeft, naar aanleiding van hetgeen in 
den 3den jaargang pg. 332 van het Tijdschrift van Neêrl. Indië 
omtrent het voorkomen der Lagamolie vermeld is, namelijk dat 
door den natuurkundige Horner op het eiland Pingie, eene soort 
_ van vloeibare hars gevonden werd, minjak lagam genaamd, 
welke in alle zijne hoedanigheden met den Amerikaanschen 
kopaiva-balsem overeenkomt en uit de ingekapte stammen van 
eene groote boomsoort in aanmerkelijke hoeveelheid uitvloeit, 
den adsistent resident van Ajerbangies en Rau, den heer 
VAN per Vinne opgedragen, eene kleine hoeveelheid dezer olie 
4 te vergaderen, ten einde ze aan een nader onderzoek konde 
| onderworpen worden, om daaruit te ervaren, of zij van nut 
voor de geneeskunde zoude kunnen zijn. 


488 


In December 1851 is door den heer Van per Vinne een 
fleschje dezer lagamolie verzameld en verzonden, met opgave 
dat de lagamboom op de Batoe-eilanden, op het eiland Pingie, 
aan den vasten wal te Ajerbangies en langs de rivier bij 
Moeara Keawe groeit; voorts, dat deze boomsoort nooit in 
grooten getale vereenigd voorkomt, maar hier en daar in 
de bosschen enkele boomen daarvan gezocht moeten worden. 

Het onderzoek dezer olie, dat mij in Januarij 1852 werd 
opgedragen, heeft de volgende uitkomsten opgeleverd. 

De lagamolie is vuilwit van kleur, van talkachtige konsis- 
tentie, smelt bij verwarming onder ontwikkeling van water en 
aetherische olie-dampen, welker reuk veel overeenkomst heeft 
met dien van een weinig terpentijnolie bevattenden kopaiva bal- 
sem. Zij kookt bij vermeerderde verwarming, ontvlamt en 
brandt met eene heldere sterk licht en roet gevende vlam, 
Jaat eindelijk eene zeer geringe hoeveelheid, gemakkelijk te 
verbranden, kool achter, die slechts sporen van eene witte 
eenigzins graauwachtige asch bevat. 

De smaak der iagamolie is verkoelend, etherisch, eenigzins 
kopaivaächtig en laat een scherp gevoel in den mond achter. 

Aan de lucht in lagen van omtrent een millimeter dikte op 
glazen platen blootgesteld, droogt de lagamolie allengskens, 
doch langzaam. Na verloop van 8 dagen was slechts hare 
oppervlakte geheel droog. Met water gekookt, ontwikkelt 
de lagamolie met etherische oliedampen bezwangerde water- 
dampen. Zij nam wel het tienvoudige aan omvang toe, kreeg 
eerst eene harde boterachtige konsistentie van zuiver witte kleur, 
werd allengskens hard, stijf en minder homogeen. Het water 
reageerde nu zwak zuur, had echter slechts sporen er van 
opgelost, want eene kleine hoeveelheid ín een’ platinalepel 
verdampt, gaf sporen van een residuum, hetwelk , na het bran- 
den, een naauwelijks zigtbaar spoor van asch achterliet. Her- 
haaldelijk met water gekookt tot de dampen naauwelijks nog 
reuk bezitten, wordt de lagamolie taai, vermindert wederom 
van omvang en na verdamping van al het water, blijft eene 
schoone hars achter, die de volgende eigenschappen bezit. 


_ 


f 
5 
HK, 
EN 
: 
} 
k 
ä 
x 


Vn 


EERE 


489 


| _ Deze hars, tot omtrent 60 ten honderd in de lagamolie be- 
vat, is doorschijnend, van gele lichtbruinachtige kleur, hard, 
broos, van onregelmatige breuk, laat zich gemakkelijk tot 
een witachtig, eenigzins zamenhangend poeder wrijven, bezit 
Mec eenigzins den reuk der lagamolie, en smelt en verbrandt 
bij vermeerderde hitte, zooals reeds is aangehaald. 

In water is ze onoplosbaar. In 4 tot 6 deelen kouden alko- 
hol van 95% lost ze zich op, blijvende slechts eene zeer gerin- 
ge hoeveelheid niet tot de hars behoorende stof, onopgelost. 
Deze oplossing is helder, van eenen eenigzins geelachtigen tint, 
Ee. zonder reaktie op lakmoespapier. In de kookhitte reageert 
k zij echter zwak zuur. De geringe hoeveelheid onopgelost ge- 
 blevene stof bleef onoplosbaar in kokenden alkohol. Met wa- 
ter verdund , scheidde zich uit deze oplossing de hars in eenen 
witten poederachtigen vorm af. De oplossing is kleverig. 
Eene gepolijste metaalvlakte, daarmede overgoten, was na het 
 opdroogen met een wit, dof, meer of min vast hechtend be- 
\ kleedsel bedekt. 

E In gezuiverde terpentijnolie is de tot poeder gewrevene hars 
gemakkelijk tot op eene zeer geringe hoeveelheid na oplosbaar. 
_Na verwarming is deze oplossing zeer kleverig, lichtbruinach- 
"tig geel van kleur en bezit alle eigenschappen van een 
zeer goed en bruikbaar vernis, hetwelk , op de markt bekend 
4 inde, een gezocht handelsartikel zou zijn. Ik heb daarmede 
shout- en lederwerk en gepolijste metaalvlakten overtrokken, 
het vernis na verloop van 24 uren bijna geheel opgedroogd 
bevonden, hetwelk bij andere soortgelijke vernissen gewoon- 
dijk eenen veel langeren tijd vereischt. Het zoude belangrijk 
zijn, daaromtrent proeven meer in het groot te nemen. 

_ In vette olie is de hars oplosbaar. Deze oplossing biedt 
echter geene bijzonderheden aan. Zij kan slechts tot genees- 
“kundige doeleinden in aanmerking komen. Overigens is deze 
hars zeer geschikt om in de geneeskunde het kolophonium te 
_ vervangen, wanneer het gemakkelijk en niet al te midi 
__ mogt verkrijgbaar zijn. 

De etherische oliedampen, die gedurende het koken der 


490 


lagamolie met water, met den waterdamp zich ontwikkelen, 
behoorlijk opgevangen en van het water gescheiden zijnde, 
vormden eene olie, van eene eenigzins dikke olieachtige kon- 
‘sistentie met eenen zwak geelachtigen tint. Haar soortelijk 
gewigt is 0,94; hare reuk kopaivaächtig, hare smaak eerst 
kopaivaächtig, daarna verkoelend, onaangenaam bitter. 

In gelijke deelen watervrijen alkohol is zij oplosbaar. Be- 
vat de alkohol eenig water, dan wordt er meer daartoe ver- 
eischt. Bij zachte warmte vervlugtigt de olie geheel. Bij ver- 
meerderde hitte ontvlamt zij en brandt met eene heldere roet 
gevende vlam. Door herhaalde destillatie met water is deze 
olie misschien waterhelder te verkrijgen. Zij is tot 24 ten 
honderd in de lagamolie bevat en zal slechts tof geneeskun- 
dige doeleinden kunnen worden aangewend. Of zij den kopaï- 
vabalsem kan vervangen, is mogelijk, doch blijft aan de be- 
slissing van deskundigen overgelaten (f). 


Weltevreden 4 Maart 1852. P. J. Marren. 


Visschen van Solor. 


De heer Van Srockum, officier vau gezondheid 2de kl. bij 


de koninklijke marine, heeft de welwillendheid gehad mij _ 


eenige naturaliën van Solor aan te bieden. Hierbij bevinden 


zich 3 vischsoorten, verzameld te Katottoe, t. w. Balistes con-_ 


spicillum Bl. Schn., Ostracion cornutus L. en Ostracion rhino- 


rhijnchos Blkr. In een vroeger berigt (Nat. Tijdschr. N. Ind. 


IH. p. 947) heb ik reeds 7 Solorsche vischsoorten vermeld, t. w. 
Serranus marginalis CV., Caesio coerulaureus Lacép., Chaeto- 


don vittatus Bl. Schn., Chaetodon unimaculatus Bl., Chaetodon ik 


(1) Indien ik mij niets vergis, is reeds eenige jaren geleden eene soort — 


van lagamolie door de heer J. C. A. DrepericuHs onderzocht en door 
hem op de belangrijkheid daarvan opmerkzaam gemaakt. Deze soort van 


olie had de konsistentie van den kopaivabalsem en was, geloof ik, te Ben- 


koelen vergaderd. 


491 


virescens CV., Acanthurus scopas CV. en Glyphisodon melas 
K. v. H., zoodat thans Î0 vischspecies van Solor bekend zijn. 


BLEEKER. 


Tentoonstelling te Batavia, te houden in 1855. 


Ten vervolge op het verslag, voorkomende op pag. 9öl van 


‚ dezen jaargang, deelen wij thans mede, dat door den resident 


van Samarang, daar ter plaatse, een kommittee is te zamenge- 
bragt, doch dat, in weerwil der goede pogingen door de leden 
van dat kommittee aangewend, aldaar niet veel belangstelling 
ia deze onderneming betoond wordt. 

Wij mogen ons evenwel verheugen dat in vele andere ge- 
westen groote belangstelling aan den dag wordt gelegd, waar- 
van de aanzienlijke inschrijvingen, welke onlangs zijn ingeko- 
men, getuigen. | 

Toen het voorgaande nummer van dit tijdschrift in het licht 
verscheen , waren bekend: 


inschrijvingen tot een bedrag van …. …. . … …. f 11603. — 
sedert zijn ontvangen inteekeningslijsten van 

OE EL ANNEE el tj AL 2OS 

Samarang .»„ 667. — 


Soerabaja (1) stad en voorsteden f 1961. — 
afdeeling Madura . „ 669, — 
afdeeling Soemanap 

en Pamakassan . „ 659. — 
afdeeling Grissee …. „ 398.50 
afdeeling Modjokerto „ 15. — 


| f 3702. 50 „ 3702. 50 
rn TI REET NAMEN 5 
EE aes ete age fis oden 

Totaal f 18792. — 


(1) Van Soerabaja worden nog eenige lijsten te gemoet gezien. 
(2) Ook te Batavia cirkuleren nog eenige lijsten; tot dusverre is hier 
ingeschreven voor f 7656.50. 


492 


Z. H. de sulthan van Soemanap, de rijksgrooten en regen- 


ten van Madoera, alsmede de regenten en inlandsehe hoofden 


in de residentie Cheribon hebben door ruime inteekening be= 
wijzen gegeven van groote belangstelling in de tentoonstelling. 

Het is ons ook eene aangename taak te vermelden, dat door 
de leden van de Vereeniging Musis te Batavia nog is aangeboden 
eene som van f 240, afgescheiden van de persoonlijke inschrij- 
vingen van die heeren. 

In eene algemeene vergadering, gehouden den f5öden Julij, 
is besloten: om gevolg te geven aan het voornemen om de 
tentoonstelling in September 1853 tot stand te brengen, waar- 
van openlijke mededeeling is gedaan in de Javasche couranten 
van 21 en 24 Julij. 

De inning van de gelden, te Batavia ingeschreven, is opge- 
dragen aan den sekretaris der kommissie voor de tentoonstel- 
ling, den heer Surrs, terwijl de gouverneurs ‘en residenten 
van de overige gewesten, en de kommitees te Soerabaja en 
Samarang zijn uitgenoodigd om elders de gelden te willen doen 
ontvangen en die onder hunne berusting te houden tot nadere 
beschikking. 

Wijders is besloten, om al de reeds ingeschreven en nog in 
te schrijven gelden aan te wenden tot het doen vervaardigen 
van belangrijke voorwerpen van inlandsche nijverheid , welke 
niet dan door dadelijken aankoop voor de tentoonstelling ver- 
kregen kunnen worden. 

De verzameling van voorwerpen, welke aldus zal worden 
vergaderd, is men voornemens, na expositie te Batavia, ter 
beschikking te stellen van het gouvernement, ten einde die 
goederen ook in Nederland te kunnen doen tentoonstellen op 
eene expositie van Indische voorwerpen, welke zijne excel- 
lentie de minister van koloniën in Nederland wenscht te zien 
tot stand gebragt. 

De verschillende gouverneurs, de residenten en de kom- 
mittees te Soerabaja en Samarang zijn uitgenoodigd om, zoo- 
veel mogelijk , te willen mededeelen, welke voorwerpen voor 
de tentoonstelling zouden kunnen verkregen worden door vrij- 


a 


495 


willige inzending ;— welke belangrijke voorwerpen van inland- 
_ sche nijverheid opzettelijk voor de tentoonstelling zouden moeten 
_ worden vervaardigd en niet dan door dadelijken aankoop verkre- 
gen kunnen worden; — alsmede eene raming van de uitgaven , 
_ welke gevorderd worden voor den aankoop van die voorwerpen. 
__Door den heer C. T. Deereman, ingenieur van den water- 
k staat, is het projekt aangeboden voor een gebouw voor de ten- 
_ toonstelling. 


Het programma voor de tentoonstelling wordt nu opgemaakt, 
f en zal gepubliceerd worden, nadat het zal zijn aangenomen 
_ door de algemeene kommissie. 


_ ZLevensherigt van Mr. D. W. J. CG. Baron van Lunpen. 


De Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië heeft 
een gevoelig verlies geleden in het haar ontvallen van Mr. D. 
vd W. J. C. Baron van Lunpen, die in nog jeugdigen leeftijd te 
id Timor koepang overleden is. | 

Dirk Wourer Jacop Caren BARON vAN LinpeN werd geboren 
\ te Wageningen den 23sten December 1818. Zijne ouders waren 
d Jan CareL Ermas Graar van LINDEN en ANTOINETTa Jacona Mar- 
4 GARETHA BARONES VAN Papsr TOT BINGERDEN. Na zijne studiën 
j aan de Leidsche hoogeschool volbragt te hebben en aldaar in 
‚de regten te zijn gepromoveerd, kwam hij in November 1841 
f in Nederlandsch Indië, als ambtenaar der Íste klasse. In Janua- 
rij 1842 werd hij ter beschikking gesteld van den algemeenen 
sekretaris van de Indische regering en in April 1843 benoemd 
tot hoofdkommies ter algemeene sekretarie. Spoedig daarna, in 
b4 Julij 1845, werd hij bevorderd tot referendaris en in Junij 
1846 tot adsistent resident van Pontianak, van welke betrek- 
E king hij in Januarij 1848 ontheven werd, ten einde de rege- 
_ ring van hem tijdelijk gebruik zou kunnen maken bij de invoering 
__ der nieuwe regterlijke organisatie in Nederlandsch Indië. Kort 


49A 


daarna werd hij benoemd tot lid ín den raad van justitie te Bata- 
via. In Oktober 1848 volgde zijne benoeming tot resident van 
Timor, in welke belangrijke betrekking hij den 22sten Mei 
1852, in 33jarigen leeftijd, overleed. 

Deze korte maar schoone loopbaan had Van Lijnpen te dan- 
ken aan zijne buitengewone bekwaamheden, welke de regering 
dezer gewesten wist op prijs te stellen. Zoo afwisselende en 
belangrijke werkkringen hebben Van LunpeN weinig tijd gela- 
ten om veel aan den tempel der wetenschap te bouwen, maar 
toch heeft de wetenschap aan zijnen ijver en kennis twee be- 
langrijke verslagen te danken over het Stroomgebied der Ka- 
poeas en over de groep om Timor gelegene en tot de residen- 
tie Timor behoorende eilanden , beide welke stukken zijn op- 
genomen in dit Tijdschrift en kunnen getuigen van de kennis 
en waarnemingsgeest van den schrijver. Maar veel heeft nog 
Van Lijnpen voor de wetenschap gedaan door de bescherming 
en ondersteuning , waarmede hij natuurkundige reizigers heeft 
vereerd en waaraan menige botanische ontdekking is te dan- 
ken. De heer Zoirincer, de ijverige plantenkundige, die zoo- 
veel tot de kennis van Java, Sumatra, Bali, Lombokh en 
Soembawa heeft toegebragt, heeft vroeger reeds hulde gebragt 
aan dien ijver en zucht van Van LinpenN voor de wetenschap- 
pen, door een nieuw geslacht van Memecyleae naar hem te 
noemen (1). 


(1) Zyndenia laurina Zoll, Mor., beschreven in, Systematisches Verzeich- 
niss der von H. ZorLINGER in den Jahren 1842— 1844 auf Java gesam- 
melten Pflanzen, nebst einer kurzen Beschreibung der neuen Gattungen uud 
Arten von A. Morrrzi, Solothurn 1845—1846, 8° p. 10; en daaruit in 


het Natuur- en Geneeskundig Archief voor Nederlandsch Indië, Jaarg. IV, 
1847 p. 27. 


495 
Personaliën. 


Vertrokken. 


Gewone leden. 


_ 0. F. W. J. Hucvenin, van Batavia naar Sumatra’s Westkust (in zending). 
_ Dr. 0. G. J. Mornike , van Batavia naar Sambas (overgeplaatst). 
__ P. Jakres, naar Nederland (tot herstel van gezondheid). 
_ Dr. F. C. Scumrrr, van Batavia naar Poerworedjo (overgeplaatst). 
__H. von Dewarr, na tijdelijk verblijf te Batavia, naar Borneo’s Oostkust (in 
kommissie) 

C. F. A. ScHreIDeR, van Batavia naar Palembang (Lahat). 
4 V. Baron van TorsrL VAN SEROOSKERKEN, naar Nederland. 


„Geschenken aan de Vereenigung. 


Naturaliën. 


1. Een kistje met tinerts van Soengieliat (Banka), aangeboden door den 
heer J. H. Croockewir Hz. 

2. Een kistje met kopererts van Sumatra, aangeboden door den heer 
W.H. Sur, officier van gezondheid 14ste kl. bij Zr. Ms. zeemagt. 

3. Een bamboezen koker, inhoudende eenige lood- en koperertsen van 
Sumatra’s Westkust (aangeboden door den heer H. W. Scuwaren- 
rerD, lid der vereeniging). 


Boek werken. 


Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Weten- 
schappen Dl. XXIV 1852, 4°. (van het genootschap). 

Verhandeling over scheikundige metaalverbindingen , door J. H. Crooc- 

_ kewir Hz. (van den schrijver). 

Der elektromagnetische Telegraph in den einzelnen Stadiën seiner Ent- 
wieklung und in seiner Ausbildung und Anwendung, nebst einer 
Einleitung über die optische uad akustisehe Telegraphie und einem 
Anhange über die elektrischen Uhren; bearbeitet von H. Scuerren; 
Braunschweig, 1850 8° (aangeboden door den heer J. H. Croocke- 
wir Hz.) 


496 


„ 


Biang Lala, Indisch Leeskabinet tot aangenaam en gezellig onderhoud, 
onder redaktie van W.L. Rrrrer en L. J. A. Torrens. Jaarg. L. 
1852. Aflev. 3 (van de redaktie). 

The Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia, edited bij 
J. R. Loean, vol. VI, aflev. April 1852 (van de redaktie). 3 

Bijdrage tot de kennis der Blootkakige visschen van den Indischen Ar- _— 
chipel, door P. Breeker, Batavia 1851 4° (van den schrijver). 

Bijdrage tot de kennis der Snoekachtige visschen van den Indischen Ár- 
chipel, door P. Brreken, Batavia 1851 4, (van den schrijver). 

Géologie appliquée ou traité de la recherche et de l'exploitation des mi- 
néraux utiles, par A. Bunar 2° édit. Paris 1846 8, (aangeboden door 
den heer J. G. X. Broekmeisen, lid der vereeniging). 


ENMOUD. 


Aftevereng IV &_NV. 


Bladz. 


J. H. Crooekrwir Hz., Uittreksel van het rapport eener 
reis over het eiland Billiton. é . 355 
4 P. Brereker, Zesde bijdrage tot de kennis der ichthyolo- 
| gische fauna van Borneo. Visschen van Pamangkat, Ban- 


djermassing, Praboekarta en Sampit. î . 407 
P. Breeker, Bijdrage tot de kennis der OER eere fauna 
van het eiland Banka. … ; . AAS 


P. J. Maren, Scheikundig onderzoek van eenige op Java 
voorkomende minerale wateren. 
De Arragonietheuvels van Koeripan en hunne mine- 
_ rale wateren. . 461 
Warme minerale bron, gelegen op de ordende 
van Lembang en Djamboedwipa, residentie Prean- 
ger-regentschappen. À . Al 
P. J. Marer, Scheikundig onderzoek van twee minerale 
wateren van Japan. 
a. De minerale bron Oeresino. . EK . 417 
b. De minerale bron Takiwo. Ë ‚480 


Berigten van verschillenden aard: 


Aanteekeningen van de aardschuddingen waargenomen te 

ta Indramajoe in 1847, door S. L. P. D. Niepcr. . 482 
_ Aardbeving te Kediri, waargenomen den 2den Julij 1852. 484 

_ Kunstmatige bevruchting der Vanille te Buitenzorg, door 

F. D. J. van per Pant. $ 8 REL ‚484 


De Lagam- olie \ van nst door P. 5 
Visschen van Solor, door P. Brrrken. net bj 
Tentoonstelling te Batavia: ‚te houden in 1E 3 
Levensberigt van D. W. dere BARON VAN  Lusoex 
Personaliën. Pa: 4 en Ee L 
Geschenken aan de Natuurkundige Vereeniging in_N 


landsch Indië, REEN EEN 


2 ' 
EN E r * hd 4 
 « IJ IÀ * $ 
Pr, à 
bb á n e! ir po, „tired pn 
| k St, k, 4 4 " > 
ie sf € ke : 8 ’ 4 . 
Ee CHEERS 
oid IDE end Pr 10 He 
Ì ter pn 6% zeten Hir | 
« 
« 
het e 
pa _ % wek’ BT 
EEEN doo 
ns ulo il afs po LEN 
. 
- 
j p 
Én k ‚ EE, 
fd 
ik 
ie 
/ 
r í 
2 n n : 
IJ d t 
eh * d 
ak N ape » Ad ke 5 1 SE, 
Pe diit LJ} x pn ) EF KN 
' eN é ran 
het hd -el ol zb 
nà 3 A p d 
eis zig " ps 
pe de 
Pee 


| ij | N | 
NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT AA Kk 


VOOR 


EDERLAND SCH INDIE, 


| Aden see 
UITGEGEVEN DOOR ALamafra l À SIJ 
| 0D ZN Aas ge 


si 
As 


| DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING | 
KE: 
NEDERLANDSCH INDIE. 


DERDE JAARGANG. 
Aflevering VE. 


BATAVIA, 
LANGE & C@, 
1852. 


RE at kei k 5 _ 
B A0 
AR At 


4 Rb 


2 


_ OVER HET WATERGEHALTE IN VERSCHILLENDE LUCHT- 
DROOGE KOFFIJSOORTEN EN DE DAARVAN 
AFHANGENDE HOEDANIGHEDEN. 


DOOR 


en U nn nd 


k Dr. P. F. KH. FROMBERG. 


\ 


4 

lj Tot dit onderzoek, is ter mijner beschikking gesteld ge- 
__ worden een aantal koffijsoorten van Java, welkeik vooraf kor- 
telijk zal beschrijven. 
í 


De AA 
ES 8 
© panel 
Beer dev keen sE 
5 | Beschrijving der koffij, zooals die was 
Namen der plaatsen. Ss a® . 
den bp er bij de ontvangst. 
Sens 
feb) 
apie) 
voeten 


Ig 1. Pelmolen te Sisir. 2700 | Ontvangen September 1850. — Graauw- 
Ae) groen, ongevlekt, vrij gelijk van 
HZ grootte. 
_  |II. Pakhuis te Sisir W.| — Ontvangen als boven. — Lichtgroen- 
AS Ind. bereiding, van de achtig geel; meerendeels groote boo- 
 d | bevolking. nen. 

den III. Idem gewone be-|f — Ontvangen als boven. — Vuilgeel, mee- 
Ja reidingswijze. rendeels groote boonen. 
IV. Genting. 2500 [-Ontvangen 23 December 1851—Gelijk- 


matig graauwgroen, ongevlekt, on- 
gelijk van grootte; de meeste boonen 


4 ; middelmatig. 

‚© |V. Tjigoegoer. 2000 | Ontvangen als boven.— Een deel der 

ej El boonen graauwgroen, een ander lichter, 

S tot geelachtig groen, sommige met 
fas) lichte vlekken, zeer ongelijk van 

_W grootte. 

> f VL. Tjiroke. 1700 f Ontvangen als boven. — Alle boonen 


gevlekt, meestal donker graauw-groen, 
deels lichter tot vuilwit, de meeste 
middelmatig, deels zeer groot. 


BY 


gte boven 
de oppervlak- 
te der zee 


Beschrijving der koffij, zooals die was 


E 
Namen der plaatsen. bij de ontvangst. 


< Hoo 


eo) 
® 
ct 
D 
| 


gevlekt, meer licht dan donker ge- 
kleurd; de meeste graauw-groenach- 
tig wit; meerendeels kleine boonen, 
de grootste middelmatig. 

VII. Baijoening. 2200 | Ontvangen als boven. — Meest alle de 
boonen gevlekt; de graauw-groene 
kleur overwegende; zeer ongelijk 
van grootte. 

IX. Tjiwalen. 2700 { Ontvangen als boven. — Bij uitstek ge- 
vlekt, vele meerendeels lichtgroen 
graauw met enkele donkere vlekken; 
zeer ongelijk van grootte. 

X. Soekasahari. 2000 | Ontvangen als boven. — Zeer weinig 
gevlekt; de meeste graauwachtig 
groen, watlicht, enkele graauwgeel, 
de meeste middelmatig, sommige zeer 
groot, 

XI. Mandirantjan. 1009 | Ontvangen als boven. — De lichtste 
van allen; grondkleur vuilgeel, met 
allerlei nuancen van grijs en graauw- 
groen op dezelfde boon; zeer ongelijk 
van grootte. 


Ee Malejbar. 3500 | Ontvangen 6 Januarij 1852. — De ach- 
| 


: Lingadjati. 1500 | Ontvangen als boven. — Alle boonen 


Ca Re B. ON: 


terkant der boonen vrij gelijkmatig 

graauw-groen, de voorkant met 

graauwgele vlekken; een mengsel van 
kleine en middelmatige boonen. 

XII. Pengilingan. 4400 | Ontvangen als boven. — Minder gevlekt, 
meer bruinachtig van tint, meer on- 
gelijk van grootte. 

XIV. Lembang. 3880 | Ontvangen als boven. — Zeer gelijk van 
kleur, ongevlekt, donkerder dan de 
beide vorige, bruinachtig van tint; 
vrij gelijk van grootte. 

XV. Tjiseroepan. 3770 | Ontvangen als boven. — Meer gevlekt 
dan die van Malejbar; kleur ongeveer 
als die van Pengilingan, maar ongelijk 
bij verschillende boonen; zeer ongelijk 
van grootte, 


PREANGER-REGENTSCHAPPEN., 


Vergeleken met de koffij van Sisir, zijn deze vier soorten 
(Preanger) bijna blaauw-grijs te noemen, en iets donkerder 
van kleur. 


498 


Graad van droogte. 


___Het watergehalte werd bepaald, kort na de ontvangst der 
koffij, en tevens op nieuw dat der drie soorten uit Malang, om 
_ te weten of het bestendig was gebleven. 

it De drooging geschiedde bij 106® C.; maar tot op 1209 C. 
r verliest de koffij nog eenig vocht. | 
De uitkomsten zijn als volgt: 


Watergehalte bij de ontvangst. - 


eos Van den pelmolen te Sisir. O1 
dl d ‚… de bevolking W. LL. haak Bane 
at ik gewone bereiding. 14,7 „ 
ae 
N= Gemiddeld dezer twee 14,1o/, 
R Van Genting. 13,1% 
Ec „ Tjigoegoer. 13515 
© … Tjiroke. 14,5 „ 
ie ‚‚ Lingadjatí. ’ | 14,5 „ 
jn ‚ _ Baijoening. 14,6 „ 
ee „ Tjiwalen. 16,1 „ 
6 „ Soekasahari. LAD, 
RE \ _, Mandirantjan. Pats 
4 | Gemiddeld _ 14,5% 
_=( Van Malejbar. 16,6°/, 
&) „ Pengilingan. ; 16,4 
5 ‚… Lembang. _ 144, 
EC  Tjiseroepan. eve 


Gemiddeld 15,8% 


ie Daaruit blijkt: 

| de. Dat de koffij uit de Preanger-Regentschappen het meeste 
ki water bevatte; dat die van Cheribon ongeveer gelijk staat 
met de twee soorten uit Malang, door de bevolking bereid, 
en dat die van den pelmolen te Sisir een derde minder wa- 
| ter bevat dan de laatstgenoemde. 

9e, Dat die van Sisir 2 proc. water meer inhield, dan voor onge- 
{veer zeven maanden, door het van tijd tot tijd kortstondig 
openen der flesch. 

Hieruit kreeg ik aanleiding, om te onderzoeken , welken in- 


500 


vloed het klimaat der plaats, waar de koffij bewaard wordt, op 
haar watergehalte heeft, onafhankelijk van het oorspron- 


kelijke. 
De uitkomsten zijn als volgt: é 
Watergehalte op den 2á4sten _Watergehalte op den Sden 
Januarúy 1852. Maart 1852. 


Bevolking W. I. 15,5, 
‚‚ gew. bereiding 14,9 „, 


Gemidd. der twee 14,2/, 


Boonen. 


5 (colin teSisir 8,8, 
CS 
Groote Kleine S 


Van Genting 16,2°/, 15,6°, 14355 
je ‚‚ Tjigoegoer. 16,1 „ 16,3 ,, 135% 
© | „ Tjiroke 16,1 „ 16,0, 15,9 7 
hs dingadiati al67:: bk 
5 ) » Baijoening TOE „0 100 
sl „ Tjiwalen 16,8, 16,5, E (Malejbar 16,7°/, 
U | , Soekasahari 16,7, 16,7, 5 | Lembans 15,4, 
‚ Mandirantjan 16,3 ,, 16,2, 5 Tjiseroepan 16,4 ,, 
== 


Gemiddeld 16,5%, 16,3 Gemiddeld 16,2, 


Zij toonen aan: 
Îe. Dat hier reeds na 22 dagen, enkel door het nu en dan 
openen der flesschen, bij al de soorten eene vermeerdering van 
watergehalte had plaats gehad, — en wel onafhankelijk van den 
oorspronkelijken graad van droogte, tot een bijna gelijk bedrag. 
Wat hieraan nog ontbreekt, is alleen een gevolg van het korte 
tijdsverloop tusschen de eerste en tweede waterbepaling. In- 
derdaad, schijnen de aanvankelijk droogere soorten minder vocht 
aangetrokken te hebben, dan de minder drooge, gelijk voor- 
al blijkt door de koffij van Sisir. 
Van deze deed ik den Sden Maart op nieuw eene waterbe- 
paling, en vond toen (bij 100°/, GC. graden gedroogd) 8,8%, 
dus 0,3%, minder dan twee maanden vroeger. 
2e. Dat het watergehalte op dezelfde plaats, bij minder regen- 
achtige dagen, weder kan afnemen, het meest bij de aan- 
vankelijk droogere soorten. 
Doch hierin maakt de Preanger-koffij eene uitzondering; 
3e. Dat er geen verschil in watergehalte bij kleine en groote 
boonen gevonden wordt, of althans spoedig verdwijnt. 


501 


Er is, naar deze uitkomsten, wel niet te twijfelen aan den 
_ invloed van het klimaat op het watergehalte der koffij, mis- 
schien zoo wel bij de oorspronkelijke drooging, als bij de 
E latere opschuring. Die invloed is echter voor het eerste geval 
ë van grooter gewigt. 

k Is op de plaats der bereiding de hoogte der temperatuur on- 
_ afgebroken en duurzaam genoeg, de lucht langen tijd hel- 
id der, dan ondergaat de koffij met de sterkere drooging, eene 
d inkrimping, die het later opnemen van water in de pakhuizen 
ij vertraagt. 

E De goede uitwerking daarvan op andere eigenschappen der 
Á koffij zal straks nader worden aangetoond. 

Daar de acht pelmolens in Cheribon, waarvan de onder 
_zochte koffij afkomstig is, allen op veel geringere hoogte liggen, 
__ dan de vier van de Preanger-Regentschappen, is de gemiddel- 
‚de temperatuur er hooger. Van daar dat het watergehalte dezer 
b Cheribonsche koffij iets minder is. | 

À Ik heb gepoogd te bepalen, hoeveel water de verschillende 
Ü koffijsoorten in zekeren tijd kunnen opnemen, bij ruimen toe- 
Ee gang der lucht onder ligte bedekking, met het doel om te we- 
eten, of ook dan het oorspronkelijke verschil in watergehalte 
4 der koffij van verschillende hoogte herkenbaar blijft. 

____De uitkomsten zijn als volgt: 


En rade { 

ZST jen) ES ebk 

em enne Se 2E 5 slo 

® ES 5 mn © ® vlo 0 
Le en > T ES | s> e 
IC > a ee sE 
. = 5 D re) GB) Sa Ee fab) 
Namen der Koffijsoorten. SEA rp 
a es | © En) Sja SG 
on 2 5 vp POD 55 

= © 2 a Sheng 

SES el Ie Banes 

ken eee Eeen 


Sisi. 9,1%, [90,99, 


k 14,8°/ [22,1% 
if Malang ‚W.L 13,5 E) 86,5 » 9,5 9 22,4 ’ 
k 3 gewone. tE ON 150 0 AZ Ao POR Pr 
__Tjiseroepan. DI Td Or ee 
Li Malejbar. 16,6 , 83,4 „ 6,5 ’ 22,9 ’ 
__Lembang. 14,4, 185,6, 9,1, 122,9, 
_ Tjiroke. 4 ZORG IO 1290 NAD Mi 6 DERDE 2e DA 
 Genting. tad N00 Potes 
__ Tjiwalen. \ LOE IN Ts 


ba Gemiddeld 22,4e/, 


502 


Daaruit is af te leiden, dat bij blootstelling der koffij aan de 
ruime inwerking der dampkrivgslucht, in een besloten gebouw, 
de oorspronkelijke verschillen in het watergehalte geringer wor-_ 
den. Vooral blijkt dit uit de koffij van Sisir, die in negen 
dagen geheel gelijk is gekomen aan het gemiddelde der Che- 
ribonsche, zoo dat het verschil van 33% geheel verdwenen is. 
Daarbij wordt dan een maximum bereikt, verre boven het 
geen de koffij op dezelfde plaats, doch in massa’s bijeenge- 
pakt, kan opnemen. 

De in verschillenden graad slechte uitwerkselen van deze 
ongehinderde wateropneming zullen straks nader worden aan- 


gewezen. 

Bij langere blootstelling aan de lucht, verloren zij allen aan 
gewigt, dat is aan water, blijkens de ondervolgende op- 
gave. 


Hoeveelheid water , door langere blootstelling aan de 
lucht behouden. 


om. |Z oom {5 
„nr IES ele Lal n 
Namen. PS Ie "El LAas IS vo 
ESE SE | Ege e 

Tess | Ag Efe = 
MEETELT PEET NE TAL EE TED LD 
Sisir. 9,7400 gr. 9,4910 gr. 2,56%, 
Malang W. I. 8,170% „0,399, | 8,0604 „|1,34,, 
„ _ gewone. 7.8750 …„… f0:64,, f- 7740 ETOS 
Tjiseroepan. 10,4229 „ 10,2440 „11,74, 
Malejbar. 8,1950 „ [0,49 , | 8,0260 „ [2,06 
Lembang. 16,1590. … 10,56 | GOMMERS 
Tjiroke. 9,140 „ 970T0 ETL OEN 
Genting. 9,7720 „10,29, | 9,5460 „12,40 „ 
Tjiwalen. 9,5900 „10,59 | 9,3900R 120 R 


_Den den dag, op de vorige bladz. als eindterm opgegeven , _ 
viel op den Î3den Februarij. 
Moeijelijk is het, juiste rekenschap te geven van de oorzaak 


if 
# 


Á 
À 
d 


505 


waardoor èn de aanvang èn de hoeveelheid van het latere vocht- 


verlies zoo verschillend was bij deze 9 koffijsoorten. Zij on- 
dergingen toch allen gelyktydig en op dezelfde plaats den in- 


vloed der lucht. Ongetwijfeld staat het in verband met den 


gang der schimmelvorming. 

Van hoeveel belang eene goede, digte afpakking is, onmid- 
dellijk na de drooging, om het weder opnemen van water te 
belemmeren, bleek mij uit de koffij van Sisir. Deze had, in 


eene blikken bus alhier bewaard, na 16 maanden, slechts een 
__watergehalte van f9,7/, bereikt. 


Digte afpakking in balen, of nog beter in vaten, is eene toe- 


‚ nadering tot het sluiten in eene blikken bus, en de vertraging 


in het wateropnemen wordt er dus evenzeer bij nadering 
door bewerkt. 
Het kwam mij voor, dat, hetzij ten gevolge van den oor- 


‚ spronkelijken droogingsgraad, of wel van de plaats van af- 


komst, bij deze koffijsoorten een verschil in de vastheid van 
struktuur moest bestaan, dat de latere wateropmeming eenigzins 
bepaalde. Om dit te ontdekken, heb ik de volgende soorten, na 
op 100° C. gedroogd te zijn, gelijktijdig van af den 20sten Januarij, 
onder ligte bedekking aan den invloed der lucht blootgesteld, 
en in achtereenvolgende perioden de wateropneming door het 
gewigt bepaald. 

Ik zal hieronder slechts de uitkomsten voor de laatste peri- 
oden opgeven. 


Vermeerdering van watergehalte na drooging by 100° C. na 


18 dagen (20 Januarú tot 7 February). 


Namen. Watergehalte in 100 deelen koffij. 
Sisir. iN BA 
> _ gewone. 20,8 „ 
Lembang. 20,8 „, 
Tjiseroepan. 20,6 „ 


504 


Namen. Watergehalte in {00 deelen kofij. 
Malejbar. Hs He 
Pengilingan. 20,6 „ 
Soekasahari. 25,05 
Tjiwalen. kij fi HE 
Genting. 20,5 
Tjigoegoer. 18,9 „ 
Tjiroke. 16,6 „ 
Mandirantjan. Mk 
Baijoening. 20,1 „ 


Gemiddeld. 201 


Zij toonen, onvolledig als zij zijn, aan: 

Îe. Dat, zelfs na een veel langer tijdsverloop, onder overigens 
dezelfde omstandigheden, een geringer maximum van wa- 
terdeelen was aangetrokken, dan voordat de koffij bij 
100e C. gedroogd, dat is, bijna watervrij gemaakt was. 

Zie hiervoren bladz. 501. 

Bij de laatste was, na negen dagen, het gemiddelde gehalte 
22,40/,; bij dezelfde soorten op 100, C. gedroogd, na achttien da- 
gen slechts 20,1. De wateropneming was hier tevens veel 
trager geschied. 

Je. Dat bij de vier Preanger soorten een bijna gelijk waterge- 
halte bereikt was. 

De uiteenloopende cijfers bij de Cheribonsche soorten schij- 
nen niet enkel in verband te staan met haar verschillend 
voorkomen. In de tweede afdeeling zal ik daarom berigt doen 
van de uitkomsten van een gelijksoortig onderzoek, ingesteld met 
Buitenzorgsche koffij, die door mij zelven is bereid op eene met 
de W.I. overeenkomstige wijze, ten einde te doen blijken, waar- 
uit dif verschillend water-opnemend vermogen bepaaldelijk kan 
afgeleid worden. 

Een te hoog watergehalte in de versch bereide koffij geeft 
aanleiding tot beschimmeling, kleurverlies, vlekken , vermindering 
van soortelijk gewigt (ligte koffij), en waarschijnlijk ook, einde- 
lijk, tot vermindering of verandering van geur en smaak. 


505 


1. Het beschimmelen der Koffij. 


Beschimmeling van organische voorwerpen is niets anders, 
dan eene vegetatie, een wasdom van de laagste plantensoor- 
ten, schimmels genaamd. 
Deze verschillen naar de hoeveelheden van wocht, licht en 
warmte, en waarschijnlijk ook naar de struktuur en zamenstel- 
| ling der voorwerpen, waarop zij groeijen; maar één voor- 
waarde geldt voor allen; er moet genoegzaam vocht zijn, om 
aan de stoffen, waaruit de schimmelplantjes zullen ontstaan en 
| gevoed worden, de vereischte bewegelijkheid te geven. Zon- 
der deze, kunnen zij zich niet tot nieuwe plantenvormen rang- 
schikken, maar blijven zamenstellende deelen van het organi- 
sche voorwerp. 

In de koffijzaden vinden wij alle stoffen, in eene groote ma- 
te, vereenigd, die, bij aanwezigheid van genoegzaam vocht, 
schimmels kunnen voortbrengen, van , zoo als ik bevonden heb, 
_ allengs veranderende vormen. Dit proces gaat gepaard met eene 
trapswijze vernietiging der eigenschappen, ten laatste met die 

van den vorm der koffij zelve. 

De koffijmonsters uit Cheribon en de Preanger-Regentschap- 

pen hebben zich, in dit opzigt, verschillend gehouden. 

De acht van Cheribon waren allen in zakjes of baaltjes ge- 
_ pakt; van de vier Preanger soorten was die van Tjiseroepan 
jn eene geslotene verzegelde flesch, en kon alleen die van Lem- 
É bang in het baaltje bewaard blijven. 

De eerste zijn sedert 23 December 1851 , de laatste sedert 
46 Januarij 11. in mijn bezit. 
_ Den 12den April waren deze 9 monsters allen reeds beschim- 
meld, die van Genting het meest; zij waren dit reeds omtrent 
_de helft van Februarij. Die van Lembang had een donker asch- 
_graauw voorkomen door het schimmelachtige stof, waarmede 
‚zij overdekt was. Eindelijk die van Sisir, bijna Î!/» jaar lang 
in eene blikken bus bewaard, waartoe de lucht langzaam toe- 
gang had, was nog niet zigtbaar beschimmeld; zij had echter 
niet meer de kleur, welke een ander gedeelte, in eene witte 


506 


glazen stopflesch aan het licht blootgesteld, nog behouden had. 
Boven (pag. 503) is reeds gezegd, hoeveel die koffij in waterge- 
halte was toegenomen. 

Den 22sten Februarij Il. heb ik het gedeelte der 13 koffijsoor-_ 
ten, dat van den dag der ontvangst af in glazen stopflesschen 
gedaan was, met elkander vergeleken, ten opzigte der beschim- 
meling. 

Dit was omstreeks zestien maanden, nadat de monsters van 
Malang, bijna twee maanden, nadat die van Cheribon, en Î 
maand nadat die der Preanger-Regentschappen ontvangen wa- 
ren. Zie hier de uitkomsten. 


Van Sisir. Geen spoor van beschimmeling; volko= 
men los. 

‚‚ Malang bevolk. WI. Idem, doch zamenklevend. 

5) 4 ‚… gewone Twijfelachtig, en zamenklevend. 

„ Tjigoegoer. Idem. idem. 

„ Genting. Begon te beschimmelen. 

„ Lingadjati. Idem. idem. 

„‚ Mandirantjan. Idem. idem. 

‚‚ Tjiwalen. lets meer. 

‚‚ _Paijoening. Aanmerkelijk beschimmeld. 

„ Lembang. Áls de vorige. 

„ Soekasahari. Iets meer. 

„ Pengilingan. Als de vorige. 

‚‚ Malejbar. Als de vorige. 

„ Tjiroke. “___Meer. 

„ _Tjiseroepan. Meest van alle. 


Deze opgave vergelijkende met die van het watergehalte 
dezer koffijsoorten, blijkt het, dat sommige , alhoewel minder 
droog, minder beschimmeld waren dan andere droogere. 

Doch die droogere waren tevens donkerder van kleur, dat é 
is, rijker aan bladgroen, hetwelk een vereischte tot rassche be- 
schimmeling schijnt te zijn. De twee graauw- en roodachtig 8 
_ gele uit Malang, door de bevolking bereid, hadden genoeg- Ë 
zaam al het bladgroen verloren. | 


507 


Eene meer opzettelijke proef omtrent de snelheid en graad 
van beschimmeling, bij ongehinderden, ruimen toegang der lucht, 
heeft dit nog meer doen uitkomen. 

Deze uitkomst is te beschouwen in verband met die der 
ke wateropneming , vermeld op bladz. 501. De meest beschim- 
# melde is onderaan geplaatst; en zoo opklimmend, even als 
op genoemde bladzijde, de na negen dagen, het meest water 
_ houdende onderaan geplaatst was. 


1. Van Sisir Een weinig. 
2. „ Malang. W.l. Bijna gelijk. 
A „ gewone Idem. 
s 4.  Tjiwalen. 
MS. „ Tjiroke. Weinig verschil. Van Lembang rondom 
6. „ Lembang. Id. [beschimmeld. 
7. „ Tjiseroepan. Id. 
8. „ Malejbar. Iets meer. 
Bn, Genting. Meest. 


| Bij de koffij van Tjiroke, Tjiseroepan en Genting, begon 
de beschimmeling op den 2den dag; bij die van Tjiwalen en Malej- 
í bar op den dden dag; bij die van Malang W.I. bereiding op den 
ij: Aden; bij do. gewone bereiding en bij die van Lembang op den 
EN Bden, en bij die van Sisir op den Ssten dag. Men heeft slechts 
À hierop te letten, dat de bleeke, gevlekte koffij van Tjiwalen , 
E ofschoon eerder beschimmeld dan die van Lembang, zulks op den 
ia Oden dag veel minder was. 

IE Hierbij is de invloed van het bladgroen bemerkbaar, even als, 
Ik bij vergelijking van die van Tjiwalen met die van Sisir, de gunstige 
4 invloed der meerdere droogte nog daarenboven blijkbaar was. 
à Doch elf dagen later was de zoo gelijkmatig gekleurde en 
bn drooge koffij van Sisir, het meest van allen beschimmeld, en 
werd daarin bijna geëvenaard door die van Lembang en Ma- 
Ë. lejbar, terwijl de twee andere soorten uit Malang van de bevolking 
ie slechts in geringen graad beschimmeld waren. 

Geen wonder, de twee laatste waren dit reeds bij of kort 


508 


na de bereiding in hoogen graad geweest, de drie eerste niet. 
Wij zien hieruit mede het verband tusschen de kleur der koffij, 
en hare neiging tot beschimmeling, en tevens de noodzakelijk- 
heid om, bij goede drooging, ook voor goede, digte afpakking 
te zorgen. (Î) 

Áls slotsom van dit gedeelte mijner onderzoekingen, meen 
ik de drie volgende punten als zeker te mogen stellen: 

1°. Bij even groene of even donker gekleurde koffijsoorten 
ontstaat beschimmeling het eerste in de meest water- 
houdende. 

20, Bij even waterhoudende koffijsoorten ontstaat beschim- 
meling het eerste in de meest groene of meest donker 
gekleurde. 

90. Gele veel waterhoudende koffij beschimmelt minder en 
minder snel, dan groene of donker gekleurde droogere. 
Hoe drooger, des te donkerder kan zij zijn, zonder spoedig 
te beschimmelen. 

Onwillekeurig is hierbij, even «als vroeger het waterge- 
halte, de beschimmeling in verband gebragt met de kleur der 
koffij. Dit onderwerp verdient thans eene nadere ontwikke- 
ling. 


HM. De kleur der koffij. 


De stof, die hier, gelijk aan alle bladen en van bladen ge- 
transformeerde planten-organen, de eigenaardige kleur geeft, 
is het bladgroen. 


(1) Uit een wetenschappelijk oogpunt, is het tevens merkwaardig, dat 
de schimmelplantjes, bij deze gelegenheid gevormd, niet alle van de- 
zelfde soort waren. 

De tijd verbood mij, dit in voldoende mate mikroskopisch te onderzoe- 
ken. Ik voer hier hier slechts aan, dat de koffij van Lembang rondom 
gelijkmatig bedekt was, met blaauwgroene, lange schimmels; die van Tjiroke 
stonden meer in afzonderlijke bosjes bijeen, waren korter en niet blaauwachtig; 
die van Genting zuiver groen, endie van Tjiwalen waren kort, graauwwit en 

meerendeels van Kleine ronde knopjes voorzien (sporangia). 


509 


In anders dan groen gekleurde deelen, b. v. de bloemen 
en de schillen der vruchten, komt zij wel niet als bladgroen 
voor, maar zij is er toch de oorspronkelijke bouwstof van. 

Gelijk reeds uit de groote verscheidenheid der kleuren in 
het plantenrijk is op te maken, is deze stof voor velerlei ver- 
anderingen vatbaar, dat is, uiterst ligt ontleedbaar, waarbij 
chemische invloed en chemische veranderingen plaats hebben. 

Immers het feit alleen, dat de kleur anders wordt, duidt 
op eene verandering van stof; want zonder deze, zou de te- 
rugwerking op het licht, de ontleding de zonnestralen, niet 
kunnen veranderd worden. 

Het isde invloed van het zonnelicht, die de vorming, en, bij 
de groeygende plantendeelen, het blijvend bestaan der groene 
plantenkleur bewerkt. 

Door behulp der vochten in de planten, bij vrije inwer- 
_ king des lichts, wordt er onophoudelijk nieuw bladgroen ge- 
vormd. 

Die nieuwe hoeveelheid staat, bij volwassene- bladen, onge- 
veer gelijk met die, welke onophoudelijk uit dezelfde bla- 
den verwijderd wordt, door den ontledenden invloed des 
lichts; eene verwijdering, die voor het leven der planten 
noodig is. Bij jonge bladen wordt steeds meer bladgroen 
gevormd, dan verloren; dit is noodig voor het toenemen van 
den groei. 

Vruchten zijn getransformeerde bladen. Jonge vruchten ver- 
houden zich ten opzigte van het bladgroen, als jonge bladen; 
_ ouder wordende, bevatten zij hoe langer hoe meer van deze 
stof. Onripe koffijzaden worden dus minder donker groen, 
en moeten, onder gelijke omstandigheden, de kleur eerder ver- 
liezen, dan rijpe. 
| Bij verre de meeste vruchten, gaat het bladgroen bij de 
rijpwording, in eene andere kleur over; zoo ook in het be- 
kleedsel der koffijvrucht. 

Maar in de kern, die tot het laatste toe van den dadelijken 
toegang des lichts is afgesloten, blijft de grondstof van het 
_ bladgroen, zelfs tot aan de rijpwording toe, in den toestand, 


510 


waarin zij nog voor groen worden vatbaar is. Versch gepelde 
koffijzaden zijn bijna wit, doch worden spoedig parelkleurig: 
die kleur kunnen zij lang behouden, zoo men ze op eene 
koele, volkomen donkere plaats bewaart. 

Alzoo vermeld hebbende de groote veranderlijkheid dier stof 
en tevens die van hare kleur, is het naauwelijks noodig te 
zeggen, dat zij, bij organische voorwerpen, die niet meer 
in staat van groeying zijn, allengs eene andere kleur aan- 
neemt; te eerder naarmate de oorzaken harer verandering, 
(vocht en zonnelicht) te zamen, in ruime mate, op haar kun- 
nen inwerken. Zoo lang de koffij aan den boom bevestigd 
is, krijgt zij er aanhoudend nieuwen toevoer van; afgeplukt 
zijnde, houdt die toevoer op; en de kleur, die de koffij 
na het droogen en gedurende het bewaren, allengs aanneemt, 
is een uitwerksel van de wijze, waarop het bladgroen verder 
ontleed wordt. Geschiedt die ontleding snel, dat is, onder 
medewerking van veel vocht, dan heeft er beschimmeling 
plaats ten koste van de hoedanigheid van het bladgroen , waar- 
bij de groene kleur in eene vuilwitte of geelachtige overgaat. 
Pas afgevallene bladen nemen, langzaam verdroogende en 
droog blijvende, meestal eene bruine of bruinachtig gele 
kleur aan, die echter bij koffijbladen zeer langzaam tot stand 
komt; maar op vochtige plaatsen, vooral in het donker, 
beschimmelen zij spoedig, en doorloopen verschillende nuancen 
van kleuren. 

Uit het bovenstaande blijkt, welk verband er bestaat 
tusschen de beschimmeling en de kleurverandering der koffij. 
Eenige eenvoudige waarnemingen, die ik daaromtrent gedaan 
heb, zullen de waarheid van het gezegde als handtastelijk 
maken. 

Zij volgen hieronder. 

De negen koffijsoorten, waarvan op bladz. 501 de gang der 
verandering in vochtgehalte, en op bladz. 507 die der schimmel- 
vorming ‘is aangegeven, hadden op laatstgenoemde datum (2% 
Februarij), dus na 20 dagen, de volgende veranderingen in 
kleur ondergaan. 


51 


| Van Sisir. Slechts groene vlekjes overgebleven; gea- 

derd; het donkere ineensmeltend met 

geelachtig groen. 

Malang W.L. Geen spoor van groene tint meer; hooger 
geel; geringe overblijfsels van groen aan 


mi) 


regen 


eene zijde. 


Dn 

Fi … __„ gewone. Geel, hooger van tint, dan de vorige. 

Ë „ Fjiseroepan. Het blaauwachtige in zuiver graauw ver- 
E anderd, met gele en geelbruine vlekken. 
Ë „ Malejbar. Graauwwit, nog een weinig blaauwe tint; 
iá de lichtere partijen zijn geel of geelach- 
ij tig geworden. 

Ë > Lembang. Het bruinachtig graauw overgegaan in ver- 
ú schillende lichtere nuancen, met geel- 


achtige puntjes. 

Me, Tjiroke. _ Enkele boontjes onveranderd; bij de mees- 
Ki te zijn, de bleekgroene vlekken licht- 
bp groenachtig tot oranje-geel geworden, 
en meer uitgebreid. 

ie „ Genting. Bijna alle boonen vuil oranje geel, met licht- 
groenachtig - graauw deels vermengd 
deels gevlekt. 

n Tjiwalen. Zeer gevlekt, witgeel, met graauwgroen; 
deels de gele, deels de groenachtige 
tint in overmaat. 


Ë In het algemeen hadden de donker gekleurde de meeste ver- 


* 


andering ondergaan, waarschijnlijk, omdat de lichtere die ver- 
anderingen reeds vroeger hadden doorloopen. 

jj Alles duidt hier op eene verandering, welligt ook wvermin- 
dering van de stof, die de oorzaak is van de groene kleur 
der koffij en wel ten gevolge der beschimmeling, onder den 
in vloed van het ingesloten vocht. 

ik Dat het wel wezenlijk het laatste en niet het licht is, waar- 
door dat verlies van kleur ontstaat, blijkt uit de eenvoudige 


ke 


ak dat de koffij van Sisir, met slechts 7°, water, 16 


512 


maanden lang in eene geslotene witte flesch aan het licht bloot- 
gesteld, niet merkbaar in kleur verloren had, terwijl een an-_ 
der gedeelte, even lang in eene blikken bus bewaard, een’ geel-_ 
achtigen tint had aangenomen, en tevens tot een watergehalte 
van 13,7% geklommen was. 

Onder de 14 andere monsters (waaronder de Cheribonsche 
en de Preanger slechts ongeveer 2 maanden lang, evenzeer in- 
geslotene witte flesschen, aan het licht waren blootgesteld), had 
bij al de Cheribonsche het geel de overhand gekregen. Linga- 
djati en Baijoening , maar vooral Mandirantjan, waren bijna ge- 
heel vuilgeel geworden. 

Ook de Preanger hadden gele tinten gekregen; het meest 
Tjisoeroepan, het minst Lembang en Pengilingan. Lembang 
had, bij de laatste vergeleken, nog een’ bruinachtigen tint; de 
laatste was, op de donkere plaatsen, zuiver graauw. 

Nog een ander opmerkelijk verschil bestaat er bij dezelfde 
koffijsoort, tusschen de groote en Kleine boonen, namelijk, 


dat de laatste steeds donkerder en minder gevlekt zijn. Hier- & 


bij komt nog, dat dit verschil, in den regel, geringer is, naar- 
mate de boonen zelve minder ongelijk van grootte zijn (ik zal 
de hiertoe betrekkelijke beschrijving kortheidshalve terughou-_ 
den). j 

Hoe minder verschil in kleur tusschen groote en kleine boonen 
(dat in zekere mate met het verschil in grootte zamenhangt) ‚_ 
hoe beter de koffij gedroogd is geweest. 

Echter is, bij slechte drooging voor koffij van een warmer 
klimaat, steeds grooter verschil in dit opzigt te wachten. 

Maar door beschimmeling ontstaan ook veranderingen in de 
stof der koffij, die zich niet door de kleur verraden en er 
toch mede in verband staan, Is beschimmeling eene vegetatie, ten / 
koste van de hoedanigheid der koffij, waarbij het bladgroen 
van kleur verandert, dan moet daarbij eene volume-verandering 
plaats hebben in het celweefsel, dat als het ware het skelet 
van het zaad uitmaakt. Dit moet zich verraden door eene ver- 
andering van 


513 


HI Het soortelijk gewigt der koffij. 


Over dit onderwerp heb ik eene reeks van onderzoekingen 
6 gedaan, die voor bijnaalle de behandelde monsters verschillende 
uitkomsten gaven (1). Daarbij vertoonde zich een doorgaand ver- 
$ band tusschen de grootte of het zoogenoemde absoluut gewigt, 
de Kleur, de beschimmeling en het watergchalte. 

Ik zal eerst naar de uitkomsten verwijzen, verkregen van de 
Ë koffijsoorten, zoo als ze mij zijn toegezonden, dat is, gemengd, 
| en ook van de groote en Kleine boonen afzonderlijk. 


Namen. Hek el Groote. Kleine. 
kander. 
Beep ( Pelmolen te Sisir. 124,1 124,5 129,1 
Â5 | Malang W. 1. 106,3* 101,3 113,0 
5 5 gewone. 100,0* 91,3 107,9 
$ Genting. 113,3 _ 110,0 114,5 
 £\ Tjigoegoer. 4150 4140 rn 414,7 DD 
5 | Tjiroke. 1e 108 bar 150 1 feD 
B / Lingadjati. 106,1 * 1009 114,8 Te 
5 | Baijoening. 108,2* 110,1 106,8 5 
e= f Tjiwalen. 110,2* 108,9 111,4 e 
Of Soekasahari. zE Oe | 1 12,9 5 
__\ Mandirantjan. Â0z Oe dû de O6 A 
iks: Pengilingan. 1205: … 121,2: „419,6 EN 
ep} Lembang. SO A LA Der ae We OP E 
_& } Malejbar. 119,8 118,7 118,9 IS 
& \ Tjiseroepan. 116,9 * 1128 119,4 Kf 


De met“ geteekende gaven onzekere uitkomsten, deels meer, 
deels minder dan de hier medegedeelde cijfers, en wel tus- 
j 

schen de limiten van Η3. De ongelijke verhouding van groote 


re Hierbij moet ik mededeelen, dat de getallen, op de tabel voorkomende, 
KS. betrekkelijk ed zijn, datis ten opzigte van elkander, en daarvan heb 
ik mij door herhaalde proeven verzekerd. 

Ai Naarmate men water, olie of alkohol bezigt om deze wegingen te doen, 
tom: men bij herleiding op gedestilleerd water, voor dezelfde koffij door- 
gaans verschillende uitkomsten. 

_ De bovengenoemde zijn, op een paar uitzonderingen na, door weging in 
gedestilleerd water verkregen. 


B Re 38 


514 


en kleine boonen in de onderzochte hoeveelheid , was daarvan 
de oorzaak ; en bij deze was dan ook het onderscheid in soor- 
telijk gewigt van de groote en kleine zeer aanmerkelijk. 

Er is eene niet te miskennen toenadering tot een gemid- 
deld soortelijk gewigt, dat verschillend is voor de koffij der drie 
residentiën, afgeleid uit dat der kleine boonen, die bij de on- 
volkomen gedroogde in den regel meer bestendig van hoe- 
danigheid zijn gebleven. | 

De twee Malangsche soorten, van de bevolking, als beneden 
alle vergelijking slecht bereid, heb ik hierbij buiten rekening 
gelaten. 

De vraag, of dit verschil is toe teschrijven aan de struktuur 
der nog groegende koffij, en dus aan den invloed van het kli- 
maat op de plant, dan wel aan dien invloed gedurende de be- 
reiding der koffij, of ook aan de bereidingwijze zelve, deze 
vraag heb ik getracht te beantwoorden , door versche roode koffij 
uit Buitenzorg, op verschillende wijze en tot een verschillend 
watergehalte door mij gedroogd, op het soortelijk gewigt te 
onderzoeken (rie 2de Afdeeling.) 

Het is opmerkelijk, in verband hiermede, dat blijkens bladz. 
BOL ook het watergehalte voor de koffij der drie residen- 
tiën eene verschillende grens heeft, en dat de koffij, van dek 
Preanger-Regentschappen zich door eene blaauwachtige tint ken- 
merkt. Deze tweg eigenaardigheden zijn ongetwijfeld het uit- 
werksel van den invloed van het klimaat op de koffij, onder: 
bereiding zijnde. 

Het verschil tusschen het soortelijk gewigt van de groofe en’ 
kleine boonen, is in de koffij van Tjiseroepan veel grooter dan: 
in de drie andere Preanger soorten en tevens in omgekeerde 
orde van twee daarvan. Zij is ook de meest gevlekte van de 
vier. En toch ligt Tjiseroepan op veel geringere hoogte dan 
Pengilingan. Ö 

Ofschoon al de onderzochte koffijsoorten, op een na, zwaar- 
der dan water waren, was toch bijna in alle eene zeer 
verschillende hoeveelheid van drijvende boonen. Ik heb bevon 
den dat de verhouding, kort na de ontvangst, was als volgt: 


Onder 200 stuks waren: 


} Koffij van Drijvende Zinkende 
Lt sf Sisir. 0 200 
S ©J Malang W. I. Ah 156 
8 all E gewone. 127 73 
Genting. 5 195 
3 Tjigoegoer. a) 197 
_ © \ Tjiroke. JJ 167 
5 AQ Y Lingadjati. 93 178 
__ 4 Baijoening. | 169 
B 2 /. Tjiwalen. 40 160 
jg f_ Soekasahari. 12 188 
__Mandirantjan. 42 158 
5 Malejbar. 5) 197 
ep } Pengilingan. 1 199 
s Lembang. 0 200 
<5 ( Tjiseroepan. , 197 


Hierbij zij aangemerkt, dat ten tijde van dit onderzoek, 
de koffijmonsters uit Cheribon en de Preanger Regentschappen 
„pas ontvangen, en dus in veel gunstiger omstandigheden wa- 
ren, dan de overige drie, welke reeds meer dan een jaar 
aan het Laboratorium bewaard waren. 

Blijkens de opgave op bladz. 497 en 499, hadden Genting en 
Tjigoegoer de donkerst gekleurde koffij geleverd, onder de 
Cheribonsche, en ook ten opzigte der zwaarte kwamen zij met 
‚de Preanger bijna overeen. | 
ie Doch even als de koffij van Lembang, ofschoon al de boon- 
tjes in ’t water zonken gelijk die van Sisir, en in het geheel 
„de Preanger koffij (blijkens bladz. 513), minder soortelijk ge- 
Swigt had dan die van Sisir, zoo was die van Genting en 
“Tjigoegoer op hare beurt minder zwaar dan de Preanger- 
soorten. 

Om te ontdekken, of dit verschil bestendig was, of wel 
het gevolg van eene voortgaande vermindering in zwaarte, deed 
jk den 13den Mei, dat is ruim 2'/, maanden later, op nieuw de 
verhouding van drijvende en zinkende boontjes bepalen (de koffij 
van Sisir, waarvan ik het soortelijk gewigt zoo lang na de 
bereiding bepaald heb, mag geacht worden, daarin niet merk- 


516 


baar verloren te hebben: zulks zal nader blijken bij vergelij- 
king met de door mij zelven versch bereide en goed gedroog- 
de koffij van Buitenzorg). 
De uikomsten van dit tweede onderzoek waren als volgt: 
Onder 200 stuks waren: 


Koffij van _ Drijvende. Zinkende. 
4esf Sisir. 0 200 
9 © Malang W. I. 104 96 
Zi … gewone. 126 7Á 
Genting. 40 160 
e Tjigoegoer. 84 116 
© Tjiroke. 52 148 
Gr Lingadjati. 90 110 
an Baijoening. 40 160 
< f_Tijiwalen. 82 118 
zj | Soekasahari. 114 86 
\_Mandirantjan. 58 142 
K Malejbar. 2 198 
ep / Pengilingan. 0 200 
5 Lembamg. 3 198 
5 ( Tjiseroepan. 16 184 


Deze cijfers spreken duidelijk. 

De koffij van Sisir is bestendig gebleven; drie der Preanger- 
soorten mede; doch het zeer korte tijdsverloop , met den duur 
van bestendigheid der Sisir-koffij vergeleken , in aanmerking 
nemende, en ook de blijkbare zwaarte-vermindering van die 
van Tjiseroepan, is eene langzame afneming bij al deze soor- 
ten meer dan waarschijnlijk. Eene proef met zout water zou 
dit bewezen hebben. 

Eindelijk , de Cheribonsche hebben alle in zwaarte verloren; het 
meest die van Genting, Tjigoegoer, Lingadjati en Soekasahari, 
welke vroeger de zwaarste onder deze waren. 

Het verband tusschen deze vermindering, het kleurverlies 
en de beschimmeling, vroeger van deze Cheribonsche koffij 
monsters vermeld, springt in het oog. J 
__De hoofdoorzaak van dat alles was een fe groot waterge- — 
halte, en de reden waarom het nog grootere watergehalte der 


517 


Preanger koffij aan deze minder kwaad heeft gedaan, acht ik 
eenigzins verklaarbaar, door het koudere klimaat, waardoor 
in deze koffijsoorten onder de bereiding, het bladgroen en 
de eiwitstof in hare eerste ontbinding vertraagd zijn. 

De Malangsche koffij, van gewone bereidingswijze, schijnt 
de grens van uitzetting bereikt te hebben, en dus voor geene 
vermindering van hoedanigheid meer vatbaar te zijn. 

Dit feit, in verband met andere, reeds vermelde hoedanig- 
heden, spreekt niet ten voordeele van deze bereidingswijze. 

De vermindering in soorteljk gewigt (zwaarte) is een gevolg 
der uitzetting of opzwelling, en daar deze bij de kleine boonen 
het geringste is, wordt de ongelijkheid der koffij er merkelijk 
door vergroot. Dit, en de meerdere ruimte die wordt inge- 
nomen, ook door de groote boonen op zich zelve, door eene 
ligtere stof (het water) uitgezet, is oorzaak, dat in eene ge- 
gevene ruimte, een zeer verschillend gewigt dezer koffijsoor- 
ten kan bevat worden, gelijk blijkt uit de volgende uitkomsten. 

Een vrij naauw glas, dat 205 wigtjes gedestilleerd water kon 
bevatten, werd met elk der koffijsoorten gelijkmatig gevuld, 
de oppervlakte gelijk gestreken, en de inhoud gewogen. 


Namen. Gewigt. 
Van Sisir. | Î43 wigtjes. 
„… Malang W. I. AIS 
KE, 4 gewone. 10 ons 
‚ Genting. 1e) PER e5 
„ _Tjigoegoer. NAR En 
N, Tjiroke. Phn vert a 
„ __Lingadjati. MAAR ss 2 
… _Baijoening. Minas 5 
8, Tjiwalen. j Hf EDEN 5 
‚ Soekasahari. 100: En 
…‚ _Mandirantjan. HO8 IT 
„, _Malejbar. POR Nn: 
„ Pengilingan. 1 NEVER se 
„ _Lembang. BAO oel 5 5 
_„ Tjiseroepan. rs phi osn 


Die van Sisir had dus verre weg het grootste gewigt; die uit 


518 


Cheribon het minste (de twee andere uit Malang buiten aan- 
merking latende). | 

Ook hier vinden wij weder een vrij standvastig verschil , 
tusschen de soorten uit de drie residentiën, gelijknamig met 
de vroeger aangetoonde, in het gemiddelde. 

Deze wegingen zijn geschied, ongeveer gelijktijdig met het 
eerste straks genoemde onderzoek naar de verhouding der drij- 
vende boonen. 

De vermelde uitkomsten van het latere onderzoek hieromtrent 
doen het als zeker schijnen, dat de ongunstige verhouding, 
vooral der Cheribonsche koffij, met den tijd nog ongunstiger 
wordt. 

Afgescheiden van de meer wezenlijke hoedanigheden, waar- 
mede gelijkmatigheid van grootte der koffij in verband staat, 
ìs dit niet zonder belangrijken invloed op de scheepsruimte bij 
het transport. 

Immers dezelfde ruimte waarin 100,000 pikols koffij, gelijk _ 
die van Sisir, kunnen geborgen worden, zal slechts bevatten — 
86,700 pikols Preanger koffij en 79,000 pikols koffij uit Che- 
ribon; beide laatste cijfers zijn maxima, daar, naarmate deze _ 
onvolkomen gedroogde koffij langer naar de inpakking wacht, 
zij ook allengs meerdere ruimte zal noodig hebben. | 

Wij zien dus, dat eene slechte of onvolkomene drooging 
van koffij, bij de bereiding, alsmede eene slechte afpakking of 
opschuring, ook deze gevolgen heeft: 

1°. Dat zij er door verliest in soortelyk gewigt, in hoeda- 

nigheid van zwaarte (en dus ook in marktwaarde ); dat # 
ten gevolge daarvan: 

20. voor hetzelfde gewigt meer scheepsruimte noodig is, 

en 

90. ook werkelijk een deel harer eigene zelfstandigheid als 

schimmels te loor gaat, waardoor een direkt verlies aan 
gewigt en hoeveelheid ontstaat. 


519 


Om eene nog duidelijker voorstelling te krijgen van het 
verband tusschen de beschimmeling der koffij en haar verlies 
in soortelijk gewigt (zwaarte), heb ik van de koffij, vroeger 
ter beschimmeling overgelaten, het soortelijk gewigt op nieuw be- 
paald, waarvan de uitkomsten hier vermeld zijn. 


Soortelijk gewigt 
Namen. Oorspron- Nadebe- Verlies. 
kelijk. schimmel. 


Sisir. 124,1 118,5 5,8 
Lingadjati. 106,1 103,5 2,6 

__ Malang gewone. 100,1 92,6 7,4 
Biss, W.L 106,3 101,4 4,9 
Tjiseroepan. 116,9 112,9 4,0 
Malejbar. 119,8 115,6 4,2 
Soekasahari. 111,6 104,1 7,5 
Lembang. 119,5 119,4, 0,1 
Pengilingan. 120:5: 449,1 1,4 
Tjigoegoer. 115,0 108,5 6,5 

_ Tjiwalen. 110,2 108,0 2,2 
Mandirantjan. 107,6 195,0 2,6 

| Tjiroke. 113,3 4 108840 21, A48 
Ë Genting. 113,3 109,3 4,0 
_ Baijoening. 108,2 105,9 9.3 


Deze, bij verre de meeste aanzienlijke, vermindering in 
__ zwaarte, was ontstaan, toen de koffij slechts 25 tot 29 da- 
8 gen aan beschimmeling had blootgestaan. 
Opmerkelijk is het, dat de reeds zoo ligte koffij uit Ma- 
F lang, van gewone bereidingswijze, daarbij nog ( nevens die 
_ van Soekasahari ) het grootst verlies in zwaarte (uitzetting ) 
ondergaan had. 

De koffij van Lembang was zeer weinig uitgezet geworden, 
en dus het soortelijk gewigt bijna niet verminderd door de 
_ beschimmeling. Ik moet dit, behalve aan de hooge ligging, 


_520 


deels toeschrijven aan den (betrekkelijk ) grooten ouderdom 
van zeer vele koffijboomen, nabij Lembang; vruchten van 
zulke boomen zijn in den regel van een vaster weefsel, dan 
andere. Immers de koffij van Malejbar en Tjiseroepan, of- 
schoon minder beschimmeld dan die van Lembang, had veel — 
meer in zwaarte verloren, en beide zijn op bijna dezelfde E 
hoogte gegroeid; terwijl die van Pengilingan, dat op veel 
grootere hoogte ligt, zich meer had uitgezet dan die van 
Lembang. Doch het is ook zeer waarschijnlijk, dat de Pre- 
anger koffij, door haar groot watergehalte, die uitzetting (en 
het gevolgde verlies in zwaarte) reeds vroeger had on- 
dergaan, welke die van Sisir eerst nu ondervond. 
Pe skan dergelijk onderzoek met de groote en kleine boonen af- 
zonderlijk gedaan, heeft mij getoond, dat in het algemeen, 
de Kleine door beschimmeling minder in soortelijk gewigt of 
zwaarte afnemen, dan de groote. 

Eindelijk heb ik getracht te bepalen in welken graad elke 
dezer koffijsoorten vatbaar was voor vermeerdering van soor- 
telijk gewigt, dat is voor inkrimping, na dat zij, door droo- 
ging bij 100°. C. van bijna al het water beroofd waren. 
Ook hierin heb ik verschillen gevonden, die geheel in over- 
eenstemming zijn met de overige, vroeger reeds aangewezen. 

De uitkomsten zijn als volgt: 


Soortelijk gewigt. 


Namen. Oorspron- Water- lan 
kelijk. vrij. 

Pelmolen te Sisir, 124,1 130,7 6,6 
Malang gewone. 100,0 99,1 — 
5 MAND 103,4 105,4 2,0 
Tjiseroepan. 116,9 123,4 6,5 
Malejbar. 119,8 122,4. 2,6 
Lembang. 119,5 126,4 6,9 
Tjigoegoer. 115,0 117,6 2,6 
Tjiroke. 113,3 117,3 4,0 


Genting. 143,30 AA 1E 3,8 


521 


Zij leeren, dat onder deze negen soorten, de drie donkerst 
gekleurde het meeste waren ingekrompen, en zij daarin 
ougeveer gelijk stonden. Dit schijnt aan te toonen, dat de 
koffij uit de Preanger oorspronkelijk vaster van weefsel is, 
dan die uit Malang. 

Deze meer donkere soorten hadden dus bij de drooging min- 
der lucht voor het verlorene water opgenomen, dan de lich- 
ter gekleurde. 

De eigenlijke beteekenis van eene goede drooging der koffij 
is in deze woorden zamen te vatten. 

Daardoor wordt aan het zoo veranderlijke bladgroen ( en 
de eiwitstof) eene voorwaarde tot verandering ontnomen; 
alle nieuwe vegetatie (beschimmeling) wordt onmogelijk ge- 
maakt, en zelfs de invloed van het licht kan geene verande- 
ring te voorschijn roepen. 

Dit is duidelijk gebleken uit de reeds boven vermelde 
verschillende verhouding der koffij van Sisir in eene volko- 
men geslotene witte glazen flesch, en eene niet volkomen slui- 
tende blikken bus. 

En toch was in de laatste de langere duur van den in- 
vloed eener goede drooging daarin merkbaar, dat zij ongevlekt 
was gebleven. 


__ De algemeene indruk, door de medegedeelde onderzoekin- 
; gen bij mij te weeg gebragt, is deze: 

Zoo de koffij van den aanvang af, goed en onafgebroken 
wordt gedroogd, en wel op de W.L. of eenige daarmede 
_overeenkomsige wijze, dan is het doenlijk, om van alle plaatsen 
van Java fraage, in Europa het duurst betaalde koffij te be- 
komen, van bijna even goede uitwendige hoedanigheid. 

Doch indien dit eerste vereischte verzuimd wordt, indien 
_men de eerste schadelijke oorzaak , wochtigheid , in wezen laat, 
dan komt de invloed van plaatselijke omstandigheden , klimaat 
hoogte, temperatuur ‚in werking. Dit doet de koffij anders uit- 
_ vallen, of zoo men wil, de verschillende soorten ontstaan, die 


532 


men (naar ik geloof ten onregte ) onafscheidelijk acht van de 
plaats der bereiding. | 

Volgens een, vroeger door mij ontvangen berigt van een’ _ 
bevoegden koffij-makelaar in Holland, zou koffij, die men een jaar 
of langer op Java laat, om den smaak te verbeteren, eenen mer- 
kelijk hoogeren prijs halen, indien zij daarbij de groene kleur 
behield. Die, welke den besten smaak hebben, zijn bijna alle 
bruine en gele soorten: bonte en roode koffij is weinig gewild. 
Wij hebben gezien, dat die van Cheribon alle gevlekt zijn of — 
spoedig worden; ook, ofschoon minder, die der Preanger-Re- 
gentschappen; bont is mede de koffij van Kadoe, en vermoe- — 
delijk al die koffij, welke door drooging in de roode schil 
bereid wordt. 


Na den afloop der bovengenoemde onderzoekingen, heb ik 
gemeend, niets beters te kunnen doen, dan versche koffij van _ 
Buitenzorg, door mij zelven bereid, en op verschillende wijzen 
gedroogd, op het watergehalte, het soortelijk gewigt en de la- 
tere vatbaarheid tot opneming van water te onderzoeken, met 
beschrijving der kleur, niet alleen onmiddellijk na de bereiding, 
maar ook na voortgezette ruime inwerking der-lacht; het waar- 
schijnlijk achtende, dat zulk een ruime inwerking voor kor- 
ten tijd tamelijk gelijk staat aan eene beperkte inwerking voor 
langeren tijd (gedurende den overvoer naar Nederland). Ì 

Daardoor hoopte ik de volgende vragen, vroeger reeds ter 
loops behandeld, met daadzaken te kunnen beantwoorden. | 

1°. Welken invloed heeft de bereidingswijze op de hoedanig- 

heid der koffij. | 
2°, Moet men, bij het droogen der versche koffij, invloed 
toekennen aan het klimaat der plaats, waar zij gedroogd _ 
wordt. ä 
J°. Is die invloed alleen bij onwolkomene of ook bij goede — 
drooging werkzaam. “ 
he, In geval van het laatste, kan men dan daarin voorzien, ; 


523 


door kunstmatige drooging , zonder nadeelige werking op 
de blijvende hoedanigheid der koffij. 
5°, Is die in het laatste geval met voordeel aanwendbaar 
voor plaatsen, op groote hoogte of in een zeer vochtig kli 


maat gelegen. 
De verkregene uitkomsten doen zien: 


1°. Tot welken graad van droogte versch bereide koffij in het 
zeer vochtige klimaat van Buitenzorg te brengen is, door 
blootstelling aan de zonnewarmte in bepaalde tijdruimten, 
zoo wel in de roode, als in de hoornschil. 


Waterverlies door drooging in de zon. 


hoornschil. 


Watergehalte op 100° C. In 
bepaald. de 
13 uren in de zon gedroogd. 
, 21 ’ 2 ) » 26,9%, 
25 ’ ” ’ ’ 17,6 ’ 
39 1 ’ ’ 2 10,8 ’ 


52 ’ 2 2 ’ 7,5 DE) 


|_ Zonder 


Thermometerstand in de zon. 


Oe aren am. bijnasal? C.= Si E. 


1 OPE ee ne 
CE, RD ss 
ME elk Bs BE 
1. … p.mbijna 34° „ 
ZN ENDE 2 RA 


_ Daaruit blijkt, dat in het minimum 


weerwil van het verschil van klimaat. 


OD, 
„… 89,6° 
… 91,49 
„…92,6° 
ede 
Oe 


2 


In de roo- 
de schil. 


10,29, 
8,4, 


van watergehalte geen 
verschil bestaat voor de afdeelingen Malang en Buitenzorg, in 
Doch hetis zeker, dat 


bh 


de koffij in Malang, in korteren tijd tot denzelfden graad van 
droogte kan gebragt worden, dan te Buitenzorg, wegens het 
mindere watergehalte der lucht, bij dezelfde temperatuur. Tij- 
dens mijn verblijf te Sisir (in September 1850) was er in vier 
dagen slechts eens en nog wel zeer weinig regen geweest. 
De thermometer stond er ten 8 uren a. mm. 211/,° Cd 
Hera ters 28/ „ 

In Oktober, in 2 a 3 dagen geen spoor van regen, en in 
den koffijtuin Weoedoeng, op de lagere helling van den Ardjoe- 
no boven Sisir, wees de thermometer ten 81/, uren a. m. 25/o C. 
een hoogte van temperatuur, aan de terugkaatsing op dezen 
hellenden , met steenen bedekten wadas-grond toe te schrijven. — 

Het gemiddelde mijner waarnemingen te Buitenzorg, van den 
sten April tot den töden Mei 1852, heeft gegeven, voor de 
temperatuur 8 uren a. m. 24,94° G. 

Prbintktk AP 28,62} 

De uitersten, ten 2 uren, waren 23° en 31°. Waarnemingen 
ten 12 uren heb ik te Buitenzorg niet gedaan, doch dan is de 
temperatuur in den regel (namelijk, nief, als de regen invalt) 
beneden die van 2 uren p. m. 

Onder die 45 waarnemingsdagen, waren alhier slechts 14 
drooge of bijna drooge. 

Wel zijn de maanden September en Oktober doorgaans min- 
der vochtig, dan de maand April; doch alleen voor de lagere 
landen, en in het O. gedeelte van Java, niet voor Buitenzorg; 
alwaar volgens vroegere waarnemingen van Dr. Swavine, in April 
18, in Mei 5, in September 16, in Oktober 19 regendagen zijn. 

Volgens deze gegevens, is dus hoogst waarschijnlijk , te Sisir, 
of in geheel Malang, de koffij spoediger, meer onafgebroken 
tot een watergehalte van 7/ a $8°%/, te brengen, dan in 
Buitenzorg. Met Lembang zal het wel omgekeerd zijn, en 
zelfs twijfel ik aan de mogelijkheid, om daar, door enkele 
drooging in de lucht, koffij tot 8&8°/ watergehalte te droo- 
gen, want ik vond daar de temperatuur, in November 1848 _ 

ten 2 uren pm. 24,2 G. 
ze UO Ave 21e AG: 


525 


| Dit was een dag geheel zonder regen. In November 1851 
vond ik het gemiddelde te Buitenzorg aldus. 


2 uren pm. 28,5 

6, út 25,2 
Voor 2 uren waren de uitersten 24° en 31° en 
BOB ON op 0 af DHO 1075 


derhalve voor Buitenzorg eene temperatuur van ruim 4° hoo- 
ger dan te Lembang. 

Doch daar de waarnemingsdag te Lembang zonder regen 
was, zou de vergelijking met het gemiddelde van zeven regen- 
looze dagen te Buitenzorg (in de maand November 1851) juis- 
ter zijn. Over die dagen vond ik het gemiddelde alhier 

2 uren pm. 25e 
Opie hoes 26,3° 

Dit geeft voor Buitenzorg ongeveer 5° hooger temperatuur, 
dan voor Lembang. En ofschoon, naar ik geloof, aldaar min- 
der regen valt, dan te Buitenzorg, moet toch door zulk een 
verlaging van temperatuur, eene aanmerkelijke vertraging in het 
droogen ontstaan, die weder eenen langeren duur van helderheid 
noodigt maakt, dan aldaar wel te verwachten is. 

Dezelfde redenering geldt van de andere droogplaatsen, in 
de Preanger-Regentschappen en Cheribon, en in het algemeen 
voor het westen van Java; want daar bestaat overal dezelfde eer- 
‚ste oorzaak, in tegenstelling van het oosten, namelijk, meerdere 
f ontwikkeling van land en grootere afkoeling der lucht. 
Het is die droogheid en helderheid der lucht in Malang, ge- 
durende het grootste gedeelte van het jaar, welke het mogelijk 
maakt, dat aldaar, op bijna 2000 voeten meerdere hoogte dan 
Buitenzorg, de thermometer, op den middag althans, even hoog 
stijgt. 

Die droogte, met luchtbeweging vergezeld, is nog van meer 
belang voor de koffij-bereiding, dan eene wat hoogere tempe- 
_ ratuur en zij maakt, dat in den nacht, ofschoon die te Sisir veel 
kouder is dan te Buitenzorg, de onder behandeling zijnde koffij 
geen water kan opnemen. 

Er is dus alleen een verschil van lengte in tyd, en niet een 


En kn af 1 © ® mi 
Bl oo s 5 bo a © 
nn =S - 
fb] © ks © md Gant 
Bs 8 o 5) es H. B et | 
NN De ie 8 hs e 5 o € € ‘G Ens e . . e . ° . ° p s . 7 e GL L/ 
k RT jen © 5 5 je ED 5 pn Jo G q 2 k ae = e e . . . . . . . . . . . . Li 004, éé Er 
heel = 2 en Á: jk Ne lo6 4 3 3 . . . . id . . . € € 9 
ee) feb) keb) = M= ln” o € . . . . . ° ij il hd > 009 
er ef er, e E= 8 Jo LZ ‘ ‘ N . . . . . . . . . . . . 66 STA ee 6 
tp B en VS © a 3 BOE À « 
Ken jer) . . 66 5 
B 5 A A 5 © Cl pre 6 dé Vee eene Bere Se o0Z G 
in Ep En jd ler nd Ke, COL 88 E é . . . . . . . . . € 0099 € Q 
es en) Le) 0) © N _— 5 VAS LL je «6 66 
REDEN: HR EEE REE Bn Rs Amten 
5 a SS sd e o8 6 . . . . € J ‘ 
BRS 5 Vee RE Ee OL “ot 
ie: S ee pe R= be o 4 . . . . e . . e . . . € 09 Lis L 
3 5 eK nu Ss 5 Doy | ENT 
Be ki En ns a SE ae {5 
de) 2 ee) a Ee 6 LI Pr eé 
ll SE Od Om > OV O o jr [ VA! e . . e . 009 8 
EE ZEGE Sr Ee (iq en y 
mn NR 5 0 © Job 9% J ok H 
5 Se © E En Ee ae 
Oo — £ 
EN Ke ‘pyosurooy "[yosutooy spryosutooy [myosulooy *pysuLooU 
Rn: B « 8 Tuos dopuozg | uy dopuoz | uy Jepuoz | uy dopuoz | uf Iepuoz | ur 
Et ® »= e, . 
SEE BEE 8 9POOL ozopur ruozopur vuozopur “ruozoput “uor dpa 
5 Daf A De n FgJeooA *n 
ss 7 3 ns pa GEJLLOOA *DEGJLIOOA "DEEJLIOOA *n FgJeLOOA DEI J 
sE EM pe 
See Ë ad “uoaapgobraao annypaoduor opuorpyosvaa GQ onvyobrorm at 
a) =, 
To wesSess 
mn 4 SES & : 
ef TL af 
DAE sd 
SS o 8D 
mms B 


527 


Verschillende droogtegraden zijn hier voorgesteld. Uit een 
praktisch oogpunt is alleen eene hoeveelheid water van 7°/, 
tot 10°/ wenschelijk. 

Drooger dan 7, zijnde, zou de koffij, bij het pellen 
uit de hoornschil, ligt breken; vochtiger dan 10% zou zij 
plat worden, en moeielijk te ontdoen zijn van het vliezig 
bekleedsel. 

De warmtegraden zijn die van Celsius; 60 a 70° GC. gelijk 
140° a 158° F.is zeker eene wat te hooge warmte, om daarin 
de koffij om te werken. Om dit noodeloos te maken, zou men 
de te droogen laag koffij in verscheidene dunnere kunnen scheiden 
door de droogkamer, regts en links van den ingang, met 
vier, vijf, zes, horizontale verdeelingen te voorzien: dan ware 
geene omwerking noodig. 

Bij mijne droogproeven in het klein, stond de met koffij ge- 
vulde , tot de ledige ruimte, ongeveer als een tot acht. 

De oprigting van droogkamers kan geen bezwaar opleve- 
ren. 

Reeds sedert twee jaren wordt op Ceylon de koffij kunst- 
matig gedroogd ( Quarterlij Journal of Agriculture, etc. of 
Scotland No. 33. van Julij 1851), wat mij, na de vol- 
tooijing van dit verslag, bekend werd. 

Een planter, de heer Crrrmew, is het eerst op dit denk- 
beeld gekomen. In de koffijdistrikten aldaar zijn geene hel- 
dere dagen genoeg, om de koffij, zonder gevaar voor schade, 
door te groot watergehalte, naar Colombo te voeren, al- 
waar de drooging in de zon gemakkelijk is. 

De inrigting bestaat daarin, dat men een groot gebouw 
of pakhuis (van 120 v. of meer lang, en ongeveer Á40. v. 
diep ), volkomen digt maakt, en er, door wijde ijzeren pij- 
pen, heete lucht invoert, daarbij door wanners eenen ster- 
ken togt onderhoudende. Daarvoor heeft men, in plaats van 
acht, slechts vier of vijf dagen noodig, om de koffij genoeg- 
zaam te droogen voor het vervoer naar Colombo. 

De planters en handelaars beide, hebben daarbij het pakken 
der koffij in vaten zoo veel voordeeliger gevonden, dan in 


528 


zakken, dat zij zich gaarne de hoogere vracht getroosten; een 
ton koffij, in vaten bevat slechts 16 cents, in zakken 18 cents, 


koffij. 


Doch de bovengenoemde wijze van kunstmatige drooging 
schijnt mij niet aanbevelingswaardig toe. 
{9 Om de groote kosten van liet gebouw. f6000 voor eene 


20. 


Se 


plantagie van 100 tot 140 bouws. 

Om de gebrekkige benuttiging der warmte. Kon de tijd- 
ruimte van acht dagen tot één of twee, in plaats van 
vier of vijf, ingekort worden, dan zoude een gebouw 
van veel geringeren omvang voldoen. Maar voor die ras- 
schere drooging zou eene groote vermenigvuldiging van pij- 
pen, en een zeer ruime vuurhaard noodig zijn. Zelfs 
dan zou, naar ik geloof, de meest voordeelige tempe- 
ratuursverhooging bezwaarlijk te bewerken zijn. Mijne 
proeven hebben mij, in het algemeen, geleerd, dat de 
tijd van drooging sneller verkort wordt, dan de tem- 
peratuur , waarbij men droogt, toeneemt. 

Eene gemetselde droogkamer, van veel minder omvang, 

dan boven gezegd is, met openingen beneden en boven, 
om koude lucht in, en heete, vochtige lucht uit te laten, 
en met gebogene pijpen voorzien, die den vuurhaard met 
den schoorsteen in verbinding brengen, zou, naar ik 
geloof, ruim zoo dienstig zijn, als de droog-pakhuizen 
op Ceylon. 
Welken invloed deze verschillende droogwijzen hebben 
op de struktuur der koffij, en dus ook, op hare zwaar- 
te of soortelijk gewigt, zie hieronder. Het watergehalte 
is hier weder opgebragt. 


del 
529 
Soortelijk gewigt der Koffij naar de droogwijze. 


Gewigt van 


Soortelijk 
Waterge- f 1000 boonen rie 
Kite aol op 8, water Aanmerkingen. 
ijk herleid. 
en 117,3 De Nos. beteekenen de- 
8,5 » 118,5 Ed zelfde koffijmonsters, 
yer) 119,2 En als op bladz. 53Í. 
10,8 s 119,9 2 25b beteekent de in eene 
11,5 » 120,1 5 blikken bus bewaarde _ 
8,8 » 121,6 5 koffij van Sisir. 
9,8 » 1222 25d dezelfde na drooging 
52» 122,4 el bij 100° C. 
10,s 122,8 En 25e is die koffij, ín eene 
5,0» 122,8 Eb geslotene witte flesch 
10,7 » 123,0 5 bewaard, bij 100° G. 
1,5» TL He gedroogd. | 
13,0 » 123,6 Tr De 16 eerste, alle van 
9,5» 123,8 z Buitenzorg, „, zijn in 
7,9» 123,8 ee opklimmende orde ge- 
15 124,5 Er rangschikt. 
9,1» 124,1 5 | 
Ws 0 119,7 I= 
0, » 130,7 45 
0, » 114,7 


Die van Sisir is, tot vergelijking, er bij gevoegd. 

‚ De nadeelige invloed, dien de gewone bereidingswijze ( da- 
lelijke drooging, in de roode schil) op de koffij heeft, blijkt 
r_ duidelijk uit (ik heb die drooging met alle zorg ver- 
igt). 

Hieruit is te besluiten, dat bij deze methode, de koffij zich 
adelijk uitzet, ten gevolge eener aanvankelijke gisting in het 
tikerhoudende sap der vrucht, zonder in het latere tijdperk 
er drooging, tot haar vorig volume in te krimpen. Aldus 
oet de koffij grooter en minder zwaar van boon worden, 
ar wanneer die oorzaak van uitzetting wordt weggenomen , 
po als hij de W. I. bereidingswijze. 

F ier heeft, bij de drooging, dadelijk inkrimping plaats; van 
HI. 9 


En. 


530 


daar de meerdere zwaarte en de mindere grootte der boo- 
nen, bij goede bereiding namelijk. 

Behoudens enkele uitzonderingen, schijnt met de afneming 
van het watergehalte, de zwaarte toe te nemen, en eene ver- « 
snelde drooging, zelfs bij 75° CG. (1690 F.) hierbij geen mer- 
kelijk nadeel te doen. | 

Ook kan, naar het blijkt, de koffij die sterkere drooging 
verdragen, na de pelling uit de hoornschil, zonder uadeel 
voor hare kleur. 

De twee laatste cijfers, bij de koffij van Sisir, doen zien, 
dat ook deze, bij inwerking der lucht, allengs door drooging 
niet meer inkrimpt; doch in den normalen toestand is er 
groote overeenkomst in soortelijk gewigt of zwaarte, tusschen 
de koffij van Sisir, en de zwaardere van Buitenzorg, door mij 
bereid. j | 

Naar den maatstaf, dat een glas van 205 wigtjes water in-_ 
houd, 143 wigtjes dezer koffij kan bevatten, weegt 1. N. kan 
der koffij, 80% water houdende, ongeveer 7. N. oncen. Dit 
middel zou in het groot kunnen dienen, om te bepalen, of 
zij genoeg gedroogd is. _ 

40, Welken invloed daarbij wordt uitgeoefend op de ei- 

genschap der koffij, om in een zeer vochtig klimaat, 
binnen bepaalde tijdruimte, weder zekere hoeveelheid 
water op te nemen; tot welk maximum die opneming 
gaan kan, voorts, daar ook dit met de wijziging der _ 
struktuur zamenhangt 8 
5°, Hoe zich daarbij het uiterlijk voorkomen der koffij ver 
houdt, —of zij bij de eene of andere droogwijze, meer odd 
minder aan beschimmeling of kleurverandering onderhevig 
is; ik moest daarbij door ruime toetreding der lucht, den 
korteren duur der inwerking eenigzins vergoeden. | 


ee. 


55 | 


“peu 


—-wiyoseg Stam uooIdHoorg 


“prewwigoseg Stura ‘eZuuyor 
PI Lyosaq slUT l 

=fo983, UL aToJUK pt 

“pjourmmgos 
pt 


‘WPT 


=2Y SiulIIA UO 


BE. 


“Burjeumryos 


=2q uea uarods * ug01d Aneers) 


“Wopt f usord neen) 
"Butjewwigosog ue Joods 
ua  “uaoi8 Bnyoeaneris) 


“Sutjoruumrgosod 
gea doods uoa8 * uaoiBanerig 

“Sutjoruurmosad 
aleq)diz UaaB *uoordaneerg 

“Durjewurrgoseg 
ur Joods ua93 "wopr eulig 
“jpurwimgosag ueA 1zoods ueo8 


“YoArg 1e “wood zoArnz eulig gom zeep vo aorqy * Anvergsliae 


Nx 
bh 


“13e UoSep ZF 


“uopI 


“ueep}uo jtyosuzooy op ueA yltpopep Surproreq op vu apron gE va 7 ‘OT GG & 


“Jul JA 


-nera8 Jom sjoop * usordoord 


‘Se Cr 


"wop[,-98 (ra “usor Snqyoeanverg 


“argo UALeN 


op do ‘uooi8 Sffgoeaneerg 


«LOT 
«68T 
« 71 


“jUI} 9ANEEIS JIUE UIOID| « 6°LT 


‘gaouenu 9u9018 
—Anveld jour  *usordmneerg 
“jung oane 19Yo ou WAP] 
“JUI} AMNEETT Jow UIOIL) 
“jun 
omneerg 1opuoz f uaord oord 
“uoorsaneerg Sneunlijes (ia, 
“uao1s Ancerg 
"uooIsaneerg 


“jut 9us0181995 


‘Siplosad op EN 


NAT 
en L 


005 


“1ojer 
uaô 


GED Ag ep 9 


EEE ERD EN CEN BEEREN, 


taareyeBzore A 


a} 


“ytyostrooy J9PuUOz usotp gr ASVEET ap UAIEA Gy 'SON 


«Tor 
TAA! 
«e°gT 
« ‘ZT 


«6°21 


« „°gT 
«TAI 
« TCI 
« Gal 


«geil «ge ‘QoQAliquemiguep | 


pt 68 — TtOSUIOOY op UI ZL 
«OSI «Tor ‘Qo09 (iq vomgezuep | 
PL Sg "[tosuJooY Jopuoz, TI 
«BOI «GTI “) 0G9 Ìiq vern 9 uep | 
PE ae “uopI or 
«Tt egg “Q 004 (iq vern Tg uep | 
PE 68 "[tuosurooy op UIG 
Ca en 40 87 PE 68 “_"wop] Ê 
«g°, “Pi GG" TEYLSLUIOOY Japuoz Z 
CGL Pl 508 ‘uopI__ 9 
«O'T) «6'2 ‘OQ 009 fq aam ig | 
uep ‘pl 68 ‘wapI  S 
«FG « 2 ‘OT “pt 68 “uap] T 
«6°EI| « 8“OT ‘Q 009 lq vorn g 
ap GP 5 1 ‘mop 8 
«q‘orl «gest “uoz ap UI 'n 65 ‘wopI 5 


‘9 034 lq aan ig vep 


Me DV or rij /eg gr |“ woz op vijve eg —[tosuroor op UI F 


“Jaret 
uod 


“ryan Aap Ouwbaoz uawent hq * Burtopunroarnaggy 


“zojer | “Suip 
uad | -1alod 
ap eN | “SuiSoorp uea ozli 


wo Loom woa Ouruaysopunp 


ie ade ie - Ee, 8 vn Tg EN pe a 
7 he lide nds nnn ale Ar EPE Ee WEE tn B | 
en id 


ER heef «egirl eo'or) «T'erf «Ap T|-Burprosog ouomo8 «pt _ ‘wopr « [95 
* “pjewwigosag “joosrinA q' c c c À 3 L 
El “opioyuop syo! “uoouenu odoYoly « ‘8 pt „SIS ue Po 
4 zow fuoois Styyoejoos Hood ; ts and | 85 
- ‘pjewwurgosaq Jaru f 1ajAo ‘uooue | «gf «z' É f : : 
‘ Anere1Sugo18 uoBtuwog : pt DRE ont Aftma zou * usorBHoord ar TCOPSe si 8 or P: 66 za | 4d 
REE UOEP T: AP EA TRR ii naaa oord «5'°9I CE IEC TET < T°Z 9 °) 004 ftq vaan Fy uep 
"uiryosog Soro “A98 uid “uorsorA | «gt é jn deal 66 Agel, id 
poor soap, ‘poa8 ER otor nops Ae dbeaial d El «6 TIJ CT ZI €78 3 0007 Iq ‘ns PER 004 (iq 'n ft 
“wrurrgosag StuIoa fuoyyora | Bild Bur «ger! «ear p Br 65— Ee ee 05 
oanee1g uo ojo8 zou woord ‘pr | Ke 0 An "9 e00F iq uep 
EN | “wiyosog «A uoaods * uoysora Bd fi re BE sal Gr 
en tr jour soiroadinke ord “OLE CL GE CL GH 0 9 o00T Lig uep ““Q 009 (iq "a 
ee) Sutp 'pt G5—"[tYosuIOOY Jo puo’ 
“pjewwigoseg |ezor ezel «zat 0 | topuoz gr 
uoyuey op do anee18 *pr 'pI " RS EO [iq uep _n 
“pjewwrgoseqg zoru “uoord ‘Bnyoejeo3 uojues Kq‘atr! c c c he Be EEP SP EIA 
zurig scep vo zorg ua0s8{009 Su Ed en EAS 9 9T «TIL «GE FI “OG KH ea (id go jk ip uep 
“pjouwtyosog Sturoa *prour ‘apueeSIaAo ou | «67 € 6 À ap 
—ieue8 uaoIdjoo8 uo he zou e: ua01BAneeig 6 ZP ST AI ST TI <5 6 dd 9 G4 lid dE ae 
“mids Joru * UoIUE ‘ouroId se | « «et! ( É hd " JEE är 
=Uorf 9[9 JUS 19 UAOIdANeeIg JY U jeisoouw { uaordyor iele Ja. pt Ee ga er 
“pjowuuos | zun sancerd [A5 BENT LINT vr /eo 01 Ene d 4 
ee 191558 ee a D 004 fiq worn 4g uep 
keke uaol [29 uo ie dd oANLEI: ® uw uaols) | “pt 88—"TtYISUIOOY Janez €) 
TE AGE BTS ELINE MEST TELE ATERLENE CAGE NEED 
"1978 “1ajer | “Jot 5 
“layer uosep zy ‘Surpielog op EM HD ved der, En 5 
EEP SEE PDA | EPT LOPEN "Buigooip ue ozfin 8 
(TIE | ‘oreyeSrere M 3 


555 


Ee Hierbij dient aangemerkt te worden, dat geene dezer koffij- 
| _ monsters beschimmeld was na 25 dagen. Zij waren echter ge- 
heel in dezelfde omstandigheden geweest als de vroeger (bladz. 
ik. 1507) vermelde. 

Onder deeerste zestien dagen waren negen drooge; onder 
Be volgende negen vijf genoegzaam drooge dagen; onder de laat- 
ste zeventien waren slechts zes bijna drooge dagen. Op den dag 
s vóór de laatste weging was het steeds regenachtig. Het weder 
was toen dus vochtig genoeg, om den invloed op de verschil 
| ij lende gedroogde monsters te kunnen vergelijken. 

Die, opgegeven als zonder hoornschil, waren in de twee eer- 
| ij ste dagen in de hoornschil gedroogd, om die bros te maken. 
Die, welke in de hoornschil gedroogd en bewaard werden, 
KU hadden in den regel het meest de kleur behouden. De invloed 
j der bewaring in de hoornschil blijkt uit No. f—6. Deze waren 
ee gedurende de laatste 16 dagen van de hoornschil ontdaan, en 
| | toch bleven zij goed van kleur. No. 9, 10, 13, en 18 waren dade- 
ME lijk na de bereiding gepeld geworden, en gedurende de 43 da- 
s gen, dat zij aldus aan de lucht blootgesteld waren, hadden 9 
en 10 zich tamelijk wel, 13 en vooral f8, zich minder goed 
_ gehouden; dus door drooging, zelfs in de hoornschil, bij te 
hooge temperatuur en te langdurig (bijv: 75° à 109° C.) wordt 
_de kleur reeds in den aanvang door de warinte verstoord, ter- 
wijl sommige, buiten de hoornschil gedroogd, die later door 
 beschimmeling nog meer verloren hadden ( bv. No. Î4en 15). 
Volgens deze uitkomsten kan men de fen eerstgemelde resul 
taten bijna alle goed, de zes volgende tamelijk en de zeven laat- 
ste slecht noemen. Het is opmerkelijk, dat de koffij van ge- 
wone bereiding, ofschoon met zorg gedroogd, en het geringste 
soortelijk gewigt had en het meest ontkleurd was. De lucht, 
die ten gevolge der niet dadelijke inkrimping, het water in de- 
ze koffij verving, heeft het bladgroen doen ontkleuren. Ten 
 deele althans was die lucht een produkt der gisting, uit het 


De koffij schijnt wel, naar deze uitkomsten , later minder wa- 
ter aangetrokken te hebben, naarmate zij in den aanvang drooger 


534 


was; maar dit hangt daarvan af, dat, bij aanwending van kunst- 
warmte, de temperatuur langzaam en niet te hoog geklommen 
is (No. 10 en ff). Daarbij schijnt de kleur het meest besten- 
| dig te worden, ofschoon die weder, naar de temperatuur, ver- $ 
schillend uitvalt. 

Nemen wij in aanmerking, welk groot verschil in prijs er is 
tusschen de verschillend gekleurde koffijsoorten , dan is het ze- 
ker niet ondienstig te beproeven, of ook op groote schaal die 
nuancen willekeurig te verkrijgen zijn, welke ik in het klein 
bekomen heb. Het zou goed zijn te beproeven, welke kleur 
de koffij bekomt, wanneer zij, zonder blootstelling aan de zon , 
dadelijk in de droogkamer gebragt wordt. 

De bruine en gele koffij zijn waarschijnlijk (donker en licht) 
groen geblevene, die door zeer lang bewaren, in geur en smaak 
gewonnen, maar de kleur verloren hebben. De fluktuatie in den 
prijs der gele soorten echter maakt het wenschelijk , om koffij 
van donker groene, in bruin overgaande kleur, te bereiden. 

Niet noodzakelijk schijnt echter die kleurverandering te moe- 
ten volgen, tenzij de even hoog betaalde, blaauwe koffij welligt 
door korter bewaren denzelfden geur verkregen hebbe. De 
blanke en mindere soorten moeten de groene kleur reeds vroeg 
verloren hebben, en daarmede veel van die stoffen, welke la- 
ter de koffij geurig maken. Al mijne monsters hadden, versch 
bereid, geheel den reuk van versche thee. Eerst thans (half 
Mei) begint de koffijreuk kenbaar te worden. 

Dewijl de goede hoedanigheden van de koffij van Sisir ook 
zijn daar te stellen in hetzoo vochtige klimaat van Buitenzorg, 
kunnen de gebreken van de Preanger koffij, en vooral van 
de Cheribonsche, bezwaarlijk alleen aan het klimaat worden 
toegeschreven. Te kortstondige drooging komt daarbij, voor 
een groot gedeelte, mede in rekening. | 

Daar bij de gewone droogwyze het in gisting gerakende sap 
der vrucht een onherstelbaar nadeel aan de kern toebrengt, 
zoo behoorde men die, om koffij van hooge marktwaarde te 
krijgen, geheel te verlaten. 

__ Op Java van de hoornschil bevrijd zijnde, zoude de koffi 


555 


f „nog met voordeel een of twee’ dagen in de zon, of liever een 
ee paar uren bij 60 a 70° C. (140° à 158° F.) kunnen gedroogd 


Îe. De verschillen in kleur en zwaarte verraden eene onvol- 
komene drooging der koffij; want dan komt de invloed 
van hef klimaat in werking, waardoor witzetting of op- 
zwelling , beschimmeling en kleurverandering ontstaan. 

2e, Bij goede aanhoudende drooging, tot op een gehalte van 
dol, a 9!, water, heeft noch het klimaat, noch de ge- 
middelde temperatuur der plaats, eenigen wezenlijken 
invloed op de kleur en de zwaarte der koffij. f 

ge, Doch er kunnen plaatsen zijn, waar steeds of dikwijls ge- 
brek is aan heldere lucht en zonnelicht, en dus eene snelle, 
onafgebrokene, volkomene drooging onmogelijk wordt. Daar 
behoort gelegenheid te zijn voor kunstmatige drooging. De 
medegedeelde proeven toonen duidelijk aan, welk ver- 
band er bestaat, tusschen de hoogte en den duur van warm- 
tegraad ter eene, en het watergehalte, de zwaarte en do 
blijvende Kleur der koffij ter andere zijde. 

De kunstmatige drooging zou, op verre de meeste plaat- 
sen van Java voordeelen aanbieden boven de natuurlijke 
drooging. | 

4°. De gewone droogwijze, in de roode schil, is onvoorwaar- 
delijk af te keuren. 

Het staat dus in onze magt, de koffij uit, ten aanzien van 

hoogte en klimaat verschillende, streken van Java ongeveer 

dezelfde blijvende goede eigenschappen, Kleur en zwaarte te doen 
bekomen. 


Buitenzorg, 16 Mei 1852. 


ONDERZOEK 


VAN 


KOPERZAND UIT HET GEBERGTE TAMPI, NABIJ 


DE GROOTE PENITI-RIVIER IN DE 
AFDEELING SAMBAS. 


DOOR 


P. J. MAIER. 


In den tweeden jaargang van dit tijdschrift bladz. 346 is 


melding gemaakt van eene mineraalsoort, welke door den gou- 
verneur van Singapore was toegezonden aan het Nederlandsch- Á 
Indische bestuur. Uit het aldaar vermelde onderzoek is geble- 
ken, dat zij grootendeels bestaat uit zuiver koper, gemengd 
met een weinig roodkopererts. Het kopergehalte werd daarin ë 


và 


op ruim 80 pCt. bepaald. Omtrent het voorkomen van dezen erts 


echter was niets vermeld. 


Het sedert dien tijd door den heer Van Deventer, kapitein 
der genie, op uitnoodiging van den resident van de Westeraf-_ 


ling van Borneo in het werk gestelde onderzoek op de plaats zelve, 
heeft aanleiding gegeven tot het hier onder medegedeelde verslag. 


537 


Verslag eener zending tot onderzoek van koperzand in het 
gebergte Tampi, nabij de groote Pemti-rwier, in de 
afdeeling Sambas. 


Bijlagen: 
Een pakje, inhoudende eenige stukjes gedegen koper. 
Een fleschje, inhoudende steenen met aanslag vaa koperoxijde. 
Twee flesschen zand. 


sIn den avond van den f2den Julij 1851 begaf ik mij per 
»gouvernements bandang Bertibi op reis en kwam in den och- 
stend van den 1Sden voor de monding der groote Peniti. Aan- 
»gezien het water zeer laag was en alzoo de bandang niet 


__ sover de bank kon komen, ging ik in een schuitje de rivier 


sbinnen, naar het chinesche dorp, gelegen aan den linkeroever, 
seen kwart uur roeijens de rivier op. Ik vernam hier, dat het 
s niet mogelijk was, in één dag de plaats, waar de landweg 
sbegon , te bereiken en maakte mij alzoo dien ochtend ten 
snutte, om de chinesche kampongs aan Soengi Poerong ketjil 
sen Poerong besaar te bezoeken.” 

»Naar de laatste begaf ik mij over zee en van daar naar de 

__»eerste over een’ tamelijk goeden landweg, door schoone sa- 
E » wahvelden.” 
___»Van daar teruggekeerd en het water in dien tusschentijd ge- 
» wassen zijnde, voer ik tegen 2U, uur per bandang de rivier 
‚_» Peniti binnen, eerst in eene oostelijke , later in eene o.n.o. 
sen n. 0. rigting.” 

s Vroeger bestond aan den regteroever, waar het riviertje 
s Sikadang in de Peniti viel, nog eene goede chinesche kampong 
4 » van omtrent 40 huizen, waarvan nu echter niets meer te 
svinden is. f 
» Tegen 6 uur werd de rivier zoo naauw, dat de bandang 
_ »niet verder kon voortgaan. Hier bleef ik overnachten. 

4 »Den volgenden morgen werden de noodige goederen en 
__ sgereedschappen in twee praauwtjes geladen en ging ik hier- 
»mede tegen 7!/, uur de rivier verder op, langs de mondingen 


__» van Soengie Ngara en Kajoe tanam, tot omstreeks 10!/, uur, 


538 


»als wanneer ik aan den linkeroever in eene kleine pondok 
s aan wal stapte, om de mij vergezellende menschen te laten 
» eten. 

» Van hier voerde vroeger ook een weg naar de goudmij- 
snen van den Bang-Pingsang (chinesche benaming van drie 
s heuvels, waarvan de Daijahsche benamingen zijn Djerat Se- 
» mata, Tjainpi en Singjangan), welke weg echter geheel ver- 
» groeid is 

s Nog 1/, uur voortroeijende, kwam ik tegen 1!/, uur aan 
» den voet des heuvels Bang-Pinsang (Djerat Semata), waar de 
» weg over land begon. ’ 

» Dit eerste heuveltje bestaat uit zeven kleine toppen, waar- 
» over de zoogenoemde weg voert, loopende in eene bijkans 
»0. Z. Oo. rigting en waarover ik %, uur besteedde. Vervolgens 
» komt men aan eene kleine vlakte, een kwart uur lang, en van 
» daar aan den heuvel genaamd Tampi. Nog %, uur over den 
»top dezes heuvels in n.o. strekking geklommen zijnde, kwam 
»ik aan de plaats, waar vroeger koper was gevonden. 

» De chinesche goudmijn alhier scheen pas onlangs verlaten te 
» zijn en er stonden nog drie ledige huisjes, waarin ik besloot 
» mij voorloopig op te houden, om naar het koperzand onderzoek 
» te doen. 

»De mij mede gegeven chinesche gids San Tore Laornars 

» van Soengie Poerai ketjil of liever van Panirimang is nooit 
»goudgraver geweest en wist plaatselijk hier niets, zoo dat ik 
» zeer gelukkig was, dat, ten gevolge eener vertrouwelijke me- 
» dedeeling van den resident, pangerang Ssanter Monamman , 
» gewezen civielen gezaghebber van Mampawa , zekeren Inrsr 
» MAGNAT, zOOn van Inrse SAMSOEDIN, had uitgenoodigd met mij 
»te gaan. 

» Deze verhaalde mij, dat hij voor omtrent 8 jaren was uit- 
» gegaan om kajoe garoe te zoeken en alstoen in dit geberg- 
ste Tampi vermeend had sporen van goud te zien; dat hij zich 
» daarop hier had gevestigd en werkelijk goud gevonden had; 
» dat hij bij die wasschingen ook koper had gezien en dit den 
ssulthan van Pontianak en genoemden pangerang Ssarier Mo- 


559 


wraMMAD had gezonden, echter allijd in zeer kleine hoeveelhe- 


» den; dat hij volstrekt niet wist of hier ooit een Europeaan 
» was geweest en of er ooit veel koper was gevonden; dat, 
stoen later de Chinezen zich hier hadden gevestigd als goud- 
»gravers, de sulthan hem had terug geroepen. 

» Het gebergte Tampi is noch bij de Chinezen, voor zoo ver 
sik heb kunnen onderzoeken, noch bij de Maleijers te Pontia- 
snak bekend. Alleen Inrsr Maanar gaf het dezen naam en zei- 
» de mij dat lwsor of boeksor tampi zooveel beduidde als: langs 
» den voet van den Tamp. | 

» Het gemis van handen door het verlaten dier chinesche pa- 
»rit, alsmede mijn verlangen om nog van latere bewoners in- 


»lichtingen te bekomen, deed mij besluiten San Tona naar Man- 


» dor te zenden, ten einde van daar vier chinesche koelies te 
» halen, zoo mogelijk, die hier vroeger gewerkt hadden. Den 
» volgenden dag in den namiddag kwam hij met twee Chinezen 
» aan, hebbende ik in dien tusschentijd, nadat de matrozen van de 
» kruispraauw , welke mij waren medegegeven „ mijn goed her- 
« waarts hadden gebragt, onder leiding van ÍNrse Marmar op 
» verschillende plaatsen laten graven. 

sDeze eerste proeven waren zeer gelukkig, vooral in zoover- 
»re zij aan mij als leek in de mineralogie en geologie de over- 
» tuigendste bewijzen gaven van het aanwezig zijn van koper, 
» vermits zij zuivere stukjes gedegen koper bragten, hierbij over= 
»gelegd. Het was echter in zoo geringe hoeveelheid, dat ik 
»op meer andere plaatsen, steeds langs den voet en eenigzins 
» hooger op aan de z. o. helling van den Tampi gaten liet graven. 

» Nadat de bovenste aarde was weggenomen, welke eene ver- 


_» schillende dikte had van 0,5 à 1,00 el, kwam ik steeds op witte, 


» ook wel graauwe en leiblaauwe ktei, waaronder weder steen. 
» Uit deze klei werd door wassching zand verkregen , waarin 
» vele schitterende punten en bij de eerste malen gedegen koper 
s gevonden werd. - 

» Dit zand, dat, nat zijnde, zwart, — droog, lichtblaauw is, heb 
»ik verzameld. Het aanwezen van koper bleek mij, behalve uit 


»de zuiver verkregen stukjes, uit de koperzouten , welke aan 


pas 


540 


s de steenen overal, waar beekjes liepen, waren aangeslagen en 
» welke de inlanders taht tambaga noemden, waarvan ik hier 
s ook eenige exemplaren overleg. 

» Het eerst aangetroffen zuiver koper werd gevonden in bij het 
» goudzoeken reeds omgewoelden grond, zoo dat ik, zoo wel 
» hooger als lager dit terrein in den omtrek onderzoekende „ ner- 
» gens die resultaten kreeg. 

» De witte en blaauwe klei, waaruit ik het medegebragt zand 
» bij wassching heb verkregen, was langs de geheele z. o. hel- 
» ling van den Tampi, waar ik ook maar graven liet, door- 
sloopende en zulks over omstreeks 500 tot 600 ellen lengte en 
»50 à 60 ellen breedte en had op sommige plaatsen eene 
»dikte van 0,30 tot 1,00 el. 

» Of dit zand nu zoo rijk koperhoudend is, als Scuwanrer 
» dit heeft aangegeven, betwijfel ik; waarschijnlijk is de proef 
s geschied op het in mijn oog reeds zuivere koper. 

» Wie verder radja Brooke van het hier aanwezige koper 
» kennis heeft gegeven, is mij ook onbegrijpelijk. Nooit zou 
» hier een Europeaan geweest zijn en zoowel maleische als chi- 
» nesche goudgravers, die hier vroeger gevestigd zijn geweest, 
» beweren, dat de produktie van zuiver koper steeds zeer gering 
» is geweest, 

» Ten slotte heb ik het bedoelde zand wegens de moeijelijk- 
» heid van vervoer, niet in zoo groote hoeveelheid medegebragt, 
»als ik in den begijne van plan was; te meer, daar ik er niet 
»zeker van was, werkelijk kopererts mede te voeren. 


» Proeven met salpeterzuur en ijzer , zoo wel te Pontianak — 
sals te Sambas genomen, hebben mij steeds bewijzen van aan- — 


» wezigheid van koper gegeven; tot eene behoorlijke analijse 


» ben ik echter niet in staat, maar ik vermoed, dat dit zand 


s veel zwavelkoper bevat. 
»Mogten echter gelukkige resultaten verkregen worden , dan 


»zal het aanleggen van een’ eenigzins bruikbaren landweg niet 
» veel moeijelijkheden in zich hebben en zal die van 1%, uur 


stot 2 uur lang zijn. 


een nde Eee 


541 


| | __» Verder zal de erts met kleine praauwen de rivier Peniti be 
5. y saar moeten afgevoerd worden. 

___»Ook zou men eenen landweg naar Mandor of Kopian kun- 
he snen aanleggen; de eerste bestaat , maar moet laag en mod- 
4 sderig zijn; dan echter is men in de gelegenheid, erts of koper 


smet praauwen naar Pontianak af te voeren.” 


Sambas, den fÎ6den Augustus 1851. 
De kapitein der genie. 
(Ww.g.) Van DEVENTER. 


___Den ffden September 1851 werd mij het onderzoek opge- 
dj dragen der twee flesschen zand, van het pakje, inhoudende 


eenige stukjes gedegen koper en van een fleschje, inhoudende 


K steenen met aanslag van koperoxyde. 
| 1. Wat den kopererts betreft, heeft het onderzoek volgende 
uitkomsten opgeleverd. 

Het is een mengsel van: 4 

a. Kopermetaal en weinig roodkopererts; het is gemakkelijk 


ik af te zonderen; deze is dezelfde kopererts, waarvan in dit tijd- 
vi schrift gewag is gemaakt; men leest daar op bladzijde 346 


van den 2den jaargang „bedoelde erts enz.” 


Bevrijdt men het zooveel mogelijk van de bijgemengde deelen, 
‚ dan kan het kopergehalte klimmen tot 95 of 96 ten hon- 


k derd. 


Enkele stukjes van dit kopermetaal, dat bij sommige exem- 


ki plaren duidelijk kristalvorm vertoont, met soda en kool voor 


5 de blaasbuis in de herleidingsvlam behandeld, lieten na bekoe- 


k ling zich gemakkelijk tot dunne blaadjes uitslaan, waaruit mij 


gebleken is, dat de hoedanigheid van het koper vrij goed is. 

eb. Eene voor deze hoeveelheid erts betrekkelijk rijke hoe- 
veelheid gedegen goud, sporen van zilver bevattende. 

c. zwavelkoper en kristallen van zwavelyzer. 

d. Kwarts, fragmenten van feldspaath en van siltkaten. 

Een onderzoek naar platina ondernomen, gaf geen resultaat. 
baar in het rapport van den heer Van Deventer uitdrukke- 


542 


lijk vermeld is, dat het eerst verkregen koper in den door de 
vroegere goudgravers reeds omgewoelden grond gevonden is, 
komt het mij voor, dat deze erts het overblijvende is geweest 
van tot het wasschen van goud gediend hebbend zand, waar 
het goud grootendeels was uitgezocht. Het rapport is ten 
deze opzigte echter wat al te kort, om met zekerheid omtrent 
het voorkomen van dezen erts te kunnen besluiten. 

2. De steentjes, die in het fleschje waren bewaard, waren 
gedeeltelijk met een malachietachtig bekleedsel bedekt, ge- 
deeltelijk van malachiet (koolzuur koperoxydehydraat) doordron- 
gen. Deze laatste kunnen, wanneer ze in eene belangrijke 
hoeveelheid mogten voorkomen, met voordeel tot uitsmelting _— 
van koper worden aangewend. | 

9. Aangaande de twee met koperzand gevulde flesschen zijn 
de volgende uitkomsten verkregen. 


A. Flesch a. 


Ke 


es 


Deze was omtrent 2, met zand gevuld, welks gewigt 1551 
grm. bedroeg. Al dadelijk overtuigde men zich van de aanwe- 
zigheid van koper. Met weinig moeite heb ik in een uur tijds 
0,790 grm. koperstukjes er kunnen uitzoeken; deze koperstuk- 
jes zijn van dezelfde soort, als boven sub _{ ais vermeld en 
welke ruim 80 ten honderd koper bevatten. Het zand bevat 
echter meer koper. Ten einde het gewigt daarvan te bepalen, 
heb ik 500 grm. fijngewreven zand met genoegzame hoeveelheid 
salpeterzuur , zoutzuur en water in de warmte behandeld, het 
zuur reagerende filtraat met zwavelwaterstofgas ontleed, van 
het gevormde zwavelkoper afgefiltreerd, het laatste in salpeterzuur 
opgelost, en de gefiltreerde oplossing met potasch ontleed, 
het praecipitaat gewasschen, gedroogd en gegloeid. Het keper- 
oxyde woog 9,527 grm. en beantwoordt aan 7,6063 grm. koper. 

100 grm. zand bevatten dus 1,5213 grm. zuiver koper. Zoo 
als reeds vermeld is, waren uit de geheele hoeveelheid zand 
0,790 grm. koperstukjes uitgezocht, voor 100 grm. zand 0,0509 
grm. bedragende, en beantwoordende (80 ten honderd ruim 
koper bevattende) aan 0,0407 grm. zuiver koper. Deze bij de 


din kar 


naad ide Ne tn EE B eme 


ë er 
sp h t E 


53 


reeds verkregene hoeveelheid gevoegd, geeft voor 100 grm. zand 


1,552 grm. zuiver kopermetaal. 


Het koper is slechts voor een klein gedeelte als koper- 
metaal daarin aanwezig; het meeste in vorm van enkelwoudig 


_ zwavelkoper (zoogenoemd koperindigo of corellit in eenen 


eenigzins aardachtigen vorm). Op dit laatste mineraal is bij- 
zonder te letten. Het heeft een soortelijk gewigt van 9,8 en kan 
dus gemakkelijk , wanneer het zand gewasschen wordt, mede 
worden weggewasschen en op deze wijze verloren raken. Van 
daar ook stellig de opgave, dat het zand weinig koper bevat. Men 
had waarschijnlijk meer op het koper in metaalvorm gelet, het- 
welk door de goudgravers daar ter plaatse na het wasschen voor 
een groot gedeelte was overgebleven en gedeeltelijk verzameld. 

Het koperindigo stelt kleine, zwartblaauwe, aardacbtige 
stukjes daar, die in een open glazen buisje verhit , onder ont- 
wikkeling van zwaveligzuur met eene blaauwe vlam branden. 
De zoo geroosterde massa smelt op kool tot een’ magnetischen 
kogel en toont voorts voor de blaasbuis de gewone koperreaktie. 

Het zand zelf heeft een soortelijk gewigt van h1A4A, is 
onregelmatig grofkorrelig, bevat, behalve de reeds vermelde mi- 
neralen, eene zekere hoeveelheid zwart ijzerhoudend zand, door 
den magneet uit te trekken; voorts eene kleine hoeveelheid 
goud; vele kristallen van zwavelijzer, die het zand een glin- 
sterend aanzien geven, en eindelijk stukjes van kwarts en van 
silikaten. 

Het in het zand bevatte koper is van eene goede hoedanig- 
heid. Van de boven verkregene 9,527 grm. koperoxijde heb 
ik een gedeelte met kool en wat borax in een kroesje in de 
witte gloeihitte behandeld , ten einde het koperoxijde tot ko- 
per te herleiden; het verkregen koper was zuiver. 


B. Flesch b. 


Deze was bijna geheel met zand gevuld; het zand had een 
geringer soortelijk gewigt, dan het zand in flesch a, namelijk 
4,059; bevatte veel minder zwart ijzerhoudend zand, ook veel 
minder goud en was veel grofkorreliger. 


Shih 


Geen koper in metaalvorm kon men daarin ontdekken — 
echter betrekkelijk veel van het bovenvermelde enkelvoudige 
zwavelkoper. 

In het rapport van den heer Van Deventer is vermeld, 


dat het natuurlijk voorkomende zand op de plaats zelve door _ 


wassching van de kleiaarde bevrijd is. Speciale opgaven om- 
trent deze wassching zijn niet vermeld. Het verschil dezer 
twee soorten kan of natuurlijk, of door de bewerking veroor- 
zaakt zijn. Door het gehalte aan zwavelkoper is dit zand evenzoo 
belangrijk als het zand in flesch a. 


| 


NIEUWE BIJDRAGE 


TOT DE KENNIS DER 


ICHTHYOLOGISCHE FAUNA 


VAN 


AMBOIN A. 


DOOR 


Dr. P. BLEEN ER. 


Na in een paar artikels, opgenomen in het Natuurkundig 
tijdschrift voor Nederlandsch Indië (fl), te hebben kunnen bij- 
dragen tot de. kennis der visschen van de Moluksche eilan- 
c en, en in het bijzonder tot die van Banda, Amboina en Ceram, 
zie ik mij op nieuw in staat gesteld, iets aan die kennis te 
kunnen toevoegen. In Junij 1852 ontving ik weder eene be- 
langrijke verzameling visschen van Amboina, welke ik te dan- 
ken heb aan de vriendschap en wetenschappelijken ijver van 
den heer Dr. J. Harrzrerp, chirurgijn majoor ter hoofdplaatse 
van het gouvernement der Molukken. Deze verzameling bevat 
63 soorten, allen in uitmuntenden toestand van bewaring, 


4 (1) Bijdrage tot de kennis der ichthijologische fauna van de Bauda-ei- 
landen. Nat. Tijdschr. N. Ind. IL. 1851 p. 225 — 261. 

k Bijdrage tot de kennis der ichthijologische fauna van de Moluksche 
eilanden. Visschen van Ambcina en Ceram. Nat. Tijdschr. Ned, Ind. UI 
1852 p. 228 — 309. 


ä UI 10 


546 


meerderen nieuw voor de kennis van Amboina en de Molukken _ 
en enkelen ook nieuw voor de wetenschap. De bedoelde 63 
soorten zijn de hieronder genoemde. | 


1. Apogon Hartzfeldii Blkr. 

2. » melas Blkr. 

3. Serranus cyanostigma K. v. H. 
Á. » pardalis Blkr. 

5 » mieroprion Blkr. 

6. Mesoprion octolineatus Blkr. 
rf » Russellii Blkr. 
8 
2) 


» bottonensis Blkr. 
k » fulviflamma Blkr. 
10. » striatus Blkr. 


1á. » marginatus Blkr. 
12. Holocentrum sammara CV. 
18. Upeneoïdes variegatus Blkr. 
14. Pterois zebra CV. 

15 » _ volitans CV. 

16. Apistus fusco-virens QG, ? 
17. » _ taenianotus CV. 
18. Scorpaena diabolus CV. 
19. Diagramma punctatum Ehr. 
. Scolopsides bilineatus CV. 
. Lethrinus opercularis CV, 


fen) 


bo 


. Caesio coerulaureus Lac. 


Ko bo Ie he 
Js 


ke) 


‚ Gerres oyena CV. 

24. Chaetodon vagabundus Bl. 
25. » virescens CV. 

26. Zanclus cornutus CV. 

27. Scatophagus argus CV. 

28. Toxotes jaculator CV. 

29. Chorinemus sancti Petri CV. 
30. Caranx Forsteri CV. 

31. Carangoïdes blepharis Blkr. 


32. Amphacanthus dorsalis GM 


33. » Kopsii Blkr. 


AQ dezer soorten kwamen niet voor in de verzamelingen, 
welke ik vroeger van Amboina ontving en 19 zijn nieuw voor 
de kennis der Moluksche eilanden. In mijne bovenbedoelde bij 
drage werd het aantal van Amboina bekende vischsoorten op= 


34. Priodon annularis CV. 
35.*Keris amboinensis Blkr. 
36. Callionymus dactylopus Ed. Benn. 
37. Amphisile scutata Cuv. 

93. Fistularia immaculata Comm. 
99. Amphiprion chrysurus CV. 

40. » melanopus Blkr. 
41. Pomacentrus melanopterus Blkr. 
42, Julis (Julis) lunaris CV, N 
43. » (__» ) dorsalis QG. 
44. » (Halichoeres) interruptus Blkr. 
45. » (_“» _) Hartzfeldii Blkr. © 
46. Novacula julioïdes Blkr. 


47. Belone cylindrica Blkr. Ei 
48. Hemiramphus Quoyi CV.? 

49. Plotosus lineatus CV. el 
50. Saurida nebulosa CV. 

51. Echeneis neucrates L. 4 
52. Rhombus sumatranus Blkr. 
53. Balistes lineatus Bl. Schn. 


54. » praslinus Lacép. l 
© aculeatus Bl. Schn. á 
RE vidua Soland. 
57. Tetraödon hijpselogeneion Blkr. 
58. » laterna Richards. 
59. » papua Blkr. 

60. Diodon punctatus Cuv. 
61. 7» novemmaculatus Cuv. 
62. Pegasus volans L. Lac. El 
63. Taeniura lymma MH. 


8 


BMT 


gegeven te bedragen 116. Thans zijn mij, voor zoo ver ik heb 
Kunnen nagaan, met zekerheid als Amboinasche vischsoorten 
_ bekend de {53 hieronder genoemde. Achter hare namen zijn 
ú gevoegd de aanhalingen der plaatsen, waar ik ze in vroegere 
__ verhandelingen heb beschreven. 


1. Apogon melas Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 

2 » roseipinnis CV. Nat. T. Ind. III p. 253. 

9. » orbicularis K. v. H. ibid. p. 254. 

4. » Hartzfeldii Blkr. ibid. p. 254. 

5. Ambassis Dussumierii CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 
6. » urotaenia Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 257. 

7. Cheilodipterus quinquelineatus CV. ibid. II p. 253. 

8. Serranus microprion Blkr. 

9, » cyanostigma K. v. H. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. 
E10. » leucogrammicus Rwdt. ibid. 

1. _» _ crapao CV. ibid. 

© 12. __» amboinensis Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 258. 
E13. » pardalis Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoid. 
E14. » biguttatus CV. 
415. Mesoprion Russellii Blkr. Verh. B. Gen. XXII Perc. 

8 16. » fulviflamma Blkr. = Diacope fulviflamma CV. 
Re 17. » marginatus Blkr. == Diacope marginata CV. ? 
MS. >» octolineatus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII. Perc. 
A 19, » amboinensis Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 259. 
E20. » unimaculatus QG. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. 
E 21. bottonensis Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 170. 

e 22. Therapon theraps CV. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. 

Ee BO > servus CV. bid. 

_ 24. Priacanthus japonicus CV? Nat. T. N. Ind. H p. 174. 
25. » macracanthus CV. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. 
26. Myripristis parvidens CV? Nat. T. N. Ind. III p. 260. 
27. » microphthalmus Blkr. ibid. III p. 261. 

a 29. 


Y 


Holocentrum sammara CV. 


» diadema CV. Nat. T. N. Ind. III p. 259. 
. Sphyraena obtusata CV. Bat. Gen. XXII Perc. 
» Commersonii CV. ibid. 


‚ Upeneoïdes bivittatus Blkr. ibid. 

» variegatus Blkr. ibid. 

„ Dactylopterus orientalis CV. Nat. T. N. Ind. HI p. 264. 
‚ Pterois volitans CV. Verh. Bat. Gen, XXII Sclerop. 

__» antennata CV. 


548 


. Pterois zebra CV. Nat. T. N. Ind. III p. 265. 
. Scorpaena diabolus CV. ibid. III p. 266. 
. Apistus fusco-virens QG,? ibid. III p. 269. 


» taenianotus CV. 


e al je En 
» longispinis CV. 


/ Pean punctatum Ehr. CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Sciaen. 
„ Scolopsides bilineatus CV, ibid. 


» Iycogenis CV. ibid. 


. Chrysophys bifasciata CV. 

„ Caesio coerulaureus Lac. Verh. Bat. Gen. XXIII Maen. 
. Emmelichthys leucogrammicus Blkr. ibid, 

‚ Gerres oyena CV. ibid. 

„ Chaetodon princeps CV, ibid. Chaetodont. 


» vittatus Bl. Schn. ibid. 
» virescens CV. ibid. 

» oligacanthus Blkr. ibid. 
» vagabundus Bl. ibid. 


» strigangulus Sol. Nat. T. N. Ind. II p. 239. 


. Heniochus macrolepidotus CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod. 
. Taurichthys viridis CV. ibid. 
. Zanelus cornutus CV. ibid. 


. Scatophagus argus CV, ibid. 


» ornatus CV. 


. Platax Blochii CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod. 
. Pempheris mangula CV. ibid. 
‚ Toxotes jaculator CV. ibid. 


63. Scomber loo CV. ibid. XXIV Makr. Visschen. 

64. Chorinemus sancti Petri CV. ibid. 

65. » tol CV. ibid. 

66. Megalaspis Rottleri Blkr. ibid. vl 

67. Selar trachurus Blkr. 

€83. _» boöps Blkr. Verh. B. Gen. XXIV Makr. Visschen. 

69. Caranx Forsteri CV. ibid. 

70. » _ ekala CV. ibid. 

TIE » —_ Peronii CV. 

72. Carangoïdes blepharis Bikr. Verh. B. Gen. XXIV Makr. Vissch. 
1e » opkthalmotaenia Blkr. Nat. T. N. Ind. UI p. 271. 
74. Temnodon saltator CV. 

75. Amphacanthus dorsalis CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Teuth. 

76. » margaritiferus CV. 

71. » Kopsii Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 488. 
78 


. Acanthurus hepatus Bl. 


A "" 


dt” B ak à ak in 

rar ri od 
BEE hese 
7 


549 


‚ Priodon annularis CV. 
80. 
81. 
82. 
83. 
84. 
55. 
86. 
87. 
83. 
89. 
90. 
O1 
02. 
93. 
94. 
95. 
96. 
97. 
98. 
99: 

100. 

101. 

‚ 102. 

103. 

104. 

105. 

106. 

R07. 

108. 

109. 

110. 

di. 

112. 

113. 

114. 

115. 

116. 

117. 

118. 
m9, 

120. 


Keris amboinensis Blkr. Nat. T.N. Ind. III p. 272. 
Atherina cylindrica CV. 

» lacunosa CV. 
Petroskirtes anema Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 273. 
Gobius cyprinoïdes Pall. 

» caninoïdes Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 274. 
Periophthalmus Schlosseri Bl. Schn. Verh. B. Gen. XXII Gobioid. 
Callionymus filamentosus CV. Nat. T. N. Ind. III p. 278. 

» sagitta Pall. ibid. IT p. 31. 
» ocellatus Pall. 
» dactylopus Ed. Benn. 
Antennarius hispidus Comm. Nat. T. N. Ind. III p. 280. 
Fistularia inmmaculata Comm. ibid. II p. 281. 
Amphisile scutata Cuv. ibid, II p. 245. 
» velitaris Cuv. 
Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. Nat. T. N. Ind. III p. 232. 
» chrysurus CV, 


» melanopus Blkr., 
Pomacentrus nematopterus Blkr. Nat. I. N. Ind. III p. 285. 

» prosopotaenioïdes Blkr. ibid. III. p. 286. 

» melanopterus Bkr. 
Glyphisodon rahti CV. Nat. TI. N. Ind. III p. 287. 

» melas K. v. H. Verh. Bat. Gen. XXI. Kamsch. Labroïd. 
Heliases analis CV. 


Dascyllus aruanus CV. Nat, T. N. Ind. II p. 247. 
Julis (Halichoeres) interruptus Blkr. ibid, II p. 252. 
né » ) Hartzfeldti Blkr. 
» (Jelis) lunaris CV. Verh. Bat. Gen. XXII. Gladsch. Labr. 
» (_» ) dorsalis QG, 
Novacula julioïdes Blkr, Nat. T. N. Ind. II p. 254. 
Gomphosus Cepedianus QG. 
Epibulus insidiator CV. Verh. B. G. XXII Gladsch. Labr. 
Plotosus lineatus CV. ibid. XXI Siluroid. batav. 
Hemiramphus Quoiji CV. Nat. T. N. Ind. II p. 491. 
» Dussumierii CV. 
Belone cylindrica Blkr. Verh. B. Gen. XXIV Snoek. 
Alausa melanurus CV. ibid. XXIV Har. Vissch. 
Saurus myops CV. 
» trachinus T.Schl. Nat. T. N. Ind. II pg 201 
Saurida nebulosa CV. ibid. III p. 292. 
Tetragonopterus argenteus Less. 


550 


121. Echeneis neucrates L. Verh. B. G. XXIV Chir. ete. 
122. Muraena colubrina Richards. 

123. Rhombus sumatranus Blkr. Nat. T. N. Ind. IT p. 409. 
124. » poecilurus Bikr. ibid. III p. 293. 

125. Solea trichodactyla Cuv. 

126. Plagusia Kopsii Blkr. Nat. T. N. Ind. IT p. 494. 
127. Balistes lineatus Bl. Schn. ibid. II p. 260. 

128. » vidua Soland. 

129. » _ aculeatus Bl. Verh. B. Gen. XXIV Balist. 


130. » praslinus Lac. ibid. 


181. » ambonensis Gr. Hardw. 
2. Monacanthus tomentosus Cur. Verh. Bat. Gen. XXIV Balist. 
ò. Fetraödon laterna Richards. Nat. T. N. Ind. III p. 299. 
4. » virgatus Richards. ibid. III p. 299. 
135. » hypselogeneion Blkr. ibid. III p. 300. 
156. » kappa Russ. ibid. III p. 304. 
137. » papua Blkr. Verh. Bat, Gen. XXIV Blootk. Vissch. 
138. > margaritatus Rüpp. Nat. T. N. Ind. II p. 302. 
189. Diodon novemrmaculatus Cuv. 
149. Triodon bursarius Kwdt. Verh. B. Gen. XXIV Blootk. Vissch. 
141. Ostracion cornutus L. ibid. XXIV Balist. Ostr. 
142. » ecubicus Bl. ibid. 
143. Syngnathus haematopterus Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 259. 
144. » fasciatus Gr. Hardw. 
145. Syngnathoïdes Blochii Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 259. 
146. Hippocampus taeniopterus Blkr. ibid. IL p. 306. 
147. » moluccensis Blkr. ibid, III p. 306. 
148. Solenostoma paradoxum Laccp. ibid. HI p. 309. 
149. Pegasus volans L. ibid. III p. 307. 
150. » draconis L. 
151. Carcharias (Prionodon) amboinensis MH. 
152. Pristis cuspidatus Lath. | 
9. Taeniura lymma MH. Verh. B, Gen. XXIV Plagiost. 


Álle soorten, achter welker namen de plaats der beschrij- 
vingen is aangehaald, bevinden zich in’ mijne verzameling. 
Serranus microprion, Pomacentrus melanopterus, Amphiprion 
melanopus en Julis (Halichoeres) Martzfeldii beschouw ik als 
nieuw voor de wetenschap. Behalve de beschrijvingen dezer 
vier nieuwe soorten heb ik hieronder nog laten volgen, die 
van Mesoprion marginatus Blkr, Mesoprion fulviflamma Bikr 


551 


Holocentrum sammara CV, Apistus taendanotus CV, Priodon 
annularis CV, Callionymus dactijlopus Ed. Benn, Amphiprion 
_ manthurus CV, Julis (Julis) dorsalis QG., Balistes vidwa Soland. 
| en Diodon Nnovemmaculatus Cuv, welke soorten grootendeels 
nieuw: zijn voor mijn kabinet, en welker diagnosen bij de 
_ verschillende schrijvers in meerdere of mindere mate te wen- 
\ schen overlaten. 


DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE, 


Serranus microprion Blkr. 


Serran. corpore oblongo compresso, altitudine 5% ad 34 in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuúto 34 ad 34 in 
longitudine corporis; altitudine ecapitis 14 circiter in ejus longitudine; 
oculis- diametro 5 et paulo in longitudine capitis; linea rostro-frontali de- 
clivi rectiuscula; rostro maxillaque superiore alepidotis; maxilla inferiore | 
inferne tantum squamosa; maxilla superiore inferiore breviore, post ocu- 
lum desinente, dentibus pluriseriatis, serie externa conicis, seriebus in- 
ternis setaceis antice longioribus in thurmas 2 collocatis et insuper cani- | 
nis 2 medjocribus; maxilla inferiore dentibus antice pluriseriatis serie in- 
terna longioribus, antice caninis 2 vel 4 parvis; praeoperculo rotundato 
angulato, margine posteriore denticulis vix conspicuis; suboperculo inter- | 
operculoque margine tactu scabriusculis denticulis inconspicuiss operculo 
spinis 3, media longiore, inferiore breviore; dorso elevato valde convexo; 
ventre rectiusculo; squamis lateribus ciliatis 75 p. m. in serie longitudi- 

. mali; pinnis dorsali et anali radiosis rotundatis; dorsali spinosa dorsali 
radiosa paulo humiliore, spinis mediis et posterioribus subaequalibus cor- 
pore triplo circiter humilioribus; pectoralibus acutiuscule rotundatis 4 et 
paulo, ventralibus acutiusculis 6 ad 62, caudalí rotundata 5% ad 6 in longi- 
tudine corporis; anali spina media capite paulo plus duplo breviore; cO- 
lore corpore pinnisque fusco vel nigro; capite ocellis parvis confertis / 
coeruleis nigro cinctis; squamis lateribus singulis macula parva trigona 
nigra; pinnis verticalibus margines versus profundioribus. | 

Be 7D. 9/15 vel 9/16. B: 2/14, V. 1/5, A rDAE EVEL en 

lat. brev. 

Habit. Amboina, Batavia, in mari. 

Longitudo 3 speciminum 140’ ad 156’//. 


Aanm. Deze soort heeft in habitus veel van Serranus ro- 
gaa CV. Büpp., doch zij kan deze niet zijn, vermits van Ser- — 
ranus rogaa opgegeven wordt, dat zij eene regthoekig geknotte — 
staartvin bezit, tot formule heeft D. 9/18. P. 19. A. 3/10 d 
(RürrerL) of D. 9/17. P. 16. A. 9/9 (Cuvier), en voorts de E 


553 


Ë kaken beschubt. Mijne drie specimina zijn afkomstig van Ba- 
_ tavia en Amboina. De twee Bataviasche hebben het ligchaam 
\ fraai bruin, het Amboinesche ligchaam en vinnen zwart. 


if Mesoprion fulviflamma Blkr. 


Mesopr. corpore oblongo compresso, altitudine 32 circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 24 ad 2 et paulo in ejus altitudine; capite 34 circi- 
Ster ín longitudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in ejus longitu- 
"i dine; oculis diametro 8% ad 4 circiter in longitudine capitis; linea rostro- 
RN frontali declivi rectiuscula vel convexiuseula; osse suborbitali sub oculo 
ie junioribus oculo plus duplo, aetate provectioribus oculo duplo circiter humi- 
Jd lore; maxillis aequalibus, superiore sub dimidio oculi anteriore desinente, 
| _dentibus serie externa conicis antice caninis 4 ad 6 mediocribus; maxilla 
„  inferiore dentibus serie externa conieis, Jateralibus aliquot caninoïdeis an- 
j tieis majoribus; praeoperculo postice et inferne denticulato, incisura su- 
E' perficiali; operculo spinis 2 planis parum conspicuis; dorso elevato; squa- 
_ mis lateribus 50 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali parte spinosa 
Ee parte radiosa altiore, spina 1* ceteris breviore, 4° ceteris longiore 21 ad 
Wo: in altitudine corporis, parte radiosa rotundata; pinnis pectoralibus 
b acutis 4 circiter, ventralibus acutis 6 ad 64, caudali expansa truncata vel 
_ subtruncata angulis acuta'41 gd42 in longitudine corporis; anali spina me- 
dia ceteris vulgo longiore, parte radiosa angulata dorsali radiosa altiore ; 
| ‚ eolore corpore superne' rostroque olivaceo, lateribus inferneque flavo; fas- 
cis cephalo-caudalibus utroque latere 6 vel 7 aureis, fascia superiore in 
‚linea laterali; macula magna rotundata nigra sub initio dorsalis radiosae 
usque sub spinas dorsales posteriores sese extendente dimidio inferiore li- 


‚nea laterali percursa; pinnis flavis vel aurantiacis. 
7D. 10/13 vel 10/14. P. 2/14, V. 1/5. A. 3/8 vel. 3/9. C. 17 et 
lat. brev. ( 
Ei Synon. Sciaena fulviflamma Forsk. Faun. arab. p. 45 n° 45. 
Perca fulviflamma Bl. Schn. Syst. posth. p. 28. 
Centropomus hober Lae. Poiss. IV p. 249, 255, 256, 268. 
Sciëne hober Bonnat. Planch. Encyclop. méth. 
Diacope fulviflamma CV. Poiss. II p. 319. Rüpp. Atl. R. N. 
gfrie, sE. RM, p.-72 tab. 19 fig 2. 
Diacope hober CV. Poiss. II p. 319. 
Abou nocta, Babar, Hober, Haalbiri Arab. 
Jkan Djennahah Mal. Batav. 
Habit. Amboina, Batavia, in mari. 
_ Longitudo 5 speciminum 160’ ad 233'/, 


| __Aanm. Zooals ik elders reeds heb opgemerkt, kunnen Dia- 


ed 


554 


cope en Mesoprion niet als twee geslachten gelden. De ge- 4 


slachtsnaam Mesoprion is te verkiezen boven Diacope, eens- 
deels omdat de naam Diacope reeds door HüBnrr aan een ge- 
slacht van Lepidopteren gegeven is en ten andere, omdat de 
naam Diacope (insnijding) eene onjuiste beteekenis zou hebben 
wanneer men hem toepaste op de soorten, bij welke het prae- 
operkel geene insnijding heeft. 

De heer Rürperr (Neue Wirbelth. F. Abyss. F. R. M. p. 94) 
brengt tot de synonymen van Mesoprion fulviflamma ook Me- 
soprion monostigma CV. De soort, welke ik in mijne Bijdrage 
tot de kennis der Percoïden van den Indischen Archipel (Verh. 
Bat. Gen. XXII), heb beschreven als welligt te zijn Mesoprion 
monostigma CV. is bepaald eene andere als Mesoprion fulvi- 
flamma, onderscheidende zich, wanneer men exemplaren van 
dezelfde grootte vergelijkt, de eerste van de laatste door hoo- 
gere onderoogkuilsbeenderen, afwezigheid der overlangsche goud= 
kleurige banden, Î straal meer in de rugvin enz. In mijn 
groot ichthyologisch plaatwerk over den Indischen Archipel, 
welks uitgave door de zeer groote daaraan verbondene kosten, 
nog geen begin heeft kunnen nemen, zijn die verschillen door 
naauwkeurige afbeeldingen aanschouwelijk gemaakt. 


Mesoprion marginatus Blkr. 


Mesopr. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus lon-- 


gitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite 82 eirciter in lon- 


gitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; oculis — 
diametro 4 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rec- — 


tiuscula; osse suborbitali sub oculo oculo minus duplo humiliore; ma- 
xillis subaequalibus, superiore sub oculi dimidio anteriore desinente, den- 


tibus serie externa conicis, antiore caninis 4 vel6 parvis; maxilla inferiore — 


dentibus serie externa conicis lateralibus aliquot ceteris paulo majoribus; 
praeoperculo postice et inferne denticulato, angulo rotundato dentibus ma=- 


joribus, supra angulum incisura profunda, margine posteriore supra inci- 


suram denticutis minimis; operculo spinis 2 planis, obtusis, parum con- 


spicuis; dorso elevato; squamis lateribus 50 p. m. in serie longitudinalis; 


pinna dorsali parte spinosa parte radiosa paulo altiore, spina 1* ceteris — 


breviore, spina 4° ceteris longiore 22 in altitudine corporis, parte radiosa 


rotundata; pinnis pectoralibus acutis 4, ventralibus 6, caudali extensa trun= 


555 


cata vel vix emarginata angulis acuta 5 in longitudine corporis; anali spi= 
ns , 2" spina 3 vix longiore, parte radiosa rotundata dorsali radiosa altiore; 
colore corpore superne olivaceo-roseo inferne flavo; rostro violacco; pin- 
fs pa dorsali rubra superne late violacea, radiosa flavo marginata; pectora- 
‚ libus roseis; ventralibus analique aurantiaco-flavis; anali apice fuscescente; 
caudali fuscescente-rtbra, postice violacea flavo marginata. N 
BRA DeatOAlAsvel 10/15. B..2/14. V. 1/5, A.-3/8 vel 3/9. C. 17 et 
lat. brev. 

Synon. Diacope marginata CV. Poiss. II p. 320? 

Diacopz bordée CV. ibid. ? 
ä Nakadisé Incol. Ponticer? 

Diacope vanthopus CV. Poiss. III p. 865? 
Habit. Amboina, in mari. 
Longitudo speciminis unici 202” 


Aanm. Mesoprton marginatus komt mij voor dezelfde soort 
te zijn als Diacope marginata CV. van Pondicherrij en Oualan, 
doch het niet bestaan eener voldoende beschrijving van laatst- 
genoemde, maakt de gelijkstelling onzeker zonder vergelijking 


der specimina. Bij mijn specimen zie ik geen spoor van don- 
kere zijvlek. Ik vermoed, dat ook Diacope mvanthopus CV. van 
Ceijlon tot dezelfde species behoort, en het verdient nog na- 
der aangetoond te worden in hoeverre Diacope ae is CV: 


er soortelijk van verschilt of niet. 


I olocentrum sammara CV. Poiss. III p. 161. Blkr. 
Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. p. 55. 


_Holoc. corpore oblongo compresso, altitudine 83 ad 44 in ejus longitu- 
dine, latitudine 12 ad 12 in ejus altitudine; linea rostro-frontali convexa; 
capite acuto 34 ad 32% in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circi- 
er in ejus longitudine; rostro acuto oculo breviore; oculis diametro 24 
d 3 in longitudine capitis; osse suborbitali vix emarginato dentibus bene 
 Gonspicuis postrorsum spectantibus; maxilla superiore inferiore breviore, 
alde protractili, sub pupilla desinente; dentibus supraorbitalibus et oper- 
Cularibus numerosis; spina praeoperculari oculo plus duplo breviore, non 
enticulata, aperturam brancialem attingente sed non vel vix superante; 
perculo spinis 2 validis subaequalibus, margine infra spinis non curvato 
lentibus parvis aequalibus armato; vertice lateribus striis 9 p. m. diver- 
fentibus; linea dorsali convexa, linea ventrali rectiuscula; squamis lateri- 
us 35 ad 40 in serie longitudinali; pinna dorsali usque ad basin incisa, 


356 


spina 8* ceteris longiore, spinis 2 ultimis spina 1* plus duplo brevioribus, 
parte radiosa angulata obtusa parte spinosa vix vel non altiore; pinnis 
pectoralibus et ventralibus subaequalibus, acutis, 54 ad 6 in longitudine 
corporis; anali spina 3* maxima 5 ecirciter in longitudine corporis parte 
radiosa angulata altiore; caudali profunde incisa lobis acutis rotundatis 5% 
ad 54 in longitudine corporis; colore corpore dorso violascente vel rubro- 
violaceo, lateribus inferneque roseo-argenteo; pinnis roseis, ventralibus 
tantum albescentibus. 
B. 8. D. 11/12 vel 11/13. P. 2/11 vel 2/12. V. 1/7. A: 4/8 vel 4/08 
C. 5—19—4 vel 4194, 8 
Var. a. Vittis longitudinalibus fuscis vel violaceis 8 ad 12, genis ni- 
gro guttatis, pinna dorsali antice macula magna nigra, 
pinna caudali fasciis 2 longitudinalibus violascentibus. 
b. Vittis et guttis ut supra, pinna dorsali macula nigra nulla, 
pinna caudali fasciis 2 longitudinalibus violascentibus. 
ce, Corpore vittis longitudinalibus guttisque capite nullis vel sub- 
inconspicuis; pinna dorsali antice macula nigra et inter 
singulas spinas superne et inferne macula lutea, pinna 
caudali non fasciata. 
d. Corpore vittis longitudinalibus guttieque ecapite nullis vel sub- 
inconspicuis, pinna dorsali antice macula nigra, caudali 
fasciis 2 longitudinalibus violascentibus. 
Pynon. Schouwerdick Ren. Poiss. Mol. I. tab. 29 fig. 156 ? 
Sciaena sammara Forsk. Descr. anim. p. 48 No. 58. Lac. 
Poiss. IV p. 814. 
Labrus angulosus Lac. Poiss. III p. 480. 
Labre anguleur Lac. ibid. III tab. 22 fig. 1 
Perca samara Bl. Schn. Sijst posth. p. 89. | 
Holocentrus samara Rüpp. Atl. R. N. A. F. R. M. p. 85 tab. 22 
fig. 8. 
Holocentre sammer CV. Poiss. III p. 161. 
Holocentrum christtanum Ehr. CV. Poiss. III p. 162. 
Holocentre chrétien CV. Poiss. III p. 163. 
Abou ümsammer, Homri, Farer vel Elagmar Arab. 
Habit. Amboina, Sumbawa, in mari. 
Longitudo 5 speciminum 60” ad 136” 


Aanm. Mijne verzameling bevat thans 5 soorten van Holo- 
centrum, t. w. Holocentrum leonoïdes Blkr., Holocentrum orten- 
tale CV, Holocentrum diadema Lac., Holocentrum operculare 
CV. en Holocentrum sammara CV. Deze laatste is van de 
_everige Á gemakkelijk te onderscheiden, doordien er de prae-_ 


‘slechts van voren eene zwarte vlek heeft of in het geheel niet 
zwart is enz. Ik bezit er thans 5 specimina van, waarvan ech- 
ter geene twee in kleurteekening geheel op elkander gelijken, 
4 zoodat de soort vele varieteiten schijnt te bezitten. De groote 
_ zwarte rugvinvlek is slechts bij drie dezer specimina aanwezig; 
\ de zwarte wangvlekjes zie ik slechts bij 4 hunner en verschil- 
Jen weder bij die 4 in talrijkheid; de donkere overlangsche 
_ staartvinbanden bestaan slechts bij de drie grootste specimina, 
5 wat op eene leeftijds-verscheidenheid schijnt te duiden; de over- 


SCLEROPAREL. 


| Apistus taenvanotus GV. Poiss. IV p. 298. Richards. 
Voy. Samar. Ichth. p. 5 tab. 4 fig. 1,2. 


Apist. corpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite obtuso & in longi- 
_tudine corporis, paulo longiore quam alto; linea rostro-frontali concava;5 
\oculis diametro 34 circiter in longitudine capitis, minus diametro ì ap- 
_proximatis; rostro paulo ante frontem prominente; spinis suborbitalibus 
E2, superiore inferiore longiore sub pupilla desinente; rictu parvo; maxil- 
lis aequalibus, superiore sub oculi parte anteriore desinente, inferiore cir- 
ris nullis; dentibus maxillaribus, vomerinis et palatinis minimis; prae- 
_operculo spinis 5, superiore acuta spina suborbitali superiore non breviore, 
inferioribus brevibus; linea laterali prope basin pinnae caudalis desinente; 
_squamis corpore minimis conspicuis, confertissimis; pinna dorsali integra, 
fronte ante oculum incipiente, spina 1* oculo vix longiore, 2 corpore vix 
_humiliore spinis ceteris longiore, spinis mediis spina 22 duplo et spinis 
‚ posticis paulo brevioribus; membrana inter spinas anteriores margine su- 
„periore convexa; dorsali radiosa rotundata cum basi caudalis unita, cor- 
pore humiliore; peetoralibus rotundatis, radio libero nullo 22, ventralibus 
acutiusculis 54 circiter, caudali obtusa convexa 4 fere in 1öiitddies cor- 
poris; amali spina 3* ceteris longiore corporis altitudine minus duplo bre- 
 viore, parte radiosa rotundata; colore corpore fuscescente; pinnis fusces- 
cente- =viridibus favescente-aurantiaco marginatis, dorsali analique radiosis 


558 


et caudali postice binten caudali radiis singulis medio 
puncto nigro. 
Bo. De hi/e Pi A2. NV. 1/5: AL 3/5, 05 LAret Tab Een. 
Synon, Sambia dourie Vlam. Rec. No. 247? 
Taenianote large=raie Luacép. Poiss. IV tab. 3 fig. 2 (exclus. 
descript.) 
Habit. Amboina, in mari. 
Longitudo speciminis unici 86'//. 


Aanm. Van Apistus taenianotus GV. schijnen eenige varie- 
teiten te bestaan, onderling verschillende door min of meer 
bruin gevlekt zijn van rugvin en ligchaam en door ligte ver-_ 
schillen in de getallen der vinstralen. | | 


TEUTHIDES. 


Priodon annularis GV. Poiss. X p. 228 tab. 094. QG. 
Loöl. Voyag. Freycin. p. 877. 


Priod. corpore ovali, altitudine 24 in ejus longitudine, latitudine 3 et paulo in 
ejus altitudine; capite obtuso 43 in longitudine corporis, altiore quam longo; 
linea rostro-frontali concava; oculis diametro 22 in longitudine capitis; rictu 
parvo, longe ante oculum desinente; dentibus maxillis apieem versus den- 
ticulatis, acutis, confertis, parvis; praeoperculo operculoque oblique ro- 
tundatis; dorso et ventre subearinatis, valde convexis, dorso ventre con- > 
vexiore; cute toto corpore squamis minimis scabriusculis quasi arenata vel 
granulata; cauda laminis 2 parvis rotundis non armatis; linea laterali con- 
spicua; pinna dorsali non emarginata, spinis scabris, 1° spinis sequentibus 
vix et radiis anterioribus non longiore, 8% circiter in altitudine corporis; 
peetoralibus obtusiusculis oculo duplo circiter longioribus; ventralibus acu- 
tis sub pectoralibus insertis; anali dorsali humiliore spinis scabris 2° spina 
l* longiore sed radiis breviore; caudali extensa subtruncata 5 circiter in 
longitudine corporis; cblore corpore luride viridi fuscescente irregulariter \ 
nebulato; cauda annulo dilutiore cincta; pinnis fuscescente-viridibus vel 
viridibus; caudali violacea flavo marginata. 

B. 4. D. 5/29. P. 2/16. V. 1/3. A. 2/28. C, 16 et lat. brev. 

Synon. Priodon annulaire CV. Poiss. X p. 223 tab. 294, 

Habit. Amboina, in mari. 


Longitudo speciminis unici 112, 


Aanm. Mijn specimen is aanmerkelijk grooter dan het ter 
aangehaalde plaatse afgebeelde. Ik tel er fÎ kieuwvliesstraal en 
ook f rugvin- en aarsvinstraal meer dan in de groote Histoire 


559 


___ CALLIONIJMOÏDEL 
Callionymus dactylopus Ed. Benn. GV. Poiss. XII p. 


K 


Callion. corpore elongato depresso, altitudine 9 circiter, latitudine ma- 


xima 6 circiter in ejus longitudine; capite acuto, convexo, subtrigloïdeo, 


5 et paulo in longitudine corporis, paulo longiore quam lato; altitudine 


__capitis 2 fere in ejus longitudine; oculis 4 circiter in longitudine capitis, minus 
diametro £ a se invicem distantibus; orbitis glabris; rostro acuto, oculo vix 


hs 
id 
if 
nh 


ï co vel glabro; foramine branchiali postera, basi pinnae pectoralis superiori 
Ak: 5 $ p : 5 , E 

___opposita; appendice anal oblonga obtusa; linea laterali bene conspicua capite 
\ 


de : à 8 
A longiore; opereulo non producto; processu praeoperculari oculo breviore, mar- 
__ gine externo dentibus 8 antrorsum spectantibus, margine interno denticulo uni- 


simplice nen divisanec opercula versus descendente; pinna dorsali spinosa 
E spinis filiformibus superne liberis, inferne omnibus membrana unitis, anticis 
 caudam attingentibus; dorsali radiosa corpore altiore postice angulata: pecto- 


H 


et radio 1° a cetera pinna distinctis, spina brevi, radio 1° radio 2° multo 


Kd ralibus flabelliformibus 7 circiter in longitudine corporis; ventralibus spina 


ki longiore apice membranaceo, parte pinnae radiosa convexa postice angu- 


4 lata, membrana cum media basi pinnae pectoralis unita, 5 circiter in lon- 


ij gitudine corporis; anali corpore altiore postice angulata; caudali rhomboï- 
ee dea, 3 eirciter in longitudine corporis; colore corpore superne profunde 
___olivaceo nigricante nebulato, lateribus inferneque dilute viridi; capite, ros- 
Kn tro genisque et corpore lateribus et inferne guttis et ocellis numerosis coe- 
__ ruleis nigro vel violaceo annulatis; mento flavo; pinna dorsali spinosa fus- 
m eescente maculis oblongis coeruleis, spinam 8* inter et 4m macula oblonga 
& nigra coeruleo marginata; pinna dorsali radiosa viridi-fuscescente vittis lon- 
À gitudinalibus irregularibus profunde fuscis 5 vel 6; pinnis peectoralibus su- 
} 4 perne viridibus inferne flavis, radiis superioribus fusco variegatis, mem- 
N brana inferne praesertim guttulis coerulescentibus; ventralibus et anali 
viridi-fascis ocellis et maculis parvis coeruleis nigricante cinctis, basi in- 
(À super guttulis fuscis; caudali dimidio superiore fasciis transversis latis 5 
L © fuscis fasciis aurantiacis alternantibus et vittulis coeruleis nigro marginatis 
 limbatis, dimidio inferiore aurantiaco-flava vittulis pluribus longitudinalibus 
_ eoeruleis nigricante marginatis et insuper maculis parvis numerosis oblongis 
 pigris apicem versus multo majoribus. 
BB. 6. D. 4—9 postic. 83 simplic. P. 1/18. V. 2 + 4, A, 8 omn. sim- 


B pie. C. 1/8/. 


ij 560 


Synon. Callionyme à doigt libre CV. Poiss. XII p. 232. 
Habit. Amboina, in mari. 
Longitudo speciminis unici 156” 


Aanm. Deze bij uitnemendheid fraaije en merkwaardige « 
soort is in het groote vischwerk niet zeer naauwkeurig beschre- 
ven en hare woonplaats niet opgegeven. De staartvin is bij 
mijn specimen ruitvormig en niet afgeknot. De kleuren zijn 
er zeer goed bewaard gebleven. 


LABROÏDEI CTENOÏDEL 


Amphiprion, vanthurus GV. Poiss. V p. 302. 


Amphipr. corpore oblongó compresso, altitudine 21 circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 22 circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo 
44 circiter in longitudine corporis, altiore quam longo; linea rostro-fron= 
tali convexa; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; fronte ale- 
pidota porosa; osse suborbitali sub oculo oculo duplo circiter humiliore, 
dentato, inferne spina deorsum spectante; maxilla inferiore prominente, su- 
periore sub oculi margine anteriore desinente; dentibus masxillis conicis 
valde conspicuis; rictu curvato; praeoperculo subreetangulo, angulo rotun= 
dato, postice denticulis valde conspicuis; ossibus opercularibus eceteris spi= 
noso-dentatis spinis gracilibus; squamis lateribus 48 p. m. in serie longi- 
tudinali; linea laterali simplice sub pinnae dorsalis postica parte interruptas 
pinna dorsali partem spinosam inter et radiosam incisa, parte spinosa ra= 
diosa humiliore spinis 8* et 4* ceteris longioribus, parte radiosa rotundata; 
pectoralibus, ventralibus et caudali obtusis 4 et paulo in longitudine cor- 
poris3 anali postice angulata dorsali radiosa non humiliore; caudali vix 
emarginata angulis obtusa radiis 2 infila brevissima productis; colore cor 
pore antice rubro et aurantiaco-rubro , postice nigricante-fusco, cauda flavo; 
fasciis corpore 3 margaritaceo-coeruleis transversis, 1* nucho-operculari, 2*_ 
dorso-anali, 3* caudali; pinnis, dorsali nigra, pectoralibus, ventralibus ana= 
lique aurantiacis, caudali flava; anali nigro marginata. \ 

B. 5. D. 10/15 vel 10/16. P. 2/17. V. 1/5. A. 2/14 vel 2/15. C. 14 

et lat. brev. - ' 

Synon, Jourdin Ren. Poiss. Mol. I tab. 7 fig. 49? Kk 

Chaetodon, lineis utringue 2 candidis; laminis operculorum serratis_ 
et cauda alba aequali Seb. Thes. III p. 70 tab. 26 fig. 24? 

Spare Mylius Dict. Class. Hist. Nat. ? 

Anthias Clarckii Benn. Ceyl. Fish. p. 29 tab. 29. 


561 p 


Amphiprion à queue jaune CV. Poiss. V p. 502. 

Amphiprion Clarküù CV. Poiss. IV Pe. 372, 

Amphiprron de Clarck CV. ibid. 

Amphiprion chrysargurus Richards. Ichth. Chin, Jap. in Repe 15'% 
Meet. Brit. Assoc. 1845 p. 254. 

Pol Kitjyah Cingalens. 


Hae kin ju Chinens. 
Habit. Amboina, in mari. 
Longitudo speciminis unici 103” 


___Ik geloof dat de aangehaalde afbeeldingen van Sena en Ben- 
_ ner tot Amphiprion xanthurus te brengen zijn. De beschrijving 
_ van Sera beantwoordt vrij wel aan de bovenstaande, en de ach- 
_ terste dwarsche band, door Srra niet vermeld, moet ook bij 
_ Jang in wijngeest bewaarde exemplaren niet meer van den gelen 
1 staartte onderkennen zijn. Anthias Clarckii Benn. beantwoordt 
| geheel aan mijn specimen, met uitzondering slechts, dat de aarsvin 
_ van Anthias Clarckú zwart is afgebeeld, terwijl zij bij mijn spe- 
_cimen oranjekleurig is en slechts zwart gerand. De beschrij- 
_ ving van Amphiprion chrysargurus Richards. past volkomen op 
mijn specimen. Het zou ook wel kunnen zijn, dat Amphiprion 
chrysopterus CV. tot dezelfde soort behoort. 


Amphiprion melanopus Blkr. 


Ì Amphipr. eorpore oblongo compresso, altitudine 24 circiter in ejus lon- 
DS gitudine, latitudine 22 circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo 4 
et paulo in longitudine corporis, altiore quam longo; linea rostro-frontalt 
convexa; oculis diametro 4 cireiter in longitudine capitis; fronte alepidota 
porosa; osse suborbitali Sub oculo oculo minus duplo humiliore, dentato; 
quasi eroso, inferne spina deorsum speetante; maxilla inferiore prominente, 
superiore sub oculi limbo anteriore desinente; dentibus maxillis conicis 
valde conspicuis; rictu curvato; pracoperculo subrectangulo angulo rotundato , 
postice denticulis param conspieuis; ossibus opercularibys ceteris spinoso-den- 
tatis spinis gracilibus; squamis lateribus 48 p. m. in serie longitudinali; li- 
nea Jlaterali simplice sub pinnae dorsalis parte postica interrupta; pinna 
dorsali partem spinosam inter et radiosam parum emarginata, parte spi- 


Rosa radiosa humiliore, spinis mediis ceteris longioribus, parte radiosa 


HL ái 


been vol NE ij 
k Ve re, Ús il 4E EER 
Tes A ain FP « 
ser A ‚he é 


EN 562 


rotundata; peetoralibus obtusis rotundatis 42, ventralibus obtusis 54 eirci- 
ter, caudali convexa 5 fere in longitudine corporis; anali posticé leviter 
angulata dorsali radiosa vix humiliore; colore corpore antice fuscescente- 
rubro, postice nigricante-fusco, cauda postice aurantiaco; fascia nucho- 
operculari margaritaceo-coerulea; pinnis dorsali fuscescente-rubra, pectora- 
libus aurantiaco-rubris; ventralibus analique nigris, caudali flavo-aurantiaca. _ 
B. 5. D. 10/17 vel 10/18. P. 2/17. V. 1/5. A. 2/14 vel 2/15. C. 15 W 
vel 16 et lat. brev. 
Habit. Amboina, in mari. 


Longitudo speciminis unici 95” 


Aanm. Deze soort is de eenige mij bekende van Amphi 
prion, welke slechts een’ enkelen dwarsband bezit en is reeds 
daaraan gemakkelijk te onderkennen. Deze herkenning wordt 
voorts gemakkelijk gemaakt door het zwarte achterlijf, de 
zwarte aars- en buikvinnen en de oranjekleurige bolle onge- 
vlekte staartvin. 


Pomacentrus melanopterus Blkr. 


Pomac. corpore oblongo compresso, altitudine 3 circiter in ejus longi= 
tudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite obtuso, convexo, 44 5 
circiter in longitudine corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 3 
circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali convexa; osse suborbi- 
tali sub oeulo oculo plus duplo humiliore, non dentato; dentibus utraque 
maxilla p. m. 32 conicis; praeoperculo subrectangulo, margine posteriore 
dentibus valde eonspicuis; operculo postice spinulis 2 planis; dorso ventre 
altiore et convexiore; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinalis lie 
nea laterali sub anteriore parte pinnae dorsalis radiosae interrupta; pinnis 
dorsali et anali radiosis obtusis rotundatis subaequialtis, dorsali spinosa 
spina postica spinis ceteris longiore; pectoralibus obtusis 44, ventralibus 
radio 19 paulo producto 44, caudali leviter emarginata lobis obtusis rotun= 
datis 42 circiter in longitudine corporis; lobo caudali superiore inferiore: 
longiore; spina anali 2* dorsali postica longiore; colore corpore pinnisque 
pectoralibus nigricante-viridi, pinnis ceteris violaceo-nigro; pinna pectorali_ 
basi macula magna nigra. Ë 

B. 5. D. 18/18 vel 13/14. P. 2/14. V. 1/5. A. 2/18 vel 2/14. CAM 

et lat. brev. | 

Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo speciminis unici 101” 


563 


borstvinnen en 2' aarsvindoorn, stompe afgeronde straalachtige 
_ rug- en aarsvin enz. 


_ Julis (Halichoeres) Hartzfeldii Blkr. 
‚Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in 
_ ejus longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite convexo, 


„82 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus 


s maxillis dentibus medioeribus, antice ecaninis 2 medioeribus, maxilla 
 superiore postice dente angulari parvo; labiis carnosis; linea laterali sin- 
 gulis squamis fubulo simplice notata; squamis lateribus 30 p. m. in serie 


 longitudinali; pinnis dorsali et anali basi glabris postice-angulatis; pecto- 


in longitudine corporis; colore corpore superne olivaceo , lateribus aureo, in- 
_ferne flavo et viridi-margaritaceo; capite pulchre viridi, rubro-violaceo 
 vittato, vittis oculo-maxillaribus et inframaxillaribus utroque latere 2, vit- 
b tis opercularibus utroque latere 3; lateribus vittis 2 serpentinis longitudi- 
nalibus purpureis coeruleo limbatis, superiore operculo-caudali, paulo post 


limbata, dimidio superiore pulchre flava superne vitta longitudinali coerulea; 
dorsali radiosa basi inter singulos radios ocello coeruleo violaceo cincto; 
pectoralibus flavis, basi superne macula profunde coerulea; ventralibus flavis; 
anali aurantiaca dimidio basalí vitta longitudinali coerulea violaceo margi- 
nata; caudali aurantiaca maculis elongatis rubro-violaceis fascias 3 trans- 
versas similantibus; iride carmosina; dentibus viridibus. 

NB. 6. D. 9/11 vel 9/12. P: 2/11. V. 1/5. A. 3/11 vel 3/12, €,,12 vel 14 
‚et lat. brev. 

: Habit. Amboina, in mari. 


, 


__Longitudo speciminis unici 163 


564 


Aanm. Deze soort heeft groote overeenkomst met Julís 
zeijlonicus Benn. wat de kleurteekening betreft, doch verschilt er 
toch genoegzaam van, om er zich niet mede te laten vereeni- 
gen (|). Ik kan haar tot geene der mij bekende soorten bren- 
gen. Zij is een der sierlijksten van haar geslacht. 


Julis (Julis) dorsalis QG. Voy. Astrolab. tab. 15 fig. 
5. CV. Poiss. XIII p. 329. 


Jul. (Jul.) corpore oblongo compresso, -altitudine 4 circiter in ejus longitu- 
dine, latitudine 24 circiter in ejus aititudine;s capite convexo 4 circiter in lon- 
gitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; oculis 
‚ diametro 44 ad 54 in longitudine capitis, diametro 2 ad 4 a linea rostro- 
frontali convexiuscula remotis; rostro oculo longiore; maxillis dentibus me- 
dioeribus antice caninis medioeribus, dentibus angularibus nullis; labiis car- 
nosis; linea laterali singulis squamis valde ramosa; squamis lateribus lon- 
gitudinaliter striatis, lateribus 27 p. m. in serie longitudinali; squama hu- 
merali maxima; pinnis dorsali et anali basi squamosis postice angulatis, 
dorsali spinosa radiosa humiliore; pectoralibus acutiuscule rotundatis 5, 
ventralibus acutis 9 circiter in longitudine corporis; caudali convexa ra- 
diis externis junioribus non, aetate provectioribos paulo productis 6 circi- 
ter in longitudine corporis; colore corpore superne pulehre viridi, lateri- 
bus flavescente-viridi» inferne margaritaceo ; capite toto violaceo vittis ru- 


(1) De beschrijving van Julis zeylonieus Benn. luidt als volgt: „Jul. pin= 5 
na caudali rotundata; lutescens, capite plumbeo, aurantiaco rivulato; pin- 
nis verticalibus, vitta ad basin pinnae dorsalis coerulea inferne marginata, — 
vitta interrupta apud lineam lateralem ducta, fascia longitudinali laterali 
superne inferneque coeruleo marginata, ramis inde plurimis abbreviatis 
ventrem versus ductis, lineaque obliqua per basin pinnae pectoralis ad ven- 
trem extensa, aurantiacis; pinna dorsali ad basin linea crassa brevi obli- 
qua inter singulos radios, secunda in medio ad radios partis mollis, gutta- 
que versus apicem, coeruleis notata ; pinnae analis vitta media alteraque E 
subapicali, pinnaeque caudalis rivulis subinterruptis verticalibus tribus coe- — 
ruleis. D. 9/11. A. 8/11. Ad ecommissuram oris utrinque dentes majores 
2 approximati; in maxilla superiore antice dentes maximi 2, duos majo- 
res anteriores maxillae inferioris inter se recipientes. Proceed. Zoöl. So- 
ciet, II. 1832 p. 183 Confr. et Cuv. Val. Hist. Nat. Poiss. XIII p. 345. 


565 


__ bro-violaceis oeulo-maxillaribus et opercularibus utroque latere 2; dorso la- 
_ teribusque superne fasciis latis transversis violaceo-nigris 6, 1* dorso-pecto- 


Î ‘rali, 2°, 3* et 4° dorso-lateralibus, 5* et G* caudalibus brevibus; fascia in- 
si super cephalo-eaudali rubro-violacea; pinna dorsali flava, junioribus antice 
 tota violaceo-nigra, aetate proveectioribus faseia longitudinali violaceo-nigra;s 
i pectoralibus flavis apice violaceo=nigris, basi superne macula profunde coe- 
5 rulea; ventralibus flavo-aurantiacis; anali flavo-aurantiaca, antice macula 
Ld violacea; caudali flava, medio postice et radiis subexternis violaceis. 
BBD 8/18. vel B/14. P. 2/14. V. 1/5. A. 3/1 vel 3/12, C. 14 et 
lat. brev. 
Synon. Phaisant Ren. Poiss. Mol. I tab. 28 fig. 155. 
Labrus pulcherrimus Forster ap. CV. Poiss. XIII p. 330. 
Julis prostigma K. v. H. Ieon, inedit. 
Spare Mardwicke Benn. Geyl. Fish. p. 12 tab. 12. 
Girelle à dorsale rayée CV. Poiss. XIII p. 329. 
Mal- Girawah Cingalens. 
Julis semifasciatus CV. Poiss. XIII p. 328. 
Girelle semi-fasciée CV. ibid. 
Habit. Amboina, in mari. 


Longitudo 2 speciminum 95” et 150”. 


Aanm. Deze soort is dubbel beschreven in de groote His- 
_toire naturelle des Poissons, eerst als Julis semifasciatus en 
daarna als Julis dorsalis QG., hoezeer de heer Varencrennss zelf 
zegt, dat de laatste misschien slechts eene varieteit is van de 
eerste. Bij het kleinste mijner twee specimina ontbreekt de over- 
| langsche donkere rugvinband, terwijl er in het algemeen de 
_ kleuren minder helder en scherp zijn. Kuur en Van Hasserr 
vonden deze soort bij Tjiringin in westelijk Java en noemden 
haar Julis prostigma. 


BALISTINL. 


WBalistes vidua Soland. Richards. Voyag. Sulph. Ech- 
thyol. p. 128 tab. 59 fig. 9, 10. 


wr 


__Balist. corpore oblongo compresso, altitudine 2 circiter in ejus longitu- 


Dn ae 
ir . 


an 


566 


dine, latitudine 34 circiter in ejus altitudine; capite 3% circiter in longi- 
tudine corporis, altiore quam longo; oculis diametro 4 circiter in longi- 
tudine capitis, 24 circiter in longitudine rostris vertice convexo; linea 
rostro-frontali declivi rectiuscula vel convexiuscula; rostro ante oculos sul- | 
co triangularis; labiis carnosis; dentibus utraque maxilla 8, mediis ceteris 
majoribus; apertura branchialí ante basin superiorem pinnae pectoralis de- 
sinente; Scutis lateribus 65 p. m. in serie longitudinali usque ad aper- 
turam branchialem; cauda compressa spinis nullis armata, medio duplo 
altiore quam lata; pinna dorsali spinosa spina ls rostro paulo breviore, 
crassa, obtusa, scabra, membrana longe ante pinnam dorsalem radiosam 4 
desinente; dorsali radiosa antice acuta angulata, corpore minus triplo hu- 
miliore, multo longiore quam alta; pectoralibus rotundatis 24 circiter in 
Jongitudine capitis; ventralí spina crassa brevi, obtusa, denticulata, ra- 
diis gracilibus geminis p. m. 26 cutem vix superantibus; anali antice a- 
cuta angulata, dorsali humiliore et corpore paulo plus triplo humiliore, 
multo longiore quam alta; caudali convexa 7 fere in longitudine corporis; 
colore corpore toto nigro; pinnis dorsali spinosa et ventrali nigris; dor- < 
sali radiosa, anali et caudali dilute flavis vel albis, dorsali radiosa et a- 
nali totis nigro limbatis; pectoralibus flavo-viridibus nigro marginatis. 

D/E 1/13 Ár 9/98. 0; 

Synon. Aokenbouti Renard Poiss. Mol. I tab. 17 fig. 96. 

Balistes fimbriatus J. G. Forst. in Bibl. Banks. 
Ae lee tica vel Ori Otaitens. 
Habit. Amboina, in mari. 
Longitudo speciminis unici 134///. 


Aanm. Blijkbaar heeft tot deze soort betrekking de zeer 
gebrekkige afbeelding van Kokenbouti van Rrnarp. De afbeel-_ 
ding van den heer Rrcuarpson is zeer naauwkeurig, doch laat 
te weinig buikvinstralen zien. Deze afbeelding is bijkans 50” 
langer dan mijn specimen en heeft de buitenste staartvinstra- Ì 
len eenigzins verlengd, wat waarschijnlijk aan een’ ouderen 
leeftijdstoestand eigen is, bestaande daarvan bij mijn specimen _ 
geen spoor. î 


567 


GIJMNODONTES. 


Diodon novemmaculatus Cuv. Ann. Mus. Hist. Nat. IV 
tab. 6. 


Diod. eorpore oblongo quadrilatero, depresso, latiore quam alto, latitu- 
dine ad basin pinnarum pectoralium 22 circiter in cjus longitudine; capite 
quadrilatero, obtuso, depresso, longitudine 8 circiter in longitudine cor- 
poris; lineis interoculari et rostro-frontali concavis; oculis sup@ris diametro 
A cireiter in longitudine capitis, diametris 24 circiter a se invicem distan- 

‚ tibus; cute supraorbitali ecirro carnoso apice dichotomo; papilla utroque 
latere oblonga obtusa loco narium; mento bipapillato; spinis capite 
totoque corpore longis gracilibus postice membrana humili, rotundis, 
basi radicibus pluribus; rostro, pinnarum radicibus caudaque postice gla- 
bris; spinis inter oculos serie antica 5, serie 2* 8, serie longitudinali a 
rostro usque ad caudam p. m. 24, serie transversali inter pinnas pectorales 
p. m. 13; apicibus spinarum bases spinarum sequentium superantibus vel 
attingentibus; pinnis obtusis rotundatis, caudali 64 ecirciter in longitudine 
corporis; colore corpore snperne lateribusque olivaceo, inferne albo, pinnis 
viridi; capite vertice fascia transversa lata nigra flavescente limbata; late- 

 ribus maculis 2 magnis nigris, 1% infra-oculari, 2* operculari; dorso maculis 
magnis irregularibus nigris 4 flavescente cinctis , maculis 2 linea dorsali media 

‚ ante pinnam dorsalem sitis, anteriore ante pinnam dorsalem, posteriore 
basin pinnae dorsalem cingente, maculis 2 lateralibus paulo supra et post 

__pinnas pectoralessitis; lateribus maculis numerosis minoribus rotundis nigris. 

B D. 2/13 vel 9/14. P. 1/22 vel 1/23. A. 2/12 vel 2/18. C. 1/1/L 

___ Symon. Diodon 6 maculatus Cuv. A. Mus. Hist. Nat. IV. tab. 7. 

Habit. Amboina, in mari. 

Longitudo speciminis unici 112”, 


_ wemmaculatus Cuv. te moeten brengen ofschoon het met de 
aangehaalde afbeelding van Cuvier in eenige opzigten verschilt 
E: ten opzigte der kleinere ronde vlekken, welke op de zijden 
_ van mijn specimen veel talrijker zijn, dan op de afbeelding 
P- van Cuvier is aangegeven. Mijn specimen beantwoordt ook vrij 
wel aan de afbeelding van Diodon 6 maculatus van Cuvier, 
doch hier bevindt zich eene groote vlek tusschen de oogen en 
geene vlek onder de oogen en op de operkelstreek. Deze ge- 


i Aanm. Boven beschreven specimen meen ik tot Diodon no- 
# 


ringe verschillen zijn waarschijnlijk aan ligte varieteiten toe te 
schrijven. 

Het komt mij voor dat Diodon novemmaculatus T. Schl.,_ 
afgebeeld in de Fauna japonica (Poiss. tab. 128 fig. 2) tot eene ‘ 
andere soort behoort, zoowel wegens hare andere vlekteeke- 
ning als betrekkelijk langere doornen. 


Scripsì Batavia Calendis Augusti upecaun. 


DIAGNOSTISCHE BESCHRIJVINGEN 


VAN 


\ NIEUWE OF WEINIG BEKENDE VISCHSOORTEN 


VAN 


SUMATRA. 


DOOR 


Dr. PP. BLEEKER. 


TIENTAL I-=-IV. 


Á Reeds in meerdere vroegere ichthyologische bijdragen heb 
ik beschrijvingen medegedeeld van nieuwe vischsoorten van Su- 
 matra. Ik werd daartoe in de gelegenheid gesteld door tal- 
rijke verzamelingen, welke de welwillendheid van eenige vrien- 
den en ambtgenooten mij deden toekomen, en aan deze we- 
_ tenschappelijke bereidvaardigheid om de schatten van Sumatra’s 
belangrijke vischfauna mij te doen geworden, hebben ook de 
| Onder volgende beschrijvingen hun ontstaan te danken. Het is 
| mij eene aangename taak hier openlijk mijne erkentelijkheid 
uit te drukken aan de heeren P. Jakres, Dr. O. Konmanpr, 
_H. W. Scuwaneneerp, Dr. F.C. Scraurrt en J.M. van Leem, aan 
HI. 42 


welke ik talrijke verzamelingen heb te danken, welke mij meer 
dan 260 soorten van Sumatrasche zee- en zoetwatervischen 
hebben doen kennen. De toezending van verzamelingen nog 
steeds aanhoudende, hoop ik in eene latere verhandeling een « 
overzigt te geven van het geheel der mij bekend gewordene 
soorten van de Sumatrasche vischfauna. Vrij talrijke nieuwe _ 
Sumatrasche soorten bevinden zich echter reeds zoo lang in 
mijn bezit, dat ik gemeend heb er toe te moeten overgaan om 
hare beschrijvingen bekend te maken. Ik zal deze beschrijvin- 
gen bij tientallen mededeelen en daarbij weder mijne gewoon- 
te volgen, om ook van die soorten diagnosen te geven, welke 
vroeger reeds meer of min bekend waren, doch welker ken- 
merking in meerdere of mindere mate te wenschen overlaat. 


PERCOÏDEL 


Serranus punctulatus GV. Poiss. II p. 275. 


Serran. corpore oblongo compresso, altitudine 4% circiter in ejus lon- ® 
gitudine, latitudine 12% in ejus altitudine; capite acutiusculo, 3% circiter 
in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; — 
oculis diametro 54 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali con- 
vexiuscula; rostro maxillisque alepidotis; maxilla superiore inferiore bre- ' 
viore sub medio oculo desinente, dentibus pluriseriatis, serie externa co- Ì 
nicis, seriebus internis setaceis anticis longioribus in thurmas 2 colloca= $ 
catis et insuper caninis 2 magnis; maxilla inferiore dentibus pluriseria= 
tis, serie interna majoribus, antice caninis 2 mediocribus utroque latere 
medio caninis 2 vel 3 magnis; rictu valde obliquo; praeoperculo rotun- 
dato vix angulato, postice denticulis vix conspicuis; interoperculo sub- 
operculoque margine glabris; operculo spinis 5 planis spina media ceteris mul- 4 
to longiore, dorso humili; squamis lateribus ciliatis 100 p. m. in serie” 
longitudinalis pinnis dorsali et anali radiosis valde acutis; dorsali spinosa 
dorsali radiosa humiliore spina ultima ceteris longiore 3 in altitudine 
corporis, spina prima ceteris breviore; pinnis pectoralibus acutiuscule ro= 
tundatis 64, ventralibus acutis radio 1° paulo producto 6 fere, caudali = 
emarginata radiis externis valde productis, lobo superiore longiore 34 
circiter in longitudine corporis; anali spina tertia ceteris longiore 22 in 
longitudine ecapitis; corpore pinnisque verticalibus pulchre carmosinis gut- : 


571 


Beede 9/15 P. 2/16. Ver1/5. A. 3/8. vel 3/9. C. 17 et Tat. brov. 
Synon. Jkan Soesalat Valent. Ind. Amb. III p. 412 fig. 205? 
Sousalath Ren. Poiss. Mol. I tab. 41 fig. 207 ? 
Jacob Hverse, Lucessie et Sousalath Ren. ibid. II tab. 21 fig. 
300? 
Labre moucheté Lacép. Poiss. III p. 377 tab. 17 fig. 2. 
Labrus panctulatus Laeép. ibid. 
Mérou moucheté CV. Poiss. II p. 275. 
Habit. Padang, Ternate, in mari. 
Longitudo speciminis unici 275'//, 


Aanm. Van deze soort bestaat nog geene goede afbeelding 
en de bestaande beschrijvingen laten veel te wenschen over. 
De vlekjes van ligchaam en vinnen zijn donker paars. De 
soort is merkwaardig door de groote hondstanden zijdelijk in 
de onderkaak. 


Serranus aurantvus GV. Poiss. II p. 226. 


Serran. corpore oblongo compresso, altitudine 88 ad 32 in ejus longitu- 
dine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto 84 circiter in 
longitudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in ejus longitudine; ocu- 
lis diametro 5 ad 54 in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi con- 
caviuscula; rostro maxillisque squamosis; maxilla superiore inferiore bre- 
viore sub oculi limbo posteriore vel vix post oculum desinente, dentibus 

_ _pluriseriatis, serie externa conicis, seriebus internis setaceis anticis longi- 
oribus in thurmas 2 collocatis et insuper caninis 4 vel 2 crassis; maxilla 
inferiore dentibus pluriseriatis, serie interna majoribus, antice caninis 2 
vel 4 medioeribus; praeoperculo rotundato, postice denticulis vix conspi- 
“ cuis; interoperculo et suboperculo denticulatis; operculo spinis 3 planis 
4 subaequalibus; dorso subelevato; squamis lateribus ciliatis 85 p. m. in se- 
_ rie longitudinali; pinnis dorsali et anali radiosis rotundatis ; dorsali spinosa 
__ radiosa paulo humiliore, spinis mediis ceteris longioribus, 5% 22 circiter in 
altitudine corporis; pectoralibus rotundatis 4ad 43, ventralibus acutis 6 ad 
# 6E, caudali rotundata 52 ecirciter in longitudine corporis; anali spina media 
24 ad 3 in longitudine capitis; colore corpore pinnisque pulcherrime ear- 
___mosino; capite dorsoque antiee punctulis fuscescentibus; dorsali radiosa et 
% eaudali junioribus rubro, flavo et nigro, anali radiosa nigro marginatis. 
ME B.7. D. 9/15 vel 9/16. P. 2/16. V. 1/5. A. 3/9. C, 37 et lat. brev. 
Synon. Mérou orangé CV. Poiss. II p. 226. 

k Serranus roseus CV, Poiss. II p. 228? 

| p Habit. Padang, in mari. 

___Longitudo 4 speciminum 170” ad 232” 


572 


Aanm. Deze soort moet groote overeenkomst hebben met 
Serranus Sonneratii CV. Poiss. Il p. 222, bij welke echter de 
kop met een net van blaauwe strepen bedekt is, waarvan bij 
mijne boven beschrevene specimina geen spoor te zien is, al- 
hoewel de kleuren goed bewaard zijn. Bij mijn grootste spe- 
cimen ontbreken de zwarte vinranden. Bij een ander zijn de 
vertikale en de buikvinnen naar de vrije randen toe violetach- 
tig zwart. De beschrijving van Serranus aurantiacus CV. (van 
de Séchellen) in aangehaald vischwerk is zoo onvolledig, dat 
eene nadere vergelijking der daartoe gediend hebbende speci- 
mina met de bovenstaande beschrijving niet overbodig is. Waar- 
schijnlijk ook behoort Serranus roseus CV. van Otaheite tot 
„dezelfde species en welligt ook nog Serranus analis GV. van 
Nieuw Ierland. | 


Priacanthus Schmitt Blkr. 


Priac. corpore oblongo compresso, altitudine 32 fere in ejus longitudine; 
capite 34 fere in longitudine corporis; oculis diametro 24 circiter in lon- 
gitudine capitis; linea rostro-frontali ante oculos rectiuscula; fronte inter 
oculos depressa; ore simo rictu subverticali; maxilla inferiore prominente; 
praeoperculo obtusangulo denticulato, angulo spina mediocri aperturam 
branchialem vix superante superne et inferne denticulata; operculo spinis 
2 parvis; squamis lateribus 65 p. m. in serie longitudinali; lineis dorsali 
et ventrali regulariter convexis; pinna dorsali spinosa spinis posticis spinis _ 
ceteris longioribus, spina posteriore oculo breviore; pinna dorsali radiosa — 
dorsali spinosa altiore obtusa rotundata; pectoralibus oculo vix longiori- 
bus; ventralibus acutis, analem pon attingentibus, spina 7 in longitudine 
corporis; ‘anali obtusa rotundata spina 3° ceteris longiore, oculo breviore; 
caudali truncata 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore roseo- © 
rubro; pinnis roseis vel rubris; ventralibus rubro-violaceis , membrana ra- 
dium 5m inter et ventrem alba macula magna rubro-violacea. Á 

B. 6. D. 10/13. P. 2/16. V. 1/5. A. 3/13 vel 3/14. C. 16 et lat. breve 

Habit. Padang, in mari. 

Longitudo speciminis unici 185” 


Aanm. Priacanthus Schmittij Blkr. is na verwant aan Pria- 
canthus japonicus CV? (Nat. Tijdschr. v. N. Ind. II. 1851 p. 174) 
doch onderscheidt zich daarvan voldoende door plat voorhoofd, — 
langeren dubbel getanden praeoperkeldoorn, kortere buikvin- 


573 


ke 
nen die paars-rood gekleurd zijn enz. Ik bezit thans 5 soor- 
‚ten van Priacanthus, welke zich nog het gemakkelijkste van 
elkander laten onderkennen door de kleurteekening der vinnen. 
Deze 5 soorten zijn Priacanthus macracanthus CV., Priacan- 
thus holocentrum Blkr., Priacanthus carolinus GV., Priacanthus 


k 


japonicus CV? en de boven beschrevene. Priacanthus carolinus 
CV. onderscheidt zich van die alien door de zwarte rug- en 
staartvinvlekjes. De vier overigen zijn kenbaar aan de kleur 
der buikvinnen. Bij Priacanthus macracanthus CV. zijn deze 
\ vinnen wit en ongevlekt; bij Priacanthus holocentrum Bikr., 
wit met talrijke zwarte vlekken; bij Preacanthus japonicus CV. ? 
violet en bij Priacanthus Schmitti Blìkr. paars, behalve het 
vlies, dat den achtersten straal met den buik vereenigt en wit 
E js en met eene groote paarse vlek geteekend. 
Ik draag deze nieuwe soort op aan dengheers Droit 
 Scnmirr aan wiens belangstelling in de ichthyologie hare ken- 
nis te danken is. 


_Dules marginatus GV. Poiss. III p. 87 tab. 52. 


4 
____Dul. eorpore oblongo compresso, altitudine 32 circiter in ejus longitu- 
_ dine, latitudine 22 fere in ejus altitudine; capite acuto 42 ad 42 in lon- 


EN . d p : 0 ; Ô E 
__ gitudine corporis, vix longiore quam alto; oculis diametro 3 fere in lon- 


 gitudine capitis; linea rostro-frontali declivi recta; maxilla superiore inferiore 
_ breviore, sub medio oculo desinente; dentibus maxillaribus, vomerinis et 
9 palatinis parvis; osse suborbitali et praeoperculo denticulis minimis sed 
4 conspicuis; praeoperculo subrectangulo; operculo spinis 2; linea laterali 
bd antice leviter convexa postice rectiuscula; squamis lateribus 45 p. m. in 
serie longitudinalis lineis dorsali et ventrali convexis; pinna dorsali pro- 
_ funde incisa, parte spinosa rotundata spina 5° spinis ceteris longiore, cor- 
5 pore duplo humiliore, spina penultima spina ultima multo breviore, spi- 
na ultima parte radiosa vix humiliore; dorsali radiosa angulata margine 
Ei superiore rectiusculo; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, longitudine 
“gequalibus, 7 circiter in longitudine corporis; ventralibus post basin pec- 
_ toralinm insertis; anali spina 8° spinis ceteris longiore et radio 1° vix bre- 
4 viore, parte radiosa dorsali radiosa humiliore margine inferiore rectiuscu- 
Jo; caudali emarginata lobis acutis 432 circiter in longitudine corporis; 
 Colore corpore superne griseo inferne argenteo; pinnis griseo-flavescenti- 
1 bus; dorsali radiosa antice superne nigra; caudali medio fascia transversa 
__migricante margini posteriori nigro subparallela, 


/ 


H 
K 


574 


B. 6. D. 10/11 vel 10/12. P. 2/11. V. 1/5. A. 3/12 vel 3/13. C. 12 
et lat. brev. 
Synon. Doules bordé CV. Poiss. III p. 87 tab. 52. 
Barolo Insul. Vanicol. 
Habit. Padang, in mari. (F.C. Schmitt). 
Longitudo 3 speciminium 116''’ ad 160/'/. 


Aanm. Kunz en Van HasseLrT ontdekten deze soort op Java, 
alwaar ik haar echter tot nog toe niet heb aangetroffen. Het 
bovenbeschrevene specimen van Padang is het eerste, wat mij 
onder de oogen is gekomen. Zooals bekend is, leeft Dules 
marginatus CV. ook in de zoete wateren van het eiland Va-_ 
nicolo. 


SCIAENOIDEL 


PrIsTIPoOMOIDES Blkr. 


Pinna dorsalis unica non divisa. Membrana branchiostega 
radiis 7. Pinnae dorsalis et analis alepidotae, caudalis squa-_ 
mosa. Maxilla inferior poris nullis conspicuis. Dentes maxil- E 
lares laterales uniseriati, antici pluriseriati, seriebus internis 
minimi setacei, serie externa conici majores caninis 2 vel 4. 
Praeoperculum denticulatum. 


Aanm. Dit geslacht staat in verwantschap tusschen Pristi 
poma en Scolopsides. Van Pristipoma verschilt het door de 
afwezigheid van onderkaaksporiën en door sterk schubbige staart-_ 
vin; van Scolopsides door f straal meer in het kieuwvlies en 
afwezigheid van onderoogkuilsdoorn; en van beiden door zijn 
tandenstelsel en habitus. In habitus en vorm van vinnen heeft 
de eenige mij tot nog toe van dit genus bekende soort vrij 
veel van eenige Oost-Indische soorten van Denter, b. v. Den- 
tex Peronit CV., doch reeds het getand zijn van het praeoper-_ 
kel sluit haar van dit geslacht en volgens Cuvier’s bepaling ook î 
van de Sparoyden uit. Ik behoef hier overigens niet te herin- 
neren, dat de groote Cuviersche familiën der Percoïden, Sciae- 
noïden, Sparoïden enz. vatbaar zijn voor splitsing in meerdere — 
andere familiën, waarvan door de nieuwen ichthyologen reeds 


575 


meer of min gelukte proeven zijn geleverd. Houdt men daarbij 
de natuurlijke verwantschappen in het oog, dan zal het blij- 
ken, dat sommige geslachten der Sparoïden met sommige der 
Sciaenoïden zich gevoegelijk tot zelfstandige familiën laten bren- 
gen. 


Pristipomoïdes typus Blkr. 


Pristipomoïd. corpore oblongo compresso, altitudine 44 ad 42 in ejus 
longitudine, latitudine 2 eirciter in ejus altitudine; capite convexo, 44 
circiter in longitudine corporis; linea rostro-frontali convexa; oculis dia- 
metro 84 fere in longitudine capitis; rostro alepidoto oculo non vel vix 
breviore; maxilla superiore vix protractili, maxilla inferiore breviore, 
sub oculi dimidio anteriore desinente; osse suborbitali alepidoto, hb ocu= 
lo oculo duplo humiliore;s praeoperculo angulo rotundato limbo posteriore 
late alepidoto, margine denticulis aequalibus bene conspicuis; squamis 
ctenoïdeis lateribus 50 p. m. in serie longitúdinali; linea laterali lineae. 
dorsali rotundatae subparallela; pinna dorsali non incisa parte spinosa 
parte radiosa altiore, spinis gracilibus, mediis ceteris longioribus, corpo- 
re duplo eirciter humilioribus; pinnis dorsali et anali radiosis radio ulti- 
mo producto radio penultimo duplo eirciter longiore; pinnis pectoralibus 
acutis capite vix brevioribus, radiis 4, 5, et 6 ceteris longioribus; ven=- 
tralibus acutis pectoralibus paulo brevioribus; caudali tota fere squamosa 
profunde incisa lobis acutissimis, superiore inferiore multo longiore sub- 
producto, 84 circiter in longitudine corporis; colore corpore pinmisque 
roseo; pinna dorsali basi, margine superiore et fascia media interrupta vi- 


_ridi-flavis. 


BD OZIT P.2/14. V.-1/5 A 3/8 C.:17 et, laticbrev. 
Hab. Sibogha, Sumatrae occidentalis, in mari. 
Longitudo 2 speciminum 275''/ et 298''/, 


Scolopsides personatus GV. Poiss. V p. 259. 


Scolops. corpore oblongo compresso, altitudine 83% circiter in ejus lon- 


‚_gitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acutiusculo 4 et 


‚paulo in longitudine corporis, aeque alto ecirciter ac longo; linea rostro- 


frontali declivi rectiuscula; fronte inter oculos squamosa; oculis diametro 
81 in longitudine capitis; osse suborbitali sab oculo oculo duplo circiter 


_ humiliore, spinis 3 ad 6, spina superiore inferioribus plus duplo longiore; 


Osse maxillari superiore glabro; rostro oculo vix longiore; labiis carnosis; 


EN 


_ praeoperculo subrectangulo angulo rotundato, margine posteriore leviter 


emarginato dentibus valde conspicuis; squamis laterìibus ciliatis, 50 p. m. 


jm serie longitudinali; pinna dorsali spinis mediocribus, 3°, 4* et 5* ceteris 


Da 


nen 
„A 
A 


576 


longioribus, corpore triplo circiter humilioribus, parte radiosa parte spi- 
nosa paulo altiore rotundata; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis 5e 
circiter in longitudine corporis; ventralibus radio 1° in filum breve pro- 
ducto; anali spina 8* ceteris longiore parte radiosa rotundata humiliore; 
caudali emarginata lobis acutis 44 circiter in longitudine corporis; colore_ 
corpore superne viridescente-margaritaceo, inferne margaritaceo; vitta in= 
teroculari coerulea; rostro olivaceo, fascia oculo-caudali lata profunde 
flava; pinnis flavis, caudali postice medio violascente marginata, | 

B. 5. D. 10/9 vel 10/10.-P.- 2/16: V."1/5 ; ALS ARIB 0 PENN 
lat. brev. 

Synon. Scolopside à marque CV. Poiss. V p. 259. 

Habit. Sibogha, in mari. 

Longitudo speciminis unici 260/'/, 


Aanm. Quo en Garmarp vonden deze soort te Batavia, 
alwaar ik haar echter tot nog toe niet heb waargenomen. 
Boven beschreven specimen van Sibogha is het eenige, wat mij 
onder de oogen is gekomen. 


SPAROIDEL. 
Denter mulloides Blkr. 


Dent. corpore elongato compresso, altitudine 5 in ejus longitudine, la-_ 
titudine 12 in ejus altitudine; capite convexo obtuso, 44 fere in longitu- 
dine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 28 ad 3 in longitudine 
capitis; linea rostro-frontali convexa; rostro vix convexo, oculo non vel 
vix breviore; osse suborbitali postice oblique obtuse rotundato angulo oris 
oeulo duplo fere humiliore; maxillis aequalibus, superiore sub oculi lim- 
bo anteriore desinente; dentibus maxillaribus pluriseriatis, serie externa 
conicis majoribus, maxilla superiore caninis 6 vel 8 conicis brevibus, 
maxilla inferiore caninis nullis; praeoperculo squamis in series 3 disposi- 
tis; squamis ciliatis, lateribus 50 p. m. in serie longitudinali; pinna dor 
sali spinis gracilibus, flexilibus, mediis ceteris longioribus, corpore pau- 
lo humilioribus, membrana inter singulas spinas profunde incisa emar- 
ginata, parte radiosa parte spinosa multo humiliore leviter rotundata; pin 
nis pectoralibus acutiusculis, capite brevioribus, 6 in longitudine corporis; 
ventralibus radio 1e producto 5 in longitudine corporis, apalem non at- 
_tingente; anali spina 8* spinis ceteris longiore et parte radiosa vix kumi-_ 
lore; caudali profunde emarginata lobis acutis, superiore longiore 4 et 
„paulo in longitudine corporis; colore corpore pinnisque roseo; pinna dor- 
sali ad spinas flavescente; anali fasia media longitudinali diffusa flaves-- 
cente. 


Ee B. 6. D. 10/9 vel 10/10 P. 2/15. V. 1/5. A. 3/7 vel 3/8. C. 17 et 
lat. brev. 
Habit. Sibogha, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 225''’ et 235'//. 

Aanm. Deze soort behoort tot de groep van Dentex met 
Muillusachtigen habitus, zooals Dentex ruber GV., Denterx tam- 
bulus CV., Dentex taeniopterus CV., Dentex Blochit Blkr., 
 Denter nematopus Blkr., Dente tolu CV. enz. doch is van die 
allen voldoende te onderkennen door hare 8 hondstanden in 
de bovenkaak, het gemis van hondstanden in de onderkaak, 
de buigzaamheid en lengte der rugdoornen, het diep ingesne= 
den zijn van het vlies der doornachtige rugvin, de draadvor- 
mige verlenging van den eersten buikvinstraal, het niet of 
| naauwelijks gestreept zijn van den praeoperkelrand enz. 


OSPHROMENOÏDEL. 


À T richopus Leer Blkr. 


Trichop. corpore oblongo compresso, altitudine 33 in ejus longitudine, 


EES 
Nenz PS 


\Jatitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite acuto 44 fere in lougitu- 
dine corporis; altitudine capitis 12 in ejus longitudine; linea rostro-dorsali 
 vertice obtusangula, fronte rostroque declivi rectiuscula vel concaviuscula; 
oculis posticis diametro 8 et paulo in longitudine capitis; ossibus subor- 
8 bitalibus, praeoperculo inferne et angulo et suboperculo denticulatis; maxil- 
lis aequalibus; linea laterali flexuosa; squamis ctenoïdeis, lateribus 45 p. 
_m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali spinis posticis spinis ce- 
teris longioribus; dorsali brevi, acuta, in medio dorso sita; anali longis- 
sima, rotundata, cum basi pinnae analis-unita; pectoralibus obtusis capite 
vix brevioribus; ventralibus radio 1° simplice elongato pinnam caudalem 
attingente, spina brevissima; caudali emarginata lobis obtusiusculis 4 fere 
Bin longitudine corporis; colore corpore viridi, ventre dilutiore; fascia 
_maxillo-oculo-caudali nigra; toto corpore, capite excepto, maculis parvis 
rotundis confertis viridibus corpore dilutioribus; pinnis viridibus, dorsali 
et anali maculis rotundis confertis dilutioribus, caudali membrana punctis 


ee 


Snigris in series 7 vel 8 transversas dispositis; pectoralibus ventralibusque 
immaculatis. 


k 


B. 6. D. 7/9. P. 2/8. V. 1/5. A. 13/28 (fere omnes simplices). C. 16 
et lat. brev. 


É Habit. Palembang, in fluviis. 


Ii MP Sp 
k: keongitudo speciminis unici 101///, 


Bin. 43 
E: 


“ rinis uniseriatis canincïdeis; squamis cycloïdeis, lateribus 55 p. m. in se= 


- ejus longitudine; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; fronte et vertic& 


EN pe! pd KAREN GAE Ie RIEN OT VATANEN UND, h bele Hs En lk 
p N _ a Wree he! 


N EA ne 1 id 
570 


Aanm. Deze soort laat zich bij den eersten oogopslag van 
Trichopus trichopterus Lac. en Frichopus vittatus Blkr. onder- 
kennen door hare eigenaardige kleurteekening. Zij is ranker E 
van ligchaam en spitser van kop dan Zrichopus trichopterus * 
Lac. doch hooger en stomper dan Zrichopus vittatus Bikr. Ik 
heb deze soort genoemd ter eere van den verdienstelijken 
toezender, den heer J. M. van Lrer, officier van gezondheid 
der eerste klasse te Palembang. 


Ophicephalus urophthalmus Blkr. 


pad 


Ophiceph. corpore elongato compresso, altitudine 5 circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine maxima 14 circiter in ejus altitudine; capite acuto, 
conico-subpyramidali, 4 fere in longitudine corporis; latitudine capitis 2, 
altitudine 12 circiter in ejus longitudine; linea rostro-frontali declivi rec- 
tiuscula; fronte et vertice planis declivibus; oeulis diametro 7 circiter in 
longitudine capitis; diametro 13 circiter a se invicem distantibus; maxilla 
inferiore superiore longiore, antice dentibus pluriseriatis parvis, lateribus 
biseriatis serie interna caninoïdeis 6 ad 8; maxillä superiore paulo post 
oculi marginem posteriorem desinente, 22 circiter in longitudine capitis, 
dentibus pluriseriatis parvis, caninoïdeis nullis; dentibus palatinis et vome- 


rie longitudinalis linea laterali antice paulo descendente postice rectiuscu 
la; pinnis rotundatis; pectoralibus ventralibus longioribus 1# circiter im 
longitudine capitis; caudali 6 fere in longitudine corporis; eolore corpore 
superne nigricante-viridi inferne argenteo; lateribus guttis sparsis nigris ef 
albis notatis; operculo et media basi pinnae caudalis macula magna ros 
tunda niera annulo coeruleo cincta; pinnis pectoralibus membrana flava 
radiis viridibus; ventralibus flavescentibus; pinnis verticalibus viridi-vios 
lascentibus, dorsali et anali basi guttis nigris et flavescentibus. 

B. 5. D- 1/39 vel 1/40. P. 1/17. V. 1/5: A. 1/28 vel 129 Cn 
lat. brev. | 

Habit. Palembang, in fluviise 

Longitudo speeiminis unici 345'//. $ 


Ophicephalus polylepis Blkr. 
Ophiceph. corpore elongato, antice cylindraceo postice compresso, alti 
tudine 7 circiter in ejus longitudine; capite prismiatico quadrilatero, 8% 


circiter in longitudine corporis, paulo latiore quam alto, altitudine 22 im 


planis declivibus; oculis diametro 5 eireiter in longitudine capitis,-diames 


579 


À 
tro 1 circiter a se invicem distantibus; maxilla superiore inferiore breviore 
sub oculi dimidio posteriore desinente, 8 in longitudine capitis; maxilla 
_superiore dentibus pluriseriatis parvis; vomere et palato dentibus aliquot 
| __eonicis caninoïdeis; maxilla inferiore antice dentibus pluriseriatis parvis, . 
Be lateribus dentibus biseriatis, serie externa conicis caninoïdcis; squamis 
sr eycloïdeis, lateribus 58 p. m., capitis parte postoculari 16 p. m. in serie 
tereitndineli linea laterali antice rectiuscula sub radio dorsali 16° eirciter 
à ke deflexa, postice recta; pinnis dorsali et anali postice rotundatis; caudali, 
ed pectoralibus et ventralibus rotundatis, peetoralibus ecapite duplo breviori- 
bi bus sed ventralibus multo longioribus; ecaudalí 6 eirciter in longitudine 
bod corporis; colore corpore superne viridi-nigricante inferne viridi; lateribus 
 inferne fasciis oblique-transversis diffusis viridi-nigricantibus p.m. 12; pin- 
5 


 nigris in series 2 longitudinales dispositis; pinnis ceteris maculis nigri- 


Î 
B 
| 
Î 
| 


nis viridibus, dorsali et anali fasciis 2 longitudinalibus uigris vel maculis 


‘cantibus variegatis. 

EB. 5. D. 1/40. P. 2/16. V. 1/5. A. 1/30. C. 12 vel 14 et lat. brev… 
Habit. Solok, Sumatrae occidentalis, in fluviis. 

Longitudo speciminis unict 114///, 


__Aanm. Deze soort is gemakkelijk herkenbaar aan hare kleine 
_operkelschubben, tandenstelsel, korte bovenkaaksbeenderen, 
_ getallen der vinstralen en kleuren. Haren naam heb ik ont- 
_Jeend aan de talrijke operkelschubben. 


B ___ SCOMBEROIÏIDEL 


|  Carangoïdes talamparoïdes Blkr. 


É. _Carangoïd. corpore oblongo compresso, altitudine 28 ad 25 in ejus Jon- * 
gitudine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine ; capite 88 ad 32 in longitudine 
b orporis, vix altiore quam longo; linea rostro-dorsali valde convexa, an- 
tice obligua, ante oculos paulo concava; oculis in medio capite sitis, dia- 
smetro 3 circiter in longitudine capitis, vix diametro } a linea frontali 
remotis; fronte cultrata; osse suborbitali angulo oris oculi diametro pau- 
Jo humiliore; rostro ocnlo vix longiore; maxillis dentibus minimis vix 
conspicuis, superiore paulo breviore valde protractili sub oculi limbo ante- 
‘riore desinente; dorso elevato ventre multo convexiore; genis et operculis 
superne squamosis; triangulis pectoralibus lateralibus et inferiore totis a= 
lepidotis; linea laterali usque sub 8° quarta parte pinnae dorsalis radiosae 
curvata (curvatura valde aperta), postice scutis 25 ad 30 parvis vis ar- 
matis, latissimis 16 circiter in altitudine corporis; carinis caudalibus late- 
Sralibus bene conspicuis; pinnis acutis radio in filam producto nullo; dor- 
sali spinosa 34 circiter in alfitudine corporis, radiosa et anali corpore 


1 


M 
IN pe 


560 


plus duplo humilioribus; pectoralibus capite longioribus; spinis analibus 
parvis posteriore longiore; pinna caudali lobis aequalibus 44 circiter in 
longitudine corporis; colore corpore superne griseo inferne argenteo; ma- | 
cula operculari fusca; pinnis hyalinis et flavescentibus. 

B. 7. D. 1 proeumb. + 71/22 ad 81/23. P. 2/17. V. 1/5. A5 
21/18. C. 17 et lat. brev. 

Habit. Sibogha, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 220''" et 250/''. 


Aanm. Deze soort staat in verwantschap tusschen Carangoï- 
des chrysophryordes Blkr. en Carangoïdes talamparah Blkr. 
{Caranx malabaricus CV.) en heeft het meeste van laatstge- 
noemde. Zij onderscheidt er zich echter van door aanmerke- 
lijk schuinscher profiel, hoogere onderoogkuilsbeenderen, klei- 
nere tanden en minder holle buiklijn, verschillen, die zich uit-_ 
muntend bij vergelijking van specimina van dezelfde grootte 
laten waarnemen. In de overige wezenlijke punten komen | 
beide species nagenoeg volkomen met elkander overeen. Het 
profiel. der bovenbeschrevene species beantwoordt vrij wel 
aan dat van Carangoïdes chrysophrys Blkr. (Caranx chrijso- 
phrys CV. Poiss. IX. p. 58 tab. 247) doch zij verschilt hier 
van door grootere oogen, lagere tweede rugvin en aarsvin en_ 
door talrijker rug- en aarsvinstralen. 


TEUTHIDES. 


Amphacanthus canaliculatus Bl? 


‘ 

Amphacanth. corpore oblongo compresso, altitudine 23 ad 22 in ejus 
longitudine, latitudine 3 et paulo in ejus altitudine; capite convexo 48 
ad 42 in longitudine corporis, aeque longo circiter ac alto; linea rostro- 


frontali ante oculos convexa, rostro concava; linea rostro-pectorali thorace 
convexa; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; osse suborbitali 
supra angulum oris oculi diametro humiliore; operculo, praeoperculo et osse 
scapulari valde striatis; squamis parvis bene conspicuis; pinna dorsali par- 
tem spinosam inter et radiosam vix incisa, spinis validis, mediis ceteris- 
longioribus, 1“ ultima multo breviore, parte radiosa parte spinosa altiore, 
angulata; pinnis pectoralibus obtusiusculis capite brevioribus; anali spinis 
validis, mediis antica et postica longioribus; caudali leviter emarginata, 
angulis acuta; colore corpore superne viridi-fuscescente inferne margaritaceo- — 


581 


coerulescente et viridescente; fronte et rostro vittis transversis coeruleis; 
dorso lateribusque guttis numerosis eoeruleis; pinnis aurantiaco-viridibus, 
ventralibus et pectoralibus dilutioribus. 

‚B.…,5. D. 1 procumb. + 13/10. P. 2/14. V. 1/3/1. A. 7/9 vel 7/10. C. 

17 et lat. brev. 
Synon. Chaetodon canaliculatus Mungo Park Trans. Linn. Soc. II p. 33? 
Chaetodon cannelé Lacép. Poiss. IV. p. 473? 
Habit. Padang, in mari. 
Longitudo 2 speciminum 183” et 195” 


Aanm. Deze soort is in habitus en kleurteekening verwant 
aan Amphacanthus virgatus CV. doch heeft langwerpiger lig- 
chaam en veel talrijker blaauwe rugvlekjes, terwijl zij de schuin- 
sche borst- en operkel-rug-banden mist. Van Amphacanthus 
corallinus CV. verschilt zij voornamelijk door veel stomper pro- 
fiel van kop en snuit en andere kleurteekening van kop en 
buik; van Amphacanthus margaritiferus CV. door hooger lig- 
chaam, gebogen profiel van den kop en sterk uitgedrukte oper- 
kel- en praeoperkelgroeven. 

Ik vermoed dat de bovenbeschrevene soort dezelfde is als 
de door Murco Park kortelijk beschrevene, welke in de groote 
Histoire naturelle des Poissons met Amphacanthus margaritife- 
rus CV. van Amboina en Vanikolo vereenigd is, doch welke 
daarmede niet vereenigd kan blijven , indien mijn vermoeden 
omtrent de identiteit, voornamelijk gegrond op de plaats van 
voorkomen , juist is. De onderwerpelijke species kan voorts 
niet verward worden met Amphacanthus sutor CV. bij welke 
de kop bijkans 6 maal gaat in de lengte des ligchaams. 


GOBIOÏDEL. 


Amblyopus urolepis Blkr. 


Amblyop. corpore elongato compresso, altitudine 9 ecirciter in ejus lon- 

‚ gitudine, antice vix altiore quam lato; capite obtuso, 7 circiter in longi- 
tudine corporis, aeque lato ac alto, sed longiore quam alto; linea rostro- 
frontali declivi convexiuscula; oculis minimis vix conspicuis; dentibus ma- 
xillis pluriseriatis, gracilibus, leviter curvatis, parvis sed oculo nudo con- 
‚spicuis; rictu subverticali; maxilla inferiore valde adscendente et ante ma- 


_ xillam superiorem prominente; cute laevi, pinnas non includente; cauda 


rr Ee 0 PE DELA U eN Pias ETE ee ji kk 
DDA POC KNLEAE RIS ON DEE HEEREN OPG PEGA 
KEREN bi UE U En AE GAAS Een 0 loket 


postice squamis econspicuis;s pinnis dorsali et anali antice corpore muito 
humilioribus; caudali acutiuscule rotundata 52 eirciter in longitudine cor- — 
poris; pectoralibus rotundatis latioribus quam longis; ventralibus pectora= 
libus longioribus capite minus duplo brevioribus; colore corpore virides- k 
cente, pinnis flavescente. 
Bus Dre/Ban ds al4, Pe AerTVe lS An 1/33. 
Habit. Palembang, in fluviis. 


Longitudo speciminis unici 81°” 


Aanm. Deze soort onderscheidt zich van de bekende spe- 
cies van Amblyopus voornamelijk door kortheid van ligchaam, 
veel minder talrijke rugvinstralen en duidelijk beschubten staart 
bij overigens geheel gladde huid. 


LABROÏIDEI CTENOÏDEL 


Glyphisodon bonang Blkr. 


Glyphis. corpore suborbiculari-ovali, altitudine 2 et paulo in ejus longi- 
tudine; capite 4} circiter in longitudine corporis, altiore quam longo; li- 
nea rostro-frontali convexa; osse suborbitali alto rotundato; praeoperculo 
subrectangulo angulo rotundato; squamis lateribus 28 p. m. in serie longi- 
tudinali; pinnis dorsali et anali rotundatis; dorsali spina ultima spina pe=_ 
nultima longiore; caudali parum excisa lobis obtusis rotundatis; ventrali- 
bus radio 1° paulo producto; colore eorpore pinnisque fuscos pinnis dor- 
sali, anali et ventralibus marginem et apicem versus nigricantibus; basi 
pinnae pectoralis superne macula nigra; junioribus capite corporeque pune- 
tis luteis et dorso macula magna fasciore luteo cincta ad basin pinnae 
dorsalis radiosae partis posterioris; adultis guttis et macula vix vel non 
conspicuis sed marginibus squamarum medio profundioribus. 

B. 6. D. 13/16. P. 2/18. V. 1/5. A.-2/3 vel 2/14. C. 15 et lat. brevs 

Habit. Padang, in mari. NE 

Longitudo 2 speciminum 110” et 150°” 


Aanm. Deze soort is verwant aan Glyphisodon lacrymatus 
CV. doch daarvan duidelijk onderscheiden door het aantal vin- 
doornen en stralen. 


Glyphisodon septemfasciatus GV. Poiss. V p. 346? 


Kk 
_Glyphis. corpore ovali compresso, altitudine 24 fere in ejuslongitudine; — 
capite 4 circiter in longitudine corporis, altiore quam longo; linea rostro- 


305 


© frontali convexa; osse suborbitali alto rotundato; praeoperculo obtusan- 
gulo rotundato; squamis lateribus 28 p. m. in serie longitudinali; pinnis 


SS dorsali analique angulatis rotundatiss dorsali spinis 5° et 6“ spinis ceteris lon- 


T 9 et 8° dorso-ventralibus, 4° et 5* dorso-analibus, C* caudalis fascia 7° 


5 nigra; pinnis olivaceo-viridibus, dorsali spinosa et anali marginem versus 


À nigricantibus. 

B. 6. D. 13/13. P. 2/16. V. 1/5. A. 2/19 vel 2/13 C. 15 et lat. brev. 
R Synon. Glyphisodon à sept bandes CV. Poiss. Vp. 346? 

& Habit. Padang, Sumatrae occidentalis, et Pagotang, Javae meridiona- 
ú lis, in mari. 


\< Longitudo 2 speciminum 110” et 163” 


SILUROIDEL 


 Silurus limpok Blkr. 


ni 


Silur. corpore elongato compresso, altitudine 5 eirciter in ejus longitu- 
el dine; capite acutiusculo depresso 72 eirciter in longitudine corporis; alti- 
| __tudine capitis 14, latitudine 14 circiter in ejus longitudine; linea rostro- 
| _dorsali vertiee concava; oculis posteris diametro 84 circiter in longitudine 
s capitis, diametris 24 circiter a se invicem distantibus; rostro oculo paulo 
1d longiore; maxillis dentibus pluriseriatis parvis aequalibus, acutis, inferiore 
B superiore paulo breviores dentibus vomerinis parvis in vittam brevem 
 dentibus intermasxillaribus parallelam dispositis; cirris 4, supramaxillari- 
bus posteriorem dimidiam partem pinnae analis attingentibus, inframaxil- 
EE laribus pinnae analis initium longe superantibus; loco pinnae dorsalis ra- 
‚dio brevi unico filiformis pinnis peectoralibus capite vix longioribus spina 
_ postice leviter denticulata; ventralibus pectoralibus plus duplo brevioribus; 
„ anali longissima caudali contigua; caudali profunde incisa lobis acutis 
Vi svbaequalibus 7 et paulo in longitudine corporis; colore corpore dilute 
5 viridi, pinnis hyalino; macula scapulari profundiore. 

EB. 12. D- 1 (fl. hrev-). P. 1/14, WV. 1/1. A. 79.-C. 17-et lat. brev. 
Habit. Palembang, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 175/'’, 


Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan Silurus mo- 
 nonema Blkr. van Java, doch onderscheidt zich daarvan door 
| betrekkelijk grooteren kop, door konkaaf profiel en langere 
Sboven- en onderkaaksdraden. 


584 


Silurus palembangensis Blkr. 


Silur. corpore oblongo compresso, altitudine 4 et paulo in ejus longi- 
tudine;s capite obtuso depresso 7 et paulo in longitudine corporis; altitu- 
dine et latitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; linea rostro-dor- 
sali vertice concavajs oculis posteris diametro 2} in longitudine capitis, 
diametro 14 circiter a se invicem distantibus; rostro oculo breviore; ma- 
xillis dentibus pluriseriatis parvis aequalibus, inferiore superiore.paulo 
breviore; dentibus vomerinis parvis in vittam dentibus intermaxillaribus 
parallelam dispositis; cirris 2 supramaxillaribus pinnam analem fere at- 
tingentibus; cirris inframaxillaribus nullis; loco pinnae dorsalis filo brevi 
unicos pinnis pectoralibus obtusiusculis capite multo longioribus, spina 
ossea longitudine caput aequante, postice denticulis minimis scabra; ven- 
tralibus pectoralibus plus quadruplo brevioribus; anali longissima a cau- 
dali spatio brevi remota; caudali profunde incisa lobis acutis 54 cir- 
citer in longitudine corporis; colore corpore viridescente; pinnis pecto- 
ralibus et anali membrana et caudali postice nigricante. 

B. 9. D.1 (fl- brev.). B. 3/11, MN. 6-A. 70: Co 17 eben: 

Habit. Palembang, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 169” 


Aanm. Deze soort onderscheidt zich van Siülurus bicirrhis 
CV., aan welke zij zeer na verwant is, voornamelijk door veel 
sterker konkaaf profiel en aanmerkelijk talrijker aarsvinstralen. 
Nog grootere verwantschap heeft zij met Silurus lats Blkr. van 
Borneo, doch onderscheidt zich ook hiervan door veel sterker — 
konkaaf profiel en door veel kortere bovenkaaksdraden, welke 
bij Silurus lats Blkr. tot nabij het midden der aarsvin reiken; E 
voorts nog door ligt getanden borstvindoorn, langwerpiger 
ligchaam enz. 


Silurus leptonema Blkr. 


Silur. corpore elongato compresso, altitudine 64 circiter in ejus longi- 
tudine; capite acuto depresso 5% circiter in longitudine corporis; altitudine 
capitis 2, latitudine 12 circiter in ejus longitudine; linea rostro-dorsali k 
vertice concava; oculis diametro 5 circiter in longitudine corporis, diame- 
tris 24 circiter a se invicem distantibus; rostro oculo duplo vel plus du- — 
plo longiore; maxillis dentibas pluriseriatis aequalibus, inferiore valde an- 
te superiorem prominente; dentibus vomerinis in vittam semilunarem, den- 
tibus intermaxillaribus parallelam dispositis; cirris 2 supramaxillaribus gra= 
cillimis oeulum attingentibus; cirris inframaxillaribus nullis: pinna dorsali 


505 


nulla econspicua; pinnis pectoralibus acutiusculis capite brevioribus, spina 
ossea capitis parte postoculari longiore dentibus inconspicuis; ventralibus 
pectoralibus paulo plus duplo brevioribus; anali longissima spatio bre- 
vi a pinna caudali remota; caudali profunde incisa lobis acutis superiore 
inferiore paulo breviore 64 circiter in longitudine corporis; colore corpore 
pinnisque viridescente. 

DOE. 1/14 V. 1/8. A. 75. C. 17 et lat. brev. 

Habit. Palembang, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 268” 


Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan Silurus heza- 
pterus Blkr. van Borneo, welke insgelijks slechts twee boven- 
kaaksdraden en geene rugvin bezit. Bij Süurus hexapterus 
Blkr. evenwel gaat de kop ongeveer 8 maal in de lengte des 
ligchaams, reiken de bovenkaaksdraden tot aan de operkels, 
zijn de borstvinnen een weinig langer dan de kop en de ge- 
tallen der stralen =B. 12. P. 1/16. V. 1/7. A. 76. 

De talrijke soorten van Silurus CV., thans reeds in mijne 
verzameling aanwezig en allen afkomstig van de zoete wate- 
ren der drie Soenda-eilanden, nopen mij, al weder daarvan een 
analijtisch overzigt te geven. In Mei van dit jaar bezat ik nog 
slechts 3 soorten van Wallago Blkr. en 8 van Silurus Blkr., 
terwijl mijn kabinet thans bevat 4 soorten van Wallago en ÎÂ 
van Silurus, dat is 18 soorten van het geslacht Sitwrus CV. 
of 4 soorten meer, dan in 1839 door den heer VALENCIENNES 
van de geheele aarde beschreven zijn. 


WALLAGO Blkr. 
1. Cirri A. 
A. Rictus longe post oculum productus. 
Wallago Mülleri Blkr. — Java. 
B. Rictus sub oculo desinens. 


Wallago bimaculatus Blkr.= Stlturus bimacu- 
latus Bl. — Java. 
Mes Cirri 2. 
A. Pinna analis radiis p. m. 95. P. 1/20. 


Wallago dinema Blkr. — Borneo. 


a 
ze 4 


UL 


586 


B. Piínna analis radijs p. m. 70. P. 1/15. 


Wallago Leer Blkr. — Borneo, Sumatra. 


N 


SILURUS Blkr. : 


ECirri 
À. Piuna dorsalis radiis pluribus. 


… d. Oeculi superi. Maxillae aequales. 
aa. Cirri supra- et inframaxillares initium pinnae ana-_ 
lis multo superantes. A. 59. 


Silurus phaiosoma Blkr. — Borneo. 


b. Oculi posteri. Maxilla inferior superiore longior. 
aa. Cirri supramaxillares pinnam caudalem fere at- 
tingentes. A. 79. | 


Suurus macronema Blkr. — Java. 


1 


e. Oeculi inferi. Maxilta inferior superiore longior. 
aa. Cirri supramaxillares pinnam analem attingen- 
tes. A. 77. 


Silurus hypophthalmus Blkr. — Java. 


B. Pinna dorsalis radio unico filiformi. 
a, Maxilla superior inferiore longior. 
aa. Caput 8 fere in longitudine corporis. Cirri om= 

nes pinnae analis initium longe superantes. 

NT. | 


Stturus limpok Blkr. — Sumatra. 


Db. Caput 9 in longitudine corporis. Cirri suprama 
Xillares pinnae analis initium multo superan- 
tes, inframaxillares pinnas ventrales atlingentes. 
A. 79 p. m. | 


Silures mononema Blkr. — Java. 


b. Maxilla superior inferiore brevior. - 
aa. Caput 6 in longitudine corporis. Cirri suprä- 
maxillares oculum attingentes. A. 93. 


5867 


Silurus micronema Blkr. — Java. 


Weastieri 2. 
A. Pinna dorsalis radio 1° filiformi. _Maxilla superior in- 
feriore longior. 
a. Cirri supramaxillares pinnam analem vix vel non 
attingentes. 
aa. Caput 7 ad 73 in longitudine corporis. 
Pela 5DeD: me Biedt 


Silurus bicirrhis CV. — Java, Borneo. 
Tr A. 66. B. 9. Altitudo corporis 43 in ejus lon- 


gitudine. 


& 
Silurus laxs Blkr. — Borneo. 


Tir A. 70. B. 9. Altitudo corporis 4 et paulo in 
ejus longitudine. 


Silurus palembangensis Blkr. — Sumatra. 


b. Cirri supramaxillares pinnas pectorales vix attingen- 
tes. Caput 6 circiter in longitudine corporis. A. 
BBB Alen 


Stlurus eryptopterus Blkr. — Borneo. 


B. Pínna dorsalis nulla. Cirri supramaxillares caput non 
superantes. Maxilla inferior superiore longior. 
a. A. 92. B. 15. Caput 6 fere in longitudine corporis. 


Silurus phalacronotus Blkr. — Borneo. 


BEA 75 ìp:-m. 
aa. Caput 53 ecireiter in longitudine corporis. 
Silurus leptonema Blkr. — Sumatra. 
bb. Caput $ circiter in longitudine corporis. 
Silurus hexapterus Blkr. — Borneo. 


HI. Cirri nulli. Pinna dorsalis nulla. 


588 


Silurus apogon Blkr. — Borneo. 


Bagrus hypselopterus Blkr. vide tabul. 


Bagr. corpore elongato compresso, altitudine 5} circiter in ejus longi- 
gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; dorso valde elevato et 
angulato; capite acuto 91 fere in longitudine corporis, aeque alto circiter 
ac longo sed longiore quam lato; linea rostro-dorsali concava; oculis dia- 
tro 8 circiter in longitudine capitis; cute capite poris conspicuis; scuto 
capitis cristaque interparietali glabris; crista interpariëtali plus duplo lon- 
giore quam basi lata, tota conspicua, os interspinosum sulcosum attin- 
gente; cirris 8, nasalibus opercula, supramaxillaribus os humerale, infra- 
maxillaribus externis aperturam branchialem vix attingentibus; cirris in- 
framaxillaribus internis externis multo brevioribus; rostro rotundato ocu- 
lo plus duplo longiore; maxilla superiore dentibus parvis pluriseriatis; 
maxilla inferiore ante superiorem prominente, dentibus tri- vel quadriseri- 
atis setiformibus dentibus supramaxillaribus multo longioribus; vitta den- 
tium vomero-palatinorum continua simplice; osse scapulari rugoso acuto; 
pinna dorsali radiosa spina longissima et radio 1° corpore plus duplo alti- 
oribus, spina postice denticulata superne flexilis; dorsali adiposa longis- 
sima dorsali 1l** contigua, corpore absque pinna caudali minus duplo 
breviore; pinnis pectoralibus acutis capite longioribus, spina ossea longi- 
tudine caput aequante, postice denticulata; ventralibus acutis longitudine 
pectorales aequantibus; anali obtusa corpore humiliore basi 5 et paulo in 
longitudine pinnae adiposae; caudali usque ad basin fere incisa lobis acu- 
tissimis 8 fere in longitudine totius corporis; corpore rufo et fusco toto 
nebulato; pinnis nigris, adiposa et caudali tantum fuscescentibus. 

B. 7. D. 1/7. P. 1/10. V. 1/5. A. 5/10. C. 17 et lat. brev. 

Habit. Palembang, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 260’, 


Aanm. Deze merkwaardige soort is zeer kenbaar aan haren _ 
hoogen als gebogchelden rug, hooge rugvin, groote vetvin, 
eigenaardige kleuren enz. 


Pangasius hevanema Blkr. 


Pangas. corpore elongato compresso, altitudine 54 fere in ejus longitu- 
dine, latitudine 1} circiter in ejus altitudine; capite obtuso leviter convexo, â 
6 in longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 14 circiter in 
ejus longitudine; linea rostro-frontali leviter convexa; oculis posteris dia- — 
„metro 24 circiter in longitudine capitis, superne diametro 14 circiter, in- E 
ferne minus diametro 1 a se invicem distantibus; cirris 6, supramaxilla- 


589 


ribus pinnam analem, inframaxillaribus externis et internis subaequalibus 
os humerale attingentibus; maxillis dentibus pluriseriatis parvis, inferiore 
superiore breviore; dentibus vomero-palatinis in thurmas 2 oblongas sub- 
contiguas collocatis, parvis; scuto capitis cristaque interparietali glabris; 
linea laterali rectiuscula; linea ventrali linea dorsali convexiore; pinna 
dorsali acuta non emarginata corpore humiliore, spina postice serrata; 
pinna adiposa minima parti pinnae analis posteriori opposita; pinnis pec- 


_ toralibus acutis capite longioribus, spina postice serrata; ventralibus pec= 


toralibus duplo brevioribus; anali 84 ecirciter in longitudine corporis; cau- 
dali profunde incisa lobis acutis inferiore superiore longiore 42 circiter in 
longitudine corporis; colore corpore superne plumbeo inferne argenteo; 
pinnis flavescente-hyalinis, pectoralibus membrana et caudali margine pos- 
teriore nigricante arenatis. 

BDE TA P. 1/9. V. 1/5. A. 4/36.°0. 17 et lat. brev. 

Habit. Palembang, Batavia, in fluviis. 

Longitudo 2 speciminum 102''’ et 152’, 


Aanm. In de groote Histoire naturelle des Poissons wordt 
slechts eene enkele soort van Pangastus vermeld, te weten 
Pangasius Buchanani CV. vaú de Ganges. Ik heb het eerst 


het voorkomen van dit geslacht in den Zndischen Archipel aan- 


getoond, en thans ken ik er reeds 6 soorten van, 3 van Java, 
Pangasius djambal, Pangasius hexanema en Pangasius micro- 
nema; 2 van Borneo, Pangasius rios en Pangasius macronema, 
en 2 van Sumatra, Pangasius hevanema en de hieronder be- 
schrevene. Pangasius hexanema onderscheidt zich van alle deze 
soorten door de aanwezigheid van 6 baarddraden, bezittende 
alle overige bekende soorten er slechts Á. Door deze soort 


moet de diagnose van het gelacht, duidende op de 4 cirri, 
eene wijziging ondergaan, tenzij men in de 2 cirri méér een 
geslachtskenmerk wilde vinden, evenals Silundia, welk geslacht 


men als van Pangasius verschillend beschouwt, 2 baarddraden 
minder heeft dan Pangasius. De verschillen in de getallen der 
baarddraden schijnen mij echter toe hier, op zich zelve geno- 


„men, geen gewigt genoeg te bezitten om ze tot geslachtsken- 


merken te verheffen. 


Pangasius juaro Blkr. 


Pangas. corpore elongato compresso, altitudine 52 in ejus longitudine, 


590 


latitudine 14 eirciter in ejus altitudine: capite ovtnso antice convexo, 64 
in longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 14 eirciter in ejus 
longitudine; linea rostro-frontali convexa; oculis subposteris diametro 4 
in longitudine capitis, superne diametris 34, inferne diametris 24 a se in- 
vicem distantibus; ecirris 4, supramaxillaribus os humerale attingentibus, 
inframaxillaribus oculo brevioribus; maxillis dentibus multiseriatis, parvis, 
aequalibus; maxilla inferiore superiore breviore; dentibus vomerinis et pa- 
latinis parvis conicis, vomerinis in thurmam magnam quadratam, palatinis 
in thurmas 2 oblongas parvas ad latera thurmae vomerinae collocatis; scuto 
capitis cristaque interparietali rugosis; linea laterali rectiuscula ramosa; 
linea dorsali linea ventrali convexiore; pinna dorsali radiosa acuta non 
emarginata corpore humiliore, spina postice serrata; pinna adiposa gracili 
pinnae analis parti posteriori opposita, multo altiore quam longa, altitu- 


| 
dine oculum subaequante; pinnis pectoralibus acutis capite paulo breviori- 
bus, spina postice serrata; ventralibus pectoralibus multo minus duplo 
: 


brevioribus, analem attingentibus; anali 34 circiter in longitudine corporis; 


caudali profunde incisa lobis (partim abruptis); colore corpore superne 
plumbeo-coeruleo, inferne argenteo; pinnis viridescentibus vel flavescenti- 
bus, dorsali, pectoralibus ventralibusque marginem posticum versus mem- 
brana nigricantibus. 

B. 7. D1/1..PS 1125, MV. 1465 A. 4/30. Co717. Stolntenkneg 

Synon. Jkan Juaro Palembang. 

Habit. Palembang, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 336'/’, 


Aanm. Deze soort is na verwant aan Pangasius polyurano- 
don Blkr. van Borneo, doch heeft minder aarsvinstralen, kor- 
tere voeldraden, de oogen hooger aan den kop geplaatst enz. 


Arius melanochtr Blkr. 


Arius corpore elongato compresso, altitudine 6 in ejus longitudine; ca- 
pite acuto convexiusculo a rostro usque ad aperturam branchialem 5, a 
rostro usque ad apicem cristae interparietalis 84 circiter in longitudine 
corporis; latitudine capitis 12 circiter in ejus longitudine; oculis diametro 
8 in longitudine capitis, diametris 3 circiter a se invicem distantibus; li- — 
nea rostro-frontali declivi rectiuscula, rostro tantum convexa; scuto capi= e 
tis irregulariter sulcato et granulato, sulco antico lato glabro cordiformi, $ 
granulis medio numerosis; crista interparietali duplo longiore quam basi ( 
lata, tota sulcata et granulata, apice leviter emarginata os interspinosum — 
parvum granulosum attingente; cirris 6, supramaxillaribus apicem ossis hu- 
. meralis paulo superantibus, inframaxillaribus externis basin pinnae pecto- Ex 
toralis, inframaxillaribus internis aperturam branchialem attingentibus; ma= W 


ed 


591 


xillis dentibus pluriseriatis parvis aequalibus, superiore inferiore longiore; 
ore infero; dentibus palatinis conicis parvis in thurmas 2 parvas oblongas 
antice et lateraliter in palato collocatis; osse scapulari glabro; spinis dor- 
sali et pectoralibus crassis, subaequilongis, capite paulo brevioribus, antice 
granulosis, lateribus striatis, postice serratis, non in fila productis, 54 
circiter in longitudine corporis; pinna dorsali radiosa acuta corpore non 
humiliore; pinna adiposa anali paulo longiore, longitudine 14 circiter in 
longitudine capitis, oblonga, rotundata, plus duplo longiore quam alta; 
pinnis pectoralibus acutis capite paulo brevioribus; ventralibus obtusis ro- 
tundatis pectoralibus paulo brevioribus, analem attingentibus, radio postico 
basi tumido cartilagineo; anali acuta angulata non emarginata aeque alta 
ac longa; caudali profunde incisa lobis acutis superiore longiore 4} in lon- 
gitudine corporis; colore corpore superne plumbeo-coeruleo, inferne argen- 
teo; pinnis, adiposa immaculata viridi excepta, medio nigris marginibus 
viridibus vel flavescentibus. 

BERDE MDN AE. 1/12. Vol/5. A. 7/13, Co417. jet: Tat. brev. 

Habit. Palembang, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 302/'/, 


Aanm. Deze soort laat zich bij den eersten oogopslag van 
de bekende soorten van Artus onderkennen door hare lange 
vetvin, en zwarte straalachtige vinnen. 


Pimelodus platiypogon K. v. H. GV. Poiss. XV p. 118. 


Pimelod. corpore elongato compresso, altitudine 7% ad 54 in ejus lon- 
gitudine; capite antice semicirculariter rotundato, 5 circiter in longitudine 

_ corporis; altitudine capitis 2 ad 18, latitudine 14 ad 14 in ejus longitu- 
dine usque ad apicem opercularem; linea rostro-dorsali convexa; oculis 
diametro 8 ad 11 in longitudine capitis; scuto capitis cristaque interparie- 
tali glabris; crista interparietali longiore quam basi lata, apice acuta os 
interspinosum glabrum subattingente; cirris 8, nasalibus oculum non at- 
tingentibus, labialibus basi latis Oopercula paulo superantibus, inframaxil- 
Jaribus externis pinnam pectoralem attingentibus, inframaxillaribus inter- 
pis aperturam branchialem inferiorem vix superantibus; maxilla superiore 
inferiore longiore; rictu latitudine capite paulo plus duplo breviore; cute 
laevi; pinnis radio nullo producto; dorsali radiosa angulata non emargi- 
nata spina postice superne denticulata corpore non vel vix humiliore; dor- 

_ sali adiposa oblonga rotundata, anali non breviore; pectoralibus longitu- 
dine caput aequantibus, spina valde serrata spina dorsali longiore; ventra- 
libus rotundatis vel angulatis pectoralibus brevioribus; anali rotundata cor- 
pore paulo humiliore; caudali profunde emarginata lobis subaequalibus 
acutiusculis rotundatis 44 ad 5 in longitudine corporis; vesica natatoria 


ha en 5 ie 


592 


nulla; colore corpore superne lateribusque viridescente-fusco, inferne au= 
rantiaco ; linea laterali flavescente vel aurantiaca; pinnis dorsalibus ma- 
xima parte fuscis; caudali basi utroque lobo maxima parte fusca; pinnis 
eeteris aurantiacis plus minusve fusco tinctis. 9 
B, 9D. 1/5. P. 1/8, V. 1/5. A 4/8 vel 3/9. Cl Zvetelat,- breve 
Synon. Pimelodus gymnocephalus K. v. H. Mss. 
Pimélode à barbillons plats CV. Poiss. XV p. 118: 
Ikan Djengal Sundanens. 
kan Leleh gunung. Mal. Batav. 
Habit. Pajakombo, Sumatrae occidentalis, in fluviis. 
Batavia, Tjampea, Buitenzorg, Tjipannas, Javae insulae, in flu- 
vijs. 
Longitudo 11 speciminum 60/'/ ad 100//, 


Aanm. Deze soort ontving ik van Sumatra van den heer P. 
JakLesS en van Buitenzorg en Tjipannas van den heer J. E._ 
TerismanN. Zelf vond ik haar te Tjampea en te Batavia Te 
Batavia wordt zij zelden gevangen en slechts na hooge rivier- 
standen in de westmoesson. Zij werd er door mij slechts aan- 
getroffen in de maand April 1851 gelijktijdig met twee nog 
onbeschrevene soorten, Pümelodus zonatus Blkr. en Pimelodus 
pleurostigma Bkr. 


CYPRINOÏDEL. 
Barbus gobioïdes Blkr. 


Barb. corpore subelongato compresso, altitudine 5 fere in ejus longitu- 
dine, latitudine 2 fere in ejus altitudine; capite convexiusculo subacuto 
48 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 12, latitudine 2 i 
ejus longitudine; oculis diametro 34 circiter in longitudine capitis, dia= 
metro 1 in capitis parte postoculari;, distantia interoculari 22 circiter in 
longitudine capitis; rostro convexo oculo longiore; maxilla superiore in- 
feriore paulo longiore, verticaliter deorsum medioeriter protractili, longe 
ante oculum desinente, labio tenuis; ore subinfero; maxilla inferiore sym= 
physi uneinata; cirris labialibus maxillaribus longioribus oculum non ate 
tingentibus, maxillaribus nares non attingentibus; dentibus pharyngealibus 
triseriatis serie externa 5 subuncinatis; osse scapulari trigono obtuso; 
linea rostro-dorsali vertice leviter convexa; dorso humili sed ventre con 
vexiore; lineis dorsali et ventrali rotundatis; linea laterali lineam rostro 
_caudalem attingente vix curvata; squamis parte libera longitudinaliter stri- 
atis, lateribus 38 p. m. in serie longitudinali, 13 p. m. in serie transversalis 


595 


inguinibus squamis elongatis nullis; pinnis dorsali et anali basi vagina 


| - hee ht 4 
_ squamosa nulla; dorsali ante ventrales incipiente, acuta, emarginata , cor= 


f pore paulo humiliore, spina ossea, gracili, flexili, non dentata; pinnis 
__pectoralibus et ventralibus acutis, pectoralibus ventralibus paulo longiori- 
bus sed capite brevioribus; pectoralibus ventrales non et ventralibus ana- 
lem non attingentibus; anali acuta non emarginata, corpore multo humi- 
liore; caudali profunde incisa lobis acutis subaequalibus 32 circiter in lon- 
gitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne argenteo; pinna 
dorsali nigra angulo postico rubra et fascia obligua media lata rubra; 
pectoralibus analique elbis; ventralibus albis medio roseis; caudali viridi 
utroque lobo medio fascia longitudinali violascente. 
B. 3. D. 4/3 vel 4/9. P. 1/15 V. 1/8 A. 3/5 vel 3/%. C. 19 et lat, brev. 
Habit. Palembang, in fluviis. 


Longitudo speciminis unici 105”. 


Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan Barbus nudi- 
cephalus K. v. H. vooral door overeenkomstigen vorm van kop 
en zamenstelling van bek, snuit en oogstreek. De fraaije kleu- 
ren van hare rugvin en de overlangsche violette banden der 
staartvin doen haar gemakkelijk onderkennen. 


Capoeta padangensis Blkr. 


Capoet. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in,ejus lon- 
gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite convexo 54 cir- 

s citer in longitudine corporis; altitudine capitis 1E, latitudine 13 circiter 
_ in ejus longitudine; oculis diametro 8 circiter in longitudine capitis, dia- 
metro 1 circiter a se invicem distantibus; rostro laevi, convexo, obtuso, 
_ oculo multo breviore; maxilla superiore inferiore longiore, sub oeuli mar- 
_ gine anteriore vel vix ante oculum desinente; citris labialibus gracillimis 


oculo plus duplo brevioribus; dentibus pkharyngealibus triseriatis serie ex+ 
terna 4 subuncinatis; osse scapulari trigono apice rotundato; lineis dor- 
sali et ventrali rotundatis, dorsali ventrali multo convexiore; linea rostro- 
_ dorsali vertice concaviuscula; linea laterali antice declivi, posticee rectius- 


Ö 


 cula, lineam rostro-caudalem vix vel non attingente; squamis parte libera 


__striis parcis divergentibus, lateribus 38 p. m. in serie longitudinali, 12 


Se eirciter in serie transversalis pinna dorsali supra pinnas ventrales inci- 
5 piente, acuta, vix emarginata, corpore humiliore, spina dentata capite 
paulo breviore; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, subaequalibus, 
Ee: eireiter in longitudine corporis, pectoralibus ante ventrales, ventralibus 
4 ante analem desinentibus; anali acuta non emarginata, corpore plus du- 


HIL A5 


ä kumiliore; caudali profunde incisa lobis acutis 4 fere in longitudine 


594 


corporis; colore corpore superne coerulescente-viridi inferne argenteo; 
squamis lateribus plurimis stria transversa nigricante; pinnis flavescentibus Î 
vel hyalinis, dorsali et caudali leviter nigro marginatis. 

B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/14. V. 1/9. A. 3/8 vel 3/9. C. 19 et lat. 
brev. 

Habit. Padang, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 103'//, 


Aanm. Deze soort schijnt na verwant te zijn aan Capoeta 
fundulus CV. van Armenië en Georgië, doch bij deze zou de 
kop niet meer dan het 1/, van de geheele lengte des ligchaams 
uitmaken, de voeldraden vrij lang zijn en de snuit uitpuilende 
en poreus. Van de overige bekende soorten is zij insgelijks 
zeer gemakkelijk te onderkennen door haar slank ligchaam, 
getanden grooten rugdoorn, 8 of 9 verdeelde aarsvinstralen, 
enz. 


Capoeta ampalong Blkr. 


Cap. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in ejus longitu- 
dine, latitudine 2 fere in ejus altitudines capite acuto 4 in longitudine 
corporis; altitudine capitis 18, latitudine 24 in ejus longitudine; oculis 
diametto 42 circiter in longitudine capitis, 2 in capitis parte postocularis 
distantia interoculari 4 fere in longitudine capitis; rostro acuto non con= 
vexo, oculo longiore; maxillis aequalibus, superiore sub oculi margine 
aunteriore desinente, inferiore symphysi subuncinata; ecirris oculum attin= 
gentibus; dentibus pharyngealibus biseriatis, serie externa 5 gracilibus quo= 


rum 3 subuncinatis; osse scapulari trigono obtuso rotundato; linea ros- 


tro-dorsali non concava, rostro deelivi rectiusculas; linea dorsali convexa, k 
ventralt rectiusculas linea laterali concava lineam rostro-caudalem attin= 
gente; squamis parte libera radiatim striatis, lateribus 28 p. m. in serie; 
longitudinali, 9 p. m. in serie verticalis inguinibus squamis elongatis;® 
pinnis dorsali et anali basi vagina squamosa; pinna dorsali initio ventras 
libus opposita, acuta, leviter emarginata, corpore vix humiliore, spina gra=| 
cili leviter denticulata capite breviore; pectoralibus ventralibusque acu-® 
tis capite multo brevioribus; pectoralibus ventralibus paulo longioribuss et 
eas non attingentibus; ventralibus analem non attingentibus; anali acuta, 
paulo emarginata, corpore multo humiliore; caudali profunde incisa lobis: 
acutis 4 et paulo in longitudine corporis; colore corpore superne viridi, 


anteriore supra pinnam ventralem, posteriore supra vel vix post finem 


pianae analis; pinnis flavis, verticalibus medio rubescentibus. 


î 595 


B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. 
brev. 

Habit. Palembang, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 120’//, 


Aanm. In habitus heeft deze soort veel van Capoeta ma- 
crolepidota CV. doch verschilt daarvan ten duidelijkste door 
gedoornde rugvin, door hare twee zwartachtige ronde zijvlek- 
ken enz. Mampalong is een der Maleische namen van Capoeta. 


Dangila microlepis Blkr. 


Dangil. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in ejus longi- 
tudine; latitudine 2 in ejus altitudine; capite obtusiusculo superne pla- 
piusculo, 6 et paulo in longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitu- 
dine 12 circiter in ejus longitudine; oculis diametro 3 circiter in longitu- 
dine capitis, diametro 1 in capitis parte postoculari; distantia interoculari 
2 et paulo in longitudine capitis; rostro convexiusculo, oculo paulo bre- 
viore, paulo ante os prominente, poris vix conspicuis; maxilla superiore 
inferiore longiore, verticaliter deorsum parum protractili, ante oculum 
4 desinente; cirris maxillaribus rudimentariis, labialibus pupillam attingen- 
_tibus; labiis superiore papillis brevibus, inferiore duplicato; dentibus 
_ pharyngealibus triseriatis rectiusculis; osse scapulari trigono acutos li- 


nea rostro-dorsali vertice rectiuscula, rostro et fronte convexiuscula; lineis 


dorsali et ventrali rotundatis, dorsali ventrali paulo convexiore; linea la- 


terali vix curvata lineam rostro-caudalem postice tantum attingente; 
_squamis striis concentricis vix conspicuis, lateribus 65 p. m. in serie lon- 
gitudinali, plus quam 20 in serie verticalis inguinibus squamis elon- 
gatis; pinna dorsali ante ventrales incipiente, acuta, emarginata, cor- 
pore multo humiliore, longitudine 2# in longitudine corporis; pectorali- 
_bus et ventralibus acutis subaequalibus, capite vix brevioribus; pectorali- 
_ bus ventrales non, ventralibus analem non attingentibus; anali acuta vix 
vel non emarginata, dorsali humiliore; caudali profunde incisa, lobis a- 
E utis, superiore longiore AL circiter in longitudine corporis; colore cor- 
pore superne coeruleo inferne argenteo; lateribus maculis 2 rotundis ni- 
gBrieantibus, anteriore ad lineam lateralem ante pinnam dorsalem, poste- 
riore in linea laterali ad basin pinnae caudalis; pinnis flavescente-viridi- 
Ee dorsali membrana superne violascente. 

B. 3. D. 4/27 vel 4/28. P. 2/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. 
rev. 


Habit. Palembang, in fluviis. 
_ Longitudo speciminis unici 185” 


A ENDERS MAR 


596 


Aanm. Deze fraaije soort is zeer gemakkelijk herkenbaar | 
aan hare kleine schubben, lange rugvin en zwarte zijvlekken. 


Dangila sumatrana Blkr. 


Dangil. corpore elongato compresso, altitudine 5% circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite convexo 64 fere 
in longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 1% circiter in ejus 
longitudine; oculis diametro 8 eirciter in longitudine capitis, diametro 13 
circiter a se invicem distantibus; linea interoculari convexa; rostro cou- 
vexo, obtusiusculo, oculo longiore, antice poris numerosis maxime con- 
spicuis; maxilla superiore inferiore vix longiore, deorsum parum protractilí, 
ante oculum desinente; cirris labialibus cirris maxillaribus duplo circiter 
longioribus pupillam attingentibus; labiis non papillatis; deutibus pharijn- 
gealibus triseriatis, leviter curvatis, serie externa 5; osse scapulari trigono 
apice acute rotundato; linea dorsali rotundata linea ventrali multo con- 
vexiore; linea laterali antice declivi postice rectiuscula, lineam rostro-cau- | 
dalem postice tantum attingente; squamis parte libera longitudinaliter stria- 
tis, lateribus 34 p. m. in serie longitudinali, 19 p. m. in serie transversalis 
pinna dorsali longitudine 34 ad 834 in longitudine corporis, corpore paulo 
humiliore, acuta, vix emarginata; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, « 
subaegualibus, 7 circiter in longitudine corporis, pgetoralibus ante ven- 
trales, ventralibus ante analem desinentibus; anali acuta vix emarginata, 
corpore multo humiliore; caudali profunde incisa lobis acutis 4 circiter in 
longitudine corporis; colore corpore superne viridi, inferne argenteo, pinnis 
rubescente. 

B. 3. D. 4/23. vel 4/24. P. 1/15. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 190608 

lat. brev. 

Habit. Solok, Sumatrae occidentalis, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 185” 3 


Aanm. Deze soort is na verwant aan Dangila Cuvieri Val. 
doch verschilt er van door rankere vormen, betrekkelijk kor- 
tere rugvin, langeren snuit, grootere snuitporiën, kortere lip- 
draden, ongetepelde lippen enz. Van de overige bekende soor- 
ten is zij insgelijks ligt te onderkennen. De kleuren van mijn 
specimen hebben door den wijngeest zeer geleden. À 


Flohita enneaporos Blkr. 


Rohit. corpore oblongo compresso, altitudine 44 fere in ejus longitudine, | 
latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite obtuso, convexo, 6 circiter 


597 


in longitudine corporis; altitudine ecapitis 14, latitudine 14 circiter in 
ejus longitudine; oculis diametro 4 ecirciter in longitudine capitis, diametris 
2} circiter a se invicem distantibus; linea interoculari convexa; vertice 
econvexo; rostro convexo oculo duplo ecirciter longiore, ante os promi- 
nente , antice poro unieo medio majore poris 8 valde conspicuis cincto; 


maxilla superiore maxilla inferiore longiore ante oculum desinente; cirris 
maxillaribus labialibus brevioribus angulum oris non superantibus, labia- 
libus oculum attingentibus; labiis valde latis papillis conicis subfimbria- 
tis; dentibus pharijngealibus triseriatis, subclavatis, vix curvatis, serie ex- 
terna 5; osse scapulari trigono apice acutiuscule rotundato; lineis dorsali 
et ventrali convexis; dorso ventre multo altiore; linea laterali rectiuscula 
lineam rostro-caudalem non attingente;s squamis parte libera longitudina- 
liter striatis, lateribus 32 p. m.in serie longitudinali, 11 p. m. in serie trans- 
versali; pinna dorsali ante pinnas ventrales incipiente, acuta, emarginata, 
longitudine 5 ecirciter in longitudine corporis, corpore paulo humiliore; 
pinnis pectoralibus et ventralibus acutis 64 circiter in longitudine corporis, 
pectoralibus ventrales non, ventralibus analem non attingentibus; anali acuta, 
emarginata, corpore multo humiliore; caudali profunde incisa lobis acutis 
AA circiter in longitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne 
argenteo, pinnis flavescente vel roseo. 

BALI vel.4/13. BP. 1/15. V. 1/8. A. 3/5 vel -3/6. C. 19-et 

lat. brev. 
Habit. Padang, in fluviis, 
Longitudo speciminis unici 246” 


Aanm. Deze soortis na verwant aan Rohita erythrurus CV., 
‘doch laat zich gemakkelijk onderkennen aan hare snuitporiën, 
__ welke ten getale van 8, grootere, kringsgewijze geplaatste, zeer 
 zigtbaar zijn en eene nog grootere porie midden op den snuit 
omringen. Bij alle mijne grootere en kleinere specimina, 
welke ik beschouw als tot Rohita erythrurus te behooren, 
zijn die poriën slechts ten getale van drie aanwezig en 
de middelste betrekkelijk veel grooter dan bij bovenbeschre- 
vene soort. 


_Rohita cyanomelas Blkr. 


‘$ Rohit. corpore oblongo compresso, altitudine 8% circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite obtuso, superne planiusculo 
5: circiter in longitudine corporis; altitudine et latitudine capitis 14 cir- 
eiter in ejus longitudine; ocnlis diametro 44 circiter in longitudine capitis, 
EE circiter in capitis parte postoculari; distantia interoculari 13 circiter in 


598 


longitudine capitis; rostro obtuso, rotundato, valde ante os prominente, 
poris numerosis valde conspicuis obsito, oculo duplo longiore; maxilla 
superiore inferiore longiore longe ante oenlum desinente; cirris maxillari- 
bus labialibus longioribus, angulum oris superantibus, labialibus oculum 
attingentibus; labiis carnosis, superiore papillis brevibus, inferiore papillis 
longis gracilibus fimbriato; dentibus pharijngealibus triseriatis, apice ni- 
gris, serie externa 5 paulo curvatis; osse scapulari trigono obtuso; linea 
rostro=dorsali vertice leviter concavas dorso valde elevato, ventre multo 
convexiore; linea laterali leviter curvata, non infra lineam rostro-caudalem 
descendente; squamis parte libera longitudinaliter striatis, margine libero 
angulato, 43 p. m. in serie longitudinali, 15 p. m. in serie verticali; in- 
guinibus squamis elongatis; pinna dorsali ante pinnas ventrales incipiente, 
acuta, valde emarginata, corpore multo altiore, basi 32 circiter in longi- 
tudine corporis; pectoralibus et ventralibus acutis, emarginatis, postice 
| rotundatis, capite longioribus; pectoralibus ventralibus brevioribus sed ven- 
trales attingentibus; ventralibus analem attingentibus; anali acuta emargi- 
nata, corpore paulo humiliore; caudali semilunariter excisa, lobis acutis, 
superiore longiore 8% in longitudine corporis; colore corpore pinnisque _ 
violaceo-nigricante. : ' 

B. 3. D. 4/18 vel 4/19. P. 1/17. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. brev. 4 

Habit. Palembang, in fluviis. 


Longitudo speciminis unici 380°” 


Aanm. Deze soort is na verwant aan Rohita Reynauldt GV. 
van Rangoon, doch onderscheidt er zich van door hoogere en E 
langere rugvin, andere kleur des ligchaams enz. Zij is ook zeer 
verwant aan Rohita chrysophekadion Blkr., waarvan zij echter 
verschilt door geheel andere kleurteekening. | 


Rohita triporos Blkr. 


Rohit. corpore oblongo compresso, altitudine 4 in ejus longitudine, la- 
titudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite obtusiusculo 5% circiter in 
longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 12 circiter in ejus_ 
longitudine; oculis diametro 34 in longitudine capitis, 1 et paulo in ca- k 


pitis parte postoculari; distantia interoculari 2 in longitudine capitis; ros- 
tro convexo rotundato, oculo longiore, paulo ante os prominente, antice 
poris 3 valde conspicuis, poro medio poris lateralibus majore; maxilla 
superiore inferiore longiore, longe ante oculum desinente; labiis carnosis 
papillis valde conspicuis eiliatis; cirris labialibus cirris maxillaribus longio- 


1 
4 


599 


scapularì trigono acuto; linea rostro-dorsali vertice vix econcaviuscula; 
dorso elevato ventre multo convexiore; linea laterali rectiuscula lineam 
rostro-caudalem attingente; squamis parte libera longitudinaliter striatis, 
lateribus 34 p. m. in serie longitudinali, 11 p. m. in serie verticalis in- 
guinibus squamis elongatis; pinna dorsali ante pinnas ventrales incipiente, 
acuta, paulo emarginata, corpore humiliore, basi 44 circiter in longitudine 
corporis; pectoralibus et ventralibus aequalibus, capite paulo brevioribus; 
peetoralibus obtusiusculis ventrales non, ventralibus acutis analem non 
attingentibus ; anali acuta, vix emarginata , corpore duplo fere humiliore5 
caudali profunde incisa lobis acutis, subaequalibus 4 in longitudine corpo- 
ris; colore corpore superne viridi inferne argenteo; fascia cephalo-caudali 
fusca diffusa; pinnis viridibus. 

B. 3.D. 4/11. vel 4/12. P. 1/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/5. C. 19. et lat. brev. 

Habit. Palembang, in fluviis. 


bek 


Longitudo speciminis unici 150”. 


Aanm. Deze fraaije en duidelijk kenbare soort schijnt nog 
de meeste verwantschap te hebben met Rokita cursis CV. Zij 
verschilt daarvan echter voornamelijk door grootere schubben, 
langere baarddraden en andere kleuren. Zij behoort tot de 

groep van Rohita erythrurus GV. en Rohuta vittata CV. van 
Java welke zich doen kennen door de drie groote poriën 
voor aan den snuit. 


‚ Leuciscus thynnoïdes Blkr. 

8 es ' Eden , n 

5 Leucise. corpore elongato ecompresso, altitudine 5 eirciter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite acuto, 4 et paulo in lon- 

Ss gitudine corporis; altitudine capitis 12, latitudine 2 et paulo in ejus lon- 


gitudine; oculis posteris diametro 4 et paulo in longitudine capitis, 2 in parte 


‚postoculari; distantia interoculari 3 fere in longitudine eapitis; rostro acuto 
mon convexo, oculo paulo longiore; maxilla superiore, ore clauso, vix 


ij 
ante maxillam inferiorem prominente, deorsum mediocriter protractili, 


erna 5; osse scapulari trigono obtuso; linea rostro-dorsali capite declivi 
pectiuscula; lineis dorsali et ventrali rotundatis, dorsali ventrali convexiore; 
inea laterali antice declivi paulo curvata postice rectiuscula, vix infra 
ineam rostro-caudalem descendente; squamis lateribus longitudinaliter api- 
e transversim striatis, striis oculo nudo vix conspicius; squamis lateribus 


8 p. m. in serie longitudinali, 20 p. m. in serie verticali; inguinibus 


600 


squamis elongatis; pinna dorsali supra pinnas ventrales incipiente , acuta, 
emarginata, corpore vix humiliore; pectoralibus et ventralibus acutis, 
aequalibus, capite multo brevioribus; pectoralibus ventrales non, ventra- 
hibus analem non attingentibus; anali acuta, emarginata, corpore multo 
humiliore; caudali profunde incisa lobis acutis, inferiore paulo longiore 
4 et paulo in longitudine corporis; colore corpore superne coeruleo, in- 8 
ferne argenteo; membrana operculo- branchiali macula nigra; pinnis fla- 
vescente-viridibus, dorsali et caudalí ex parte violascentibus. | 
B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/18. V. 2/8. A. 3/5 vel 83/5. C. 19 et lat. brev. | 
Habit. Palembang, in fluviis. 


222 


Longitudo speciminis unici 135”. 


Aanm. Ik noem deze soort (hynnoïdes, omdat de physiogno- 
mie van haren kop eenigzins gelijkt op die van den kop van 
Thijnnus thunnina GV. Reeds daardoor laat zij zich van alle 
bekende soorten van Lewciscus onderscheiden. | 


Leuciscus trinema Blkr. 


Leucisc. corpore elongato compresso, altitudine 6 circiter in ejus lon-_ 
gitudine, latitudine 2 fere in ejus altitudine; capite acuto 5 et paulo in 
longitudine corporis; altitudine capitis 1% circiter in ejus longitudine; 
oculis superis, diametro 4 et paulo in longitudine capitis, 2 fere in capi- 
tis parte postoculari; distantia interoculari 3 circiter in capitis longitudine; 
rostro acuto non convexo, oculo longiore; maxilla superiore inferiore bre-, 
viore, sub oculo desinente, deorsum valde protractili; maxilla inferiore 
oblique adscendente, symphysi uncinata; dentibus pharyngealibus triseria= 
tis, curvatis, serieexterna 5; osse scapulari trigono acuto ; linea rostro-dor- 
sali capite concaviuscula; lineis dorsali et ventrali rotundatis, dorsali vens 
trali convexiore; dorso crasso transversim rotundato; ventre subcultrato; 
linea laterali valde curvata, lineae ventrali multo magis quam lineae dor= 
sali approximata; squamis parte libera radiatim striatis, striis valde con= 
spicuis; squamis lateribus 45 p. m. in serie longitudinali , 8. p. m. in serie 
verticali; inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali longe post pinnas 
ventrales inserta, parte postica parti analis anteriori opposita, acuta, 
paulo emarginata, corpore multo humiliore; pinnis pectoralibus acutis, 
capite paulo longioribus, ventrales attingentibus; ventralibus acutis pec 
toralibus brevioribus, radio 1° in filum, analem attingentem, producto; 
anali acuta vix emarginata, radio simplice in filum breve producto; cau= 
dali profunde incisa, lobis acutis inferiore longiore 44 circiter in longitus 
dine corporis; colore corpore superne viridi inferne argenteo; lateribus 
maculis rotundis fuscis in seriem longitudinalem dispositis et cauda im 


601 


fasciam latam trigonam nigram longitudinalem transeuntibus; pinnis flavis, 
dorsali et anali radiis aliquot macula fusca; caudali lobis medio fascia 
longitudinali nigricante, fascia lobo superiore fascia caudali continua. 
B. 3. D. 2/7 vel 2/3. P. 1/15. V. 1/3. A. 3/5 vel 3/7. C. 19 et lat. brev. 
Habit. Palembang, in fluviis. 
Longitudo speciminis unici 175”, 


Aanm. Deze fraaije soort is insgelijks bij den eersten oog- 
opslag herkenbaar aan hare eigenaardige vormen en kleuren. 
De achterwaartsche plaatsing der rugvin, de wijde bekspleet, 
de gehaakte onderkaak, de groote borstvinnen, de draadvor- 
mige verlenging der buik-en aarsvin en de kortheid der aars- 
vin, gepaard aan de eigenaardige kleurteekening, vormen eene 
zamenvoeging van karakters, welke men bij geene der beken- 

de soorten van Zeuciscus terugvindt. 


Leuciscus sumatranus Blkr. 


Leucise. corpore elongato compresso, altitudine 5 eirciter in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto 5 ecirciter in 


Jongitudine corporis; altitudine capitis 12, 


Jatitudine J2 eirciter in ejus 
longitudine; oeculis diametro 3 ad 834 in longitudine capitis, diametro 12 
‚ad 12 a se invicem distantibus; rostro acuto oeculo non vel vix breviore; 
_ maxillis aequalibus, superiore parum protractili vix ante vel sub oculi 
jk margine anteriore desinente, inferiore symphijsi subuncinata, valde adscen- 
f dente ; dentibus pharijgealibus triseriatisserie externa 5 longis subunecina- 
tis; osse scapulari trigono apice rotundato; linea rostro- dorsali vertice de- 

clivi rectiuscula; dorso ventre non altiore, ventre non cultrato ; linea laterali 
concava, lineae ventrali valde approximata et parallela, ad basin pinnae cau- 
Ke. desinente; squamis parte libera longitudinaliter striatis, lateribus 
23 p. m. in serie longitudinali, 6 vel 7 in serie transversali; pinna dorsalt 


pinnas ventrales inter et amalem sita, acuta, non emarginata, corpore vix 
„humiliore; pinnis pectoralibusacutis 54, ventralibus acutis 6 circiter in lon- 
gitudine corporis; anali brevi, acuta, emarginata, corpore humiliore; 
Bena profunde incisa, lobis acutis 4 circiter in longitudine corporis; 
colore corpore superne viridi inferne argenteo; marginibus squamarum in- 
ein coloratis; pinnis viridibus vel rubescentibus. 


1 


EB. 3.D. 1/7 vel 1/8. P. 1/13. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 17 et lat. brev. 
Á Habit. Solok, in fluviis. 
| Longitudo 3 speciminum 85” aa pt A 


Hi Ä5. 


602 


Aanm. Deze soort staat in verwantschap tusschen Leuciscus 
dusonensis Blkr.en Leuciscus cephalotaenia Blkr., doch verschilt 
van deze en andere verwante soorten door grootere schubben, 


gemis van band- en vlekteekening op het ligchaam, slanke vor- 


men, enz. Voor de juistheid der boven opgegeven kleuren kan 
ik niet instaan, daar zij door den wijngeest zeer schijnen gewij- 
zigd te zijn. 


Cobitis hymenophysa Blkr. 


Cobit. corpore elongato compresso, altitudine 54 eireiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite suilloideo, acuto, 44 


fere in longitudine corporis; altitudine capitis 12, latitudine 3 fere in 


5, 
ejus longitudine; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; oculis in postico 
dimidio capitis sitis, lineam rostro-frontalem non attingentibus, diametro 
5 eireiter in longitudine capitis, plus diametro la se invicem distantibus; 
spina suborbitali antico-infera, bifurcata, ramo inferiore longiore longitu- 
dine oculum aequante; rostro valde acuto, carnoso, ante os prominente, 
oculo plus duplo longiore; maxilla superiore inferiore longiore longe ante 
oculum desinente; cirris 6, supramaxillaribus 4 basi unitis, internis exter- 
nis longioribus, oculum fere attingentibus, labialibus spinam infraorbita- 
lem attingentibus; linea dorsali linea ventrali multo convexiore; squamis 
oculo nudo vix conspicuis; linea laterali rectiuscula per media latera 
decurrente; vesica natatoria bipartita, membranacea, in cavitate ventris li- 
bere suspensa; pinna dorsali supra pinnas ventrales incipiente et paulo 
ante analem desinente, angulata, non emarginata, corpore paulo humiliore; 
pinnis pectoralibus acutiusculis, capite minus duplo brevioribus, ventrales 
non attingentibus; ventralibus acutiusculis, capite duplo brevioribus, analem 
non attingentibus; anali angulata, non emarginata, dorsali humiliore; cau- 
dali profunde incisa lobis acute rotundatis subaequalibus, 42 circiter in 
longitudine corporis; colore corpore superne viridi, inferne dilutiore; cor- 
pore fasciis 12 vel 13 transversis coeruleis coeruleo profundiore marginatis; 
pinnis dorsali, pectoralibus caudalique viridibus, ceteris flavis; dorsali 
fasciis obliquis 5 coerulescentibus in fascias corporis transeuntibus, apice 
violaceo- nigricante; caudali utroque lobo vittis 8 p. m. transversis co@- 
ruleis. 

B. 3. D. 3/12 vel 3/13. P. 1/14. V. 1/7. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. brev. 

Habit. Palembang, in fluviis. 

Longitudo specimìinis unici 95”. 


Aanm. Deze fraaije soort is zeer kenbaar aan haren spitsen 


eet di dd dat enn dte ln an hens nn “a a 


605 


snuit, 6 voeldraden, groote onderoogkuilsdoornen, boven de buik- 
vinnen beginnende rugvin, gespleten staartvin en fraaije kleur- 
teekening. Zij behoort tot de groep van dit geslacht, voor 
welke de heer MacCrrrranp den…geslachtsnaam Hymenophysa 
heeft voorgesteld en waartoe Cobitis geta Ham. Buch, Cobitís 
dario Ham. Buch. en Botia grandis Gray van Hindostan en As- 
sam behooren. 


hs 


Cobitis macracanthus Blkr. 


Cobit. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longitu- 
dine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite acuto convexo 44 ad 42 in 
longitudine corporis; altitudine capitis l et paulo, latitudine 2 ad 12 in 
ejus longitudine; linea rostro-frontali convexa; oculis in posteriore dimi- 
dio capitis sitis, lineam rostro-frontalem non attingentibus, diametro 4 ad 
ad 44 in longitudine capitis, diametro 13 ad 2% a se invicem distantibus; 
spina suborbitali ante oculum sita, bifurcata, ramo inferiore ramo superiore 
et oculo multo longiore; rostro acuto convexo oculo duplo fere vel plus 
duplo longiore, carnoso, ante os prominente; maxilla superiore inferiore 
longiore, longe ante oculum desinente; cirris 8, supramaxillaribus 4 basi 
unitis, externis internis longioribus, labialibus oculo vix longioribus, in- 
framaxillaribus labialibus multo brevioribus; squamis oculo nudo conspicuis; 
linea laterali recta per media latera decurrente; vesica natatoria magna, 
simplice, membranacea, libere in cavitate ventris suspensa; pinna dorsali 
ante pinnas ventrales incipiente et paulo ante analem desinente, acutius- 
eula, non emarginata, corpore multo humiliore; pinnis pectoralibus et ven- 
tralibus acutiusculis; pectoralibus capite brevioribus, ventrales non attin- 
gentibus; ventralibus pectoralibus brevioribus analem subattingentibus; ana- 
li acuta, non emarginata, dorsali vix humiliore; caudali profunde incisa, 
lobis acutis aequalibus, 34 circiter in longitudine corporis; colore copore 
superne roseo-rubro inferne dilutiore; fasciis corpore 8 latis nigris, 1’ ocu- 
lari, 2* dorso-ventrali, 3* dorso-anali; pinnis caudali , pectoralibus rubris, 
wentralibus rubris medio fuscis, dorsali et anali fere totis nigris. 

B. 3. D. 3/8 vel 3/9. P. 1/13 vel 1/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 

et lat. brev. 

Synon. Zkan Matjan Mal. Sum. 

Habit. Palembang et in flumine Kwanten, Sumatrae occidentalis, XIIE 

inter et VII Kotta. 

Longitudo 3 speciminum 60” ad 132, 


604 


Aanm. Ook deze soort behoort tot dezelfde afdeeling als de 
boven beschrevene en beantwoordt daaraan ook in de voor- 
naamste kenmerken. In habitus heeft zij het meest van Cobitis 
dario Ham. Buch. , doch deze is ranker van ligchaam, zou 
slechts 6 voeldraden hebben, heeft veel talrijker en anders 
geplaatste ligchaamsbanden enz. ; 

Het kleinste mijner specimina heb ik ontvangen van Palem- 
bang van den heer Van Leer, de beide grootere van den heer 
SCHWANENFELD. 


Cobitis Jaklesiù Blkr. 


Cobit. corpore elongato, antice cylindrico, postice compresso, altitudine 
8 ad 81 in ejus longitudine; capite convexo 6 in longitudine corporis, 
duplo longiore quam alto; oeculis diametro 5 circiter in longitudine capi- 
tis, in medio capite sitis; rostro convexo rotundato; spinis suborbitalibus 
nullis; ossibus suborbitalibus pluribus; ecirris 6, supramaxillaribus internis 
oculum attingentibus, supramaxillaribus externis et labialibus oculum su- 
perantibus; linea dorsali convexa; squamis oculo nudo conspicuis; pinna 
dorsali dimidio anteriore ventralibus opposita, angulata, corpore altiore; 
pinnis pectoralibus rotundatis, capite vix vel non brevioribus sed ventrali- 
bus rotundatis longioribus; Anali corpore non vel vix altiore; caudali se- 
milunariter emarginata, lobis acutis 44 ad 42 in longitudine corporis; co- 
lore corpore rubro-fusco, fusco profundiore nebulato vel fasciis 11 vel 12 
transversis latis fuscis profundioribus; pinnis viridibus, dorsali et caudali 
radiis viridi profundiore maculatis; caudali basi macula fusca. 

B. 3.:D. 2/10, P_A/TE MVM. 1/7. Ar 8/6 'C. 19 ret Tats Heere 

Habit. Pajacombo, in fluviis. 

Longitudo 4 speciminum 66/'’ ad 82''/, 


Aanm. Ik ontving deze soort door de welwillendheid van 
mijnen vriend en ambtgenoot, den heer P. Jagres, die haar 
te Pajakombo ontdekte. Zij heeft in habitus veel van Cobitus 
chrysolaimos , doch laat zich daarvan bij den eersten oogopslag 
onderkennen door hare bruinroode kleur. 


NOTOPTERL. 


Notopterus hypselonotus Blkr. 


Notopter. corpore oblongo compresso, altitudine 8% circiter in ejus lon- 


É 
| 
, 


605 


gitudine, latitudine 34 circiter in ejus altitudine; capite acuto 44 eírciter 
Sin longitudine corporis, aeque alto, ac longo; linea rostro-dorsali vertice 
‚valde concava; altitudine capitis supra medium oculum 3 et paulo in ejus 
\ Jongitudine; oculis diametro 64 circiter in longitudine capitis, 44 circiter 
‚jn capitis parte postoculari, 3 et paulo in latitndine praeoperculi; osse 


suborbitali antice sub oculo oculo triplo fere humiliore; rostro rotundato 
\ oeulo non vel vix breviore; maxilla superiore longe post oculum desinente; 
dentibus lingualibus anticis sequentibus longioribus eurvatis; praeoperculo 
À rotundato squamis parvis in series 20 p. m. transversales dispositis; fossa 
mucosa temporali plus quintuplo longiore quam lata; dorso valde elevato, 
rotundato; linea ventrali-caudali vix angulata; ventre utroque latere den- 
tibus 42 p. m. serrato; squamis cycloideis basi subradiatim striatis, late- 
ribus 220 p. m. in serie longicudinali; pinna dorsali oblonga rotundata, 
antice in posteriore dimidio corporis sita, altitudine 2 circiter in longitu- 
dine capitis; pinnis pectoralibus acute rotundatis, 14 eirciter in longitudine 
capitis, radium analem 10% circiter attingentibus; ventralibus basi unitis 
\oculo plus duplo brevioribus; anali radiis longissimis 24 circiter in longi- 
| tudine capitis; caudali obtusa rotundata; colore corpore superne griseo- 
fuscescente, inferne dilutiore; axillis macula magna nigerrima; pinnis vi 
ridi-fuscescentibus. 

BED. P. 1/15. V. 5. A. 125. C,14. 

Habit. Palembang, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 872''’. 


__Aanm. Deze soort heeft groote verwantschap met Notopte- 
rus Buchanani GV., doch mist de staartvlekken en dwarsche 
banden daarvan. Volgens de beschrijving van den heer VareN- 
CIENNES gaat voorts bij laatstgenoemde soort de kop slechts 41/, 
maal in de lengte des ligchaams, heeft de borstvin 14 stralen, 
de aarsvin 110, de rugvin 9 en het kieuwvliesS8 stralen, ter- 
wijl er 240 schubben op eene overlangsche rei gaan. 


GIJMNODONTES. 


Tetraödon palembangensis Blkr. | 


k Tetraöd. corpore oblongo depresso, altitudine et latitudine 34 circiter 
in ejus longitudine; capite acuto depresso 24 circiter in longitudine cor- 
poris, multo longiore quam alto et lato; linea rostro-frontali rostro con- 
vexa fronte concava; oculis lineam rostro-frontalem attingentibus, diame=- 
it o 54 circiter in longitudine capitis, diametris plus quam 2 a se invicem 
à istantibus; fronte media inter oculos protuberantia eutanea annularis 


606 


maxilla superiore prominente; papilla nasali utroque latere unica indivisa 
apice perforata; corpore spinuloso, spinulis dorso lateribusque valde con- 
spicuis; rostro, mento caudaque postice glabris; linea laterali maxime 
conspicua sulciformi oculum cingente, dorsum versus adseendente et cur- 
vatura magna caudam versus descendente; pinnis obtusis rotundatis vel 
convexis, dorsali et anali aeque latis cireiter ac altis; colore corpore su- 
perne profunde viridi inferne flavescente; ventre toto lineis violascentibus 
reticulato; lateribus maculis rotundis nigris in setiem longitudinalem dis- 
positis; pinnis viridibus. 

D:'2/8. PA 102 A. lont. 

Synon. Jkan Buntal Palembang. 

Habit. Palembang, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 210///. 


Äanm. Deze soort heeft in kleurteekening het meeste van 
Tetraödon reticulatus, welke ik in eene verhandeling over de 
Blootkakige visschen van den Indischen Archipel naar twee 
zeer kleine specimina beschreef, alsmede met Tetraödon linea- 
tus Blkr. De overlangsche rei van ronde zwarte vlekken en 
het ongevlekt zijn der vinnen doen haar genoegzaam onder-_ 
kennen. 


LOPHOBRANCHII. 


Pegasus pristis Blkr. 


Pegas. corpore elongato depresso, tetragono, altitudine 13 p. m. in efts _ 
longitudine; latitudine maxima 6 in ejus longitudine; capite angulato, de- 
presso, acuto, 3 et paulo in longitudine corporis; rostro elongato 5 ad 54 S 
in longitudine corporis, basi et medio apice latiore, depresso, utrinque 4 
denticulis conspicuis serrato, apice obtuso glabro, latitudine media plus jé 
quam sexies in ejus longitudine; oculis diametro 4 ad 5 in longitudine 
rostri; scutis lateribus 4, cauda 11 vel 12 in serie longitudinalis; scuto d 
caudali postico utroque latere spina valde conspicua acuta; pinna dorsali $ 
anali opposita, corpore vix altiore; pectoralibus flabelliformibus analem nou 
attingentibus; analì brevi corpore vix altiore; caudali integra, truncata; 
corpore superne fuscescente guttulis et punctis numerosis confertis fuscis; 
ventre flavescente; pinnis dorsali, pectoralibus et caudalì fusco punctatis; 
ventralibus analique flavescentibus. 

DB. Be beard Alsdan 

Synon. Cataphractus rostro spatuliformi truncato Gronov. Zoöphyl. No. 357 

p. 115 tab. 11 fig. 2. 3? 


607 


Pegasus natans et Pegasus volans Richards. Voy. Sulph. Zoöl. 
p. 118 Fish. tab. 50 fig. 5 ad 10 (nec BIJ. 
Habit. Padang, in mari. 
Longitudo 5 speciminum 85''’ ad 101'//. 


Aanm. Deze soort is vrij goed afgebeeld in het aangehaalde 
werk van den heer RricuarpsoN en ook in het Zoophylacium 
van Gronovius. In laatstgenoemd werk zijn echter de bruine 
vlekjes van ligchaam en vinnen niet teruggegeven doch wel 
het gezaagd zijn van de zijden des snuits. In de afbeelding van 
Pegasus natans van Broen ( Ausl. Fisch. tab. 121 fig. 3, 4), 
ontbreken niet alleen die vlekjes maar de snuit is er tevens 
Z00 se ekend, dat hij slechts aan de spits tanden vertoont 
en volstrekt niet aan de zijden. 


TRIJGONES. 


Trygon macrurus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV. Plagiost. 


Fryg. corpore disciformi, disco paulo latiore quam longo, antice acuto, 
linea rostro-pectorali rectiuscula vel antice concaviuscula; pinna pectorali 
‘angulo posteriore rotundata; capite longitudine 3 circiter in latitudine disci 


| 


maxima; rostro acuto 42 ad 42 in latitudine disci; oculis diametro 3 ad 
He: in longitudine rostri, diametris 2 circiter a-se invicem distantibuss; 


_foramine temporali paulo curvato oculo non vel vix minore; valvulis na- 
sales anterioribus rictum non attingentibus, aetate provectiore ciliis valde 


P 


conspicuis; rictu undulato, latitudine 21 ad 3 fere in longitudine rostri 


praeorali; velo postmaxillari superiore fimbriato; fundo cavitatis oris bi- 
papillato; dorso toto glabro vel linea media tantum tuberculo unico; cau= 
da disco plus triplo longiore, spina magna excepta, tota glabra, vestigio 
_pinnac nullo; appendicibus genitalibus pinnis ventralibus brevioribus, co- 
tis, postice sulcatis, non valvatis; corpore superne fuscescente-viridi, 
 immaculato vel maculis rotundis flavescentibus, inferne albescente; cauda 
 fusco et flavo annulata. 

Synon. kan Pareh Mal. Batav. 

__ Habit. Padang, Batavia, Samarang, in mari. 
4 Longitudo 6 speciminum 180/'’ ad 295''', 

7 

Aanm. Het grootste mijner exemplaren, een wijfje, heeft 

den rug geheel glad, even als twee kleinere mannetjes. Bij de 


608 


overige specimina bevindt zich een wit beenachtig knobbeltje 
in de middellijn van den rug nabij den kop. Uit mijne aan 
Trijgon-soorten rijke verzameling ben ik tot de opmerking 
gekomen, dat men aan het ruw of glad zijn van den rug bij 
de soorten van dit geslacht meer waarde mag hechten, dan 
daaraan door de heeren J. Mürrer en Henre wordt toegekend. 
Bij mijn grootste specimen zijn de in jeugdigen leeftijd duide- 
lijke geelachtige rug- en borstvinvlekken verdwenen. 


Scripsi Batavia Calendis Maji apeceLn. 


SCHEIKUNDIG ONDERZOEK 


VAN 


MINERALE WATEREN van ner EILAND BAWEAN, 
iN | DOOR 


n JS. P. VAN ROUVEROY VAN NEEUWAAL. 


L. Bron van Sangkapoera. 


In den tweeden jaargang van dit tijdschrift bladz. 272 is 
elding gemaakt van vijf minerale bronnen, welke de heer 
. pe Groor, ingenieur van het mijnwezen in Nederlandsch In- 
dië op het eiland Bawean heeft aangetroffen en van welke door 
hem kleine hoeveelheden water aan het scheikundig laborato- 
rium te Batavia zijn gezonden. 

_ Op verzoek van den heer P. J. Marek heb ik het onderzoek 
van dit water gaarne op mij genomen en deel ik hier de uit- 
komsten van de analyse van het water mede, aangetroffen in 
de kalklagen in de nabijheid van de baai van Sangcapoera (f). 
Dit water heeft bij eene temperatuur der lucht van 26,79 C. eene 
temperatuur van 45° G. Het is reukeloos en heeft eenen zwak 
| zoutachtigen smaak. Bij verwarming heeft er sterke gasontwik- 
skeling plaats, terwijl het troebel wordt; het soortelijk gewigt bij 
BZC. is 1,002. Blaauw lakmoespapier, in het water gehouden, 


DE GRooT. 


IL 47 


610 


wordt rood. Deze roode kleur verdwijnt bij de drooging. Na 
verwarming wordt rood lakmoespapier blaauw gekleurd. 

Het kwalitatief onderzoek heeft de volgende stoffen aange- 
toond: Koolzuur, Chloor, Potassa, Soda, Kalkaarde, Bitter- 
aarde, IJzerprotoxijde, Kiezelaarde en Aluinaarde. 


KWANTITATIEVE ÁNALYSE. 
1. Bepaling der Vaste deelen. 


_208,758 grm. water uitgedampt tot droogwordens, gaven na 
zachte gloeijing 0,172 grm. zout. 
100 grm. water 0,0824 grm. zout. 


2. Bepaling van het Chloor. 


158,358. grm. water gaven 0,0085 grm. bij 100 C. ge- 
droogd chloorzilver waarin 0,0021 grm. chloor. 
100 grm. water 0,00133 grm. chloor. 


9. Bepaling van het Potassium. 

112,856 erm. water, gaven 0,030 grm. bij 100 C. gedroogd 
chloorplativa-chloorpotassium , waarin 0,00474 grm. potassiam. 
100 grm. water, 0,0042 grm. potasstum. 


4. Bepaling der Kiezelaarde. 


Het zout, bij de eersle bepaling verkregen, gaf 0,00581 rug 
gegloeide kiezelaarde. 
100 grm. water 0,00279 grm. kiezelaarde. 


5. Bepaling der Alwinaarde. 


Het fillraat der kiezelaarde met chloorammonium en am- 
monia behandeld , gaf alwinaarde , door sporen van ijzeroxijde 
gekleurd , wegende gegloeid 0,00436 grm. 

100 grm. water 0,00209 grm. 


611 


6. Bepaling der Kalkaarde als Koolzure kalkaarde. 


Het filtraat der aluinaarde gaf 0,08576 grm. bij 100° C. ge- 
droogden koolzuren kalk. 
100 grm. water 0,04108 grm. koolzure kalkaarde. 


4. Bepaling der Bitteraarde. 


Het filtraat van den koolzuren kalk gaf 0,037 grm. gegloeide 
_ phosphorzure bitteraarde, waarin 0,01356 grm. bitteraarde, ge- 
vende met 0,01446 grm. koolzuur. — 


0,02802 erm. koolzure bitter- 
aarde. 
100 grm. water 0,01342 grm. koolzure bitteraarde. 


8. Bepaling van het Chloorpotassium. 


100 grm. water gaven 0.00133 grm. chloor, welke met 
0,00147 grm. potassium, 0,00280 chloorpotassium geven. 


9. Bepaling der Koolzure potasch. 


Het zout, bij de eerste bepaling verkregen, werd met gede- 
stilleerd water behandeld, de oplossing met chloorwaterstofzuur 
overzadigd, tot droog wordens uitgedampt en zacht gegloeid, ver- 
volgens in water opgelost en hierin het chloor bepaald. Men 
verkreeg 0,108 grm. bij 00° C. gedroogd chloorzilver, waar- 
in 0,0267 grm. chloor. 

Ì 100 grm. water 0,0128 grm. chloor. 

, 100 grm. water van de 2de bepaling gaven 

_0,00133 grm. chloor. Het verschil chloor 0,01147 grm. beant- 

woordt aan 0,00711 grm. koolzuur. 

ï Van de verkregene hoeveelheid potassium zijn 

0, 00147 grm. gebonden aan het chlorium, het verschil = 
00273 „ geeft met 

0,00056 „ zuurstof en 


0,00154 „ koolzuur. 
0,00483 „ koolzure potasch. 


Ì 


612 


10. Bepaling der Koolzure soda. 


Het verschil koolzuur 0,00558 grm geeft met 
0,00786 „ soda 


0,01344 grm. koolzure soda. 


Resultaat. 
100 grm. water bevatten grm. 
_ Koolzure potasch - vie : : 0,00483 
soda d > É A 0,01344 


’ 


De kalkaarde - ' à 0,04108 
Rt bitteraarde é ° sine en \ 0,01342 


Chloorpotassium À 5 \ à 0,00280 
Kiezelaarde $ t : $ f É 0,00279 
Aluinaarde met sporen van ijzeroxijde - ; 0,00209 


0,08045 


Het kalksediment, hetwelk deze bron afzette, heeft eene grijze 
kleur , bestaat uit eene opeenstapeling van min of meer vaste 
lagen, is zandachtig op het gevoel en bevat koolzure kalk- 
aarde en bitteraarde, kiezelaarde, aluinaarde met sporen van | 
ijzeroxijde en geringe sporen van phosphorzuur. 


DE 
VOEDINGSMIDDELEN VAN JAVA, 


SCHEIKUNDIG ONDERZOCHT 


DOOR 


DD. WW. KOST VAN TONNINGEN. 


L. CASSAVE-MEEL. 


Het stuk, dat ik het genoegen heb bij deze het publiek aan 
te bieden, is het begin eener reeks van scheikundige analijsen, 
welke ik wensch in het werk te stellen, van de voedingsmid- 
delen, welke op Java reeds algemeen gebruikt worden of, na het 
nemen der hiervoor noodige proeven, blijken mogten in heilzaam 
„gebruik te kunnen worden gesteld. Het doel, dat men zich voor- 
stelt met het doen dezer analijsen te bereiken, ís eene schif- 
ting daar te stellen tusschen goeden minder goed voedsel, ge-’ 
“grond als deze wezen moet op wetenschappelijk onderzoek en 
bewezen door de praktijk, in het algemeene leven opgedaan. 
Reeds lang was ik hiertoe van onderscheidene zijden aange- 
zocht en zelf overtuigd van het belang, hetwelk deze proefne- 
mingen èn voor de wetenschap èn voor de Indische maatschap- 
pij in het algemeen hebben konden, heb ik niet langer willen 
aarzelen om een begin te maken met het onderzoeken der stof- 
fen, waarmede de Javaan zich voedt of voeden kan. Niemand 
| die wèl denkt en met kennis van zaken oordeelt, zal een der- 


se Dat ik met het Cassave-meel een’ aanvang maak, is na- 


614 


gebruikelijk volksvoedsel op Java is te beschouwen, maar 
heeft daarin zijnen grond, dat mijn geachte vriend, de heer 
TrysmanN van Buitenzorg, hierover heeft geschreven in een stukje 
(Nat. Tijdschr. van N. IL jaarg. II p. 311), dat voorname-. 
lijk ten doel had, om aan te sporen zich door het kweeken van 
nog andere gewassen als rijst te vrijwaren voor de schrome- 
lijke gevolgen, welke eene mislukking dezer kultuur kan ver- 
oorzaken en waarbij onder vele andere planten ook meer be- 
paaldelijk de Cassave (Manihot utilissima Pohl=Obi dangdur) werd 
aangewezen. Het was dus van gewigt, om het produkt dezer 
plant zoo als het als voedsel door den Javaan, vooral in een 
gedeelte der residentie Bantam wordt genuttigd, aan de weten- 
schap te toetsen en het is door de welwillendheid van boven- 
genoemden heer dat ik dan ook in staat gesteld ben, om daar- 
mede een’ aanvang te maken, voor welke welwillendheid ik bij 
deze de vrijheid neem hem mijnen dank te betuigen. 

Verder moet ik nogmededeelen, dat, alhoewel na den afloop — 
van elk’ onderzoek der voedsels in het bijzonder, eenige re- 
gelen zullen gevoegd worden over het al of niet wenschelijke 
van een begin of voortzetting van de kultuur der planten zelve, 
het echter tot het laatste toe bespaard zal blijven, om bij een k 
algemeen overzigt, tevens eenen eenigzins ruimeren blik te 
werpen op de resultaten, welke ten voordeele der bevolking 
hieruit zouden kunnen worden getrokken. Volgens mijne wijze 


( 


van zien, zal deze manier van werken de beste wezen. Ô 


Bepaling der Organische bestanddeelen. 
(Drooging der stoffen bij 100° G.) 8 
Bepaling van het Zetmeel. 


30 gramm. meel werden in eenen doek met water zóólang 
gekneed, totdat de laatste doorloopende vloeistof niet meer 
troebel was; daarna de gezamenlijke vochten op eenige filtra ge= 
daan zijnde, werd het teruggeblevene zetmeel uitgewasschen em 
gedroogd; het had een gewigt van 20,047 grm. dat is dus 
66,823%% zetmeel. | 


G15 


Bepaling van het Planteneiwit. 


De vloeistof waaruit het zetmeel was afgescheiden, werd tot 
aan het kookpunt verhit en na bekoeling en afscheiding van het 
eiwit, dit laatste afgezonderd en gedroogd;—het woog 0,182 grm. 
dus 0,607, planteneiwit. 


Bepaling van de Plantenlijm. 


De in den doek teruggeblevene celvezels werden met ster- 
ken wijngeest gekookt en daarna afgefiltreerd; de doorgeloopene 
alkoholische vloeistof verdampt en op een waterbad gedroogd 
liet na 0,024 grm. derhalve 0,08% plantenlijm. 


Bepaling van het Acidum pecticum. 


Laatstbedoelde celvezels werden na de behandeling met wijn- 
geest eenigen tijd bij zonnewarmte met zeer verdunde potassa 
caustica uitgetrokken, afgefiltreerd en in de doorgeloopene 
vloeistof het acidum pecticum met verdund acidum hijdrochlori- 
cum nedergeslagen, afgezonderd en gedroogd; het woog 0,017 

_grm. ergo 0,057%, acidum pecticum. 


Bepaling van de Cellulose. 


Nadat de vezels goed met water waren uitgespoeld, werden zij 
\ gedroogd en wogen 4,149 grm., dat is 13,83°% cellulose. Deze 
N cellulose liet bij het verbranden nog eenige asch terug, waarom 
‚ deze laatste bepaald en van het bovengenoemde cijfer afgetrok- 
_ ken werd. 

î 2,071 grm. celtalose lieten bij verbranding 0,206 grm. asch 
Rierus, dat is op 13,83 grm. 1,375 grm. asch, zoodat de som 
È der zuivere cellulose hierdoor tot 12,455°/, werd gereduceerd. 


Re 


Bepaling van het Vet. 


6,465 grm. werden eenige dagen met ether getrokken en 


616 


deze laatste vervolgens door een fillrum afgezonderd, op een 
waterbad uitgedampt en gedroogd; het overblijvende woog 
0,163 grm. dus 2,521°%% vet. 

Dit vet was van eene bruine kleur en olieachtig voorkomen ; 
het loste weinig in alkohol maar spoedig in de alcalia caustica 
op, uit welke oplossing door zuren witte vetzuren werden ge- 
praecipiteerd. 


Bepaling van de Gom. 


90 grm. werden even als bij de bepaling van het amijlum 
aangeduid is, in eenen doek met water gekneed; het doorge- 
loopene vocht werd van amijlum en planteneiwit door affiltre- 
ring en verhitting bevrijd en op een waterbad uitgedampt en 
daarna met alkohol behandeld. De door dit laatste ligchaam 
gepraecipiteerde stof op een filtrum gebragt, met alkohol uit- 
gespoeld en gedroogd zijnde, woog 0,597 grm., dus 1,99% 
gom. 

Deze gom, welke volkomen in water oplosbaar was, liet na 
verbranding nog een spoor van asch terug, van welke evenwel 
geene bepaling gedaan is, omdat de hoeveelheid te gering was, 
dan dat zij eenigen beduidenden invloed op de waarheid der 
cijfers zoude kunnen uitoefenen. 


Bepaling der Swiker en Extraktiefstof. 


De alkoholische vloeistof, waaruit de gom was nedergeslagen , 
werd op een waterbad verdampt en woog 0,986 grm. dat is 
3,286%. 

Het was eene bruine extraktachtige massa van eenen zoeten 
onaangenamen smaak, welke na eenige dagen sterk de vochtig- 
heid der lucht aangetrokken had en waaruit zich eenige kris- 
tallen, welke niet verder onderzocht zijn, aan hef schaaltje, waar- 
in het bevat was, hadden afgezet; bij verbranding bleef alme- 
de eenige asch terug. 


617 


Bepaling van het Water. 


No. f. 3,153 grm. meel verloren bij 1000 C. gedroogd 
0,348 grm. = 11,0370/, 
No. 2. 2,942 „ meel verloren bij 100° C. gedroogd 
0,335 grm. = 11,386%, 
Dus gemiddeld 11,2120/, water. 


Verzameling. 


100 deelen Cassave-meel bestaan. 


Zooals het voorkomt, uit Watervrij uit 

66,823 zetmeel 75,261 zetmeel 

| 12,455 cellulose 14,028 cellulose 

0,607 planteneiwit 0,683 planteneiwit 

f 0,080 plantenlijm 0,099 plantenlijm 

| 0,057 acid. pecticum 0,064 acid. pecticum 

2521 vet 2,839 vet 

É 1,990 gom 2,241 gom 

é 3,286 suiker en extraktiefstof 3,701 suiker en extrak- 

é tiefstof 

| 11,212 water 

te zamen 99,031 te zamen _98,907 

verlies 0,969 verlies 1,093 
100,000 100,000 


Bepaling den Anorganische bestanddeelen. 
(Wat niet gegloeid is, is bij 1009 C. gedroogd ). 


Bepaling der Asch. 


Ki No. 1. 2,278 gr. meel liet na verbranding 0,036 grm. asch 
% terug = 1,58% 
No. 2. 1,217 gr. meel lieten na verbranding 0,018 gr. asch 
% terug = 1,479% 


618 


Zoodat gemiddeld op 100 deelen Cassave-meel zijn bevat 
1,529°/. Genoemde asch was helder wit en loste zich nagenoeg 
geheel onder sterke ontwijking van koolzuur in zuren op. 


Bepaling der Silica. 


0,341 grm. asch werden in verdund acid. nitrieum opgelost, 
de oplossing van de silica afgefiltreerd en deze laatste gedroogd 
en gegloeid: zij woog 0,00% grm. dat is 1,173, silica. 


Bepaling van het Chloor. 


In de vloeistof waaruit de silica verwijderd was, werd nitras 
argenti gevoegd en het nedergeslagene chloruretum argenti afge- 
zonderd en gedroogd; het woog 0,017 grm. = 4,985 chloruretum 
argenti ergo 1,232°% chloor. 


Bepaling van het Zwavelzuur. 


Nadat men het overtollige zilver door acidam hydrochloricum 
had verwijderd, voegde men chloruretum barii toe, filtreerde den 
gevormden sulphas barijtae af, droogde dezen en verkreeg 0,024 
grm. = 7,038 sulphas barijtae., derhalve 2,419% zwavelzuur. 


Bepaling van het Phosphorzuur. 


0,306 gr. asch werden in acidum hydrochtoricum opgelost en 
van de silica door affiltrering bevrijd; daarna in de oplossing 
wat chloridum ferri en overvloedige acetas sodae gevoegd zijnde 
tot dat de vloeistof eene heldere roode kleur aangenomen 
had, werd alles eenige oogenblikken gekookt, waardoor de 
vloeistof kleurloos werd en een bruin praecipitaat ontstond. 
Dit laatste werd nog warm afgefiltreerd en hetgeen op het fil- 
trum terug was gebleven, goed nagespoeld: hierna het prae- 
cipitaat met acidum hydrochloricum behandeld zijnde, tot dat alles 
was opgelost, voegde men acidum tartaricum en ammonia met 
sulphas magnesiae en chloorammonium toe, filtreerde het zich 
afgescheiden hebbende nederslag af, spoelde goed uit, droogde 
en gloeide; het woog 0,082 grm. = 26,797 pyrophosphas mag- 
nesiae, dat is 16,979%/% phosphorzuur. 


GI9 


Bepaling van het Koolzuur. 


Van 0,520 grm. asch werden op bekende wijze en met de 
noodige voorzorgen, door middel van een kaliapparaat met 
‚eene vooraf gewogene hoeveelheid oplossing van potassa caustica 
voorzien, door acidum hydrochloricum het aanwezige koolzuur 
uitgedreven en dit laatste vóór het in den potassa-toestel aan- 
kwam, over buizen, met chloorcalcium gevuld, geleid, ten einde 
het gas droog in de potassaoplossing zoude aankomen: na we- 
ging had de toestel 0,092 grm. aan gewigt toegenomen, ergo 
17,131 % koolzuur. 


Bepaling van den Kalk. 


In de vloeistof, waaruit het phosphorzuur was verwijderd ge- 
worden, werd ammonia en chloorammonium gedaan ; zij bleef 
volkomen helder. Door bijvoeging van oxalas ammoniae werd 
de kalk als oxalas calcis nedergeslagen, afgefiltreerd en ge- 
droogd; hij woog 0,048 grm. = 15,686 oxalas- calcis; derhal- 
ve 6,017°%% kalk. 


Bepaling der Magnesia. 


Nadat de kalk was verwijderd, werd de magnesia door phos- 
phas ammoniae gepraecipiteerd, op een filtrum gebragt en na 
gedroogd te zijn gegloeid. Men verkreeg aan pyrophosphas 
magnesiae 0,086 grm. = 28,104 en dus 10,296% magnesia. 


Bepaling der Potasch. 


De eerstgenoemde oplossing der asch, waaruit het chloor was 
4 bepaald en de kalk met de magnesia verwijderd waren, werd 
_ met chloorbarium gekookt, het ontstane praecipitaat afgezon- 
derd en de overvloedige barijta door carbonas ammoniae als car- 
_bonas barijtae verwijderd; daarna uitgedampt en de zoutmassa 
gegloeid zijnde, werd deze in een weinig water opgelost en de 
_ potassa door alkohol en chloridum platinae uitgescheiden, afgefil- 
treerd en gedroogd; men verkreeg 0,740 grm. = 217,009 chlo- 
| ridum platinae et potassae, ergo 41,875°/, potasch 


620 


Bepaling der Soda. 


In de nu nog overblijvende vloeistof werd het overvloedige 
platina door ammonia afgezonderd , de vloeistof uitgedampt, een 
weinig acidum sulphuricum toegevoegd en gegloeid; men woog 
aan sulphas sodae 0,0075 grm. = 2,287 en dus 0,998% soda. 


Verzameling. 


100 deelen asch van het Cassave-meel bestaan 


Met het koolzuur en verlies Zonder het koolzuur en verlies | 


berekend, uit - berekend, uit 
1,173 silica Î,4AS silica 
1,232 chloor 1,521 chloor 
2,419 zwavelzuur 2,987 zwavelzunr 
16,979 phosphorzuur 20,965 phosphorzuur 
6,017 kalk 7,430 kalk 
10,296 magnesia 12,713 magnesia 
41,875 potasch 51,704 potasch 
0,998 soda 1,232 soda 
17,781 koolzuur 
te zamen 98,720 te zamen 100,000 
1,280 sporen van ijzer en verlies 
100,000 


Zoo als uit de anorganische analijse der Cassave blijkt, is er 
nagenoeg geen ijzer in aangetroffen; eene oplossing van eenige 
decigrammen asch in acidum hijdro-chloricum gaf met cijanuretum 
ferri et potassiij wel is waar eene geringe blaauwe kleuring, doch 
wanneer men de zure oplossing naauwkeurig neutraliseerde 
en een stroom gas hijdrogenium sulphuratum hierin doorstroomen 
liet, zag men nagenoeg geen spoor van sulphuretum ferri ont- 
staan. Wat de berekening der anorganische deelen betreft, zal 
het weinig opheldering behoeven, waarom ik bij de tweede 
berekening het koolzuur weggelaten heb; als een produkt door 
de verbranding van het cassave-meel gevormd , stelt het, wanneer 
het in de berekening ten honderd opgenomen blijft, veel min- 
der de waarheid voor dan thans; vooral was zulks hier van 


d 


belang, omdat toch reeds zoo veel onzekers, veroorzaakt door 
de reducerende werking van gloeijende kool op de oorspronke- 
lijke anorganische verbindingen bestaat; om dezelfde reden is ook 
voor als nog geene poging gedaan om de zuren met de bases als 
zouten voor te stellen; welligt dat bij meerdere analijsen der as- 
schen van andere voedingsmiddelen, hieromtrent een meer zeker 
weg zal aangewezen worden. De soda had ik, zonder vrees voor 
fouten te maken, met het chlorium als chloorsodium kunnen 
opnemen; iets dat evenwel bij een meer algemeen overzigt even 
goed kan geschieden. Uit de som van beide stoffen blijkt trou- 
wens genoegzaam, dat het verschil, hierdoor ontstaan, slechts 
weinig invloed op de cijfers der analijse zelve kan uitoefenen. 
Tot het doen der elementaire analijsen en vooral het bepa- 
len der stikstof van het cassavemeel, ontbreekt mij voor als nog 
de gelegenheid en alhoewel men reeds lang van het denkbeeld 
is teruggekomen om het voedend vermogen der voedsels alleen 
naar hun gehalte aan stikstof af te meten, is het toch ontegen- 
zeggelijk, dat de opgaven van het stikstofgehalte „ als punten van 
vergelijking met de gevondene stikstof houdende zelfstandigheden, 
groote waarde hebben. Ik wil dan ook gaarne de verzekering 
geven, dat het van mij niet zal hebben afgehangen, wanneer zij bij 

_ het einde dezer onderzoekingen, niet gevolgd zijn. Ik ben evenwel 
instaat om voorloopig op te geven , wat ik bij eenen soortgelijken 
arbeid der West-Indische voedingsmiddelen in de jaren 1847 en 
1848, toen ik het voorregt had om onder de leiding van den 
Á hoogleeraar Murper, in het chemische laboratorium te Utrecht mij 
Á in de scheikunde te kunnen oefenen, hieromtrent gevonden heb. 


_Stikstofbepaling van het meel der West-Indische Zoete Cassave. 


__0,5816 grm. aschvrije stof gaven bij 17° temp. en 756 m. m. 
_barometerstand 3,5 kub. C. nitrogenium, waaruit blijkt, dat 
A 100 deelen van dit meel 0,698 stikstof bevatten. 

_Stikstofbepaling van het meel der West-Indische Bittere Cassave (1). 
£ 
_ 0,7755 grm. aschvrije stof gaf bij 18° temp. en 760 m. m. 


(1) De heer TEYsMANN vermoedt, dat de cassaveplant alhier gekweekt , 
eene andere soort is als de zoete en bittere der West-Indiën, 


k 
$ 


622 


barometerstand 6,5 kub. C. nitrogenium, zoodatop 100 deelen 
van dit meel 0,973°/, stikstof bevat zijn. | 

Verder bevatte het meel der bittere cassave 3,52°/ en dat der 
zoete 4,075°/, asch, dus het dubbele van het in het cassave- 
meel van Java’s bodem voorhandene. Het is duidelijk, dat dit 
laatste geheel van den aard der gronden afhangt, waar de plant 
wordt gekweekt; vele dergelijke verschillen in het aschgehalte 
van dezelfde soorten van planten, zouden zulks kunnen staven. 
Hoe schraler de grond, des te slechter het produkt dat er op 
ontkiemen en leven moet. | | 

Wanneer ik mijn gevoelen, gegrond op de resultaten, welke 
dit onderzoek heeft opgeleverd, mededeel , dan stem ik geheel 
toe, dat het cassavemeel bij een misgewas der rijst voortreffe- 
lijke diensten aan de bevolking zoude bewijzen. Bij genoegza- 
men voorraad zoude althans van hongersnood geen denkbeeld 
wezen, maar als er sprake is van volksvoedsel in de ware en 
veelomvattende beteekenis, welke in dat woord opgesloten ligt, 
dan zoude ik verre de voorkeur geven aan een gewas, welker 
kultivering wat meerdere moeite en betere gronden dan de Ma- 
nihot utilissima eischte. Zooals evenwel reeds is aangehaald zal 
hierover later uitvoeriger worden gehandeld. 

Eindelijk neem ik de vrijheid op te merken, dat de heer 
TeysmanN groot nut zal kunnen stichten, wanneer hij wilde 
voortgaan ook omtrent andere gewassen, ten deele reeds in zijn 
stukje over de cassave genoemd, die inlichtingen en waarne= 
mingen te geven en te doen, welke vooral betrekking hebben 
op de kultuur, het min of meer in gebruik zijn bij de bevol- 
king, de onkosten aan de kweeking verbonden enz., juist zoo- 
als dat van de cassave geschied is. Alleen daardoor toch, dat 
theorie en praktijk hand aan hand gaan, is het mogelijk, tot eene 
gewenschte ontwikkeling vaneen zoo belangrijk vraagpunt, als 
waarvan in dit stuk sprake is, te geraken. 

In eene der volgende afleveringen van dit tijdschrift hoop ik 
een tweede onderzoek van een ander Javaansch voedsel mede 
te deelen. 


Weltevreden, 29 Augustus 1852. 


HANDLEIDING TOT HET 


ZADEN EN LEVENDE PLANTEN 


EN 
Ld 


HET BEWAREN VAN HERBARIA OF HET 
DROOGEN VAN PLANTEN. 


DOOR 


IJ. E. FEIJSMANN. (4) 


Men zoeke bij voorkeur zeer jonge of pas ontkiemde plantjes, 
die gemakkelijk met een kluitje aarde kunnen worden uitgesto- 
_ ken of des noods geheel zonder aarde kunnen worden over- 
_ gebragt, mits men vooral zorg drage, dat de jonge fijne wor- 
Ö teltjes niet beschadigd en onmiddellijk in losse aarde in de eerste de 
_ beste voorhandene kist geplant worden. 


Goede rijpe zaden zijn 
_ even goed en in vele gevallen te verkiezen, vooral van die soor- 


“ (1) Bij de meer en meer toenemende belangstelling in de werkzaamhe- 
ji den der Vereeniging, blijkende onder anderen uit veelvuldige toezen- 
# dingen van levende en gedroogde planten en plantendeelen uit verschil- 
# lende gedeelten van den Indischen Archipel, wordt het nuttig geacht, 
_ aan deze handleiding, door opname in het tijdschrift, eene algemeene be- 
_ kendheid te geven, ten einde aan de goede bedoelingen van vele inzen- 
8 ders, minder met de behandeling van levende en gedroogde planten be- 
kend, beantwoord kunne worden, 

% 


& Kep. 


624 


ten, welke groote zaden hebben. Men kan ze alzoo eenigen tijd 
in die kisten kweeken, mits ze behoorlijk vochtig gehouden | 
worden en ook direkt per eerste scheepsgelegenheid verzenden. 
Voor de zeereis is het zeer noodzakelijk, dat er een afdak van. 


id, 


d 


planken over de kist gemaakt wordt b. v. | b |: IN ais 


a RENE 


de gewone kist; b het schuinsche dak van voren gezien; a c de 
regte opstand van ter zijde gezien; d is eene dekplank. Het 
stuk c boven a kan tegen de kist worden aangespijkerd, doch 
indien men er opzettelijk nieuwe kisten voor laat aanmaken , 
dan is het doelmatiger om a c uit regtopstaande stukken, die 
van boven tot beneden reiken, te laten vervaardigen. Hierop komt 
de dekplank d en van ter zijde of eigenlijk van voren het schuin- 
sche dak b, watonder d moet aansluiten en beneden op a rus-_ 
ten. In e van het dak b wordt een rond gat geboord, en ter 
plaatse, waar dit gat bij de sluiting valt, in den rand van c 
eene ijzeren pen geslagen, die juist in het gat van past, hetwelk 
voldoende is voor de sluiting en gemakkelijk kan open en digt 
gemaakt worden, zoo dat deze daken bij gunstig weder kun- 
nen worden afgenomen, doch anders gesloten blijven, welk 
afsluiten de planten minder leed zal doen, dan het blootge- 
steld zijn aan eene ruwe behandeling of ongunstig weder. Men 
zorge voorts, dat er geen zout water in de kist kome en bij 
eene lange zeereis, des noodig, voor eene kleine begieting met 
zoet water. 

Bij alle zendingen van planten over zee, is het een eerste 
vereischte, dat ze met hare kisten, op het dek geplaatst 
worden, ten einde ze zooveel mogelijk licht kunnen genieten , zon- 
der evenwel aan te sterke zonnehitte te zijn blootgesteld. Het 
plaatsen van kisten met planten tusschendeks, heeft al spoedig 
den dood der meesten planten ten gevolge , waardoor alle moeite 
en kosten onherstelbaar verloren gaan. 

Bij aankomst ter bestemde plaatse dienen de kisten met plan- 
ten zoo spoedig mogelijk aan wal gebragt en doelmatig ver- 
_pleegd te worden. 


625 


Daar de meeste groote zaden, hier in Indië, bij de drooging, 
tevens hunne kiemkracht verliezen , wordt het noodzakelijk , 
om ze dadelijk in kisten te planten, doch kan men ze ook 
in bamboezen kokers, met niet al te vochtig zand aangevuld, 
verzenden, mits ze daarin niet al te lang behoeven opgesloten 
te blijven, en dienen ze daartoe, zoo wel als bij het planten 
in kisten, van hunne vleezige schillen of omkleedsels ontdaan 
te worden, die anders al spoedig tot gisting en rotting zou- 
den overgaan. Houtachtige of hardeschillen dienen er evenwel 
om gelaten te worden. 
De fijnere niet vleezige zaden kunnen gedroogd en in pa- 
pieren zakjes gedaan worden, terwijl de kleine doch vleezige 
zaden almede in bamboezen kokers met zand verzonden die- 
nen te worden. 
| Onder deze laatsten worden verstaan die, welke, hoe- 
wel klein van vrucht, slechts een of weinige zaden, die vlee- 
‘zig zijn, bevatten: terwijl vleezige of sappige vruchten, die 
vele fijne en drooge zaden hebben, onder diegenen kunnen ge- 


srangschikt worden, welke gevoegelijk kunnen gedroogd wor- 
den, hetzij door ze in hun geheel in de zon te droogen, 
of wel door ze in water uit te wasschen, om het sappige ge- 
deelte van de zaden te verwijderen. Als voorbeeld dienen de 
volgende meest bekende soorten, die na de drooging hunne 
kiemkracht verliezen (waartoe zelfs oogenschijnlijk ook som- 


fe palmzaden, zoo als Areca (pinang), Saguerus (aren), Cala- 


hoeroesoorten), Theobroma cacao (kakao), Lansium (doekoe), 
Barcinia (mangies), Nephelium (ramboetan), Mangifera (manga), 
ambosa (jamboe) enz. | 

_ Tot fijnere, zoo drooge als sappige vruchten, waarvan de 


48 


626 


den, behooren alle Filices (varens of pakoe) (f). Voorts 
Gramineae (grassen of rompoet), Orchideae (angrek), Scita- 
mineae (gember, kurkuma, kardamon, langkwas of ladja pi- 
sang , enz.), Solanum (tehrong), Sesamum (widjen), Achras (boe- 
wa souw), Ísonandra gutta (getah pertja), Nijmphaea (taratteh) , 
Flacourtia (roekem), Carica (papaija), Hibiscus (kembang spatoe 
en waroe), Gossijpium (kapas) ‚ Lagerstroemia (boengor). Me- 
lJastoma (harendong), Melaleuca (kajoe poetie), meest alle Le- 
guminosae, als Indigofera (indigo), Pisum (erwten), Erijthrina 
(dadap), Phaseolus (boontjes), Tamarindus (tamarinde), Acacia 
enz. 

Hoe spoediger echter een en ander naar zijne bestem- 
ming wordt overgezonden, hoe meer kans er tot een welsla- 
gen bestaat, al zijn het dan ook slechts eén paar soorten te 
gelijk, en daar nu het zenden van zaden, het zij in papier, 
het zij in bamboezen kokers, weinig moeite en geene uitgaven 
na zich sleept, ten zij men voor de inzameling eene kleinig- ® 
heid dient te betalen, wat door de ontvangers volgaarne zal | 
worden teruggegeven, is het niet moeijelijk , een en ander 
te verzamelen en aan belanghebbenden te doen toekomen, 
waartoe alles behoort, wat eenigzins belangrijk mogt voorko- 
men, van af de varenkruiden en de nietige grassoorten of 
dergelijke kleine planten, tot de meer volkomene heesters en < 
boomen; en bovenal in het wild groeijende palmsoorten. 

Bij elke soort wordt een nummer gevoegd en daarvan « 
eene Lijst aangehouden, waarbij zoo veel mogelijk de in- 
landsche naam en het gebruik of de hoedanigheid der plant 
worden aangewezen. 

Daar het niet altijd uit jonge planten of zaden kan bewezen ® 
worden, welke soort het is, en daar er zoo veel hoop be- 
staat, om uit dezen Archipel nog vele nieuwe onbeschrevene ® 


(1) Voor dezen is het vooral van belang, om kiem of vruchtdragende $ 
bladen te verzamelen, en daarbij te zorgen, dat deze kiemen of zaden, 
die op de onderzijde van het blad geplaatst zijn en die bij de drooging J 
als stof uitvallen, niet verloren: gaan : kunnende deze bij wijze van her- 
barium gedroogd en de kiemen tevens ter voortplanting gebezigd worden. 


627 


soorten te erlangen; en ten einde zich al dadelijk van de 
| echtheid der soort te overtuigen, en de nieuwe sijstematisch 
te kunnen beschrijven (waarbij steeds de naam van den 
ijjverigen zender wordt herdacht), worden daartoe ver- 
eischt, gedroogde takjes met bloem, blad en vruchten: de 
laatste zoo veel mogelijk in rijpen toestand. Zijn die echter 
te groot of te sappig, om tusschen papier gedroogd te kun- 
nen worden, dan kunnen ze afzonderlijk gedroogd, of wan- 
peer ze daardoor hunnen vorm verliezen of tot ontbinding 
3 overgaan, op spiritus worden bewaard , waartoe men genever 
of gewonen arak en zelfs olie bezigen kan; ook houtazijn, 


| een deel op zeven deelen water, is hiertoe voldoende. Mog- 
\ ten deze ingrediënten soms niet voorhanden zijn, dan kan 
eene sterke oplossing van keukenzout in water almede van 
_ dienst wezen, hoewel de voorwerpen daarin veelal hunne kleuren 
E verliezen , zoo dat spiritus altijd de voorkeur verdient. 

} Bloemen, die zeer klein zijn en bij de drooging als herba- 
rium te zeer inkrimpen om naderhand goed te kunnen on- 
 derzocht worden, kunnen, even als de groote vruchten, op spi- 
ritus bewaard worden, waardoor ze haren vorm behouden en 
‚ten allen tijde goed zullen te herkennen zijn. | 

__ Tot het droogen van herbarium (gedroogde takjes, zoo als 
hiervoren bedoeld ) laat men vervaardigen twee sassaks van 
„bamboe of waar deze ontbreekt, houten hordjes, wijd open 


& elek ed 
gevlochten, b. v. |I 11 || 
À WEE | 
uitgespreid vel papier en neemt hiervoor gemeen grof chi- 
_ peesch vloeipapier , wat weinig waarde heeft en tot f8 à f 10 


de pikol verkocht wordt. Daar het nu een eerste vereischte 


is, om de bloeijende takjes zoo spoedig mogelijk te droogen, 


een weinig grooter dan een 


„om het verrotten, verwelkenen afvallen der bloemen, bladen 
| vruchten te voorkomen, legt men ze dadelijk na de 
verkrijging tusschen papier, doch indien men de te droogen 
exemplaren van verre halen moet alvorens ze te kunnen in- 
eggen (dat is tusschen papier uit te spreiden), dan zal men 


628 


ze tot zoo lang het best bewaren, door ze in eene tikar of 
mat op te rollen, wat de uitwaseming en bijgevolg de ver- 
welking zal verhinderen. Zoo men ze evenwel al te lang 
aldus opgesloten bewaart, zullen ze zonder behoorlijke uitwa- 
seming beginnen te broeijen en verrotten en de bladen enz. 
almede spoedig afvallen. 

Tot de inlegging overgaande, kiest men daartoe die takjes, 
welke geheele, onbeschadigde bladen en bloemen hebben en waar- 
aan ook nog bloemknoppen voorhanden zijn, en legt op eene 
sassak een paar vellen van het voornoemde papier, waarop 
men de te droogen takjes uitspreidt, zorgende dat de bladen 
en bloemen gelijk, zonder vouwen en niet op elkander komen 
te liggen, en dekt dit te gelijk met een paar vellen papier, 
waarna men eene tweede, derde Jaag, enz . leggen kan. 
Hoe minder lagen op elkander, des te gemakkelijker geschiedt 
de drooging, vooral bij die planten, welke groote bladen heb- 
ben of zeer saprijk zijn, waarom men dus meerdere sassaks _ 
dient te laten aanmaken. Zijn de bladen evenwel te groot, 
om door het papier te kunnen gedekt worden, zooals b. v. 
van vele palmen, dan snijdt men die zoodanig langs de aan- 
hechtingen uit elkander, dat ze naderhand gemakkelijk weder 
aan een te voegen zijn, en blijven de enkele stukken, als 
dan nog telang, dan vouwt men die dubbel, om geene dwars- 
snede door de bladen te maken. 

Het ingelegde gereed zijnde, legt men hierop de tweede 
sassak en bindt ze rondom met bamboezen touwtjes stevig te 
zamen , waardoor de bladen geperst worden en niet kunnen 
omkrullen. Het vloeipapier trekt nu veel vocht uit de op 
deze manier behandelde planten, doch dit is nief voldoende | 
om ze spoedig genoeg droog te maken, waarom men hierin 
te hulp komt door zeinsterk zonnelicht te leggen en dikwijls 
om te keeren. Bij gebrek aan zonnehitte kan men ze even 
goed , zoo niet nog volmaakter boven den haard of ander 
daartoe ingerigt vuur droogen, mits ze in meerdere vellen 
papier gepakt zijn, opdat de rook de planten niet kan berei- 
ken, maar enkel door de hitte, de sappen spoediger worden 


629 


uitgedreven. Voorts dient het papier bij saprijke planten soms 
verwisseld en door droog vervangen te worden. Ook is het 
steeds nuttig, om bij de drooging, de pakken om den anderen 
dag los te maken, en na te zien of de drooging gelijkmatig 
heeft plaats gehad, en legt dan de minst gedroogde in de bui- 
tenste lagen. Dit omleggen gaat nu zeer gemakkelijk , daar de 
planten reeds eenen platten vorm hebben aangenomen en dus 
niet op nieuw behoeven behandeld te worden, zoo als hij het 
eerste inleggen het geval was. Nadat men zich overtuigd heeft, 
dat alles kurkdroog is geworden, kan men den inhoud van 
meerdere sassaks in een enkel paar daarvan te zamen binden 
en in eene kist goed digt gespijkerd verzenden , met aanbeve- 
ling om ze voor nat te bewaren. 

Zaden, vruchten, planten en herbarium van dezelfde 
soort komen steeds onder hetzelfde nummer voor. Voor num- 
mer bij de planten kan men kleine stukjes bamboe van een 
duim rijnl. breed en twee duim lang bezigen en daarop het 
nummer met verw schilderen, of men bestrijkt-het bamboesje 
met den vinger met eene dunne laag witte verw, en schrijft daar- 
in het nummer dadelijk met potlood, wat even duurzaam is. 
Voor vruchten op spiritus enz. neemt men dezelfde soort van bam- 


boesjes, doch snijdt de nummers daarin, om dat de verw 


meestal beschadigd wordt, b, v. ek En Ee en 4 oe BA 


ne t0. 11. 24. 31. 
EVIL IX. X. vl, vol. vvv, enz en voor het herbarium bezigt 


men stukjes papier met gewone cijfers. 
Bij het verzenden van planten, zijn ook nog gemakshalve de 
volgende nummers in gebruik. 


Be 0e 16. SAUS het At, 12, 13, 
es As IN. fh TA Ta. Tal. TaZ, Tal.’ onz. 


20. 21. 100. 101. 4110. 200. 500. 1000. 1001. 5000. 
ee ll Dol AS IX. IKL VX 


650 


Het zal echter goed zijn, om ter voorkoming van vergissing 
bij de aan te houdene lijst, waarbij deze nummers mogten 
gebruikt worden, ook daar naast de gewone cijfers te voegen, 


Buitenzorg, 22 Julij 1852. 


DE 
BEREIDING VAN KAMFER IN JAPAN 


_ 
1 (N 
F 


7, 


EN DE INRIGTING VAN EEN 


SCHEIKUNDIG LABORATORIUM ALDAAR. 


DOOR 


P. WJ. MAEE EE: 


ine eens tee ae 


(Met afbeeldingen). 


Ten gevolge der beantwoording van den op bladzijde 382 

| van den {sten jaargang van dit tijdschrift vermelden Japanschen 

| brief, zijn mij door den Japanschen scheikundige op eenige aan 
hem gerigte vragen inlichtingen geworden, die omtrent de 

j uitoefening der scheikundige wetenschap in Japan vrij be- 

langrijke ophelderingen geven. 

De vragen waren. 

1. Hoe zijn de scheikundig laboratoria in Japan ingerigt? 

2. Hoe wordt de kamfer bereid? 

d. Hoe wordt de Yosirome voornamelijk — en welke metalen 
in het algemeen worden in Japan in gedegen staat ge- 
vonden ? 

De Íste vraag is letterlijk aldus beantwoord : 

__s»De scheikunde is de nuttigste kunst en wetenschap; en 

„ofschoon ik die kunst sedert vele jaren wil leeren, is dezel- 

| „ve echter te Japan niet genoegzaam bekend en beschaafd; 

E, de scheikundige onderzoekingen, bestaan alleen uit de boek- 

8. 


652 


„werken van Europesche scheikundigen b. v. Ípy, SmarrenBure, 
„Boommes, Berzerius en Tromsporr, weshalve wij het gepaste 
„toel daarvan niet kunnen bereiken. Eene zenuwziekte, waar- 
„aan ik sedert vele jaren lijd, belet mij onderzoekingen te doen; 
„niettegenstaande dit, leer ik met vlijt de natuur en schei- 
„kunde, omdat deze wetenschappen voor ons onontbeerlijk 
„en nuttig zijn. Dus is het scheikundig laboratorium gesticht, 
„waarvan het volgende eene ruwe opgave van geeft.” 

»Plaat 2 stelt den oven daar, waarin zwavelzuur bereid 
„wordt; het bovenste gedeelte van den oven dient ter berei- 
„ding van potasch en van andere zouten. Van binnen wor- 
„den kalk en andere stoffen gebrand. 

» Een kieine oven met destileertoestel voorzien, dient ter be- 
„reiding van wijngeest, alkohol enz. ; met vele ijzere pannen 
„wordt aether enz. bereid; door middel van vaten met water 
„vangt men gas op. 

»In andere scheikundige laboratoria wordt been gebakken 
„en er sal ammoniae van bereid. 

„In een trapsgewijs gebouwde, met kalk gemetselde oven, 
„bereid men salpeter. 

Voorts zijn er twee galvanische toestellen voorhanden. 

Ook blijkt uit eenige aan mij gerigte vragen dat er te Japan 
nog verscheiden praeparaten bereid worden; ik zal eenige dier 
vragen hier mededeelen. 

„Te Japan bereid men Magnesia alba volgens scheikundige 
„wijze — maar verkrijgt niet ligtste witte en beste; dus vraag 
ìk de beschrijving der bereidingen van die, welke te Am- 
„sterdam bereid en met het Hollandsche handelschip alhier aan- 
„gebragt wordt. 

Ter bereiding van chloorzure potasch wordt in Japan de 
oudste wijze van bereiding gevolgt; de Japansche scheikundi- 
ge deelde mij mede, dat hij op deze wijze slechts eene zeer 
geringe hoeveelheid van dit zout verkrijgt en vraagt dus eene 
betere methode om gemakkelijker en meer chloorzure potasch 
te kunnen bereiden. 

__ De beantwoording der 2de vraag is aldus: 


653 
De bereiding van Kamfer. 


„Om kamfer te bereiden, wordt te Japan de kamferboomen 
„in stukken gesneden. Plaat f stelt een daarvoor gebruikelijke 
„oven met de benoodigde gereedschappen daar. figuur 2 plaat 
„tt. ABCDEFGHIKLM is een van klei en zand vast 
„gebouwde oven, waarop een deksel A’ rust, die goed slui- 
„ten moet. Buiten is de oven met iijjzere platen belegd; c is 
„is een lang uitgehold houten met bamboes bij elkander 
„gebonden vat van boven en beneden met openingen voorzien; 
„in dit vat komen de in stukken gesneden kamferboomen ; 
„op hetzelve rust eene houten plank, waarop de ovale be- 
„vestigd is: de ronde plank, dient tot onderlaag van het ten 
„onderste boven gekeerd porcelein vat a. 

„f is eene met water gevulde ijzere pan, waarop de hou- 
„ten deksel d rust, waarin e vast zit, waarmede dus de 
„ijzere pan met het houten vat e verbonden is. 

„De oven wordt nu vol op met brandhout voorzien, de 

„B’ gesloten en het branden gedurende 24 Hollandsche uren 
„onderhouden. Naarmate het water in de ijzere pan door de 
„verdamping vermindert, wordt er nieuw water bijgevoegd. 
„Op deze wijze wordt der kamfer door de warmte uitgedre- 
„ven en verzamelt zich in a. 
__Door den Japanschen scheikundige zijn mij tevens twee zeer 
jonge kamferboomen toegezonden, die naar het scheikundig 
laboratorium alhier overgeplant, zich gedurende omstreeks 8 
maanden bijzonder goed hebben ontwikkeld en na eenigen tijd 
tot bereiding van kamfer kunnen dienen. 

De beantwoording der Jde vraag was zeer kort, namelijk: 
„ Yosirome is in de steen prachtig en met verscheidene metalen 
„gemengt; wanneer het eens gesmolten en in een pot gego- 
„ten is, verbindt het zich meer vast. Voor het overige wordt 
„niet geschreven.” 


ee 


NOTULEN VAN DE GEWONE VERGADERING 
DER NATUURKUNDIGE VEREENIGING 
IN NEDERLANDSCH INDIE, 


GEHOUDEN OP ZATURDAG AVOND DEN 4DEN SEPTEMBER 1852 TEN HUIZE 


VAN DEN PRESIDENT DER VEREENIGING. 


Tegenwoordig zijn de 


Dirigerende leden: 


de HH. P. Brrrxgen, President. 
5 J. Grou. 
Is P. Baron Mervirr van Cannaee. 
2 H. D. A. Surrs, Sekretaris. 


Het Honoraire lid: 
de Hr. W. Boscn. 


De Gewone leden : 


de HH. L. W. Beierinck. 


he A. G. Brouwen. 

ak J. A. KRAJENBRINK. 

ds A. ScHARLEE. 

ip C. H. G. SreveRwaLD. 


terwijl als gasten de vergadering met hunne tegenwoordigheid 
vereeren. 


_de HH. C. J. Senrf. 
ne L. C. Van per VEEN. 


655 


Na opening der vergadering deelt de president mede , dat met 
de jongste overlandmail brieven ontvangen zijn van de korres- 
ponderende leden der Vereeniging, de heeren C. L. Brome, 
R. Loparro, R. van Rees, G. Simons en W. Vrouk, ken- 
nis gevende, onder voor de Vereeniging zeer vleijende bewoor- 
dingen, dat zij hunne benoeming als korrespondenten hebben 
aangenomen en toezegging inhoudende, dat zij niet zullen nalaten 
te trachten tot den bloei der Vereeniging mede te werken. 

De president berigt voorts der vergadering, dat de voor- 
raad beschikbare bouwstoffen: voor het tijdschrift het heeft 
noodzakelijk gemaakt, aan den derden jaargang een’ buitenge- 
woon grooten omvang te geven. Het 6de nummer bijkans ge- 
heel afgedrukt zijnde, is besloten de uitgave daarvan, welke 
in de Ïaatste maand dezes jaars behoorde plaats te hebben, te 
vervroegen en in den loop des jaars nog een supplement-num- 
mer uit te geven. 

Voorts wordt aan de vergadering medegedeeld, dat het gou- 
vernement dezer gewesten de Vereeniging heeft uitgenoodigd, 
een onderzoek te doen naar het voorkomen enz. van de getak 
pertja in den Indischen Archipel; dat de pogingen, door het 
bestuur in het werk gesteld, om aan het verlangen der re- 
gering te voldoen , aanvankelijk reeds gunstige uitkomsten heb- 
ben gehad, en dat verschillende leden der Vereeniging, ge- 
plaatst op die eilanden van den Archipel, welke met zekerheid 
of waarschijnlijkheid de getah pertja opleveren, zich op uitnoo- 
diging van het bestuur beiijjverd hebben, niet alleen om de ver- 
langde opgaven in te zenden, maar ook om de getah-soorten zel- 
ve, vergezeld van de levende planten of van takken met bla- 
den, bloemen en vruchten, herwaarts te zenden. Deze naspo- 
ringen, gepaard aan het botanisch en scheikundig onderzoek van 
die planten en van de verschillende getah-soorten, opgedragen 


_ aan het lid der vereeniging, den heer J. E. TeysuanN en aan 


het besturend lid den heer D. W. Rosr van ToNniNGeN, zullen 
zonder twijfel binnen kort tot uikomsten leiden, welke van in- 


Li vloed zullen zijn op de uitbreiding eener kultuur, van welke 
EN men ook voor de Nederlandsche bezittingen in deze gewesten 


636 


zoo rijke vruchten mag verwachten. Een voorloopig berigt van 
den uitslag der bedoelde pogingen is reeds het gouvernement 
aangeboden. 


De heer KRraAsenNBrinK houdt eene voordragt over het verband 


tusschen de verschillende natuurwetenschappen. 

De heer Groru brengt ter tafel eene kalkuleermachine en 
verklaart de werking daarvan. 

De heer Brerrenr deelt mede, dat zijne verzameling afbeeldingen 
van Nederlandsch-indische vischsoorten , welke voor zijn ich- 
thijologisch plaatwerk over den Indischen Archipel vervaardigd 
wordt, thans reeds meer dan 330 soorten omvat. Hij 
vertoont de afbeeldingen van de soorten, welke sedert de laat- 
ste gewone vergadering in teekening zijn gebragt en bijkans 
alle tot door hem ontdekte soorten betrekking hebben. Van 
de tot nu toe afgebeelde soorten behooren tot Apogon 18, 
Cheilodipterus 2, Ambassis 7, Serranus 8, Mesoprion 5, Du- 
les 1, Priacanthus f , Myripristis 5, Holocentrum 5, Percis 
2, Polijnemus 3, Upeneus 3, Upeneoïdes 3, Apistus 3, Oto- 
lithus 2, Pristipomoïdes fÎ , Scolopsides 1, Lethrinus 2, He- 
terognathodon 4, Pentapus fÎ, Dentex 2, Caesio 3, Chaetodon 
2, Decapterus f , Carangoïdes 4, Equula 7, Gobius f ,‚ Ele- 
otris Î , Periophthalmus 3, Petroskirtes 5, Catopra 2, Plesiops 
1, Cichlops ΂, Amphiprion f‚, Pomacentrus 7, Glyphisodon 7, He- 
liases Î, Labroïdes fl, Tautoga 1, Julis (Halichoeres) 27 , Julis 
(Julis) 2, Novacula f , Cossyphus 2, Cheilinoides f ‚, Scarus 14, 
Wallago 4, Silurus Î4, Pangasius 6, Bagrus 5, Bagroïdes f, 
Batrachocephalus 1, Ketengus f, Arius 2, Pimelodus 2, Cy- 
prinus fÎ , Barbus 29, Systomus 7, Capoeta 6, Dangila 9, 
Gobio 2, Cirrhina f, Rohita 10, Lobocheilos 6, Leuciscus 13, 
Cobitis 3, Homaloptera 1, Luciocephalus f , Sardinella 1, 
Coilia 1, Saurus f, Saurida f , Machaerium fÎ, Anguilla 3, 
Ophisurus 8, Leiuranus f , Dalophis f, Muraena Íl, Sym- 
branchus 1 , Monopterus 1, Tetraödon 7, Sijngnathus 3, Hip- 
pocampus 3, Solenostoma Î. Andere afgebeelde soorten zijn 
reeds door den druk bekend gemaakt. 


637 


Op eene gemotiveerde voordragt van het bestuur worden 
benoemd tot 


Gewone leden : 


de HH. E. F. Graar van Benrtanimm TerKreENBURG Rurpa, adsis- 


tent-resident van Maros. 

F. U. van Heneer, Predikant te Batavia, Besturend lid 
van het Bataviaasch genootschap van kunsten en we- 
tenschappen. 

J. E. Hrrperscener , Suikerfabriekant te Pekalongan. 

Mn. L. W. G. Krucnentus, Raadsheer in het hoog ge- 
regtshof van Nederlandsch Indië, Besturend lid van 
het Bataviaasch genootschap van kunsten en weten- 
schappen, te Batavia. 

B. M. F. Puriperau, Fabrikant te Lembang. 

J. P. van Rouveroi van Nieuwaar, Apotheker der 2de 
kl. bij het scheikundig laboratorium, te Batavia. 
E. A. Scuir, Ontvanger der uitgaande en inkomende 
regten te Batavia, Besturend lid van het Bataviaasch 

genootschap van kunsten en wetenschappen. 

W. M. Surr, Officier van gezondheid fe kl. aan boord 
Z. M. fregat Prins Hendrik der Nederlanden, Rid- 
der der orde van den Eikenkroon. 

Mr. A.J. Swart, Raadsheer in het hoog geregtshof van 
Nederlandsch Indië, Besturend lid van het Bata- 
viaasch genootschap van kunsten en wetenschappen , 
te Batavia. 

J. Frome, Hoofdingenieur van den waterstaat, Bestu- 
rend lid van het Bataviaasch genootschap van kun- 
sten en wetenschappen, Ridder der orde van den 
Nederlandschen Leeuw. 

Jkhr. R. G. B. pr Vaunes vaN BrakerL, Kolonel, Di- 
rekteur der genie, Besturend lid van het Bataviaasch 
genootschap van kunsten en wetenschappen, Kom- 
mandeur der orde van den Eikenkroon, Ridder der 
orde van den Nederlandschen leeuw. 


638 


ks Mr. CG. Visscuer, Lid in den raad van Nederlandsch 
| Indië, Vice-president van het Bataviaasch genoot- 
schap van kunsten en wetenschappen, Ridder der 
orde van den Nederlandschen leeuw. | 

Niemand daarna verder het woord verlangende of iets voor 
te stellen hebbende, wordt de vergadering gesloten, 


Baravia, 4 September 1852. 
Mij bekend: 
De Sekretaris, 
H. D. A. Surrs. 


Ó 


à 
l: 


R 
} 
j 
{ 


| 


t 
5 
Á 


BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD, 


Aardbeving te Banjoemas. 


In de Javasche kourant van den 22sten September 1852 
komt volgend berigt voor: 

„In den nacht van den f2den op den {3den September jl. 
„Zijn te Banjoemas, omstreeks kwart voor elf uur, eenige ach- 
„tereenvolgende vrij hevige schokken van aardbeving ontwaard, 
„door welke echter geene merkbare schade aan de gebouwen 
„is veroorzaakt. 

„Van ongeveer één uur voor tot onmiddellijk na de aardbe- 
„ving, werd bevonden dat de thermometer 3° gestegen was; 
„men meent bespeurd te hebben dat de schokken eene rigting 
„hadden van n. n. w. naar z. z. 0.” 


Eruptie van den vulkaan van Poeloe Kombha. 


In de laatste dagen van Julij 1852 kruiste Z. M. schooner 
Sijlph op de hoogte van Batoe Tara (P. Komba). Dat eiland 
verkeerde nog steeds in eenen hevigen staat van eruptie. Ook 
de andere vulkanen in die streken waren werkzaam. Behalve 
Batoe Tara zag men nog vier vulkanen in hevige werking. 


Berigt betreffende de werkzaamheden van den geogra- 
phischen ingenieur S. H. pr Lance. 


De direktie der Vereeniging heeft van het gouvernement 


\ ontvangen twee verslagen van den geographischen ingenieur 


den heer S. H. pe Lanae, betreffende zijne zending naar Me- 


640 


nado, ten einde daarvan het wetenschappelijke gedeelte te pu- 
bliceren. 

Na de benoodigde waarnemingen tot bepaling der breedte en 
lengte van Batavia verkregen te hebben, is de heer Dr Lane. 
den 23sten Januarij jl. met 4. M. schooner Aruba naar Mena- 
do vertrokken om die plaats geographisch te bepalen en zoo- 
veel meerdere punten in den omtrek, als in het belang der hy- 
dro- en geograpbie wenschelijk is te achten. 

Wij vleijen ons, dat de heer Dr Lance, na afloop zijner reis, 
een volledig verslag daaromtrent zal geven; wij bepalen ons nu 
tot het mededeelen van een kort overzigt van zijne verrigtin- 
gen en van de waarnemingen, welke gediend hebben tot bepa- 
ling der breedte en lengte van eenige punten, welke op de reis 
naar Menado zijn aangedaan. 

Den f7den Maart ontscheepte de heer Dr Lanar te Kema, na 
alvorens Makassar, Boeton en Ternate te hebben bezocht. Sedert 
heeft hij de bergen Klobat en Lokoön beklommen, een aantal pun- 
ten in breedte bepaald en van daar azimuthen genomen op den 
Klobat, terwijl ook een aantal maansdoorgangen te Menado zijn 
waargenomen. 

De breedte van den vlaggestok van het fort Rotterdam te Ma- 
kassar is bepaald op 5° & 7”, 7 z. en het verschilin tijd met 
den tijdbal te Batavia op 50" 25’, 08 door drie tijdmeters. 

Te Boeton werd de z. w. punt van het eiland Celebes be- 
paald op 5° 26’ 14”, 5 z. b. en het verschil in tijd met den vlag- 
gestok van fort Rotterdam bevonden 12" 52’, 72, alsmede het 
tijdsverschil van den laatstgenoemden met het fort te Boeton 
12= 47, 06, door vier tijdmeters. 

De breedte van den vlaggestok te Ternate is bepaald op 0° 
AT 12”, 46 n. en het verschil in tijd met den vlaggestok van 
het fort Rotterdam op 31" 58°, 10, door vier tijdmeters, welke 
evenwel 9’, 21 uiteenloopen. Verder werd de hoogte van den 
piek van Ternate gemeten 1580,5 ellen. 

Te Kema werd de breedte waargenomen vóór de loge en be- 
vonden 19 21’ 44” n. en het tijdsverschil met den vlaggestok 
“te Terddte OEI, D. 


641 


Door eene reeks van barometer=waarnemingen op den top van 
den Klobat en gelijktijdige waarnemingen te Menado, is de 
hoogte van dien berg bevonden te bedragen 1972.7 N. ellen. 


| Scheiding van het Nikkel van Kobalt, Mangaan, IJzer 


$ en van ondere metalen. 


Vele methoden ter zuivering van het nikkel zijn in scheikun- 
dige handboeken vermeld. Evenwel zijn ook de moeijelijkheden 
bekend, welke aan de getrouwe nakoming dier voorschriften 
verbonden zijn. 

De heer P. J. Marer, onder wiens leiding ik sedert eenigen 
tijd in het scheikundig laboratorium te Weltevreden werkzaam 
ben, heeft mij onlangs verzocht, zuiver salpeterzuur nikkeloxy- 
dule te bereiden en mij tot dat einde gegeven een’ nikkelerts, 
| van Europa afkomstig. Alhoewel ik bij dit berigt geen nieuws 
_ heb mede te deelen, daar de opgevolgde scheidingsmethode slechts 
eene kombinatie is der in verschillende handboeken opgegevene 
wijzen, zoo voldoe ik evenwel gaarne aan het verzoek van den 


eee 


heer Mater, namelijk: om die methode hier naauwkeurig op 
te geven, daar zij zeer bevredigende resultaten heeft opgele- 
verd. | | 

De nikkelerts werd met gekoncentreerd zoutzuur behandeld. 
Gedurende deze bewerking ontwikkelde zich veel zwavelwater- 


stofgas; wegens de moeijelijke oplosbaarheid van den erts in het 
zuur, werd er ten laatste eene geringe hoeveelheid salpeterzuur bij- 
gevoegd, de oplossing met water verdund, van de uitgeschei- 
dene kiezelaarde afgefiltreerd en vervolgens de zuur reagerende 
vloeistof met zwavelwaterstofgas behandeld. Ik kreeg een bruin- 
zwart praecipitaat, hetwelk , door onderzoek, gebleken is te be- 
staan uit zwavelkoper, zwavelarsenik en zwaveltin. Na eene 
genoegzame doorleiding van het gas, filtreerde ik de oplossing 
af, verwarmde ze ter verwijdering van het overvloedige gas 
en kookte ze, onder bijvoeging van een weinig salpeterzuur ter 
hoogere oxydatie van het ijzer, met eene genoegzame hoeveel- 


DIL 49 


642 


heid azijnzure potasch, waardoor basisch azijnzuur ijzeroxyde 
uitgescheiden werd. Na de oplossing afgefiltreerd te hebben, 
praecipiteerde ik daaruit, door het lang doorleiden van zwavel- 
waterstofgas, zwavelnikkel en zwavelkobalt; al het mangaan 
bleef opgelost, benevens een klein gedeelte nikkel - en kobalt- 
zout, uit welke oplossing de beide laatste metalen verkregen 
werden, door ze met potassa te behandelen, het nederplof- 
sel, na behoorlijke uitwassching, met eene oplossing van kool- 
zure ammonia te digereren en uit de ammoniakale oplossing het 
nikkel en kobalt als zwavelmetalen door zwavelwaterstof uit 
te scheiden. Ten einde de zekerheid te erlangen, dat de uit de 
azijnzure oplossing gepraecipiteerde zwavelmetalen volkomen vrij 
van zwavelmangaan zijn, heb ik ze met verdund azijnzuur la- 
ten trekken, vervolgens op een filtrum verzameld en uitge 
wasschen; hierna in gekoncentreerd zoutzuur, onder druppels- 
gewijze bijvoeging van salpeterzuur, wegens de moeijelijke op- 
losbaarheid dier sulphureta in het eerstgenoemde zuur, opge- 
lost. Het overvloedige zuur voorts door uitdamping van de op- 
lossing verwijderd hebbende, werd deze met veel water ver- 
dund en met chloorgas volkomen verzadigd, koolzure barietaar- 
de in eene toereikende hoeveelheid bijgevoegd en daarmede on- 
der gedurig omroeren eenen geruimen tijd koud gedigereerd. 
Het kobalt werd daardoor als oxyde uitgescheiden en zette zich 
met de overvloedig bijgevoegde koolzure barietaarde op den 
bodem van het glas af. Uit de oplossing werd nu, na het af- 
filtreren, de barietaarde door zwavelzuur verwijderd, en het 
nikkel door behandeling der oplossing met koolzure potasch als 
basisch koolzuur nikkeloxydule verkregen, hetwelk volkomen 
vrij van kobalt en derhalve zeer geschikt was tot de daarstel- 
ling van zijn zuivere zouten. 


W. R. SEVERING. 


643 


Produktie van gom elastiek (hollelet) in Tjirvengin, 
residentie Bantam. 


Volgens een berigt van den adsistent resident van Tjirien- 
| gin komt de Ficus elastica (karet gambier, of karet betoel, of kol- 
lelet) in groot aantal voor in de distrikten Panimbang en Tji- 
; biliong. De inlanders verkrijgen daaruit, door middel van diepe 
inkervingen in de schors, eene onzuivere elastieke gom. Een 
volwassen zwaarstammige boom kan reeds door inkervingen al- 
leen, van 1 tot 1!/, pikol gom elastiek opleveren, terwijl de- 
ze bewerking na 5 jaren herhaald wordende, weder een even gun- 
| stig resultaat oplevert. Bedoelde ambtenaar berigt verder, dat 
_ ofschoon in de afdeeling Tjiriengin de handel in de kollelet 
| reeds jaren geleden was bekend, de produktie echter zeer ge- 
_ ring was en de verzamelde gom elastiek grootendeels door de 
g bevolking gebruikt werd voor obors of flambouwen, doch dat 
| sedert 1851 die handel aanmerkelijk is toegenomen en zich nog 
dagelijks uitbreidt, zoodat tot in Augustus dezes jaars reeds ruim 
_ 1500 pikols naar Batavia waren uitgevoerd. De bevolking er- 
k Mlancde vroeger voor deze getah van f 6 tot f 8 per pikol, 
| doch thans wordt zij gretig opgekocht voor f 15 tot f 17 de 
_ pikol. | 
Uit deze mededeeling laat zich opmaken, van hoe groot be- 
: lang de kultuur van de karet of kollelet is voor de inlandsche 
bevolking, eene kultuur, die geene bijzondere zorg of moeite 
4 vereischt en aanmerkelijke winsten belooft. Het kan niet anders 
dan wenschelijk zijn, dat de inlandsche bevolking ook in andere 
 residentiën van Java op deze kultuur meer en meer worde 
| oplettend gemaakt. 


land 


Nieuwe visschen van Banda Neira. 


De heer Dr. E. H. H. Muurerr heeft de welwillendheid ge- ° 
had eenige vischsoorten aan mij af te staan, welke hij te 
Banda Neira had verzameld. Bij deze soorten bevonden er 
zich vijf, welke nog niet van Banda bekend waren t. w‚ Apis- 


644 


tus fusco-virens QG., Antennarius polyophthalmus Bkr. Am- 
phiprion chrysargurus Richards., Julis (Halichoeres) dieschis- 
menacanthus Blkr. en Saurida nebulosa CV. Hierdoor wordt het 
aantal bekende vischsoorten van Banda op 84 gebragt. Am- 
phiprion chrysargurus Richards. hield ik nog kort geleden 
voor dezelfde soort als Amphiprion zanthurus GV. doch sedert 
heb ik laatstgenoemde species te Batavia aangetroffen en ver- 
geleken met mijn specimen van Amboina, hetwelk ik als Am- 
phiprion zanthurus CV. beschreven heb doch tot Amphiprion 
chrysargyrus moet gebragt worden. Daaruit heb ik ontwaard, 
dat Amphiprion chysargurus Richards. inderdaad soortelijk van 
Amphiprion zanthurus CV. verschilt, niet alleen door oranje- 
kleurige borst-, buik- en aarsvinnen, maar ook door hooger lig- 
chaam, boller profiel, naar beneden uitstekenden doorn van 
de onderoogkuilsbeenderen enz. 

Antennarius polyophthalmus en Julis (Halichoeres) dieschis- 
menacanthus houd ik voor nog onbeschrevene soorten. 

Eerstgenoemde is zeer na verwant aan Churonectes pardalis, 
CV. van Gorée, doch heeft langeren snuitdraad, veel minder 
talrijke rug- en rugvin-, en talrijker staart- en aarsvinvlekken. 
De rangschikking der vlekken bij Chironectes pardalis GV. is 
ook eenigzins anders en volgens de afbeelding er van in de 
groote Histoire naturelle des Poissons tab. 863 is de buikvin 
er vierstralig, het vlies des achtersten rugdoorns veel korter 
enz. Ik heb den soortnaam ontleend aan de talrijke oogvor- 
mige vlekken, waarmede ligchaam en vinnen geteekend zijn. 

Julis (Halichoeres) dieschismenacanthus is kenbaar, behalve 
aan hare eigenaardige kleuren, aan de eerste rugvindoornen , 
welke aanmerkelijk divergeren en van welke de derde langer 
js dan de 2 voorste en de eerst op hem volgende. Aan deze 
divergentie heb ik den soortnaam ontleend. 

De beschrijvingen van beide soorten volgen hieronder. 


Antennarivus polyophthalmus Blkr. 


Antenn. corpore ovali compresso, altitudine 2 et paulo in ejus longitu- 
dine, latitudine 12 eirciter in ejus altitudine; oculis diametro 4 circiter in 


À 
Ad 
k 


645 


longitudine maxillae superioris; rictu subverticali postrorsum descendente; 
dentibus intermaxillaribus et inframaxillaribus pluriseriatis conicis subac- 
qualibus; vomero-palatinis in thurmas 4 oblongas areum efficientes dispo- 
sìtis, thurmis spatio glabro a se invicem remotis; apertura branchiali ro- 
tunda oculi diametro subaequali; eute toto corpore spinulis parvis, plu- 
rimis bifurcatis, conspicuis scabra; fimbriis capite corporeque parcis con- 
spicuis; radio rostro libero tuberculo scabro apice rostri inserto, 4 circí- 
ter in longitudine corporis, apice clavato, fimbriato; pinna dorsali spi- 
nosa spina l° libera, obtusa, oblique antrorsum flexili, spina 2* spina Ì* duplo 
fere altiore, obtusa, maxilla superiore paulo breviore, membrana scabra; 
dorsali radiosa et anali rotundatis, altitudine aequalibus, dorsali: anali 
duplo longiore; caudali rotundata 4 ecirciter in longitudine corporis; ven- 
tralibus digitatis maxilla superiore paulo brevioribus; colore corpore pin- 
nisque sordide flavo corpore viridi-fuscescente nebulato; corpore pinnis- 
que ocellis majoribus et minoribus nigris flavo annulatis, ocellis dorso la- 
teribusque parcioribus, ventre erebrioribus; lateribus insuper ocellis 3 di- 
lutioribus pupilla flava, ocello 1° suprapectorali, 2° supraanali, 3° cau- 
dali; ocellis pinna dorsali p. m. 8 biseriatis serie superiore 5, pinna cauú- 
dali plus quam 20 pluriseriatis, pinna anali p. m. 10, macula basi macu- 
lis ceteris, omnibus majore; radio rostrali libero fusco annulato., 

B. 6. D. 2—12 (2 poster. fissi). P. 10 (simpl.). V. 5 (simpl.). A. 7 
(5 post. fiss.). C, 9 (omn. fiss.). 

Habit. Banda Neira, in mari. 

Longitudo speciminis unici 105''’. 


Julis (Halichoeres) drieschismenacanthus Blkr. 


Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in 
ejus longitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite acuto 44 
eirciter in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus lon- 
gitudine; oculis diametro 44 circiter in longitudine capitis; linea rostro- 
frontali declivi reetiuscula; labiis carnosis; dentibus maxillaribus conicis 

rectis anticis 2 caninis medioecribus curvatis; dentibus oris angularibus 


magnis conicis; linea laterali ramosa; squamis lateribus 27 p. m. in serie 


_ longitudinali; pinnis dorsali et anali basi glabris, postice angulatis, dor- 


sali spinis 4 anticis divergentibus 83°, 2° et 4 longiore; pectoralibus in 
inferiore dimidio corporis insertis, obtusis, 7 et paulo, ventralibus acutis 


‚8 et paulo, caudali convexa 6 circiter in longitudine corporis; colore 
‚_ corpore superne antice rubro-violaceo postice aurantiaco, inferne auran- 
‚ tiaco-flavo; dorso lateribusaue ubi rubro-violaceis fasciis 3 longitudinali- 


bus fuscis; cauda fascia longitudinali fusca; capite superne rubescente in- 
‚ferne aurantiaco, vittis oculo-maxillari, suboculari et operculo-praeoper- 
eulari rubro-violaceis; pinna dorsali flava ecellis aurantiacis in series 3 


hed dn dof Oe Eed 


646 


longitudinales dispositis, spinam 4" inter et 6" macula magna profunde 
coerulea; pinna ante Spinam 4" violascente carmosino marginata; pecto- 
ralibus roseis basi flavis; ventralibus flavis radio 1° rubroviolaceo; anali 
aurantiaca medio vitta longitudinali rubra et ocellis rubris in seriem lon- 
gitudinalem supra et infra vittam dispositis; caudali aurantiaca guttulis 
rubris. 

B. 6. D. 9/11 vel 9/12. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/11 vel 3/12. C. 14 et 

lat. brev. 
Habit. Banda Neira, in mari. 


„7, 


Longitudo speciminis unici 90°”, 


Scripsi Batavia Calendis Septembris mpeeern. 


BLEEKER. 


647 


Tentoonstelling te Batavia, te houden in 1855. 


Sedert het berigt is gegeven, voorkomende op pag 491 van 
dezen jaargang, zijn nog bekend geworden de navolgende in- 
schrijvingen , als: 


Te Padang. k - [ 210. — 
„‚ Riouw. ê f 3 „45. — 
NELMOT. é „ 26. — 
> _Amboina. 3 „1D 
‚ Makassar. ì d $ ' \ d „ 495. — 
‚„ Batavia. i : MAA 

’ f_ 1095. — 


Zoodat de inschrijving nu is gestegen tot f 19895 (1). 

De resident van Soerakarta heeft een kommittee vereenigd, be- 
staande uit de heeren J. M. Treprman, J. A. Wikgens, D. H. 
R. van Gerper, J. J. Norren en de pangerans Noro KOESOEMO» 
MANGKOEBOEMIE en KoOrSOEMO DININGRAT. 

Te Makassar is een kommittee opgerigt bestaande uit de heeren 
P. Vreepe Bik, president, CG. van pe Vere, E. F. GRAAF van 
Benruem TEEKLENBURG Ruepa, J. A. Baxkens, L. Warren, J. G. 
Wersergane, W.L. Mesman, R. Wrv…vnen thesaurier en P. S. 
WynNMaren, sekretaris. 

Te Padang hebben zich in kommittee vereenigd de heeren 
J. VAN SWIETEN, president, H. M. Anpnúe Wirrtens, J. L. van 
GenneP, R. H. A. Hripsieck, D. Errpracuar, J. GC. Loper, N. M. 
Warp, F. Screnek, thesaurier en sekretaris. 

Van de kommittees te Padang en Soerakarta, alsmede van 
de residenten van de Preanger-regentschappen, Rembang . Bag- 
len, Banjoemas en Banka, van den gouverneur der Molukken 

‚en van de adsistent residenten van Banjoewangi en Patjitan zijn 
reeds opgaven ingekomen van de voorwerpen, welke in die 
“gewesten voor de tentoonstelling verkregen kunnen worden. 

In de Preanger-regenschappen zijn reeds meer dan 220 voor- 


(1) Bij de opgave van de Preanger-regentschappen (pag. 352) is f 10 te 
min gesteld, 


 dd id 


648 


werpen bijeengebragt , welke alle kosteloos voor de tentoon- | 
stelling verkregen zijn, en ook van Rembang, Baglen , Banjoe- 
mas, Patjitan en Banka zullen volledige verzamelingen verkre- 
gen worden, geheel door vrijwillige inzending, doch ter west-_ 
kust van Sumatra, te Soerakarta , Banjoewangi en Amboina 
zal een aantal voorwerpen moeten worden aangekocht, ten ein- 
de volledige verzamelingen te erlangen. 

Inmiddels heeft de kommissie te Batavia bekend gemaakt het 


Programma voor de tentoonstelling. 


Art. Í. In de maand September 1855 zal, ingevolge mag- 
liging van zijne excellentie den gouverneur generaal van 
Nederlandsch Indië, kenbaar gemaakt bij besluit van den 
2östen Februarij 1852 No. 5, te Batavia eene tentoonstelling 
worden gehouden van voortbrengselen der natuur en van land- 
bouw en nijverheid van Nederlandsch Indië. 

Art. 2. Deze tentoonstelling heeft ten doel, om bekend te 
geraken met den tegenwoordigen toestand van Nederlandsch 
Indië, zoo wat betreft den rijkdom van de voortbrengselen 
van den grond als de ontwikkeling van de verschillende vol- 
keren van dezen Archipel, hunne nijverheid en behoeften, 
ten einde in lateren tijd, door vergelijking met den tegen- 
woordigen toestand, te kunnen oordeelen over den vooruit- 
gang dezer gewesten; alsmede om te beslissen, welke midde- 
len aanwendbaar zijn om de produktie van den grond te ver- 
meerderen en te verbeteren, de nijverheid en den smaak van 
den inlander op te wekken en te veredelen, en ook, om in 
wetenschap gesteld te worden met memige, nog weinig of 
niet algemeen bekende voortbrengselen van den grond of van 
nijverheid, welke eenmaal aan handel en vertier meerdere 
levendigheid zouden kunnen verschaffen. 

Door de tentoonstelling worden beoogd, zoowel zedelijke 
als stoffelijke voordeelen, welke krachtigen invloed zullen 
kunnen uitoefenen op de ontwikkeling der welvaart en den 
bloei van deze gewesten en van het moederland. 


W 


Art. 


649 


Pd 


5. Het is wenschelijk, dat uit elk gewest worden in- 


gezonden: 


A. VOORTBRENGSELEN DER NATUUR; GRON D- 


E 


d, 


STOFFEN VOOR DE INDUSTRIE. 


DELSTOFFENRIJK. 


Enkelvoudige ligchamen, zoo als: 


Lwavel, jodium, ruwe diamanten, tin, koper, ijzer, 
lood, kwik, zilver, goud, enz. 


Zamengestelde ligchamen. 


Mineralen, ertsen, steen- en rotssoorten voor bouw- 
materialen (zoo als kalk, steen, marmer, trachiet, 
graniet, zandsteen, enz.), edelgesteenten, salpeter, 
steenkolen, aardoliën, enz. 


HM. PLANTENRIJK. 


d. 


Geheele planten. 


Kunstplanten, buitentropische planten, dwergplanten, 
geneeskrachtige planten, eetbare zeewieren, enz. 


Plantendeelen. 


Houtsoorten, basten, wortels, zaden, bollen, bloe- 
men, vruchten, bladeren (kaneel, nagelen, noten- 
muskaat, foelie, koffij, rijst, thee, tabak, alle soorten 
van inlandsche wortelen, knollen, vruchten, zaden, 
enz., strekkende tot voedselmiddelen, industriëel of 


geneeskundig gebruik). 


Grondstoffen voor industrie, enz., wit planten verkre- 
gen. 

Indigo, kapas, kapok, gommen, gomharsen, harsen, 
vette en vlugtige oliën (djarak-, klapper-, katjang-, 


kanarie-, kaneel, kajoepoetie-, nagel-olie, kamfer, 


650 


enz.), zetmeel (arrowroot, sagoe, enz.), verwstoffen, 
suiker, plantenwas, plantenvezelen (zoo als: van de 
rameh, ananas, pisang, gemoetie, enz.), alkaliën _ 
(potasch, soda enz). 
HI, DrERENRIJK. 

a. Geheele dieren, artikelen van industrie (levende uit- 
gesloten). 
Tripangsoorten, kochenille, inlandsche zoogenaamde 
spaansche vliegen, roode vischjes, enz. 

b. Grondstoffen voor de industrie, enz., wit dieren ver- 
kregen. 
Honig, was, vischlijm, spermaceti, ivoor, hoorn- 
en beensoorten, amber, huiden, pelterijen, wol, dons, 


vederen, enz. 


B. VOORTBRENGSELEN DER INDUSTRIE (OMGE- 
VORMDE GRONDSTOFFEN). 


TI. VOORWERPEN VAN WEELDE. 


a. Delstoffenrijk. 


Gezette en geslepen diamanten, voorwerpen vervaar- 
digd enkel uit minerale grondstoffen, van goud, zil- 
ver, staal, blik, marmer, steensoorten, beeldhouw- 


werk, enz, 
b. Plantenrijk. 


Voorwerpen uit katoen, bamboe, boomschors of ve- 
zelen, hout (snij- en lakwerk), enz. 


c. Dierenrijk. 


Voorwerpen uit ivoor, been, hoorn, karet, was, be- 
reid leder. 


IL. WERKTUIGEN. 


Machineriën voor fabrieken, weefgetouwen, enz. , werk- 


651 


tuigen voor landbouw, voor chirurgie, wapenen, jagt- 
en visch-gereedschappen, muziek-instrumenten. 


HI. MoperLLEN; 


van huizen, praauwen, vervoermiddelen te land (rij- 
tuigen, karren, pedatties) enz. 


IV. MEUBELEN, AARDEWERK, YVLECHT- EN MAND- 


WERK. 


V. GEWEVEN STOFFEN, KLEEDINGSTUKKEN, TUIGEN, 
TOUW WERK, PAPIER. 
VI. ZAMENGESTELDE VERWSTOFFEN, ENZ. 
Art. 4. Het is wenschelijk dat, zooveel mogelijk, worde 
opgegeven: 


19. VAN DE DELFSTOFFEN. 


De plaats en wijze van voorkomen, de wijze van delving 
en bereiding, de hoeveelheid metaal, die door den inlander 
uit den erts wordt getrokken, de kosten van produktie en 
de hoeveelheid, die in den handel kan worden gebragt. 


20, VAN DE VOORTBRENGSELEN VAN HET PLANTENRIJK: 


De wijze van kultuur en bereiding, de hoeveelheid van 
opbrengst in verhouding tot de uitgestrektheid van den 
bebouwden grond, de hoeveelheid en kosten van produk- 
tie, de eigenschappen enz. der voortbrengselen. 


50, VAN DE VOORTBRENGSELEN VAN HET DIERENRIJK: 
De wijze van inzameling en bereiding, de hoeveelheid en 
kosten van produktie. 

49, VAN DE VOORTBRENSELEN VAN INDUSTRIE: 


De plaats van waar de grondstoffen verkregen worden, de 
wijze van bewerking, de prijzen der voorwerpen. 


652 


Art. 5. Tot de tentoonstelling worden ook toegelaten alle 
voorwerpen van nijverheid, door de Europesche bevolking van 
deze gewesten vervaardigd, alsmede verzamelingen van natu- 
raliën en andere Indische merkwaardigheden. | 

Art. 6. Alleen worden uitgesloten, voorwerpen die onder- 
hevig zijn aan ontploffing of zelfontbranding, of welke eenen 
onaangenamen reuk verspreiden; ten zij de wijze van inpak- 
king waarborgt tegen het schadelijke of hinderlijke. 

Art. 7. Behalve voorwerpen uit Japan afkomstig, worden 
alleen goederen toegelaten, afkomstig van de eilanden van den 
Indischen archipel, niet westelijker dan Sumatra en niet oos- 
telijker dan Nieuw Gwinea gelegen. 

Art. 8. De inzenders van voorwerpen worden verzocht be- 
paaldelijk te willen opgeven: of zij de ingezonden voorwerpen 
willen beschikbaar stellen tot bevordering van het einddoel der | 
tentoonstelling te Batavia, dan wel, of zij verlangen de goede- 
ren terug te ontvangen, of dat zij die te gelde wenschen te ma- 
ken. In het laatste geval behoort de prijs te worden opgegeven. 

Art. 9. De personen, welke voornemens zijn voorwerpen 
naar de tentoonstelling te zenden, worden verzocht daarvan 
opgave te willen doen aan de hoofden van gewestelijk bestuur. 

Art. 10. De middelen voor de toezending der voorwerpen 
zullen nader worden aangewezen. 

De kommissie voor de tentoonstelling neemt de voorwerpen 
in ontvangst, te beginnen met 1 Junij 1855. 


De Kommissie voor de Tentoonstelling, 


De President, 
Ss. D. SCHIEEF. 
De Sekretaris, 
H. D.A. SUITS: 


Behalve in het Nederduitsch is het programma ook in de 


653 


Fransche taal gedrukt, terwijl het nog wordt overgezet in En- 
gelsch, Maaleisch en Javaansch. 

Zoodra bekend zal wezen, hoeveel geld benoodigd is tot den 
aankoop van voorwerpen, welke niet door vrijwillige inzending 
verkregen kunnen worden, zullen maatregelen worden genomen 
om het gebouw voor de tentoonstelling op te rigten. 


Geschenken aan de Vereeniging. 


Boekwerken. 


Les changemens périodiques de température, ‘dépendants de la nature 
du soleil et de la lune, mis en rapport avec le pronostice du temps, 


déduits d'observations Néerlandaises de 1729 à 1846 par C. H. D. 


Burss Barror. Utrecht, 4. 1847 (van den heer H. D. A. Surrs). 

Uitkomsten der Meteorologische waarpemingen, gedaan te Breda van 1839- 
1846, door en onder de leiding van W. WeENCKEBACH, medegedeeld 
door C. H. D. Burss Barror, uitgegeven door het Provinciaal 
Utrechtsch genootschap vau kunsten en wetenschappen. Utrecht 4° 
1848 (van den heer H. D. A. Surrs). 

Description de Yobservatoire météorologique et magnétique à Utrecht, par 
F. W. C. Krecke, publié par la Société provinciale des arts et des 
sciences à Utrecht. Utrecht 4° 1850 (van den heer H: D. A. Sarrs). 

Uitkomsten der meteorologische waarnemingen, gedaan te Utrecht, in de 
jaren 1839-1843, medegedeeld door R. vaN Rers, uitgegeven door 
het Provinciaal Utrechtsch genootschap van kunsten en wetenschappen. 

Utrecht 4e 1844 (van den heer H. D. A. Sirs). 

Physiologisch-chemische verhandeling over de bestanddeelen der plan- 
ten in verband met het plantaardige leven door P. F. H. FromBere. 
Utrecht 8° 1847. 

Biang-lala. — Indisch Leeskabinet tot aangenaam en gezellig onderhoud, 
onder redaktie van W.L. Rirrer en L.J. Á. TorveENs, Jaarg. I. 
Batavia 1852, 8°, afl. IV. (van de redaktie). 

Tijdschrift voor Indische taal- land- en volkenkunde, uitgegeven door 
het Bataviaasch Genootschap van kunsten en wetenschappen, onder 
redaktie van P. BreEKER, L. W.C. KevcreNimus, J. MunNicH en 
E. NerscHer. Jaarg. I aflev. IT en II (van het genootschap). 

Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia edited by J. R. LOGAN 
Vol. VI 1852 No. VI (van de redaktie). 


654 


Manik Maja een Javaansch gedicht, uitgegeven door J. J. pe HoLLANDER 
(uit het 24° deel der Verhandelingen van het Bataviaasch Genoot- 
schap van Kunsten en Wetenschappen. Batavia 1852 8° (van het ge- 

_ nootschap). | 

Jaarlijksch verslag van den staat der Afdeeling Batavia van de Maat- 
schappij tot Nut. van ’t Algemeen... Batavia 1852 (van de afdeeling). 

Tijdschrift ter bevordering der Geneeskundige Wetenschappen in Neder- 
landsch Indië, uitgegeven door de Vereeniging ter bevordering der 
geneeskundige wetenschappen in Nederlandsch Indië. Jaarg. I No I— 
IV. Batavia 8°, 1851, 1852. (van de vereeniging). 

Moniteur des Indes Orientales et Occidentales, Recueil de mémoires et 
de notices scientifiques et industriels, de rrouvelles et de faits impor- 
tants concernant les possessions Néerlandaises d’ Asie et d’ Améri- 
que, publié par le baron P. MeLviLL DE CARNBEE. Vol. I-III La 
Haye 1846— 1849 4° (van den redakteur). 

Naturgeschichte des Menschengeslechts von J.C. PRICHARD, nach der 
3den Auflage des englischen originals mit Anmerkungen und Zusätzen 
herausgegeben von R. WAaNeEr und J. G. F. Wir. 5 Bde 8° Leipz. 
1840 — 1848. (van het lid der vereeniging den heer E. B. C. KREIJENBERG). 

L'Institut, journal universel des sciences et des sociétés savantes en France 
et à étranger. 1° Section, sciences mathématiques, physiques et na- 
turelles 18° année Paris 1850 feuille 7838 —886. 2° Section, sciences 
historiques, archéologiques et philosophiques, 14° année Paris 1850 
feuille 157—180. (van den heer H. D. A. Surrs). 


Overleden. 


H. GLABBEEK VAN DER Dors Lid der Vereeniging (gesneuveld bij Ata- 
poepoe). 


Errata. 


In het vorige nummer bladz. 493 regel 21 van boven, staat verkeerdelijk 


Leiden in plaats van Utrecht. 


ren 


\, ea an 1 
/ p 
1 =gge \ 
A EE een 
de a hi \ 
\ 


1 / 
pd af it gl } Â: 
Pe 3 rde en en \ 


b 


1 
EN 3 AREN 
7 EET E Zea \ 

fl 


VfL ZL ELL 5 
AAS Ee aint 
1 < 
Ve sl LLT 
nde Cel 
LN 


eed 
GEN 


ND 71 


Vd 


Linde 
en 1 4 n 
MAREN Haan ER 


EN MOUD. 


Aflevering VL 


Dr. P. F. H. Frousena, Over het watergehalte van ver- 
schillende luchtdrooge koffijsoorten en de daarvan af- 
hangende hoedanigheden. . 


‚ J. Marer, Onderzoek van ogend het Ehire g- 
te Tampi, nabij de groote Penitì-rivier in de afdee- 
ling Sambas. 4 2 BE - 


r. P. Brreken, Nieuwe bijdrage tot. de kennis der 


sn van nieuwe 


Dr. P. Brereker, Diagnostische beschrí ving 
nat. (Met 


À of weinig bekende vischsoorten van 
BROEelding) TD 


J. P. van Rouverois van Nieuwaar, Scheikundig onder- 
el Ee . . 
_ zoek van minerale wateren van het eiland Bawean. 


1. Bron van Sangkapoera. - . 


D. W.- Rost van Tonnincen, De voedingsmiddelen van 
Java, scheikundig onderzocht. 

, 1 Cassave meel. : 

EE. . TEIJSMANN, Handleiding tot het verzenden van 


4 E 
1 


zaden en levende planten en het bewaren van her- 


Branz. 


„497 


559 


609 


613 


623 


631 


” 


e 
Notulen van de gewone verg 


Vereeniging in Nederlandsch Indië, gehouden den 


Aden September* 1852. 


ú 


! “es 
Berigten van verschillenden aard: nn ee 


Aardbeving te Harige 
Eruptie van deh vulkaa 


Berigt betreffende de 


geographischen ingenieur S. H. pe Lane. u 


Scheiding van het nikkel van kobalt, he 


ijzer en van andere 
SEVERING. Ù se 


„Produktie „van gom elastiek (kollelet) in Tjirien- 
ntam. Ln ' Ld ì . Ld { 


gin, residpnlje, 


Nieuwe vissdhienr wan “Banda Neira, door Drs Ps 


BLEEKER. _® ee 


Tentoonstelli 


Geschenken „Vereeniging. ud Nes 15 


Bux Ez. 


ï 


A der Natuurkundige 


CRN 


as. en EE s 
n van Poethe Komba. j 


werkzaamheden van den 


metalen, door WR. 


. . e1 ee ‚ Gs 


via, te houden in 1853. 64 


NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT | 

VOOR 
NEDERLANDSCH INDIË. | 
E DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING f 
E | 


IN CRZ: Zi Dj | 
BE Mlaanar bb th | 
Salea Ïbs, 


NEDERLANDSCH INDIE. 


| 

CE AED REEF l 

DERDE JAARGANG. 4 
M. VII. | 


Supplement-n um mer. 


BATAVIA, 
LANGE & Ce. 
1852. 


(@ 


IN 


( 

5 
e RE 
© Ny EE 
/ KE 


PHIJSISCHE KARAKTERBESCHRIJVING 


DER 


JAPANEZEN. 


DOOR 


Dr. O. MONNENKE. 


De Japanezen zijn van gemiddelde ligchaamsgestalte. In het 
algemeen kleiner dan de Germaansche volkstammen in Europa, 
komen zij in statuur en lengte ongeveer met de Spanjaarden en 
de bewoners van het zuiden van Frankrijk overeen. De vrou- 
„wen zijn in den regel in het oogloopend klein, hetgeen ook op 
de meeste eilanden van den Indischen Archipel het geval is, waar 
een veel meer in het oog vallend verschil in ligchaamsgestalte 
tusschen de beide geslachten wordt waargenomen , dan ergens 
in Europa. Van 50 mannen van eenen leeftijd tusschen de 2% 
en 50 jaren, zijnde deels tolken en andere beambten bij de Ne- 
derlandsche faktorij te Desima, deels huisbedienden en dag- 
poners enz., heb ik de ligchaamsgestalte gemeten, en de vol- 
gende uitkomsten in Parijssche (f) voeten bekomen. 


 (Ì) Een Parijssche voet heeft 12 Par. duimen. De Par. voet is gelijk 
aan 0,32484 Ned. el. Ì 


EI 60 


656 


Bedienden , 


daglooners 
Aantal Tolkenen en andere 
Lengte. _— perso- andere personen 
nen. beambten. der laagste 
volks- 
klasse, 
ROTE PL RR OVER DN, | | — 
BR he NOC D rsr 7 3 Á. 
Bs 2 ee 12 11 
Donat ner en os re 5 7 
OR aan —Á ,M „,.. 4 3 1 
ze re zoenen 1 RAe 1 2 


Dertig vrouwen, allen tusschen de 17 tot 26 jaren oud, had- 
den de volgende lengten : 


Vrouwen 
Aantal uit den Publieke 
personen. minderen meisjes. 
burgerstand. 

voets. Rm: 4 tte Tent, dek — 1 
A „ 7 „ — 4 voet 6 duim. 3 2 f 
À ’ 6 AE EST h }Ô 5 2 3 Î 2 
4 ’ 5 SMN Â ’ h ’) ö 2 3 
Á ED) Á BRS ide Á ’ 3 3 h h WEZE 
Á EE) 3 DE ANA h 1 2 PT] d 5 B 
Ä ’ 2 19 DA TT Á 9 1 33 7 3 4 


Bij het vermelden dezer lengtebepalingen moet ik nog opmer- 
ken, dat niet één persoon van bijzondere lengte of wel van eene 
zelden voorkomende kleinte aan dit onderzoek onderworpen is. 

Het blijkt uit deze waarnemingen duidelijk, dat er geen ver- 
schil in statuur bestaat tusschen personen der meer gegoede volks- 
klasse, die een zittend leven leiden, en hen, die, tot de heffe 
des volks behoorende, door den arbeid hunner handen hun 
brood moeten verdienen. Bij de vrouwen heb ik deze omstan- 
digheid nief zoo duidelijk kunnen doen uitkomen, daar de maat- 
schappelijke instellingen mij belet hebben om mijne waarnemingen 
tot voorwerpen van den meer gegoeden stand uit te strekken. 


ä P. 
| 


| 
| 
| 
| 


657 


Maar ik meen met regt te kunnen besluiten, dat de gemiddelde 
grootte der in publieke huizen wonende meisjes en vrouwen, 
overeen zal komen met die van de tot den meer gegoeden en 
voornamen stand behoorende. Ook bij deze is eene meerdere 
ontwikkeling in lengte en omvang des ligchaams, het gevolg 
van beter voedsel en van eenen matigen levensregel: en wan- 
neer dit dan op de lengte bijna geen bepaald verschil tus- 
schen: de hoogere en lage standen doet onderkennen, bijna 
altijd kan het uit den meerderen omvang, dien het ligchaam 
der meer gegoeden aanneemt, blijken. 

Dit hebbende doen vooraf gaan, meen ik geregtigd te zijn 
om aan te nemen, dat de gemiddelde iigchaamsgrootte der 
Japansche mannen 5 voet 1—2 duim, en die der vrouwen Á 
voet Η3 duim bedraagt. Wilde men mij tegenwerpen, dat hef 
niet mogelijk is om uit de gemiddelde lengte der bewoners van 
Nangasakki, eene strandplaats aan het zuidelijkste gedeelte van 
het Japansche rijk, dat zich van 29°—41° n. breedte uitstrekt, ook 
die der zoover verwijderde in andere streken wonende Japa- 
nezen af te leiden, die, onder een ander klimaat verkeerende, ook 
andere voortbrengselen van den grond benuttigen, in één woord 
ook eene andere levenswijze zullen volgen, dan behoef ik 
hierop slechts te antwoorden, dat toen ik zelf van Nangasakkt 
naar Jedo, alzoo % gedeelte van het Japansche rijk in de lengte 
doortrekkende, heb gereisd, ik dikwijls genoeg in de gelegen- 
heid ben geweest om, niet zonder eenige bevreemding, op te 
merken, hoe weinig in ligchaamsgrootte de bewoners van de. 
meest verwijderde landschappen met elkander verschilden, en 
hoezeer zij in hun phijsisch voorkomen met elkander overeen- 
kwamen. Ik heb zelfs niet één eenig verschil op kunnen merken 
tusschen kustbewoners, die van de vischvangst en de scheep- 
vaart leven, en de landlieden uit de binnenlanden van Kiusiu. 
en Nippon. Ten slotte wil ik nog aanmerken, dat, in welk ge- 
west van Japan ik ook in aanraking ben geweest met, hetzij 
personen van den hoogsten rang, of van den meer of min ge- 


goeden burgerstand, of van de laagste volksklasse, ik niet dan 


zeer zelden en als eene groote uitzondering, een’ Japanees heb 


655 


ontmoet, die mij in lengte evenaarde, ofschoon mijne ligchaams- 
maat niet meer dan & voet en 4—5 duim bedraagt. 

De Japanees heeft over het algemeen eene gemiddelde, ofschoon 
nog al slanke gestalte: zijn ligchaamsbouw is eerder krachtig 
dan zwak, doch wegens de later: te vermelden onevenredig- 
heden van sommige zijner ligchaamsdeelen, in den regel niet 
schoon te noemen. Men treft onder de Japanezen noch de welge- 
bouwde, rijzige, krachtvolleen toch slanke gestalten van Noord- 
Europa aan, noch den teederen, slanken en bevalligen ligchaams- 
bouw der Hindoes, der Maleijers en der Polynesiërs. Hun 
veelal te groot hoofd is niet zelden ongemeen diep tusschen de 
schouders geplaatst: de borstkas is gewelfd, ruim en goed ge- 
bouwd; daarentegen vermindert het ligchaam slechts weinig in 
omvang nabij de heupen, terwijl de buik of te veel vooruit 
steekt, of wel integendeel te veel invalt en naar de ruggegraat 
toe ingedrongen is. 

Daar de armsten der arbeidende volksklasse in de warmste 
zomermaanden, op eenen smallen band na, die hunne schaam- 
deelen moet bedekken, geheel naakt gaan, heeft men bij hen 
ruimschoots gelegenheid om de ligchaamsgestalte in alle deelen na 
te kunnen gaan. Mij is toen bijna zonder uitzondering in het 
oog gevallen, dat de romp des ligchaams ongeevenredigd lang is, 
in vergelijking der onderste ledematen, als ook, dat de dij ge- 
woonlijk veel langer dan het been is. Bij gekleede personen 
kan men deze eigenaardigheden niet zoo goed waarnemen. 

Hunne armen en beenen zijn veelal dun en slank, zijnde de 
spieren slechts middelmatig ontwikkeld. Zelfs bij personen die 
zwaren handenarbeid moeten verrigten, zooals smeden, steenhou- 
wers enz. liggen de spieren der armen op lange na zoo duidelijk 
niet bloot als dat bij Europeanen, in dezelfde omstandigheden ver- 
keerende, het geval is. Dikke buiken, even als vetheid in het 
algemeen , ontmoet men zelden bij de Japanezen. Hunne dijen zijn 
veelal naar buiten gebogen en de beenen naar achteren Eene 
opmerkelijk sterke ontwikkeling van het dijbeen en van het scheen- 
been alsook der knieschijf, geeft het kniegewricht een dik mis- 
vormd voorkomen. Hunne handen en voeten zijn in den regel 


659 


klein, en de eerste zeer dikwijls uitermate schoon gevormd. 

Beschouwt men het hoofd der Japanezen, zoo kan men zoo- 
wel uit de vooruitstekende beenderen des aangezigts als uit die 
welke de schedelholte omvatten, duidelijk de zoo zeer verbrei- 
de tijpe van het Turaansche ras, het door BrumenBacH eenig- 
zins anders beschrevene Mongoolsche ras, herkennen. 

Het eigenaardige dezer vormen vertoont zich vooral daar- 
in, dat de omtrekken der genoemde deelen van Japansche schedels 
dan eens meer afgeplat, dan eens scherper en als tot hoeken 
omgebogen voorkomen, dan dit bij Europesche schedels het 
geval is, waar dezelijnen zachter en glooijender zamenloopen 
en bijna alle tot bogen van betrekkelijk groote cirkels terug- 
gebragt kunnen worden. Ziet men een’ Japanees van voren, 
dan kan men in den vorm van het aangezigt, gemakkelijk de 
meer of minder duidelijke figuur van een trapezium herken- 
nen, of wel het zich voorstellen als gevormd te zijn door 
twee met hunne bases aan elkander rakende driehoeken. De 
grondvlakzijden dezer driehoeken zijn dan gelegen in de grootste 
breedte-doorsnede van het aangezigt, en stellen de verbindings- 
lijn tusschen de sterk vooruitstekende wangbeenderen voor. 
Van hier af vermindert de breedte van het aangezigt, niet al- 
leen naar de kin, maar ook naar boven toe, terwijl de zijvlak- 
ken van den schedel van voren en aan de slapen te zamen- 
gedrukt zijn. Alzoo is het voorhoofdsgedeelte van het voorhoofds- 
been weinig gewelfd en loopt als een schuinsch vlak naar achte- 
ren en boven toe, ofschoon de voorhoofdsknobbels niet zel- 
den bij de Japanezen bijzonder ontwikkeld zijn. De breede gla- 
bella is weinig diep en de wenkbraauwbogen komen alzoo wei- 
nig uit. 

Het voorhoofd is meestal laag, ofschoon men oppervlakkig juist 
het tegenovergestelde zoude meenen, daar de mannen steeds hef 
voorste gedeelte van het hoofd hebben kaal geschoren. Het 
achterhoofdsbeen is even als het voorhoofdsbeen gevormd. Het 


_ _achterhoofdsgedeelte van dit been, vooral aan gene zijde van 


den uitwendigen knobbel van het achterhoofd, is ook niet zoo ge- 
welfd, en zijne bovenste randen (margines lambdoïdeae) steken 


660 


ook meer achterwaarts naar boven uit, dan dit bij Europesche 
schedels het geval is. Ook de schedelbeenderen hebben niet dien 
regelmatigen vorm, welke bij de laatstgenoemden. waargenomen 
wordt. De voorste tweederde gedeelten van dit been zijn ook 
stomper en schainscher achterwaarts naar boven toeloopende, ter- 
wijl het andere derde gedeelte, veel meer gebogen zijnde, zich 
aan den naastbij gelegenen rand van het achterhoofdsbeen aan- 
sluit. De dus gevormde schedelbeenderen zijn oorzaak dat, als 
het hoofd regtop gehouden wordt, het schedelpunt meer dan 
dit bij Kuropesche vormen het gevalis, naar achteren valt, en 
tevens dat het bovenste gedeelte van het achterhoofd eenigzins 
puntig naar achteren toe uitloopt. Men kan het best dezen alge- 
meen voorkomenden ‚ het hoofd zoo ontsierenden vorm, bij de 
geheel kaal geschoren hoofden der boeddhapriesters waarnemen. 

Wanneer men de aangezigtsbeenderen nader beschouwt, 
dan zal men al dadelijk kunnen zien, dat de wang- of jukbeen- 
deren oorzaak zijn , waarom de gelaatstrekken der Japanezen 
iets zoo eigenaardigs vertoonen. Deze beenderen zelve zijn, 
zoowel als hunne vooruitstekende gedeelten, veel meer ont- 
wikkeld dan bij de Europeanen. Maar nog meer wijkt de vorm 
van den gewonen Europeschen af, door dien de processus 
temporalis en processus maxillaris regthoekig op elkander 


staan, zoodanig, dat het hoekpunt genoegzaam in het sterk 


vooruitspringende middelste gedeelte van dit been gelegen is. 
Tevens verbinden zich het voorhoofdsuitsteeksel met het jukbeens- 
uitsteeksel van hef voorhoofdsbeen niet in eene kromme lijn, 
zooals bij Europesche hoofden het geval is, maar in eenen 
stompen vooruitspringenden hoek. 

Daardoor, en voornamelijk door den reeds beschreven’ vorm 
der wangbeenderen, schijnt het Japansche gezigt van voren ge- 
zien, platgedrukt en tusschen platte vlakken ingesloten:te zijn. 
Ook nemen de aangezigten zelfs van goed doorvoede personen, 
wanneer zij slechts de eerste jeugd voorbij zijn, een in het 
oogloopend ingevallen en mager aanzien aan. Maar voor een 
‚deel moet ook de eigenaardige aangezigtsvorm van de Japane- 
zen toegeschreven worden aan de oogholten en aan het been- 


661 


achtig uitsteeksel van den neus. De oogholten zijn naar achteren 
toe minder diep, en naderen elkander aan de binnenwanden min- 
der digt dan bij de Europeanen. Dit is deels een gevolg der 
mindere, welving van het ondervlak van het oogholtegedeel- 
te van het voorhoofdsbeen, deels veroorzaakt door dat de pa- 
piervormige plaatjes van het zeef been naar achteren toe zich meer 
van elkander verwijderen, ofschoon zij reeds aan hunne voor- 
ste randen verder van elkander afstaan. Door de geringe 
holte van dit bovenste vlak der oogholten, puilt ook de bo- 
venste rand minder sterk uit: ook hangt van de groote zij- 
delingsche doorsnede van het zeef been de vorm van het neus- 
‚_ uitsteeksel af. Reeds is de wortel van het neusvlak aan het 
voorhoofd breed en ingedrukt of weinig uitpuilend, en alzoo 
| zijn ook de neusbeenderen, daar waar deze aanvangt, breed 
en plat. Dikwijls is de rug van den neus, van den wortel 
tot aan het uiteinde, een weinig binnenwaarts gekromd. 
\ Ziet men alzoo een Japansch gelaat van ter zijde, dan steekt 
meestal slechts het onderste derde gedeelte van den neus, voor. 
_ de door de wangen en uitpuilende wangbeenderen gevormde 
_ sterk gekromde lijn uit. Evenwel heb ik zelden bij Japanezen 
zulke bijzonder platgedrukte neuzen aangetroffen als dikwijls 
bij de inboorlingen van den Soendaschen Archipel voorkomen, 


bij welke alleen het puntje van den neus voor de aangezigts- 
vlakte uitsteekt, en bij welke men meenen zoude, dat het gansche 
overige gedeelte door ozaena vergaan is. Integendeel, dik 
\ Wijls ziet men neuzen, die men goed gevormd, ja zelfs sterk 
Ni ontwikkeld zou kunnen noemen , indien het bovenste gedeelte 
aan den wortel maar niet zoo plat en breed ware. 

Ik besluit deze opmerkingen, voornamelijk over het been- 
8 stelsel handelende, met de mededeeling, dat de tandkas- 
4 randen van het bovenkaaksbeen sterker ontwikkeld zijn en 
Li ook meer scheef naar voren toeloopen dan bij Europeanen, als- 
if mede, dat het grondvlak van het onderkaaksbeen zich in eenen 
meer naar eenen regten naderenden hoek met den achtersten 
rand van den tak van dit been vereenigt. 

___De tanden zijn wit, sterk, blijven langen tijd in eenen ge- 


662 


zonden toestand, zijn echter in het oogvallend groot, een 
weinig vooruitstekende en niet zeer digt bijeen geplaatst (fl). 

Uit de hier beschrevene vormen der beenderen van het hoofd 
der Japanezen. kan blijken, dat de vorm van hun gelaat 
zoowel van den Europeschen, als van alle andere, die wij ge- 
woon zijn als tijpen van menschelijke schoonheid te erkennen, 
in zeer vele opzigten afwijkt. En evenwel ontmoet men toch 
dikwijls in Japan, onder alle standen en bij beiderlei kunne, 
personen , die op een aangenaam ja schoon uiterlijk aanspraak 
kunnen maken. Dit nu is niet alleen het geval bij dezulken, 
welker gelaatstrekken en afmetingen naar de Europesche over- 
hellen , maar ook bij hen, bij welke de Turaansche grondvorm 
het ondubbelzinnigst en scherpst voorkomt. Somtijds toch 
schijnen de kantige of puntige beenderen, vooral in de 
jeugd, door het gevormde spierweefsel als afgerond, en blijven 
dus de vooruitspringende vormen verborgen. Reeds vroeger 
echter is aangehaald, dat gewoonlijk de gezigten der Japanezen 
reeds op eenen jeugdigen leeftijd in het oog loopend mager zijn. 

Bij mijne aankomst in Japan werd ik aangenaam verrast 
door de schranderheid, het ligchamelijk welvaren, de vrolijkheid 
en goedhartigheid, die bijna op alle gezigten te lezen stonden. En 
van de waarheid van dit aangevoerde kan men zich ligt over- 
tuigen, wanneer men het oog slaat op de door den heer G. 
pe VirLENEUVE zoo uitmuntend geteekende portretten van Japan- 


(1) Een’ dergelijken vorm der tanden ontmoet men op de eilanden in 
den Indischen Oceaan, als bijna altijd eigen zijnde aan afstammelingen van 
Europesche vaders, gewonnen bij moeders van het Maleische ras. Men 
vindt deze lange, witte, een weinig vooruitstekende en door betrekkelijk 
groote tusschenruimten van elkander verwijderde tanden, die gewoonlijk 
bij het spreken of lagchen zeer zigtbaar worden, zelfs nog bij personen, welker 
grootmoeder of overgrootmoeder van Javaansch of Maleisch ras waren, 
en gewoonlijk kan men aan dit verschijnsel beter eene inmenging van 
Javaansch of Maleisch bloed onderkennen, dan aan de kleur der haren 
en der huid. Deze opmerking is des te merkwaardiger, omdat bij de tot _ 
het Maleisch-Polynesische ras behoorende volkstammen in den Indischen ® 
Archipel, de hier vermelde tandenvorm volstrekt niet tot de hen ken- 
schetsende eigenaardigheden behoort. 


665 


sche mannen en vrouwen, opgenomen in Von StrBoLp’s „Nip- 
__pon.! Mij zijn geene ethnographische afbeeldingen, bekend, 
bij welke de zoo fijne karakteristieke indrukken tot de gelaat- 
kunde van een vreemd menschenras behoorende, zoo goed we- 
dergegeven zijn, als bij de onderhavige. 

Op gelijke wijze als bij de Europesche volkeren, is ook bij de 
Japanezen, tusschen de grenzen van denzelfden grondvorm (tijpe) 
groote verscheidenheid in gelaatstrekken op te merken. De oor- 
zaak hiervan is stellig gedeeltelijk in de hoogere geestelijke en 
zedelijke vorming te vinden, door welke zij zich zoozeer van 
de overige Aziatische volkeren onderscheiden (f). Over het al- 
gemeen komt de uitdrukking der levendige, geestige en goed- 
hartige Japansche gezigten, veel met die der Europesche overeen. 
Ik ken geen’ volkstam, bij welken eene dergelijke verscheiden- 
heid in vorm en uitdrukking van gelaatstrekken, waargeno- 
men kan worden. 

‚De oogen der Japanezen liggen minder diep en meer in 
_ het vlak des aangezigts dan bij de Kuropeanen. Dit wordt voor- 
namelijk veroorzaakt door de mindere diepte der oogholten, 
doordat de randen dezer oogkassen weinig voor het voorhoofds- 
‚been uitspringen, door de geringe kromming van het oogholte- 
gewelf, maar ook voornamelijk door de afplatting van de 
beide neusbeenderen en van de vereenigingsplaats van den 
neus met het voorhoofd. De oogen zijn gewoonlijk groot 
en uitpuilende, ofschoon zij in de meeste gevallen wegens eenen 
eigenaardigen vorm der oogleden, nader te behandelen, bij- 
‚zonder klein schijnen te zijn. De regenboog is gewoonlijk 


(1) Bij de Chinezen is deze verscheidenheid in gelaatstrekken van enke- 
Di le personen, naar ik vermeen waargenomen te hebben, over het algemeen 
í geringer: in veel minderen graad merkt men dit bij Javanen, Boeginezen, 
bij de inwoners van Madura en andere volkstammen van den Indischen 
Archipel op, van welke ik groote vereenigingen van personen heb bijge- 
__woond, die allen zoowel wat betreft den vorm als de uitdrukking van het gelaat 
bijzonder veel op elkander geleken. Bij de bewoners der Oostkust van 
_ Sumatra evenwel is deze verscheidenheid in gelaatstrekken weder meer 


“in het oogloopend. 


664 
zwart: slechts zeer zelden zag ik eene bruine iris, eenmaal 
eene graauwe, en nooit eene blaauwe. De openingen der 
oogleden zijn gewoonlijk zeer klein en schijnen sehuins van, 
den neus af naar de slapen toe te loopen. De oorzaak van dit 
bedriegelijk verschijnsel moet gezocht worden in den bijzon- 
deren vorm van het bovenste ooglid (zooals Von Stegorp in 
zijne verhandeling over het scheefstaan der oogen der Japa- 
nezen, Nippon Il pag 3 enz., te regt aanmerkt), die ook 
bij andere, tot den Maleischen stam behoorende volken, 
aangetroffen wordt. De huid van dit ooglid vormt eene 
plooi, die iets meer naar buiten boven den buitensten oog- 
hoek eenen aanvang neemt. Deze plooi verliest zich in 
de rigting van den kraakbeenrand, zonder altijd evenwij- 
dig met hem te loopen. Hoe meer deze plooi den binnen- 
sten ooghoek nadert, des te verhevener en meer gespannen 
vertoont zij zich, en nadert dan ook meer de ooglidranden. 
In de nabijheid van den binnensten ooghoek, loopt zij in 
eenen boog over dezen heen, in -de gedaante van eenen 
sterk gespannen f, à 2 strepen breeden band, en eindigt 
in de huid nabij het neusuitsteeksel van het bovenksaakbeen. 
Älzoo bedekt zij gewoonlijk ten eenenmale èn den bovensten 
ooghoek, èn de daarondergelegene traanwerktuigen. Slaat men 
het ooglid op, zoo wordt het kraakbeen van het ooglid ach- 
ter deze plooi geschoven. Bij menschen, bij welke deze 
plooi uitermate sterk ontwikkeld is, en bij welke zij te- 
Vens evenwijdig en nabij de oogleden loopt, bedekt zij, wan- 
neer het oog opengehouden wordt, niet alleen den geheelen — 
kraakbeenrand van het ooglid, maar daarenboven nog de helft f 
van de lengte der wimpers. Wanneer dan daarenboven de ope- 
ning door het ooglid daargesteld zeer klein is, dan vertoont | 


zich deze opening als in eene horizontale, niet schuins naar bo- 
ven toeloopende rigting, geplaatst te zijn. Dit laatste neemt men ä 
vooral waar, wanneer die niet zoo sterk ontwikkelde plooi 
wat verder van den kraakbeenrand verwijderd is, en ook niet 
_ evenwijdig aan hem loopt, maar eerst nabij den binnensten ï 
ooghoek hem nadert. Dan wordt, wanneer de oogen op-_ 


665 


‘geslagen worden, het nabij den binnensten ooghoek gelegene 
gedeelte van het kraakbeen door de genoemde plooi bedekt, 
terwijl deze dan in de nabijheid van den uitersten ooghoek 
vrij en zonder dat de kraakbeenrand door eene daaroverhan- 
gende huidplooi bedekt wordt, naar boven kan geheven wor- 
den. Het is duidelijk, dat de ooglidopening (als dit plaats vindt) 
aan haar binnenste einde schijnbaar lager dan aan het uiterste 
einde gelegen moet zijn. Alzoo is opgehelderd hetgeen zoo dik- 
wijls besproken is, en het eerst door den heer Von Stemorp in 
zijnen waren toestand is voorgesteld, namelijk het meer of 
minder in het oogloopend scheefstaan der oogen der Japane- 
zen en der Chinezen, en moet dit alzoo alleen toegeschreven 
worden aan de grootere of mindere ontwikkeling der genoemde 
uidplooi, en hare meerdere of mindere evenwijdige rigting met 
den kraakbeenrand van het bovenste ooglid. | 
Deze huidplooi is het meest ontwikkeld bij kinderen, bij jon- 
gelingen en bij jonge meisjes en vrouwen, en vooral bij per- 
sonen, die een vol vleezig aangezigt hebben. Bij deze neemt men 
ook de kleinste ooglidopeningen waar, terwijl bij personen 
op eenen meer gevorderden leeftijd, en voornamelijk bij man- 
nen, grootere openingen der oogleden en meer uitpuilende 
rollende oogbollen vrij algemeen zijn. Daar nu deze huidplooi 
den binnensten ooghoek bedekt, vermeerdert zij nog in schijn, 
den reeds door de breede binnenste en buitenste neusbeende- 
ren veroorzaakten grooteren afstand, die de beide oogholten van 
elkander scheidt. Eindelijk moet hier nog opgemerkt worden , dat 
in vele gevallen eene kleine plooi zich aan het onderste oog- 
lid vertoont, als ware deze evenals de bovengenoemde huid- 
plooi van het bovenste ooglid gevormd. 
De wenkbraauwen zijn niet in die regelmatige evenwijdig met 
de bovenste oogkuilranden loopende kromme lijn ingeplant, 
als bij Europeanen plaats heeft, maar loopen van den wortel van 
den neus naar boven en naar buiten toe, in eene meer met eene 
regle lijn overeenkomende rigting. Ook deze omstandigheid brengt 


men. Maar deze vorm der wenkbraauwen is maar in een 


666 


zeer enkel geval als de natuurlijke en oorspronkelijke aan te 
nemen, daar hij meestal door de Japanezen zelve veroor- 
zaakt wordt. Immers van hunne prilste jeugd af aan, wordt 
door hen het scheermes volgens een vast aangenomen stelsel aan- 
gewend , opdat namelijk hunne wenkbraauwen den vorm van 
eene dunne zoo regt mogelijke streep, welker rigting naar boven 
en buiten toe uitloopende is, zouden aannemen. Daar om dit te 
bereiken, de geheele onderste helft der wenkbraauwhaartjes gesta- 
dig afgeschoren moet worden, wijken deze ten laatste ge- 
heel van hunnen natuurlijken vorm en plaatsing op de oog= 
lidsranden af ,‚ terwijl zij zich verder en verder naar boven 
toe uitstrekken. En hieraan, in verband gebragt met de dik- 
wijls zoo uiterst naauwe oogopeningen, zoodat soms het bo- 
venste ooglid niet verder opgeligt kan worden, dan eene ligte 
graad van blepharoptosis dit toelaat, is bij jonge menschen van 
beiderlei kunne, de in het oogloopende niet enkel schijnbare 
groote tusschenruimte tusschen de wenkbraauwen en de kraak- 
beenranden van de bovenste oogleden toe te schrijven. 

De kleur der huid kan niet in één woord uitgedrukt wor- 
den , daar hierin bij de Japanezen zeer merkbare persoonlijke 
verschillen bestaan. Ik heb eenige Japanezen gezien, die even 
donkerbruin roodachtig van vel waren, als de donkerste ge- 
kleurde Maleische volkeren b. v. als de bewoners van de bin- 
nenlanden van Java; daarentegen heb ik vrouwen ontmoet, die 
zoo blank als de Hollandsche waren. Deze mededeelingen zijn 
niet overdreven, maar op onmiddellijk onderzoek en waarne- 
ming gegrond, Alle tusschen deze beide uitersten in liggende 
schakeringen van kleur der huid ontmoet men dan eens meer 
dikwijls dan eens zeldzamer. Over het algemeen is de kleur der 
Japanezen, in verschillende schakeringen, tusschen licht en don- 
ker in, bruingeel te noemen, eene tint die tusschen de kleur 
van door de zon verbrande Europeanen en het koloriet der 
Chinezen inligt. Bij dit laatste volk, welks kleur veelal met die 
van rogge of gedroogde erwten kan vergeleken worden, komt 
het geel als grondkleur zeer sterk uit, maar bij de Japanezen 
komt deze gele kleur, vooral in het aangezigt, door roodach- 


í 


667 


tige en zwartachtige tinten als gedekt, minder voor, en daardoor 

nadert hun koloriet het Europesche. 

Terwijl bij Europeanen het aangezigt gewoonlijk donkerder 

gekleurd is dan de andere ligchaamsdeelen, merkt men bij 

Japanezen zeer dikwijls het tegenovergestelde op. Vooral kan 

men zich hiervan gemakkelijk bij vrouwen overtuigen: ook hare 

jn den regel schoon gevormde handen zijn witter van kleur 

dan de overige ligchaamsdeelen. 

In het algemeen is de kleur van de Japansche aangezigten 

frisch en bloeijend. Blozende koonen, die van eene bloeijende 

gezondheid getuigen, treft men bij kinderen en vooral bij jon- 

gelieden van beiderlei kunne aan, en dat zelfs zeer dikwijls in 

het zuidelijkste gedeelte van het keizerrijk. Gewoonlijk zijn de 

vrouwen ligter gekleurd dan de mannen: de meest gegoeden 

en voornaamsten zijn het blankste, daar zij zich het minst in de 
open lucht ophouden of aan zonneschijn blootstellen. De land- 

bouwers en de kustbewoners, die zich voornamelijk met de visch- 

vangst geneeren, zijn bruiner gekleurd dan de stedelingen ; maar 
dat de bewoners der zuidelijkste landschappen op Kiusiu, zooals 
onder anderen die van Satsuma, donkerder gekleurd zouden zijn 
dan die van de meer noordelijke streken van het eiland Nippon, 

dit heb ik niet kunnen waarnemen. Zelfs heb ik mij dikwijls ver- 
wonderd, dat er hierin geen onderscheid op te merken is, als 
men de groote uitgestrektheid in geographische breedte van het 
Japansche rijk in aanmerking neemt. De donkerst gekleurde 
Japanezen, die ik aangetroffen heb, hielden zich op deels op 
eenige kleine, aan de monding der baai van Nagasakki gelegen 
silanden, of woonden deels in Kavasakki, een vlek, eenige wei- 
| ige mijlen van Jedo verwijderd. 

Zoo min als eene langere ligchaamsgestalte en eene naau- 
were toenadering in aangezigts- en schedelvorm tot den edelen 
Europeschen grondvorm, uitsluitend aan de hoogere en hoog- 
ste klassen in Japan eigen zouden zijn, even zoo min staat dit 
net eene lichtere kleur der huid in verband. Te Jedo, in het 
keizerlijke paleis, ben ik in de gelegenheid geweest, honderde 
orsten en andere rijksgrooten zeer van nabij te beschouwen: 


Bij eenigen onder hen, vooral jongere lieden, trof mij de 


668 


ligte kleur der huid, de fijne vol uitdrukking zijnde echter 
zwakheid verradende en afgeleefde of verlepte aangezigtstrek- 
ken, en de kwijnende slanke ligchaamsbouw. Hen en de zoo over- 
drevene sierlijkheid en lenigheid van hunne uit ligte zijden stof- 
fen vervaardigde statiekleeding aanschouwende, kon ik leven- 
dig in mijne gedachten terug roepen die menigte voorname 
jonge lieden, die zich in Kuropa ’s hoofdsteden ophouden, en 
wier eenige dagelijksche bezigheid daarin bestaat, dat zij trach- 
ten om hun uiterlijk voorkomen eene uitdrukking van vrou- 
welijke teederheid en fijnheid te geven. Maar de anderen, 
en verre weg de meesten, geleken wat hunne gestalte, vorm 
en kleur der aangezigten betrof, geheel op lieden uit den mid- 
del- en burgerstand (beambten, tolken der Faktorij, kooplie- 
den enz.) dus op die lieden, met welke wij op Desima het 
meest in aanraking komen. i 

De keizer zelf onderscheidt zich door. eene donkere zwart- 
achtig gele gelaatskleur. De vorm van zijn aangezigt doet zeer 
duidelijk den grondvorm van het Turaansche ras erkennen. Ál- 
leen door de meer vrije en edele houding van het ligchaam, 
kan men over het algemeen in Japan, zooals ook overal in al-_ 
le andere landen, de meer voorname klassen der bevolking 
van de mindere onderscheiden. x 

Daar.de Japanezen veelvuldig pomade en oliën, waarbij meest 
al kleurende bestanddeelen gemengd zijn, gebruiken, zoo ver- 
krijgt hun haar hierdoor schijnbaar eenen helder zwarten 
glans. Ik zeg in schijn, want bij een nader onderzoek kan blij 4 
ken, dat de natuurlijke kleur van hun haar even zoo dikwijls 
donkerbruin, soms meer of minder naar het blonde trekkende 
is, dan zwart. Dit kan men het best bij kinderen opmerken, 
ook bij landlieden, en bij menschen uit de laagste volksklasse, 
in één woord, bij die personen, welke minder zorg aan hum 
haar besteden en de kleur van het haar alzoo niet door kunste 
middeltjes wijzigen. Als ik hier over bruin haar bij de Japa- 
nezen spreek, merke men op, dat ik niet het zwarte door de 
inwerking van de zonnestralen dikwijls zoo rood geworde- 
ne haar, zooals dat van sommige menschen bedoel, die 
hun haar soms zeer verwaarloozen en het dikwijls aan de 


669 


inwerking van het weder, als regen en anderzins blootstellen. 
_ Hetgeen ik hieromtrent zeer dikwijls bij vrouwen, tot de land- 
bouwende volksklasse in de binnenlanden van Java behoorende 
waargenomen heb, geldt ook, onder gelijke omstandigheden in 
Japan en in alle andere landen, waar men personen aantreft, 
die zonder eenige tegenspraak zwart haar hebben. Dikwijls 
| gaat bij de Japanezen bruin naar het blonde trekkende haar, 
__met eene lichtere gelaatskleur met eene roodachtige tint, en met 
‚ meer regelmatige aangezigts- en schedelvormen vergezeld.” Dit 
onderscheid in kleur van haar is geheel persoonlijk, want men 
| treft zoowel bruin als zwart haar even dikwijls in de noor- 
delijke streken van Nippon en in de diepste binnenlanden aan, 
_ als in het zuiden van Kiusiu en langs het zeestrand. Ligt blond 
haar is mij slechts zeer zelden voorgekomen, en rood haar slechts 
2 of drie malen. 8 

__Het hoofdhaar is dik, glad, maar groeit ook bij de vrouwen 
Á niet zoo lang als het veelal in Europa en bij de Maleische en 
K: Javaansche vrouwen aangetroffen wordt. 

| De bijzondere wijze der Japanezen van het hoofdhaar te dragen , 
_ waarbij hetgeheele hoofd, uitgezonderd het achterhoofd, wordt 
_ kaal geschoren, en het overblijvende haar door middel van kle- 
E verige pomaden in eene korte naar voren gerigte, op de ver- 
4 bindingsplaats der schedelbeenderen rustende vlecht zamenge- 
__vlochten wordt, doet hun haar minder en dunner schijnen, 
dan dit werkelijk het geval is. Kroes haar ziet men maar zeer 
_ zelden; misschien wordt in vele gevallen de kroesige krul door 
‚ de bijzondere en kunstmatige wijze van het haar te dragen ver- 
borgen. In allen gevalle is kroes haar aan de zuidkust van Kiu- 
__siu even zoo zelden, als in alle andere meer naar het noor- 
_ den of in de binnenlanden gelegen oorden des rijks. Al- 
zoo zijn mijne naauwkeurige met alle mogelijke zorg opgetee- 
_ kende waarnemingen lijnregt- strijdig met het gevoelen van den 
À heer Von SirBorp als hij in zijn werk getiteld „ Nippon” deel f 
_ pag. 16 aanvoert: „dass man aus den Gesichtszügen’, dem Kör- 
| i: „perbau, dem krausen Haare und einer dunklern Hautfarbe, die 
_ _„hocheinzelnen Bewohnern der südlichen und südöstlichen Kus- 
„ten von Japan eigen seien, auf eine Gemeinschaft schliessen 


670 


„dürfe, die mit ähntichen Volksstämmen als die Urbewohner der 
„ Philippinen und Carolinen, ja selbst mit den Alfuren des süd- 
„licheren Australiën stattgefunden habe. | 

Op deze opmerking van den heer Von Sizporp is gegrond de 
alzoo vergeefelijke dwaling, die de anders zoo schrandere en ge- 
leerde PricnarD in zijne „ Naturgeschichte des Menschenge- 
schlechts,” Duitsche vertaling deel Ill pag. 507, begaat als hij 
„aanvoert: dass noch heutigen Tages, wilde, den Papua’s und 
„Alfuren verwandte, von den übrigen civilisirten Bewohnern 
„getrennte, eigene barbarische Dialecte redende Volkstämme , 

E in Japan beständen.” 

Het is moeijelijk om over den groei van den baard bij de 
Japanezen bij den eersten oogopslag een oordeel uit te spreken, 
daar, èn uit gewoonte èn uit reinheid, de mannen van alle klas- _ 
sen, uitgenomen de Mikado en de hoogst geplaatste personen _ 
die hem gewoonlijk omringen, dagelijks het scheermes gebrui- 
‚ken. Over het algemeen geloof ik geregtigd te zijn om den 
groei van den baard sterk te noemen , daar ik mij hiervan dik- 
wijls bij zieken, menschen die in diepen rouw gedompeld 
waren enz. overtuigd heb. In het paleis van een’ der rijks- | 
grooten te Jedo zag ik twee bejaarde mannen , welker grijze baar- 
den tot op de borst nederhingen: zelfs treft men niet zelden _ 
bij jonge vrouwen eenig fijn digt dons , boven de bovenlip aan, * 
en heb ik onder anderen gezien, dateen zestienjarig meisje dit a 
dons wegscheerde., í 

Op de andere ligchaamsdeelen groeit bij de Japanezen in het È 
algemeen minder haar dan zelfs bij de blonde volkstammen van — 
het Noordelijke Kuropa het geval is: evenwel heb ik lieden 
ontmoet, welker borsten armen zeer behaard waren. Ook ko- kj 
men hier, even als in Europa, zwaar met haar begroeide ligcha- d 
men gewoonlijk met zwart hoofdhaar, en eene meer donkere met 5 
weinig rood vermengde gelaatskleur voor. D 

Over de Japansche vrouwen handelende, noem ik in È 
de eerste plaats den bijna zonder uitzondering voorkomenden 
leelijken vorm der borsten. Terwijl toch bij goed gevormde _ 
Europesche vrouwen deze ligchaamsdeelen op twee, door de 
groote borstspieren met breede grondvlakken vast bevestigde 


671 


halve globen gelijken, wier doorsnede van het grondvlak 
grooter dan de hoogte is, en wier assen evenwijdig met 
een horizontaal vlak van doorsnede van het ligchaam naar vo- 
ren toe uiteenloopen, zijn de borsten der Japansche vrou- 
wen in het oogloopend lang en aan het grondvlak smal en 
ingedrongen. Hare assen zijn aan elkander evenwijdig en ma- 
ken met het horizontale vlak van doorsnede eenen meer of min 
stompen hoek. Bij jonge en ongerepte maagden hellen dik- 
wijls de nog weinig ontwikkelde borsten reeds duidelijk- naar _ 
onderen over, en zoodra eene vrouw slechts één kind gezogen 
heeft, hangen reeds de borsten als meer of minder stijf gevulde 
zakken aan de oppervlakte van het ligchaam neder. De hoofd- 
oorzaak van dit verschijnsel is de meer langwerpige vorm der 
borstklieren en hun dun omkleedsel van vet en celweefsel. 
Terwijl hierdoor bij Europesche vrouwen, bij het naderen aan 
‚eenen gemiddelden leeftijd, de boezem zich vult en verheft, zoo 
blijft bij Japansche vrouwen, zelfs bij die, welkezeer ontwikkel- 
de borsten hebben, de ruimte tusschen ze laag, vlak en 
_ ongevuld. Bij mannen kan men zelfs soms bijzonder slappe en 
 nederhangende borsten opmerken. De tepels schijnen mij bij 
_ Japansche vrouwen over het algemeen toe grooter te zijn dan bij 
_ Europesche: deze zoowel als de tepelranden zijn steeds donker 
en zwartachtig gekleurd. Ten slotte zij nog opgemerkt, dat 
bij de Japansche vrouwen in zeer groote mate die eigenschap 
| waargenomen wordt, welke door Brumensacu (De generis humani 
 varietate nativa edit. 3 Gotting. 1795 pag 241), aan de- vrou- 
„wen van eenige Mongoolsche en Amerikaausche volkstammen 
toegekend wordt: „quod arcta servent muliebria, etiamsi nup- 
» tae fuerint, imo pepererint' ' k 
Hierdoor onderscheiden zij zich op eene zeer bijzondere wij- 
ze van de anders zoo kleine, ranke en teeder gebouwde Javaan- 
sche en Maleische vrouwen. 

De vergelijking van deze, in alle opzigten ware en naar 
‚de natuur getrouw gevolgde, beschrijving van een der merk- 
_waardigste takken van den uitgebreiden Turaanschen volkstam, 
met hetgeen door zoovele en kundige waarnemers over andere 
gedeelten van dit zoo wijd verbreide menschenras is mede- 
Re UL bi 


672 


gedeeld, laat ik aan mijne lezers over, terwijl zij dan tevens 
over hunne overeenkomst kunnen oordeelen. Hiertoe zal ik 
slechts van twee beschrijvingen gewagen, die, in verschil- 
lende tijden, van volkstamimmen vervaardigd zijn, welke op ee- | 
nen zeer grooten geographischen afstand van de Japanezen 
verwijderd waren, en toch eene treffende gelijkenis daarmede 
doen uitkomen. 

De eerste dezer beschrijvingen vindt men in eenen brief sde 
horribili vastatione inhumanae gentis, quam Tartaros vocant” 
van: Yvo, een’ geestelijke uit Narbonne, gedagteekend van hef 
jaar 1243, van uit Weenen aan den aartsbisschop van Bor- 
deaux gerigt, welke brief door den Engelschen monnik Mar- 
THAEUS Paris in zijne „Historia Major,” edit. Londen 1686 folio 
publiek gemaakt wordt. 

BruuenBacu deelt in zijn werk ,,de varietate generis humani’ 
9, edit. III pag. 305 dezelater zoo beroemd geworden aanhaling 
‚„mede, dus luidende. ,,Habent autem Tartari pectora du- 
‚‚ra et robusta, facies maceras et pallidas, scapulas rigi-’ 
‚das et erectas, nares distortos et breves, menta proëmi- 
„„nentia et acuta, superiorem mandibulam humilem et pro- 
‚„fundam, dentes longas et raras, palpebras a crinibus usque 
‚ad nasum protensas, oculos inconstantes et nigros, adspec- 
„tus obliquos et torvos, extremitates ossosas et nervosas, cru- 
‚ra quoque grossa sed tibias breviores, statura tamen nobis 
„aequales ; quod enim in tibiis deficit, In superiori corpore 
‚‚ compensatur.”’ 

Met deze „ Tartari „zijn echter de Mongoolsche strijdbenden 
van Baror, eenen kleinzoon van DscuinciscHaN bedoeld, die 
tegen de bondstroepen van verscheidene Duitsche en Sarmati- 
sche vorsten twee jaren vroeger (den 9Îden April 241) den 
vermaarden veldslag in de vlakte van Wahlstalt bij Liegnitz 
geleverd hebben, in welk gevecht Hexpuk pe Vrome, her- 
tog van Silezië, den heldendood stierf. 

De andere door mij ter raadpleging bedoelde beschrijving is 
die van Parras „Neue nordische Beiträge”, waarin zeer uit- 
voerig over de Kalmukken gehandeld wordt. 


REIS Dd 


NAAR, EN AANTEEKENINGEN BETREFFENDE DE 


STEENKOLEN VAN BATOE BELIAN 
(ZUID-OOSTKUST VAN BORNEO), 


DOOR 


C. MW. SCHUW ANER, 


In leven Lid der Natuurkundige kommissie in Nederlandsch Indië; 
bewerkt door 


Dr. J. MH. CROOCKEWIETE Miz. 


Den Ssten December des jaars 1846 was alles in gereedheid 
gebragt, om een uitstapje naar Batoe Belian te maken. De hooge 
waterstand in de rivier deed mij de hoop koesteren, dat ik met 
mijne groote praauw de plaats mijner bestemming zoude kun- 
_ nen bereiken. Evenwel liet ik bij voorbaat eene djoekoeng (2) 
| gereed maken, die ik zoude noodig hebben, als mijne onder- 
stelling niet bevestigd werd, en vertrok met deze beide vaar- 


(1) Dit stuk, gevonden in de nagelaten geschriften van C. M. ScHwa- 
_ NER, is door het Gouvernement goedgunstig aan de Vereeniging ter pu- 
_ blicering afgestaan. 


(2) Klein praauwtje, gevormd uit eenen uitgeholden boomstam. 


674 


tuigen den volgenden morgen ten 7, ure van Bândjarmasin. 
Ofschoon een sterke tegenstroom het opvaren bemoeijelijkte, en 
ik daarenboven nog wel een vol uur te Dongan moest vertoe- 
ven, kwam ik toch reeds ten 2 ure in den namiddag te Mar- 
tapoera aan. Ik had dus alle reden om over de Dajahsche roei- 
jers tevreden te zijn. Weinige veranderingen heb ik op dit tra- 
jekt, sedert mijne vorige reis, op kunnen merken: het scheen 
mij echter toe, dat sedert dien tijd verscheidene huisgezinnen 
zich nabij de Antassan (Î) Benoea, niet ver van Bandjarmasin, 
met der woon hadden nedergezet, hetgeen niet weinig tot de 
verlevendiging der anders zoo doodsche, onbewoonde oevers 
der rivier bijbrengt. 

De djoekoeng, met de voor het voorgestelde onderzoek benoo- 
digd geachte gereedschappen, mij niet hebbende kunnen bijhou- 
den , zoo besloot ik die hier in te wachten , zoodat ik den nacht 
op Martapoera bleef doorbrengen. Het water in de rivier blijft 
redelijk hoog: de daarin zich bevindende rotsblokken voor 
den kraton des sulthans, alsmede voor het residentiehuis, zijn 
geheel onder water bedolven, zoodat men minder bezwaarlijk 
dan in het tegenovergestelde geval langs ze heen kan sturen. 

Te Martapoera is alles juist zoo gebleven, als ik het vroeger 
verlaten had. Slechts maakte het residentiehuis en zijne omstreken 
eenen akeligen indruk op mij, door de doodsche stilte die hier 
thans heerschte: bij mijn vroeger bezoek toch mogt ik het hier 
het gezellig verkeer met de familie van den zoo algemeen ge- 
achten resident genieten. 

Het niet noodig achtende om den sulthan in persoon een be- 
zoek te brengen, gaf ik hem slechts van mijne aankomst ken- 
nis. 

Om 6 ure des morgens vertrok ik den volgenden dag van 
Martapoera, en kwam na ongeveer Î2 uren roeijens nabij Soen- 
gei-Raja aan. Ofschoon mij op dezen togt geene bijzondere weder- 
waardigheden overkomen zijn, maakte de hooge waterstand _ 


(1) Een gegraven kanaal, dat eene bogt der rivier afsnijdt. 


, 


675 


het varen toch gevaarlijk, daar hierdoor vele in de rivier ver- 
spreidde rotsmassa’s onzigtbaar waren, en alzoo bezwaarlijk 
konden vermeden worden. Een lage waterstand is daarom in 
dit opzigt te verkiezen, dewijl men, het gevaar kunnende over- 
zien, alzoo ook gewoonlijk voorzigtiger is. Behalve deze hier 
en daar aangetroffen wordende rotsblokken, welke onder ande- 
ren in menigte even beneden Lokh-Tjantoeng voorkomen, beletten 
sommige midden in de rivier op elkander gestapelde en in el- 
kander verwarde boomstammen , alsmede eenige watervallen na- 
bij Mataraman, eenen veiligen doortogt. Dewijl echter deze rot- 
sen uit een’ weinig harden kalksteen bestaan, zal het ver- 
wijderen er van niet met groote moeijelijkheden gepaard zijn (f). 
De oorzaak, waarom de hooge oevers, in alle de bogten der 
rivier zoo in het oog vallend uitgespoeld zijn, schijnt mij niet 
zoozeer daaraan te moeten worden toegeschreven, dat de grond 
aldaar door het stroomende water als ondermijnd wordt, zoo- 
dat wanneer alsdan het evenwigt verbroken is, de geheele massa, 
haar steunpunt verloren hebbende, zich op eens in de rivier stort, 
als wel aan de duidelijk waar ‘te nemen omstandigheid, dat het 
water langzaam eene onderste laag wegspoelt, waardoor eene 
opvolgende verzakking plaats heeft, ’t welk ten gevolge heeft, dat 
de oppervlakte van den oever nabij eene kronkeling, een op- 
volgend glooijend heuvelachtig voorkomen heeft, zoodat het 
water tof op eene zekeren afstand van de bedding der rivier, op 
den oever zijnen invloed uitoefent. Dikwijls neemt men 3 à4 of 
meerdere zulke verzakkingen waar, van welke de laatste eerst 
na een ruim tijdsverloop, geheel door de rivier verzwolgen 
zal zijn. Ik roeide heden ook voorbij eene kampong Pakandja- 
ti (2) genaamd, waar dien dag veel drukte heerschte, daar het 
juist marktdag was: vruchten, groenten, siri, kains en andere 


(1) Men verneemt dat dit op de meest noodzakelijke plaatsen ook reeds 
geschied is, zijnde den gezaghebber der oostkust van Borneo H. voN DE 


te bewerkstelligen. 
(2) Het woord pakan beteekent marktplaats. 


676 


lijnwaden waren de voornaamste artikelen, die te koop aan- 
geboden weden. 

Den 1fden December vertrok ik ten 7 ure naar Batoe Belian, 
alwaar ik, ofschoon langzaam voortroeijende, tegen 11 ure in den 
middag aankwam. De diepte van het vaarwater in de rivier 
heb ik dezen dag van af Soengei- Raja tot hier opgenomen , en 
alhoewel deze aan veelvuldige veranderingen onderhevig is, 
waren mijne waarnemingen toch toereikende, om deswege een 
goed resultaat te kunnen verkrijgen. De vermelding dezer ge- 
peilde diepten, volgt hieronder. 


…_ Opname omtrent den loop en de diepte der Soengei 
Batoe api tusschen de kampongs Soengei 
Raja en Batoe Belian. 


o ot 5 
Sal 2 
DE zm z Kampongs en Soengeis. Aanmerkingen. 
2. af 5 © Leal 
5e 8 = 
BOE Zn 5e 1° (vadem).} Kampong Soengei Ra-| Op den linker oever be- 


jaaan beide oevers derfstaatdekampongslechts 

rivier. uit eenige huizen, zijnde 

het grootste gedeelte 

5’ (Voet). van de kampong op den 
regter oever gelegen. 


ZvO.t,0./-2 55 


(1) In eene minuut roeïijjens zijn volgens berekening gemiddeld 50 — 60 
Ned. ellen afgelegd, 

(2) Wanneer men in eene zekere gepeilde rigting een niet al te lang 
of wel al te kort eind wegs aflegde, heeft men in zulk eene rigting 
slechts 3 malen met het lood gepeild als: eens bij den aanvang, eens 
in het midden en dan op het einde: het gemiddelde dezer uitkomsten zal 
dan als de gemiddelde diepte van die rigting der rivier kunnen aange- 
nomen worden, Liep derivier in eene zelfde rigting een geruim eind wegs, 
zoo heeft men op gelijke afstanden gepeild, waaruit dan ook weder eene 
gemiddelde kon opgemaakt worden. 


677 


oo 
Rond 
5 Kampongs en Soengeis. Aanmerkingen. 
A 


Minuten 
roeijens 


Keb] 
3 àl 
ei 
sd 
au 
B 


O.t.Z. 6 5’ Na 2 minuten roeijens 
aan den linker oever ee- 


ger ne kleine beek. 
ba’ 
O.t.N. 2 In 
jie, 
N.0. zikje EEE 
21 
‚oor 
0.Z.0O. 3 1927 Hier eindigt de kamp. 
jo op den regter oever. 
O.t.N. 5 Lo 
1e 
O.t. Z. 9 ue 
ke bi 
go 
Oo. 22 er’ 
keur Op den linker oever 


vele rotsen. 


Ten halver wege dezer 
ie rigting eene rij heuvels 
strekkende van N.N.0. 

he naar 2.4. W. 


Oo. 12 5/ Na 3 minuten roeïjens 
ue eene beek links. 


ZO. 3 51 Eene beek regts. 


REEL ON 10  J4L’ Halverwege deze rig- 
ting op den regter oever 
eene kleine kampong 


Re Bedong bedara ge- 
‚jnoemd. 
52’ 
2.2.0. 1 5 
5’ 
Z. 5 3’ 
Kee Regter oever eene klei- 
ne beek. 


54 Op den regter oever 
een met alang alang 
begroeide heuvel. 


678 


keb] , Le w 
en Es 2 
E) 8 2 > &' Kampongs en Soengeis. Aanmerkingen. 
0 em Sie @) 
or |an 
Z.W.t.Z.f 6 eed Op den linker oever ee- 
ne kleine kampong, Ba- 
toe bagong. 
ber, 
BBN 12 5 
5e! 
Pi 
kon 
Ze 2 he 
EN 


2.2.0. 5 is 
Op de helft dezer rig- 


3’ ting de moeielijk te 
passeren rotsen, Batoe 
3’ Malang geheeten. 
Je 
ZO. 2 bel 
O.N.O 5 4 
9” 
N.0. We 
O0, A 
5 
ZO: 12 vor Regter oever eene beek 
cd 
Bl. Weerdt 4! 
ne 
0.4.0. | 
O.t.N. 2 DES 
158% 
0.2.0. 3 Lon’ 
ile dl 
Ots 5 Ee Regter oever eene beek 
Jer’ 
Z.0.t.0.f 7 ie Linker oever eene beek 
5! 
Z.Z.0. 1 3’ 
47 
Le Nid od Di 
1 
Z.0. 5 Ie „Linkeroevereenebeek| Boven de monding van 
dit riviertje eene zand- 
bank. 
4! 
O.t.z. 3 1987 
N.NBOS nii 142 Linker oever eene beek 
N. 7 Leer 
1e 


7 Halfweg deze rigting 
op den linker oever de 
kampong Amoniapon. 


Ee 
D 
je) 
SG 


679 


es em ee mm nd 


o 
mnd 
5 Kampongs en Soengeis. Aanmerkingen. 
A 


Gepeilde 
rigting. 
Minuten 
roeijens. 


Van het begin dezer 
rigting tot op eenen af- 
stand van 300 ellen ee- 
ne droogte, op welke de 

5/ medegedeelde geringe 
diepte werd gepeild. 


14 Le Na 4 minuten de klei- 
ne kamp. Batoe belian 
Le aan beide oevers. 
4” 
5 4 Aan het einde dezer 


rigting de monding der 
S. Amoniapon ketjil. | 
4 47 Regts en links eenige} Van hieruit gezien lig- 
huizen. gen de beide heuvels, 
welke de kloof scheids 
iathet 20: Or op de 
L Eng. mijl afstands. 


Le De rivier loopt verder 
O.t.N. 

___Te Amoniapon, waar ik langs kwam, vond ik tot mijn leed- 

wezen het kampongshoofd niet te huis, hetgeen ook te Batoe 

Belian het geval was. Ik twijfelde geenszins of dit was overlegd 

en door den rijksbestierder bevolen, opdat mij de gelegenheid 

zoude ontnomen zijn om nadere inlichtingen omtrent de steen- 


te mogen achterwege laten, wegens het veelzijdig belang, dat deze aan- 
teekeningen daardoor verkrijgen. Uit het geschrift zelf ook blijkt het on- 
dubbelzinnig, hoe noodzakelijk het 4s, om van de ligging en de trans- 


680 


waar de steenkolen aangetroffen worden nog wel herinnerde, 

miste ik toch gevoelig iemand, die met de omstreken genoeg- 

zaam bekend was, om mij omtrent de namen van bergen en 

rivieren, de ligging der kampongs en den loop der vertakkingen 
van de Soengei Batoe api (fl) de noodige inlichtingen te geven. 

Voorzeker meende de rijksbestierder door deze handelwijze te 

beletten, dat ik met zijn land en zijne schatten nader bekend 

zoude worden; maar hij kon hierdoor niet beletten, dat ik 

toch mijn plan ten uitvoer bragt, alhoewel in mijne naspo- 

ringen hierdoor wel bemoeijelijkt wordende. 

Het water sedert gisteren avond steeds vallende zijnde, wa- 
ren heden op mijnen togt vele anders verborgen klippen en 
zandbanken zigtbaar. De menigte aangespoelde boomstammen, 
die zich in het midden der rivier vastgezet hebben vermeer-_ 
derden de hinderpalen, reeds door de steenen daargesteld. 
Wat deze steenen betreft, heb ik heden twee plaatsen op- 
gemerkt, die voornamelijk voor afkomende praauwen gevaar- 
lijk zijn, daar deze door den stroom medegesleept , noch zoo 
gemakkelijk noch zoo spoedig als opvarende kunnen bestuurd 
worden. De benedenste plaats heet met hare steenen Batoe 
Bahalang (2). Ofschoon hier nabij den regteroever een goede 
doorvaart is, maken de meer aan de andere zijde in de rivier gele- 8 
gene rotsen deze gevaarlijk, doordat de sterke stroom, hier f 
nog door eene kronkeling vermeerderd, regt op ze aanloopt, d 
door ze gebroken wordt en daardoor tegen den regteroever 
der rivier met geweld stuit. Afkomende praauwen kunnen dus 
ligtelijk, wanneer de stuurman hier niet op voorbereid is, door 
den stroom medegesleept en op de rotsen of tegen den oever 
verbrijzeld worden. De andere door mij als gevaarlijk ll 
melde plaats, is even beneden Batoe Belian gelegen; hier isk 
het een groot aantal over de geheele breedte der rivier verspreid 
liggende kalkrotsen, tusschen welke de hevige stroom even zoo= 
vele draaikolken alsmede even sterke stroomen in onderschoi 


aat 
(1) De naam der rivier is Riam-Kiwa. De naam van Soengei Batoe _ 


50 A bt 8 Ki 
api is aan haar zeer eigendunkelijk door de Europeanen gegeven. 


(2) Bahalang beteekent in de Bandjarsche taal „ overdwars.” E 


681 


dene rigtingen doet ontstaan, zoodat de praauwen hier dikwijls 
naar plaatsen worden medegevoerd, waar ze, geenen doortogt 
vindende, op de rotsen moeten vergaan. Op beide deze plaat- 
sen echter bestaan deze steenen niet uit uitgestrekte vaste rots- 
massa’s, zoodat het opruimen er van en het daarstellen van 
een geschikt vaarwater niet met te groote moeijelijkheden zal ge- 
paard gaan. Mogt deze rivier tot een’ geregelden afvoer van - 
steenkolen bestemd worden, dan zal het volstrekt noodzake- 
lijk zijn, dat er bepalingen gemaakt worden, die de inlan- 
| ders bij het aanleggen van ladangs (hooge rijstvelden) aan ha- 
„re boorden verbieden, om de boomen langs de rivier groeijende 
zoodanig te kappen, dat zij, in haar vallende, de vaart kun- 
nen belemmeren , iets waarop thans nog geen acht wordt ge- 
‘slagen. Immers voor elke nieuw aangelegde ladang vindt men 
thans hierdoor in de rivier geheele dammen van boomen ge- 
vormd, welke voor een deel bij eenen hoogeren waterstand 
„weder vlot wordende, op andere plaatsen worden nedergelegd 
4 of wel zinken, daar de meeste harde houtsoorten, die hier aan- 
getroffen worden, soortelijk zwaarder dan water zijn, of wel 
zulks worden na van het water doortrokken te zijn. Alzoo ge- 
_zonken zijnde geven zij door hunne takken en wortels aanleiding 
tot nieuwe aanslibbingen van zand en steenen, zoodat het niet 
zelden voorkomt, dat door deze oorzaak soms een eilandje of 
uitgestrekte zandbanken gevormd zijn. 

Het huis te Batoe Belian alzoo verlaten aangetroffen hebben- 
de, terwijl daarenboven niemand, die met de landstreek be- 
kend was, zich bij mij voegde, was ik wel genoodzaakt om 
de wandeling naar den Goenong Garoem en de in diens na- 
bijheid gevonden wordende steenkolenlagen, alleen te onder- 
nemen, geleid wordende door hetgeen ik mij van mijne vroe- 
gere reis daarheen herinnerde. 

Deze Goenong Garoem ligt ten zuid-oosten van Batoe Belian 
_enalzoo begaf ik mij in die rigting, gevolgd door mijne Dajahs, 
_voorzien van de benoodigde gereedschappen tot het verzamelen 
van steenkolen. In genoemde rigting legde ik 630 Ned. 
„el langs den linkeroever der rivier af‚ waarna het smalle 
voetpad zich ten oost-zuidoosten wendde. Nu vertoonde de Goe- 
_ 


ie 
B 


eed 


 % 


682 


nong Garoem zich als eene, van n. n. o. naar z. z. w. zich! 
uitstrekkende lage heuvelrij, geheel met alang-alang begroeid. 
Duidelijk kan men 6 toppen of liever bergruggen onderscheiden. 

In het n. n. o. worden deze heuvels door eene diepe kloof 
van eenen laatsten gescheiden, die iets hooger is, en tot de 
halve hoogte met boomgewas begroeid is, door welke kloof 
een zijtak der Soengei Batoe api, Soengei Amoniapon ketjil 
geheeten, zich kronkelt. Hierdoor laat de geologische gesteld- 
heid van den Goenong Api tot den heuvelketen Goenong Garoem 
behoorende, en ook van den afgescheiden hoogeren heuvel, 
wiens naam mij onbekend is, zich gemakkelijk onderscheiden. 
Hier is het waar de steenkolenlaag bloot komt. 

Ten westen van deze heuvelketen ligt eene zacht golvende bij- 
na effene vlakte uitgespreid, welke zich tot aan de Soengei Batoe 
api uitstrekt. Zij is geheel met alang-alang begroeid. Evenwel 
ontdekt men eenig verspreid laag kreupelhout, dat door zijn 
donker groen loof, het eentoonige licht geel groene alang-_ 
alang veld aangenaam schakeert en het geheel in een liefelijk 
oord herschept. Aan de andere (oostelijke) zijde van deze | 
heuvels bevindt zich eene dergelijke vlakte, die zich in die 


Ze 


rigting een vijftal engelsche mijlen ver uitstrekt, en begrensd 
wordt door eene hooge bergketen Goenong Babaris genaamd, 
welke in de rigting van n. tot z. loopt; deze bergketen be=_ 
paalt het prachtige uitzigt, dat men van de toppen der heuvels 
van den Goenong Garoem geniet. Deze vlakte heet bij de 
inlanders tanah rata. —_ 

Op het bovengenoemde smalle pad 180 Ned. ellen afgelegd 
hebbende, vertoonde zich de middelste heuvel van den Goes 
nong Garoem in het z. o. t. o.. De meergenoemde kloof lag 
oostwaarts en de afgescheidene met boomen begroeide heuvel | 
o. n. o.: daar de rivier hier eene oostelijke rigting aanneem of 
verliet ik haren oever bij het vervolgen van mijnen weg, die 
ook bij het naderen der heuvels glooijend werd. Deze weg 
liep o. z. o. 360 el, daarop z. o. 90 el, en nu had ik den 
_ top van den Goenong Api tot op %, gedeelte na bereikt, 
en ging n. 0. tot o. op, regt op de kloof af,‚ die ik, cone 
steile helling afdalende, na 180 el afgelegden weg bereikte. Ei 


a. En 


685 


Bijgaand profiel toont het voorkomen der steenkolen aan (f) 
jn deze kloof, op de plaats waar ik ze bereikte, aan den 
regteroever van het riviertje. Daar dit hier juist eene noord- 
westelijke rigting aanneemt, is de natuurlijke doorsnede der 
‘Jagen bijna loodregt op hunne rigting, daar deze zich met 
eene inklinatie van 50° à 60° naar het n. n. w. uitstrekken. 
De geologische opmerkingen, tot welke de lagen hier aanleiding 
kunnen geven, komen geheel overeen met hetgeen bij de 
steenkolenlagen te Riam, die thans ontgonnen worden, waar- 
genomen is. Even als daar, zijn zij ook hier in eene zandsteen- 
formatie ingesloten. De zandsteen is, of wit, of geel, dikwijls 
kleiachtig en van eenen groven korrel, soms veel ijzeroxyde 
bevattende. De kleilagen, welke in de meeste gevallen, de 
steenkolenlagen scheiden, zijn zeer verschillend van kleur, veelal 
een fijn leiachtig voorkomen aannemende. In deze klei wordt. 
veel ijzer, soms tot een kongregaat gevormd, waargenomen. 
Ik hebalzoo 6 verschillende steenkolenlagen kunnen ontdek- 
ken, wier kolen van eene voortreffelijke hoedanigheid moeten zijn. 
Een enkele laag kolen is leiachtig: de andere, meestal de 
agtigste, bestaan uit een zeer vaste schitterend zwarte kool; 
de rigting van deze is n.n. w. naar z. z. o., en het kan volstrekt 
niet twijfelachtig zijn of de Goenong Garoemis voor een groot 
gedeelte uit deze lagen te zamengesteld, en de lagen behooren 
tot eene vrij oude formatie. Ook is het mij gebleken, dat de 
kolen van Assahan en van Djoentong identisch met de boven 
omschrevene zijn, zoodat dit terrein voorzeker niet armer aan 
deze hooggeschatte brandstof zal wezen dan het bekken van 
Riam. Zelfs zoude ik geneigd zijn deze plaats ter ontginning 
boven Riam te verkiezen, daar hier de hoeveelheid voor trans- 


(1) Op dit profiel stellen de cijfers het volgende voor als: 

1. Steenkolen, zijnde er 6 lagen. 

_ IL. Zandsteen met veel ijzer. 

MI. Zandsteen met kleilagen en ijzer. 

MIV. Vaste, geel - bruinachtige kleilagen, die op sommige plaatsen een’ 
k é kleiachtigen zandsteen vormen en veel ijzer bevatten. 

SV. Leiachtige met zand vermengde kleilagen. 


kj, - VI. Leiachtige grijze kleilagen. 


684 


port geschikte kolen grooter dan elders moet zijn; immers 
vele lagen te Riam bestaan uit de zoogenaamde „Blatterkohle”’ 
welke onzuiverder is dan de hier gevondene, daarenboven meer 
zwavelijzer bevat, en zeer ligt tot gruis wordt, waardoor men 
ze in het algemeen in het gebruik minder acht. 

De ligging dezer ter ontginning geschikte kolenlagen, is on- 
eindig voordeeliger dan die van Riam. Er zijn slechts weinige, 
en in vergelijking der te verkrijgene voordeelen niets beduiden- 
de uitgaven, welke op eenige plaatsen noodzakelijk zullen zijn, 
om een vaarwater daar te stellen, dat ten alle tijde de ge-= 
schiktheid aanbiedt om de verkregen steenkolen even spoedig 
als zeker te vervoeren. Verder zal men door het opwerpen 
van een jaag-of trekpad, waartoe het terrein aan den oever 
. zich bijzonder goed eigent, dus zonder vele kosten, het opva-_ 
ren der transportpraauwen kunnen vergemakkelijken en be-_ 
spoedigen, zullende alsdan van Bandjarmasin naar Batoe Belian — 
de reis slechts 2 à 2!/, dag behoeven te duren, en stroomaf-_ 
waarts gaande f à fY, dag. ; 

Ook voor de gezondheid van het personeel heeft Batoe Beli- 
an stellig boven Riam veel voor. Hier toch is het land- 8 
schap vriendelijk met een ruim uitzigt, niet ingesloten door 
met bosschen overdekte heuvels, hetgeen eenen vrijen doorvoer 
van lucht over de alang-alang toelaat. De bosschen zijn hier 
reeds sedert honderde jaren uitgeroeid en door alang-alang- 
velden vervangen. De grond heeft dus genoegzaam tijd gehad ú 
om zich van rottende organische overblijfselen te zuiveren, 
welker gisting, zooals bij nieuw gekapte bosschen het geval 
is, tot de vorming van zoovele aan de gezondheid zoo nadeeli= 
ge gassen aanleiding geeft. De diamantputten, die te Ria Lu 
en op alle andere plaatsen waar men ze aantreft ook zoo veld 
oorzaken van ongezondheid zijn, worden in de omstreken van 
Batoe Belian te vergeefs gezocht. Alle welke redenen er 
toe bijbrengen, om deze plaats als gezonder dan Riam te be-_ 
schouwen, iets wat misschien voor een deel reeds praktisch 
_ kan blijken uit de grootere bevolking, die deze streken bewoont. 
Alles toch ademt hier leven: de bosschen op eenigen afstand 
gelegen wemelen van vogels van allerlei aard: op de alang-alang 


1 
ed 
” 
e 
ty 


685 


velden ontmoet men soms troepen hertebeesten van 5— 10 
stuks; de rivier levert overvloed van gezonden smakelijken visch 
op; eindelijk, de grond is voortreffelijk geschikt tot bebouwing en 
aankweeking van velerhande soorten van vruchtboomen. Hier al- 
zoo is men in de gelegenheid om zich genoegens te verschaf- 
fen, die niet anders dan eenen gunstigen invloed op de ge- 
gezondheid en gemoedsgesteldheid der bewoners dezer streken 
moeten uitoefenen. Alle deze omstandigheden mist men te 
_ Riam, waar de natuur het treffendste beeld van eenzaamheid en 
verlatenheid schijnt daar te stellen. 

Neemt men alle deze omstandigheden te zamen, voornamelijk 
‚de vrij goede kommunikatie tusschen Batoe Belian en Bandjar- 
masin in het oog houdende, dan zal met mij toegestemd wor- 
den, dat het van het grootste belang voor het gouvernement 
js, dat de ontginning van steenkolen van Riam, aan welke 
plaats zulke bittere herinneringen verbonden zijn, naar Batoe 
‚ Belian overgebragt worde. Mogt men hiertoe echter niet on- 
_ middellijk willen overgaan, dan zoude het niet ondoelmatig 
_ geacht kunnen worden, om op beide plaatsen te gelijk te ont- 
ginnen, opdat men de voorspelde voor-en nadeelen. proefon- 
__dervindelijk leere kennen, waarna alsdan bepaald kunne wor- 
den, welke plaats te verkiezen is, of welke van beide plaat- 
sen de meeste voordeelen zal opleveren. 

Nog dienzelfden avond, na eenen genoegzamen voorraad van 
steenkolen tot het nemen van proeven verzameld te hebben, 
keerde ik terug, zakte de rivier Batoe Api tot aan de kampong 
_ Soengei Raja af, en overnachtte in de woning van den pan- 
_geran Mouammep, zoo als ik gewoon was, wanneer ik hier moest 
verblijven. 

Op den 12den December in den morgenstond van kampong 
| _Soengei Raja vertrokken, kwam ik tegen fl ure te Martapoera 
| en des avonds ten 6 ure te Bandjarmasin aan. Het was een 
Hi zeer regenachtige stormachtige dag, hetgeen de reis minder 
aangenaam maakte; ook was het water in de rivier zeer ge- 
_ vallen, zoodat mijne praauw te Mataraman en ook voor de 
k bazaar te Martapoera in hare vaart op de blinde klippen ge- 
|: slooten heeft, hetgeen noodlottig had kunnen worden. Geluk- 


686 
kiger was ik bij het voorbijroeijen der steenen, in de rivier gele- 
gen tusschen Martapoera en Tambamania. Toen toch had ik 
het voordeel , om de praauwen van den sulthan, die juist van bo- 
ven kwam, en wiens roeijers den juisten weg zoo zeker ken- 
nen, te kunnen volgen. De sulthan heeft toen hij mij herken- 
de, dadel!jk zijne praauw doen stil houden, en mij allervrien- 
delijkst toegesproken. Met belangstelling vernam hij naar 
mijne gezondheid en drukte levendig zijn leedwezen uit over 
mijn zoo gehaast vertrek naar Bandjarmasin. Zijne geel ge- 
schilderde praauw was met kleine vlaggen van allerlei kleu- 
ren als het ware overdekt; voor op stonden verscheidene lans- 
dragers. De sulthan zelf zat ín het midden der praauw en 
was op ware sulthanswijze van een aantal overschoone meisjes 


omgeven. 


De ontginning der steenkolen van Batoe Belian zal, wanneer 
daartoe wordt overgegaan, op dezelfde wijze en naar dezelfde 
regels moeten geschieden, als dit thans op Riam plaats heeft. Im- 
mers de geologische omstandigheden zijn dezelfde; ook hier 
worden de kolen in een laag gelegen terrein aangetroffen, en 
kunnen dus niet door het vervaardigen van gaanderijen alleen 
worden verkregen. In het hangende der magtigste kolenlaag 
moet eene put van 50 tot 60 voet diepte worden gegraven, van 
welke uit eene gaanderij (galerie de traverse) naar het z. 0. 
moet aangelegd worden, door welke de andere kolenlagen 
doorsneden zullen worden. De bewerking zal zich alzoo tot 4 
elke kolenlaag afzonderlijk verder uitstrekken, zoodanig, dat 
alle kolenlagen op dezelfde wijze, namelijk volgens de zooge- — 
naamde „methode des piliers,” ontgonnen zullen worden. Gaat — 
dit werk eenmaal geregeld en is het behoorlijk ingerigt, dan — 
zullen de mijnen van Batoe Belian eene bijna onnoemelijke | 
massa steenkolen kunnen opleveren, die in ruime mate elke _ 
vraag daarnaar zal kunnen voldoen. 

Bij mijne terugkomst te Bandjarmasin hield ik mij bezig met — 
de kwaliteit der medegegebragte steenkolen te onderzoeken. 
De kool is gitzwart, sterk glinsterende, op de breuk- fijnbla- 
derig, nemende sommige kleine stukjes bij het verbrijzelen 


687 


eenen min of meer parallellopipedischen vorm aen. Dat ge- 
3 deelte der laag, hetwelk aan de lucht is blootgesteld geweest 
js grijsachtig-zwart van kleur en mat. De kubieke Ned. el 
{ weegt 1262,62 Ned. pond. In sommige stukken vindt men 
„zeer. vette harsachtige plekken, die wel iets naar barnsteen 
j gelijken; ook dit merkt men bij de Riamsche kolen somtijds 
| op; het gehalte aan zwavelijzer is echter bij deze veel groo- 
ter dan bij de Batoe- Beliansche. 

‚Eene hoeveelheid van 25 Ned. pond in stukjes van 2 kub. 
ned. duim verdeeld, boven eenig fijn gekapt droog brandend 
hout opgestapeld, ontvlamde zeer spoedig en brandde levendig 
| voort met eene vlam van eene roodachtig gele kleur „ eenen 
grijsachtig gekleurden rook uitstootende. 

De reuk van dezen rook was teerachtig en branderig en deed 
geene andere bestanddeelen, dan die welke eene zuivere steen- 
kool te zamenstellen, onderscheiden; hij deed noch de reuk-, 
noch de ademhalingsorganen onaangenaam of gevoelig aan. 
Wanneer een aan de proef onderworpen stukje kool begon te ont- 
vlammen, scheurde het weldra op onderscheidene plaatsen, 
zonder tot gruis te geraken, hetgeen oorzaak was, dat de bran- 
dende stukken een overal gespleten bloemkoolachtig uiterlijk. 
verkregen. Dit kan de oorzaak zijn, waarom de geheele mas- 
sa kort na de ontvlamming een weinig opwerkt. Kort voor 
de ontvlamming neemt men een knetterend geluid waar; 
veroorzaakt door de zich ontwikkelende waterdampen, waar- 
| door kleine stukjes met geweld worden afgescheurd. Worden 
brandende stukjes kool uit de massa verwijderd, dan blijven 
ze nog geruimen tijd voortbranden, hetwelk een bewijs voor de 
vetheid dezer kool oplevert. De bovengenoemde hoeveelheid 
teenkolen brandde ruim 2 uren met vlam, waarop het gloei- 
jen (ook eene langzame verbranding te noemen) nog eenen ge- 
ruimen tijd aanhield. 

oe De terugblijvende asch is zeer fijn, meelachtig, van eene grijs- 
\ geelachtige, op sommige plaatsen witte kleur. Bij deze proef 
A. srder er geene steenachtige sintels in waargenomen. 

5. Eene andere hoeveelheid steenkool heb ik in eene ijzeren 


retort aan de drooge destillatie onderworpen. Na 25 mi- 


Kn 
A ì 


688 


nuten, toen de retort rood gloeijend was, ontwikkelden zich 4 
witte dampen, te gelijk met eene opmerkelijk groote hoeveel- 
heid teer. Deze dampen aangestoken zijnde, leverden eene prach-_ | 
tige gasverlichting op, die 1 uur en 30 minuten-aanhield. De 
destillatie geeindigd zijnde, liet ik de geheele massa bekoe- 
len en bevond, dat de overgeblevene koakes op de breuk 
eene metaalachtige mat zilvere kleur hadden, dat in de best ge- 
achte gezocht wordt. Zij zijn echter minder poreus dan gewoon- 
lijk gewenscht wordt. Misschien is de te naauwe ruimte in 
welke het destillatie-proces heeft plaats gehad, en het vroeger 
reeds opgemerkte opwerken, hiervan de oorzaak. Ook zijn 
sommige stukken, als of zij aan de kanten gesmolten zijn ge- 
weest, aan elkander gebakken, eene eigenschap die de koakes 
der zoogenaamde „Sinterkohle” kenmerkt, welke koakes echter 
zeer doelmatig in het gebruik zijn. Het valt alzoo niet te be-_ 
twijfelen, dat uit de steenkolen van Batoe Belian eene koake, 
die bij metallurgische processen goede diensten kan bewijzen, Á 


verkregen kan worden. 

Voor ik dif berigt eindig, wil ik nog het volgende mededeelen, — 
hetgeen ik bij de bij mij in dienst zijnde Dajahs opmerkte, toen ik 
aan het destilleren der steenkolen bezig was. Zij toch waren er 
ijverig op uit om eenig afvloeijend teer te verzamelen of van mij 
te verzoeken, en zeiden mij, dat dit eene groote overeenkomst 
had met eene soort van aardolie, minjak tanah, die in hun land 


wordt gevonden en die zij gebruiken als medicijn, zoowel in- als 
uitwendig. Zij verhaalden mij, dat de inwoners van Amontai 
(waar deze kampong ligt konden zij mij slecht aanduiden) dikwijls 
met groote hoeveelheden dezer aardolie in kleine tonnen, elk van 2 
gantangs inhoud, naar hun land komen, en deze voor fi 
de gantang verkoopen. Deze olie is ongetwijfeld afkomstig 
van aldaar gevonden wordende steenkolen, hetzij dat deze 
lagen in brand staan, als wanneer de olie zich in door die zelfde 
ontbranding in den grond ontstane gaten kan vergaderen, het- 
zij dat zij ze aldaar uit steenkolen door destillatie weten te | 
bereiden. In allen gevalle toont het aanwezen van aardolie — 
op die plaats waarschijnlijk het niet ver verwijderd zijn van 
steenkolen aan. Ki 


NIEUWE BIJDRAGE 


TOT DE KENNIS DER 


ICHTHIJOLOGISCHE FAUNA 


VAN 


CERAM. 


DOOR 


Dr. P. BLEEK EN. 


___In de eerste maanden dezes jaars stelde eene verzameling 
visschen van Wahaai mij in de gelegenheid, eene eerste bij- 
‚drage te geven tot de kennis der vischfauna van Ceram, om- 
3 rent welk eiland in dit opzigt nog volstrekte onbekendheid 
bestond. In mijne Bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van de Moluksche eilanden, opgenomen in den derden 
jaargang van het Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch 
Á ndië, deed ik 9L vischsoorten als Ceramsche kennen. Mijn 


vischsoorten voor mij te verzamelen. De soorten van Ceram, 
te Wahaai bijeengebragt. zijn 49 in getal en op weinige uit- 


dere opzigten nog zoo weinig onderzochte eiland. Deze soor- 
ten zijn: 


1, Ambassis interrupta Blkr. 3. Apogon punctulatus Rüpp. 

2 Apogon vittiger Benno. = Apo- 4. » __amblyuropterus Blkr. 

gon melanorbynchos Blkr. 5. Mesoprion Russellii Blkr. = Dia- 
cope notata CV. 


mnd 
_ 


‚ Mesoprion marginatus Blkr. 


Diacope marginata CV. 28 henk ceramensis Blkr. 
y. » _octolineatus Blkr.= Dia- 29. » janthinopterus Blkr. 
cope octolineata CV. 30. _» xanthosoma Blkr. 
8. Helotes sexlineatus CV. 31. » melanosoma Blkr. 
9. Holoeentrum sammara CV. SA p giuris Ham. Buch. 
10. Sillago acuta CV. 83. Eleotris ophicephalus K. v. H. 
11. Polynemus microstoma Blkr. 8 » melanopterus Blkr. 
12. Mulloïdes flavolineatus Blkr. = 35. » melanosoma Blkr. 
Upeneus flavolineatus CV. 86. Antennarius raninus Cant. 


„ Scorpaena aplodactylus Blkr. 


14. Lobotes erate CV. 98. Dascyllus aruanus CV. 

15. Psettus rhombeus CV. 39. Pomacentrus cyanospilos Blkr. 
16. Toxotes jaculator CV. 40. Heliases frenatus CV. = Heliases 
17. Chorinemus toloo CV. lepisurus CV,? Blkr. 

18. Megalaspis Rottleri Blkr. 41. Tautoga melapterus CV. 


19. Carangoïdes citula Blkr. 42. Hemiramphus Buffonis CV. 

20. » gallichthys Blkr. 43. Pellona Hoevenii Blkr. 

21. Caranx ekala CV. 44. Engraulis Grayi Blkr. 

22. Trichiurus haumela CV. 45. Chatoessus nasus CV. 

23. Equula gomorah CV. 46. Rhombus lentiginosus Richards. 


. Amphacaathus dorsalis CV. 
‚. Mugil ceramensis Blìkr. 


‚ Salarias ceramensis Blkr. 


Van deze 49 soorten kwamen slechts 5 voor in de verzameling, 


. Syngnathus gastrotaenia Blkr. 


‚ Gobius puntang Blkr. 


. Pseudochromis fuscus M. Trosch. 


» sumatranus Blkr. 


‚ Triacanthus Nieuhofii Blkr. 


welke ik vroeger van Ceram ontving. Er bevinden zich voorts 8 
daaronder niet minder dan 13 soorten, nieuw voor de we- 
tenschap en welke hier voor het eerst worden beschreven t. w. i 
Apogon amblyuropterus, Ambassis interrupta, Scorpaena aplo- ® 
dactylus, Mugil ceramensis, Salarias ceramensis, Gobius jan- 
thinopterus, Gobius melanosoma, Gobius xanthosoma, Gobius ® 
ceramensis, Eleotris melanopterus, Eleotris melanosoma, Po- 
macentrus cyanospilos en Syngnathus gastrotaenia, terwijl nog = 
meerdere andere soorten nieuw zijn voor de kennis der Morl 
luksche eilanden en nieuw voor mijne verzameling. Het ge- 
heel der mij thans van dit eiland bekende species bedraagt 
thans reeds niet minder dan de 195 hieronder opgenoemde. dd 


1. Apogon viftiger Benn.= Apogon melanorhynchos Blkr. Nat. Tijdschr. 
N. Ind. III p. 256. Ee 


ben 


691 


2. Apogon punctulatus Rúpp. 

3 amblyuropterus Blkr. 

4 » __orbicularis K. v. H. Nat. T. N. Ind. III p. 254. 
5 » ceramensis Blkr, ibid, III p. 256. 

6. » chrysosoma Blkr. ibid. III p. 256. 
7 

8 

Le, 


Ed 


„ Ambassis urotaenia Blkr. ibid. III p. 257. 


rek interrupta Blkr. 
„ Mesoprion Russellii Blkr. = Diacope notata CV. Verh. Bat. Gen. XXI 
Percoïd. 
10. » margirfatus Blkr. — Diacope marginata CV.? Nat. 
Ind. III p. 556. 
11. » octolineatus Blkr. — Diacope octolineata CV. Verh. 


Gen. XXII Perc. 

Rd: » striatus Blkr. ibid. 
MAS.» madras CV. ibid. 

ED bottonensis Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 170. 

15. Therapon servus CV. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. 
__16. Helotes sexlineatus CV. Nat. T. N. Ind. HI p. 174. 
17. Holocentrum sammara CV. ibid. III p. 555. 

18. Sphyraena obtusata CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 
19. Sillago acuta CV. ibid. É 
20. Polynemus microstoma Blkr. Nat. T. N. Ind. H p. 217. 
‚ Upeneus barberinus CV. ibid. II p. 172. 

» barberinoïdes CV, ibid, III p. 262. 


‚ Mulloïdes flavolineatus Blkr, = Upeneus flavolineatus CV 
‚ Dactylopterus orientalis CV. Nat. T.:N. Ind. HI p. 264. 
„ Pteroïs volitans CV. Verh. Bat. Gen. XXII Sclerop. 
EE, brachypterus CV. Nat. T. N. Ind, II p. 265. 

» zebra CV. ibid. III p. 265. 
29. Scorpaena aplodactylus Blkr. 
230.» _ diabolus CV. Nat. T. N. Ind. III p. 266. 
31. Apistus fusco-virens Q.G. ibid. III p. 269. 

B >» dermacanthus Blkr. ibid. III p. 268. 
99. » macracanthus Blkr. ibid. III p. 267. 
34, Synanceia horrida CV. Verh. Bat. Gen. XXII Sclerop. 
BS: » brachio CV. ibid. 
„ Lobotes erate CV, ibid. XXIII Sciaen. 
„ Lethrinus latifrons Rüpp. Nat. T. N. Ind, II p. 220. 
s » xanthotaenia Blkr. ibid. IT p. 176. 

„ Caesio coerulaureus Lac. Verh. Bat. Gen. XXIII Maenoid. 

‚ Gerres abbreviatus Blkr. ibid. N, T. N, Ind. IT p. 103. 


p ‚ Chaetodon virescens CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod., 


‚ Upeneoïdes variegatus CV, Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd, 


TEN. 


Bat. 


he AART Do VAER 


692 


‚ Chaetodon baronessa CV. Nat. T. N. Ind. II p. 239. 
. Platax Blochii CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod. 
. Psettus rhombeus CV. ibid. 

„ Toxotes jaculator CV. ibid. 

. Chorinemus toloo CV. ibid. XXIV Makreelacht. V. 


» sancti Petri CV. ibid. 


‚ Trachinotus Baillonii CV. ibid. 
. Trichiurus haumela CV. ibid. 
‚ Megalaspis Rottleri Blkr. ibid. 
‚ Carangoïdes citula Blkr. ibid. 


» blepharis Blkr. ibid. 
» gallichthys Blkr. ibid. 


„ Caranx ekala CV, ibid. 
. Equula gomorah CV, ibid. 


5) ensifera CV. ibid. 


. Amphacanthus dorsalis CV. ibid. XXIII Teuth. 
. Acanthurus triostegus CV. ibid. 


» melanurus CV. Nat. T. N. Ind. III p. 274. 


. Keris amboinensis Blkr, ibid. III p. 272. 
‚ Mugil ceramensis Blkr. 
, Petroskirtes rhinorhynchos Blkr. Nat. T. N, Ind. III p. 273. 


. Salarias ceramensis Blkr. 


. Gobius phalaena CV. Nat. T. N. Ind. IT p. 244. 


» intertinctus Richards. ibid. III p. 275. 

» puntang Blkr. ibid, II p. 486. 

» janthinopterus Blkr. 

» giuris Ham, Buch. Verh. Bat. Gen. XXII Gobioid. 
» xanthosoma Blkr. 

» melanosoma Blkr. 


» ceramensis Blkr. 


‚ Periophthalmus argentilineatus CV. Nat. T. N, Ind. UI p. 276. 
. Eleotris ophicephalus K. v. H. Verh. Bat. Gen. XXII Gobioïd, 


» melanopterus Blkr. 
» melanosoma Blkr. 


» muràlis QG. Nat. T. N. Ind. III p. 276. 


‚ Antennarius raninus Cant. 


» hispidus Cant. Nat. T. N. Ind. III p. 280. 


. Batrachus diemensis Richards, ibid. III p. 168. 

. Halieutea stellata CV. ibid, IIT p. 279. 

. Fistularia immaculata Commers. ibid. III p. 281. 
. Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. ibid. III p. 282. 


> percula CV. ibid, III p. 287. 


695 


84. Pomacentrus pavo Lacép. ibid. II p. 247. 
85. » chrysopoecilus K. v. H. ibid. II p. 284. 
86. » taeniometopon Blkr. ibid. III p. 285. 
87. » eyanospilos Blkr. 
88. Dascyllus niger Blkr. Verh. Bat. Gen. XXI Kamsch. Labr. 
89. » aruanus CV. Nat. Tijdschr. N. Ind. IJ p. 247. 
90. Heliases frenatus CV,? = Heliases lepisurus CV.? Blkr. 
91. Pseudochromis fuscus Mull. Frosch. 
92. Tautoga melapterus CV. Verh. Bat. Gen. XXIT Gladsch. Labr. 
93. Cheilio hemichrysos CV. Nat. T. N. Ind. II p. 255. 
94. Novacula pentadactyla CV. ibid. IT p. 222. 
95. » _ julioïdes Blkr. ibid. II p. 254. 
. Julis (Halichoeres) elegans K. v. H. ibid. III p. 289. 
AE | » ) interruptus Blkr. ibid. IL p. 252. 
Bel » ) strigiventer Benn. ibid. II p. 251. 
ief » ) kalosoma Blkr. ibid. III p. 289. 
„ Cheilinus ceramensis Blkr. ibid, III p. 290. 
. Callyodon waigiensis CV. ibid. II p. 256. 
‚ Plotosus lineatus CV. Verh. Bat. Gen. XXI Silur. batav. 
. Hemiramphus Buffonis CV. 
‚ Sardinella leiogaster CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. 
‚ Pellona Hoevenii Blkr. ibid. 
‚ Alausa melanurus CV. ibid, 
. Engraulis Grayi Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind. II p. 492. 
» encrasicholoïdes Bìkr. ibid. ibid. III p. 173. 
„ Chatoessus nasus CV. ibid. ibid. II p. 223. 
‚ Saurus trachinus T. Schl. Nat. T., N. Ind. III p. 294. 
„ Rhombus sumatranus Blkr. ibid. IT p. 409. V. Bat. G. XXIV Pleur. 
» lentiginosus Richards. Verh. Bat. Gen. XXIV Pleuron. 
„ Achirus pavoninus Lacép. ibid. 
„ Oxybeles Brandesii Blkr. Nat. T. N. Ind. I p. 276. 
„ Muraena lita Richards. ibid. III p. 294. 
» Richardsonii Blkr. ibid, III p. 296. 
» ceramensis Blkr. ibid. III p. 297. 
» micropterus Blkr. ibid, III p. 298. 
» variegata Richards. ibid, III p. 295. 
_ Tetraödon hypselogeneion Blkr. ibid. III p. 300. 
» kappa Russ. ibid. III p. 301, 
‚ Diodon punctatus Cuv. Verh. Bat. Gen. XXIV Blootk. 
„ Balistes praslinus Lacép. ibid. XXIV Balist. 
» flavomargiaatus Rüpp. ibid. Nat. T. N. Ind. III p. 303. 
Alutarius laevis Cuv. ibid. ibid. III p. 304. 


694 


127. Ostracion cornutus L. Verh. Bat. Gen. XXIV Balist. Ostrac. 
128. » tesserula Cant. Nat. T. N. Ind. III p. 305. 

129. Syngnathus haematopterus Blkr. ibid. II p. 259. E 
150. » gastrotaenia Blkr. 

131. Syngnathoïdes Blochii Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. IF p. 259. 
132. Hippocampus taeniopterus Blkr. ibid. III p. 306. 

183. Pegasus volans L. ibid. III p. 307. 

134. Solenostoma paradoxum Lacép. ibid. III p. 309. | 

185. Chimaera monstrosa L. ibid. III p. 309. 


Vergelijkt men deze lijst met die der 153 thans bekende 
Amboinasche species, voorkomende in mijne Nieuwe Bijdrage 
tot de kennis der ichthyologische fauna van Amboina, en met 
de 84 thans van Banda bekende soorten, dan blijkt de vrij 
groote overeenkomst in de vischfauna dezer drie eilanden, 
zijnde van de 195 Ceramsche soorten reeds 51 ook, hetzij van 
Amboina, hetzij van Banda bekend. Deze overeenkomst zal 
evenwel blijken grooter zijn, wanneer men meer talrijke soor- 
ten van deze eilanden zal kennen. 


jun hets MAMA rt al 


DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE, 


PERCOIDEL. 


| Apogon amblyuropterus Blkr. 


Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 ecirciter in ejus altitudine; capite 834 circiter in longi- 
tudine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 3 circiter in longitu- 
dine capitis; linea rostro-frontali convexiuscula; orbitis ossibusque subor- 
bitalibus edentulis; maxiilis aequalibus dentibus minimis, maxilla superi- 
ore sub oculi margine posteriore desinente; praeoperculo rotundato; ossi- 
bus opercularibus omnibus denticulis nullis conspicuis; squamis lateribus 
20 p. m. in serie lorgitudinali, 8 p. m. in serie transversali; linea late- 
rali singulis squamis tubulis simplicibus notata; dorso subelevato; pinnis 
dorsalibus et anali altitudine subaequalibus, corpore multo humilioribus, 
‚spinosa acuta spina 3° spinis ceteris longiore et crassiore, radiosa et anali 
__obtusis rotundatis; pectoralibus rotundatis, ventralibus acutis et caudali ob- 
__tusa convexa 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore rubro ca- 
pite luteo variegato; capite et corpore sparsim fusco arenatis; pinnis dor- 
ä sali radiosa, pectoralibus, anali caudalique flavis, dorsali et anali vittis 
8 longitudinalibus rubris, eaudali fasciis undulatis transversis 3 rubris; 
ventralibus et dorsali spinosa maxima parte fuscis; iride maculis numero- 
gis parvis nigricantibus. | 

TD 1/9 vel 1/10. P: 2/12. V. 1/5. As 2/7 vel 2/8, C. 1 
vel 19 et lat. brev. 
Habit. Wahai, in mari. 
Longitudo speciminis unici 40///. 


__Aanm. De kleuren van mijn specimen hebben door den 
_wijngeest aanmerkelijk geleden, hoezeer die der vinnen nog 
‚zeer goed herkenbaar zijn. Het ongetand zijn des praeoper- 
kels en het bolle der staartvin doen deze species tot Apogon 
_ punctulatus Rüpp. naderen, maar het operkel mist de groote 
zwarte vlek en bij Apogon punctulatus ontbreekt de bandtee- 


pa 


kening der vinnen, enz. 


696 


Apogon punctulatus Rupp. Neue Wirb. EF. Abyss. F. 
R. M. p. 88 tab. 22 fig. 4. 


Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus longti- 


: 


tudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 84 circiter in longi- 
tudine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 8 circiter in longi- 
tudine capitis; linea rostro-frontali concaviuscula; orbitis ossibusque sub- 
orbitalibus edentulis; maxillis dentibas minimis, maxilla superiore inferi- 
ore breviore paulo post oculum desinente; praeoperculo rotundato; ossibus 
opercularibus omnibus denticulis nullis conspicuis; squamis lateribus 20 
p. m. in serie longitudinali, 7 vel 8 in serie transversali; linea laterali 
simplice?; pinna dorsali spinosa dorsali radiosa paulo humiliore spina 3* 
spinis ceteris longiore et crassiore, dorsali radiosa et anali altitudine sub- 
aequalibus, corpore humilioribus, obtusis, rotundatis; pectoralibus rotun- 
datis 4, ventralibus acutis et caudali obtusa convexa 5 eirciter in longi- 
tudine corporis; colore corpore viridi fusco arenato; pinnis fuscescentibus, 
caudali profundiore; operculo macula magna rotunda nigra flavo cineta. 

BD 71/8 "B. 2/10, WAT TA. 2/8: OE U GLENN 

Synon. Apogon variegatus Valence. Nouv. Ann. d. Mus. Ip. 55? 

Apogon auritus CV. Poiss. VII p. 332? 

Habit. Wahai, in mari. 

Longitudo speciminis unicì 27'//. 

Aanm. Mijn specimen, in niet te besten toestand van be- 
waring, is nog aanmerkelijk kleiner dan het door den heer 
Rürperu afgebeelde. De zijlijn en de gele operkelstreepjes kan 
ik er niet waarnemen. De groote zwarte operkelvlek, de ge- 
daante der vinnen en de getallen der vinstralen doen er ech- 
ter gemakkelijk Apogon punctulatus Rüpp. in herkennen, niet- 


tegenstaande het ligchaam ranker is dan dat vàn het Rüppel- 
sche specimen. 


ÁÂmbassis onterrupta Blkr. 


Ambass. eorpore oblongo compresso, altitudine 3 circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 3 ecirciter in ejus altitudine; capite acuto, a rostro us- 
que ad apicem operculi 4 circiter in longitudine corporis, aeque alto cir- 
citer ac longo; linea rostro-dorsali fronte valde concava; oculis diametro 
23 ad 28 in longitudine capitis; orbita superne postice spinula postrorsum 
spectante; maxilla superiore inferiore breviore, sub oculi parte anteriore 
desinente ; maxillis denticulis conspicuis; osse suborbitali et praeoperculo 
margine interno dentatis; suboperculo margine glabro; interoperculo mar- 
gine denticulato; dorso elevato; linea dorsali subangulata linea ventrali 


697 


eonvexiore; squamis cycloïdeis lateribus 28 p. m. in serie longitudinalis 
linea laterali sub pinna dorsali radiosa interrupta, singulis squamis tubulo 
simplice notata; pinnis dorsalibus basi unitis, spinosa radiosa multo al- 
tiore, spinis validis, spina 2° ceteris longiore 4} ad 44 in longitudine 
corporis, dorsali radiosa angulata; pinnis pectoralibus acutis ventralibus 
acutis longioribus et capite vix brevioribus; anali angulata spinis 8 validis, 
spina 3* ceteris longiore sed spina dorsali 2° multo breviore; caudali 
profunde incisa lobis acutis 84 ad 83% in longitudine corporis; corpore 
flavescente-hyalino, fascia cephalo-caudali argentea; pinnis flavis, dorsali 
spinosa spinam 2” inter et 3" nigricante. 
B. 6. D. 1 proeumb. +7 — 1/9 vel 7— 1/10. P. 2/18. V. 1/5. A. 3/9 

vel 3/10. C. 17/et lat. brev. 
Synon. Zkan Siriding Mal. Batav. 
Habit. Wahai, in mari. 

Batavia, in mari et aquis fluvio-marinis. 


Longitudo 8 speciminum 90''/ ad 120''/. 

Aanm. Niettegenstaande deze soort uiterst veel gelijkt op 
op Ambassts nalua CV., is zij er zeer gemakkelijk van te on- 
derkennen door hare afgebrokene zijlijn en getand interoper- 
kel. In het algemeen ook zijn hare rug- en aarsvindoornen 
betrekkelijk langer dan bij mijne specimina van Ambassis na- 
lua. Zij komt te Batavia veel minder dikwijls voor dan Am- 
bassis nalua en is er als zeldzaam te beschouwen. 


MULLOIDEL. 


Murroïpes Blkr. Bijdr. t.d. kenn. d. Percoïd. Verh. 
Batav. Gen. Vol. XXI1. 


Sectio generis Upenei Cuvieriana dentibus maxillis pluriseria- 
tis; dentibus vomerinis palatinisque nullis. 


_Mulloïdes flavolineatus Blkr. 


Mulloïd. corpore elongato compresso, altitudine 54 circiter in ejus lon- 
gitudine, latitudine 12 circiter in ejus altitudine; capite 44 circiter in 
_ Jongitudine corporis; altitudine capitis 12 ecirciter in ejus longitudine; li- 
nea rostri-frontali declivi convexiuscula; oculis diametro 84 circiter in 
__Tomgitudine capitis; rostro oculo multo longiore; osse suborbitali angulo 
oris oculi diametro altiore ; dentibas utraque maxilla pluriseriatis parvis, 
serie externa serfebus internis majoribus; maxillis aequalibus, superiore 


TRADE 


oenlo vix longiore, ante oecnlum desinente; praeoperculo subrectangulo 
angulo rotundato; operculo spina acuta; cirris inframaxillaribus praeoper- 
‘euli limbum posteriorem fere attingentibus; linea lateraii arborescente; 
squamis lateribus 84 p. m. in serie longitudinali% pinna dorsali spinosa 
corpore vix humiliore, dorsalí radiosa multo altiore, acuta, spina 1* spi- 
nis sequentibus longiore; dorsali radiosa et anali altitudine aequalibus, 
corpore duplo humilioribus, angulatis, vix emarginatis; pectoralibus acu- 
tiusculis et ventralibus acutis sub basi pectoralium insertis 64 circiter 
in longitudine corporis; caudali profunde incisa lobis acutissimis, superi- 
ore longiore 44 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne 
viridi inferne roseo-argenteo; fascia oculo-caudali lata citrina; vittis ocu- 
lo-maxillaribus flavis; pinnis viridi-hyalinis immaculatis, caudali favido- 
viridi. 
B.4,.D. 71/8 vel. 1/9. PR. 2/15. V.-1/5. Ar? 6 valken G Moret 
lat. brev. 
Synon. Bouget à cordon jaune Commers. Lacép. Poiss. III p. 406. 
Mullus flavolineatus Lacép ibid. 
Mullus aureo-vittatus Shaw Gen. Zoöl. IV, 2, p. 618. 
Upeneus flavolineatus CV. Poiss. III p. 336. Rüpp. N. W. E, 
A. EF. R. M. p. 101 tab. 26 fig. f. 
Upéneus cordon jaune CV. Poiss. III p. 336. 
Abu daken Arab. 
Habit. Wahai, in mari. 
Longitudo speciminis unici 240''', 


SCLEROPAREI. 


Scorpaena aplodactylos Blkr. 


Scorpaen. corpore oblongo eompresso, altitudine 32 ad 34 in ejus lon-. 


gitudine, latitudine 12 circiter in ejus altitudine; capite 3 circiter in lon- 
gitudine corporis; altitudine capitis 12% ad 12 in ejus longitudine; vertice 
operculisque superne tantum squamosis; linea rostro-frontali declivi rec- 
tiuscula; oculis diametro 3 ad 84 in longitudine capitis, diametro 4 ad 
2 a se invicem distantibus; fovea suboculari nulla; rostro oculo paulo 
breviore; maxillis subaequalibus, superiore sub oculi limbo posteriore 
desinente; spinis utroque latere fronte et vertice 7 vel 8, orbita 3, 
rostro 1, osse suborbitali 2 divergentibus posteriore mediocri, praeoper- 
culo 5 superiore duplice, operculo 2, osse scapulari 1; fimbriis cutancîs 
utroque latere ocularibus 3, supraorbitali 1 simplice oculo breviore, 
mento nullis, suborbitali 1, rostro 2 vel 3, ceteris capite dubiis; linea 
laterali fimbriis parcis; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinalis 
linea ventrali rectiuscula; pinna dorsali spinosa radiosa vix humiliore, 


Eb 


699 


spinis 1* et 11* ceteris brevioribus, mediis ceteris longioribus, corpore 
duplo humilioribus; pinnis pectoralibus rotundatis 4 eirciter, ventralibus 
__gcutiusculis et caudali truncata 5 circiter in Jlongitudine corporis; anali 
spina 2° radio 1° paulo breviore; colore corpore dilute fuscescente vel vi- 
ridi toto fusco profundiore nebulato; pinna dorsali viridi et fusco nebula- 
ta, fusco parte radiosa fascias 2 longitudinales similante; pectoralibus fla- 
vis fusco variegatis basi macula magna nigricante; ventralibus maxima 
parte nigris basi et margine flavescentibus; anali fHavescente fascia lata 
longitudinali nigra; caudali flavescente fasciis 2 transversis fuscis posteri- 
ore anteriore muìto latiore. 

BED. 12/9 vel 12/10." P. 16 (omn. simplic.). V. 1/5. A. 3/5 vel 

3/6. C. 12 vel 14 et lat. brev. 


Habit. Wahai, in mari. 


Longitudo 3 speciminum 32''’ ad 52/'/, 


Aanm. Deze soort is verwant aan Scorpaena bandanensis 
Bikr., Scorpaena polijprion Bìkr. en Scorpaena polijlepis Blkr. 
De laatstgenoemde onderscheidt er zich van door spitseren 
en bijkans geheel beschubten kop, talrijker schubben op eene 
overlangsche rei, gedeeltelijk gesplitste borstvinstralen enz. 
Bij Scorpaena bandanensis gaat de kop 8! maal in de leng- 
te des ligchaams en heeft een bol profiel, terwijl de boven- 
oogkuilsdraad er veel langer is dan het oog en getakt, 92 
_schubben op eene overlangsche rei gaan, enz. Bij Scorpaena 
polijprion eindigt de bovenkaak vóór den achterrand van het 
oog, heeft de borstvin gedeeltelijk gesplitste stralen en andere 
_ kleuren. 

| De overeenkomst van. boven beschrevene soort is nog het 
‚grootst met Scorpaena bandanensis. Het onverdeeld zijn van 
alle borstvinstralen hebben beiden ook met elkander gemeen. 


MUGILOIDEI. 


b: Mugil ceramensis Blkr. 


Mug. corpore oblongo compresso, altitudine 4% ad 44 in ejús longitudi- 
ne, latitudine 12 circiter in ejus altitudine; capite prismatico, depresso, 
# acuto, 42 ad 44 in longitudine corporis; latitudine et altitudine capitis 12 
ad 1 in ejus longitudine; oculis diametro 84 eirciter in longitudine ca- 


700 


pitis, 14 eireiter in capitis parte postoculari, 1 ad 14ea se invicem dis- 
tantibus; membrana palpebrali iridem non tegente; linea rostro-dorsali ca- 
pite declivi recta; rostro acuto depresso oculo multo breviore; naribus 
anterioribus rotundis, posterioribus oblongis majoribus; osse suborbitali 
parum emarginato apice truncato toto dentato dentibns valde conspicuis; 
osse supramaxillari ore clauso non conspicuo; labio superiore membrana- 
ceo non papillato; denticulis maxillis conspicuis; maxilla superiore deor- 
sum valde protractili;, maxilla inferiore symphysi emarginata tuberculo 
conico; dentibus palatinis in thurmas oblongo-rotundatas collocatis; lin- 
gua peripheria thurmis denticulorum parvis obsita; impressione praevo- 
merina nulis; praeoperculo acutangulo angulo rotundato, margine poste- 
riore obliquo vix emarginato; squamis lateribus 29 p. m. in serie longi- 
tudinali, parte basali striis 6 ad 12; axillis squamis elongatis nullis; pin- 
nis dorsalibus minus longitudine pinnarum pectoralium a-se invicem dis- 
‚tantibus, spinosa radiosa altiore corpore multo humiliore, spinis valde 
crassis 1* ceteris longiore; dorsali radiosa acuta non emarginata squamosa; 
pinnis pectoralibus acutis capite absque rostro paulo brevioribus; ventra- 
libus acutis pectoralibus paulo brevioribus; anali longe ante dorsalem ra- 
diosam incipiente, acuta, non emarginata, squamosa, dorsali radiosa ma- 
jore; caudali emarginata angulis acuta 4 et paulo ad 44 in longitudine 
corporis; colore ecorpore superne viridi inferne argenteo; pinnis virides- 
centibus vel flavescentibus, dorsali radiosa, anali caudalique fusco arena- 
tis. 

B. 6. D. 4— 1/8 vel 1/9. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/9 vol 9/10. CM 

et lat. brev. 
Habit. Wahai, in mari. 


Longitudo 3 speciminum 87''/ ad 100''/. 


Aanm. De thans reeds vrij talrijke soorten van Mugil mijner 
verzameling, alle van den Indischen Archipel , hebben mij doen 
beproeven, kenmerken bij ze te vinden, volgens welke ze zich 
in weinige woorden van elkander laten onderkennen. Hoe- 
zeer zulks voor de in mijn bezit zijnde soorten vrij gemakke- 
lijk is geweest, blijft de moeijelijkheid bestaan, ze daarnaar 
met de beschrijvingen in de groote Histoire naturelle des poissons 
te vergelijken. De boven beschrevene soort behoort tot eene 
groep van Mugil, bij welke de rugvinnen met minder dan 
de lengte der borstvinnen van elkander verwijderd zijn en 
het achteroogkuilsgedeelte van den kop minder dan dubbel 
zoo jang is als hef oog. Tot deze groep behooren ook 


Men nd 


Ed 


ke 


701 


Mugil parsia Hamilt. Buch.? (Blkr.), Mugil ecunnesius GV. 
Mugil javanteus Bkr. en Mugil macrolepis Bìkr.. Mugil par- 
sia Ham. Buch.? (Blkr.) en Mugil cunnesius CV. hebben een’ 
konveksen kop, de borstvinnen langer dan den kop zonder 
den snuit, van 35 tot 45 schubben op eene overlangsche rei, 
enz. Bij Mugil macrolepis Blkr is de kop bijkans even hoog 
als lang en gaat de hoogte des ligchaams nog geen Á maal 
in zijne lengte. Bij Mugil javanicus Blkr. is de achterrand der 
iris door een ooglidvlies bedekt, gaat de kop 5 tot 5, maal 
in het ligchaam, is de doornachtige rugvin lager of naauwe- 
lijks even hoog als de straalachtige, gaan ongeveer 92 schub- 
ben op eene overlangsche rei enz. Van de beschrijvingen in 
de groote Histoire naturelle des Poissons en elders is er geene, 
welke genoegzaam op de bovenstaande past om er de soort 
toe terug te brengen. 


BLENNIOÏDEL 


Salarias ceramensis Blkr. 


Salar, corpore oblongo compresso, altitudine 4 et panlo ad 44 in ejus 
longitndine, latitudine 18 ad 2 in ejus altitudine; capite truncato 5 ad 54 
in longitudine corporis, vix longiore qnam alto; fronte subrectangula ro- 
tundata; rostro non ante frontem prominente; oculis diametro 24 ad 3 in 
„Jongitudine capitis; occipite orbitague utroque latere tentaculo fimbriato 
oculo breviore; tentaculo nasali brevi simplice; maxillis dentibus caninis 
nullis; cute laevi; linea laterali ante apicem pectoralium desinente; pinna 
dorsali integra partem spinosam inter et radiosam non emarginata, parte 
radiosa parte spinosa altiore sed corpore humiliore, rotundata, obtusa, cum 
basi caudalis unita; pectoralibus obtusis rotundatis 5 circiter, ventralibus 
64 circiter, caudali convexa 44 circiter in longitudine corporis; anali 
postice dorsali radiosa humiliore non cum caudali unita, radiis anticis 
productis; colore corpore pinnisque fusco vel fuscescente-viridi; corpore 
punctis nigricantibus et coeruleis, dorsali marginem versus punctis nigri- 
eantibus; caudali pectoralibusque radiis punctis fuscis variegatis. 

MS D-29rvel-30 PBP. 15. V. 2. A. 18. C. 18. 

Habit. Wahai, in mari. 

Longitudo 4 speciminum 38''’ ad 75'//, 


Aanm. Deze soort behoort tof de groep met onverdeelde 


hk 


702 


rugvin en is na verwant aan Salarias fuscus Rüpp (N. Wirb. 
F. Ab. F. R. M. p. 135 tab. 92 fig. 2) doch ranker van lig- 
chaam. Salarias fuscus mist bovendien de neusdraden, heeft 
het voorhoofd sterker uitpuilende, eenigzins andere getallen 
der vinstralen enz. 


GOBIOÏIDEL 


Gobius janthinopterus. Blkr. 


Gob. corpore elongato compresso, altitudine 6 circiter in ejus longitudine, 
latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo 44 circiter in 
longitudine corporis; altitudine capitis 13, latitudine 12 in ejus longitu- 
dine; oculis diametro 82 circiter in longitudine capitis, valde approxima- 
tis, in anteriore dimidio capitis sitis; vertice, operculis genisque superne 
squamosis; rostro obtuso convexo oculo breviore; rictu obliguo sub oculi 
margine anteriore desinente; maxilla inferiore paulo prominente; dentibus 
maxillis pluriseriatis, serie externa majoribus, maxilla inferiore caninis 2 
parvis curvatis; sulco oeulo-operculari valde conspicuo; squamis magnis, 
lateribus 28 p. m. in serie longitudinalis; appendice anali oblonga; pinnis 
dorsalibus altitudine subaequalibus, spinosa spinis 4 anticis apice filifor- 
mibus, radiosa angulata, corpore paulo humiliore; pectoralibus radiis ‘a- 
piee filiformibus et ventralibus 5% circiter, caudali obtusa rotundata 44 
circiter in longitudine corporis; anali angulata dorsali radiosa vix altiore; 
colore corpore superne fuscescente-viridi, inferne viridi; dorso lateribus- 
gue maculis magnis fuscis diffusis in series 2 vel 3 longitudinales dispo- 
sitis; pinnis violaceis, dorsalibus analique guttis nigris parcis. 

B. 4 D. 6— 1/10, P. 16. V. 1/5. A. 1/8 vel. 1/9. .C.026 (lat. 

brev. inclus.). 

Habit. Wahai, in mari. î 


Longitudo speciminis unici 82///, 


Aanm. Deze soort heeft in vormen, organisatie en kleurteeke- 
ning het meest van Gobius caninoïdes Blkr., doch onderscheidt 
zich er van door langere borst-, buik- en staartvinnen, grootere 


zwarte vinvlekjes, 2 stralen minder in de aarsvin, doch voor-_ 


al door de slankheid en buigzaamheid van den eersten straal 
der 2de rugvin, welke bij Gobius caninoïdes een sterke doorn 
is, welk karakter in mijne beschrijving van laatstgenoemde soort 
(Natuurk. Tijdschr. N. Ind, 1852 p. 274) niet is uitgedrukt. 


er al 


iS 
_ 
- 
- 
== 
Val 
al 


705 


De kleur der vinnen en het geringe aantal aarsvinstralen laten 
_ Gobius janthinopterus gemakkelijk van andere verwante soor- 
ten onderkennen. 


Gobius melanosoma Blkr. 


Gob. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longitudi- 
ne, latitudine 14 circiter in ejus altitndine; capite obtuso convexo 4 cir- 
citer in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter, latitudine Ln 
circiter in ejus longitudine; oculis diametro 84 circiter in longitudine ca- 
pitis, diametro 1 circiter a se invicem distantibus, maxima parte in an- 
teriore dimidio corporis sitis; capite nuchaque alepidotis; rostro obtuso 
Reo oculo breviore; maxilla superiore maxilla inferiore paulo brevi- 
ore, sub oculi parte anteriore desinente; rictu valde obliquo, leviter cur- 
vato; dentibus maxillis pluriseriatis, serie externa serie interna majoribus, 
"maxilla inferiore caninis 2 magnis symphysi approximatis; sulco oculo- 
operculari nuilo conspicuo; appendice anali conica acuta; squamis lateri- 
bus 22 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsalibus approximatis, spi- 
_mosa rotundata radiosa humiliore, radiosa corpore humiliore obtusa; pec- 
“toralibus obtusis rotundatis 4 fere, ventralibus 7 circiter, caudali obtusa 
rotundata 44 circiter in longitudine corporis; anali obtusa dorsali radiosa 
vix humiliore; colore corpore pinnisque nigro. 

ENG — 1/10. vel 1/11 P.22, Vo 1/5: A. 1/10, C. 20! 

Habit. Wahai, in mari. 


__Longitudo speciminis unici 26’. 


_ ___Aanm. Deze soort is zoo nà verwant aan Gobius zanthosoma, 
__dat ik haar. bij een oppervlakkig onderzoek slechts hield voor 
R eene zwarte verscheidenheid daarvan. Evenwel is zij er soor- 
k telijk van onderscheiden, niet alleen door de donker zwarte 
_kleur van ligchaam en vinnen, maar ook door 3 stralen meer 
' in de borstvin en f in de aarsvin, terwijl de borstvinnen be- 
8 trekkelijk grooter zijn, de kop betrekkelijk korter is enz. 


„®. 


Gobius vanthosoma Blkr. 


Gob. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longitu= 
dine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo, 38 
circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter, latitudine 


HL 53 


704 


13 circiter in ejus longitudine; ‘oculis diametro 4 circiter in longitudine 
capitis, minus diametro 1 approximatis, maxima parte in anteriore di- 
midio capitis sitis; capite nuchaque alepidotis; rostro obtuso convexo 


oculo breviore; maxilla superiore imferiore paulo breviore, sub oculi , 


parte anteriore desinente; rictu valde obliquo, leviter curvato;s dentibus 
maxillis pluriseriatis, serie externa serie interna majoribus, maxilla infe- 
riore caninis 2 magnis symphysi approximatis; sulco oculo-operculari nul- 
lo conspicuo; appendice anali conica; squamis lateribus 22 p. m. in se- 
rie longitudinalis pinnis dorsalibus approximatis, spinosa radiosa humi- 
liore spina nulla producta; dorsali radiosa obtusa corpore humiliore; 


ed 


pectoralibus obtusis rotundatis 5 fere, ventralibus 7 circiter, caudali ob- 


tusa convexa 4} circiter in longitudine corporis; anali obtusa corpore 


raulto humiliore; colore corpore pinnisque pulchre flavo, pinna dorsali 
spinosa tantum fusco. 


B4. D..6—1/10 vel 1/11. B: 10, Val/5. A ZOON ’ 


Habit. Wahai, in mari. 
Longitudo speciminis uuici 21’. 


Aanm. Gobius mvanthosoma is gemakkelijk van alle beken- 
de soorten van Gobius te onderkennen, door stompen kop 
en vinnen, fraai gele kleur van ligchaam en vinnen, door de 
betrekkelijk groote hondstanden nabij de sijmphijsis der onder- 
kaak, onbeschubten kop en nek, groote zijschubben enz. 


Gobius ceramensis Blkr. 


Gob. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus longitu- 


dine, latitudine 2% ad 24 in ejus altitudine; capite obtuso convexo 44 ad 


41 in longitudine corporis, aeque alto ac longo, duplo circiter altiore quam 
Jato; oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis, minus diametro 1 a se 
invicem distantibus, in anteriore dimidio capitis sitis; linea rostro-frontali 
fronte convexa, rostro concaviuscula; rostro oculo bfeviore; rictu parum 
obliquos maxillis aequalibus superiore sub oculi parte anteriore desinente; 
dentibus maxillis minimis (uniseriatis?), maxilla inferiore caninis 2 vel 4 


magnis symphysi approximatis; suleo oeulo-operculari nullo conspicuo; ap- 


pendice anali conica; squamis corpore inconspicuis; pinnis dorsalibus ap- 


proximatis, altitudine subaequalibus; corpore multo humilioribus, obtusis; 
pectoralibus obtusis rotundatis 4 et paulo, ventralibus 8 circiter, caudali 
obtusa rotundata 5 cireiter in longitudine corporis; colore eorpore pinnis-_ 
que nigro. 

B. 4, D. 6—1/10 vel 1/11. P. 17. V. 1/5. A. 1/9 vel 1/10, C. 26. 


705 


Habit. Wahai, in mari. 


Longitudo 4 speciminum 20’ ad 35//’. 


Aanm. Deze soort behoort tot de groep van Gobius qwn- 
questrigatus CV., Gobius corijphaenula CV. en Gobius erúthro- 
phaios Blkr. dat is, tot die soorten van Gobius, welke een’ 
stompen kop en stompe staartvin en hondstanden in de onder- 
kaak met onzigtbare schubben vereenigen. Zij verschilt echter 
van die beide soorten door haar zwart ligchaam en vinnen, 
__door minder bol voorhoofd, eenigzins holle snuitlijn enz. 


SC Kleotris melanosoma Blkr. 


Eleotr. corpore elongato, antice eylindraceo postice compresso, altitu- 
dine 7 ad 6 in ejus longitudine; capite acutiusculo depresso, 4 circiter 
in longitudine corporis; altitudine capitis 24 ad 13, latitudine 12 ad 12 
in ejus longitudine; linea rostro-frontali supra oculos concaviuscula; ocu- 
lis diametro 44 ad 53 in longitudine capitis, diametro 1 ad 12 a se invi- 
cem distantibus; orbitis glabris; rostro acutiusculo oculo breviore; maxilla 
‚ superiore inferiore breviore gub medio oculo desinente; rictu obliquo; 
dentibus maxillis pluriseriatis serie externa seriebus internis majoribus, 
caninis nullis; vertice, fronte operculisque squamosis squamis squamis la- 
teralibus minoribus rostrum inter et pinnam dorsalem 1" 40 p. m. in se- 
rie longitudinalis; genis rostroque alepidotis; praeoperculo rotundato spi- 
na deorsum antrorsum spectante; squamis lateribus 52 p. m. in serie 
longitudinalis; appendice anali oblonga; pinna dorsali 1* obtusa corpore 
minus duplo humiliore spinis flexilibus 3* et 4° ceteris longioribus; dorsali 
2* analique obtusis angulatis dorsali 1* altioribus corpore humilioribus; 
pectoralibus basi squamosis rotundatis 44 ad 43, ventralibus anum attin- 
gentibus 6 et paulo, caudali obtusa rotundata 5 circiter in longitudine 
_ corporis; colore corpore superne níigricante-viridi inferne dilutiore; pinnis 
\__violaceo-nigris nigro varicgatis. 

B B. 6. D. 6—1/8 vel 1/9. P. 18. V. 1/5. A. 1/8 vel 1/9. C. 38 (lat. 
brev. inclus.) 

__ Habit. Wahai; Sumatra occidentalis, in mari. 

Longitudo 4 speciminum 60''/ ad 108///. 


| _Aanm. Deze soort staat in verwantschap nabij Eleotris nè- 
‚gra QG. doch is ranker van ligchaam, lager van kop, heeft 
__ minder schubben op eene overlangsche rei, grootere borstvin- 
_ nen, digter bijeenstaande oogen enz. 


706 
Eleotris melanopterus Blkr. 


Eleotr. corpore elongato antice eylindraceo postice compresso, altitudine 
62 circiter in ejus longitudine; capite acuto, pyramidali, quadrilatero, 34 
circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 24 circiter, latitudine 2 
circiter in ejus longitudine; vertice depresso; linea rostro-frontali concava; 
capite rostro, fronte, vertice, genis operculisque squamato, squamis squa- 
mis lateralibus multo minoribus; sulco oeculo-operculari valde conspicuo; 
oculis diametro 6 fere in longitudine capitis, maxima parte in anteriore 
dimidio capitis sitis, diametro 1 et paulo a se invicem distantibus; orbi- 
tis glabris; rostro acuto oculo duplo circiter longiore, antice glabro; 
maxilla superiore inferiore breviore sub oculi limbo anteriore desinente; 
dentibus maxillis pluriseriatis valde conspicuis serie externa conicis ma- 
joribus, caninis nullis; rictu obliquo; praeoperculo rotundato spina nulla; 
squamis lateribus 309 p. m. in serie longitudinalis appendice anali ob- 
longa obtusa; pinna dorsali spinosa dorsali radiosa et corpore humiliore, 
spinis 2° et 3* ceteris longioribus; dorsali radiosa et anali corpore vix 
humilioribus postice angulatis; pectoralibus rotundatis 53 eirciter, -ven- 
tralibus acutis 74 circiter, caudali obtusa convexa 44 circiter in longi- 
tudine corporis; eolore corpore fuscescente-nigro; finna dorsali spino- 
sa nigra antice macula rubra; peectoralibus fuscescentibus basi macula 
nigra rubro variegata; dorsali radiosa, ventralibus, anali et caudali viola- 
ceo-nigris, rufo variegatis, rubro marginatis, radiis nigro maculatis; rufo 

1 


pinna dorsali radiosa pinnaque caudali angulum superiorem versus prae- 


valente. 
B. 5. D. 6—1/8 vel 1/9. P. 2/19. V. 1/5. A. 1/8 vel.1/9:,G. 18 vel 
15=et lat. brev. ’ 


Habit. Wakhai, in mari. 
Bulucomba et Kema, Celebes insulae, in mari. 


Longitudo 4 speciminum 1381//. 


Aanm. Mijne verzameling bevat meerdere soorten van Zleo- 
tris, welke groote overeenkomst met de boven beschrevene heb- 
ben, zooals Eleofris humeralis CV., Eleotris melanostigma Blkr. 
Eleotris prismatica Bìkr., Eleotris Wolffü Bìkr., maar zij ver- 
schillen allen reeds daardoor zeer duidelijk er van, dat hare 
tanden veel kleiner en van gelijke grootte zijn. Bij Aleotris 
melanopterus zijn de tanden der buitenste rei in beide kaken 
aanmerkelijk grooter dan die der binnenste reijen. Zij laat 
zich overigens nog door meerdere andere kenmerken van de- 
ze en de overige bekende soorten van Zleotris onderscheiden. 


707 


PEDICULATT. 


Antennarius raninus Gant. Cat. Mal. Fish. p. 202. 


Antenn. corpore ovali compresso, altitudine 24 circiter in ejus longitu- 
dine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine; oculis diametro 4 circiter 
in longitudine maxillae superioris; rictu subverticali postrorsum desinen- 
te; dentibus maxillis acutis conicis mediocribus, maxilla superiore antice 
bi- vel triseriatis postice uniseriatis, maxilla inferiore antice triseriatis 
postice biseriatis; dentibus vomero-palatinis acutis mediocribus in thur- 
mas 4 oblongas collocatis, thurmis spatio glabro a se invicem remotis; 
apertura branchiali rotunda oculi diametro majore; cute anacantha squa- 
mis minimis vix conspicuis; fimbriis angulo oris, rostro, ventre dor- 
soque parcis conspieuis; radio rostro libero gracillimo brevissimo; pinna 
dorsali spinosa spinis fimbriatis, spina 1, libera, acutiuscula, oblique 
antrorsum fexili, ante oculum inserta, spina 2* spina l* minus duplo 
longiore, acutiuscula, maxilla superiore paulo breviore, membrana gla- 
bra; dorsali radiesa analique altitudine aequalibus, corpore duplo circiter 
humilioribus, obtusis, dorsali anali plus duplo longiore; ventralibus di- 
< gitatis 44 circiter, caudali irregulariter convexa 4 circiter in longitudine 
corporis; colore corpore pinnisque pulchre flavo; capite, corpore pinnis- 
que fasciis irregularibus nigris; fasciis capite utriusque lateris rostro ver- 
ticeque unitis; fascia oculo-pectorali valde irregularis; fascia dorso-anali 
valde obliqua; fascia irregulari dorsali ad basin pinnae dorsalis radiosae; 
pinna dorsali radiosa faciis obliquis p. m. 5, anali fasciis obliquis 2, 
caudali fasciis transversis 4; capite corporeque insuper guttulis sparsis 
albis. 

B. 6. D. 2—13 (3 post. fiss.). P. 10 (simpl.). V. 5 (simpl.). A. 8 (6 
post. fiss.). C. 9 (7 inter. fiss.). 
Synon. Klein Miss. III tab. 3 fig. 4? 
Lophius raninus Tiles. Act. nat. Moscov. XI tab. 16? 
Lophius histrio marmoratus Bl. Schn. Syst. posth. p. 142? 
Chironectes marmoratus Cuv. Less. Voy. Coquill. Zoöl. II p. 
145 Poiss. tab.+16 fig. 2. CV, Poiss,, XII’ p. 299, T‚. Schi 
Fäun. jap. Poiss. p. 159 tab. 81 fig. 1. 
Chironectes marbré Cuv. Less. CV. ibid. 
Chironectes raninus Rich. Ichth. Chin. Jap. 15!* Meet. Brit. As- 
soc. 1845 p. 203. 
Cada paudom Incol. Mahé. 
dlanaoogose Japonens. 
Hab. Wahai, in mari. 
Longitndo speciminis unici 55'//, 


708 


Aanm. Ik houd deze soort voor dezelfdg als Cheronec- 
tes marmoratus Cuv. Less., afgebeeld in de reis der Coquille 
Zoöl. IL p. 145 Poiss. tab. 16 fig. 2), beantwoordende zij na- 
genoeg geheel aan deze afbeelding. De getallen der vinstra- 
len zijn daar echter eenigzins anders opgegeven, en wel als 
Dp. 10. P. 12. V. 5. A. 7. C. 10., welke formule vrij-aanmer- 
kelijk van die van mijn specimen afwijkt, ef welligt berust op 
minder naauwkeurige waarneming, zijnde ook de rugvinstra- 
len op de aangehaalde afbeelding alle gesplitst afgebeeld. De 
afbeelding der Fauna japonica past ingelijks vrij wel op. mijn 
specimen en vertoont de volgende getallen der- vinstralen. D. 
212 P. 9. V. 5. A. 7. C. 9., welke formule die van mijn 
specimen nader bij komt dan die van Lesson. De formule 
van den heer Canror is D. 9—12. P. 10. V. 5. A. 7. C. 9. 


PSEUDOCHROMIDES. 


Pseudochromis fuscus M. Frosch. Hor. ichthyol. Hft. 
III 1849 p. 23 tab. 4. f. 2.- ze 


Pseudochr. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus 
Jongitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite- 4 circiter in 
longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontalisdeclivi rec- 
ta; oculis diametro 3 et paulo in longitudine capitis; rostro acuto oculo 
multo breviore; maxilla superiore maxilla inferiore breviore sub _oculi 
parte anteriore descendente; maxillis dentibus pluriseriatis antice caninis 
4 magnis curvatis, maxilla inferiore serie externalaterali dentibus aliquot 
ceteris paulo majoribus; dentibus vomere-palatinis parvis in vittam for- 
mam ferri equini referentem dispositiss vertice genisque squamosis; prae- 
eperculo rotundato;s squamis lateribus 35 p. m. in serie longitudinalis linea 
laterali tubulis simplicibus notata, sub pinnae dorsalis parte posteriore 
interrupta; pinna dorsali supra basin pectoralium incipiente, parte spino- 
sa parte radiosa multo humiliore, spina postica spina 1*et 2 longiore, 
parte radiosa obtusa rotundata ecorpore duplo cireiter humiliore; pectora- 
libus rotundatis 6 in longitudine corporis; ventralibus acutis pectoralibus 


paulo longioribus; anali dorsali vix humiliore postice angulata, spina 


postica spina 1, et 2, et spina dorsali postica longiore; caudali convexa 


te 2 


Eset RS 


5 in longitudine corporis; ecolore corpore pinnisque pectoralibus, ventra- — 


bus caudalique fusco, pinnis dorsali analique nigro. 


kj 


ERS ET 


709 
' 


B; 6: D3 + 14 vel 15 simpl. + 12 vel 11 fiss. P. 2/16, V. 1/5. A. 
Ä 34 Hspl + 14 fiss. C., 16 et lat. brev. 

Habit. SWahsi, in mari, \ 

ongie speciminis unici 67///, 


Aanmie Mijn eenig specimen dezer soort is van bijkans de- 

toptto als de boven aangehaalde afbeelding, welke vrij 
Î urig is doch den kop wat te hoog en te bol vertoont. 
| Îé tot nog toe slechts van Celebes bekend. 


“BA ABROÏDEI CTENOIDEL 


Pomacentrus cyanospilos Bikr. 
Ae 


Pomac: corpore oblongo compresso, altitudine 23 circiter in ejus lon- 
gitudistege Tatitudine 21 circiter in ejus altitudine; capite obtuso 88 ad 4 
fere ing longitudine corporis, paulo altiore quam longo;s linea rosto-dor- 
sali vertièe convexa rostro declivi rectiuscula; oculis diametro 24 ad 22 
in tongigadine capitis; rostro oculo breviore; osse suborbitali angulo oris 
ú oculi diametro multo humiliore, non emarginato, edentulo; praeoperculo 
| morenen angulo rotundato, miargine posteriore dentibus parvis; oper- 

culo Selis 2 planis vix conspicuis; squamis lateribus 23 p. m. in serie 

‘ longivadipalis pinnis dorsali et anali postice rotundatis, dorsali spinis pos- 
Re ticis sin is ceteris longioribus, membrana inter singulas spinas emargina- 
Bia lobät ; pinnis DE rotundatis 5 eireiter, ventralibus acutis ra- 
dio 1epgoducto 4 circiter, caudali emar ginata lobis rotundatis 4 ad 44 in 
Jongitidfpe corporis; colore corpore pinnisque fuscescente, pinnis dorsali 
E radiosa-analique profundiore; squamis capite totoque corpore singulis gut- 


ta vel guttula pulchre coerulea; capite pinnisque vittis nullis; macula 


_opereulari, peectorali vel anali nulla. 
B. 5. D. 12/15 vel 12/16. P. 2/17. V. 1/5. A. 2/18 vel 2/14. C, 15 
vel 17 et lat. brev. 
Habit. Wahai, in mari. 
Longitudo 9 speciminum 30/'' ad 46''/, 


\ Aanm. Onder de talrijke soorten van Pomacentrus zijn er 
meerdere, welke zoodanig op elkander gelijken, dat de soortelij- 
ke onderscheiding moeijelijk wordt. De onderwerpelijke soort 
is van de aan haar verwante, zooals Pomacentrus prosopotae- 


_ mioides Blkr., Pomacentrus taeniometopon Blkr., Pomacentrus 


710 


emarginatus CV. te onderkennen door lage en ongetande en 
niet uitgerande onderoogkuilsbeenderen, het aantal rugdoornen, 
de afwezigheid van bandjes op kop en vinnen, de afwezigheid 
van donkere operkel-, borstvin-, staart- en aarsvlek enz. 


Heliases frenatus GV. Poiss. V p. 878? 


a 


Helias. corpore oblongo compresso, alfitudine 3 circiter in ejus longitu- 
dine, latitudine 23 circiter in ejus altitudine; capite 44 ad 42 in longitu- 
dine corporis, paulo altiore quam longo; oculis diametro 3 circiter in 
longitudine capitis; linea rostro-dorsali vertice convexa, rostro rectiuscu- 
la; osse suborbitali oculi diametro plus duplo humiliore; maxillis subae- 
qualibus superiore sub oculi parte anteriore desinente; dentibus maxillis 
seriebus internis tactu magis quam visu conspicuis, seriebus maxilla in- 
feriore maxilla superiore latioribus; dentibus serie externa conicis, maxil- 
Ja superiore latioribus; dentibus serie externa conicis, maxilla superiore 
p. m. 50 anticis lateralibus majoribus, maxilla inferiore p. m. 36 anticis 
lateralibus et supramaxillaribus majoribus obtusis; praeoperculo margine 
posteriore leviter emarginato, angulo rotandato; squamis lateribus 26 p. 
m. in serie longitudinali sub anteriore dimidio pinnae dorsalis radiosae 
interrupta; pinnis dorsali et anali radiosis rotundatis; dorsali spinosa ra- 
diosa humiliore spinis 2%, 3* et 4* ceterislongioribus; peetoralibus acutius- 
eulis 54 circiter, ventralibus acutis C& circiter, caudali profunde incisa lo- 
bis acutis filigeris vel subfiligeris 24 ad 82 in longitudine corporis; anali 
spina 2* spina 1* plus duplo longiore sed radio le multo breviore; appen- 
dice anali oblonga conica; colore corpore superne viridi inferne margari- 
taceo; squamis capite dorsoque singulis basi macula nitente viridi; vitta 


rostro-oculari coerulea; pinnis dorsali et caudali violascentibus, caudalí 


ee, EE eh A er ad an 


margine superiore et inferiore coerulea; pinnis ceteris viridibus; pectora- — 
libus basi superne macula parva coerulea. 
B:5. D.-12/10: vel 12/1l:rBiu2Zl6 vel 2/17. Ve TAS AEON CD 
C. 15 et lat. brev. 
Synon. Meliase bridé CV. Poiss. V p. 373? 
Glyphisodon bandanensis Blkr. Nat. T. Ned. Ind. II p. 248. 
Heliases lepisurus Blkr. Ichth. Sumbaw. Journ. Ind. Arch. 1848 
(an et CVP). 
Ikan Gemutu Mal. Batav. 
Hab. Wahai, Banda Neira, Lernate, Sumbawa, Batavia, in mari. 


Longitudo 14 speciminum 82/'’ ad 115//!, 


Aanm. Ik geloof dat bovenbeschrevene specimina behooren $ 


u, 


711 


“tot Heliases frenatus CV. van Guam, welker, trouwens zeer 
korte, beschrijving in de groote Histoire naturelle des Poissons 
er zeer goed op past, met uitzondering slechts van het aantal 
rugdoornen, het welk er als Î9 is opgegeven, doch welk 
verschil van een’ enkelen doorn bij dezelfde soorten van Kam- 
schubbige Labroïden meermalen voorkomt. In mijne Bijdra- 
ge tot de kennis der ichthijlogische fauna van Banda heb ik 
deze soort te onregte als eene nieuwe van Glijphisodon opge- 
bragt. De binnenste tandreijen zijn echter moeijelijk waar te 
nemen en slechts door het gevoel bemerkbaar. Een paar 
grootere en versche exemplaren, te Batavia gevangen en de 
eenige welke ik er tot nog toe gezien heb, hebben mij in de gele- 
„genheid gesteld eene meer naauwkeurige beschrijving te geven 
en ook de versche kleuren aan te teekenen. De vergelijking 
van talrijke specimina van verschillende grootte heeft mij doen 
ontwaren, dat de soort, welke ik ín vroegere bijdragen als 
Heliases lepisurus CV. heb beschouwd, niet soortelijk van Be- 
liases frenatus CV. zooals deze soort hier beschreven is, ver- 
schilt. Zijn welligt Heltases frenatus GV. en Meliases lepisurus 
CV. insgelijks identisch? 


ESOCGES. 


| Memiramphus Buffonis GV. Poiss. XIX p. 36. 


Hemir. eorpore elongato compresso, altitudine 114 ad 11 in ejus longi- 
pe tudine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite 2% ad 24, rostro 
Ra circiter in longitudine corporis; maxilla superiore latiore quam longa, 
5 ad 6 in longitudine maxillae inferioris; membrana inframaxillari humi- 
‚ki rotundata; oèulis diametro 13 in capitis parte postoculari, diametro 1 
ad 1 et paulo a se invicem distantibus; vertice plano; dentibus maxillis 
_ parvis aequalibus; squamis subeirculariter striatis, lateribus 40 p. m. in 
serie longitudinali; linea laterali ventrali conspicua basi pinnae caudalis 
desinente; pinna dorsali radio le ante pinnam analem inserta, corpore 
multo humiliore, obtusa, non emarginata; pinnis peetoralibus acutis capi- 
_ tis parte postoculari multo longioribus; ventralibus acutiusculis antice in 
5 5% sexta corporis parte sìtis, capitis parte postoculari brevioribus; anali 
… eorpore humiliore, multo altiore quam longa, acute rotundata; caudali 
UL 5A 


Det - 
„ 


integra truncata angulo superiore rotundata, 8 ad 9 in longitudine totius 
corporis; colore corpore superne viridi inferne argenteo; vitta cephalo-cau= 
dali gracili argentea; pinnis viridescentibus, dorsali flavo marginata. 
B. 11. D. 10 ad 12. P. 1/9. V. 1/5. A. 2/9 vel: 2/17 (radiis posten 
membranaceis heteromorphis). 
Habit. Wahai, Ceram septentrionalis et Koba, Bankae insulae prope 
aren. Gussong Assam, in mari. 
Longitudo 4 speciminum 115''f ad 175. 


Aanm. Bij het grootste mijner voorwerpen zijn de rugvin- 
stralen het talrijkste en de aarsvinstralen het minst talrijk en 
de achterste vliesvormig veranderd. De soort is na verwant 
aan Memiramphus borneënsis Blkr. doch verschilt daarvan, be- 
halve door andere getallen der vinstralen, door kortere bo- 
venkaak, welke bij Memiramphus borneënsis dubbel zoo lang 
is als breed, enz. 


_CLUPEOÏDEL 


E 


Pellona Hoevendi Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. 
Var prik. 


Pellon. corpore oblongo compresso, altitudine 8# ad 3% in ejus longi- À 
tudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite triangulari 4 ad 44 _ 
in longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali declivi 
recta; oculis diametro 22 circiter in longitudine capitis; rostro oculo bre- \ 
viore; ore antico; maxilla superiore sub medio oculo desinente, tota lon- 
gitudine denticulata; maxilla inferiore medioecriter adscendente, ante maxil- # 
lam superiorem prominente; dentibus maxillaribus omnibus, lingualibus, 
palatinis et pterygoïdeis bene conspicuis; ossibus intermaxillaribus osse 
supramaxillari accessorio denticulato articulatis; praeoperculo rotändato; 
lineis dorsali et ventrali regulariter convexis, convexitate aequalibus; ven” 
tre cultrato-spinis 27 serrato; squamis transversim vel non striatis, late= 
ribus 40 p. m. in serie longitudinali; axillis inguinibusque squamis elon-_ 
gatis; pinnis, dorsali tota ante pinnam analem sita, acuta, non emargina- 
ta, corpore minus duplo humiliore; pectoralibus 14 in longitudine capitis 
ventrales non attingentibus; ventralibus pectoralibus duplo brevioribus la- 
teraliter insertis sed lineam ventralem maxima parte superantibus; anali 
humili longitudine 4 ad 43 in longitudine corporis; caudali lobis acutis 4 5 
et paulo in longitudine corporis; colore corpore superne plumbeo-griseo — 


718 


ìnferne argenteo; pinnis flaveseentibus vel hyalinis; doreali antice et cau- 
_ dali postice fusco arenatis. 

DEE 18. P. 18. V. 7.A. 37. 'C. 19 et lat. brev. 

Synon. JZkan Bulan bulan’ et Ikan Mata besar Mal. Batav. 

Habit. Wahai, Batavia, in mari. 

Longitudo 18 speciminum 70’! ad 165'//. 


Aanm. Deze soort staat in verwantschap tusschen Pellona 
ditchela GV. en Pellona Dussumierit CV. en het naaste bij deze 
laatste soort, van welke zij zich echter genoegzaam onderscheidt 
door regelmatige en even bolle rug- en buiklijn, kortere aars- 
vin enz. Haar merkwaardigste kenmerk bestaat echter in het 
geheel getand zijn der bovenkaak en doordien zich tusschen 
het eigenlijk bovenkaaksbeen en tusschenkaaksbeen een afzon- 
derlijk been bevindt, hetwelk de beide anderen vereenigt en 
getand is. Bij de overige mij bekende soorten van Pellona 
heeft de vereeniging tusschen de bovenkaaks -en tusschenkaaks- 
beenderen plaats door een bandachtig weefsel en is de boven- 
‚ kaak ter dier plaatse tandeloos. 


SYNGNATHOIDEL. 


Syngnathus gastrotaenia Blkr. 


Syngnath. corpore valde elongato antice heptagono postice tetragono, 


ie — 3 


altitudine 28 ad 20 in ejus longitudine, junioribus paulo acetate provecti- 
Zig gaito altiore AR tp: oe 9 ad 8 in longitudine SODA: 


_oeulos coneava; rostro oculo Rie heei oder ee triplo cir- 
seiter longiore quam alto, compresso, rugoso; ore dentibus inconspieuis; 
s vertice plano cristis 3 longitudinalibus denticulis minimis junioribus lente 


tr meo absque capite plus en longiore; pinna dorsali post anum scu- 
à caudali 2° incipiente, rostro longiore, corpore humiliore; pectoralibus 


1 


votundatis; auali minima; caudali flabelliformijs colore corpore fusces- 


gente-viridi, ventre vittis 14 p. m. transversis flavis, vittis nigris alter- 


714 


nantìbus; rostro nigro punctulato; pinnis dorsali, pectorali analique viri- 
dibus, dorsali radiis fusco variegatis; caudali nigra rubro marginata. 
Dr. BP. 164 ACB: vel 4: U. 1D. 
Habit. Wahai, in mari. 


Longitudo 5 speciminum 102''’ ad 125/'/, 
Aanm. Deze soort is gemakkelijk herkenbaar aan hare ge- 


le en zwarte dwarsche buikbanden, achterwaartsche plaatsing 
der rugvin enz. 


Scripsi Batavia Calendis Septembris mpeeeLn. 


NIEUWE BIJDRAGE 


TOT DE KENNIS DER 


ICHTHYOLOGISCHE FAUNA 


VAN HET EILAND 


BAN K A. 


DOOR 


Dr. P, BLEEKER. 


__Na het afdrukken van mijne Bijdrage tot de kennis der ich- 
\ thyologische fauna van het eiland Banka, opgenomen in den 
derden jaargang van het Natuurkundig tijdschrift voor Neder- 
 Jandsch Indië, ontving ik weder meerdere verzamelingen van 
__Bankasche vischen. Deze nieuwe verzamelingen heb ik groo- 
 tendeels weder te danken aan de bereidwilligheid van den 
heer D. F. Scnaar, resident van Banka, die volijverig voor 
de wetenschap, niet nalaat de natuurschatten van Banka te 
_ Onderzoeken en door belangrijke toezendingen van voorwerpen 
__ uit het dieren- en plantenrijk, de kennis van de natuurlijke en 
industriele rijkdommen van het onder zijn beheer geplaatste 
| gewest te bevorderen. Aan de bemiddeling van den heer Scraar 
_heb ik voorts nog te danken eenige visschen, uit de zoete wa- 
_ teren der rivier Marawang, door den heer Bernarp, officier 
| 4 van gezondheid op Banka, op mijne uitnoodiging verzameld. 


A alde he enge 


PAN ELRO PE EPT 4 bale Ent Wied 5 


716 


Bovendien werd ik onlangs nog verrast met eene verzameling 


visschen uit de zoete wateren van Toboali, mij welwillend afge- 
staan door den heer H. L. van Brormen WAANDERS, administra- 
teur der tinmijnen van genoemd distrikt. 

Het is mij eene aangename taak, hier openlijk voor on 
heeren mijne erkentelijkheid te betuigen voor de-welwillend- 
heid, ín het daarstellen en toezenden dezer verzamelingen be- 
toond. 

Behalve eenige nieuwe soorten, bevatten de bedoelde kollek- 
ties nog talrijke andere species, nieuw voor de fauna van 
Banka. 


De verzamelingen, tot welke deze kleine bijdrage betrek- 


king heeft, zijn afkomstig van de klippen Karang hadji bij 
Muntok, van de banken Goessong Assam en van Tandjong 
Berikat bij Koba, van de Klabatbaai, van Pankalpinang, van 
Marawang, van Soengislan en van de Lepar-eilanden, welke ten 
oosten van Banka zijn gelegen en in een geographisch opzigt 
tot Banka gerekend kunnen worden even als zij zulks zijn in 
een administratief opzigt. Ik laat de opsomming dezer ver- 
schillende verzamelingen hier volgen. De soorten met een * 
gemerkt, zijn reeds in mijne vroegere bijdrage vermeld, de 
overige zijn nieuw voor de kennis van Banka. 


Visschen van Karang had:i (verzameling van den heer 
D. F. Scnaap). 


1. _Labrax waigiensis CV. 12. * Diagramma crassispinum Rüpp. 
2. * Apogon quadrifasciatus CV, 18. * » punctatum Ehr, 

9. * Serranus crapao CV, 14. Seolopsides Vosmeri CV. 

4. _Mesoprion unimaculatus QG. 15. * Lethrinus opercularis CV. 

5. » monostigma CV! 16. * Gerres abbreviatus Blkr. 
Ge » Russellii Blkr. 17. * Chaetodon oligacanthus Blkr. 
eAfdd fulviflamma Blkr. 18. * Drepane punctata CV.=Dre- 
8. * phaiotaenia Blkr. pane longimana CV. 

9. * » annularis Blkr. 19. * Platax Blochii CV. 

10. * Upeneoïdes bivittatus Blkr. 20, Pimelepterus altipinnis CV. 
1. * » variegatus Blkr. 


117 


21. * Chorinemus Commersonianus 28. Gobius cyanomos Blkr. 

| CV. 29. Periophthalmus chrysospilos Bl, 
22. Selar Hasseltii Blkr. 90. _Echeneis-neucrates L, 

23. Carangoïdes gallichthys Blkr. 31. Batrachus grunniens CV. 

24. * Stromateoïdes atoukoia Blkr. 82. Hemiramphus Quoyi CV. 


25. Egquula filigera CV. 93. _Dussumieria elopsoïdes Blkr. 
26. _Amphacanthus javus CV. 34. _Pellona Russellii Blkr. 
27. » virgatus CV. 35. Spratella kowala Blkr. 


Visschen van de Klabatbaaïi (van den heer D. F. Scraap). 


1. Pentapus setosus CV. 2. Dentex upeneoïdes Blkr. 


Visschen van Pankalpinang (van den heer D. F. Scnaar). 


1. * Sphyraena jello CV. 11. * Plotosus unicolor CV. 

2. _Otolithus macrophthalmus Blkr. 12. * Engraulis Grayi Blkr. 

3. * Scatophagus argus CV. 13. Chatoessus nasus CV. 

A. * Drepane punctata CV, 14. Ophisurus Schaapiì Blkr. 

5. _Chorinemus sancti Petri CV. 15. Triacanthus Russellii Blkr. 

6, Selar Kuhlii Blkr. 16, * Carcharias (Prionodon) meni- 
__ 7. * Equula gomorah CV. sorrah. Val. 
__8. * Mugil cunnesius GV. 17. Trygon uarnakoïdes Blkr. 


__9. * Bagrus sondaicus OV. 
_ 10. * Osteogeneiosus Valenciennesii 
Blkr. 


Visschen van Marawang (van den heer Bernano). 


\ 1. Serranus boenack CV. 6. _Batrachus grunniens CV. 

R2. * » crapao CV. 7. _Pomacentrus katunko CV. 
KS. »- __ pelypodophilus Blkr. 8. Plotosus castaneoïdes Blkr, 

_ 4, * Scorpaena polyprion Blkr. 9. * Plagusia quadrilineata K, v. H. 


5. * Chelmon rostratus CV. 10. Machaerium reticulatum Bikr. 


Visschen van de banken Goessongassam bij Koba (van 
den heer D. F. Scnaap). 


met. + Apogon endekataenia Blkr., 9. _Therapon servus CV. 
2. Mesoprion madras CV. 4, * Sillago acuta CV. 


118 


5. * Upeneoïdes variegatus Blkr. 17, 
6. * Diagramma punctatum Ehr. 18. 
7. * Dentex tolu CV. 19. 
8 Gerres kapas Blkr. 20. 
9. * Chaetodon oligacanthus Blkr. 21. 
10. _Toxotes jaculator CV, 22. 
11. Carangoïdes praeustus Blkr. 28. 
12. Equula filigera CV. 24, 
13. _Amphacanthus dorsalis CV. 25. 
14. * Mugil melanochir K. v. H. | 26. 
15. Petroskirtes bankanensis Blkr. 27. 
16, _Batrachus diemensis Richards. 28. 


Amphisile scutata Cuv. 
Pomacentrus taeniops CV ? 

* Glyphisodon bengalensis CV. 
Crenilabrus oligacanthus Blkr. 
Hemiramphus Quoyi CV. 

» Buffonis CV. 

* Saurida tombil CV. _ 

* Rhombus lentiginosus Richards. 
Monacanthus Cantoris Blkr. 
Pogonognathus barbatus Blkr. 
Triacanthus oxycephalus Blkr. 
Hippocampus taeniopterus Blkr. 


Visschen van Tandjong Berikat bij Koba (van den heer 
D. F. Scraap).. 


1. * Ambassis urotaenia Blkr. 9; 
2. _Serranus celebicus Blkr. 10. 
3. * Mesoprion phaiotaenia Blkr. dd 
4. » fulviflamma Blkr —= 12. 
Diacope fulviflamma CV. 18. 
5. _Seolopsidestaeniopterus K, v. H. 14. 
6. _Pentapus setosus CV. 
7. Dentex tambulus CV. 16. 
8. Gerres kapas Blkr. 


Psettus rhombeus CV. 
Equula filigera CV. 

* Mugil parsia Ham. Buch. ? 
Hemiramphus Commersonii CV 
Exocoetus mento CV. 

* Saurus trachinus T. Schl. 


15. * Saurida tombil CV. 


Tetraödon argenteus Lacép. 


Zoetwater-Visschen van Toboali (van den heer H. L. van 
Broemen WAANDERS) 


1. __Anabas scandens CV. 9. 
2 Trichopus trichopterus CV. 10. 
3. * Betta anabatoïdes Blkr. ik 


4. * Ophicephalus marginatus CV. 
5 


5. » 
6. » marulioïdes Blkr. 13. 
7, * Nandus nebulosus Blkr. 14. 
8 Catopra Grootii Blkr. 15. 


bankanensis Blkr. 12. 


* Bagrus nemurus CV. 
Clarias melanosoma Blkr. 
Heterobranchus tapeinopterus 
Blkr. 
Barbus bilitonensis Blkr. 
Systomus apogon CV. 
Rohita Waandersii Blkr. 


Leuciscus Einthovenii Blkr. 


4 
Visschen van de Lepar-eilanden (van den heer D. EF. Scnaxp). 


j 
Nn 
Ei 
Aas 


Apogon novemfasciatus CV. Sj 
» macropteroïdes Bike: 14, 


Therapon servus CV. 
Sillago maculata QG. 
ï 


719 


5. * Upencoïdes variegatus Blkr. 10. Julis (Halichoeres) polyophthal- 


6. * Chelmon rostratus CV. mus Blkr. 
7. _ Amphiprion percula CV. 11. » _(__» _) leparensis Blkr. 
8. _Julis (Halichoeres) modestus 12. Machaerium reticulatum Blkr. 
Elkr. 
9. » (__» _}) strigiventer 
Benn. 


In de bovenaangehaalde bijdrage vermeldde ik nog slechts 116 
ä species, als het geheel der tegenwoordige kennis van de Ban- 
kasche vischfauna vertegenwoordigende. 

‚Door de boven vermelde verzamelingen wordt het aantal be- 
kende visschen van Banka gebragt op niet minder dan 1938, 
bevattende zij niet minder dan 77 species nieuw voor de fau- 
na van Banka, waarvan Íf tevens nieuw voor de wetenschap. 
Deze 193 soorten zijn de hieronder genoemde. ’ | 


. Labrax waigiensis CV. Nat. T. Ned. Ind. II p. 479. 

. Apogon endekataenia Blkr. ibid. III p. 448. 

» kalosoma Blkr. ibid. III p. 449. 

» novemfasciatus CV. ibid, III p. 163. 
macropteroïdes Blkr. 

» quadrifasciatus CV. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. 
. Ambassis nalua CV. ibid. 

» urotaenia Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 257. 
. Serranus crapao CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 

» nebulosus OCV. ibid. 

polypodophilus Blkr. ibid. 

12. » boenack ibid. 


Es NA 
y 


Jed jh 
mk OO 
ied 


13. » celebicus Blkr. Nat. T. N. Ind. HH p. 217. 

14. Mesoprion phaiotaenia Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoid. 
15. » annularis CV. ibid. 

16. » Russellii Blkr. ibid. 

17. » unimaculatus QG. ibid. 

18. » monostigma CV. ibid. 

9. » fulviflamma Blkr. Nat. T, N. Ind. III p. 555. 
20. > madras CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 
21. Therapon servus CV. ibid, 

22. » theraps CV. ibid. 

28 » puta CV. ibid. 

24. Sphyraena jello CV. ibid. 


120 


, Sillago acuta CV. ibid. 


» _ maculata QG. ibid. 


. Polynemus tetradactylus CV. ibid. 
. Upeneoïdes vittatus Blkr. ibid. 


» bivittatus Blkr. ibid. 
» variegatus Blkr. ibid. 


‚ Platycephalus scaber CV. ibid. XXII Seclerop. 


» punctatus CV. Nat. T. N. Ind. I p. 25. 


‚ Scorpaena polyprion Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Sclerop. 
„ Pteroïs kodipungi Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. III p. 450. 
„ Minous monodactylus CV. Verh. Bat. Gen. XXII Sclerop. 
„‚ Otolithus argenteus K,v.H. ibid. XXIII Sciaen. 


» macrophthalmus Blkr. ibid. 


‚ Corvina catalea CV, ibid. 
. PriStipoma caripa CV. ibid. 


Ô Diagramma crassispinum Rúpp. ibid. 


» punctatum Ehr. ibid, 


. Scolopsides monogramma K. v. H. ibid. 


» __ Vosmeri CV. ibid. 
» taeniopterus K. v. H. ibid. 
» leucotaenia Blkr. Nat. T. N. Ind. III. p. 451. 


. Pentapus setosus CV. Nat. T. N. Ind. II p. 175. 
. Dentex tolu CV. Verh, Bat. Gen. XXIII Spar. 


» upeneoïdes Blkr. 
» tambulus CV. Verh. Bat” Gen. XXIII Spar. 


. Lethrinus opercularis CV. ibid. 
. Gerres poetie CV, ibid Maenoid. 


» abbreviatus Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind. I p. 108. 
» kapas Blkr. Nat. T. N. Ind. H p. 432. 


. Anabas scandens CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Doolh. K. 
. Betta anabatoïdes Blkr. Nat. T. N. Ind. Í p. 269. 


» trifasciata Blkr. ibid. T p. 107. \ 


Trichopus trichopterus CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Doolh. K. 
‚ Ophicephalus lucius K. v. H. ibid. 


» striatus Bl, ibid. 

» marginatus CV. ibid. 

» bankanensis Blkr. 

> marulioïdes Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 424. 


‚ Chaetodon oligacanthus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Chaetod. 
‚ Chelmon rostratus CV. ibid. 
. Scatophagus argus CV. ibid. 
‚ Drepane punctalg CV. ibid. 

‚ Holacanthus semicirculatus CV. Nat. T. N. Ind. III p. 452. 


‚ Platax Blochii CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod. 
. Pimelepterus altipinnis CV. 
‚ Psettus rhombeus CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod. 
‚ Toxotes jaculator CV. ibid. 
‚ Scomber kanagurta CV. ibid. XXIV Makr. 
. Cybium Croockewitii Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind. I p. í61. 
» konam Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Makr.Nat. T. N. Ind. 1 
p. 957. 
» guttatum CV. Verh. B. Gen. XXIV Makr. 
„‚ Chorinemus Commersonianus CV. ibid, 
» tol CV. ibid. 
» sancti Petri CV. ibid. 
‚ Trachinotus mookalee CV. ibid. 
‚ Trichiurus savala CV. ibid, 
. Elacate mottah CV. ibid. 
‚ Megalaspis Rottleri CV. ibid. 
‚ Selar malam Blkr, ibid. Nat. T. N. Ind. I p. 562. 
» _ Hasseltii Blkr. ibid. ibid. p. 359. 
» _Kuhlii Blkr. ibid. ibid. p. 360. _ 
„ Carangoïdes citula Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Makr. 
» gallichthys Blkr. ibid. 
» praeustus Blkr. ibid, Nat. T. N. Ind. I p. 363. 
. Gnathanodon speciosus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Makr. 
‚ Stromateoides atoukoia Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind. 1 p. 369. 
. Equula gomorah CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Makr. 
» lineolata CV, ibid. 
>» filigera CV. ibid. 
. Amphacanthus Kopsii Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 483. 


» javus CV. Yerh. Bat. Gen. XXIII Teuthid. 
» virgatus CV. ibid.” 
D) dorsalis CV. ibid. 


‚ Atherina duodecimalis CV? Nat. T. N. Ind. II p. 485. 
. Mugil eunnesius CV. ibid. HI p. 454. 

» _ melanochir K. v. H. ibid, III p. 423. 

» _parsia Ham. Buch. ? ibid. II p. 166. 
‚ Petroskirtes bankanensis Blkr. 
. Gobius kokius CV.sVerh. Bat. Gen. XXII Gobioïd. 

» caninus CV. ibid. 

» eriniger CV. Nat. T., N. Ind. HI p. 453. 

» eyanomos Blkr. Verh. Bat, Gen. XXIT Gobioïid, 
„ Periophthalmus chrysospilos Bikr. 
„ Callionymus sagitta Pall. Nat. T. Ned. I p. 31. 

» Schaapii Blkr. ibid. HI p. 455. 


BENE EE ee 


122 


. Echeneis neucrates L. Verh. Bat. Gen. XXIV Chiroc. Lutod. 
‚ Batrachus grunniens CV. Nat. T., N. Ind. II p. 484. 


» diemensis Richards. ibid. III p. 168. 


. Amphisile scutata Cuv. ibid. II p. 245. 
. Nandus nebulosus CV. ibid. III p. 92. 
. Catopra fasciata Blkr, ibid. II p. 65, 


» Grootii Blkr. ibid. III p. 90. 


. Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. ibid. III p. 282. 


» percula CV. ibid. III p. 287. 


. Pomacentrus katunko Blkr. ibid. III p. 169. 


» taeniops CV? 


. Glijphisodon bengalensis CV. Verh. Bat. Gen. XXI Kamsch. Labr. 
. Crenilabrus oligacanthus Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 68. 
„ Julis (Halichoeres) modestus Blkr. Verh. Bat. G. XXII Gladsch. Labr. 


sek » ) strigiventer Benn. Nat. T. N. Ind. II p. 251. 
A » ) polyophthalmus Blkr. 
mik » ) leparensis Blkr. 


. Bagrus nemurus CV. Verh. Bat. Gen. XXI Silur. batav. 


» __sondaicus CV. ibid. 


. Arius tonggol Blkr. ibid. 


x __macruropterygius Blkr. ibid. 


. Osteogeneiosus Valenciennesii Blkr. ibid. 

„ Plotosus castaneoïdes Blkr. Nat. T. Ned. Ind. II p. 491. 
. Clarias melanosoma Blkr. ibid. III p. 427. 

‚ Heterobranchus tapeinopterus Blkr. 

. Chaca bankanensis Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 455. 

. Plotosus lineatus CV. Verh. B. Gen. XXI Silur. batav. 


» unicolor CV. ibid. 


‚ Rohita Waandersii Blkr. 
. Barbus lateristriga CV. Nat. T. N. Ind. III p. 95. 


» _ bilitonensis Blkr. ibid. HI p. 96. 
» _ binotatus K. CV. 


‚ Systomus apogon CV. Nat. T. N. Ind. III p. 428. 
. Leuciscus cephalotaenia Blkr. N, T. N. Ind. III p. 97. 


» Einthovenii Blkr. ibid. III p. 434. 


‚ Belone caudimacula Cuv. Verh. Bat. Gen. XXIV Snoek. 
. Hemiramphus Commersonii CV. ibid. 


» Gaimardi CV. ibid. ' 

» Dussumieriì CV. ibid. 

» Quoyi CV. Nat. T. N. Ind. II p. 494. 
» Buffonis CV. ibid. III p. 7íf. 


. Exocoetus mento CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Snoek. V. 
. Chiroeentrus dorab CV. ibid. XXIV Chiroc. 


153. 
154. 
155. 
156. 
157. 
158. 
159. 
160. 
161. 
162. 
163. 
164. 
165. 
166. 
167. 
168. 
169. 
170. 
47. 
172. 
173. 
174. 
175. 
176. 
177. 
178. 
179. 
180. 
181. 
182. 
183. 
184. 


185. 
186. 
187. 
188. 
189. 
190. 


191. 
‚ 192. 
193. 


Albula bananus CV. ibid. 

Dussumieria elopsoïdes Blkr. ibid. 

Harengula dispilonotus Blkr. Nat. T. Ned, Ind. HI p. 456. 
Pellona Grayana CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. 

» _‘Russellii Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind, III p. 72. 
Rogenia argyrotaenia Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind, HI. 457. 
Spratella kowala Blkr. ibid. ibid. III p. 492. 

Alausa kanagurta Blkr. Verh. B. Gen. XXIV Har. 

» ctenolepis Blkr. ibid, Nat. T. N. Ind. III p. 74. 
Engraulis rhinorhynchos Blkr. ibid. ibid. III p. 494. 

» Grayi Blkr. ibid. ibid. II p. 492. 

» Browniì CV. Verh. B. Gen. XXIV Har. 

» trì Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind, III p. 436. 

» setirostris CV. Verh. B. Gen. XXIV Haring. 
Chatoessus chacunda CV. ibid. 

» selangkat Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind, III p. 458. 

» nasus CV. ibid. Nat, T. N. Ind. II p. 223. 
Saurus ophiodon Cuv. Verh. Bat. Gen. XXIV Chiroc. 

» trachinus T. Schl. Nat. T. N. Ind. III p. 2941. 
Saurida tombil CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Chir. 
Hippoglossus erumei Cuv. ibid. XXIV Pleuron. 

Rhombus lentiginosus Richards. ibid. 
Achirus pavoninus Lacép ibid. : 
Plagusia quadrilineata K. v. H. ibid. Nat. T. N, Ind. I p. 412. 

» javanica K. v. H. ibid. ibid. Ll p. 414. 

Machaerium reticulatum Blkr. 

Ophisurus Schaapii Blkr. 

Monopterus javanensis Lacép. Verh. Bat. Gen. XXV Muraen. Symbr. 
Tetraödon oblongus Bl. ibid, XXIV Blootk. V, 

» lunaris CV. ibid, 

» argenteus Lacép. 

Monacanthus Cantoris Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Balist. Nat. T. N. 

Ind. III p. 80. 

Pogonognathus barbatus Blkr. Verh. B. Gen. XXIV Balist. 
Triacanthus Nieuhofii Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind. III p. 459. 

» oxycephalus Blkr. ibid, ibid. IL p. 496. 

» Russellii Blkr. verh. B. Gen. XXIV Balist. 
Hippocampus taeniopterus Blkr. Nat, T. N. Ind. HI p. 306. 
Carcharias (Prionodon) menisorrah CV. Verh. Dat. Gen. XXIV Pla- 

giost. 

» (Scoliodon) acutus Rüpp. MH. ibid. 

Trygon zugei Bürg. ibid 


» uarnakoïdes Blkr. ibid. 


ha be, akad 7 19 d à RU rs ë ier N 
En vi En Ab 
‘ Fer AN hadi 4 Ti 
en, Je 


DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE, 


PERCOIDEI. 


Apogon macropteroïdes Blkr. 


Äpog. corpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus longitudine, 
latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite 834 circiter in longitudine 
corporis, vix longiore quam alto; oculis diametro 3 circiter in longitudine 
capitis, a linea rostro-frontali paulo remotis; linea rostro-frontali declivi 
rectiuscula; orbitis et osse suborbitali edentulis; rostro oculo multo bre- 
viore ; maxillis dentibus parvis serie externa seriebus internis paulo ma- 
joribus curvatis; maxilla superiore inferiore paulo breviore sub medio oculo 
desinente; praeoperculo angulato angulo rotundato, margine interno rect- 
anguio edentulo, margine externo angulo inferneque praesertim denticu- 
lato ; ossibus opercularibus ceteris edentulis; lineis dorsali et ventrali con- 
vexis; squamis lateribus 23 p. m. in serie longitudinali; linea laterali rectius- 
eula leviter arborescente ; pinna dorsali spinosa dorsali radiosa multo hu- 
miliore, acuta, spinis gracilibus 2° ceteris longiore, 1* 2e duplo fere bre- 
viore; dorsali radiosa corpore multo humiliore, acuta, angulata; pectorali- 
bus obtusiusculis analem attingentibus 44 circiter, ventralibus acutis 62 
eirciter in longitudine corporis; spina ventrali ante pinnam pectoralem in- 
serta; anali longa, acuta, corpore minus duplo humiliore, emarginata; 
caudali emarginata lobis? (partim abruptis); colore corpore flavo-auran- 
tiacos vittis corpore rubris transversis leviter obliquis curvatis gracilibus 
p. m. 23; capite corporeque punctis et punctulis nigris vel fuscis arenato, 
punetis genis operculisque majoribus, punctulis cauda confertissimis macu- 
lam diffusam magnam similantibus;s pinnis omnibus pulchre roseo-rubris; 
iride tota flava. 

B. 1. D. 6 —1/9 vel 1/10. P+ 2/il. V. 1/oo A. Mi Tewel S/ie: Os 1e 

et lat. brev. 

Habit. Insul. Lepar, in mari. 

Longitudo speciminis unici 74///, 


Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan Apogon macrop- 
terus Kav. H. Im habitus hebben beide soorten veel van el- 
kander, doch bij Apogon maeropterus is het ligchaam doorschij- 


© 


725 


nend geelachtig en ontbreken de roode dwarsche strepen des 
ligchaams, terwijl de staart er slechts eene kleine zwarte vlek 
heeft. 


SPAROIDEL. 


Dentex upeneoïdes Blkr. 


Dent. corpore oblongo compresso, altitudine 44 fere in ejus longitudine, 
latitudine. 2 circiter in ejus altitudine; capite convexo obtuso, mulloideo, 
4 et paulo in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus 
longitudine; oeculis diametro 3 in longitudine capitis; linea rostro-frontali 
convexa; rostro convexo oeulo non vel vix breviore; osse suborbitali pos- 
tice oblique obtuse rotundato, altitudine 14 circiter in oculi diametro; 
maxillis aequalibus, superiore sub oculi margine anteriore desinente; den- 
tibus maxillis plurisegtatis, serie externa conicis majoribus, maxilla supe- 
riore caninis 6 conicis brevibus, maxilla inferiore caninis nullis; praeoper- 
eulo squamis in series 3 dispositis; squamis ciliatis, lateribus 50 p. m. in 
serie longitudinali; pinna dorsali spinis gracilibus, flexilibus, mediis cete- 
ris longioribus, corpore duplo circiter humilioribus, membrana inter singu- 
las spinas leviter emarginata, parte radiosa parte spinosa humiliore postice 
acuta; pectoralibus acutis 54, ventralibus acutis 6 fere, caudali profunde 
incisa lobis acutis superiore longiore 44 ad 44 in longitudine corporis; 
anali dorsali humiliore postice acuta; colore corpore roseo inferne nitido 
argenteo intermixto; pinnis roseis, dorsali radiosa vitta longitudinali flava 
„margini superiori approximata; iride rubra. x 
BNG: 10/9 vel 10/10. P. 2/14. V. 1/5. A. 3/1 vel 3/8. Co A7 et 

lat. brev. 

Habit. Banka, in Sinu Klabat dicto. 
_Longitudo speciminis unici 143”. 


Aanm. Deze soort is na verwant aan Dentex Peronii CV. doch 
bij deze is het ligchaam minder slank, het profiel spitser, zijn 
de schubben talrijker (meer dan 60 op eene overlangsche rei), de 
staartvinkwabben spitser enz. Dente marginatus CV. moet 
evenzoo na aan bovenbeschrevene soort verwant zijn doch heeft 
8 kleine hondstanden en de staartvin zwart gerand. Mijne soort 
_ heeft in habitus veel van een Upenoïdes, aan welke overeen- 
komst ik den soortnaam heb ontléend. 


796 
OPHICEPHALOÏDEL. 


Ophucephalus bankanensis Blkr. 


Ophiceph. corpore elongato antice cylindrico postice compresso, altitu- 
dine 8 et paulo in ejus longitudine; capite acuto conico-subpyramidali, 4 
circiter in longitudine corporis; latitudine et altitudine ecapitis 2 circiter 
in ejus longitudine; linea rostro-frontali declivi rectiuseula; fronte et ver- 
tice planiusculis; oculis diametro 54 circiter in longitudine capitis, dia- 
metro 1% circiter a se invicem distantibus; maxilla inferiore maxilla supe- 
riore paulo longiore, antice dentibus pluriseriatis parvis, lateribus biseria- 
tis serie interna majoribus caninoïdeis 8 vel 4; maxilla superiore sub ocu- 
li parte posteriore desinente, 22 in longitudine capitis, dentibus pluriseri- 
atis parvis, caninoïdeis nullis; dentibus palatinis et vomerinis uniseriatis 
caninoïdeis; squamis cycloïdeis, lateribus 60 p. m., capitis parte postocu- 
Jari p. m. 12 in serie longitudinali; linea laterali antice paulo descenden- 
te postice rectiuscula; pinnis rotundatis, pectoralibus ventralibus longiori- 
bus capite duplo circiter brevioribus; caudali 54 circiter in longitudine 
corporis; corpore superne fuscescente et viridi nebulato inferne margarita- 
ceo-viridi;s capite lateribusque inferne punctis fuscis; operculo macula 
magna fuscas vitta cephalo-caudali flavescente undulata; pinnis ventralibus 
byalinis, anali aurantiaca, ceteris fuscescente-viridibus, dorsali et anali 
marginem versus fuscis, pectoralibus at caudali fusco variegatis. 

B. D.4l.. B I/1be Vol/5., As 30. C., 12 vel 14 et Takerer. 

Habit. Provincia Toboali, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 97”. 


Aanm. Deze Ophicephalus schijnt na verwant te zijn aan Ophi- 
cephalus serpentinus CV. van Siam, van welke soort in de groote 
Histoire naturelle des Poissons slechts eene beschrijving der kleu- 
ren van het ligchaam voorkomt, benevens eene opgave van de 
getallen der vinstralen. Die kleuren zijn evenwel eenigzins an- 
ders dan bij mijn specimen en de getallen der vinstralen ver- 
schillen aanmerkelijk t.w. D. 44. A. 26. Ophicephalus banka- 
nensis is ook verwant aan Ophicephalus rhodotaenia Blkr. (Nat. 
Tijdschr. N. Ind. II. p. 425) van Borneo, doch deze heeft eenig- 
zins andere kleuren, slechts 25 aarsvinstralen, den kop slechts 
11, maal zoo lang als hoog, 50 schubben op eene overlang- 
sche rei enz. 


men ee me re a en nd nn ee On dn nr en a 


127 


CHAETODONTOIDEL 


Pimelepterus altipinmis GV. Poiss. VIE p. 202. 


Pimel. corpore oblongo compresso, altitudine 3 et paulo in ejus longi- 
tudine, latitudine 22% circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo 44 
eirciter in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; oculis dia- 
metro 3 et paulo in longitudine capitis; linea interoculari convexa linea 
rostro-ventrali longiore; dentibus maxillis cuneiformibus, maxilla superiore 
p. m. 40, maxilla inferiore p. m. 32; praeoperculo rotundato denticulatos; 
squamis etenoïdeis, lateribus 65 p. m. in serie longitudinali; pinna dor- 
sali parte spinosa parte radiosa humiliore, spinis mediis spinis ceteris lon- 
gioribus, spina 1° spiaa ultima plus duplo breviore; parte radiosa antice 


\ . ere . : 
obtusa rotundata corpore triplo humiliore postice acutangula; pectoralibus 


‚et ventralibus acutis 62% circiter in longitudine corporis; anali antice ob- 


tusa postice acutangula; caudali leviter emarginata, angulis acuta, 44 
eirciter in longitudine corporis; colore corpore griseo vittis 23 p. m. lon- 
gitudinalibus aureo-viridibus; pinnis griseo-fuscescentibus vel nigricantibus ; 
dorsali ef anali radiosis nigro marginatis; vitta infraoculari argentea. 

BDE LE/2 vel 11/13. P. 2/14. V. 1/5, A.-3/11 vel.3/12. C. 17 et 

lat. brev. 
Synon. Piméleptère à& hautes nageoïres CV. Poiss. VII. p. 202. 
Habit. Banka, prope Karang hadji, in mari. 


bed 


Longitudo speciminis unici 160”. 


Aanm. Deze soort, behoorende tot de afdeeling van Pime- 


lepterus, bij welke de straalachtige. rugvin de doornachtige in 
hoogte overtreft, breng ik tot Pimelepterus altipinnts GV., wel- 
ke reeds bekend is van Nieuw Guinea en Bourbon. Het be- 
schreven specimen behoort tot den nog jeugdigen leeftijdstoe- 
stand, vermits de soort gezegd wordt de lengte van een’ arm 
‘te bereiken. 


BLENNIOIDEL 


Petroskirtes hankanensis Blkr. 


Petroskirt. corpore elongato compresso, altitudine 64 circiter in ejus 


Tongitudine; capite convexo, 54 circiter in longitudine corporis; altitudine 


3 


capitis 12 circiter, latitudine 2 circiter in ejus longitudine; linea rostro-fron- 


tali convexas rostro vix ante os prominente; crista occipitali nulla; cirro 


regione postoculari superiore oculo multo breviore; oculis diametro 4} in 


Hi. 55 


a 


728 


longitudine capitis, diametro 14 circiter a se invicem distantibus; rictu 
sub oculi parte anteriore desinente; maxillis antice tantum dentatis, den- 
tibus confertissìmis, maxilla superiore p.m.36, maxilla inferiore p. m. 40; 
maxilla superiore caninis 2 mediocribus curvatis, maxilla inferiore canino 
longissimo valde curvato; apertura branchiali rotundata oculo vix minore ; 

cute laevi; linea laterali inconspicua; pìnnis radiis omnibus simplicibus; dor- 
sali paulo ante aperturam branchialem incipiente et prope pinnam caudalem 
desinente, margine superiore convexanon emarginata, corpore minus duplo 
humiliore, radio nullo producto; pectoralibus obtusis 74 circiter, ventra- 
libus 84 circiter, caudali convexa radiis aliquot paulo productis 5 et paulo 
in longitudine corporis; anali dorsali humiliore margine inferiore convexo; 
corpore superne olivaceo-viridi inferne flavescente, maculis parvis fuscis et 
punctis coeruleis sparsis variegatis; pinna caudalt basi fusca, post basin 
flava, postice olivaceo-fusca; pinnis ceteris flavis, dorsali et anali maculis 


parvis fuscis et vittulis diffusis fuscescentibus variegatis et reticulatis , dor- 
sali aurantiaco marginata. 


6 DE 28E 15. VE ATD. Cl1 et Tate hiers 
Habit. Koba, prope arenos. Gussong assam, in mari. 
Longitudo speciminis unici 120”, 


Aanm. Bij mijn eenig specimen bevinden zich aan de linker 
zijde der onderkaak @ groote slagtanden, van welke de voor- 
ste verreweg de grootste is, doch de regterzijde bezit slechts 
een enkelen grooten slagtand. De soort is herkenbaar aan de 
slankheid des ligchaams, de onverdeelde bolle rugvin, de korte 
achteroogsdraden, het aantal tanden in de kaken, de kleuren 
van ligchaam en vinnen, het niet zigtbaar zijn der zijlijn enz. 


GOBIOÏDEI 


Periophthalmus chrysospilos Blkr. 


Periophth. corpore elongato antice cylindraceo postice compresso, alti- 
tudine 7 circiter in ejus longitudine; capite obtuso subtruncato convexo, 
44 ad 42 in longitudine corporis; altitudine capitis 13 circiter, latitudine 
1# eirciter in ejus longitudine; fronte angulata; oculis diametro 4 ad 42 
in longitudine capitis, palpebris-magnis; dentibus maxillaribus uniseria- 
tis, conicis, mediocribus, subaequalibus, utraque maxilla p. m. 40; caninis 
nullis; rietu subhorizontali sub®culo desinente; labio superiore lato; squa- 
mis parvis lateribus 70 p. m. in serie longitudinali;, pinna dorsali spi- 
_ nosa corpore muito altiore subfiabelliformi „ altiore «quam basi longa, 


spina 1* spinis ceteris Jlongiore masculis in filum producta; dorsali 2* 


729 


aequantibus; ventralibus in discum integrum unitis; caudali rotundata ob- 

tusa 5 circiter in longitudine corporis; appendice anali oblonga; colore 

corpore superne lateribusque coeruleo inferne margaritaceo; capite totoque 

corpore maculis numerosis irregularibus parvis aureo-aurantiacis; pinna 

dorsali spinosa inferne aurantiaca, superne antice praesertim violaceo-ni- 

gra flavo marginata; dorsali radiosa inferne coerulescente, superne auran- 

tiaca, medio vitta lata longitudinali nigra; pinnis pectoralibus griseo-coeru- 

leis aureo maculatis; ventralibus analigue pulchre flavis; caudali coerules- 

cente-violacea. 

B. 5. D. 10—1/12 vel 1/13. P. 15. V. 1/5. A. 10 simpl. + 3 vel 4 
fiss. C. 8 vel 10 et lat. brev. 

Habit. Karang hadji, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 106” (femin.) et 112” (mascul.). 


Aanm. Deze fraaije soort is zeer kenbaar aan haar met goud- 
kleurige vlekjes geteekend blaauwachtig ligchaam, volkomen 
schijfvormig vereenigde buikvinnen, 10 rugdoornen, enkelen 
zwarten band over de 2e rugvin enz. 


LABROÏDEI CTENOIDEI. 


Pomacentrus taentops CV. Poiss. V. p. S17P 


Pomac. corpore oblongo compresso, altitudine 22 ad 3 ecirciter in ejus 


longitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite obtuso con- 
vexo 4 et paulo in longicudine corporis, aeque alto eirciter ac longo; 
‚ oculis diametro 3 fere in longitudine capitis; linea rostro-frontali convexa; 
_osse suborbitali oculi diametro multo humiliore, postice emarginato den- 
ticulato; dentibus utraque maxilla p. m. 34 vel 86 apice emarginatis; 
_ praeoperculo obtusangulo, margine posteriore dentibus valde conspicuis; 
d operculo postice spina unica brevi plana; dorso ventre multo altiore et 
_convexiore; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinali; linea late- 
rali sub anteriore parte pinnae dorsalis radiosae interrupta; pinnis’ dorsa- 
Ji et anali radiosis rotundatis obtusis, dorsali spina postica spinis ceteris 
Ë | longiore, membrana inter singulas spinas emarginata lobata; pectoralibus 
_ obtusis 42 circiter, ventralibus acutis radio le producto 3%, caudali emar- 


| 
_ ginata lobis rotundatis 4 et paulo in longitudine corporis; colore corpore 
op 


viridi-fuscescente cauda rubescente; operculo superne gutta nigricante; 


Á 


Ie 


__ vittis 3 oculo-maxillaribus coeruleis; iride vitta coerulea; capite antice 


vitis 2 maxillo-dorsalibus rostro convergentibuús; squamis capite, corpore 


EE 


„eorpore humiliore; pectoralibus obtusis rotúndatis longitudine caput sub- 


730 


ca; pinnis ceteris fuscis; dorsali radiosa radium 8m inter et 11” maculs 
rotunda nigra coeruleo cincta. 


B. 5. D. 13/14 vel 13/15. P. 2/15. V. 1/5. A. 2/14 vel 2/15. C. 15 


vel 17 et lat.-brev. 
Synon. Pomacentre à trait sous Voeil CV. Poiss. V p. 317% 
Habit. Koba, prope aren. Gussong assam, in mari. 
Longitudo speciminis unici 62/'/. 


Aanm. Ik breng deze soort slechts met twijfel tot Pomacen- 
trus taeniops CV, vermits in de beschrijving daarvan het aan- 
tal rugvinstralen wordt opgegeven tezijn =12/[7 of 12/16 en 
dat der aarsvinstralen = 2/13, terwijl de hoogte des ligchaams 
er nog geen tweemaal zou gaan in zijne lengte. Van Poma- 
centrus taentomelopon verschilt boven beschreven specimen door 
zijne zwarte rugvinvlek, talrijker tanden der kaken enz. 


LABROIDEL CYCLOIDEL 


Julis (Halichoeres) leparensis Blkr. 


Jul. (Halich.) corpore subelongato compresso, altitudine 43 ad 42 in 
ejus longitudine, latitudine 2 ad 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto 
A cireiter in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus 
longitudine; oculis diametro 24 circiter in longitudine capitis; linea ros- 
tro-frontali declivi convexiuscula; dentibus maxillis medioeribus, maxilla 
superiore antice caninis 2 medioeribus, postice dente angulari mediocris; 
labiis carnosis; linea laterali auntice plurimis squamis dichotoma postice 
indivisa; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinali, squamis thora- 
cicis ceteris non majoribus; pinnis dorsali et anali basì glabris, postice 
angulatis, dorsali spinis posticis spinis ceteris longioribus; pectoralibus 
obtusis 6, ventralibus acutis 8 circiter, caudali obtusa convexa 6 ad 64 
in longitudine corporis; colore corpore pulchre rubro ventre margaritaceo 5 
squamis dorso pluribus macula fusca; squamis dorso lateribusque plurimis 
margine libero fuscescentibuss lateribus inferne vittis 4 longitudinalibus 
dilute flavis, vitta superiore oculo-caudali; cauda superne postice oecello 
nigro rubro cincto; capite vitta oculo-maxillari lata profunde fusca; regione 
postoculari macula oblonga transversa fusca; operculo superne striis longi- 
tudinalibus curvatis 4 flavescentibus; maxilla inferiore flava; pinnis dor- 
sali et anali rubris ocellis dillutioribus in series 2 vel 3 longitudinales 


dispositis, dorsali maculis 2 nigris annulo pellucido ecinctis, 1* parva spi- 


er SD 


nt a KE ee eh te Sca Bet ES 


751 


nam lm inter et 2m, 2, majore radium 1* inter et 3m; pinnis pectoralibus 
violascentibus, basi vitta transversa flava; ventralibus flavis; caudali rubra. 
B.6. D. 9/12 vel 9/18. B. 2/12.- V. 1/5. A. 3/12 vel 3/13, C. 4 et 
lat. brev. 
Habit. Insul. Lepar, in mari. 


Longitudo 6 speciminum 54/'’ ad 64///. 


Aanm De rijkdom van den Índischen archipel aan soorten van 
Julis schijnt onuitputtelijk te zijn. Ik bezit er thans reeds 37, 
waarvan 3 behooren tot de afdeeling Júlis, 34 tot de afdeeling 
Halichoeres. De boven beschrevene soort is een der sierlijkst ge- 
kleurde van haar geslacht en behoort de groep van Julis (Ha- 
lichoeres) notopsis Van Hass., Julis (Halichoeres) miniatus Van 
Hass., Julis (Halichoeres) binotopsis Blkr., Julis (Halichoeres) timo- 
rensis Blkr., Julis (Halichoeres) Hoevenü Blkr, Julis (Hali- 
choeres) variegatus Rüpp. Julis nebulosus CV, allen met kleine 
of middelmatige hondstanden en twee zwarte of donkerblaauwe 
rugvinvlekken tusschen de beide eerste doornen en tusschen 
de voorste stralen. Zij laat zich echter van deze soorten ge- 
makkelijk onderkennen aan de zwarte staartvlek en de Á gele 
strepen langs de onderste helft der zijden, alsmede aan de ove- 
rige kleuren. 


Julis (Halichoeres) polyophthalmus Blkr. 


Jul. (Halich.) eorpore subelongato compresso, altitudine 44 ad 42 in 
ejus longitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto 44 
circiter in longivudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in ejus lon- 
gitudine; oculis diametro 82 circiter in longitudine capitis; linea rostro- 
frontali declivi convexiuscula; dentibus maxillis mediocribus anticis 2 ca- 
ninis mediocribus; maxilla superiore dente angulari recto medioeri promi- 
nente; linea laterali antice singulis squamis bifida vel trifida, cauda sim- 
pliee; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinali; squamis thoracicis 
squamis ceteris minoribus; pinnis dorsali et anali basi glabris, postice an- 
gulatis, dorsali spina postica spinis ceteris longiore; pectoralibus obtusis 
64, ventralibus acutis 7 circiter, caudali obtusa convexa 6 circiter in 
longitudine corporis; colore corpore profunde rubro-violaceo; fascia ce- 
phalo-caudali aureo-fusca supra lineam lateralem lineae dorsali parallela; 
squamis dorso plurimis macula nigricante; dorso insuper maculis 4 vel 5 


luteis distantibus basi pinnae dorsalis approximatis; lateribus ocellis car- 


mosinis coeruleo cinctis valde approximatis in series 7 longitudinales dis- 


. 


We Eh Eed. 


132 


positis; capite superne violaceo, lateribus carmosino, mento flavo; vittis 
rostro-oculari, mento-oculari opercularibusque rubro-violaceis; pinnis dor- 
sali et anali rubro-violaceis; dorsali margine tricolore flavo, fusco et au- 
reo, anali margine flavo; dorsali ocellis carmosinis coeruleo cinctis parte 
spinosa in series 2 parte radiosa in series 3 longitudinales dispositis, 
ocellis dorsali spinosa anterioribus superioribus unitis vittam longitudina- 
lem efficientibus; anali ocellis carmosinis coeruleo cinctis in series 3 lon= 
gitudinales dispositis, ocellis seriebus inferioribus plurimis unitis vittam 
longitudinalem efficientibus; pinnis pectoralibus violascentibus basi flavis; 
ventralibus flavis radio 1® violaceo; caudali basi carmosina, medio ru- 
bra, postice nigricante-violacea, angulis flava, basi medioque annulis nu- 
merosis coerulescentibus. 

B. 6. D. 9/18 vel 9/14. P. 2/19. V. 1/5. A. 3/12 vel 3/13. C. 14 et 

lat. brev. 
Habit. Insul. Lepar, et Cauer, Sumatrae occidentalis, in mari. 
Longitudo 2 speciminum 72''’ et 73''/, 


Aanm. Deze uiterst fraaije soort is voornamelijk kenbaar 
aan de talrijke karmosijnroode , ronde, in overlangsche reijen 
geplaatste vlekken van ligchaam en vinnen. 


SILUROÏDEL. 


Heterobranchus tapeinopterus Blkr. 


Heterobr. corpore elongato antice cylindraceo postice compresso, altitu- 
dine 91 ecirciter in ejus longitudine; capite convexo obtuso 62% in longi- 
tudine corporis; altitudine capitis 12, latitudine 1 et paulo in ejus lon- 
gitudine; seuto capitis leviter granuloso; impressione frontali ovali, 
occipitali nulla; osse interparietali brevi acuto, apice impressione super- 
fictali ; oculis diametro 18 circiter in longitudine eapitis; cirris nasalibus et 
inframaxillaribus internis basin, supramaxillaribus inframaxillaribusque ex- 
ternis apicem pinnae pectoralis attingentibus vel subattingentibus; vitta 
dentium vomerinorum postice non producta; pinna dorsali radiosa pinnae 
dorsali adiposae subcontigua corpore duplo circiter humiliore; pinna dor- 
sali adiposa corpore plus quadruplo humiliore cum basi pinnae caudalis 
unita; anali ante medium pinnae dorsalis radiosae incipiente, corpore du- 
_plo cireiter humiliore, cum basi pinnae caudalis unita; pectoralibus acu- 
tiusculis ventralibus multo longioribus 10 ecirciter in longitudine corporis, 


spina valde crassa postice dentata; caudali rotundata 6 et paulo in longi- 


An et rd nn add AE en tn Se te 


nie TE 7 


ge 


nd 


753 


tudine corporis; colorc corpore fusco, pinnis viridescente-fuscis, dorsalt 
radiosa analique marginem liberum versus dilutiore. 

BROD 1/23 0: Ps 1/B.,M- 1/5. A, 1/48, C.-22, 

Habit. Provincia Toboali, in fluviis. 

Longitudo speciminis unici 124/!!, 


Aanm. De geslachten Heterobranchus en Chaca zijn in den 
Indischen Archipel tot nog toe slechts op het eiland Banka 
aangetroffen en geven ten opzigte der geographische verbreiding 
van de Siluroïden aan Banka een eigenaardig karakter. Het 
voorkomen van Heterobranchus op Banka is des te merkwaar- 
diger, vermits de bekende soorten van dit geslacht t. w, 
Heterobranchus bidorsalis Geoffr., Heterobranchus longyfilis CV. 
en Heterobranchus senegalensis GV. slechts in de Nijl en de 
Senegal voorkomen. De Bankasche soort is gemakkelijk her- 
kenbaar aan het vereenigd zijn van de lage vet- en de aars- 
vin met de staartvin, aan de getallen der vinstralen, aan de 
lengte der voeldraden, aan den indruk op het interparietaal 
uitsteeksel, aan de insertie der aarsvin voor het midden der 
straalachtige rugvin enz. Haren naam heb ik ontleend aan 
de lage vetvin. 


CIJPRINOIDEL 


Rohsta Waandersi. Blkr. 


Rohit. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite obtuso 5% circiter 
in longitudine corporis; altitudine capitis 1% circiter, latitudine 12 circi- 
ter in ejus longitudine; oculis diametro 4 eirciter in longitudine capitis, 
12 circiter in capitis parte postoculari; distantia interoculari 2 fere in 


longitudine capitis; rostro convexo, poris non conspicuis, vix ante os pro- 


_minente, oculo multo longiore; maxilla superiore inferiore longiore, longe 


ante oculum desinente; cirris labialibus maxillaribus longioribus oculum 


_ attingentibus, maxillaribus angulum oris non superantibus; labiis valde 


carnosis, papillis brevibus ciliatis; dentibus pharyngealibus triseriatis serie 
externa 5; osse scapulari trigono apice rotundato; linea rostro-dorsali ca- 
pite convexa; dorso elevato ventre convexiore; linea laterali rectiuscula 
lineam rostro-caudalem non attingente; squamis parte libera longitudina- 


TA EEN OET a NE AETR 0 TPN 


154 


liter striatis, lateribus 35 p. m. in serie longitudinali, 12 p. m. in serie 
transversali; inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali ante pinnas ven- 
trales incipiente, acuta, non vel vix emarginata, corpore humiliore, basi 
43 circiter in longitudine corporis; pectoralibus acutis 64 fere, ventrali- 
bus acutis 7 circiter in longitudine corporis; pectoralibus ventrales non 
attingentibus; anali acuta non vel vix emarginata corpore duplo circiter 
humiliore; caudali profunde excisa lobis acutis 44 circiter in longitudine 
corporis; colore corpore superne fusco-viridi marginibus squamarum pro- 
fundiore, inferne rubro marginibus squamarum dilutiore; fascia oculo- 
caudali lata nigra; pinnis dorsali earmosina, ceteris aurantiaco-rubris. 

B. 3. D. 4/12 vel 4/18. P. 2/14. V. 1/8, A. 3/5. vel 3/65. C. 19 et 

lat. brev. 
Habit. Provincia Toboali, in fluviis. 
Longitudo speciminis unici 198''/, 


Aanm. Van de soorten van Rohtta van den Indischen 
Archipel bezit ik er 4 met bruinen of zwarten staartband, 
t. w. Rohita erythrurus GV., Rohita milim Blkr., Rohita 
triporos Blkr. en de bovenbeschrevene. De Bankasche soort is 
van die drie gemakkelijk te onderkennen, aan het gemis der 
groote spuitporiën, het niet uitgerand zijn der rug- en aarsvin 
en aan harefraai roode zijden. Ik noem haar ter eere van haren 
ontdekker , den heer VAN BLOEMEN WAANDERS, administrateur der 
tinmijnen van het distrikt Marawang op het eiland Banka. 


OPHIDINI. 


Machaervwum reticulatum Blkr. 


Machaer. corpore elongato compresso, altitudine 11 ad 124 in ejus lon- 
gitudine, latitudine 14 ad 2 fere in ejus altitudine; capite acuto convexo 
64 ad 72 in longitudine corporis; altitudine capitis 2 in ejus longitudine; 
oeulis diametro 5 ad 6 et paulo in longitudine capitis, minus diametro 1 
ase invicem distantibus; linea rostro-frontali convexa; rostro, absque maxil- 
la, oeulo non vel paulo longiore, labiis carnosis; dentibus conicis obtusis 
subaequalibus utraque maxilla utroque latere plus quam 40; maxilla su- 
periore inferiore breviore sub oculo desinente; capite genis opereculisque 
superne tantum squamoso; squamis lateribus 200 ad 230 in serie 
- Jongitudinali; linea laterali anteriore laternm parte tantum conspicua, an- 


te anum desinente; pinnis verticalibus membrana squamosis; dorsali supra 


/ 


| 
| 
| 


4 


pd 
& 
y 

} 
“ 
At 


155 


vel vix post apicem pectoralium incipiente, corpore duplo circiter humi- 
liore; pectoralibus rotundatis 34 ad 84 circiter in longitudine capitis; a- 
pali antice in 83° sexta corporis parte incipiente, corpore plus duplo hu- 
miliore; caudali acuta rotundata; colore corpore fuscescente-rubro flaves- 
eente reticulato et transversim praesertim marmorato; capite inferne ven- 
treque guttis et maculis polymorphis margaritaceo-coeruleis; operculo ma- 
cula magna nigricante coeruleo cincta; pinnis fuscescentibus verticalibus 
basi annulis coeruleis, dimidio libero striis obliquis coeruleis. 

B: 6. D. 77 vel 78 + C. 10 + A. 64 vel 65 =D. C. A. 151 vel 153. 

twi (U p 
Habit. Marawang, in aquis fluvio-marinis, et Insul. Lepar, in mari. 
Longitudo 2 speciminum 162''’ et 365''/, 


Aanm. Van Machaerium waren tot nog toe slechts 2 soor- 
ten bekend, Machaerium subducens Richards. van Nieuw Holland 
en Machaerium nebulatum Blkr. van Singapore. Machaerium re- 
ticulatum is alzoo de derde soort van dit merkwaardige geslacht 
en kenbaar aan het fraai gemarmerde van haar ligchaam , aan 
de groote donkere operkelvlek, welke echter bij het oudere 
specimen weinig uitgedrukt is, aan hare talrijke kaakstanden , 
bolle snuitvoorhoofdslijn enz. 


MURAENOÏDEI 


Ophisurus Schaap Blkr. 


Ophisur. corpore cylindraceo, postice compresso, valde elongato, alti- 
tudine 32 p. m. in ejus longitudine; capite acuto, convexo, corpore lati- 


‚ Ore, 9 et paulo in longitudine corporis; altitudine capitis 3} circiter in 
‚ ejus longitudine; oculis diametro 12 ecirciter in longitudine capitis, 2 cir- 
‚ citer in longitudine rostri; rostro acuto, convexo, 6 eirciter in longitu- 


dine capitis, paulo longiore quam basi lato, apice parum carnoso; tubu- 
lis nasalibus oculo brevioribus; rietu paulo post oculam producto, 4 fere 
in longitudine capitis; labio superiore papillato; maxilla superiore inferi- 
ore multo longiore; dentibus palatinis, nasalibus, vomerinis inframaxilla- 


_ ribusque conicis brevibus valde obtusis, pluriseriatis; palatinis apicem 
it 


‚ vittae dentalis vomerinae et dentes nasales attingentibus seriebus 6 p. m. 
dispositis; dentibus nasalibus quadriseriatis in thurmam oblongo-ovalem * 


_ eollocatis p. m. 22; vomerinis in thurmam elongatam lamina dentali palatina 


multo longiorem dentes nasales subattingentem collocatis, anticis quinque- 
seriatis, posticis triseriatis; inframaxillaribus 5-ad 6-seriatis, seriebus lami- 
na dentali palatina longioribus; symphysi glabra; apertura branchiali se- 
milunari; cute lacvi rugosula; linea laterali nucha ineipiente, bene con- 


8 in. 56 


% 
Kak 
br 


756 


spicua, tubulosa; pinna dorsali quarta parte capitis longitudinis post aper- 
turam branchialem incipiente et ad apicem caudae desinente, corpore plus 
duplo humiliore, radiis duplicatis, postice emarginata; pinnis pectoralibus 
rotundatis 4 fere in longitudine capitis; anali antice in posteriore dimi- 
dio 8°° sextae corporis partis incipiente, radijs duplicatis posticis radiis 
dorsalibus posticis oppositis, corporé duplo circiter humiliore, postice 
emarginata; colore corpore superne viridi inferne flavescente; pinnis viri- 
dibus, dorsali analique fusco marginatis. 

Bi 24 D:310 pr meE. tar. rZI8 PD. mm 

Habit. Pankalpinang, in mari. 

Longitudo speciminis unici' 766/'', 


Aanm. Deze Opluúsurus, welke ik opdraag aan den verdien- 
stelijken ontdekker, den heer D. F. Scuaar, resident van Banka, 
behoort tot de.groep met stompe veelreijige gehemelte- , neus-, 
ploegbeens- en onderkaakstanden en alzoo tot de groep van. 
Ophisurus cancrivorus Richards., Ophisurus sinensis Richards. , 
Ophisurus semicinctus Bichards., Ophisurus boro Ham. Buch. , 
Ophisurus baccidens Canten Ophisurus húijpselopterus Blkr. Deze 
species verschillen van de onderwerpelijke voornamelijk door 
de volgende kenmerken. 

Ophisurus cancrivorus. Neusplaat cirkelrond met p. m. 15 
tanden; 33 kieuwstralen; rugvin onmiddellijk achter de basis 
der borstvin beginnende; anus V,, van de geheele lengte voor 
hef midden des ligchaams geplaatst; geene merkbare zijlijn; 
kleur bruin (volgens de afbeelding gaat de hoogte des ligchaams 
ongeveer 2% maal in zijne lengte). 

Ophisurus sinensis. Tandplaten smaller dan bij Ophisurus 
cancrivorus. (Nog niet met zekerheid als eene van Ophisurus 
cancrivorus verschillende soort te kenmerken). 

Ophisurus semicinctus. Neusplaat met ongeveer 39 tanden, 
die door geene vrije ruimte van de ploegbeenstanden geschei- 
den zijn, Gehemelte en onderkaakstanden 2 - tot 8: Lig- 
chaam met banden geteekend. 

Ophisurus boro. Gehemelte - ploegbeens - en onderkaakstan- 
den in den regel driereijig. Neusplaat met 3 — 10 tanden. Dia-_ 
meter van het oog Î7 -, bekspleet 3!/, maal in de lengte van 
den kop. Rugvin beginnende achter het einde der borstvin. — 

Ophisurus baccidens. Neusplaat cirkelvormig, door eene glad- 
de ruimte van: de ploegbeenstanden gescheiden. D. 259 ad 


Bies: 


737 \ 


271 A. 167 ad 180. B. 34. Kop 8V, tot 82/, maal in de ge- 
heele lengte des ligchaams. Rugvin boven de voorste helft 
der borstvin beginnende. 

Ophisurus hypselopterus. Hoogte des ligchaams A6 maal in 
zijne lengte; kop bijkans 12 maal in de lengte des ligchaams. 
Rugvin met de halve lengte van den kop achter de kieuwope- 
ning beginnende. B. 3f p.m. D. 386. P. 12. A. 261. 


GIJMNODONTES. 


Tetraödon argenteus Lacép. Ann. Mus. Hist. Nat. IV 
p. 203, 211, tab. 58 fig. 2. T. Schleg. Faun. 
japon. Poiss. p. 275 tab. 121 fig. 2, 

Tetraöd. corpore elongato subtetragono, altitudine 54 circiter in ejus 
longitudine, antice vix vel non ‘altiore quam lato; capite 82 circiter in 
longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; 
linea rostro-frontali convexa; oculis superis, diametro 3 in Íongitudine 
capitis, minus diametro 1 a se invicem distantibus; maribus utroque la- 
tere 2 in papillo eoncavo perforatis; maxilla superiore ante maxillam in- 
feriorem prominente; labiis valde carnosis; rostro, fronte, vertice, dorso 
ventreque spinulis scabris; mento, genis, lateribus caudaque glabris; linea 
° Jaterali rostro incipiente, oculum ecingente, post oculum deorsum versus 
adscendente et tum curvatura valde aperta caudam versus descendente; 
| ventre caudaque inferne leviter carinatis; cauda depressa multo latiore 
quam alta; pinnis dorsali et anali oppositis, aequalibus, ecorpore paulo 
4 humilioribus, acutis, plus duplo altioribus quam basi longis; peectoralibus 
\ obtusis 7 circiter, caudali emarginata lobis acutis superiore longiore 58 
 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne olivaceo inferne 
Î griseo -margaritaceo; fascia maxillo - infraoculo-caudali latissima niten- 
s te argentea; dorso maculis irregularibus numerosis olivaceo-fuscis; regi- 


one praeoperculari macula magna trigona argentea; operculo margine bran- 


5 chiali nigra; pinnis dorsali, anali pectoralibusque viridescentibus; caudali 
4 dimidio superiore pulchre flava apice violascente, dimidio inferiore basi 
) Á griseo marginem posteriorem versus violascente. 
MD: 1/9. P. 2/14. A. 1/8. C. 10 et lat. brev. 
Habit. Koba, apud Tandjong Berikat, in mari. 
| __ Batavia, Toasia, Javae occidentalis in mari. 

Sambas, Borneo occidentalis, in fluviis. 


_ Longitudo 3 speciminum 100’! ad 156///. 
Aanm. Zonder twijfel behooren mijne specimina tot Tetraödon 
argenteus Lacép. zooals die soort in de Fauna japonica is afge- 
‘beeld. De kleuren zijn daar echter niet juist terug gegeven 


1 


738 


en volgens de beschrijving van de heeren Temminck en Scurr- 
GEL zou de formule der vinstralen van de door hen waarge- 
nomene specimina zijn D. Î3. P. 18. A. Îf, welke getallen 
aanmerkelijk van die van mijn specimen verschillen. Mijne 
voorwerpen behooren tot eenen nog eenigzins jeugdigen leeftijd 
en hebben nog niet de halve lengte van het in de Fauna japo- 
nica afgebeelde. 


TRYGONES: 


Trygon uarnakoïdes Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Pla- 
giost. p. 72. 

Tryg. corpore disciformi, disco aeque longo circiter ac lato, antice 
acuto, linea rostro-pectorali antice praesertim concaviuscula; capite lon- 
gitudine 22 ad 2} in latitudine disci maxima; rostro acuto 44 ad 3% in 
latitudine disci, superne sulco longitudinali; oculis diametro 4 ad 6 in 
Jongitudine rostri, diametris 24 ad 3 a se invicem distantibus; foramine 
temporali trigono oculo majore; valvula nasali anteriore rictum non at- 
tingente, ciliis non vel vix conspicuis; rictu sinuoso latitudine 24 ad 3 
in longitudine rostri praeorali; velo postmaxillari superiore fimbriato; fun- 
do cavitatis oris quadripapillato; dentibus maxillis obtusis; dorso linea 
media et circa lineam mediam granulis subcordiformibus, granullis aetate 
provectiore aetate juvenili numero multo majoribus; regione granulosa 
aetate provectiore antice usque ad rostrum postice usque ad caudam sese 
extendente; medio dorso tuberculis 2 vel 1 granulis multo majoribus; 
cauda disco multo (plus triplo) longiore, vestigio pinnarum nullo, ante 
et post spinam longam tota glabra; corpore superne fuscescente-viridi 
maculis nullis, inferne albescente. 

Synon. Zrygon acuta K. v. H. fig. inedit. 

Ikan Pareh. Mal. Batav. Samar. 

Habit. Pankalpinang, in mari. 

Batavia, Samarang, in mari. 
Latitudo 8 speciminum 180’'’ ad 255’. 


Aanm. Deze soort verschilt van Zrygon wvarnak Rüpp. aan 
welke zij het naast verwant is, doordien zij de schijf even 
lang als breed heeft en den staart, behalve den grooten ge- 
wonen doorn, geheel glad, terwijl bovendien alle vlekteeke- 
_ ning ontbreekt, de oogen betrekkelijk kleiner zijn en de kor- 
relachtige schubben bij voorwerpen van dezelfde grootte veel 
minder talrijk. 


Scripst Batavia Calendis Octobris mpcocru. 


DERDE BIJDRAGE 


TOT DE KENNIS DER 


LICHT HIJOLOGISCHE FAUNA 


CELEBES. 


DOOR 


Dr. P. BLEEKER. 


In Mei 1851 publiceerde ik eene tweede bijdrage tot ken- 
nis der vischfauna van Celebes, in den tweeden jaargang van 
het Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch Indië, en bragt 
daarin het aantal bekende vischsoorten van dat eiland op 146. 
In Junij, Augustus en September dezes jaars ontving ik eenige 
nieuwe verzamelingen van visschen van Celebes en wel van 
Makassar , Boelekomba en Kema. Die van Makassar heb ik te 
danken aan den wetenschappelijken zin van den heer W. J. 
Â. W. Borrs, kapitein der infanterie; die van Boelekomba aan 
de welwillendheid van den heer H. R. J. Fontans, van wien 
ik reeds in 1851 eene verzameling insgelijks van Boelekomba 
ontvangen had, en die van Kema van den heer A. Turpass, 
officier van gezondheid der 2de klasse, die mij ook in het be- 
zit gesteld heeft van door hem verzamelde visschen van Ceram 
en Ternate. Deze verzamelingen bevatten weder vrij talrijke 
soorten, welke nog niet van de fauna van Celebes bekend wa- 


740 


ren en meerderen daarvan zijn ook nieuw voor de wetenschap. 
Het is mij een genoegen, hier openlijk mijne erkentelijkheid uit 


te drukken aan genoemde heeren, 


zonder welker belangeloozen 


ijver voor de wetenschap de onderwerpelijke tak van kennis 
nog op een zeer laag standpunt zou zijn. 
De verzamelingen van Makassar, van den heer Boers bevat- 


ten de volgende species. 


1. Serranus cijanostigma K. v. H. 32. Acanthurus humeralis CV, 

2. » cijanostigmatoïdes Blkr. 83. Naseus lituratus CV. 

3. Mesoprion Sebae Blkr. 94. Amphacanthus corallinus CV. 

4, » macolor Blkr. == Dia- 35. » _ javus CV. 
cope macolor CV, 96. Batrachus grunniens CV. 

5. Therapon puta CV. 87. Fistularia immaculata Comm. 

6, » servus CV. 98. Cichlops melanotaenia Blkr. 

7. Holocentrum orientale CV. 39. Amphiprion trifasciatus CV. 

8. Upeneoïdes variegatus Blkr. 40. Glijphisodon bengalensis CV. 

9. Dactijlopterus orientalis CV. 41. Cheilio auratus Comm. 


10. Platijcephalus isadanthus CV, 42. 
11. Heterognathodon xanthopleura 49. 


Crenilabrus oligacanthus Blkr. 
Tautoga melapterus CV. 


Blkr. 44. Julis (Halichoeres) casturi Blkr. 
12. > nemurus Blkr. 45. Cheilinus fasciatus CV. 
18. Diagramma polijtaenia Blkr. 46. » chlorurus Blkr. 
14. Dentex taeniopterus CV. 47. Scarus naevius CV ? 
15. Chaetodon oligacanthus Blkr. 48. Plotosus unicolor K. v. H. 
16. » vagabundus CV. 49. Exocoetus oxijcephalus Blkr. 
dE » chrijsozonus K. v. H. 50. Engraulis Graiji Blkr. 
18. Caesio chrijsozonus K. v. H. 51. Chatoessus selangkat Blkr. 
19. Holocanthus dux Lac. 52. Saurida nebulosa CV. 
20. » imperator CV. 53. Conger bagio Cant. 
21. Platax Boersii Blkr. 54. Ophisurus brachijsoma Blkr. 
22. Pempheris moluca CV. 55. Balistes praslinus Lac. 
23. TFrichiurus haumela CV. 56. » conspicillam Bl. Schn. 
24. Selar boöps Blkr. 57. » _ lineatus Bl. 
25. » Kuhlii Blkr. 58. Triacanthus Russellii Blkr. 


26. Carangoïdes talamparah Blkr. 59. 
27. Chorinemus Commersonianus CV. 60. 
28. Gnathanodon speciosus Blkr. 61. 
29. Equula gomorah CV. 62. 
30. Acanthurus matoïdes CV. 63. 


31. » celebicus Blkr. 


Muraena pseudothyrsoïdea Blkr. 
Tetraödon lunaris Cuv. 

Diodon punctatus Cuv. 

Taeniura lijmma MH. 

Scijllium maculatum Gr. Hardw. 


741 


De kollektie van Boeloekomba van den heer Forranes bevat, 
behalve eenige der hiervoren opgesomde, nog talrijke andere 
soorten, t. w.: 


1. Cheilodipterus heptazona Blkr. 23. Pagrus longifilis CV. 


21. Diagramma crassispinum Rüpp. 43. Balistes lineatus Bl. Schn. 
22. Scolopsides monogramma K. v. H. 44. Tetraödon lunaris Cuv. 


2. Serranus marginalis CV, 24. Caesio erijthrogaster K. v. IÌ. 
9. » pardalis Blkr. 25. Gerres filamentosus CV. 

| Â > rhijncholepis Blkr. 26. Scatophagus argus CV. 

| 5. Mesoprion striatus Blkr. 27. Psettus rhombeus CV. 

| 6. > decussatus K. v. H. 28. Scomber loo CV. 
de » octolineatus Blkr. 29. Trachinotus mookalee CV. 

8 » phaiotaenia Blkr. 30. Selar Kuhlii Blkr. 

tE » quadriguttatus Blkr. 81. Selaroïdes leptolepis Blkr. 

10. » bottonensis CV, 92. Seriola Ruúppellii CV. 

Bt ver oo coeruleopunctatus Blkr, 33. Gazza minuta Blkr. 

12. » melanospilos Blkr. 34. Equula ensifera CV. 

13. » janthinuropterus Blkr. 85. Amphacanthus vermiculatus CV. 
| 14. Therapon servus CV. 36. Opistognathus Sonneratii CV. 
| 15. Holocentrum orientale CV. 37. Gobius Fontanesii Blkr. 

16. Sphijraena obtusata CV. 38. Eleotris melanopterus Blkr. 
Î 17. Upeneus barberinoïdes Blkr. 89. Cheilio auratus Comm. 

Í 18. Apistus plagiometopon Blkr. 40. Tautoga melapterus CV. 

| 19. Pristipoma hasta CV. 41. Cheilinus chlorurus Blkr. 
20. » therapon Blkr. 42. Scarus fraenatus Lac. ? 


De verzameling van Kema van den heer TFurpass bestaat uit 
de volgende soorten: 


1. Serranus celebicus Blkr, 10. Carargoïdes blepharis Blkr. 
2 » cijanostigmatoïdes Blkr. 11. Carangichthijs tijpus Blkr. 
f 3 » boenack CV. 12. Eleotris ophicephalus K. v. H. 
4. Mijripristis pralinius GV, ? 18. » __melanopterus Blkr. 
| 5. Upeneoïdes bivittatus Blkr. 14. Julis (Julis) lunaris Bl, Schn. 
6. Pristipoma caripa CV, 15. Hemiramphus Commersonii CV. 
7. Trachinotus Baillonii CV. 16. Plagusia marmorata Blkr. 
8. Chorinemus sancti Petri CV. 17. Balistes lineatus Bl. Schn. 
9. Caranx Forsteri CV. 18. Monacanthus melanuropterus Blkr, 


Hierbij bevinden zich tevens nog 2 soorten uit het meer 
van Tonpano , t. w‚: 


742 


1. Ophicephalus striatus Bl. 2. Anabas scandens CV. 


Uit eenige ín mijn bezit zijnde teekeningen afkomstig van 
het vroegere lid der Natuurkundige kommissie Forsten, ont- 
waar ik nog, dat onder zijn opzigt te Kema zijn afgebeeld : 


1. Serranus punctulatus CV, 2. Scolopsides margaritifer CV, 


Niet minder dan 84 soorten dezer kollekties zijn nieuw voor 
de kennis van Celebes en 18 daarvan tevens nieuw voor de 
wetenschap, t. w. Serranus rhijncholepts, Mesoprion melano- 
spilos, Mesoprion janthinuropterus, Upeneus barberinovdes, Apis- 
tus “plagiometopon, Eleotris melanopterus, Heterognathodon 
nemurus, Diagramma polytaenia, Platax Boersü, Carangich- 
thijs tjpus , Acanthurus celebicus , Gobius Fontanesi, Cichlops 
melanotaenia , Julis (Halichoeres) casturi, Exocoetus oxycepha- 
lus, Ophisurus brackhiyjsoma, Muraena pseudothijrsoïdea , Mo- 
nacanthus melanuropterus. 

In het geheel zijn mij thans van Celebes bekend de hieron- 
„der opgesomde species: 


1. Apogon novemfasciatus CV, Nat, Tijdschr. N.I. III p. 168. Mac. 

2 » nigripinnis CV. Mac. 

83. Ambassis Dussumierii Verh. Bat. Gen. XXII. Percoïd. Bulac. 

4. Cheilodipterus heptazona Blkr. ibid. Bul. 

5. Serranus cijanostigma CV. ibid, Mac. Bul. 
6 » boenack CV. ibid. Bul. Kem. 
7 » sexfasciatus K. v. H. ibid. Mac. 

8 » pardalis Blkr. ibid. Bul. 

9. » marginalis CV. ibid. Bul. 

10. » merra CV. Mac. 


11. » cijanostigmatoïdes Blkr. Verh. B. G. XXII. Perc. Mac. Kem. 
12. » celebicus Blkr. Nat. T. N. Ind. II. p. 247. Bul. Kem. 


13. » corallicola K. v. H. Mac. 
14. » punctulatus CV. Nat. Tijdschr. N. I. [II p. 570. Kema. 
15. » rhijncholepis Blkr. Bul. 
16. Mesoprion Sebae Blkr. — Diacope Sebae CV. Verh. Bat. Gen. 

XXII. Perc. Mac. Bul. 
17. » Russellii Blkr. = Diacope notata GV. ibid. Mac. 


13. » unimaculatus QG. ibid. Mac. 


JAS 


19. Mesoprion annularis CV. ibid. Mac, Bul. 
20. » octolineatus Blkr. — Diacope octolineata CV. ibid. Bul. 
22. » xanthopterijgius Blkr. ibid. Bul. 
23. » decussatus K. v. H. ibid. Bul. 
24. » striatus Blkr. ibid. Bul. 
25. » phaiotaenia Blkr. ibid. Bul. 
26. » janthinuropterus Blkr. Bul. 
27. » eoeruleopunctatus Blkr, — Diacope coeruleopunc- 
tata CV. N. T. N. Ind. II. p. 169. Bul. 
28. » bottonensis Blkr, = Diacope bottonensis CV. ib. 170. Bul. 
29. » quadriguttatus Blkr, = Diacope quadriguttata CV. 
ibid. p. 233. Bul. 
29. » melanospilos Blkr. Bul. 
30. » bitaeniatus Blkr, — Diaeope bitaeniata CV. Mac. 
31. >» fuscescens CV. 
32. » taeniops CV. 
93. » macolor Blkr. — Diacope macolor CV. Mac. 
34. Diploprion bifasciatum K. v. H. Mac. 
95. Dules maculatus CV. ? Aq. dulc. 
36. Therapon servus CV. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. Mac. Bul. 
2 » theraps CV. ibid. Mac. 
98. » puta CV. ibid. Mac. 
39. Holocentrum orientale CV. ibid. Mac. Bul. 
40. » leonoïdes Blkr. ibid. Mac. 
41. Mijripristis pralinius CV.? Nat. Tijdschr. N. I. II p. 234. Kem. 
42. Sphijraena Commersonii CV. Verh. B. Gen. II Perc. Kem. 
43. » jello CV. ibid. Bul. 
44, » obtusata. ibid. Bul. 
45. Sillago acuta CV. ibid. Mac. Bul. 
46. Polijnemus tetradactijlus CV. ibid. Mac. 
47. » mierostoma Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 217. Baul. 
48. Upeneus barberinoïdes Blkr. ibid. III p. 262. Bul. 
49. Upeneoïdes vittatus Blkr. = Upeneus vittatus CV. Verh. 
B. G. XXII Percoïd. Mac. Bul. 
50. » bivittatus Blkr.= Upeneus bivittatus CV. ibid, Kema. 
51. » variegatus Blkr. ibid, Mac. Bul. 


52. Dactylopterus orientalis CV. Nat. T. N. IL. III p. 264. Mac. 
53. Platycephalus insidiator Bl. Verh. Bat. G. XXII Sclerop. Bul. 


54. » scaber CV. ibid. Mac. 

55. » isacanthus CV? Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 
481, III p. 63. Mac. 

56. » pristiger GN Mac. 


57. Scorpaena picta CV. Mac. 


dik 


58. Pterois zebra CV. Nat. Tijdschr. N. Ind, III p. 265. Mac. 
59. Apistus plagiometopon Blkr. Bul. 
60. Otolithus argenteus K. v. H, Verh. Bat. Gen. XXIII Sciaen. Mac. 
61. Umbrina Kuhlii CV. ibid. Mac. 
62. Pristipoma hasta CV. ibid. Bul. 
63. » therapon Blkr. ibid. - Bul. 
64. » caripa CV. ibid. Kema. 
65. » kaakan CV. Mac. 
66. Diagramma punctatum Ehr. CV. Verh. B.G. XXIII Sciaen. Bul. 
67. » crassispinum Rüpp. ibid. Bul. 
63. » pelytaenia Blkr. Mac. 
69. Scolopsides monogramma K. v. H. Verh. B. G. XXII Sciaen. Bul. 
70. » torquatus CV, ibid, Bul. 
71. » Vosmeri CV. ibid. Mac. 
72. » margaritifer CV. ibid. Kema. 
H5: » lycogenis CV. ibid. Mac. 
74. Heterognathodon xanthopleura Blkr. ibid. Nat. T. NI. 

I p. 101. Mae. 
75. » nemurus Blkr. Mac. 
76. Malacanthus taeniatus CV. Nat. T. N, Ind. HI p. 218. Baul. 
77. Pagrus longifilis CV. Bul. 
78. Dentex taeniopterus CV. Verh. B. Gen. XXIII Spar. Mac. 
den op miecrodon Blkr. Nat, T. N, Ind. II p. 219. Bul. 
80. A nematopus Blkr. ibid. II p. 219. Bul. 
81. » obtusus S. Müll (Spec?) Mac. 
92. Lethrinus latifrons Rupp. Nat. T. N. Ind. II p. 220 Bul. 
88. Caesio pinjalo Blkr. Verh. B. Gen. XXIII Maen. Nat. T. 

N. I. I p. 105. Bul. 
84 » _erythrogaster K. v. H. ibid, Mac. Bul. 
85 » __ehrysozonus K. v. H. ibid. Mac. 
86. Emmelichthys leucogrammicus Blkr, ibid. N. T. NI. I 

p. 108. Mac. Bul. 
87. Gerres filamentosus CV. ibid. Bul. 
88. Chaetodon vagabundus CV. ib. XXIII Chaetod. Mac. 
99. » oligacanthus Blkr. ibid. Nat. T. N. 1. p. 105. _ Mac. 
90. » vittatus Bl. Schn. ibid. Mac. 
ij1. » chrysozonus K. v. H. ibid. Mac. 
92, » Kleinii Bl, Mac. 
93. Heniochus macrolepidotus CV. Verh. Bat. G. XXIII Chaetod. 


. Zanclus cornutus CV. ibid. 

. Drepane punctata CV,== Drepane longimana CV. ibid. Mac. Bul. 
‚ Scatophagus argus CV. ibid. Mac. Bul, 
. Holacanthus dux Lac. Mac. 


745 


98. Holacanthus imperator CV. Mac. 

99, Platax Boersii Blkr. Mac. 
100. Pimelepterus indicus K. v. H. Nat. T. N. Ind. III p. 727. Mac. 
101. » marciae QG. 

102. Psettus rhombeus CV. Verh. B. Gen. XXIII Chaetod. Bul. 

103. Pempheris moluca CV. ibid. Mac. 

104. Toxotes jaculator CV. ibid. Mac. 

105. Anabas scandens CV. ibid. Doolh. Kieuw. Kema, Tondan. 
106. » variegatus Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 220. Kema. 
107. Ophicephalus striatus Bl. Verh. B.G. XXII Doolh. Kieuw. Tondano. 
108. Scomber loo CV. ib. XXIV Makr. Bul. 

109. Cybium guttatum CV. ibid. Mac. 

110. » Commersonii CV. ibid. Mac. 

111. Chorinemus sancti Petri CV. ibid. Mac. Kem. 
112, » Commersonianus CV. ibid. Mac. 

113. » aculeatus CV. Mac. 

114. Trachinotus mookalee CV. Verh. B. G. XXIV Makr. Bul. 

015. » Baillonii CV. ibid. Kema. 
116. Trichturus haumela CV. ibid. Mac. 
117. Megalaspis Rottleri Blkr. ibid. Mac. 
118. Decapterus kurra Blkr. ibid. N. T. N. Ind. I p. 358. Mac. 
119. Selar Hasseltii Blkr. ibid. ibid. p. 359. Mac. 
120. » Kuhlii Blkr. ibid. ibid. p. 860. Mac. Bul. 
121. » torvus Blkr. ibid. Bul. 

122. » boöps Blkr. ibid. Mac. 
123. Selaroïdes leptolepis Blkr. ibid. Mac. Bul. 
124. Caranx Forsteri CV. ibid. N. T. N. Ind. III p. 164. Bul. Kema. 
125. Carangichthys typus Blkr. Kema. 
126. Carangoïdes talamparah Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Makr. Mac. 
127. » citula Blkr. ibid. Bul. 
128. » blepharis Blkr. ibid. Kema. 
129. Gnathanodon speciosus Blkr. ibid, Mac. 
130. Seriola Ruppellii CV. ibid. Bul. 
131. Coryphaena chrijsurus CV. Mac. 
132. Stromateus niger Bl. Verh. B. Gen. XXIV Makr. N. T. 

N. Ind. I p. 370. Mac. 
133. Gazza minuta Blkr. ibid. Bul. 
184, Equula ensifera CV. ibid, Bul. 
RS. OO» gomorah CV. ibid. Mac. Bul. 
136. » bindoïdes Blkr. ibid. N. T.N.Ind. I p. 372 Bul. 
E57. » oblonga CV. ibid. Bul. 
138. » insidiatrix CV. ibid. Bul. 


139. Mene maculata CV. ibid. Mac. 


140. 
141. 
142. 
143. 
144. 
145. 
146. 
147. 
148. 
149. 


150. 
15t. 
152. 
153. 
154. 
155. 
156. 


157. 
158. 
159. 
160. 
161. 
162. 
163. 
164. 
165. 
166. 
167. 
168. 
169. 
170. 


171. 
172. 
175. 
174. 
175. 
176. 
177. 
178. 
179. 


746 


Amphacanthus vermiculatus CV. ib. XXIII Teuth. Bul. 

» javus CV. ibid. Mac. 

» corallinus CV. ibid. Mac. 

» vulpinus M. Sch. Kema. 
Acanthurus matoïdes CV. Verh. Bat. G. XXII Teuth. Mac. 

» humeralis CV. Mac. 

» celebicus Blkr. Mac. 
Naseus lituratus CV. Mac. 
Cestraeus plicatilis CV, ? Aq. dulc. 


Atherina argijrotaeniata Blkr. Contr. ichth. Celeb. Journ. 

Ind. Arch. 1849. Mac. 
Opistognathus Sonneratii CV? Nat. T. N, Ind. II p. 221. Bul. 
Gobius celebius CV. 


» Fontanesii Blkr. Bul. 
Sicydium ecynocephalum CV. Menado. 
Eleotris belobrancha CV. Menado aq. dul. 

» melanopterus Blkr. Bul. Kema. 
» ophicephalus K. v. H. Verh. B. Gen. XXII Go- | 

bioïd. Kema. 

Platyptera aspro K. v. H. Menado. 


Callionymus filamentosus CV. Nat. T. N. Ind. HI p. 278. 
Batrachus grunniens CV. Nat. Tijdschr. N. I. II p. 484. Mac. 


Fistularia immaculata Comm. ibid. Mac. 
Cichlops melanotaenia Blkr. Mac. 
Pseudochromis fuscus Mull. Frosch. 

Amphiprion ephippium CV. Mac. 

» percula CV. Nat. T. N. Ind. III p. 287. 

» trifasciatus CV. Mac. 
Premnas trifasciatus CV. Mac. 
Pomacentrus trimaculatus CV. 

» nigricans CV. 

» albifasciatus M. Schl. ’ 

Glyphisodon bengalensis CV. Verh. Bat. Gen. XXI Kamsch. 
Labr. Mac. 
» coelestinus CV. ibid. Menad. 
» waigiensis CV. ib. Bul. 
» melas K. v. H. ib. 
» rahti CV. Nat. T. N. Ind. III p. 287. 


Crenilabrus oligacanthus Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 68. Mac. 
Cossyphus Schoenleinii Agass. 

Tautoga melapterus CV. Verh. B. Gen. XXII Gladsch. Labr. Mac. Bul. 
Cheilio auratus CV. Nat. T. N. Ind. II p. 221. Mae. Bul. 
Novacula pentadactyla CV. ib. II p. 222. Bul. 


11 


» _ (Halichoeres) casturi Blkr. 


‚ Cheilinus chlorurus Blkr. —= Cheilinus guttatus Blkr. =— Spa- 


rus chlorurus Bl. Verh. B. G. XXII Gl. Labr. 
» fasciatus CV. ibid. 
» decacanthus Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 256. 


. Scarus naevius CV ? 


» _fraenatus Lac. ? 


. Plotosus unicolor K. v. H. Verh. B. G. XXI Sil. bat. 


188. » lineatus CV. ibid. 

139. » macrophthalmus Blkr. ibid. 

190. Belone annulata CV. 

191. » timucoïdes. S. Müll (spec?) 

192. Hemiramphus melanurus CV. Verh. B. G. XXIV Snoek. 
195. » erythrorhynchos CV. 

194. » Commersonii CV. Verh. B. Gen. XXIV Snoek. 
195. » Dussumierii CV. 

196. Exocoetus oxycephalus Blkr. 


. Chiroeentrus dorab CV. Verh. B. G. XXIV Chir. 
‚ Elops saurus CV. ibid. 

‚ Megalops indicus CV. ibid. 

‚ Sardinella leiogaster CV. ibid. Haring. 


» elupeoïdes Blkr. ibid. 


…. Clupeoïdes macassariensis Blkr. ibid. 

. Spratella tembang Blkr. ibid. 

. Spratelloïdes argyrotaenia Blkr. ibid. 

. Engraulis Grayi Blkr. ibid. Nat. T.N. Ind. JI p. 492, 


» encrasicholoïdes Blkr. ibid. ibid. III p. 173. 
» Zollingeri Blkr. ibid. 


„ Chatoessus selangkat Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind. III. p. 458. 


» nasus CV. Nat. T. N. Ind. IT p. 223. 


„ Notopterus Bontianus CV.? ? p. 
. Conger bagio Cant. 
‚ Saurida tombil CV. Verh. B. G. XXIV Chir. Salm. 


» nebulosa CV. Nat. T. N. Ind. III p. 292. 


‚ Ophisurus brachysoma Blkr. 
„ Plagusia lida Blkr. Verh. B. G. XXIV Pleuron. Nat. T. 


N. Ind. I p. 418. 
» marmorata Blkr. ibid. ibid. I p. 411. 


„ Muraena pseudothyrsoïdea Blkr. 
„ Balistes armatus Lac. ibid. Balist. Nat. T.N. Ind. I. p. 224. 


» _ praslinus Lac. ibid. 
» _conspicillum Bl. Schn. 


„ Julis (Julis) lunaris CV. Verh. B.G. XXII Gladsch. Labr. Bul. Kem. 


Mac. 


Mac. Bul. 


Mac. Bul. 


Bul. 


748 


221. Balistes lineatus Bl. Schn. ibid. N.T.N. Ind. II p. 260. Mac. Bul. Kem. 
222. Monacanthus melanuropterus Blkr. Kema. 
223. Triacanthus Russellii Blkr. ibid. Mac. 

224. Pogonognathus barbatus Blkr. ibid. Mac. 

225. Tetraödon lunaris Cuv. ibid. Blootk. Mac. Bul. 
226. » Honkenii Bl. Mac. 

227 » argenteus Lacép. Mac. 

228. Diodon punctatus Cuv. Verh. Bat. Gen. XXIV Blootk. Mac. 


229. Chiloscyllium punctatum MH. Verh. B. G. XXIV Plagiost. Mac. 
250. Scyllium maculatum Gr. Hardw. ibid, Mac. 
231. Carcharias (Prionodon) sorrah Val. ibid. Mac. 
232. Sphyrna Blochii MH. ibid. Mac. 
253. Rhynchobatus laevis MH. ibid. Mac. 
234. Narcine timlei MH. Mac. 
235. Taeniara lymma MH. Verh. B.G. XXIV Plagiost. Nat. T. 


N. Ind. III p. 85. Mac. Bul. 


. Áëtobatis flagellum MH. Mac. 


Pr Cte WE 


er 


DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE. 
PERCOIDEL. 


Serranus rhyncholepis Bikr. 


Serran. corpore oblongo compresso, altitudine 4 fere in ejus longitudi- 
ne, latitudine 2 eirciter in ejus altitudine; capite convexo 84 ecirciter in 
longitudine corporis; altitudine capitis }2 circiter in ejus longitudine; o- 
culis diametro 44 circiter in longitudine capitis; linea rostro-dorsali fron- 
te convexa; rostro toto squamoso; maxilla superiore squamis nullis, maxil- 
la inferiore inferne tantum squamosa; maxilla superiore inferiore paulo brevi- 
ore, post oeulam desinente, dentibus pluriseriatis, serie externa conicis, serie- 
bus internis setaceis antice longioribus in thurmas 2 collocatis et insuper 
caninis 2 medioeribus; maxilla inferiore dentibus antice pluriseriatis serie 
interna longioribus, antice caninis 2 parvis; praeoperculo subrectangulo, 
margine posteriore convexo dentibus valde conspicuis angulum versus 
majoribus; suboperculo interoperculogue margine glabris; operculo spi- 
nis 3, media longiore, superiore breviore; dorso elevato valde convexo; 
ventre rectiusculo; squamis lateribus ciliatis 80 p. m. in serie longitudinalis 
pinnis- dorsali et anali radiosis rotundatis; dorsali spinosa dorsali radiosa 
non altiore, spinis mediis spinis ceteris longioribus corpore paulo plus 
duplo humilioribus; pectoralibus rotundatis 5, ventralibus acutis 64 cir= 
citer, caudali obtusa convexa 5A circiter in longitudine corporis; anali 
spina media capite triplo circiter breviore;s colore corpore pinnisque fus- 
CO; squamis lateribus singulis guttula flavescente vel coerulescente; mem=- 
brana pinnae dorsalis spinosae parte lobata flava. 

B. 7. D. 11/17 vel ì1/18. P. 2/16. V. 1/5. A. 3/7 vel 3/8. GC. 17 et 

lat. brev. 

Habit. Bulucomba, Celebes austro-oecidentalis, in mari. 


Longitudo speeiminis uniei 172''/, 

Aanm. In habitus heeft Serranus rhincholepis veel van Ser- 
ranus labriformis Jen. (Zoöl. Beagle, Fish. p. 8 tab. 3) van 
den Galapagos Archipel, doch deze verschilt er voornamelijk van 
door aanmerkelijk kortere borstvinnen, het gevlekt zijn des lig- 
chaams met bruingeel, zwart en wit en door de roode vinranden. 


750 


Mesoprion melanospilos Blkr. 


Mesopr. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus lon- 


gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite convexo 34 cir-_ 


citer in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitu- 
dine; oculis diametro 84 circiter in longitudine capitis; linea rostro-fron- 
tali declivi-convexiuscula; osse suborbitali sub oeulo oeulo duplo circiter humi- 
liore; maxilla superiore inferiore paulo longiore, sub medio oculo desi- 
nente, dentibus serie externa conicis antice caninis 4 vel 6 mediocribus; 
maxilla inferiore dentibus serie externa conicis anticis lateralibus vix vel non 
majoribus; praeopereulo postiee et inferne denticulato, incisura profunda 
quasi bipartito, parte inferiore rotundato; operculo spinis 2 planis parum 
conspicuis; dorso elevato; squamis lateribus 60 p. m. in serie longitudi- 
nali; pinnis dorsali et anali radiosis rotundatis, dorsali spinosa radiosa 
paulo altiore, spina 1* ultima breviore, 5* ceteris longiore 24 circiter in 
altitudine corporis; pectoralibus acutis 4, ventralibus acutis 6, caudali 


emarginata angulis acuta 5 fere in longitudine corporis; anali spina 2° 


ceteris longiore, parte radiosa dorsali radiosa non altiore; colore capite 
dorsoque violascente, lateribus inferneque flavo; dorso macula magna 
diffusa nigra lineam lateralem inter et radios dorsales anteriores; pinnis 
flavis vel aurantiacis, dorsali spinosa nigro marginata, pectoralibus basi 
superne macula nigra parva. 


B.'7. D. 10/14 vel 10/15. P. 2/14. V. 1/5 A. 3/8 ‘velsen U. J7et 
lat. brev. 


Habit. Bulucomba, in mari. 
Longitudo speciminis unici 146'//, 


Aanm. Deze soort is na verwant aan Mesopion fulviflamma 
(Diacope fulviflamma GV.) , doch heeft de praeoperkelinsnij- 
ding veel dieper, de zwarte zijvlek wat meer achterwaarts en 
nagenoeg boven de zijlijn geplaatst, 1 straal meer in de rug- 
vin, mist de gele overlangsche banden enz. Mijn specimen, 
na reeds geruimen tijd in spiritus bewaard te zijn, vertoont 
donkere strepen, welke op den rug schuins, aan de zijden 


horizontaal geplaatst zijn. 
De soorten van Mesoprion (Diacope en n_Mesoprion CV.) on- 


dergaan veelal aanmerkelijke veranderingen in kleurteekening 


met toenemenden leeftijd, dikwijls zoodanig, dat de oude vis-_ 


schen niet meer op de jongere gelijken. Zulks bemoeijelijkt 
reeds de bepaling dier soorten, maar die bepaling is boven- 
dien voor vele soorten moeijelijk wegens de onvolledige be- 


. 
ä 


lk 
h 


751 


schrijving der kenmerken inhet groote vischwerk van den 
nieuweren tijd, naar hetwelk evenwel de ver van groote boe- 
kerijen en musea verwijderde ichthijologen hunne bepalingen groo- 
tendeels moeten rigten. Behalve dat welligt eenige der daarin 
beschrevene soorten van Diacope en Mesoprion behooren ver- 
eenigd te worden, zuilen misschien ook later door anderen 
bepaalde soorten tot daar reeds bedoelde behooren te wor- 
den terug gebragt. 


Mesoprion janthinuropterus Blkr. 


Mesopr. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus lon- 


‚ gitudine, latitudine 22 circiter in ejus altitudine; capite 32 circiter in 


5 
longitudine corporis; altitudine capitis 1% ecirciter in ejus longitudine; 
oculis diametro 4} circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali de- 
clivi concava; osse suborbitali sub oeulo oeulo paulo humiliore; maxillis 
subaequalibus, superiore sub oculi dimidio anteriore desinente, dentibus 
serie externa conicis antice caninis 4 internis. parvis externis magnis; 
maxilla inferiore dentibus serie externa conicis, lateralibus aliquot majo- 
ribus caninoïdeis; praeoperculo vix exciso, leviter emarginato margine 
posteriore et angulo denticulato, dentibus angulo rotundato valde couspi- 
cuis, margine posteriore minimis; operculo spina unica plana obtusa vix 
conspicua; dorso elevato; squamis lateribus 50 p. m. in serie longitudi- 


nali; pinna dorsali parte spinosa parte radiosa paulo altiore, spina 1° ce- 


teris breviore, 5° ceteris longiore 28 in altitudine corporis; parte radiosa 


rotundata; pinnis pectoralibus acutis 44, ventralibus acutis 64, caudali 


Ga 
extensa truncata angulis acuta 44 in longitudine corporis; anali spinis 2% 


et 3° subaegualibus, parte radiosa angulata dorsali radiosa altiore; colo- 


_re corpore superne rubro-violascente inferne roseo; rostro violascente; dor- 


so lateribusque singulis squamis punctulo fusco, strias obliquas et longi- 
tudinales efficientibus; pinna dorsali basi rubescente dimidio superiore vio- 
lacea; pectoralibus et anali rubris; ventralibus aurantiacis; caudali basi 
rubra maxima parte violacca. 

BED. 10/14 vel 10/15. P. 2/15. V. 1/5. A. 3/8 vel 3/9. C. 17 et 

lat. brev. 
Habit. Bulucomba, in mari. 
Longitudo speciminis unicì 192'//, 


Aanm. Hoezeer ik boven geschetste soort niet kan terug- 


_ brengen tot eenige mij bekende, beweer ik daarmede niet, dat 
zij niet tot de eene of andere daarvan kan behooren, en stel 


HI. 57 


752 


ìk haar slechts voorwaardelijk als eene nieuwe voor. - Reeds 
meermalen heb ik gewezen op het onvoldoende der beschrij- 
vingen van vele soorten van Mesoprion in het groote nieuwere 


vischwerk , waardoor het soms zeer moeijelijk ja onmogelijk | 


wordt daarnaar alleen de soorten te bestemmen. Bij de onaan- 
nemelijke splitsing door Cuvier van Mesoprion en Diacope in 2 ge- 
slachten is het dikwerf zelf moeijelijk te bepalen of sommige 
soorten met geringe praeoperkeluitranding, zooals de hier on- 
derwerpelijke, tot zijnen Mesoprion of Diacope te brengen zou- 
den zijn. 


Ik heb den naam der soort ontleend aan hare donker vio- 
lette staartvin. 


Mesoprion macolor Blkr. 


Mesopr. corpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus- lon- 
gitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo 
32 circiter in longitudine corporis, aeque alto circiter ae longo; oculis dia- 
metro 84 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali ante oculos 
praesertim convexa; osse suborbitali sub oculo oculi diametro duplo fere 
humiliore; maxillis subaequalibus, superiore sub oculi dimidio anteriore 
desinente; rictu valde obliquo; dentibus maxillis serie externa seriebus 
internis majoribus conicis, intermaxillaribus inframaxillaribus majoribus; 
caninis maxilla superiore 6 parvis; maxilla inferiore antice caninoïdeis 
10, lateribus caninoïdeis nullis; praeoperculo subrectangulo angulo rotun- 
dato, margine posteriore incisuris profundis 2 superiore inferiore profun- 
diore tuberculum interoperculare dentiforme recipiente, dentibus angulo 
dentibus ceteris majoribus; operculo spinis nullis; dorso elevato; squamis 
lateribus 50 p. m. in serie longitudinalis pinnis dorsali et anali radiosis 
acutis, aequalibus, dorsali spinosa altioribus; dorsali spinosa spinis 3* et 
4° longissimis spina l° duplo cireiter longioribus; pectoralibus acutis ana- 
lem attingentibus 82, ventralibus acutis 54 circiter, caudali emarginata 
lobis obtusis 44 circiter in longitudine corporis; anali spina postica spi- 
nis 1* et 2° longiore; colore capite et corpore superne nigro, lateribus in 
ferne ventreque albo; nigro dorso maculis rotundis magnis albis 5, ma- 
eulis 3 ad basin pinnae dorsalis, maculis 2 lineae laterali approximatis; 
lateribus inferne fascia axillo-caudali lata nigra caudalem inferiorem attin- 
gente; pinnis nigris, dorsali et anali radijs posticis et caudali apicibus 
albis. 

B. 7, D.-10/1A vel 10/15: P.:2/15: Ner1/6: A. SALT vEt REDT 

et lat. brev. 


753 


Synon. Rolat Valent. Ind. Amb. III p. 348 fig. 1. 
Macolor Renard Poiss. Mol. I tab. 9 fig. 60. II tab. 7 fig. 30. 
Diacope macolor CV. Poiss. II p. 313. Less. Mém. Soc. Hist. 
nat. IV p. 409. Voy. Coquill. Zoöl. II p. 230 tab. 22 fig. 2. 
Habit. Macassar, in mari. 
Longitudo speciminis unici 280/'/. 


Aanm. De afbeelding van den heer Lesson is vrij naauw- 
keurig, doch vertoont een witte rugvlek meer dan mijn spe- 
cimen. 


SCLEROPAREL 


Apistus plagiometopon Blkr. 


Apist. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite acuto 84 circiter 
in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; 
linea rostro-frontali declivi recta; oculis diametro 4 circiter in longitudine 
capitis, minus diametro 1 approximatis; fronte inter oculos depressa; ros= 
tro oculo breviore; maxilla superiore inferiore breviore sub medio oculo 
desinente; rictu valde obliguo; dentibus maxillis, vomerinis palatinisque 
minimis; cirris nullis; spinis suborbitalibus 2, superiore inferiore duplo 
fere longiore sub medio oculo desinente; praeoperculo spinis 4 superiore 
medioeri operculum non superante, ceteris parvis; squamis lateribus fere 
inconspicuis; linea laterali vix curvata sub posteriore pinnae dorsalis ra- 
diosae parte desinente; pinna dorsali spinosa divisa parte anteriore tri- 
spinosa basi tantum eum parte pinnae posteriore unita, spinis 2* et 8° 
subaequalibus corpore vix humilioribus sed spinis ceteris majoribus, 1° 
post oculum inserta; pinnis dorsali et anali radiosis convexis; pectoralibus 
obtusis capite paulo brevioribus 4 circiter in longitudine corporis, radio 
libero nullo; ventralibus acutiusculis pectoralibus paulo brevioribus ana- 
lem non attingentibus; anali spina 8* ceteris longiore corpore minus duplo 
humiliore; caudali truncata 5 circiter in longitudine corporis; colore cor- 
pore pinnisque, caudali excepta, profunde fusco; capite, maxilla superiore 
praeoperculoque maculis luteis; caudali viridescente fusco variegata. 

B D.°3—10/6.-P. 1/10. V. 1/5. A. 3/5. C. 10 vel 12 et lat. brev 

Habit. Bulucomba, in mari. 

Longitudo speciminis unici 45'//, 


Aanm. Bij den eersten oogopslag hield ik deze soort voor 
dezelfde als Apistus depressifrons Richards. (Zoöl. Samar. Fish. 
p. 1 tab 3 fig. 1, 2), welke mij gebleken is dezelfde te zijn 


154 


als mijne Apistus binotopterus (Nat. Tijdschr. N. Ind. 1 1850 
p. 26) doch welker beschrijvingik niet kende, omdat de zoö- 
logie der reis van het schip Samarang eerst in 1850 voltooid 
en eerst in 1851 mij onder de oogen gekomen is. Apistus 
plagiometopon heeft echter veel kortere borstvinnen dan Apis- 
tus depressifrons en ligchaam en vinnen, de staartvin alleen uit- 
zonderd, donkerbruin, terwijl kaken en wangen er met eenige 
geelachtige vlekken geteekend zijn. | 

Andere na aan haar verwante soorten zijn Apistus trachi- 
noïdes GV. en Apistus Zollingeri Blkr. doch beiden hebben de 
voorste rugdoornen veel korter en andere kleuren, terwijl de 
getallen der vinstralen van Apistus trachinovdes anders zijn (D. 
3—12/A vel 3—13/4. P. 1/11 V. 1/4) en bij Apistus Zollin- 
geri de ΰ rugdoorn boven den achterrand den oogs staat. 
Apistus dracaena CV., insgelijks zeer na aan bovengenoemde 
soorten verwant, heeft grootere onderoogkuils- en praeoper- 
kel-doornen, D. 12/8. A. 3/6. P. 12, enz. 


SCIAENOÏDEL 


Heterognathodon nemurus Blkr. 


Heterogn. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus 
longitudine absque pinna caudali, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine;' 
capite acuto 34 circiter in longitudine corporis absque pinna caudali; al- 
titudine capitis }4 circiter in ejus longitudine; linea rostro-frontali decli- 
vi rectiuscula; oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis; fronte 
limboque praeoperculari squamosis; rostro acuto oculo vix longiore; osse 
suborbitali alepidoto, angulo oris oculi diametro plus duplo humiliore, 
emarginato; maxilla superiore inferiore vix longiore ante oculum desi- 
nente, antice caninis 4, externis internis longioribus, curvatis, divergen- 
tibus; osse maxillari superiore glabro; maxilla inferiore caninis 2 conicis 
rectis prominentibus divergentibus; praeoperculo rectangulo angulo obtuse 
rotundato, margine posteriore denticulato; operculo spina unica parva 
plana; linea dorsali linea ventrali multo convexiore; squamis ciliatis, la- 
teribus 55 p. m. in serie longitudinali ; squamis inguinibus interventralibusque 
acutis elongatis; pinna dorsali spinis gracilibus mediis ceteris longioribus 
membrana inter singulas spinas excisa, parte radiosa postice rotundata; 
pectoralibus obtusiusculis 5 circiter, ventralibus acutis radio 1° producto 


755 


4 circiter in longitadine corporis absque pinna caudali; anali postiee an- 
gulata; caudali semilunariter emarginata radio angulis in filum pinna lon- 
giorem produeto; colore corpore roseo-hyalino fasciis 2 longitudinalibus 
latis flavis, superìiore oculo-dorsali supra lineam lateralem decurrente, 
inferiore diffusa maxillo-oculo-caudali; ventre insuper fasia longitudinali 
rosea; linea laterali violascente; pinnis roseis, eaudali medio flava, mar- 
ginibus violascente. 
Bon 10/9 vel.10/10. PB. 2/14. Vo 1/5. A/3/7,vel. 3/8. C. 1. et 
lat. brev. 
Habit. Macassar, in mari. 
Longitudo speciminis unici absque filo caudali 230''', cum filo caudali 
857, 


Aanm. Vroeger reeds heb ik geduid op de groote ver- 
wantschap tusschen Meterognathodon en Pentapus. De ver- 
wantschap wordt door deze soort weder nader aangetoond. Zij 
zou geheel tot Pentapus te brengen zijn indien de praoperkel- 
tanden en haar niet van uitsloten en haar zelfs volgens de 
Cuviersche familiebepaling tot de Sciaenoïden of wel tot de 
Maenoïden deed brengen 


Diagramma polijtaenia Blkr. 


Diagramm. corpore oblongo compresso, altititdine 34 circiter in ejus 
longitudine, latitudine 2 et paulo in ejus'altitudine; capite obtuso, valde 
convexo, 44 circiter in longitudine corporis, aeque alto ae longo; oculis 
diametro 32% in longitudine capitis; linea rostro-frontali rostro valde de- 
clivi rectiuscula; osse suborbitali angulo oris oculi diametro paulo humi- 
liore; maxilla superiore inferiore vix longiore sub oculi parte anteriore 
_ desinente; dentibus maxillis serie externa conicis aequalibus seriebus in- 
_ ternis majoribus; maxilla inferiore poris 6 valde conspicuis; pracoperculo 
‚ rectangulo angulo rotundato, margine posteriore leviter emarginato; squa- 
mis lateribus 100 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali ra- 
diosis acute rotundatis altitudine subaequalibus, corpore plus duplo hu- 
_ milioribus; dorsali spinosa spinis 3°, 4° et 5° spinis ceteris longioribus, 
corpore triplo circiter humilioribus; pectoralibus acutis 54 in longitudine 
corporis; ventralibus acutis pectoralibus vix brevioribus; anali spina 2* 
spina 3° longiore, spina 1° minima; caudali truncata angulis acuta 5 et 
paulo in longitudine corporis; colore corpore pinnisque pulchre aurantiaco- 
flavo; ventre flavescente-griseo; fasciis capite corporeque longitudinalibus 9 
margaritaceo-coeruleis nigro marginatis, fasciis 4 superioribus vertice et 


736 


fronte incipientibus et basi pinnae dorsalis desinentibus, fasciis & sequenti- 
bus cephalo-caudalibus, fascia inferiore maxillo-anali; ore interne rubro. 
B. 6. D. 12/22 vel 12/23. P. 2/15, V. 1/5. A. 3/7 vel"3/8. ©. 17 et 
lat. brev. 
Habit. Macassar, in mari. 


Longitudo speciminis unici 301’'/. 


Aanm. Deze fraaije soort is gemakkelijk van alle bekende te 
onderkennen aan haar fraai geel ligchaam en hare 9 overlang- 
sche zwart gerande parelkleurige banden. 


SPAROIDEL 
Pagrus longifilis CV. Poiss. VI p. 118. 


Pagr. corpore oblongo compresso, altitudine 24 circiter in ejus longitu- 
dine, latitudine 84 circiter in ejus altitudine; capite convexo obtuso, lon- 
gitudine 14 circiter in ejus altitudine, 44 circiter in longitudine corporis; 
linea’ rostro-frontali fronte convexa rostro concaviuscula; oculis diametro 
3 ecirciter in longitudine capitis; osse suborbitali oculi diametro altiore, 
_alepidoto; maxillis dentibus tri- vel pluriseriatiss maxilla superiore inferi- 
ore paulo longiore, sub oculo desinente, dentibus antice caninis 2 coni- 
cis, globularibus majoribus serie externa p. m. 8 serie secunda p. m. 5; 
maxilla inferiore antice caninis 4 vel 6 eonicis, globularibus majoribus se- 
riebus externa et interna p. m. 4; praeoperculo subrectangulo angulo ro- 
tundato, limbo alepidoto; operculo spina unica plana; squamis lateribus 50 
p. m. in serie longitudinali, 22 p. m. in serie transversali; pinna dorsali 
spinosa spina 1° brevissima, spinis 5 sequentibus maxime productis flexili- 
bus, anticis 2 corpore altioribus, tota pinna dorsali longioribus; spinis 5 
posticis totis osseis non productis; membrana inter spinas anteriores usque 
prope basin pinnae incisa; dorsali radiosa margine superiore convexa; 
peetoralibus acutis 8 circiter in longitudine corporis; ventralibus pectora- 
libus brevioribus radio primo in filum producto; anali spinis 2° et 38° sub- 
aequalibus, parte radiosa postice angulata; caudali emarginata angulis a- 
cutiuscule rotundatis 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore su- 
perne roseo inferne roseo-argenteo; pinnis roseis; membrana dorsali spi- 
nosa nigro marginata. 

B6. DeAl1/10- vel, EI/LI. B 2/185: Vor THO VAALS SA OPEN NO Geel 

et lat. brev. 

Synon. Kooroota Russ. Corom. Fish. II p. 1 fig. 101. 

Pagre à longs filets CV. Poiss. VI p. 118. 

Habit. Bulucomba, in mari, 


757 


Longitudo speciminis unici 201'’/, 


Aanm. Deze soort is zeer waarschijnlijk Pagrus longdfilis GV. 
van welke door Russerr eene vrij goede afbeelding gegeven is. 
Bij mijn specimen bevindt zich slechts een enkele korte doorn 
voor de verlengde rugdoornen en ik vind er 9 of 10 aarsvin- 
stralen en niet 8, zooals in het groote vischwerk opgegeven 
wordt. Russerr’s afbeelding vertoont 7 verlengde rugvinstra- 
len, terwijl bij mijn specimen slechts 5 verlengd en buigzaam 
zijn. De kleuren van mijn exemplaar hebben door den wijn- 
geest veel geleden. Overlangsche banden zie ik er niet. 


CHAETODONTOIDEL 


Holacanthus dux Lacép. Poiss. IV p. 584. GV. Poiss: 
VII p. 138. Rupp. N. W. F. Abyss. F. R. 
M. p. 97. 


Holac. corpore oblongo compresso, diametro dorso-ventrali 8 circiter in 
longitudine corporis; capite obtuso 5 circiter in longitudine corporis; li- 
nea rostro-frontali inferne concaviuscula; linea rostro-dorsali linea rostro- 
ventrali breviore; oculis diametro 84 circiter in longitudine capitis; osse 
suborbitali angulo oris altitudine oculi diametro aequali vel altiore inferne den- 
ticulis 3 vel 4 vix conspicuis; praeoperculo margine dentato dentibus ali= 
quot ceteris majoribus, spina oculo duplo ecirciter longiore; squamis late- 
ribus 50 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali spinosa spina ulti- 
ma ceteris longiore , parte radiosa rotundata corpore duplo circiter hu- 
miliore; pectoralibus obtusis 54 eirciter, ventralibus acutis radio 1° pro- 
_ ducto 44 ad 5 fere, caudali rotundata obtusa 54 circiter in longitudine 
corporis; anali rotundata corpore duplo circiter. humiliore; capite fusces- 
cente-aureo, vittis coeruleis violaceo marginatis, rostro=frontali, praecocu- 
lari, dorso-postoculari sub oculo desinente et dorso-operculari; corpore 
fasciis transversis pulcherrine flavo-aureis 8, ls et 2? dorso-ventralibus, 38°, 
4a, 52, 6° et 7° dorso-analibus, 8* caudali; fascia post singulas fascias au- 
reas margaritaceo-coerulea late utroque latere violaceo-nigricante limba- 
tas fasciis corpore auterioribus semilunariter curvatis convexitate antror- 
sum spectantibus; pinna dorsali spinosa fasciis corporis tincta, nigro mar= 
ginata; dorsali radiosa nigra coeruleo marginata et maculis numerosis par- 
vis azureis picta; pectoralibus aurantiaco-flavis; ventralibus pulcherrime fla- 
vis; anali fasciis longitudinalibus curvatis 11 vel 12 coeruleis et rubris 


758 d 


alternantibus, coeruleo et nigro margiginata; caudali pulchre flava auran- 


tiaco marginata. 


B. 6. D. 14/19 vel 14/20. P. 2/14. V. 1/5, A. 3/19 vel 3/20. C. 17 


et lat. brev. 
Synon. Martoginne De Vlam. Recueil No. 230. 
Ikan Sarasa jang bariska v. Gestreepte Sarasa-visch Valent. 
Ind. Amb. III p. 474 fig. 405. | 
Ikan Sengadjt molukko v. Molukze Hartog Valent. ibid. p. 504 
fig. 507. 
Duchesse Renard Poiss. Mol. I tab. 14 fig. 81. 
Chietse-visch vel Toille peinte Renard ib. II tab. 38 fig. 169. 
Chaetodon diacanthus Boddaert Epist. ad Gaub. de Chaet. diac. 
1772 Act. Soc. nat. Berol. III p. 459. 
Chaetodon dur Gmel. L. Syst. nat. ed. 13° p. 1255. 
Chaetodon Boddaertii Gmel. ibid. p. 1243. 
Chaetodon fasciatus Bl. Ausl. Fisch. tab. 195. 
Gestreifte Klippfisch Bl. ibid. 
| Bandoulière rayée Bl. ibid. 
Molacanthe duc Lac. Poiss. IV p. 534. CV. Poiss. VII p. 138 
Acanthopode Boddaert Lac. ibid. p. 559, 560. 
AÁcanthopode Boddaertit Lac. ibid. 


" 


Aanm. De afbeeldingen van Rerarp en VALENTIJN zijn ui- 
terst inkorrekt en zelfs die van Brocu laat veel te wenschen 
over. Door hare heldere en fraaije kleuren is deze soort een 
der sierlijkste van haar geslacht. 


Holacanthus imperator GV. Poiss. VIT p. 185. 


Habit. © Macassar, in mari. LJ 
Longitudo speciminis unici a rostro usque ad basin pinnae caudalis 
zoer, 


Aanm. Mijn specimen heeft het achterste gedeelte des lig- 
chaams zoodanig beschadigd, dat eene volledige beschrijving 
er van niet mogelijk is. De talrijke reeds gepubliceerde af beel- 
dingen dezer soort in de werken van VALENTIJN, ReENARD, BLOCH 
en LacÉrÉpr, laten alle meerder of minder te wenschen over. 


_Platax Boersùú Blkr. 


Plat. corpore rhomboïdeo, (absque pinnis) altiore quam longo, (pinna 


759 


eaudali inelusa longiore quam alto); linea dorso-rostro-ventrali arcum 
eirculi similante; linea rostro-frontali leviter convexa; linea rostrospeeto- 
rali linea rostro-dorsali duplo breviore; ecapite 44 circiter in longitudine 
corporis, duplo altiore quam longo; rostro non prominente; oculis diame- 
tro 21 circiter in longitudine capitis; osse suborbitali angulo oris oculi 
diametro plus duplo humiliore; poris inframaxillaribus utroque latere 3 
vel 4; squamis lateribus 45 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et 
anali acutissimis elongatis, dorsali corpore altiore; pectoralibus obtusis 
capite vix brevioribus; ventralibus acutissimis pinnam caudalem attingen- 
tibus spina capite longiore; colore corpore griseo vel fuscesente-griseo ; 
fascia oculari et dorso-ventrali nigricantibus; pinnis pectoralibus viridibus, 
ventralibus nigris, ceteris viridi-nigrieantibus, caudali postice flavo mar- 
ginata. 

B. 6. D. 5/34. P. 2/13 vel 2/14. V. 1/5. A. 3/27. C. 17 et lat. brev. 

Habit. Macassar, in mari. 


Longitudo speciminis unici 150/'/. 


Aanm. Deze soort staat in verwantschap tusschen Platax 
teira CV., Platax Blochiü CV., en Platax Gaimardi GV. In 
habitus heeft zij het meest van Platax tetra door haar cirkel- 
vormig profiel, maar bij Platax teira is het ligchaam even lang 
als hoog en het profiel boven de kruin sterker gebogen. Met 
Platax Blochit GV., en Platax Gaimardi GV. heeft zij gemeen, 
dat het ligchaam hooger is dan lang, doch bij Platax Blochit 
is het profiel stomphoekig, de snuit-voorhoofdslijn nagenoeg 
regt en de snuit vooruitstekende, terwijl er de vertikale en de 
buikvinnen, bij exemplaren van dezelfde grootte als het boven- 
beschrevene, aanmerkelijk korter zijn. Bij Platax Gaimard CV. 


is het ligchaam even even hoog als lang met inbegrip der 


staartvin, schijnt het oog meer achterwaarts geplaatst te zijn, 
reiken de buikvinnen slechts tot het midden der aarsvin, is 
de buikvindoorn meer dan drie maal korter dan de langste 
buikvinstraal, heeft de borstvin 19 stralen , enz. 

Ik draag deze nieuwe soort op aan den heer W.J. A. W. 
Boers, aan wien hare kennis te danken is. 

HI 58 


760 


SCOMBEROIDEL. 


Carancicuruys Blkr. 


Dentes supramaxilares et inframaxillares pluriseriati, serie ex- 
terna longiores, maxilla inferiore antice aliquot caninoidei. Den- 
tes vomerini, palatini, linguales. Praeoperculum denticulatum. 
Linea lateralis scutis spiniferis armata. Membrana branchí- 
ostega radiis 77, 


Aanm. Dit nieuwe geslacht is zeer merkwaardig wegens 
het getand zijn des praeoperkels, hetwelk men, voor zoover 
mij bekend is, nog bij geene enkele soort van Scomberoïden 
van de groote afdeeling met gewapende zijlijn heeft aangetrof- 
fen. Reeds hierdoor verdient het als een afzonderlijk genus 
aangemerkt te worden, doch ook in zijn tandenstelsel levert 
het bijzonderheden op, welke het van Carangoïdes Blkr. en 
Caranx Blkr. doen verschillen. Overigens staat het is verwant- 
schap tusschen Caranx Blkr. en Carangovdes Blkr. en heeft 
in habitus het meest van laatstgenoemd genus. 


Carangichthys typus Blkr. 


Carangichth. corpore oblongo compresso, altitudine 3 fere in ejus lon- 
gitudine, latitudine 8 eirciter in ejus altitudine; capite convexiusculo 4 
fere in longitudine corporis, aeque alto circiter ae longo; vertice ele- 
vato convexiusculo; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; oculis maxi- 
ma parte in anteriere dimidio corporis sitis, diametro 84 eirciter in lon- 
gitudine capitis, minus diametro 4 a linea rostro-frontali remotis;s osse 
suborbitali angulo oris oculi diametro duplo bumiliore; rostro oculo non 
longiores maxillis aequalibus, superiore deorsum valde protractili, sub 5 
medio oculo desinente; dentibus maxillis serie externa. seriebus internis 
longioribus ecurvatis subaequalibus; maxilla inferiore antice dentibus ali- 
quot eaninoïdeis; praeoperculo margine posteriore dentibus valde conspi- 
cuisz dorso elevato convexo; linea ventrali obtusangula linea dorsali mul- 
to humiliore; genis, operculis superne et triangulis pectoralibus lateralibus — 
superne squamosis; triangulis lateralibus inferne et triangulo inferiore to= 
tis alepidotis; linea laterali usque sub radio pinnae dorsalis radiosae — 
medio ecirciter curvata, curvatura valde aperta, postice scutis spiniferis — 


p. m. 22, latissimis 12 ecirciter in altitudine corporis; pinnis acutis; dors 


761 


sali spinosa spina 3s ceteris longiore corpore triplo eireiter humiliore; 
dorsali radiosa acutissima corpore paulo humiliore; pectoralibus  acutis 
capite brevioribus 44 circiter in longitudine corporis; ventralibus acutis 
pectoralibus paulo brevioribus, spinas anales attingentibus; spinis analibus 
parvis, posteriore longiore; pinna anali acutissima dorsali radiosa paulo 
humiliore; caudali lobis acutiuscule rotundatis 44 circiter in longitudine 
corporis; corpore superne viridescente inferne argenteo, toto aureo nebu- 
lato; operculo postice nigricante; pinna dorsali viridi apicem versus 
fuscescente; dorsali radiosa, anali, ventralibus, caudalique basi auran- 
fiacis, dimidio libero rubro-fuseis nigro marginatis; pectoralibus auran- 
tlaco-flavis. 

B. 7. D. 1 procumb. + 7—l—1l/18. P. 2/22. V. 1/5. A. 2—1/17. C. 

17 et lat. brev. 
Habit. Kema, Celebes septentrionalis, in mari. 


Longitudo speciminis unici 115///. 


Aanm. In habitus heeft deze soort vrij veel van Carangordes 
fulvoguttatus Bkr. en Carangoïdes oblongus Blkr. doch is da- 
delijk herkenbaar aan haar sterk getand praeoperkel, aan hare 
kleuren enz. 


TEUTHIDES. 


Acanthurus celebicus Blkr. 


Acanth. corpore oblongo compresso, altitudine 8 fere in ejus longitu- 
dine, latitudine 3 et paulo in ejus altitudine; capite subrhomboïdeo 42 
eirciter in longitudine corporis, altiore quam longo; oculis diametro 32 
circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali inferne praesertim con- 
cava; rostro acuto; osse suborbitali oculi diamet\o duplo circiter altiores 
dentibus maxillis dimidio apicali denticulatis, maxilla superiore p. m. 16, 
maxilla inferiore p. m. 20; limbo praeoperculari valde obtusangulo lineae 
rostro-frontali snbparallelo; operculo et osse humerali valde striatis; squa- 
mis ctenoïdeis, parvis, deciduis, lateribus 80 p. m. in serie longitudinalis 
cauda spina oculo duplo fere breviore; pinnis dorsali et anali obtusis ro- 
tundatis, dorsali spina postica spinis ceteris longiore; dorsali radiosa et 
anali altitudine 24 circiter in altitudine corporis; pinnis pectoralibus 
acutis 44 ad 44, ventralibus acutissimis 5% circiter in longitudine corpo- 
ris; caudali radiis lateralibus valde productis 84 cireiter in longitudine 
corporis; colore corpore aurantiaco-fusco, capite profundiore; labiis ni- 
gris flavo vel coeruleo limbatis; pinnis dorsali, anali et ventralibus 


762 


nigricante-fuscis; pectoralibus dimidio basali nigris dimidio apicali auran- 
tiacis; caudali nigricante-viridi limbo posteriore aurantiaco. 
B. 5. D. 8/26 vel 9/25. P. 2/14. V. 1/5. A. 3/24 vel 3/25. C. 16 et 
lat. brev. 
Habit. Maecassar, in mari. 
Longitudo speciminis unici 225’. 


Aanm. Van de talrijke bekende bruinachtig gekleurde en 
ongestreepte soorten van Acanthurus met eigenlijke schubben is 
er geene, welker beschrijving voldoende op de bovenstaande 
past. Acanthurus celebicus is kenbaar. aan het langwerpige lig- 
chaam, hol profiel met vooruitstekenden snuit, hooge afgeron- 
de rug- en aarsvin, zeer verlengde zijdelijke staartvinstralen, , 
zwarte rug-, aars- en buikvinnen, witte lipbanden, zwart- en 
oranjekleurige borstvinnen enz. Eene na aan deze verwante 
soort is Acanthurus fuliginosus Less. (Voyag. Goquill. Zoöl. 
p. Î49 Poiss. tab. 27 fig. 2), doch behalve ligtere kleuren 
der vinnen en meer gewelfd voorhoofd, zou deze tot formule 
der rug- en aarsvin hebben D. 9/28 A. 3/20, welke getallen te 
zeer van de boven opgegevene afwijken om eene verdere 
toenadering toe te laten. 


Acanthurus humeralis GV. Poiss. X p. 170. 


Aecanth. corpore oblongo compresso, altitudine 3 et paulo in ejus lon- 
gitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite subovali 5 circi- 
ter in longitudine corporis, altiore quam longo; oculis diametro 4 et pau- 
lo in longitudine ecapitis; linea rostro-frontali convexa inferne tantum le- 
viter concavas rostro obtuso; osse suborbitali oeuli diametro plus duplo 
altiore; dentibus utraque maxilla 16 vel 18 dimidio apicali denticulatis den- 
ticulis obtusis; limbo praeoperculari valde obtusangulo ; operculo et osse hu- 
merali valde striatis; squamis ctenoïdeis, parvis, lateribus 125 p. m. in serie 
longitudinali; cauda spina oeulo non vel vix breviore; pinnis dorsali et 
anali postice obtusiusculis angulatis, dorsali spina postica spinis ceteris 
longiore corpore plus triplo humiliore; pinnis pectoralibus acutis 5 et pau- 
lo, ventralibus acutis 6} circiter, caudali emarginata lobis acutissimis val- 
de productis superiore longiore 4 circiter in longitudine corporis; colore 
corpore fusco; fascia longitudinali humerali aurantiaco-rubra nigro lim- 
bata longitudine pinnae pectoralis; regione nasali macula diffusa viridis; 
pinnis nigris pectoralibus postice coeruleis; caudali postice medio late se- 
milunariter alba nigro marginata. 


165 


B: 5. D.-9/24 vel 9/25. P. 2/15. A. 3/22 vel 3/23. C. 18 et lat. brev. 
Synon. kan Panglima of Veldheer Valent. Ind. Amb. III p. 409 fig. 
mas. 
Groot Eylander ou Insulaire de Manipe Renard Poiss. Mol. II 
tab. 12 fig: 55. 
Acanthurus olivaceus Bl. Schn. Syst. posth. p. 213. 
Acanthurus eparad Less. Voy. Coquill. Zoöl. II p. 147 tab. 27 
fig. 1. 
Acanthure eparai Less. ibid. 
Acanthure à epaulette CV. Poiss. X p. 170. 
Eparaï Insul. Taitens. 
Habit. Macassar, in mari. 
Longitudo speciminis unici 258'//, 


Aanm. Volgens Lrsson gaaf in den verschen toestand een 
blaauwe band langs den achterrand des operkels en langs de 
basis der rugvin en is de formule van zijn specimen = D. 9/23. 
P. 14. V. 1/4. In het groote vischwerk is de formule op- 
gegeven = D. 9/25. P. 16. V. 1/5, dus meer beantwoordende 
aan die van het boven beschreven specimen. 


Naseus lituratus GV. Poiss. X p. 208. 


Nas. corpore oblongo compresso, altitudine 22 in ejus longitudine, la- 
titudine 3 fere in ejus altitudine; capite acuto 44 circiter in longitudine 
corporis, aeque alto circiter ac longo; oculis diametro 4 eirciter in longi- 
tudine capitis; linea rostro-frontali concava, fronte tantum convexa; fronte 
non cornuta; rostro acuto oculo triplo fere longiore; regione praeoculari 
sulco trigono; dentibus utraque maxilla 30 p. m. conicis obtusiusculis; 
operculo kumerogue squamosis; praeoperculo valde obtusangulo rotundato; 
squamis corpore minimis conspicuis, scabris; cauda utroque latere laminis 
2 rotundis spiniferis armata, spinis latis valde eompressis oculo non vel 
vix brevioribus; pinna dorsali spina 1* crassissima spinis ceteris radiisque 
multo longiore, 34 circiter in altitudine corporis; dorsali radiosa parte an- 
teriore parte posteriore altiore corpore plus quadruplo humiliore; pecto- 
ralibus apice acutis 62 circiter, ventralibus acutis 8 et paulo, caudali se- 
milunariter emarginata angulid" acuta 5 et paulo in longitudine corporis; 
anali corpore plus sextuplo humiliore; colore corpore castaneo; regione 
supraoculari et ventre castaneo-rubris; labiis rubris; vitta oculo-maxil- 
lari rubra inferne postrorsum curvata; rostro nigricante; cauda rubra vel 
aurantiaca, inter laminas spiniferas vitta transversa coerulea; dorso et ven- 


764 


tre vitta coerulea ad basin pinnae dorsalis et analis; pinna dorsali antice 
tota postice dimidio inferiore nigra, postice dimidio superiore flavo su- 
perne nigro inferne coeruleo limbata; pectoralibus viridi-fuscis; ventrali- 
bus aurantiacis; anali aurantiaco-rubra nigro et albo marginata basi pos- 
tice fascia longitudinali viridi-fusca; caudali castanea postice margine du- 
pliee aurantiaco-viridi et flava vel alba. 
Bi4, D.6/31. P. 2/15. V.1/SS A. 2/31 C. oJ6tetslatstbrev- 
Synon. Jkan Maroeke of Maroeke visch Valent. Ind. Amb. III p. 371 
Mikel 77. 
Marougue Renard Poiss. Mol. I tab. 28 fig. 128. 
Leervisch ou Poisson revêtu de cuir Ren. ibid. II tab. 31 fig. 147. 
Larpurus lituratus Forst. apud CV. Poiss. X p. 208. 
Acanthurus lituratus Bl. Schn. Syst. posth. p. 216» 
Acanthurus harpurus Shaw Gen. Zoöl. IV, I p. 381. 
Aspisusrus elegans Rüpp. Atl. R. N. Afr. F. R. M, p. 61 tab. 


NSP 
Monoceros ecornis Ehr. apud Rüpp. Atl. R. N. Afr. F. R. M. p. 
61. 


Prionurus eoume Tess. Voy. Coquill. Zoöl. IT p. 151. 
Nason bariolé CV. Poiss. X p. 208. 
Aspisurus lituratus Rüpp. N. Wirb. F. Abyss. F. R. M. p. 130. 
Eoume Insul. Taïtens. 
Habit. Maecassar, in mari. 


Longitudo speciminis unici 235'''. 


Aanm. De getallen der rug- en aarsvinstralen schijnen bij 
deze soort aan aanmerkelijke verschillen onderhevig te zijn, 
daar andere schrijvers ze vermelden als slechts te bedragen D. 
6/25 A. 2/28. Bij het specimen van de Roode zee, afgebeeld 
in het werk van de heer Rürrerrr, is de rugvin anders gekleurd 
en van voren geheel geel terwijl er de randstralen der staart- 
vin zwart zijn en zeer verlengd, wat bij mijn voorwerp het 
geval niet is. 


GOBIOIDEL 


db 
Gohbvus Fontanesii Blkr. 


„Gob. corpore elongato compresso, altitudine 9 ad 10 in ejus longitu- 
dine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo, 6 
circiter in longitudine corporis, duplo longiore quam alto; oculis diame- 


765 


tro 4 circiter in longitudine capitis, valde approximatis, totis in anterio= 
re dimidio capitis sitis; cute orbitali palpebraeformi; vertice squamoso; 
rostro convexo, obtuso, laevi, oculo breviore; rietu obliquo, sub medio 
oeulo desinente; maxillis dentibus pluriseriatis, maxilla superiore seriebus 
internis minimis, serie externa conicis curvatis majoribus; maxilla infc- 
riore antice dentibus seriebus internis minimis, serie externa conicis cur- 
vatis mnjoribus, lateribus medio caninoïdeis 4 curvatis; sulco oculo- 
operculari inconspicuo; squamis parvis, lateribus 90 p. m. in serie lon- 
gitudinali, squamis caudalibus squamis pectoralibus multo majoribus; 
appendice anali oblonga, obtusa; pinna dorsali spinosa corpore altiore 
spina 3* ceteris longiore; dorsali radiosa corpore altiore sed dorsali spi- 
nosa humiliore postice angulata; pectoralibus rotundatis capite vix bre- 
vioribus; ventrali acuta capite paulo longiore; anali corpore non altiore 
postice angulata; caudali obtusiuscule rotundata 44 circiter in longitudine 
corporis; corpore rufo fasciis 3 latis transversis diffusis fuscis, 1° sub pin- 
na dorsi spinosa, 2% et 8 sub pinna dorsi radiosa; capite superne punc- 
tis flavis; pinnis dorsali 12 et ventrali fuscis, ceteris rufis, verticalibus 
marginem liberum versus fuscis, dorsali radiosa basi membrana inter sin- 
gulas radios macula pulchre flava. 

BRD REN /lsnvele 1/16; 2 lv Meab/5 ir Aal 6e welval/17 C,o18 

vel 15 et lat. brev. 
Habit, Bulucumba, in mari. 


Longitudo speciminis unici 156'// 


Aanm. Deze soort behoort tot de groep van Gobius lance- 
olatus Bl. en heeft daarmede groote verwantschap , maar hare 
staartvin is aanmerkelijk korter en stomper, hare borstvinnen 
en buikvinnen zijn langer, de vinstralen talrijker, de aars veel 
verder achterwaarts geplaatst enz. Van andere verwante Ame- 
rikaansche soorten, zooals Gobius baccalaus CV., Gobius sma- 
ragdus GV. en Gobius brasiliensis Bl. is zij even gemakkelijk 
te onderkennen. Gobius hasta T. Schl. (Faun. jap. Poiss. p. 
144 tab. 75 fig. Î) van Japan, welke insgelijks tot deze groep 
behoort, heeft aanmerkelijk ranker ligchaam, andere kleurtee- 
kening, D. 8 — 20, spitsere staart- en borstvinnen enz. 


PSEUDOGCHROMIDES. 


Cichlops melanotaenia Blkr. 


Cichl, corpore oblongo compresso, altitudine 4 in ejus longitudine, la- 


766 


titudine 24 circiter in ejus altitudine; capite obtuso, convexo, 5 in lon- 
gitudine corporis, paulo altiore quam longo; oculis diametro 4 in longi- 
tudine capitis; rostro obtuso oculo breviore; osse suborbitalf oculi dia- 
metro humiliore; maxilla superiore 24 circiter in longitudine capitis, sub 
oculo desinente; maxilla inferiore prominente; rictu valde obliquo; den- 
tibus maxillis pluriseriatis, serie externa conicis majoribus, maxilla su- 
periore antice caninis 2, maxilla inferiore antice caninis 2 et utroque la- 
tero canino unico; dentibus vomerinis in vittam gracilem subsemilunarem 
dispositis; maxillis, mento rostroque alepidotis; fronte, vertice ossibus- 
que opercularibus totis squamosis, anacanthis; squamis ciliatis, lateribus 60 
p- m. in serie longitudinali; linea laterali e tubulis simplicibus compo- 
sita, antice valde adscendente, sub radio pinnae dorsalis 19° circiter in- 
terrupta et sub radio dorsali 15° reincipiente; pinnis, ventralibus excep- 
tis, basi squamosis; dorsali ante radicem pectoralis incipiente, postice 
acuta, corpore paulo humiliore, radiis anticis radiis posticis longissimis plus 
duplo brevioribus; pectoralibus rotundatis 54 eirciter, ventralibus acutis- 
simis subfiligeris 42 circiter in longitudine corporis; anali postice acuta 
dorsali paulo humiliore; caudali rotundata 44 circiter in longitudine cor- 
poris; colore corpore superne fusco-rubro, inferne pulchre rubro; dorso 
lateribusque vittis 10 nigris longitudinalibus, 1* ad basin pinna dorsalis, 
2* supra lineam lateralem, 98° sub media pinna dorsali desinente, 4* pos- 
tice cum 1* unita, 5*, 6*, 72 et &* basin pinnae caudalis attingentibus, 9° 
et 10* gastro-analibus; genis oblique fusco striatis; pinnis pulchre rubris, 
verticalibus nigro marginatis; dorsali antice punctis postice vittulis longi- 
tudinalibus profundioribus; anali vittis obliquis profundioribus; pectorali- 
bus superne basi macula triquetra nigra. 

B&D. 2/25, vel 2/26..B. 2/17. Ml /5e AxS/ld vel Sine iCie ok 

lat. brev. 
Habit. Macassar, in mari. 


Longitudo speciminis unici 185''/, 


Aanm. Deze uiterst fraaije soort is na verwant aan Ct- 
chlops cyclophthalmus J. Müll. Trosch., beschreven en afgebeeld 
in de Horae ichthyologicae van de heeren Troscuer en J. Mür- 
LER (aflev. III p. 24 tab. 4 fig. f), zoo zelfs, dat afmetingen des lig- 
chaams en getallen der vinstralen van mijn specimen vrij naauw- 
keurig aan de aangehaalde beschrijving beantwoorden. Evenwel 
spreken daar de heeren Mürrer en TroscneL van 4 hondstanden 
in de bovenkaak, van inplanting der rugvin boven de basis 
der borstvin en van gelijke hoogte van alle rugvinstralen, ter- 
wijl zij niets vermelden van de zeer scherp uitgedrukte over- 


767 


langsche banden des ligchaams. Volgens de afbeelding van Ci- 
chlops cyclophthalmus te oordeelen, is de buikvin er veel korter 
en begint de staartzijlijn veel verder achterwaarts dan bij C4- 
chlops melanotaenia. 


LABROIDEI CTENOÏDEL 


Amphiprion trifasciatus GV. Poiss. V p. 297. 


Amphipr. corpore oblongo eompresso, altitudine 2# ad 8 in ejus longi- 
tudine, latitudine 24 ad 24 in ejus altitudine; capite obtuso convexo 4 
ad 42 in longitudine corporis, paulo altiore quam longo ; linea rostro-fron- 
tali convexa; fronte plana; oeculis diametro 3 eirciter in longitudine capitis; 
fronte alepidota; osse suborbitali sub oculo oculo plus duplo humiliore den- 
ticulis nullis sed spina parva deorsum spectante armato ; maxillis aequalibus 
‚dentibus conicis valde conspicuis; maxilla superiore sub oculi parte anteriore 
desinente; rictu curvato; pracopereulo rectangulo angulo rotundato leviter 
dentato; ossibus opercularibus ceteris spinoso-dentatis -spinis gracilibus; 
squamis lateribus 50 p. m. in serie longitudinalis linea laterali simplice 
sub pinnae dorsalis parte posteriore interrupta; pinna dorsali partem spi- 
nosam inter et radiosam valde incisa, parte spinosa parte radiosa humi- 
lore spinis mediis ceteris longioribus, parte radiosa obtusa rotundata; 
pectoralibus rotundatis et ventralibus obtusis 5 circiter in longitudine cor- 
poris; anali rotundata, dorsali radiosa humiliore; caudali obtusa rotun- 
data 5 eirciter in longitudine corporis; colore corpore fuscescente-nigro, 
capite dilutiore; fascia dorso-operculari lata usque ad apicem pinnae dor- 
“salis radiosae producta et fascia dorso-anali lata margaritaceis; cauda 
margaritacea; pinna caudali nigra marginibus et angulis late margarita- 
ceis; pinnis dorsali, ventralibus analique nigris, anali albo marginata; 
pectoralibus violaceis. 

DR I/lA,vel.1l/15: P.-2/17. V. 1/5. A.-2/12 vel -2/18: C,-15 

vel 17 et lat. brev. 

“ Synon. Amphiprion à trois bandes CV. Poiss. V p. 297. 

Habit. Macassar, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 84//’ et 85'//, 


Aanm. Ik breng de bovenbeschrevene specimina tot Amphi- 
prion trifasciatus CV., niettegenstaande de staartvinnen er uit- 
_gerand zijn en de rug langs de rugvin de witte streep mist, 
welke verschillen slechts op eene verscheidenheid duiden. Mijne 
ui. 59 


768 


specimina hebben eene bijzonder groote overeenkomst met die, 
welke ik van Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. bezit en zijn 
daarvan, behalve door den parelkleurigen staart en donkerder. 
gekleurd ligchaam, slechts te onderscheiden door minder bol 
profiel en aanmerkelijk platter voorhoofd. 


LABROÏIDEI CYCLOÏDEI 


Julis (Halichoeres) casturi Blkr. 


Jul. (Halich.) eorpore oblongo compresso, altitudine 83 circiter in ejus 
longitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acutiusculo 4 
in longitudine corporis; altitudine capitis 11 circiter in ejus longitudine ; 
oeulis diametro 5 ecirciter in longitudine capitis; linea rostro-frontali su-_ 
perne ante oculos concava rostro convexa; rostro oculo longiore; labiis 
carnosis; dentibus maxillis parvis conicis, caninis nullis; dente angulo 
oris dentibus ceteris longiore, prominente; dorso humilis linea ventrali 
linea dorsali convexiore; linea laterali singulis squamis tubulo simplice 
notata; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali; squamis sub basi 
pinnae pectoralis squamis ceteris multo majoribus; pinnis dorsali et anali 
basi glabris, dorsali spina postica spinis ceteris longiore sed radio 1° mul- 
to humiliore, parte radiosa corpore triplo humiliore postice angulata; 
pectoralibus in dimidio corporis superiore sitis acutis 6 circiter, ventra- 
libus acutis 8 et paulo in longitudine corporis; anali corpore triplo hu- 
miliore postice angulata; caudali convexa 6 ecirciter in longitudine corpo- 
ris; colore corpore superne viridi, lateribus flavo, inferne margaritaceo- 
viridi; vittis corpore 4 longitudinalibus rubro-violaceis, superiore ad ba-_ 
sin pinnae dorsalis decurrente, 2° rostro-supraoculo-caudali, 38° maxillo-in- 
fraoculo-laterali ante apicem pinnae pectoralis desinente, inferiore mento= 
thoracico-caudali mento postrorsum et deorsum curvata thorace infra pinnam 
pectoralem decurrente; pinna dorsali rubra nigro marginata, parte spinosa 
vitta longitudinali nigricante; pinna caudali flava; pinnis ceteris viridibus. 

B. 6D. 9/11 vel 9/12.,B. 2/11. Na 1/5, A 8/11 vele Gee LEE 

lat. brev. 

Synon. Gallenay castourt Renard Poiss. Mol. I tab. 24 fig. 133. 

Habit. Macassar, in mari. 

Longitudo speciminis unici 130///, 


Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan Julis (Ha- 
dichoeres) balteatus QG., doch laat zich onderkennen aan 
den eigenaardigen loop der overlangsche paarse banden, hoo- 


nn 


7169 


ger ligchaam, stomperen kop enz. Bij Julis (Halichoeres) bal- 
deatus QG. gaat de kin-operkelband slechts tot aan de kieuw- 
opening en gaat een band uit den oksel naar den staart. In 
mijne Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van de 
Banda-eilanden heb ik Renarp’s Gallenai castouri ten onregte 
(even als de heer Varenctennes) tot Julis balteatus QG. gebragt. 


Scarus naevius CV. Poiss. XIV p. 188? 


Scar. corpore oblongo compresso, altitudine 44 ad 33 in ejus longitu- 
dine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite acutiusculo, leviter convexo, 
inter oculos planiusculo, 4 et paulo in longitudine corporis, longiore quam 
alto; oculis lineae frontali approximatis, diametro 5 eirciter in longitudine 
capitis; rostro convexo oculo multo longiore; labiis carnosis maxillas 
totas tegentibus; maxillis roseis, marginibus liberis denticulis utroque la- 
tere 20 p. m. crenulatis, dentibus angularibus nullis; maxilla inferiore 
superficie externa scabriuscula; maxilla superiore superficie externa gla- 
bra; squamis lateribus 22 in serie longitudinali, 8 in serie transversali; 
linea laterali singulis squamis valde arborescente; pinna dorsali spinis 
gracilibus subaequalibus corpore minus triplo humilioribus, membrana in- 
ter singulas spinas valde incisa non lobata; dorsali radiosa rotundata; pin- 
nis pectoralibus obtusis rotundatis 13 in longitudine ecapitis; ventralibus 
obtusiusculis capite duplo circiter brevioribus; anali angulata dorsali ra- 
diosa humiliore; caudali convexa 6 circiter in longitudine corporis; colo- 
re corpore superne aureo-viridi, inferne aurantiaco-flavo; genis olivaceis 
fasciis 2 transversis flavis; operculis olivaceo et flavo variegatis; squamis 
corpore plurimis macula magna irregulari nigricante-viridi; ventre insuper 
guttis luteis; pinna dorsali aurantiaco-viridi maculis magnis viridi-nigri- 
cantibus subfasciatim dispositis; pinnis ceteris aurantiacis, pectoralibus 


_ basi macula magna nigricante, ventralibus, anali caudalique viridi-fusco 


nebulatis, 
ED: 0/10 vel 9/11. P. 2/11. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C, 12 et 
lat. brev. 
Synon. Scare aur taches brunes CV. Poiss. XIV p. 188. 
Habit. Macassar, in mari. 
Longitudo 2 speciminum 205''’ et 228''’, 


Aanm. Deze soort moet na verwant zijn aan Scarus vaigiensis 
CV. (Poiss. XIV p. 159) van de Sechellen, doch laat er zich 


„miet wel mede vereenigen, daar van Scarus vaigiensis gezegd 


wordt, dat zij de oppervlakte der kaken glad heeft, dat er 


7710 


elke schub eene roodbruine vlek heeft, dat de groenachtige 
vertikale vinnen bruine stippen op de stralen hebben en de 
borst- en buikvinnen grijs zijn. Ik breng mijn specimen tot 
Scarus naevius CV. (Poiss. XIV p. 188) ofschoon de beschrij- 
ving der kleuren van den heer VALENCIENNEs eenigzins van de 
mijne afwijkt en van Scarus naevius gezegd wordt, dat zij de 
randen der kaken glad heeft. 


Scarus fraenatus Lacép. Poiss. IV p. 18 tab. 1 fig. 
2. GV. Poiss. XIV p. 168? 


Secar. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite convexo, acuto, 
3} circiter. in longitudine corporis, longiore quam alto; oculis a linea 
frontali remotis , diametro 6 circiter in longitudine capitis; rostro acuto, 
convexo, oculo vix duple longiore; labiis carnosis maxillas totas tegen- 
tibus;s maxillis roseis superficie externa glabris, margine libero crenulatis, 
utroque latere dentibus plus quam 20, angulis maxilla superiore dentibus 
2, maxilla inferiore dente 1 extrorsum spectantibus; squamis lateribus 22 
in serie longitudinali, 8 p. m. in serie transversali; linea laterali singulis 
squamis non vel vix arborescente; pinna dorsali spinis gracilibus subac- 
qualibus corpore plus triplo humilioribus, parte radiosa angulata; pinnis 
pectoralibus acutis 14 circiter, ventralibus acutis 12 circiter in longitudine 
capitis; anali angulata dorsali non vel vix humiliore; caudali radijs an- 
gularibus productis 5 ecirciter in longitudine corporis; corpore dimidio 
anteriore fusco-olivaceo, dimidio posteriore viridi-favescente, marginibus 
squamarum rubescentibus; colore lateribus profundiore ante apicem pin- 
nae pectoralis desinente; capite fascia maxillo-operculari lutea; rostro 
fusco-olivaceo; labio inferiore viridi et rubro limbato; pinna dorsali vio- 
Jascente antice profundiore, aurantiaco et violaceo limbata; anali dimi- 
dio basali violacea dimidio libero rubra; pinnis ceteris rubescentibus. 

B. 5. D. 9/10 vel 9/11. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C. 13 et 

late brev. 

Synon. Scare bridé Lacép. Poiss. IV p. 12 tab. 1, fig. 2.? 

Habit. Bulucomba, in mari. 

Longitudo speciminis unici 245''/ 


Aanm. Het bovenbeschreven specimen vergelijkende met de 


afbeelding van Scarus fraenatus van Lackrùpr (Hist. Poiss. IV, 


tab. 1 fig. 2) komt het mij voor, dat het daartoe te brengen 
is, vooral op grond van de sterke afscheiding van het voorste 


771 


donkere van het achterste lichter gekleurde gedeelte des lig- 
chaams, den kaakoperkelband en de verlengde staartvinhoe- 
ken. Die afbeelding verschilt echter nog in zoo talrijke op- 
zigten van mijn specimen, dat men ligtelijk geneigd zou kunnen 
zijn, mijn specimen tot eene eigene species te brengen. Vol- 
gens aangehaalde afbeelding toch is de kop veel stomper en 
boller, zijn de rug- en aarsvinnen veel lager dan bij mijn 
specimen en is het punt van scheiding tusschen de donkere en 
heldere ligchaamshelft zoo ver achter de punt der borstvinnen 
als deze vinnen lang zijn. Indien die afbeelding alzoo betrek- 
king heeft tot dezelfde „soort als het bovenbeschreven speci- 
men , is zij zeer onnaauwkeurig. 

CommersoN vond deze soort in den Indischen Oceaan en heeft 
‚daarvan eene afbeelding nagelaten, naar welke de figuur in 
het werk van LacÉrpkpr is genomen en naar welke de korte 
beschrijvingen van Lackrkpr en VALENCIENNES opgemaakt zijn. Ten 
opzigte der door mij opgegevene kleuren moet ik aanteekenen, 
dat zij door den wijngeest waarschijnlijk aanmerkelijk geleden 
hebben. 


ESOCGES. 


Exocoetus oxycephalus Blkr. 


Exocoet. corpore elongato quadrilatero, fere aeque lato ac alto, altitu- 
dine 7 eirciter in ejus longitudine; capite prismatico acuto, 54 ad 54 in lon- 
gitudine corporis; altitudine capitis ad medium oculum 2 in ejus longitudine 
linea rostro-frontali deelivi-rectinscula ; fronte concaviuscula; oculis diame- 
tro 3 circiter in longitudine capitis, diametro 1 ad 14 a se invicem dis- 
tantibus; rostro oculo minus duplo breviore; maxillis dentibus minimis, 
superiore, ore clauso, inferiore vix breviore, inferiore non cirrata symphysi 
vix tuberculata; squamis lateribus 50 p. m.in serie longitudinali; pinna dor- 
sali non vel vix ante analem incipiente, corpore duplo humiliore, anali non 
vel vix longiore; pectoralibus pinnae dorsalis partem posteriorem attingenti- 
bus, 2 fere in longitudine totius corporis; ventralibus pinnae analis partem 
mediam vel posteriorem attingentibus radiis 2 mediis ceteris longioribus 
5 eirciter in longitudine corporis; anali corpore plus duplo humiliore: 
eaudali lobo inferiore longiore 44 ad 44 in longitudine corporis; colore 
dorso profunde coeruleo, lateribus ventreque margaritaceo vel argenteo; 


712 


pinnis dorsali et caudali virideseentibus, ventralibus analique hyalinis, 
pectoralibus violaceo-coeruleis. fi 
B. 11. D. 1/9-vel 1/10. P. 1/15 vel 1/16. V.6. A. 1/11 vel 2/10. 
C. 15 et lat. brev. 
Habit. Macassar, Batavia, in mari. 
Longitudo 3 speciminum 195''/ ad 215'!/, 


Aanm. Deze soort is verwant aan die, welke ik in mijne 
Bijdrage tot de kennis der Snoekachtige visschen van den In- 
dischen Archipel (Verh. Bat. Gen. XXIV) beschreef onder den 
naam van Emocoefus unicolor CV?. Zij laat zich echter ‘hiervan 
gemakkelijk onderscheiden door spitseren en lageren kop, niet 
bollen snuit, niet of naauwelijks voor de aarsvin beginnende 
rugvin, die niet of. naauwelijks langer is dan de aarsvin enz. | 
Aan Erocoetus speculiger-CV. beantwoordt zij door gelijke ge- 
tallen der rug- en aarsvinstralen enz. doch verschilt er van; 
door minder langwerpig ligchaam, gemis der borst- en buik- 
vinvlekken enz. Ik kan haar ook niet terugbrengen tot eenige 
der overige talrijke reeds bekende soorten van Exocoetus, welker 
beschrijvingen echter, uit een diagnostisch oogpunt, in het .al- 
gemeen nog aanmerkelijk te wenschen overlaten. 


CLUPEOIDEI. 


Clupeoïdes macassarienis Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV 
Har. Vissch. j 


Clupeoid. corpore elongato compresso, altitudine. 7 ad 74 in ejus lon- 
gitudine, latitudine 14 ecirciter in ejus altitudine; capite acuto 44 ad 42 
in Jongitudine corporis; altitudine capitis 2 in ejus longitudine; oculis dia- 
metro 4 ecirciter in longitudine capitis; ore antico dentibus omnibus mi- 
nimis taetu tantum conspicuis; maxillis aequalibus superiore sub oeuli lim- 
bo anteriore desinente; dorso humili leviter convexo; ventre obtuso non 
serrato; squamis deciduis, lateribus 82 p. m. in Serie longitudinali; linea 
laterali recta bene conspicua; axillis inguinibusque squamis elongatis nul- 
lis; pinna dorsali fere tota ante ventrales sita, acuta, nom emarginata, 
corpore paulo humiliore; pectoralibus et ventralibus acutis, pectoralibus 
capite minus duplo brevioribus sed ventralibus longioribus; anali in 4° quin- 
ta corporis parte sita, humillima, capite triplo breviore; caudali profunde 


113 


_ incisa lobis obtusiusculis 7 in longitudine corporis; colore corpore superne 
profunde coeruleo lateribus et inferne argenteo; pinnis hyalinis, caudalí 
basi striis 4 longitudinalibus profunde coeruleis. 

B. 6. D. 2/9. P. 1/11, V. 1/7. A. 1/8. -C, 17 vel 19 et:lat. brev. 
Synon. Clupea macassariensis Blkr. Contrib, Ichth. Celeb. in Journ. Ind, 
Archip. 1849 p. 72. 
Habit. Macassar, et Ternate, in mari. 
} Longitudo 6 speciminum 60//’ ad 70/'/, 


Aanm. Deze soort verschilt van Clupeovdes borneënsis Blkr. 
(Nat. T. N. Ind. [ p. 270, Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. p. 
17) door stompen niet gezaagden buik, bijkans geheel vóór de 
buikvinnen ingeplante rugvin, blaauwe kleur des ligchaams , 
blaauwe staartstrepen enz. 


Sardinella clupeoïdes Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Ha- | 


ring. p. 19. 


Sardin. corpore stbelongato compresso, altitudine 44 ad 5 in ejus lon- 
gitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto 43 ad 54 in 
longitudine corporis, paulo longiore quamalto; linea rostro-frontali decli- 
vi rectiuscula; oculis diametro 34 ad 8% in longitudine ecapitis; maxillis 
aequalibus, superiore ante oculum desinente 8 et paulo in lopgitudine ca- 
__pitis, inferiore dentibus nullis conspicuis; dentibus palatinis et pterygoïdeis 
parvis bene conspicuis; lingua fere tota dentibus scabra; ossibus frontalibus 
posterioribus striatis; dorso et ventre obtusis rotundatis; ventre scutis 26 
p. m. postice obtusis truncatis non dentatis; squamis deciduis non striatis, 
‘lJateribus 35 p. m. in serie longitudinali; axillis inguinibusque squamis 
elongatis; linea laterali inconspicua; pinna, dorsali postice in anteriore 
‘corporis parte sita, ventralibus opposita, acuta, vix emarginata, corpore 
duplo vel fere duplo humiliore; pectoralibus et ventralibus acutis,. pecto- 
ralibus 12 in longitudine capitis ventralibus multo longioribus; anali hu- 
„millima pectoralibus paulo breviore, radiis 2 ultimis ceteris erassioribus; 
eaudali profunde incisa lobis acutis 5 circiter in longitudine corporis; 
colore dorso coeruleo, lateribus ventreque argenteo; rostro nigro; pinnis 
hyalinis vel flavescentibus, dorsali apicem et caudali marginem posteri- 
orem versus fuscescentibus. 

Bebe Ds 18. P. 16-vel 17. V..1/7,.A. 17 vel 18. GC. 17 et, lat. breve 
Synon. Amblygaster clupeoïdes Blkr. Contrib. Ichth. Faun. Celeb. in 

Journ. Ind. Archip. 1849 p. 73. 
Jkan Lemuru et Ikan Bulan bulan Mal. Batav. 


Pe 


714 + 


Habit, Macassar, Batavia, in mari. 
Longitudo 16 speciminum 110'’’ ad 203'//. 


Aanm. Te Batavia wordt deze soort gewoonlijk slechts bij 
de koraaleilandjes der reede gevangen. Zij is verwant aan 
Sardinella letogaster CV. doch hooger van ligchaam, heeft eene 
aanmerkelijk kortere bovenkaak, minder buikschilden en zij- 
schubben, mist de vlekteekening der zijden enz. 


Spratella tembang Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Ha- 
ring. p. 28. 


Spratell. corpore subelongato compresso, altitudine 5 ad 44 in ejus lons 
gitudine, latitudine 24 ad 22 in ejus altitudine; capite acutiusculo 5 ad 
5t in longitudine corporis, paulo longiore quam alto; oculis diametro 34 
ad 4 in longitudine capitis; ore antico rietu parvos rostro oculo juniori- 
bus non, adultis vix longiore; maxilla superiore edentula sub oculi lim- 
bo anteriore desinente; maxilla inferiore symphysi denticulis aliquot tac- 
tu magis quam visu conspicuis; dentibus palatinis vix conspicuis utro- 
que latere in thurmam oblongam dispositis; lingua medio tantum crista 
denticulis vix conspicuis leviter scabra; lineis dorsali et ventrali rotun- 
datis; dorso ventre paulo convexiore medio interdum leviter gibboso; 
linea laterali conspicua; squamis parte basali vulgo transversim parte 
libera vulgo longitudinaliter striatis, lateribus 40 p. m. in serie longitu- 
dinali; axillis inguinibusque squamis elongatis; ventre cultrato scutis 
p- m. 30 ad 32 postice dentatis serrato; pinna dorsalt postice in anteri- 
ore dimidio corporis sita, medio ventralibus opposita, corpore duplo hu- 
miliore, emarginata; pectoralibus acutis capite brevioribus sed ventralibus 
duplo fere longioribus; anali humillima, dorsali vix longiore, radiis 2 pos- 
ticis ceteris crassioribus; caudali lobis acutis 5 circiter in longitudine cor- 
poris; colore eorpore superne coeruleo, lateribus inferneque argenteo; ros- 
tro nigro; pinnis hyalinis vel flavescentibus; dorsali superne et caudali 
postiee nigro marginatis, dorsali antice basi macula triangulari nigra. 

B. 6, D. 18 wel 19. .P. 14 ad 16. V. W/7 A. 18 rad 200 NEE 

brev, 

Synon. Clupea gibbosa Blkr., Contrib. Ichth. Celeb. in Journ. Ind. Ar- 

chip. 1849 p. 72. 
Jkan Tembang Mal. Batav. 

Habit. Maecassar, Batavia, in mari. 

Longitudo 30 speciminum 84’ ad 185'//. 


Aanm. Spratella tembang is na verwant aan Spratella fim- 


hl 


775 


briata CV. doch onderscheidt er zich van, doordien de buiklijn 
minder bol is dan de ruglijn, door rankere vormen, minder 
scherp gekielden buik enz. Te Batavia wordt zij, even als 
Spratella fimbriata CV. dagelijks bij duizenden ter markt ge- 
bragt. 


SprarerLoïpes Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. p. 
99, 


Ossa maxiilaria superiora maxillam superiorem maxima par- 
te constituentia, postice non producta. Rictus parvus. Dentes 
supramaxillares , inframaxillares, vomerini, linguales. Pinnae 
ventrales. Membrana branchiostega radiis 6. 


Spratelloides argyrotaemra Blkr. Verh. Bat. Gen. ibid, 


Spratelloïd. corpore elongato compresso, altitudine 7 circiter in ejus 
longitudine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite acuto 5 in 
longitudine corporis, duplo longiore quam alto; oculis diametro 84 circi- 
ter in longitudine capitis; rostro acuto oculo longiore; ore antico rictu 
parvo; maxilla superiore ante oculum desinente postice leviter denticula- 
ta, inferiore vix prominente; vomere antice et lingua medio denticulatis; 
dorso non carinato; ventre parum cultrato non vel vix serrato; squamis 
 « « « « ? linea laterali inconspicua; pinna dorsali tota vel fere tota ante 
pinnas ventrales medio dorso sita, acuta, corpore vix hnmiliore, non 
emarginata; pectoralibus acutis ventralibus longioribus; anali humili; cau- 
dali semilunariter emarginata lobis acutis 7 in longitudine corporis; colore 
corpore flavescente-hyalino (?) fascia cephalo-caudali argentea; rostro ni- 
gro; pinnis hyalinis (?). 

B. 6. D. 12. P. 16? V. 1/7. A. 13 vel 14, C. 17 et lat. brev. 

Synon. Clupea argyrotaeniata Blkr. Contr. Ichth. Celeb. Journ. Ind, Ar- 

chip. 1849 p. 72. 
Habit. Macassar, Ternate in mari. 
Longitudo 9 speciminum 62''/ ad 70'', 


Aanm. In habitus heeft deze soort veel van Clupea gracilis T. 

_Schl. (Faun japon. Poiss.). tab. 108, doch volgens de heeren Teu- 
MINCK en SCHLEGEL zijn daar geenerlei tanden in kaken, gehe- 

BL. 60 


776 


melte of tong waargenomen, zoodat zij tot Alausa schijnt te 
behooren. De tanden van Spratelloïdes argúrotaenia zijn echter 
uiterst klein en het zou wel kunnen wezen, dat eene nadere 
waarneming ze insgelijks bij Clupea gracilis T. Schl. deed vin- 
den. 


MURAENOÏDEI. 


Oplusurus brachysoma Blkr. 


Ophisur. corpore eylindraceo postice compresso, valde elongato, altitu- 
dine 22 p. m. in ejus longitudines capite acuto convexo, corpore non la- 
tiore, 10 ecirciter in longitudine corporis; altitudine capitis 24 ecirciter in 
ejus longitudine; oculis diametro 10 et paulo in longitudine capitis, pau- 
lo longiore quam basi lato, apice parum carnoso; tubulis nasalibus oculo 
brevioribus; rictu post oculum producto 3 fere in longitudine capitis; la- 
bio superiore papillato; maxilla superiore inferiore multo longiore; den- 
tibus palatinis, nasalibus, vomerinis inframaxillaribusque granulatis obtu- 
sissimis, pluriseriatis, palatinis ante apicem laminae dentalis vomerinae 
desinentibus, 4- ad 5- seriatis; disco nasali subovali dentibus p. m. 18 ab 
apice laminae dentalis vomerinae spatio glabro remotis; lamina dentali 
vomerina laminis dentalibus palatinis etinframaxillaribus longiore, postice 
acuta, medio dentibus 5- ad 6- seriatis; dentibus inframaxillaribus 4- ad 
5- seriatis; symphysi glabra; apertura branchiali semilunari; cute laevi 
rugosula; linea laterali nucha incipiente, conspicua, tubulosa; pinna dor- 
sali quïinta parte capitis longitudinis post aperturam branchialem incipien- 
te, corpore duplo circiter humiliore, ad apicem caudae desinente, radiis 
duplicatis, postice vix emarginata; pinnis pectoralibus rotundatis 3 circitêr 
in longitudine capitis; anali antice in dimidio posteriore 3% sextae cor- 
corporis partis incipiente, corpore plus duplo humiliore postiee emargina- 
ta, radiis posticis radijs dorsalibus oppositis; colore corpore profunde oli- 4 
vaceo inferne dilutiore; pinna dorsali profunde viridi margine late nigri- 
cante; pectoralibus analique nigricantibus. 

B. 25. D. 304 p. m. P. 15, A. 200 p. Tú. 

Habit. Macassar, in mari. 

Longitudo speciminis unici 740//. 


Aanm. Deze Oplusurus behoort tot dezelfde groep als Ophi- } 
surus Schaapti Blkr., Ophisurus cancrivorus Richards. enz. doch 


á 
} 


Î 


3 


_ 
d 


laat zich gemakkelijk van alle bekende soorten dier groep on- 
derscheiden door haar betrekkelijk hoog ligchaam, gering aantal 
kieuwstralen, door de getallen der rug- en aarsvinstralen , 
door haar tandenstelsel, kleuren, lengte van bekspleet en borst- 
vinnen enz. Zij schijnt nog het naaste verwant te zijn aan 
Ophisurus cancrivorus, doch deze zou 33 kieuwstralen hebben, 
de borstvinnen korter, de bekspleet wijder (volgens de afbeel- 
ding 21, maal gaande in de lengte van den kop), geene zigt- 
bare zijlijn, groote lip- en de snuitporiën en de gehemeltetan- 
den reikende tot aan de spits der tandplaat van het ploeg- 
been. 


Conger bagio Gant. Mal. Fish. p. 916. 


_Cong. corpore valde elongato compresso, altitudine 22 ad 17 in ejus lon- 
gitudine, latitudine 14 ad 12 in ejus altitudine; capite acuto 6 ad 64 in 
longitudine corporis; rostro acuto, apice carnoso, clavato, 32 circiter in 
longitudine capitis; linea rostro-frontali, apice rostri excepto, concavius- 
eula; oculis diametro 10 ad 11% in longitudine capitis, 28 ecirciter in lon- 
gitudine rostri, 1 ad 14 in rietus parte postoculari;, naribus anticis tubu- 
latis; maxilla superiore inferiore longiore; dentibus palatinis conicis bre- 
vibus, anticis uniseriatis, posticis pluriseriatis, serie externa serie secun- 
da brevioribus; lamina dentali palatina medio denticulis parcis vel nulliss 
dentibus nasalibus periphericis subulatis, elongatis, 4 ad 6, mediis bres 
vibus uniseriatis p. m. 5; dentibus vomerinis tri-vel pluriseriatis, in thur- 
mam elongatam dentes nasales attingentem rostro vix longiorem dispositis, 
seriebus lateralibus brevibus conicis, serie media elongatis tricuspidatis 6 ad 
10; dentibus inframaxillaribus symphysi 14 ad 22, serie externa 6 ad 12 
parvis, serie interna 8 ad 10 subulatis elongatis; dentibus inframaxillari- 
bus lateralibus conicis et compressis, brevibus, anticis biseriatis, posticis 


tri-vel quadriseriatis, dentibus serie externa erectis nee extrorsum spec- 


| tautibus dentibus serie secunda compressis minoribus; rietu longitudine 


24 circiter in longitudine capitis; regione postmaxillari poris seriatis no- 
. ° . . . Ld 

tata; linea laterali tubulosa; pinna dorsali supra vel vix ante aperturam 

branchialem incipiente, antice corpore plus, postice corpore minus duplo 


‚ humiliore; pinnis pectoralibus acute rotundatis 31 ad 84 in longitudine 


_ eapitis; anali postice in 2* quinta vel anticee in 3* quïnta corporis parte 


_incipiente, corpore plus duplo humiliore; colore corpore superne olivaceo= 


_ viridi inferne argenteo vel flavescente-argenteo; pinnis viridi-flavestentie 


bus, verticalibus nigro limbatis. 
B: 20 vel 21. D. 250 ad 270. P. 14 vel 15. A. 192 ad 224. C. 10 p.m. 


778 


Synon. Muraena bagio Ham. Buch. Gang. Fish. p. 24, 364. 
Muraenesox tricuspidata MaecCl. Apod. Fish. Beng. Calc. Journs 
Nat. H. IV p. 409 tab. 24 fig. 1, a, b. 


a Hamiltonti MacC]. ibid. V p. 182 tab. 8 fig. 3 et 
p."2r07 
he bengalensis MacCl. ibid. p. 182. 


Congrus tricuspidatus Richards. Ichth. Sulph. p. 105 tab. 51 fig. 
2. Ichth. Ereb. Terr. p. 110. 
Conger hamo T. Schl. Faun. Jap. Poiss. p. 262 tab. 114 fig. 
9 
Hamo Japonens. 
Ho-Shen Chinens. 
Jkan Putje kanipa Mal. Batav. 
Habit. Macassar, Batavia, in mari. 
Longitudo 16 speciminum 400/'’ ad 830''/. 


Aanm. Deze soort komt te Batavia weinig minder dikwijls 
voor dan Conger talabon Cuv. (Bijdr. kenn. Muraen. Symbranch. 
Ind. Arch. p. 18. Verh. Bat. Gen. XXV), wordt door de Chi- 
nezen en inlanders niet van Conger talabon Cuv. onderschei- 
den en is even weinig gewild als voedingsmiddel. In de maag 
van eenige specimina vond ik nog volkomen goed herkenbare 
specimina van Poljnemus tetradactylus CV., Spratella tembang 
Blkr. en Engraulis Brownü CV., enkelen van meer dan 180’ 
lengte. 


Muraena pseudothyrsoidea Blkr. 


Muraen. corpore elongato compresso, altitudine 12 ecirciter in ejus lon- 
gitudine; capite acuto 7 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 
12 eirciter in ejus longitudine; linea rostro-dorsali fronte concava vertice 
convexa; oculis diametro 10% eirciter in longitudine capitis; naribus an- 
ticis tubulatis, posticis non tubulatis;s rostro convexo oculo minus duplo 
longiore, vix vel non ante maxillam inferiorem prominente; rictu post 
oeculos producto 24 circiter in longitudine capitis; dentibus omnibus acu- 
tis, palatinis, nasalibus, inframaxillaribus vomerinisque uniseriatis; pala- 
tinis compressis anticis posticis longioribus, utroque latere p. m. 12; den- 
tibus disco nasali peripheria dentibus palatinis longioribus compressis p. 
m. 12, medio dentibus subulatis 3 postieo ceteris longiore; dentibus vo- 
mere dentibus ceteris brevioribus 7 p. m.; dentibus inframaxillaribus com- — 


7119 


pressis anticis posticis longioribus utroque latere p. m. ì9; apertura bran- 
chiali dimidio corporis inferiore sita oculo vix minore; cute laevi squa- 
mis inconspicuis; linea laterali inconspicua; pinna dorsali ante aperturam 
branchialem incipiente, corpore duplo circiter humiliore; anali postice in 
quarta septima corporis parte incipiente corpore plus quadruplo humiliore; 
colore corpore pinnisque nigricante-fusco flavescente pulcherrime et te- 
nuissime marmorato. 

BD S20 p. mA. 220 p. ms C, 12: ps m. 

Habit. Macassar, in mari. 

Longitudo speciminis unici 560''/. 


Aanm. Deze soort gelijk in habitus en kleurteekening zoo 
volkomen op Muraena thyrsovdea Richards. (Voij. Sulph. Fish. tab. 
49 fig. 1), dat ik, zonder onderzoek van het tandenstelsel, haar 
voor daarmede identisch zou gehouden hebben. Een naauwkeurig 
onderzoek van mijn specimen doet mij echter ontwaren, dat de 
gehemelte-, onderkaaks-en ploegbeenstanden volstrekt eenreijig 
zijn, terwijl de heer Rrararpson van Muraena thiyrsoïdea op- 
geeft (Voij. Ereb Terr. Fish. p. 91), dat de tanden dezer been- 
deren op twee reijen zijn geplaatst. Zouden misschien zelfs de 
tandreijen in aantal kunnen verschillen bij voorwerpen van de- 
zelfde soort? Hoezeer ik zulks voor als nog niet kan aanne- 
men, komt het mij niet overbodig voor, de aandacht er op te 
vestigen. Van de meesten mijner soorten van Mwuraenovden slechts 
één of een paar specimina bezittende, kan ik voorals nog hier- 
omtrent tot geene bepaalde uitkomst geraken. 

Hoe het zij, mijn specimen valt, wat tandenstelsel betreft, 
geheel in de groep van Muraena helena L, Muraena nubila 
Richards, Muraena scoliodon Blkr, Muraena reticulata Richards. , 
Muraena ocellata Agass., Muraena punctata Bl. Schn. enz. 


760 


BALISTINI. 


Balastes conspicillum Bl. Schn. Syst. posth. p. 474. 
Less. Voy. Goquill. Zool. II p. 112 tab. 9 
fig. 1. QG. Voy. Uranie. Cuv. Règn. anim. 
Richards. Ichth. Chin. Jap. Rep. 1ök Meet. 
Brit. Ass. p. 204. T. Schl. Faun. jap. Poiss. 
p. 290 tab. 129 fig. 1; Cant. Gat. Mal. 
Fish. p. 844. 


Balist. corpore oblongo compresso, altitudine 24 circiter in ejus longi- 
tudine, latitudine 3 in ejus altitudine; capite 84 circiter in longitudine 
corporis, altiore quam longo; oculis diametro 6 circiter in longitudine ca- 
pitis; linea rostro-frontali declivi-rectiuscula; rostro oculo triplo ad qua- 
druplo longiore; suleo praeoculari oculo vix longiore; labiis valde car- 
nosie; dentibus utrague maxilla 8 anticis lateribus majoribus, lateralibus 
emarginatis; apertura branchiali ante basin superiorem pinnae pectoralis 


desinente; scutis lateribus 45 ad 50 p. m. in serie longitadinali usque ad 


aperturam branchialem; cauda parte angustata duplo fere altiore quam’ 


lata, spinis obtusis parvis 17 ad 23 in series 3 vel 4 longitudinales dis- 
positis; pinna dorsali spinosa spina 1° rostro paulo breviore, quadrata, 
scabra, apice obtusa denticulata, membrana pinnam dorsalem radiosam non 
attingente; pinnis dorsali radiosa, pectoralibus et anali obtusis rotunda- 
tis, dorsali et anali corpore plus quadruplo humilioribus; pinna ventrali 
scutosa spina 1* tota scabra, spinulis sequentibus non conspicuis; cau- 
dali convexa 7 ecirciter in longitudine corporis; corpore nigro, dorso 
aurantiaco-olivacco reticulato, dimidio inferiore caudaque maculis aliquot 
magnis rotundis et polymorphis dilute rubris; rubro ante pinnas pectora- 
les praevalente; rostro media altitndine fascia rubra ferri equini formam 
referente, circulo quadricolore labia, rostri apicem mentumque ecingente, 
circulo anteriore coeruleo gracili labiali, 2° aurantiaco lato labiali, 85° ni- 
gro et 4° rubro mento-rostralibus; pinnis dorsali 1* nigra, dorsali 2° a- 
nalique basi fascia flava, marginem versus rubescentibus, rubescentem inter 
et flavum fascia grisea; pectoralibus viridibus basi vitta transversa duplice 
nigra et flava; caudali basi marginibusque nigra, medio rubra, nigro 
margine posteriore postice leviter flavo marginato. 
Dara BAAS AOL GEND: 
Synon. Sarasa visch Valent. Ind. Amb. III p. 391 fig. 142, 
Turin saratse Ren. Poiss. Mol. I tab. 15 fig. 88. 


781 


Maanvisch ou Poisson de la lune Ren. Poiss. Mol. II tab. 28 
fig. 138, 

Balistes americanus Luacép. Poiss. I p. 375 tab. 16 fig. 2. Son- 
ner. Journ. Physique III p. 445. 

Baliste américain Luaacép Poiss. I p. 375 tab. 16 fig. 2. 

Balistes bicolor Shaw Gen. Zoöl. V p. 407 tab. 168. 

Baliste du grand Océan Less. Voy. Coq. Zoöl. MH p. 113 tab, 
SEL 

Rhinacanthus eonspicillum Swains. Nat. Hist. Fish. Lardn. Cy- 
clop. II p. 325. 

Momoniwo Japonens. 

Akscharek Insul. Carolin. 

Habit. Macassar, Solor, in mari. 


Longitudo speciminis descripti 330///. 


Aanm. De bovenstaande beschrijving is genomen naar een vol- 
wassen specimen, bij hetwelk de kleuren nog zeer goed bewaard 
waren. Ik bezit nog twee andere beschadigde gedroogde spe- 
cimina van Solor. De heer Canror heeft de kleuren beschreven 
van den jeugdigen leeftijdstoestand. 


Monacanthus melanuropterus Blkr. 


Monaec. corpore oblongo compresso, diametro dorso-anali 22 ad 22 in 
*ejus longitudine, latitudine 3 ecirciter in, diametro dorso-anali; capite a- 
cuto 32 circiter in longitudine corporis, multo altiore quam longo; ocu-’ 
lis diametro 4 fere in longitudine capitis; linea rostro-frontali concava; 
rostro acuto oculo triplo circiter longiore; dentibus maxilla superiore 8, 
maxilla inferiore 6, angularibus obtusis, ceteris acutis; apertura branchi- 
ali ante pinnam pectoralem desinente; squamis minimis vix conspicuis, 
spinulis minimis erectis scabris; cauda nec setosa nec spinis armata; spina 
dorsali supra oculi partem anteriorem inserta, Yostro paulo longiore, 
acuta, postice et antice denticulata denticulis antice majoribus, membrana 
gracili spinula gracili suffulta; pinnis radio producto nullo; dorsali radi- 
osa et anali obtusis, rotundatis, diametro dorso-anali plus quadruplo hu- 
milioribus, radiis omnibus simplicibus; pectoralibus obtusis convexis; ven- 
trali triangulari squamis majoribus valde scabra, spina 1% infra pinnam 
prominente postice et apice valde dentata, radiis occultis vel subocecultis; 
caudali convexa 54 circiter in longitudine corporis; colore corpore aureo- 
fusco; pinnis dorsali radiosa, anali et pectoralibus aurantiacis, caudali 
nigricante-fusca. 


182 


D. 2 — 33. En 13. A. 30. Ù: 12. 
Habit. Kema, Celebes septentrionalis, in mari. 
Longitudo speciminis unici 73///, 


Aanm. Deze Monacanthus behoort tot de groep van Mona- 
canthus choirocephalus Blkr, Monacanthus nemurus Blkr en Mo- 
nacanthus komuki Blkr, van alle welke zij zich onderscheidt door 
meer voorwaartsche plaatsing van den ranken rugdoorn boven 
het voorste gedeelte van het oog, door het vooral achterwaarts 
zwakker getand zijn van dien doorn, door holler profiel, an- 
dere getallen der rugvinstralen, bruine kleur des ligchaams , 
zwarte ongebande staartvin enz. 


Scripsi Batavia Calendis Septembris et Octobris mpccern. 


Mae Beda G 


VAN DE 


UITKOMSTEN DER MELSENSPROEVEN, 


GEDAAN IN DE SUIKERFABRIEK OEDJONG ROESSI, 
IN DE RESIDENTIE TAGAL, WERKENDE MET 
TOESTELLEN VAN DEROSNE EN CAIL, 


IN HET JAAR 1850. 
DOOR 


Br. PF. HH. FROMBERG. 


De grondbeginselen, waarop de methode van suikerbereiding, 
door den heer Mersens voorgesteld, berust, zijn de volgende: 

19. Afsluiting van het rietsap van de aanraking met de damp- 
kringslucht. Dit wordt bewerkt door de bijvoeging van dub- 
bel zwaveligzuren kalk. De helft van het in genoemd zout be- 
vatte zuur ontwijkt langzamerhand uit het vocht. De damp- 
vormige laag van het zuur, die zich onophoudelijk boven het 


18h 


sap bevindt, ontneemt de zuurstof aam de dampkringslucht, 

overal waar zij er mede in aanraking is. 

Terwijl het zwaveligzuur daarbij in zwavelzuur veranderd 
wordt, dat zich met den kalk van het Melsens-zout tot gips _ 
verbindt, wordt die zuurstof verhinderd als zoodanig in het sap 
te dringen. 

Het gevormde zwavelzuur, telkens een gedeelte kalk aan het 
genoemde zout ontnemende, drijft het daarmede verbonden ge- 
weest zijnde zwaveligzuur uit, en. op deze wijze heeft er eene 
aanhoudende vernieuwing plaats van de laag gasvormig zuur 
die zich boven het sap bevindt. 

Die afwering van de zuurstof der lucht belet 
1°. De gisting van het rietsap, welke zonder die zuurstof niet 

plaats kan hebben. 

20, De kleuring van het sap, die een gevolg is van de verbin- 
ding der zuurstof met de zoogenaamde extraktieve stoffen, 
met de eiwit-en olieachtige deelen van het sap. Hierbij 
wordt èn de reeds aanwezige kleurstof vernietigd, èn de 
vorming van nieuwe voorgekomen. 

9, Zou, volgens den heer Mersens, door de zoogenaamde anti- 
septische eigenschap van het meergenoemde zout eene koagu- 
latie en defekatie der stikstofhoudende bestanddeelen van 
hefsap plaats hebben. Het zal lager blijken, dat de eigen- 
lijke defekatie of nederzakking der gekoaguleerde stoffen zeer 
onvolkomen geschiedt. 

De voordeelen, uit de bevestiging dezer beginselen te ver- 
wachten, zijn duidelijk en bepaald. De vorming van kleuren- 
de deelen, die zich met de suiker vermengen, benadeelt hare 
hoedanigheid; de gisting, in werking gebragt door de zuurstof 3 
der lucht, ea onderhouden door de eiwitachtige bestanddeelen 
van het sap, vermindert allengs de hoeveelheid van kristalli- À 
seerbare suiker, die achtereenvolgend in glucose, alkohol en — 
azijnzuur veranderd wordt. | 

De ter bereiding van het zout gebruikte toestel bestaat uit _ 
een lang kegelvormig, ijzeren fornuis, waarvan de top in eene 
tweemaal regthoekig gebogene ijzeren pijp uitloopt, welker uit- 


785 


einde in een vat met kalkmelk geplaatst wordt. Hierin staat 
eene tweede pijp van denzelfden vorm, die in een tweede 
vat uitkomt, ter verzameling van het gas, dat uit het eerste 
gbij te hevige werking mogt ontsnappen. Ter aanvoering van 
lucht om de verbranding der zwavel te onderhouden, die op 
een’ ijzeren bak, op een derde der hoogte in het fornuis geplaatst 
wordt, is eerst gebruik gemaakt van eene patent-brandspuit. 
Later is eene zuig-en perspomp, die door het waterwiel in be- 
weging gebragt werd, op de pijp geplaatst. Doch de kleppen 
der zuigers werden dikwijls onklaar door mede opstijgenden zwa- 
veldamp. Men is dus tot het gebruik der brandspuit terugge- 
keerd, waarmede men goed heeft kunnen doorwerken. 

Bij de bereiding van het zout ondervond ik ín het eerst moei- 
jelijkheden; zoo wegens de aanhoudende ontsnapping der zwa- 
veligzure dampen door al de voegen van het fornuis, waarin 
de zwavel verbrand werd, als wegens herhaald uitdooven der 
zwavel zelve. Werd hierbij uit onoplettendheid, met het aan- 
voeren van lucht voortgegaan, en deze dus onveranderd in het 
kalkwater gedreven, dan werd een gedeelte van het reeds ge- 
vormde zout ia gips veranderd. Hierdoor wordt de bewerking 
vertraagd, en is tevens eene hoeveelheid zwavel nutteloos ver- 
bruikt geworden. 

De ontsnapping van het gas werd allengs belet; maar het 
is steeds moeijelijk om, ook al houdt men, na de uitdooving 
der zwavel, dadelijk met het aanvoeren van lucht op, de vor- 
ming van gips geheel te voorkomen. Men zou het best doen, 
die aanvoering steeds minder te doen zijn, dan voor de ont- 
vlamming van de geheele oppervlakte der zwavel vereischt wordt, 
dewijl alsdan bijna zeker al de zuurstof van de overstrijkende 
lacht door de brandende zwavel wordt verteerd. Ik heb het 
zout nooit tot meer dan 7° B. kunnen brengen, hetgeen 

„deels aan hef niet afkoelen der kalkmelk, deels aan de in- 
strooming van onverbonden zuurstofgas toe te schrijven is. 

De verhouding van kalk tot het water was Î op 30 gewigts- 
deelen. 

_ Pe hoeveelheid te verbranden zwavel is, by volkomen juiste 


786 


bewerking mede ongeveer Î deel. Deze zwavel neemt iets min- 
der dan één deel zuurstof op, om zwaveligzuur te worden; 


het geheel levert dus 30 deelen van het vloeibare zout van 10°. 


B., waarin drie deelen van het zout in droogen staat bevat zijn. 

Eerst met volkomen goede toestellen, en na aan deze be- 
reiding gewoon te zijn geraakt, zal men echter in staat zijn, 
in wezenlijkheid met de genoemde hoeveelheid zwavel uit te ko- 
men. 

Bij de bereiding der suiker zelve naar deze methode, werd 
omstreeks 0,2%, van het zout, met eene groote, afgemetene 
hoeveelheid water in een’ kleinen houten bak gedaan. Deze 
ontledigde zich met een pijpje in een’, van onderen met gaten 
voorzienen bamboe, die op korten afstand over den bovensten cij- 
linder bevestigd was. 

De tijd bekend zijnde, waarin het bakje ledig liep, en tevens, 
hoeveel sap in dien tijd verkregen werd, was het gemakkelijk 
te berekenen, hoeveel percent van het zout nog bovendien bij 
elke defekatie moest toegevoegd worden. 

Het sap had dus reeds in de afvoergoot een ander voor- 
komen verkregen, en vertoonde zich graauwgroen en troebel, 
door gedeeltelijke koagulatie der eiwitstof. In de defekatie- 
pannen, na bijvoeging der overige hoeveelheid van het Melsens- 
zout, een oogenblik tot het kookpunt verhit zijnde, bleek het, 
dat, na een half uur, en zelfs na 24 uren rust, zich slechts 
weinig zoogenaamd vuil had afgescheiden. Het vocht was troe- 
bel, door de vele en groote, onduidelijke, graauwgroene vlok- 
ken. Hare groote oppervlakte, en waarschijnlijk ook de 
invloed van het zout, veroorzaakten, dat deze vlokken in sus- 
pensie bleven. Na eene voorafgaande proef, op kleine schaal, 
gelukte het mij, eene volkomene defekatie te bewerken door 


bijvoeging van kalkmelk , waarvan ongeveer juist zoo veel be- 


noodigd was, als bij de gewone werkwijze met kalk alleen. 


Het soms geheel heldere, soms een weinig opalescerende 
vocht had eene lichte rijnwijnkleur, en de snel nedervallende _ 


vlokken waren klein en als zamengeschrompeld. Het is mij ge- 


bleken, dat, wanneer men een weinig kalkmelk bij het water-_ 


7187 


heldere Melsens- zout voegt, dit onmiddellijk een zwaar korre- 
_ lig bezinksel laat vallen , waarschijnlijk een mengsel van neutra- 
len en basisch zwaveligzuren kalk, en daardoor wordt dus 
wel die. snelle nederploffing der eiwitstof te weeg gebragt. 

In de drie proeven, die onder mijn eigen opzigt genomen 
zijn, werd bij de eerste geene filtratie aangewend , en het vocht, 
in de vacuumpan zijnde, van tijd tot tijd met een weinig kalk 
vermengd. 

In de tweede werd gefiltreerd, over oud en niet herlevendigd 
beenzwart, en tevens de kondensator gebruikt; daardoor 
werd het sap meer gekleurd dan bij de eerste proef, het- 
welk ik, ofschoon met weinig gevolg, trachtte te verbeteren 
door bijvoeging van een weinig bisulphis calcis (het Melsens- 
zout). | 

In de derde proef werd weder niet gefiltreerd, en geen kalk 
in de vacuumpan toegevoegd. 

De tot behoorlijke dikte verkookte stroop had, bij het vloei- 
jen uit de vacuumpan, eene zeer lichte honigkleur, en ver- 
hardde zeer spoedig in de vormen. Door die lichte kleur der 
stroop was het onderscheid in tint met de, over de geheele 
oppervlakte gekristalliseerde suiker, weinig in het oog val- 
lend. 

Daar nu bovendien deze suiker veel vaster en digter in den 
vorm zamengepakt was, dan gewoonlijk, liet zij aan de boven- 
dien geringere hoeveelheid stroop minder gelegenheid tot uit- 
lekking. Door die gele stroop, tusschen de kristallen inge- 
sloten en zich als verhardende, is deze suiker, in den ruwen 
staat, geelachtig van kleur. 

De uitlekkende stroop bevat volstrekt geene melasse. Het 
is eene bijna zuivere oplossing van suiker in water, die vol- 
komen den reuk van het versche riet heeft, en zonder eeni- 
gen brandigen of stekenden smaak, die zelfs aan de beste, van 
_hersmolten suiker verkregene, groene stroop eigen is. De 
uit deze stroop gekookte tweede suiker verschilde dan ook in 
_ kleur weinig van hoofdsuiker. 

De uitkomsten dezer drie proeven waren de volgende: 


188 


fo. Uit 5000 liters sap ($) van 10° B 
Hoofdsuiker _ / j ; 1,302 Amst. ® 


2de suiker . ' 4 p ô Tier 5 

2de stroop S \ 5 ET 
20, Uit 16000 liters sap s) van 100 B 

Hoofdsuiker _. : 6 erts ERE ri: 

Ide suiker 8 7 k ì . 1,092 „ 

2de stroop 6 1,040 „ 


3°. Uit 9,860 liters sap van 10140 B. | 
Hoofdsuiker … à j 8 . 2484 Amst. ® 
2de suiker ; st 5 ' 802 „ 
2de stroop É $ í ; 840 „ 

De hoofdsuiker der fÎste proef was tusschen No. 18 en 19, 
de 2de suiker ,op open vuur gekookt, half No. 16 en half No. 
14. 

Het berigt van den beambte, over de hoedanigheid der sui- 
ker van de 2de en 3de proef, luidt als volgt: 

„De hoofdsuiker, 2de proef, was over het algemeen, wat 
‚witheid en grein aangaat, gelijk aan goede middelmatige, gewone 
„eerste , en had zeer zeker, afzonderlijk geleverd of verkocht kun- 
„nende worden, No. 18 overtroffen. Het gedeelte dier suiker, 
„dat totaal van de stroop ontdaan was, was zeer wit, 
„„ aanmerkelijk ingedroogd, zeer hard, en als men er op sloeg, 
„dan gaf het eenen vrij helderen klank. Het overige was vrij 
‚droog, maar geel door de stroop, die daar nog niet geheel 
s‚uit ontlaten was. De tweede suiker van dezelfde -proef 
„heeft de verwachting overtroffen. Zij behoefde, wât grein 
„aangaat, bijna niet voor de eerste onder te doen, en verschil- 
„de er in witheid slechts weinig van. Afzonderlijk gedroogd, 
‚‚ ware het ruim No. 17 geworden. Zoo min aan de tweede, 
„als aan de eerste waren koppen, tenzij men dat puntje, 
‚„hetwelk men bij alle soorten van suiker op deze fabrieken 
„een weinig stroop ziet bijblijven, koppen noemen wil. Als-_ 


($) Na aftrek van hetgeen in de opzuigings-bakken enz. moest blijven, 
en waarvan de hoeveelheid zoo goed mogelijk bepaald werd. 


709 


‚dan nog zoude het hoogstens een pond per pot worden. 

„„Op de uitgekleide, eerste stroop, welke natuurlijk rijker is, 
„dan de van zelf uitgevloeide,” (en die niet afzonderlijk tot 2de 
suiker verkookt is),, lag boven op, bijna in iedere tempollang 
„, eene dunne korst suiker, die zich daar, niettegenstaande de 
‚‚ potten altijd op de tempollangs gebleven waren, gezet had. 
„Zij was bijzonder zoet van smaak en, niettegenstaande zij 
„ruim eene maand oud was, slechts weinig of niet gefermen- 
„teerd. De uitgekleide stroop in de tempollangs der 2de sui- 
‚‚ker kwam in smaak zeer nabij aan gewone eerste stroop. 
„Ook op deze stroop was eene vorming van suiker merkbaar, 
„, doch veel minder, dan bij de eerste stroop. 

‚De hoofdsuiker, 3de proef, verschilde in hoedanigheid veel 
‚van die der tweede proef, zijnde het grein zeer zwak en 
‚, broos; zelfs zoodanig, dat bij het uitstorten een groot gedeel 
‚te van het grein tot poeder verviel, en nog ongedroogd, bij ee- 
»nige aanraking opstoof. Ook wat witheid aangaat, was zij 
„iets minder, dan die der 2de proef, maar had echter geene 
‚‚, meerdere koppen. 

„De 2de suiker was nog minder, dan de eerste. Zij is 
‚‚tweemalen gekleid geweest. Na de storting was zij zeer nat 
„„en bijna greinloos. Hoewel zij aanmerkelijk oud was, was 
‚‚de helft van elken pot zoo nat en strooperig, dat zij op zij- 
‚de gelegd moest worden. 

„Het bovendeel was redelijk blank, en tusschen No. Î7 en 
ZE io Mg 

Voor de fste en 3de proef is 1%, en voor de 2de 5, % 
van het zout van 109 B. gebezigd geworden. Bij de eerste 
werd, in de vacuumpan, van tijd tof tijd een weinig kalk ge- 
voegd, bij de derde niet. 

Met uitzondering der 2de suiker 9de proef, zijn al de ande- 
‘re slechts eens gekleid geworden. 

Van zwavelreuk of smaak was, ook dadelijk na de koking 
tot suiker, geen spoor aanwezig. 

De stroop had geheel den reuk en smaak van het versche 
riet, 


790 


De vergelijkende analijsen, van deze proefsuiker en van ge- 
wone stoomsuiker gedaan, hebben de volgende uitkomsten op- 
geleverd. 


Suiker naar de Melsens-methode bereid Gewone 


met stoom. op open vuur. stoom. 
ee e Suiker. 
D= ge KS 3 
Hs sE © 5 5 
shehiri Ca z E 
le) 0) Er re eb} e 
Dias Sin a 5 
Asch. 0,5% 03% 0,43% 0,37% * 0,08% 
be Water. A12- 3h4- 128- 1,02: 1,88 - 
EN Ss )Kalkaarde _— 2 0,05- 0,15- 0,02- 
SS ef Gips. 0,24- 0,19- 0,29 OAT OOH 
SZ SflJzeroxyde 0,10- 0,002- 0,06- O005- 0,Ol- 
8 Z 5 \Kiezelaarde 0,07 - 0,03.- 0,04 — 0Olse > 0,02 


Hieruit blijkt dus hoofdzakelijk, dat in {0,000 pond gewo- 
ne gekleide. stoomsuiker 8 pond asch of onverbrandbare stoffen 
bevat zijn, en in gekleide Melsenssuiker ongeveer 40 pond of 
vijfmaal zoo veel. De eerste was tweemaal door beenzwart 
gefiltreerd, de laatste in het geheel niet. 

Van die asch bestaat, in de eerste, 3% gedeelte, in de laat- 
ste % uit gips; dus respectivelijk 3 en 29 pond op 10,000 
pond suiker. 


Ook de hoeveelheid ijzeroxijde is in de Melsens-suiker veel Ì 


grooter, dan in de gewone. Het niet filtreren der eerste, 
maar ook de oplosbaarheid van het gevormde gips en het oplos- 
send vermogen van het zwaveligzuur op het ijzeroxijde, dat 
in het rietsap bevat is en waardoor het mede in de kris- Ö 
tallisatie wordt opgenomen, zijn de oorzaken dezer inmeng- É 
selen, die echter aan de suiker volstrekt geene schadelijke * 
eigenschappen mededeelen. 4 

Geen spoor van koper is in eenige dezer suikers te ontdek - Î 
ken, en de oplossing in water der gekleide is geheel helder, 

De laatste vyf bouws suikerriet dezer fabriek zijn, zonder ' 
mijn opzigt, mede naar de Melsens- methode verwerkt gewor- Î 


aah Al 


791 


den. Er is daarbij echter niet met al die orde en oplettend- 
heid gehandeld, welke noodig zouden geweest zijn, om de re- 
sultaten als volkomene bewijzen vóór of tegen de methode aan 
te nemen. 

Men heeft ook de verkregene hoeveelheden suiker niet gewo- 
gen, omdat men het sap niet altijd geheel verkookt heeft. Zij 
zijn alle eenmaal gekleid, gedurende zes dagen. De volgende 
korte bijzonderheden zijn mij later medegedeeld. 

Îste proef, den 6den November 1850. 

10 liters Melsens-zout à 10e B, en ter defekatie, 8 liters kalk- 
melk van Î6e B. per 1000 liters sap van f0°e B. Verwerkte 
hoeveelheid sap 44 defekaties, elk à 1000 liters. Zonder 
filtratie. 

De hoofdsuiker is geheel No. Î7; de tweede suiker kristal- 
liseerde slechts zeer langzaam; het kristal was klein, en de 
reuk scherp en stekend. 

2de proef, den 7den November 1850. 

8 liters Melsenszout à 10° B. en 7, liters kalkmelk van 
16° B. per 1000 liters sap van 10° B. Verwerkte hoeveel- 
heid sap 97 defekaties, elk à 1000 liters. Tweemaal door 
beenzwart gefiltreerd, ter hoogte van 1,3 Ned. el. 

De hoofdsuiker was ruim No. 18. De stroop in de toppen 
der tweede suiker had eenen onnatuurlijken smaak, die ook bij 
blootstelling aan de lucht niet verloren ging, 

3de proef, den 8&sten November 1850. 

6/5, liters Melsenszout, à 10° B. en G!/ liters kalkmelk van 
16° B, per 1000 liters sap van 10° B. Verwerkte hoeveelheid 
sap J5 defekaties, elk a.1600 liters. Eenmaal gefiltreerd, 
over eene laag beenzwart van Î$ Rijnl. duimen dikte. 

Hoofdsuiker weder geheel No. 18, ruim. Er was slechts 
weinig stroop in de 2de suiker gebleven, en de smaak dezer 
stroop verschilde weinig of niet van die van het versche rict. 

De koppen der eerste suiker hielden, in het algemeen 
een weinig stroop in, voornamelijk die zonder filtratie, hoe- 
wel niet aanmerkelijk, en die stroop was nog zeer licht van 
“kleur. | 

HL Gt 


behe erder he — 


792 


De tweede suiker der beide laatste proeven zoude van een 
grooter gedeelte der koppen ontdaan moeten worden, om een 
leverbaar No. f7 daar te stellen. 

De tweede suiker van de 2de en 3de proef was fraai van: | 
kristal, zelfs in dat gedeelte van het brood, hetwelk niet van 
stroop ontdaan was. 

In geene dezer proeven is, na de defekatie, eenige kalk toe- 
gevoegd geworden, en dus eveneens gehandeld, als in de laatste 
der vroegere, onder mijn opzigt gedaan. 

Van den kondensator is in geene dezer proeven gebruik ge- 
maakt. 

De scherpe stekende reuk van de tweede suiker (proef van 6 
November), was waarschijnlijk toe te schrijven aan het gebruik 
eener te groofe hoeveelheid Melsens-zout, vooral bij niet toe- 
voeging van kalk na de defekatie of gedurende het verkooken 
tof stroopdikte. 

De onnatuurlijke smaak van de stroop der 2de suiker, proef, # 
van 7 November, kan alleen afgehangen hebben van het oplossen # 
van vreemde deelen uit het beenzwart, door de nog te groote 
hoeveelheid van het zout. Dit wordt te waarschijnlijker, door 
dat de stroop der 2de suiker van de proef van 8 November, 
den verschen rietsmaak behouden had; terwijl hier, bij aan- 
merkelijk minder Melsens-zout, eene veel dunnere laag been- 
zwart was gebezigd geworden. 

Eene vergelijking der hoeveelheid suiker, met gewone stoom- 
bereiding verkregen in de fabriek Soemberkareng, eene der best 
werkende in de residentie Bezoekt, moge hier dienen , om aan 
te toonen, waarin de voornaamste voordeelen der Melsens-me- # 
thode bestaan. “ 


193 


Gewone stoombereiding met Howarp's toestellen. 


Hoeveelheid sap vóór de defekatie , doch 


na eene koude kalkzuivering. ' . 12,559,750 liters. 
Gemiddeld spec. gewigt. “ 4 . ongeveer 10° B. 
Verkregen hoofdsuiker, No. 18. . 17,847 pikols. 


de en Zde suiker, van No.16, 12en 10. 6,848 „ 
Dus in procenten 


Hoofdsuiker : … ë p k ae van hef 
2de en 3de suiker. 5 : 3 dns zrekd sap. 
<p 


Bereiding naar de Melsens-methode, in toestellen van 
Derosne en Car. 


Hoeveelheid sap vóór de defekatie. …. 30,860 liters. 
Gemiddeld spec. gewigt. . _… ongeveer 10° D. 
Verkregen hoofdsuiker, No. 18-19 . 7,669 @. 

2de suiker, bijna alles No. 17 . .«. 2,006 @. 

Dus in procenten 


Hoofdsuiker. : , : à REN BNA van het 
2de suiker 8 7 A N 9,3°/% sap 
: 15,7% 


Hieruit volgt: 

Îe. Dat de hoeveelheid hoofdsuiker , naar de Melsens- metho- 
de verkregen, ruim 40° meer bedraagt, dan naar de 
gewone wijze, en dat dus daarin wel het hoofd- voor- 
deel te zoeken is. 

20, Dat de 2de suiker veel witter van kleur is, dan die op 
de oude wijze verkregen. 

Voorts blijkt bij de bereiding zelve: 

39°. Dat het gebruik van beenzwart noodeloos is. 

4°. Dat de bereiding eenvoudiger en sneller kan geschieden, 


794 


aangezien reeds door verkoking der 2de stroop eene 
grootere verhouding van witte suiker verkregen wordt, 
dan te Oedjong roessi door tot de Ade te verkoken; en } 
daarenboven veel meer in hoeveelheid dan te Soember- 
kareng, door verkoking tot de derde stroop. 


Pangka, 6 Februarij 1851. 


OVER 


DE WIJZE VAN UITSMELTING (HERLEI- 
DING) VAN DEN TINERTS | 


DOOR DE 


CHINEZEN OP HET EILAND BANKA, 


DOOR 


Dr. J.H. CROOCKEWIT Ez. 


Het volgende is een uittreksel van het door mij op den Î1den 
April 1850 aan den gouverneur generaal van Nederlandsch 
Indië ingediende verslag eener reis over het eiland Banka, mij 
opgedragen bij besluit dd. 23 Mei 1849 No. 1, welk besluit 
den last bevatte „om nategaan de werkwijze bij de verschil- 
„lende tinmijnen op dat eiland, en te berigten, welke ter be- 
„schikking van het gouvernement staande middelen kunnen wor- 
„den aangewend, om in die werkwijze verbeteringen te doen 
„plaats grijpen.” 

Mij werd daarop bij besluit van 7 April 1851 No. 36 be- 
kend gemaakt, onder anderen, dat, hoezeer door het gouverne- 
ment wordt erkend, dat de mededeeling van het door mij in- 
gediende rapport eene nuttige en voor den lande heilzame strek- 
king kan hebben, en het drukken zich alzoo in dit opzigt laat 
Aanbevelen, het in allen deele echter niet ten eenemale wen- 
schelijk geacht wordt, dat hetzelve door den druk geopen- 


796 


baard ‘worde, maar dat daarom van dit verslag zou worden 
gezonden onder anderen een afschrift aan den resident van 
Banka, met last om van hetzelve een afschrift of résumé te. 
stellen in handen van elken administrateur der tinmijnen al- 
daar, ten einde in diens archief te worden gedeponeerd, en 
bij voorkomende gelegenheden te worden geraadpleegd. 

Door deze maatregelen werd dan ook het openbaarmaken 
door den druk van dit verslag voor ’s lands belangen geheel 
overbodig, en alzoo achtte ik het ongepast om nog op de 
publicering bij het gouvernement aan te dringen. 

In de zitting van de tweede kamer der Staten generaal 
van den 23sten Maart 1852 heeft de vertegenwoordiger de 
heer Mr. Srorer ror Orpnuis aangevoerd: „dat het bekend is, dat 
„de smelterij van den tinerts op het eiland Banka tot nog toe _ 
„op eene hoogst gebrekkige wijze geschiedt” en verder „, dat 
„hij het nieuw gevondene middel van den hoogleeraar BLEEKRODE 
„te Delft, om door ééne enkele smelting onmiddellijk al het 
„zuivere tin uit den erts te kunnen trekken van het grootste 
„belang beschouwt, omdat het inderdaad niet onverschillig is, 
„dat men op eene minder kostbare wijze 30 à 40°, meer 
„tin uit Indië zal bekomen.” 

Toen deze zinsneden , in de genoemde redevoering voorkomen- 
de, ter mijner kennis kwamen, verzocht ik bij missive aan den _ 
gouverneur generaal, dat het mij vergund. mogt worden, om 
dat gedeelte van mijn verslag te mogen publiceren , dat over de | 
smeltwijze van dentinerts en de daarmede in verband staande 
zaken handelt, al hetgeen, op plaatselijke waarnemingen ge- 
grond, zoo geheel strijdig is met het in de vergadering der 
vertegenwoordigers geuite gevoelen. Dit werd mij door het 
gouvernement medio Oktober jl. toegestaan. 

Wat den heer Mr. Sroert ror Orpuurs tot deze uitspraak over 
de smeltwijze op Banka geleid heeft, dit nategaan of hierover 
onderstellingen te wagen behoort niet tot mijne taak (I): maar. 


(2) Door het noemen van 30-40°/, zoude men bijna geneigd zijn om 
te onderstellen, dat deze uitspraak gegrond is op proeven, in den jare 1848 
en vroeger, door mijnen leermeester, den hoogleeraar G. J. MurpeEr te 


797 


ik acht het mij ten pligt, om door openbaarmaking mijner ge- 
voelens en waarnemingen dienaangaande, bekend te maken, dat 
het gesprokene niet op het in mijn verslag over Banka mede- 
gedeelde kan berusten : ik acht het nuttig, dat dan toch éénmaal be- 
kend worde, dat door proeven, zuivere redenering en verge- 
gelijking met hetgeen op andere plaatsen geschiedt, bewezen 
is, dat de uitsmelting van den tinerts, door de Chinezen op 
Banka uitgevoerd, noch die nadeelen oplevert, noch voor die 
verbeteringen vatbaar zoude zijn als, in Europa vooral, z00 
dikwijls aangevoerd wordt (f). 

De vermelding dezer omstandigheden heb ik gemeend te 
moeten laten voorafgaan, om te kunnen verklaren, waarom dit 
gedeelte van het in het begin van hetjaar 1850 het gouver- 
nement aangeboden verslag, eerst in het einde des jaars 1852 
het licht ziet. 


De tinerts en het tin van Banka. 


De tinerts wordt op Banka, zooals op de meeste plaatsen waar 
hij gevonden wordt, als deutoxijde aangetroffen. Het gewone 
voorkomen in de alluviale gronden is fijn kristallijn, ofschoon 
de meeste hoeken en ribben dezer kristallen op Banka, waar= 
schijnlijk door de langdurige inwerking van het water, en 
misschien door den grooten afgelegden afstand, tusschen de plaat- 
sen waarvan de erts afkomstig en nedergelegd is, afgeslepen 
zijn. 

De erts behoort in scheikundigen zin gesproken, tot die lig- 
chamen, welke in water geheel onoplosbaar zijn, ofschoon wel- 
eer op Banka geheerscht hebbende ziekten vrij ongegrond 


Utrecht op uit Indië toegezonden tinslakken verrigt. Is dit het geval, dan 
zoude in de redevoering overdragtelijk en abusievelijk de hoeveelheid als 
verloren beschouwd tin, door den hoogleeraar in de tinslakken aange- 
toond, op den tinerts overgebragt zijn. Over dit punt nader op pag. 819. 

(1) Welke voordeelen het nieuw uitgevonden procédé van den hooglee- 
„raar BrLEEKRODE te Delft zal opleveren, deze laten zich door mij, met dit 
procédé onbekend zijnde, zelfs niet gissen. 


„ 


a | RET T Te 
Kn aes RN 


798 


aan het tinoxijde, in het Bankasche water opgelost, toegeschre- 
ven zijn geworden. 

Alle tinerts, op Banka gevonden, is niet van dezelfde kwa- 
liteit: die, welke middelmatig fijn gekorreld is en eenen 
roodachtigen glans of weerschijn' bezit, heeft de ondervinding 
geleerd, dat als de beste kan beschouwd worden. 

Men vindt ook grover gekorrelden roodachtigen erts, die in 
deugd op bovengenoemden volgt: verder zeer grof gekorrelden 
zwarten erts en ook een’ fijneren zwarten erts, die weder minder 
geacht wordt. Ook wordt op Banka de tinsteen (étain gra- 
nulaire), maar tot nog toe steeds in uiterst kleine hoeveelhe- 
den, aangetroffen. 

Van drie verschillende zeer goed geachte ertssoorten heb 
ik het speciefiek gewigt, door weging in een daartoe 
gebruikelijk fleschje, op -eene gevoelige balans bepaald, en 
6,41, 6,51 en 6,62, tot uitkomsten verkregen: ik vind op- 
gegeven, dat de in Engeland bewerkt wordende tinerts ge- 
woonlijk eene densiteit van 6.16 bezit, maar daar de proef 
aldaar bij de gewone luchttemperatuur genomen is, en ook mijne 
uitkomsten niet tot 0° herleid zijn, zoo kan hieruit eenig ver- 
schil ontstaan. 

Geenszins mag men aannemen, dat het erfstinoryde dezelfde 
densiteit zoude hebben als het op scheikundige wijze verkre- 
gen tinoxijde: zeer vele andere ligchamen toch spreken dit ook 
tegen. De diamant, zijnde zuivere natuurlijk gekristalliseerde 
koolstof heeft 3,5, terwijl kunstmatig gekristalliseerd graphiet 
(met ijzer een weinig verontreinigde koolstof) 2.5 , en de houts- 
kolen nog eene veel geringere densiteit hebben. Zoo ook we- 
ten wij, dat de kunstmatig vervaardigde en in den kristal- 
vorm geslepene edelgesteenten, ofschoon van dezelfde zamenstel- 
ling zijnde, een geringer specifiek gewigt dan de natuurlijk gekris- 
talliseerde aantoouen. 

Het kunstmatig verkregen uitgegloeide tinoxijde bevat ruim 
78% tin en heeft eene densiteit van 6.67; volgens Karsten zoude 
dit van in de natuur voorkomend zuiver 6.95 bedragen. 

Deze tinerts is nu met zand en kleine stukjes kwarts, die gemid- 


199 


deld 2.68 specifiek gewigt hebben, in de onderzochte ertsen 
mechanisch verontreinigd: men kan alzoo door de formule 


als A het specifiek gewigt van de mechanische verbinding is, 
P en p de hoeveelheden der zamenstellende ligchamen, en 
D en d hunne respektieve densiteiten zijn, berekenen, dat de 
onderzochte ertsen 94.4, 95 en 96.49, zuiveren tinerts of 73.5, 
74 en 75% ruim zuiver tin zullen bevatten. 

Op Banka neemt men volgens in kleine smeltkroezen geno- 
men proeven aan, dat de beste roodachtige erts zoo zuiver mo- 
gelijk gewasschen, en opzettelijk voor de proef van alle on- 
reinheden gezuiverd, 71—79®%, en de zwarte erts 60—64°/, 
tin bevatten. | | 

De analijsen van verscheidene blokken Banka-tin, hebben 
den hoogleeraar G. J. Murper tot uitkomst gegeven, dat het 
Bankasche tin soms '/, meestal slechts Y5 % vreemde inmeng- 
selen bevat. 

Professor Martins te Erlangen zegt, dat het Banka-tin, be- 
halve een spoor van ijzer, chemisch zuiver te noemen is: het 
is daarbij niet onmogelijk, dat dit ijzer van de bij het smelten 
gebruikte werktuigen afkomstig is. 

De Dictionnaire de technologie van Drariez verklaart, dat 
het uit den alluvialen tinerts van Banka verkregen tin beter is 
dan dat, wat gesmolten wordt uit ertsen, die zich als aderen in 
de rotsen vertoonen, zelfs nadat dit op alle mogelijke wijzen 
geraffineerd is. 

De groote zuiverheid van het bij de uitsmelting verkregen 
Banka-tin, maakt elke zuivering of raffinage onnoodig en over- 
bodig. 

Professor Muipxr heeft in een enkel blok Banka-tin een 
weinig zwavel, als zwaveltin verbonden, kunnen aantoonen: 
mogelijk is deze zwavel niet van den erts maar van de 
asch der kolen afkomstig: hoe dit ook zij, de zaak is zoo 
onbeduidend, dat het ons onnoodig toeschijnt, om de algemeen ge- 
volgd wordende smeltwijze daarvan te veranderen of te bemoeije- 


800 


lijken (1), omdat men in een enkel afgeleverd schuitje tin een spoor 
zwavel heeft kunnen aantoonen. Van f2 verschillende partijen 
tin van den oogst van 1844—1845 is toch door dienzelfden ge- 
leerde het tin bevonden geene zwavel te bevatten. 

Maar zonder alleen op deze proeven op de {2 verschillende 
partijen ondernomen af te gaan, geloof ik stellig, dat wan- 
neer het zeker ware dat indien er veel onzuiver tin van 
Bankaschen oorsprong aan de markt gebragt werd, de be- 


(1) Om dit voorkomen van zwavel in het tin te beletten, heeft de hoog- 
leeraar aangeraden om den erts met 4 à 2 °/% van zijn gewigt gewonen kalk 
bij de smelting te vermengen. Op deze wijze zijn proeven op Banka genomen, 
maar hebben groote tegenkanting van de zijde der Chinezen ondervonden; 
want terwijl zij er het nut niet van inzagen, en daardoor ook al ongeneigd 
waren om veranderingen in te voeren, hadden zij er volstrekt geen voor- 
deel, maar wel nadeel bij. Behalve dat zij de inkoopskosten van den kalk, die 
op elke distriktshoofdplaats thans zelden te verkrijgen is, maar ook de 
transportkosten van de hoofdplaats van elk distrikt naar de smelthuizen 
moeten betalen, — dat zij bij dezen overvoer verlieslijden , daar alles gedragen 
moetworden ,— dat zij den kalk onder den erts moeten mengen, — dat de ver- 
kregen tra (slak) minder vloeibaar volgens de proeven op Banka genomen, en 
bij bekoeling veel harder, moeijelijker te bewerken en uit te smelten is, en ook 
in grootere hoeveelheid dan gewoonlijk bekomen wordt ,— hebben de proef- 
smeltingen met kalk zeer onvoldoende resultaten gegeven, daar dezelfde hoe- 
veelheid erts en houtskolen, die bij de eenvoudige smelting 56 schuitjes 
tin gemiddeld opleverde, na bijvoeging van kalk slechts 48 schuitjes afge- 
worpen heeft, als het gemiddelde uit verscheidene proeven: alle deze be- 
zwaren heb ik tijdens mijn verblijf op Banka èn van de administrateurs èn 
van de Chinesche mijnhoofden vernomen. 

Welke de redenen kunnen zijn waarom, behalve de opgesomde bezwa- 
ren, de tinerts met kalk gesmolten, minder tin oplevert dan gewoonlijk, 
dit zal ik niet geheel uitmaken, maar meen het voornamelijk toe te moe- 
ten schrijven aande misschien mindere vloeibaarheid der verkregen slak, die 
daardoor bij hare verwijdering meer tinbolletjes opgesloten houdt, hetgeen 
steeds door de Chinezen zooveel mogelijk vermeden wordt. Naar ons 
bescheiden oordeel wordt dit punt niet toegelicht door de proef, door den 
hoogleeraar verrigt, toen 5 gr. zuiver tinoxijde, met een weinig kalk ver- 
mengd , herleid werden, waarbij echter ook nog een verlies van 3% geleden 
werd. Ik geloof niet dat men ten dezen uit eene proef, op scheikundig 
zuivere stoffen in het klein verrigt, tot hetgeen met het uitsmelten van den 
tinerts op Banka plaats heeft, besluiten mag. 


801 


trekkelijke waarde en prijs met het Engelsche en het Straits- 
tin al dadelijk zoude dalen, of dat, nu eenmaal de schuitjes met 
het nummer van de mijn en de letter van het distrikt waaruit zij 
afkomstig” zijn gemerkt zijn, er ook weldra soorten Van Ban- 
ka-tin zouden onderscheiden worden. Dit is tot heden toe nog 
niet het geval. 

Met het uitsmelten van den tinerts, staat het zuiveren er 
van in het naauwste verband, zoodat ik het noodig acht hier 
de wijze, waarop dit geschiedt , mede te deelen. 


Het wasschen van den tinerts. 


Het wasschen geschiedt op Banka zonder eenigen toestel; 
het groote soortelijk gewigt van den tinerts, in vergelijking 
met de ligchamen met welke hij vermengd voorkomt, laat 
dit toe. Wanneer men aan het opnemen der ertslaag bezig 
is, dan wordt dit produkt dadelijk, of wel zoo spoedig mogelijk 
wanneer er gebrek aan water is, in grof gevlochten rottang- 
bennen, die door Chinezen in den ertsbandar (fl) in het stroo- 
mende water heen en weder worden bewogen, afgespoeld , 
waardoor de grootere steenen al dadelijk afgezonderd en ver- 
wijderd, en de zamengepakte kluiten klei en aarde verdeeld 
worden. 

Maar het is er verre af, dat al de zand-en kleideelen, waaron- 
der de erts gemengd is, zelfs bij eenen vrij sterken water- 
stroom in eens zouden wegspoelen. Voor dat de erts voldoen- 
de gezuiverd is wordt er nog vrij wat arbeid vereischt. 

Tot dat einde moet de nog zeer onzuivere erts met den pa- 
tjol in den bandar omgewerkt en naar het boveneinde toe her- 
haalde malen opgewerkt worden, waardoor de met hem ver- 
mengde en ook onderliggende zand- en kleideelen en de klei- 


(1) Een naar omstandigheden 2 à 3 voet breed en even zoo hoog regt- 
loopend kanaal, waarvan de bodem uit aangebragte vastgestapte kong (eene 
soort van kaölin-aarde, een ontledingsprodukt van feldspaath, steeds onder 
de ertslaag aangetroffen) bestaat, en dat aan de zijden door ruw onbewerkt 
hout beschoten is, waar een stroom water naar verkiezing doorgevoerd en 
geregeld kan worden. 


802 


ne steentjes, nu in beweging gebragt, met het sterk stroomen- 
de water medegevoerd worden: alzoo wordt de erts genoeg- 
zaam geheel van zand gezuiverd, en blijft dan in den bandar, 
met lang riet goed toegedekt, tot dat detijd van smelten daar 
is , bewaard. | 

Het regelen der kracht van den waterstroom door een zeer 
eenvoudig sluisje is bij dit wasschen van het grootste belang: 
bij de gewoonlijk gebruikt wordende kracht, zal de koppong- 
(valsche) erts, indien deze bij den goeden gemengd is, met het 
zand wegstroomen, maar is het ook tevens niet te beletten, 
dat meestal eene zeer kleine hoeveelheid goede erts medegevoerd 
wordt. Wilde men dit door eenen minder snellen waterstroom 
tegengaan, zoo zoude voorzeker het meerdere arbeidsloon, de 
waarde van deze kleine hoeveelheid overtreffen, terwijl de Chi- 
nees zijnen tijd beter kan gebruiken, dan dat hij het later zoude 
verzamelen. Het is echter nog niet verloren: als de vrouwen 
geene bezigheden hebben, begeven zij zich naar het einde des 
bandars en trachten dezen medegevoerden erts aldaar te ver- 
zamelen, welke erts dan tegen eenen matigen prijs, door de 
mijnen weder opgekocht wordt. Ik heb, op Toboali gezien, 
dat op deze wijze eene oude vrouw na ruim 2 maanden ar- 
beids, uit den bandar eener goede mijn, eene hoeveelheid erts 
verzameld had, die bij smelting naar berekening misschien wel 
een pikol tin, konde opleveren (f). 

Zoo als reeds aangevoerd is, laat het voorkomen van den tinerts 
op Banka deze waschwijze toe: de erts, welke in aderen in de 
rotsen voorkomt, welke eerst fijn gestampt moeten worden, ver- 
eischt tot wassching meer zamengestelde werktuigen, om 
niet met den waterstroom medegevoerd te worden. Alzoo ge- 
bruikt men elders „tables dormantes, tables a secousses „en de 
„„caisson allemand,” alle welke werktuigen voor Banka onnoodig 
en hoogst kostbaar zouden zijn. Nu immers, terwijl bij elke 
mijn, ook een ertsbandar in de onmiddellijke nabijheid ge- 


(1) Alzoo wordt door de op Banka bestaande bepalingen, ook zelfs nog 
het uit dat kleine ertsverlies verkregen tin, voor den aangenomen’ prijs 
aan het gouvernement afgeleverd. 


805 


maakt wordt, heeft men het transport der ertsbevattende aarde 
zooveel mogelijk vermeden: wilde men de elders gebruikt wor- 
dende toestellen op Banka toepassen , de kosten door een klein 
transport zelfs veroorzaakt, zouden weldra de lelies: van den 
erts voor de Chinezen overtreffen. 

Men moet Banka kennen om te weten en in te zien, hoe 
kostbaar, hoe uiterst bezwaarlijk het transport er is,en welke 
voordeelen het oplevert, dat de ertslaag, die met het medege- 
wasschen wordende zand of klei soms gemiddeld niet 1°/, be- 
vat, in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar zij ge- 
dolven wordt, van alle zand en andere onzuiverheden bevrijd 
wordt. Dit is dan ook de reden, waarom de Chinezen, eens 
aan de ertslaag gekomen, niets ongewasschen laten, en liever 
een pikol aarde, die niets bevat, zonder eenig voordeel wasschen, 
dan wel één pikol aarde wegwerpen, die slechts een lood 
bijv, erts zou kunnen opleveren. Al moest de ertslaag maar ge- 
middeld '/, paal ver gepikold worden, al kosten de volkome- 
nere werktuigen niet meer dan nu de bandars aan arbeidsloon, 
dan zoude het voordeel door ze verkregen nog geenszins de 
meerdere uitgaven kunnen goedmaken. 

Deze omstandigheid, het vermijden namelijk van transport, 
is door den Chinees uitmuntend goed gevoeld en toegepast, 
en men moge dan door onbekendheid met de zaken en met Ban- 
ka, der Chinezen werkwijze gebrekkig noemen, omdat ze zoo 
eenvoudig is (hetgeen ook geenszins altijd volgt), deskundigen 
zullen met mij eerder geneigd zijn om schrander te noemen de 
eenvoudige wijze, waarop de Chinezen weten, met de minst mo- 
gelijke uitgaven, den meesten en zuiversten erts te verkrijgen. 


Het smeltingsproces. 


Eene dergelijke uitspraak als de voorgaande waag ik ook over 
het smelten te vellen, ofschoon deze werkwijze, zoo als alle 
dergelijke, misschien nog niet den hoogsten trap van volmaakt- 
heid verkregen heeft. Want ofschoon het nadeel, door eenig ver- 
lies of grootere onkosten veroorzaakt, wel niet regtstreeks door 


804 


het gouvernement geleden wordt, zoo zal onder de tegenwoor- 
dige omstandigheden elk geleden verlies toch eene winstderving 


zijn. De Chinees zal dit verlies onmiddellijk gevoelen, maar zal 


dit liever lijden , dan dat de kosten om dit te voorkomen grooter 
dan het te verkrijgen voordeel zijn. 

Het is dus hier de plaats om na te gaan of de Chinees, tot zijn 
voordeel, eene andere smeltwijze moet of kan invoeren, dan 
wel of het mogelijk en voordeeliger is, dat het gouvernement 
voor eigene rekening smelt. Deze beschouwingen zal ik trach- 
ten wat uitvoeriger uit een te zetten, na vooraf de smeltwijze 
en werktuigen der Chinezen beschreven te hebben. 

De grootere mijnen op Banka hebben gewoonlijk elk een ei- 
gen smelthuis: kleinere mijnen, in elkanders nabijheid gelegen, 
vereenigen zich wel eens, ten einde deekosten van het onder- 
houd of der oprigting er van te ontgaan. 

Deze smelthuizen met de ovens worden, wanneer zij ver- 
nieuwing moeten ondergaan, alweder altijd zoo nabij mogelijk 
de plaats waar men de mijn bearbeidt, opgerigt: dit heeft ook 
het voordeel, dat met het veranderen van het terrein voor het 
smelthuis, ook de plaats, waar het hout voor de kolen groeit, 
meer in de nabijheid blijft. 

Op Banka wordt alleen des nachts, wanneer het aldaar zeer 
koud is, gesmolten. Na 9 nachten smeltens, rust men den vier- 
den, en zoo vervolgens, al naar dat er erts en tra (slakken) 
voorhanden zijn. 

De oven wordt ten 55 à 6 ure ’savonds met houtskolen 
aangelegd: zijn deze goed aan het branden, dan wordt er eeni- 
gen tinerts, welke even vochtig is gemaakt om het verstuiven 
door de werking van de blaasbalg te beletten, (1) toegevoegd, 
daarop eene laag houtskolen, en zoo vervolgens naar omstan- 


(1) Van dit vochtig maken van den erts kan ik geen nut inzien, en ik 
beschouw dit, als geschiedende volgens een oud chineesch of plaatselijk ge- 
bruik of vooroordeel, even als men op Malakka soms onder het smelten 
zout in het vuur werpt. Daar dit vochtig zijn van den erts geene andere na- 
deelen zal opleveren, dan dat ereen weinig warmte verloren gaat, zoo acht 
ik het niet der moeite waardig om hun hierin tegen te gaan. 


ke nn Aon ni od 


805 


digheden. Na % à Î uur smeltens begint het vloeibare tin, 

met eenig dik vloeibare tra en kleine stukjes kolen, zich in het 

komvormige gat, dat zich onder den oven bevindt, te verzame- 

len: de smelters zijn dan bij beurten , bijna onophoudelijk be- 

zig, met het gat, waardoor deze stoffen afvloeijen, door mid- 

del van lange, aan de punt gekromde stokken open te houden. 

Dit heeft een dubbel voordeel: 

1°. Wordt dan een deel der vlam, door het blazen over het 
reeds gesmolten tin heengeleid hetwelk anders in het la- 
ge niet verwarmde gedeelte van den oven spoedig zou vast 
worden. 

2e, Beletten de stukjes kool, die daardoor op de oppervlakte 
van het reeds gesmolten tin vallen, en de over hetzelve heen- 
strijkende desoxyderende vlam, dat dit zich weder oxydeert, 
en kan hierdoor ook nog eenige erts, die mede in de kom 
valt, herleid worden. 


Nu en dan, wanneer het noodig is, worden de tra of de over- 
vloedige kolen boven het vloeibare tin afgeschept. Ten 11 ure 
gewoonlijk is de komvormige ruimte met metaal gevuld: dit 
wordt dan met eenen ijzeren lepel uitgeschept, en in zand, 
door middel van een houten schuitje gemaakte vormen, uitge- 
goten. Het eerst zich vormend huidje oxyde wordt van deze 
schuitjes afgeschuimd, in het tweede met een stokje de naam 
der mijn in Chinesche karakters geschreven, en na bekoeling 
de randen der schuitjes afgehakt, en deze afval verzameld. 
Zoo wordt ten 3 ure gewoonlijk weder uitgegoten, en ten 6 
à 61, ure ’smorgens ten derden male. 

Naar de deugdzaamheid van den erts en kolen verkrijgt men 
50 tot 60 schuitjes per nacht. Eenmaal heb ik te Toboali in 
de mijn No. 9 een’ nacht van 66 schuitjes bijgewoond. 

De schuitjes wegen vrij juist elk 5 pikol. 

De smelters, die even als de blaasbalgtrekkers niet bij de mij- 
nen behooren, maar rondreizen, ontvangen £ f Á. zilver per 
nacht. Er zijn er die op Banka een’ zekeren naam hebben, 
van namelijk uit dezelfde hoeveelheid erts meer tin bij de eerste 
uitsmelting , hetgeen altijd voordeelig is, te kunnen verkrijgen 


806 


dan anderen: deze zijn dan bijzonder in trek. Daarom smelt 
een mijn met twee tegen elkander aan gelegene ovens ge- 
woonlijk voordeeliger dan die met een’ werkt, daar de naij- 
ver nu onder de blaasbalgtrekkers en de smelters opgewekt is. 
Zij gebruiken varkensvleesch, rijst en tjoe (Î) in massa’s, het- 
geen hun door de mijn kosteloos verstrekt wordt. 

Onbegrijpelijk is het, hoe zij het, elkander om het halve uur 
aflossende, den ganschen nacht op 2 à 3 passen afstands van den 
oven, en dikwijls digter bij, uithouden, terwijl zij het aange- 
zigt door eenen breeden hoed, handen en voeten met natte doe- 
ken, zooveel mogelijk voor den invloed van het vuur beschermen, 
wanneer men nagaat, dat zij bij zulk eenen oven geheel aan 
den invloed van het vuur blootgesteld zijn (welk vuur eene hit- 
te heeft, dat de tra in gesmolten’, ten minste dik vloeibaren 
toestand houdt, waartoe eene hitte van 13000 à 1350° C. (23700 
à 2460° Fahrenheit) volgens professor Prarrner vereischt wordt), 
vooral als men hunne levenswijze nagaat, daar de tijd, als zij 
niet smelten, door allen met het schuiven van amfioen en het 
onmatig gebruik van tjoe doorgebragt wordt. 

Zoo gaat dan het smelten den eenen nacht even als den an- 
deren voort, geheel werktuigelijk, zonder dat er door de werk- 
lieden een enkel woord gewisseld wordt, terwijl de blaasbalg- 
trekkers onder het werk zelfs den juisten pas behouden. Ieder 
kent zijne bezigheid, en de smelter behoeft slechts, zonder een en- 
kel teeken te geven, den ijzeren schuimspaan op te nemen om 
de tra van het tin te scheiden , wanneer de beide helpers, die 
soms mijnwerkers zijn, beide hunnen pligt reeds kennen, om 
deze met schoppen te verwijderen. 

Voorwaar ik kan mij voorstellen , dat een Chinees al zeer goed 
van de betere resultaten eener andere smeltwijze zal moeten over- 
tuigd zijn, voor dat hij de zoo vele jaren gevolgde, eenvoudige 
en zoo geregelde, zal willen laten varen (2). Worden er onder 


(1) Een geestrijke drank die door de gisting van rijst verkregen wordt. 
(2) Het zal nog minder verwondering baren, dat de zoo bijgeloovige | 
Chinesche mijnwerkers niet ligt veranderingen of verbeteringen in het miju- 


807 


de beschaafdere menschen ook niet wel gevonden die voor al- 
les wat nieuw is, zelfs terwijl zij er dikwijls de voordeelige 
uitkomsten van gezien hebben, hunnen afkeer betuigen? 


De houtskolen. 


De kwaliteit der kolen wordt door de Chinezen de beste ge- 
acht, wanneer zij zwaar, op de breuk glinsterend, goed door- 
gebrand, afschilferend, hard zijn en eenen metaalklank bezit- 
ten. Dit komt met de theoretische inzigten overeen. Zij wor- 
den dan ook van het zwaarste en hardste hout, kajoe plawan toe- 
dak, bij voorkeur gebrand, waaraan in het algemeen op Banka 
vooreerst nog geen gebrek zal zijn. De kolen worden volmaakt 
op dezelfde wijze als in Europa gebrand: het hout wordt ge- 
lijkelijk op eene zekere maat afgehouwen, gespleten , gestapeld 
en met houtskolen-afval van eene vroegere branding, zoo dit 
aanwezig is en daarop met aarde bedekt. Het vuur wordt op 
de geschikte wijze aangebragt, en door afsluiting of leiding van 
de lucht getemperd. In het distrikt Soengeislan , waar de ko- 
len op dezelfde wijze, als in alle andere distrikten gebrand wor- 
den, heb ik het branden naauwkeurig nagegaan en mij verze- 
kerd, dat aan de drie volgende hoofdvereischten, tot verkrij- 
ging eener goede kool, als het hout daartoe de geschiktheid 
aanbiedt, volkomen voldaan wordt, namelijk : 

19. wordt de luchtstroom, noodzakelijk tot het onderhouden 

der verbranding, van het nog niet brandende gedeelte der 


werk zullen toepassen, als men nagaat, dat deze lust tot behoud van het 
oude, de afkeer van al wat nieuw is, niet alleen de Bankasche Chinesche 
mijnwerkers eigen is, maar dat het de grondtrek van het karakter hunner 
in alle opzigten zoo zonderlinge natie is. 

Een Engelsch schrijver onlangs nog hierover handelende, haalt het vol- 
gende aan: „their unconquerable prejudice and utter contempt for everij 
„thing foreign, is a hindrance to all improvement. Yes, to such a mightij 
„excess is this carried, that ifa Chinese junk should be built with and 
„deviation from the old sijstem, an additional port-dutij would be exacted 
„bij the mperors decree, asifit were of foreign built.” 


HIL | 62 


808 


mijt, naar het reeds brandende geleid, en geenszins om- 
gekeerd: 

20. De gasvormige produkten bij deze verbranding of drooge : 
destillatie gevormd, worden zooveel mogelijk, niet door 
de reeds gevormde gloeijende kolen geleid, maar langs 
andere wegen eenen uittogt voor ze gezocht: 

JO. Duurt de verkoling zeer lang, soms 6 weken of langer. 

Van den aard en kwaliteit der koten hangt bij de smelting veel 

af, en hieraan wordt veelal door de Chinezen de meer of min 
voordeelige afloop eener smelting toegeschreven. 


De ovens. 


De oven (veelal vindt men er twee bij elkander) is onder een 
ruim, hoog, atappen dak geplaatst, dat, van openingen voorzien, 
de trekking bevordert, maar ook tevens de koude nachtlucht 
gelegenheid geeft om binnen te dringen. De vorm is een 
langwerpig vierkant, 4 voet omstreeks hoog, 9 voet breed 
en 12 à 14 voet lang, met eenen van achteren 3 voet hoog 
opstaanden rand. KEene trechtervormige opening bevindt zich 
in het midden, welker naauw toeloopend gedeelte beneden in eene 
kemvormige ruimte uitkomt, welke geheele ruimte van buiten 
ziglbaar is. De oven wordt van leemaarde met keukenzout 
gemengd vervaardigd; als hij goed gedroogd en uitgebrand is 
kan hij, ofschoon op sommige plaatsen door de hitte dikwijls 
gescheurd, meestal een {00 tal nachten smeltens doorstaan, en 
kost gewoonlijk 15 spaansche matten (). 

(1) In den jare 1851 zijn door den aspirant- ingenieur voor het mijn- 
wezen den heer LieBeRrT eenige veranderingen aan den vorm des ovens uitge= 
dacht, toen doel hebbende besparing van brandstof en meerdere warmte kon- 
centratie. Met eenen dergelijken oven zijn in het distrikt Jeboes proeven geno- 
men; gedurende een nacht smeltens, die bij de gewone smeltwijze 50 à 52 
schuitjes tin opleverde, bekwam de administrateur aldaar, wanneer ik wel 
onderrigt ben, met dezen nieuwen oven slechts 17 schuitjes, en bij herha- 
ling der proef door den aspirant - ingenieur zelven ,„, werden er onder ge- 


lijke omstandigheden slechts 14 schuitjes verkregen, zoodat deze veran- 
dering in den oven al dadelijk opgegeven is. 


809 


De blaasbalgen. 


De blaasbalg, welke van achteren aan den oven aangebragt 
is, bestaat uit eenen zeer zuiver cilindervormig uitgeholden 
boomstam, met een op zijde in de geheele lengte aangebragt 
kanaal, in hetwelk de smeltpijp, die de lucht in den oven 
toevoert, steekt, en welk kanaal in het midden zoodanig met twee 
kleppen is voorzien, dat beide, èn de heen- èn de wederbewe- 
ging van den zuiger, lucht in den oven blazen. De diameter 
der opening is f WU, voet: de zuiger bestaat uit eene houten 
schijf met kippenvederen aan den kant voorzien, door welk mid- 
del hij zeer volkomen in de buis past. Deze wordt door 
drie menschen te gelijk, welke om het uur door een’ ande- 
ren ploeg afgelost worden, zeer regelmatig getrokken en ge- 
stooten, van welke regelmatigheid mede veel tot het voordee- 
lig gelukken der smelting afhangt. Deze blaasbalg kan 25 ja- 
ren en langer dienst doen, en kost gemiddeld f 130. 

Veel iser stellig op deze wijze van ventilatie aan te mer- 
ken: indien men echter de bezwaren eener betere wijze na- 
gaat, dan zal men toch boven alle anderen, aan de beschrevene 
allereenvoudigste de voorkeur moeten geven , omdat 

ΰ. De blaasbalg oneindig minder aan inkoop en onderhoud 
kost dan alle andere. | 

Jo, Dat zij zeer gemakkelijk verplaatsbaar is. 

J°. Dat zij in eenvoudigheid den oven evenaart. Een Eu- 
ropesche volkomener zamengestelde blaasbalg toch zoude 
slecht bij eenen zoo eenvoudigen oven passen. 

Het groote nadeel is, dat haar in werking brengen kostbaar 
is, daar elke blaasbalgtrekker + /1.70 per nacht betaald wordt, 
en dat, bij schaarschie van Chinezen op Banka, deze perso- 
nen voor het eigenlijke mijnwerk , wanneer de beweging van - 
de blaasbalg geene menschenhanden vereischte, konden gebe- 
zigd worden. Maar zoo heeft elk mechanisch middel, dat een 
zeker effekt daarstellen moet, eenige nadeelen. 

Deze zijn van europesche blaasbalgen , welke men ook aanwen- 
den wil , vele en onoverkomelijke voor Banka. Vooreerst zijn zij 


810 


veel te kos!baar bij het aanschaffen, helzij men water-, ton-, 
schroef-, of cilinder-blaasbalgen, of nog andere soorten gebruiken 
wil. Het voordeeligste is het, wanneer zij eene kapaciteit hebben , - 
die voor een 6tal of meerdere ovens ingerigt is, waarom dan ook 
cilinder-blaasbalgen in Duitschland verreweg verkozen wor- 
den, en ook het meest in gebruik zijn. Maar hoe kostbaar 
zal het op Banka niet wezen, wanneer men in elk der 150 
à 200 smelthuizen een kostbaar werktuig wilde gebruiken, 
dat een tiental, soms meer, maanden in het jaar niet werkt, 
daar het slechts @ maanden of minder gebruikt kan worden. 
Zonder het onmogelijke van het transport, het gedurig verleg- 
gen der waterwerken (indien de blaasbalg door water gedre- 
ven wordt, terwijl aan stoomkracht naar ons oordeel nog 
geen denken is), het onderhoud, en bij kleine gebreken, het 
bezwaar om ze op Banka hersteld te krijgen, hier uit een 
te zetten, geloof ik, dat men de onmogelijkheid wel zal wil- 
len aannemen , dat met voordeel door andere europesche blaas- 
balgen, welke ook eene niet al te kleine kapaciteit hebben moe-_ 
ten, de aan inkoop weinig kostbare, in het gebruik eenigzins 
dure, maar van omstandigheden onafhankelijke chinesche blaas- 
balgen vervangen kunnen worden. 

Een voordeelig gebruik van zamengestelde werktuigen vor- 
dert koncentratie, waaraan men dan ook in de beschaafdste lan- 
den de meeste pogingen toewijdt. Koncentratie is op Banka 
vooreerst eene onmogelijkheid. 

Maar is dan ook misschien eene betere min kostbare beweeg- 
kracht aan de chinesche blaasbalg aan te brengen? De 
eenigste , op Banka met voordeel mogelijke, zoude dan weder het 
water moeten zijn. Wil men dit aanwenden, zoo wordt, gelijk 
vroeger reeds gezegd is, het verplaatsen der ovens weder kost- 
baar, soms bezwaarlijk, daargelaten dat men bij eventuele wa- 
terschaarschte in het smelten zoude verhinderd zijn, hetgeen ach- 
tereen moetafloopen, iets waarop ik nader nog zal terugkomen. 
Maar het toepassen der kracht des waters, op eene horizontale 
heen- en wedergaande beweging, die bij de thans gebruikt worden- 
do blaasbalgen een 10 à 12tal voeten bedraagt, met eene snel- 


811 


heid van & 3 meters minstens in de sekonde, vordert eene groo- 
te, vrij zamengestelde machinerie, die kostbaar zal zijn, al 
wordt ze ook maar van hout, dat op de meeste plaatsen op 
Banka al spoedig door de insekten wordt aangetast, op het ei- 
land zelf vervaardigd. 

Wilde men de beweging, en alzoo ook deze groote blaas- 
balg, vertikaal maken, zoo zal het einde der stang van den 
zuiger tot eene hoogte van 20 à 24 voeten moeten opgetrok- 
ken worden , en de toestel zal niet minder aanzienlijk zijn, ter- 
wijl, wanneer men de blaasbalg korter maakt, er meer na- 
deelige doode punten (oogenblikken), in hetzelfde tijdsverloop 
zullen ontstaan. 

Volgens mijne beredeneerde overtuiging ben ik alzoo tot het 
resultaat gekomen, dat de betrekkelijk gebrekkige thans ge- 
bruikelijke blaasbalgen, bij het behouden der thans gebezigde 
ovens door geene andere kunnen vervangen of gewijzigd 
worden. Wil men Europesche grootere ovens invoeren, dan 
zullen noodzakelijk de bijbehoorende blaasbalgen, hoe dan 
ook ingerigt, gebruikt moeten worden. 

De windstroom wordt door middel van eene smeltpijp uit het zij- 
kanaal van de blaasbalg in den oven geleid. Deze pijpen 
zijn afgeknot- kegelvormig, uit eene vuurvaste zelfstandigheid ver- 
vaardigd, £ 1, voet lang, met openingsdiameters van 4 en 
6 duirnen. Ze worden nabij Palembang vervaardigd, van de klei, 
die op den bodem van een meer (lebak) afgezet is, welke klei 
met eene genoegzame hoeveelheid rivierzand vermengd wordt: 
dit mengsel wordt aldaar eerst in de schaduw gedroogd, daar- 
na gevormd, en eindelijk gebakken. 

De mijnen betalen ze f !/, per stuk: gewoonlijk houdt de 
smeltpijp het den geheelen nacht uit. 

Hoógst moeijelijk is het om te bepalen of bij de thans ge- 
bezigde ovens, de kapaciteit van de blaasbalg (de in eene ge- 
gevene tijdruimte in den oven geperste lucht) juist zoo is, als 
de theorie het verlangt, of deze namelijk voldoende is om het 
_ brandmateriaal eene genoegzame warmte te doen geven, dan 
of ze ook niet veel te aanzienlijk is. In het eerste geval zul- 


812 


Jen de bestanddeelen niet voldoende of in het geheel niet ge- 
smolten worden, of wel de temperatuur, waarbij de erts zij- 
ne zuurstof aan de kool of het gevormde oxijdum carbonii- 
afstaat, niet hoog genoeg zijn: in het laatste geval zal wej- 
wat houtskool nutteloos verbrand worden ‚en tevens een deel 
van het reeds gedesoxijdeerde metaaloxijde, door de groote 
hoeveelheid dampkringslucht , die voor W/, bijna uit zuurstof be- 
staat, weder geoxijdeerd worden. Hoe dit ook zij, ik geloofs 
als men in het onzekere in de berekening verkeert (terwijl de 
praktijk toch ook het beste aangeeft op welke wijze men het goe- 
de punt het meest benadert), dat wanneer de kapaciteit iets te 
groot is, dit boven het andere uiterste te verkiezen is. Dit 
heeft bij de chinesche ovens dan ook plaats, bij welke het 
laatste opgenoemde bezwaar veel wordt tegengegaan, doordat 
de smelters als het ware instinktmatig zorg dragen, dat de 
oven altijd met eenen overvloed van kolen beladen is. 


De hoeveelheid tin welke uit den erts verkregen wordt. 


De tinerts, zoodanig als ze gesmolten wordt, heeft noch al- 
tijd noch overal, wegens verschillende oorzaken, hetzelfde tin- 
gehalte (Î). Er zouden vrij wat kostbare proeven vereischt wor- 
den, indien men het door de smelting bij verschillende mijnen op 
Banka ondergane verlies naauwkeurig wilde kennen, terwijl er 
toeh ook nog omstandigheden daar zijn, die ongemerkt op de 
juistheid er van schadelijk hunnen invloed kunnen uitoefenen. 

De erts namelijk, gesmolten zijnde, wordt in tinmelaal, en 
in eene slak, fra genaamd, gescheiden. Deze tra bevat in ha- 
re poriën vele tinkorrels en ook eenig tinerts: zij wordt, na 
gebluscht te zijn, met eeneniijzeren vlegel fijn geslagen en ge- 
wasschen. Vervolgens wordt ze op gelijke wijze als de ertis, 
met houtskolen overgesmolten, het terugblijvende verder als 


(1) Die in Cornwallis zum verschmelzen bestimmten Erze, deren Gehalt 
an Zinn von 50—708 veranderlich ist. u. s. w. ViLLeFossE, Mineral Reich- 
thum Th. V.S. 570. 


815 


vroeger behandeld, zoovele malen, als dit nog met voordeel 
kan geschieden. 

De hoeveelheid erts die in 20 nachten gesmolten wordt, le- 
vert 3 nachten tra Îste soort op: deze hoeveelheid tra hangt 
af van het goed uitsmelten van den erts, dus van de hitte van 
den oven, van de hoeveelheid der in den erts voorhandene bij- 
mengselen, en van het aschgehalte der kolen dat van 6% tot 
90%, kan bedragen. | 

Bij eene mijn die 20 nachten erts smelt, zal men dus kun- 
nen stellen dat men d nachten tra Íste soort, f!% nacht of iets 
minder tra 2de soort, en £ 2% nacht tra 3de soort te verwer- 
ken heeft. Dit smelten bij gedeelten van nachten is juist iets 
dat de Chinees zoekt te voorkomen, hetzij dat hij de tra van 
een vorig jaar overgehouden alsdan medesmelt, of wel deze 
2/, nacht tra 3de soort voor het volgende jaar bewaart, of met 
de tra 2de soort zamensmelt. Hij betaalt toch dezelfde smelt- 
kosten voor een gedeelte als voor een’ geheelen nacht, en dan 
nog is het smelten bij gedeelten van nachten onvoordeeliger daar 
de oven minder heet is, en het werk minder voortvarend of ge- 
regeld gaat. Dit mag men mede als de redenen aannemen, 
waarom ik aan de groote naauwkeurigheid van bepalingen van 
het verlies bij de chinesche ovens ondergaan, niet het onbe- 
paaldste vertrouwen schenk, daar er omstandigheden zijn, die het 
hunne bijdragen om de uitkomsten dezer bepalingen steeds minder 
gunstigte doen zijn , dan bij den gewonen gang van zaken plaat 
zal hebben. 

Eindelijk, en ik heb het in elk distrikt waar vroeger proe- 
ven genomen zijn vernomen, is er nog eene zaak, die schijn- 
baar minder belangrijk, haren invloed bij de proeven uitoefent. 
Even als er menschen gevonden worden, die in verschillende be- 
zigheden , welke zij geheel magtig zijn , niet slagen, wanneer 
anderen zich in hunne nabijheid bevinden en op hunne handen 
kijken, schoon deze hen in niets hinderen, zoo ook maakt de 
meerdere drukte, hoewel die eigenlijk de smelters in hunne 

werkzaamheden niet stoort, bij proefsmeltingen de uitkomst 
minder zeker maar stellig niet voordeeliger. 


öl4 


Dat meten, dat wegen van den erts, dat wegen der tra, in 
een woord de meerdere heerschende drukte verhindert de werk- 
tuigelijke beweging der werkzame personen. 

Alzoo moet men op de gedane proefsmeltingen niet al te 
zeker afgaan, en ze liever iets nadeeliger, dan de gewone 
uitkomsten zijn, beschouwen. 

Bij mijn verblijf op Banka heb ik dan ook gemeend deze 
proeven niet te behoeven, noch te moeten herhalen, niet alleen 
omdat zij de mijnwerkers ontstemmen , en van kosten voor het 
gouvernement vergezeld gaan, maar uit een Btal procesverba- 
len, van 90 nachten smeltens, welke smeltingen en wegingen met 
de meeste naauwkeurigheid blijken nagegaan te zijn, wordt het 
vraagstuk , altijd benaderend, even naauwkeurig opgelost, dan 
dat er nog een 20 à 40tal nachten meer beproefd waren. Over- 
al, bij elke mijn, in den erts van elke kollong, daar deze niet 
altijd juist even schoon gewasschen is, zal verschil gevonden 
worden, welke verschillen door een 50tal proeven, daar, door 
de onderscheidene omstandigheden, de konstante fouten niet an- 
ders dan door uiterst vele proeven wiskunstig te elimineren 
zijn, al is elke proef van 20 nachten, niet opgelost kunnen 
worden. Nt 

Een uittreksel uit de ingediende procesverbalen dezer proef- 
smelfingen volgt aan het einde van deze mededeeling. Wan- 
neer wij ze onderling vergelijken, blijkt het dat uit den erts 
te 
Blinjoe. Soengeiliat. Toboali. 
50.04°/,, 60.88, en 63.11, 58.97°/% en 59.72, en uit detra 
RENDO EE ONT 5.4 „ … 9.97, ofinhetgeheel 
5966, 68.5 „ ,„ 70.3 „ 644 „, „ 69.70 tin verkregen is. 
Bij de meeste proeven staat de hoeveelheid tra metde zuiver- J 
heid van den gebruikten erts in verband, ofschoon men hierop _ 
niet te veel af moet gaan, daar de tra wel eens de eene keer 
zuiverder gewasschen wordt dan de andere. Met zekerheid kan — 
men uit deze proeven besluiten, dat de erts van verschillen- 
de mijnen van verschillende hoedanigheid (f) bewerkt wordt; E 


(1) Dat is dan eens zuiverder dan eens minder zuiver gewasschen is. Hoe- 


mdr 3 en Tes nn 


‚Uitkomsten van smeltingsproeven, behoorende bij pag. ! 514, genomen in verschillende distrikten op Hale volgens de proces-verbalen 


en 


Blinjoe Soengeiliat Soengeiliat ï 
5 pe S Toboali Tobaali 
N B mijn Degner Januarij 1848 (Meij 1848 mijn |Julij 1848 mijn 
B 5 ze ijn NO. 8 mijn N°. 5% NO. 5 No. 5 
nachten. 20 nachten. 20 nachten, 20 nachten. 10 nachten. 
mm 
Hoeveelheid gebruikte erts in ponden (Amst) . . . . 144.000 121.125 115.560 154,175 
» na de smelting verkregen tin in pikols, 5 980.50 589.90 548.48 652.99 
Hoeveel percent tn de erts dus dadelijk afgeworpen heeft. … 50.40/, 60.859/, 65.11%/ $8.97°/ 
(| 504 fijn) (2675 fn Sne di 
Verkregen tra No. 1 in Amst. ponden. (| 8208 grof sale middels. 17.505 7074 fijn 8789 fijn 
Ik: je (10.590 grof 10.520 grof |“ 7650 grof 
Hoeveel percent tra No. 1 de erts opgeleverd heeft. . . … 15.60/, 160/, 15.15% | 12.9 2e 
Verkregen tin na smelting der tra No. 1 in Amst. ponden. . 7567 6271 6895 5248 5780. 
Hoeveel percent tin de tra No. 1 opgeleverd heeft. B 52,20/ __ 58.8% 50.29 259% 
65 n DM =a0 rr 
Verkregen tra No. 2 in ponden. RE) Ker 115 1044 | Ee 2800 Lijn 
ii o, EN 4 | Le Sto 
Hoeveel percent tra No. 2 de tra No. 1 opgeleverd heeft. 55.60/0 54.80/, 40.29/, | 1055, (1 
Tin uit de tra No. 2 verkregen. ES Sh 2076 875 1527 
Hoeveel percent tin de tra No. 2 opgeleverd heeft. . . … bn 20.80/, 12.49, 7.2°/ ruim /. 
ijn rs se U 
Verkregen tra No. 5. EN AE voe a | 4420 grof 5685 2401 | aen en | Dian il n 
5 ns, Ee „6/5 gr0 a gro 
Hoeveel percent tra No. 5 de tra No. 2 opgeleverd heeft. . 75.40) 57.50/, 54/ 55.69), 5 3/. 
Verkregen tin uit de tra No. 5 (bij de eerste proef op To- ju 
boali wilde het mijnvolk deze niet meer smelten maar 8 
verkocht ze). Ae en B UD 569 „456 586 745 
Hoeveel percent tin de tra No. 5 opgeleverd heeft. 1 Ee (o ruim 10 0/, bijna 19°/ 9.4°/, „20/ 
5 ijn n we 
Verkregen tra No. 4, | 9528 Brol 4510 1951 
Hoeveel percent tra No. 4 de tra No. 5 opgeleverd heeft. „ 60.19/, 79.5%/, 80.5%/ 
Verkregen tin uit de tra No. 4 (door de chinesche mijnwer- OE 
kers kon ze niet met voordeel bewerkt worden). … … . Ke) 525 7 104 
Hoeveel percent tin de tra No. 4 opgeleverd heeft. … … . EA Jo ruim 70/, 5.4/ 
Verkregen tra No. 5. En DR OAD GED oo Hose 
Hoeveel percent tra No. 5 de tra No. 4 opgeleverd heeft. . 1030/, (1) 
Verkregen tin uit de tra No. 5 (met eenen kleinen oven). (Deze 888 
tra kon door de mijn niet met voordeel bewerkt worden). Ar 
Hoeveel percent tin de tra No. 5 opgeleverd heeft. Í elf Jo 
Geheele opbrengst tin uit de train percenten der hoeveelheid 
tad ee NR 9.620/, 7.60/, 7.2/, 5.49/, 9.97°/ 
ae et eN rad nete as Week rekene 0 5 5 5 LEE d JP 
Geheele opbrengst tin in percenten van den erts. o 60.15/, (2) 68.5°/, (2) 70.5 °/, vuim(2).| 644/, (2) | 69.71% (2) 
Hoeveel percent van den erts aan tin, bij het niet verwerken en Een 4 
der laatste tra, verloren zoude zijn gegaan. … … … …. « 0.607/, bijna 0,50%, 0.18 | 0,44% 1,512/, 


(1) Omdat de opvolgende soort tra meer in ent breien: dan de » soorgaande, ofschoon daaruit reeds tin verkregen is, beslyite men niet tot de onnaauwkeurigheid der 

roef: onderstellende toch dat + van het door de smelting der twa No. 1 v ian Ou a tinoxijde afkomstig is, dan stellen 5248 MB verkregen tin 5872 P tin + tin- 

pr E: tellend: als Lek gs de en tijd gemiddeld verbruikt zijn 150 pikols houtskolen; het gschgehalte dezer op 89% stellende, en aan- 

erts in de tra voor: tot het smelten waren 3 nachten benoodigd, in welker 6 heeft d VENO B nerts 5879 5 0 ’ 

nemende dat hiervan slechts 4/5 deel in de tra No. 2 voorkomt d. í. 1200 B, zooheeft de tra No. 1 aan tin + tinerts 5872 (B verloren, aan asch 12000 @ gewonnen, en wan- 

meer de tra No. 2 nu 966 @ meer dan de tra No. 1 weegt, zoo zijn door het wasschen nog 5152 @ verwijderd. Men beschouwe deze berekening slechts alseene proeve om het 
5 pi k D 5) 

boven waargenomene te verklaren. e e - . E 

(2) Deze inoraaltedan Taupe nog al uit een, maar behalve andere om gandieeden,; bedenhelen ook dat de erts in eenen meer of minder vochtigen toestand afgewogen is, 

5 5 A ri werkelijk het geval 1s. 

ets dat mede de uitkomsten aan verkregen tin ook lager doet schijnen, da } Ser 


' es il bries je deva va D 


kn are, toy 


, 


815 


immers, daar de proeven over een 20tal nachten berekend zijn , 
kan men gerust aannemen dat de niet konstante fouten, el- 
kander voor het grootste gedeelte zullen opgeheven hebben. 


Over de hoeveelheid tin welke wit de tra (slakken) verkregen wordt. 


De bij elke dezer proeven het laatst gesmoltene tra wordt 
ook gewoonlijk door de mijnen niet meer bewerkt, maar aan 
partikulieren verkocht, of met nog voorhanden tra, indien deze 
voor een’ nacht niet voldoende is, van beter gehalte vermengd 
en dan gesmolten. Zoo werd bij de genomen proefsmeltingen 
op Toboali de tra No. 3 door den administrateur voor eenen 
getakseerden prijs van f 25.50 ingekocht. Alle onkosten bij el- 
kander gerekend heeft men voor de 586 ponden uit deze tra 
verkregen tin f 124,60 betaald. Brengt de mijn zelve dit tin 
aan het gouvernement, dan zou zij er f 63.28 voor ontvan- 
gen of f 35.82 verliezen, terwijl zij er nu nog f25!/ voor 
ontving. Met een’ kleinen oven kunnen echter partikulieren, 
die zich op het smelten dezer tra toeleggen, er nog voordeel 
uit behalen. 

Te Soengeiliat werd de tra No. 4 door de mijn voor f 4 
verkocht, welke tra nog geen’ pikol tin, eene waarde van 
f 13.50 voor den Chinees voorstellende, opbragt , terwijl de kos- 
fen der bewerking en smelting in eenen grooten oven f 70.27 
bedroegen. 

Te Blinjoe heeft de bewerking der laatst verkregene tra, maar 
die nu ook reeds in een’ kleinen oven uitgesmolten was, 
eene winst van f 9 aan den Chinees opgeleverd; echter heeft 
men den kleinen oven nabij de mijn moeten bouwen, anders 
waren de transportkosten grooter dan de winst geweest; de 


meer de gewasschen wordende erts tot het punt, waarop men oordeelt dat 
deze gesmolten kan worden nadert, hoe sterker de te gebruiken waterstroom 
zal moeten zijn, om de laatste hem verontreinigende zelfstandigheden te ver- 
‚ wijderen. Al naar dat er grooter overvloed van water zal zijn, zal ook de 
zuiverste erts tot de smelting gebezigd worden. 


816 


uitgaaf voor de oprigting van dezen oven is hier niet in reke- 
ning gebragt. 

Dat de Chinees zijn eigen voordeel zeer goed kent is uit de- 
ze voorbeelden ligt af te leiden ; het tin, door de partikulieren 
uit deze opgekochte tra verkregen, wordt door hen tot den 
gekontrakteerden prijs aan het gouvernement afgeleverd, zoodat 
hieruit geen schade voor den lande voortvloeit. 

Maar hoeveel tin blijft er nog in de tra, die ook zelfs door 
de partikulieren niet meer bewerkt wordt, terug? Dat deze 
met hunnen kleineren oven, de meest mogelijke hitte aanbren- 
gen om de tra dun vloeibaar te krijgen, en er dus zoo wei- 
nig mogelijk tinbolletjes en onherleide tinerts, in het residu 
kunnen achterblijven, is zeker: hoe kleiner bij zulke bewer- 
kingen de verkregen winst is, des te meer doet men ook zijn 
best om al het mogelijke te bekomen. 

Hiertoe kan men ook uit de proeven besluiten, echter met 
uitzondering van die, welke te Blinjoe genomen zijn, alwaar 
met den kleinen oven betrekkelijk meer tin dan op de andere 
distrikten met den grooten oven, uit de laatste tra verkregen 
iS. 

Wij zien dat gewoonlijk de hoeveelheid van elke opvolgen- 
de tra, meestal de helft of ®/, der voorgaande hoeveelheid be- 
draagt, nadat die, door fijngeslagen en gewasschen te zijn, ook 
weder eene zekere zuivering heeft ondergaan: dit ook bij de 
door de partikulieren weggeworpen wordende tra onderstel 
lende, zouden in Blinjoe van de 20 nachten smeltens (de 
helft aannemende) 2825 pd. tra No. 6 door de partikulieren 
weggeworpen zijn: stellende dat deze tranu nog 10% tin kan 
opleveren , dat niet waarschijnlijk is, daar ze dan met voor- 
deel had kunnen bewerkt worden (in Soengeiliat is wel tra 
No. 4 die gemiddeld 6% tin opbragt, blijkens de proef met 
voordeel omgesmolten), zoo zoude, alleen met Bankasche ovens 
gewerkt wordende, 285 Amst. pd. tin verwaarloosd zijn : deze 
hoeveelheid zoude over de 144,000 ponden gebezigden erts nog 
geene 2%, % bedragen. 

Hetzelfde op gelijke wijze voor de 40) nachten smeltens op 


Ö17 


Soengeiliat berekenende, zouden 3215 pd.tra No. 5 door de 
partikulieren als niet meer te bewerken weggeworpen zijn, en 
deze à Î0e/ tin rekenende (de tra No. 4 bragt gemiddeld 
maar 6% op), zoude dit een verlies van 320 pd. tin ten gevolge 
hebben, hetgeen slechts 13400 % der gebezigde hoeveelheid 
erts, ad 243,000 pd., bedraagt. 

Te Toboali zoude, volgens dezelfde onderstelling van de 30 
nachten smeltens, 5100 pd. tra No. 4 verkregen en door de 
partikulieren weggeworpen zijn; stellende dat de tra No. 3 die 
bij den eersten erts 9e/, bij den tweeden erts 18% tin afgewor- 
pen heeft, na smelting in een’ kleinen oven eene tra No. 4 
overliet, die 10% tin bevatte, zoo zoude door het verwaarloozen 
dezer tra No. 4, 510 Amst. pd. tin verloren worden, of van de 
gebezigde hoeveelheid erts nog geene Yo %. (De tweede proef 
van f0 nachten maakt dit cijfer hooger dan bij de andere proef- 
smeltingen tot uitkomst verkregen wordt.) 

Als men nu aanneemt, dat de erts op Banka gemiddeld 62°% tin 
oplevert, dat alweder stellig niet te hoog maar veel te laag 
gerekend is, dan zijn voor de produktie van 1849 ad 78,000 
pikols tin 124,200 pikols erts gesmolten; stellende dat 25; 
aan tin van den gesmolten erts met de tra weggeworpen wordt, dat 
alweder meer is, dan het gemiddelde cijfer aan in de niet meer 
bewerkt wordende tra voorhanden tin, zoo zoude het totale ver- 
lies in dat jaar, op zijn allerhoogst genomen nog geene 300 pikols 
tin bedragen hebben, of nog geen Y5 /% der geheele produktie. 

Men werpe mij hier niet tegen, dat ik uit proeven , van wel- 
ke ik vooraf gezegd heb, dat zij geenszins geschikt zijn om de 
juiste-resultaten der algemeen gevolgd wordende smeltwijze op 
Banka te doen kennen, te veel bereken, en tevens ook meer, 
dan voor de praktijk noodzakelijke onderstellingen uit ze 
afleid. Wat de laatste bedenking aangaat, ik geloof dat eene 
proef dan eerst eenig nut kan hebben, wanneer men hare 
resultaten van alle kanten beschouwt, en met het gewoonlijk 
plaats hebbende in verband brengt. Bij de eerste bedenking 
verlieze men niet uit het oog, dat ik de proeven onvoldoende heb 
genoemd, omdat zij niet het ware, maar stellig meest onvoor- 


818 


deelige resultaat. hebben doen kennen, terwijl daarenboven nog 
alle gemaakte gevolgtrekkingen en onderstellingen op de meest 
ongunstige der verkregene uitkomsten gegrond zijn. 

En is dan, onder alle deze onvoordeelige omstandigheden het 
smeltproces op Banka, wat het verlies aan tin in de niet meer be- 
werkt wordende tra aangaat, niet zoo slecht te noemen, dan 
ook kan de uitspraak over hetgeen door hetzelve in werkelijk- 
heid opgebragt wordt, zoo ongunstig niet zijn. Ik zal dit 
thans trachten na te gaan. 

Het is op Banka de roodachtige erts die het meeste tin op- 
levert, en daarom ook het meeste gezocht is en bewerkt wordt. 

Deze erts heeft bij de eerste smelting te Soengeiliat en To- 
boali 60.9, 63.1, 59.0 en 59.7 % tin opgebragt: de beko- 
men tra bevatte echter nog vrij wat tin en bragt de uitkom- _ 
sten der smeltingen in hun geheel op 68.5, 70.38, 645 en 
69.7 (f). Bij deze 4 smeltingen kan men dus aannemen , het ge- 
middelde ertsgehalte eens hoog op 74% tin (pag. 799) stellende, 
dat hoogstens 9, % minstens 3.7 °/ verloren gegaan zou- 
den zijn en gemiddeld 8.7 %,, niettegenstaande de proeven de 
gunstigste resultaten niet hebben kunnen geven. 

Bij de europesche ovens, verliest men, zooals later aange- 
haald zal worden, bij de eene soort 5% en bij de andere 
9 à 10%: wat dit aangaat moeten de Bankasche ovens dus 
niet achterstaan. Kostbaarder is de bewerking zelve echter , 
doordat de tra drie of meermalen moet overgesmolten worden, 
en er dus betrekkelijk meer houtskolen verbruikt worden. 

Deze onkosten zijn echter alle geen verlies voor het gouver- 
nement: bij de goede mijnen, die uitkeering krijgen , lijdt de 
de Natie hier niets door; bij die welke geen uitkeering krij- 
gen maar ook geene schuld maken, werkt het indirekt, door 
dat de mijnwerkers daardoor geen geld in handen krijgen, en 
alzoo somtijds meer moeite aan de administrateurs veroor- 
zaken, daar hun arbeid dan meer nagegaan en zij dikwijls 
tot ijveriger werken aangezet moeten worden. 


() „Die Gattirung (in Cornwallis) gibt gewöhnlich 624658 Zinn.” 
VirLerosse Mineral Reichthum t. V. s. 570. 


819 


Bij slechte mijnen verhoogen deze kosten, maar toch ook 
zoo merkbaar niet, de schulden aan het gouvernement. 

Het verlies aan tin bij het smelten van den tinerts ge- 
leden, is voor een deel aan scheikundige oorzaken, onafhan- 
kelijk van de uitvoering, toe te schrijven. Vooreerst ver- 
brandt er eenig tin tot tinoxijde, hetgeen bij de groote hitte 
vlugtig is en op Banka ontsnapt: in meer zamengestelde ovens, 
wordt dit voor een deel in den top des ovens gesublimeerd : ten 
tweede kan zich bij de groote hitte, een deel van het tinoxijde 
met ingemengd kwarts of wel kiezelzuur der kolenasch ver- 
binden, en smelt dan tot een email te zamen. Het door de- 
ze omstandigheid geleden verlies kan alleen bijna 5 % bedra- 
gen. 

Wanneer men nu, uit de proefsmeltingen in 3-distrikten 
ondernomen, ziet, dat de slakken No. 3 en No. 4, die toch altijd 
bewerkt worden, zoo magtig veel tin niet afwerpen , zoo heb- 
ben wij op eene omgekeerde wijze ook aangetoond (den rijk- 
dom van den gebruikten erts zelfs gemiddeld zeer hoog stellen- 
de), dat, terwijl er betrekkelijk veel tin bekomen wordt, er 
ook niet veel metaal met de laatste soort tra weggeworpen 
kan worden. | 

Welke soort van tra den hoogleeraar Murper geworden is, 
in welke van 33 tot 40 % tin gevonden is, zal ik hier niet uit- 
maken ,‚ maar durf toch stellig verzekeren, dat dit geene door 


de Chinezen niet meer bewerkt wordende tra geweest is (in- 
dien namelijk de geheele massa van dit gehalte was, en niet 


a 


„een enkel klein stukje, in welks midden misschien minder dui- 


delijk tinkorrels besloten zijn geweest, maar bij dergelijke proe- 


ven zal, en mag men niet van een klein stukje tot de geheele 
massa besloten hebben). Die dit wil onderstellen kent het naar 


rl 


voordeel begeerige karakter der Chinezen niet, of wel zoude 


met andere woorden ontkennen, dat ooit tra op Banka met 


voordeel omgesmolten wordt: indien toch, zooals wij gezien 


hebben, 6 en 9 °% tin met voordeel door de kleine ovens uit de 
fra verkregen worden, en de tra die overbleef, maar niet meer 


met voordeel bewerkt kon worden 33 % tin bevatte, hoeveel 
percent zoude de tra niet moeten bevatten, die 33 à 39 *” tin 


820 


op Banka opgeleverd heeft? Hoe meer men de uitkomsten de- 
zer analijsen door redenering met hetgeen op Banka geschiedt 
vergelijkt, hoe onwaarschijnlijker, dit in verband gebragt met de _ 
gemaakte opmerkingen, het voorkomt dat de laatste tra , die door 
de Chinezen weggeworpen wordt, zoude gebezigd zijn. 

Ik geloof verder niet dat, zoo als de hoogleeraar mede- 
deelt, hetgeen Mrrscaenrica (wat ook lang vóór hem onder ande- 
ren voor de mijn te Altenberg in Saksen, die sedert het jaar 
1458 bewerkt wordt, bekend was) zegt, dat in Europa tinerts 
van 1/5 vb tingehalte bewerkt wordt, hier als voorbeeld bij de 
trauitsmelting aangehaald mag worden. 

Op Banka worden wel gronden met voordeel bewerkt, die 
op sommige plaatsen naauwelijks WV, /, tinerts zullen bevatten, en 
misschien tra weggeworpen, die 8% bevat. Dit komt doordat 
de vorm, in welken het tin in die beide omstandigheden voorkomt, 
hoogst verschillend is. Eindelijk zal de tra voor een deel, zoo 
als reeds aangehaald is, uit email bestaan, uit welke verbinding het 
bijna niet mogelijk , volgens sommigen onmogelijk is, het tin 
door uitsmelting te verkrijgen. 

Ik wil verder ook geenszins beweren, dat juist evenveel tin 
als door de scheikundige analijse in de tra aangetoond wordt, 
door de oversmelting er uit verkregen kan worden. Bij niet 
één fabriekmatige bewerking, van welk ligchaam ook, verkrijgt 
men deze uitkomsten. Daarom acht ik, en vooral om de vol- 
gende omstandigheid, wat de Bankasche zaken betreft, schei- 
kundige analijsen onnoodig, ja meen dat zij de ware voorstel- 
ling der zaken niet kunnen aangeven. 


lin hate’ 


De tra, nu eens uit meer dan uit minder schoon gewasschen 
erts verkregen, zal dan ook van verschillende kwaliteit zijn; van — 


werde 


het welgelukken der smelting is het afhankelijk of in hetzelfde 
distrikt tra No. 3 of No. 4 door de mijn zelve gesmolten wordt, — 
of wel verkocht wordt: dezelfde soort van tra zal na elke — 

Ö 


smelting anders te zamengesteld zijn, terwijl het zooveel moei- ä 
jelijker is, om haar elke keer even fijn te slaan en even schoon $ 
te wasschen: ze zal dan telkenreize bij de analijse een ander — 
tingehalte aantoonen. Door de (bij scheikundige analijses) bijvoe- 


sing van andere ligchamen zal de soort van stoffen welke met 


821 


het tin de tra hoofdzakelijk zamenstellen ‚ en welker aard bij het 
gewone smelten bezwaar op kan leveren soms geen’ invloed kun- 
nen uitoefenen: in een woord , scheikundige analijsen kunnen ons 
hieromtrent weinig voorlichten. De Engelschen, zoozeer in de 
praktijk ingewijd, hebben dit, wat het tin betreft, zeer goed 
begrepen. In Engeland namelijk wordt de tinerts door de mijn- 
kompagnie aan de smeltkompagnie overgedragen, als wanneer 
eerst op den erts eene proef wordt genomen , naar welke de afle- 
vering van het tin moet plaats hebben. Daartoe wordt ze met 
eenige percenten houtskool gemengd, en , uur hard gegloeid. 
‚‚ Maar” voegt de mededeeler hiervan er bij, „eene betere schei- 
„kundige methode is het, wanneer men er behalve de kool 
„nog 5% borax bijvoegt, dan eerst Î uur zacht, Î uur har- 
„der en het laatste /, uur zeer sterk gloeit: dezelfde erts 
‚„geeft dan 4 à 50% tin meer. De eerste methode, ofschoon 
„uit een chemisch oogpunt onvolkomen, voldoet echter aan 
s, des smelters en ook der mijnkompagnie billijke wenschen, en 
‚‚, wordt daarom alleen gebezigd, daar zij dezelfde uitkomsten 
‚‚ verschaft, als wanneer in het groot met den oven gesmol- 
„ten wordt.” 
Het is hier ook nog de plaats om mede te deelen hetgeen 
Karsten beweert, dat de bij de smelting in eenen schachtoven 
(met welken de Bankasche ovens meer overeenkomst hebben 
dan met eenen vlamoven) verkregen slak tweemaal in eenen groo- 
ten en daarop nog eens in eenen kleinen oven uitgesmolten wordt 
(schlackentreiben). _ Volgens hem heeft bij deze smeltingen 
geene reduktie van het „verschlackte Zinnoxijde” plaats , maar 
Ì alleen eene afzondering van de in de slak teruggebievene tin- 
korrels. Hierop laat hij volgen, dat het nog een onopgelost 
vraagstúk blijft of men door de slak fijn te stampen (pochen) 
‚en daarna te wasschen niet dezelfde resultaten zoude verkrij- 
gen; soms wordt volgens hem de slak No. 4 op: deze wijze 
E behandeld , echter in de meeste gevallen als onnut weggewor- 
ke pen. / 
Volgens Berrmier, Annales des Mines Tome XIII pag. 414, 
_ bevatten de gewone tinslakken 11 tot 13° en die welke na het 


822 


„schlackentreiben” verkregen zijn 5.6°/, tin, nadat de tinkorrels 
zooveel mogelijk verwijderd waren. De slak bij eenen vlam- 
oven te Penzance verkregen, welke geene tinkorrels bevat en 
niet meer bewerkt wordt, zoude {3.02 tin bevatten. Hij 
voegt er echter bij, dat het mogelijk is, dat de onderzochte 
slak toevallig rijker dan gewoonlijk is geweest: ook moet in 
aanmerking genomen worden, dat bij den vlamoven veel min- 
der slakken dan bij den schachtoven verkregen worden (f). 

Ten slotte zal ik nu eens berekenen, welke winst een pi- 
kol tin wel zoude geven, indien men ze op Banka uit de 
tra die verwaarloosd wordt kan verkrijgen, in de onderstelling 
dat deze nog 10°/0 kan opleveren. Deze oversmelting zal 
blijkbaar niet met chinesche ovens kunnen geschieden, en de 
oprigting van een’ of meerdere veel kostbaardere ovens met 
blaasbalgen , zal vereischt worden. 

In het middenpunt van het eiland, of op nog één andere plaats, 
zal zulk een oven daargesteld moeten worden: de hoeveelheid 
dezer soort van tra, die één of een tiental mijnen, zelfs de meeste 
distrikten kunnen opleveren, istoch te onbeduidend, dan dat 
ze de kosten der oprigting van eenen oven in elk distrikt zou- 


de kunnen goedmaken: ik geloof dus dat één oven op hetin _ 


het middelpunt van het eiland gelegen distrikt voldoende zal 
zijn. Aannemende dat in elk distrikt, de mijnen gemiddeld 
8 palen van de hoofdplaats afliggen , hetgeen veel te weinig ge- 
rekend is, dan zal deze tra S palen overland naar elke hoofd- 
plaats, daarna nog over zee moeten vervoerd worden. 

Een pikol tin kost gemiddeld aan transport over land 10 dui- 


ten per paal, dus elke pikol tin in de tra voorhanden voor de _ 


8 palen f 8, ongerekend het bij dit transport onvermijdelijke 


verlies. Nu zal de tra van vele distrikten nog belangrijk ver 
over zee moeten getransporteerd worden, en het is veel te 


(1) „Men erhält beim Verschmelzen der Zinnslieche in Flammofen in 
„England auch nur sehr wenig Schlacke, nämlich höchstens 120/,,; Woge — 
en die glasige Schlacke in Suchsen ein Haufwerk bildet, welche wenig- — 


8 


Verse DO, 


& 


„stens soviel beträgt, als die verschmolzenen Schlieche.” VirLLeFoSsE t. 


| 
| 
| 


825 


laag gerekend als men f 10 transportkosten aanneemt voor el- 
ken pikol tin, in de tra bevat, tot op de plaats waar gesmolten 
zal worden. 

De smeltingskosten op Banka, zooals wij later zullen bere- 
kenen, zijn bij één smelting voor Î pikol tin uit + 1!/, pikol 
erts verkregen f 2, dus voor dat, hetwelk uit de tra verkregen 
wordt f 13, , welke tra stellig niet ligter dan de erts gesmol- 
ten wordt, ongerekend de groote kosten van onderhoud van 
eenen europeschen oven op Banka. 

Het fijnslaan en wasschen der tra, om ze tot het gehalte 
te verkrijgen dat er 109/% tin uitgesmolten kan worden, zal 
aan de mijnen zelve kunnen geschieden, en deze kosten zijn 
nog al belangrijk, wanneer men uit hetgeen door de admini- 
strateurs bij kleine proeven betaald is, tot iets grootere mag be- 
sluiten. Zoo zal dan elke pikol van dit tin op Banka f 23V, + 
eene menigte andere uitgaven kosten, ongerekend (dat toch niet te 
verlangen en ook stellig niet waarschijnlijk is), dat de Chinees, 
al gebruikt hij de tra zelf niet, ze kosteloos aan het gouver- 
nement of partikulieren overdoen zal. De pikol van dit tin, 
van Banka naar Kuropa vervoerd, zal aan vracht, assurantie, 
verlies aan interest, spillage enz. medegerekend, + f Î1 en 
dus in Europa f/94!/, kosten: er zouden alzoo op de onderstelde 
pikols bij den tegenwoordigen marktprijs f 5000 gewonnen wor- 
den, welke som door de vele nog niet berekende onkosten stel 
lig meer dan overtroffen zal worden. 


Vergelijking der voor-en nadeelen en opsomming der be- 
zwaren uit het smelten met Europesche ovens op 
Banka voortspruitende. 


In Europa wordt de tinerts in 2 soorten vanovens herleid, 
als in reverbère- of vlam-ovens en in schachtovens. Eene 
omstandige beschrijving dezer ovens zoude te ver van het 
onderwerp afleiden, daar ik meen te kunnen volstaan, met de 
voordeelen en overkomelijke bezwaren op te sommen, die de 
invoering eener Europesche smeltwijze op Banka zoude ten 
EI 63 


824 


gevolge hebben, om daarna hare uitkomsten en de kosten 
met die der thans gebruikelijke ovens te vergelijken. 
Vooreerst is het zeker, dat het gouvernement de Chinezen 
niet dwingen mag (f), in zedelijken zin gesproken, om dergelij- 
ke kostbare ovens voor hunne rekening te bouwen: dit is door 
een’ resident dan ook vroeger reeds aangemerkt. Het gou- 
vernement zoude dus voor eigene rekening het smeltingpro- 
ces moeten fen uitvoer brengen, zelf ovens bouwen, het daar- 
bij benoodigde personeel bekostigen, en den erts der mijnen 
tegen eenen nader vast te stellen prijs in ontvangst nemen. 
Het groote voordeel zoude daarin bestaan, dat het verbruik aan 
brandstof aanmerkelijk minder zou zijn; 30 centen. erts vorderen 
toch maar 35 centen. steenkolen bij den vlamoven: de schachtoven, 
die enkel met houtskolen gestookt wordt, gebruikt voor 30 centen. 
erts ook 30 centen. houtskolen (2). Op Banka worden thans voor 


(1) De Chinezen hebben met het gouvernement de verbindtenis aange- 
gaan om al het verkregen tin tegen eenen bepaalden prijs aan het gou- 
vernement af te leveren, alswanneer het gouvernement hun levensbehoef- 
ten, ijzer enz. tegen bepaalde prijzen op rekening verstrekt, maar zij heb- 
ben zich geenszins verbonden om te werken, op elke wijze welke het gou- 
vernement zoude verlangen. Wel staan zij onder het toezigt van eenen 
door het gouvernement aangestelden ambtenaar, die ’s gouvernements be- 
langen, maar tevens ook hunne belangen behartigt; die zorgt, dat niet door 
onnoodige voorschotten in geld of te ruime verstrekkingen, hunne schul- 
den aan den lande onnoodig toenemen: maar die echter ook voorschotten, 
die in ’sgouvernements en in hun belang zijn, zoekt te erlangen, hunne 
geschillen onder elkander en tusschen verschillende mijnen bijlegt, de lui- 
aards onder hen straft (vooral wanneer die deelhebbers in mijnen zijn, die 
schulden hebben) en hen door zijne ondervinding en bekwaamheid, wanneer 
zij op een dwaalspoor geraken, zoekt terug te brengen. 

(2) „Zur Darstellung von 100 @ Zinn in den Schachtofen sind 160 @% 
„„Holzkohlen, und in den Flammofen 170 —180 @ Steinkohlen erforder- 
lich, und da die Wirksamkeit eines Gewichtstheils Holzkohlen etwa die 
„„doppelte von den eines Gewichtstheils Steinkohlen ist, so wird man 
„leicht einsehen, dass in dieser Beziehung der Flammofenbetreib weit haus- 
„hälterischer als der Schachtofenbetreib ist. Ausserdem ist jener auch 
welt einfacher als dieser.” 

VILLEFOSSE t. v. s. 509, 


825 


30 cent. erts ruim 36-38 centen. houtskolen gebezigd. De vlam- 
oven kan zeer moeijelijk (ik geloof niet dat er één voorbeeld 
van is) met houtskolen of droog hout gestookt worden, dat 
weder voor Banka, althans tegenwoordig, nu de hoeveelheid 
der in deze gewesten verkregen steenkolen nog zoo aanmer- 
kelijk niet is, of voor dat zij op Banka en aan het smelthuis 
zijn, veel aan transport zullen kosten, een bezwaar kan ge- 
noemd worden. 

De tra behoeft verder niet zoo dikwijls als thans uitgesmol- 
ten te worden, waardoor weder de smeitkosten van elken pi- 
kol verkregen tin, door elkander gerekend, verminderd zulien 
worden. 

In Altenberg bekomt men met den schachtoven 9 soorten 
van slakken , welke slechts eenmaal overgesmolten worden. De 
eerste soort, welke 3, gedeelte der geheele hoeveelheid uit- 
maakt, is zeer arm aan tin en wordt niet meer bewerkt: de 
tweede soort bevat fijne tinkorrels, wordt gestampt en gewas- 
schen, en levert dan 5% tin op: de 3de soort wordt zoo- 
als zij is, met de tweede soort te zamengesmolten. Het 
groote verschil in de afzondering der slakken bij den schacht- 
oven en de Bankasche ovens, is daarin gelegen, dat bij den eer- 
sten het gesmolten metaal van onder de dun vloeibare slak af- 
getapt wordt, terwijl op Banka de dikvloeibare slak door af- 
schuiming verkregen wordt en alzoo veel tin medevoert. 

Heeft men de ovens op de hoofdplaatsen opgerigt, zoo kan voor 
verscheidene een blaastoestel voldoen, gelijk boven omslagtig 
beschreven is, en ontgaat men alzoo bij elke smelting de kos- 
ten der blaasbaigtrekkers. Ook zoude het eigenlijke mijnwerk 
er bij winnen, maar stellig zooveel niet, als men zich thans wel 
voorstelt. Immers, ofschoon nu meestal gedurende het smelten 
het mijnwerk stilstaat, zijn er nog zoovele bijbezigheden 
welke alsdan verrigt worden: deze bestaan in het onderhouden 
der gebouwen, waterwerken, gereedschappen enz. Het zij daf 
dit onder het smelten verrigt wordt, of op andere tijden, het 
moet gedaan worden, en het mijnwerk zal in dien tijd moe- 
ten rusten, 


826 


Een ander voordeel stelt men zich van de europesche smelt- 
wijze voor , meenende dat uit den erts meer tin dan thans zou- 
de verkregen worden, alsmede dat deze hoeveelheid niet zoo 
variabel als op Banka zijn zoude. 

Dit laatste is niet ten eenemale waar, daar te St. Amstle in 
Cornwallis, waar met den wind-vlamoven gesmolten wordt, de 
erts van 60—68% tin oplevert. 

Opzettelijke proeven hebben doen zien, dat tinerts die 70° 
tin bevatte juist 65°/, opleverde: deze tin is echter op ver- 
re na niet zoo zuiver, als die met de schachtovens verkregen 
wordt, indien men namelijk zuiveren erts gebruikt heeft. Wan- 
neer de erts 74 à 75% tin bevat, verkrijgt men met den laat- 
sten 64!/, à 65°, (1). 

Het voordeel dus der zamengestelde ovens, boven de Ban- 
kasche, zooals vroeger aangehaald is, is niet zoo groot als men 
zich voorstelt; vlamovens zijn op Banka niet aan te wenden (2) 
daar , zonder over de kostbare zamenstelling te handelen, de 
steenkolen er kostbaar zijn, en het het belang van het gouverne- 
ment is, om nu de erts zeer zuiver tin kan opleveren, niet om 
een paar °/. meerdere produktie te verkrijgen, tin van eene 
mindere kwaliteit in den handel te brengen. De schachtoven; 


(1) „Von 100 Theilen Zinn, welche die Probe angibt, werden in Eng- 
„land, wenn man dass was DurresNors und E. pe BeAUMONT darüber 
„berichten, zum anhalten nimmt, beim Schachtofenbetreib nur 86 Theile 
„und beim Flammofenbetreib circa 93 Theilen ausgebracht” ViLLEFOs- 
SE t. v. s. 581, 

(2) „Es leuchtet ein, dass die Anwendung und Einführung des Engli- 
„schen Flammofens nur da ausführbar ist, wo, wie z. b. in Altenberg „” 
(waar tijdens mijn verblijf aldaar in 1848 nog geene opgerigt waren) ge- 
„hörige Schmelzmassen vorhanden sind, um auf einen mehrwochentli- 
„chen ununterbrochenen Betreib rechnen zu können. Wo dieses nicht der 
„Fall ist, wird die Zugutmachung in kleinen Schachtofen immer ihren 
„HFortgang behalten müssen. Hierein scheint der Hauptgrund davon zu Îie- 
„gen, dass man in England die scifen (alluviale) Erze, nicht in Flamm- 


„ofen sondern in niedrigen Schachtofen verschmelzt” ViLLEFOSSE t. v. 
“S. 582, 


mn amd en EE 


die even als de chinesche zeer zuiver tin oplevert, zal bij het 
opgenoemde verlies, voorzeker de produktie, hetgeen uit de bo- 
ven medegedeelde opgaven kan blijken, niet hooger kunnen op- 
voeren. | 

Maar ook zullen de nadeelen, door het oprigten van schacht- 
ovens op elke hoofdplaats der distrikten te voorzien, vele zijn. 
De oven, op hechte grondslagen rustende, zal grootendeels van 
vuurvaste steenen gebouwd moeten worden: de blaastoestel 
ofschoon kostbaar, zal vooreen zestal kunnen voldoen. Om 16 
centenaars erts in zulk eenen oven te kunnen smelten, zuilen 
12 uren benoodigd zijn, waarna detra der vorige smelting toe- 
gevoegd, en er dan nog 6 uren gesmolten wordt. Alzoo zal 
de hitte, die de ovens aan elkander uitstralen, ondragelijk zijn , 
maar zal er ook altijd eenige uren gedurende het warmere 
gedeelte des dags gesmolten moeten worden (f). 

Het in ontvangst nemen van den erts zal grootere bezwaren 
opleveren, hetzij dit bij de maat of wel bij het gewigt ge- 
schiede, daar de waarde vooral bij de zucht der Chinezen om 
altijd te knoeijen en te bedriegen, niet zoo ligt te schatten zal 
zijn; ze zal of nat, of slecht gewasschen, of misschien met 
zwarte aarde of koppong-erts vervalscht, aangevoerd worden. 
Behalve dus het Europesche personeel in elk distrikt (minstens 
een machinist voor de blaasbalg en een oppersmelter), zal er 
ook een taksateur noodig zijn, die den erts onderzoekt, van welke 
allen het inkomen zoo gering niet zal kunnen wezen. 

Zoo zal ook het verre dragen van den erts, verlies èn voor het 
gouvernement èn voor de mijnen ten gevolge hebben , daar eene 
hoeveelheid erts, die ruim 34°/ meeris, dan de uit hem ver- 
kregen tin, van de mijnen naar de hoofdplaats getransporteerd 
zal moeten worden, behalve het door zijne fijnheid onvermijd- 
bare verlies in gewigt. 

Het dragen van den erts zal nog een ander bezwaar heb- 


(1) In een’ vlamoven worden 12, soms ook 16 cent. erts te gelijk 
gesmolten, waartoe 6—8 uren benoodigd zijn. 


828 


ben, namelijk het kontroleren der mijnen voor den adminis- 
trateur moeijelijker maken. Thans, nu er geen erts, dan on- 
der bijzondere omstandigheden en dan nog met voorkennis 
van den administrateur vervoerd mag worden, zal men ligter 
kunnen tegengaan dat mijnen, die in schulden steken of wel 
gelijk opwerken, hunnen erts aan rijkere mijnen overdoen, en 
alzoo geld in handen krijgen, terwijl dit anders het geval niet 
zoude zijn. Met het tin door de smelting verkregen kunnen zij 
thans niet knoeijen, daar deze hoeveelheid den administrateur 
gewoonlijk dadelijk bij de smelting bekend is. 

Eindelijk zal het verkrijgen van houtskolen bij eene gekon- 
eentreerde smelting, grootere bezwaren opleveren. Terwijl 
thans de mijnen, en met deze de smelthuizen in het bosch en 
in de valleijen verspreid liggen, en alzoo het hout voor de ko- 
len benoodigd meer in hare nabijheid groeit , zullen bij eene 
algemeene smelting op de hoofdplaatsen de kolen van veel ver- 
der af moeten bekomen worden, welke afstand van jaar tot jaar 
toe zal nemen, alswanneer de kosten van transport voor deze 
hoogst belangrijk kunnen worden. 

Zoovele bezwaren, zonder van de gevolgen van eene veran- 
dering in de overeenkomst met de Chinezen te gewagen, zoo 
weinige of geene voordeelen zal eene gekoncentreerde smelt- 
wijze op Banka voor het gouvernement opleveren. 


Smeltingskosten. 


Zooveel de zaak toelaat, wil ik eene vergelijking der kosten 
der tinproduktie tusschen de bankasche en europesche werk- 
wijze wagen. 

Onmogelijk mag het genoemd worden, om op Banka te 
berekenen, wat wel het ertsdelven en wasschen thans kost: de 
huishouding der mijnen laat dit niet toe. Elke mijn toch 


ontvangt voor ieder der deelhebbers maandelijks de ver- 


strekkingen, en ook hef geld voor het afgeleverde tin. Deze 
uitkeering wordt gelijkelijk verdeeld, wanneer de partikuliere 
schuld aan de mijn van elken deelhebber door deze ingehouden 
en weder later gelijkelijk onder alle deelhebbers verdeeld wordt 


829 


Elke zelfs benaderende berekening is dus hier onmogelijk , maar 
omtrent de smeltingskosten kan dit echter geschieden. 
Een nacht smeltens kost op Banka aan 
Houtskolen f 35 hetgeen ruim gerekend is, 
Arbeidsloon 19 
Slijtage van gebouw, oven, 
blaasbalgen, gereedschappen enz. 8 


dus f 52, alswanneer gewoonlijk 26 
pikols tin verkregen worden. Dus beloopen de smeltkosten voor 
de pikol f 2 en van de 50 ned. ® f 1,60; hieronder is 
de verstrekking van levensmiddelen aan smelters en blaas- 
balgtrekkers, die toch zoo hoog niet oploopen, niet berekend (f). 

Volgens Ure waren de kosten voor 1000 ned. ® tin, bij 
eenen vlamoven in Engeland verkregen aan | 

Steenkolen 1%/, ton f_ 10.50 

Arbeidsloon, onderhoud enz. zine 


f 46.50 hetgeen f 2.35 


hollandsch voor 50 ned. ® bedraagt. 

Mants geeft op, dat in de vallei van Eijbenstock in het Erz- 
gebirge, waar met een’ schachtoven gesmolten werd, de smel- 
ting, die 1951 ® tin uitleverde, f 196.65 kostte, of ruim f 5 de 
50 ned. ®. | 

Voor andere plaatsen in Saksen vinden wij in de geraadpleegde 
werken de smeltkosten nergens afzonderlijk opgegeven. Aldaar 
zouden 100 @® tin aan smelten f 1.76, kosten, waarbij niet aan- 
geduid wordt of de kolen daar onder behooren, terwijl het on- 
derhoud der gebouwen en werktuigen er ook niet onder gere- 
kend is. Wel volgt er, dat de algemeene onkosten voor de 100 
Ned. @ tin f 27.50 bedragen. Wanneer dus zelfs in beschaaf- 
dere landen het smeltloon en verdere onkosten voor het tin 


(1) De smeltingskosten voor den pikol tin uit de tra bekomen, zullen 
hooger zijn, maar zijn niet te berekenen; deze zullen echter de kosten van 
al het verkregen tin niet zoozeer verhoogen, daar er 5 maal meer tin uit 
den erts dan uit de tra verkregen wordt. 


830 


hooger zijn, dan ze thans op Banka beloopen, dan zal niet 
nader betoogd behoeven te worden dat, bij de bestaande be- 
zwaren, het smelten op Banka met europesche ovens, kost- 
baarder zal zijn dan dat met chinesche ovens. 


A ” 
Rd nnn dE er A a 


ONDERZOEK 


VAN 


LOOD-, KOPER-, KWIK- EN IJZERERTSEN 
EN VAN KOLEN, 


DOOR DEN HEER H. W. SCHWANENFELD 


TER 
WESTKUST VAN SUMATRA AANGETROFFEN, 
DOOR 


PP, J. MKAEE B. 


Dit onderzoek van verschillende ertssoorten, dat mij onlangs 
geleden door het gouvernement werd opgedragen, heeft zooda- 
nige uitkomsten opgeleverd, dat het mij voorkwam, dat eene 
mededeeling hiervan niet onbelangrijk zou zijn. Het verslag van 
den heer ScuwarEnrerD omtrent het natuurlijke voorkomen de- 
zer ertsen is mij onbekend gebleven, doch het blijkt, te oor- 
deelen naar de gezonden monsters, dat ze in groote hoeveel- 
heid moeten voorkomen. 


LOODERTSEN. 


Aste soort, afkomstig van Soengei yhalang, laras Alahan 
pandjang , distrikt Alahan pandjang. 


Deze erts is een mengsel van bij elkander gegroepeerde, 


832 


fijne, meestal haar-of naaldvormige, sterk glinsterende kris- 
talletjes van eene witte of grijze kleur, die het geheele mineraal 
doordringen, hetwelk hier en daar veldspaathdeeltjes en kwarts- 
kristalletjes bevat. Van welke rotssoort het mineraal afkomstig 
is, is wegens den toestand van ontleding niet duidelijk te 
herkennen. 

De tot een fijn poeder gewreven erts heeft een soortelijk 
gewigt van gemiddeld 4,54; in een platinalepeltje verhit, de- 
krepiteert hij eenigzins, wordt vervolgens roodbruin van kleur, 
smelt, en stelt na bekoeling eene gele doorschijnende gesmol- 
tene , bijna homogene massa daar. Op kool in de herleidings- 
vlam voor de blaasbuis smelt de erts gemakkelijk onder opbrui- 
sing tot een’ kogel, welks oppervlakte met eene menigte 
metaalkogeltjes bedekt is. In de oxydatievlam behandeld, tot 
alle metaalkogeltjes verdwenen zijn, verkreeg men onder vor- 
ming van het bekende loodbeslag eene heldere doorschijnende 
glasparel, heet bruinrood, koud geel gekleurd, welke, met kool 
in de herleidingsvlam of met cyaanpotassium behandeld, metaal- 
kogeltjes afzonderde, welke kogeltjes zich als zilverbevattend 
lood deden kennen. 

Met phosphorzout behandeld , lost zich de fijn gewreven erts 
tot een helder glas op, hetwelk heet zijnde geelachtig, na be- 
koeling echter wit en dof is. 

Met een zuur behandeld, ontwikkelt de erts koolzuurgas ; 
het lood is er als koolzuur loodoxyde in aanwezig, alhoewel 
ook gebleken is, dat er eene zeer geringe hoeveelheid zwa- 
velzuur loodoxyde in voorkomt. 

Ofschoon aan te nemen is, dat het lood in den erts niet 
gelijkvormig is verdeeld, heb ik echter gemeend, het kwan- 
titatief te moeten bepalen, voornamelijk omdat de reaktie in een 
platinalepeltje, een zeer rijke gehalte daarvan aanwees. 

Tot dat einde heb ik 1,992 grm. bij 100° CG. gedroogden 
erts met salpeterzuur en water behandeld, en uit het verkre- 
gen filtraat volgens de regelen der kunst 11,190 grm. bij 1000 
C. gedroogd zwavelzuur loodoxyde verkregen , welke hoeveel- 
heid aan 7,646 grm. loodmetaal beantwoordt. Op 100 grm. erts 


833 


komen dus 65,76 grm. loodmetaat, stellig een zeer gunstig re- 
sultaat. 

Het zilver was weegbaar, Van 11,992 grm. erts verkreeg ik 
0,0035 grm. bij 00° CG. gedroogd chloorzilver, waarin 0,00264 
grm. zilver, voor 00 grm. erts 0,022 grm. bedragende. Wel- 
ligt dat een nader onderzoek tot de herkenning van rijkere 
zilver bevattende ertsen kan leiden. 

De rijkdom van dezen erts aan loodmetaal; de vorm, waar- 
in het lood er in aanwezig is, maken hem bijzonder geschikt 
tot bereiding in het groot van loodsutker en loodwit, aan welke 
bereiding hoegenaamd geene moeite verbonden is, vermits men 
bijna alle daartoe benoodigde artikelen op de plaats zelve be- 
reiden kan. 

Ik heb namelijk 500 grm. fijn gewreven’ erts met sterken azijn 
in de warmte behandeld, het filtraat uitgedampt en door kris- 
tallisatie 265 grm. gekristalliseerde loodsuiker verkregen; voorts 
van het overige door behandeling met koolzuur of koolzure 
potassa 120 grm. loodwit, hetwelk slechts met eene kleine hoe- 
veelheid koolzure kalkaarde is gemengd , omdat eenige koolzu- 
re kalkaarde in het oorspronkelijke mineraal aanwezig was. Dit 
_beneemt echter geenzins zijne waarde, aangezien het voor een 
handelsartikel genoegzaam zuiver is. 

Genoemde loodzouten kunnen tevens dienen ter uitsmelting 
van het lood, hetwelk overigens ook uit het oorspronkelijke 
mineraal kan worden daargesteld. 


2de soort, afkomstig van Soengei ghalang, laras Alahan 
pandjang , distrikt Allahan pandjang. 


Deze erts bestaat uit een aggregaat van kristallen tot het re- 
gelmatige kristalstelsel behoorende, is metaalglanzend, bezit 
eene blaauwachtig graauwe kleur en eene eenigzins heldere 
streek. De kristallen zijn in de rigting hunner vlakten gemak- 
kelijk te splijten, broos en gemakkelijk tot een zwart graauw 
poeder te wrijven; hun soortelijk gewigt is 7,4. In eene glazen 
buis verhit, springt de erts tot kleine stukjes, welke bij ver- 


854 


meerderde hitte behalve zwavel nog een sublimaat geven. Wordt 
de erts aan de lucht verwarmd, dan verspreidt hij eenen zwa- 
veligzuren reuk. Voor de blaasbuis op kool met wat soda in 
de herleidingsvlam behandeld, verkrijgt men spoedig een me- 
taalkogeltje. Het beslag, door die bewerking op de kool verkre- 
gen, was, heet donkerbruingeel, na bekoeling helderder van kleur. 
Het metaalkogeltje is week, laat zich tot een dun plaatje uit- 
slaan, laat op papier eene potloodstreek achter en smelt, op kool 
verhit, gemakkelijk. Een kogeltje van omtrent 0,020 grm. zwaar- 
te op beenderenasch afgedreven, liet een klein zilverkogel- 
tje achter, hetwelk onweegbaar was. 

Voorts wordt de erts door kalkspaath gekrast en is oplosbaar 
in verdund salpeterzuur onder afscheiding van zwavel. De op- 
lossing met verdund zwavelzuur behandeld zijnde, vormde zich 
een wit praecipitaat, welks filtraat met eenig zoutzuur sporen 
van chloorzilver vormde. 

Uit dit onderzoek blijkt, dat de erts van de aanhangende 
aarddeelen bevrijd, nagenoeg zuiver zwavellood is, waarmede 
de volgende proeven zijn bewerkstelligd. 

1. 7,281 grm. bij 100° C. gedroogde erts zoolang met ma- 
tig verdund salpeterzuur behandeld, tot niets meer daarvan 
opgenomen werd, de oplossing gefiltreerd, en het filtraat met 
verdund zwavelzuur behandeld, gaven 8,970 grm. droog zwa- 
velzuur loodoxyde, waarin 6,129 grm, lood bevat zijn, be- 
antwoordende deze hoeveelheid Tood aan 7,076 grm. zwa- 
vellood; waaruit dus blijkt, dat de erts nagenoeg zuiver zwa- 
vellood is, en het verkregen verlies, bedragende 0,205 grm., 
moet worden toegeschreven aan bijgemengde aardachtige deelen, 
aan waarschijnlijk in den erts zich bevindende silikaten en aan 
het verlies, aan de bewerking zelve verbonden. 

2. Vervolgens ben ik overgegaan om eenige proeven met 
den erts te doen ter herleiding van foodmetaal. De wijze hoe 
ze bewerkstelligd zijn, bestaat daarin, dat de fijn gewre- 
ven erts met genoegzame hoeveelheden soda of potasch met 
weinig salpeter, of met cremor tartari naauwkeurig gemengd 
werd en het mengsel in een’ kroes aan eene voldoen de hitte 


855 


blootgesteld, waarbij zich het lood metaalachtig afscheidde 
en na bekoeling uit het kroesje genomen kon worden. Door 
deze wijze van bewerking is gemiddeld 70 ten honderd lood 
te verkrijgen, hetwelk, aangezien het zuiver is, een zeer ge- 
schikt handelsartikel zoude kunnen uitmaken, Het lood heeft 
een soortelijk gewigt van {1,2 en bezit voorts alle eigenschap- 
pen van zuiver lood. 


KOPERERTSEN. 


ste soort, afkomstig van Gimboelan, laras Soelit ajer, 
distrikt XX Kottas. 


De erts vertoont eene zware, kompakte, kristalachtige, eenig- 
zins verweerde massa, van gemengd blaauwachtig groene kleur, 
bevat vele glinsterende, bont aangeloopene ertsdeelen van eene 
staalblaauwe tot in het violette gaande kleur. Bij sommige exem- 
plaren heeft de steensoort de bovenhand; ook vindt men hier 
en daar kleine hoeveelheden van Koperkies, kennelijk aan zij- 
ne eenigzins bont aangeloopene, eigenaardige geelkoper-kleur. 
Fijn gewreven geeft de erts een graauwgroen poeder. Het soor- 
telijk gewigt is gemiddeld 4,48. 

Voor de blaasbuis verhit, ontwikkelt de erts zwaveligzuur, 
smelt, alhoewel moeijelijk, tot eene staalgraauwe massa van zwak 
magnetische eigenschappen. In een cilinderglaasje verhit, wordt 
slechts weinig water uitgedreven, terwijl er geen sublimaat was 
waar te nemen. Door roostering in een open glazen buisje 
was, behalve de ontwikkeling van eenig zwaveligzuur en wa- 
ter, niets bijzonders te ontdekken. De erts op zichzelven ver- 
andert niet de wijngeestvlam, doch met zoutzuur bevochtigd, 
werd de vlam blaauw en allengskens groenachtig. Met borax vormt 
de erts in de oxydatievlam eene, heet donkerbruine, na bekoe- 
ling groen doorschijnende parel, die in de herleidingsvlam of 
met wat tin behandeld, bruinrood gekleurd werd. De erts, met 
soda op kool behandeld, gaf eene gesmoltene massa, welke 
vele pletbare metaalkogeltjes bevat. 


836 


Matig gekoncentreerd zoutzuur lost, onder ontwikkeling van 
koolzuurgas, een gedeelte van den erts op; de oplossing is groen- 
achtig gekleurd en wordt door cyaanijzerpotassium bruinrood 
gepraecipiteerd. Koningswater werkt hevig op den erts onder 
ontwikkeling van stikstofoxydegas en afscheiding van zwavel en 
eene witte zandachtige zelfstandigheid. De oplossing bevat ko- 
peroxyde en iijjzeroxyde. 

Verdere in het werk gestelde proeven hebben de afwezig- 
heid van lood, zilver, goud en andere metalen voldoende be- 
wezen. 

De vorm, waarin het koper in dezen erts is bevat, is voorna- 
melijk zoogenoemd koperglans, koperkies en koolzuur koperoxy- 
dehijdraat (malachiet). 2 

Ten einde het kopergehalte te bepalen, heb ik van het exem- 
plaar, hetwelk het meest gelijksoortig was, 25 grm. in de 
warmte met genoegzaam salpeterzuur behandeld, het filtraat 
na verwijdering van het meeste zuur met zwavelwaterstofgas 
ontleed, het gevormde zwavelkoper na behoorlijke afwassching 
in salpeterzuur opgelost, de oplossing bijna tot kokens toe ver- 
hit, en vervolgens met potassaoplossing ontleed. 

Het koperoxyde op een filter verzameld en gebrand, woog 
4,627 grm, beantwoordende aan 3,694 grm. koper, voor 100 
grm. erts Î4,77/ grm. bedragende. 

Ofschoon niet aan te nemen is, dat het kopergehalte gelijke- 
lijk in de steenmassa is verdeeld, zal dit resultaat evenwel 
de belangrijkheid van dezen erts genoegzaam doen blijken. 


2de soort, afkomstig van Batoe tiga, laras Soelit ajer, 
distrikt XX Kottas. 


Deze ertsstukken hebben op hunne oppervlakte eene meer 
gelijkmatig groene kleur. Door den hamer zijn zein bepaalde 
rigtingen meer of min laagsgewijze uit een te kloppen; de breuk- 
stukken hebben een meer of min kristallijn glinsterend blaauw- 
achtig groen voorkomen en komen voor het grootste gedeelte 
overeen met de ertsstukken, in bovenstaand onderzoek nader 


857 


omschreven. Hetzelfde is het geval met het kwalitatief onder- 
zoek en het verhouden van dezen erts voor de blaasbuis. Van 
de meer kompakte stukken is het koper kwantitatief bepaald. 
Van 25 grm. verkreeg men 4,566 grm. koperoxyde, datis voor 
100 grm. erts 18,264 grm., waarin bevat zijn 14,582 grm. 
koper — een resultaat, hetwelk met dat van het voorgaande 
zeer overeenkomt, zoodat hij met voordeel ter uitsmelting van 
koper kan dienen. 


sde soort, afkomstig van Batoe tiga, laras Soelit ajer, 
distrikt XX Kottas. 


Deze erts heeft een meer verweerd voorkomen en eene 
grijze grondkleur met violetachtig graauwe en groene tinten. 
Hij komt in een kwalitatief opzigt met de bovenbeschreven ert- 
sen overeen, doch bevat wat minder koper, want van 25 grm. 
van de kompaktere stukken zijn verkregen 3,99 grme 7 vper- 
oxijde, beantwoordende aan 15,32 ten honderd erts, waarin 
bevat zijn 12,231 grm. koper. 


4de soort, Kopererts ter uitsmelting toebereid. 


Deze toebereiding geschiedde hoogstwaarschijnlijk door stam- 
pen en wasschen van den natuurlijk voorkomenden erts, waar- 
van monsters waren bijgevoegd; ik heb 50 grm. van den ter 
uitsmelting toebereiden erts evenzoo behandeld, als zulks boven 
reeds is aangehaald, en 29,4!{ grm. koperoxijde verkregen, 
dat is voor 100 grm. erts 46,822 grm., waarin zijn bevat 
37,983 grm. koper. 

De uitsmelting van den erts is niet moeijelijk; het koper is 
bijna scheikundig zuiver, hetwelk uit een staatje koper, uit 
dezen erts gesmolten, voldoende is gebleken. 


838 


KWIKERTSEN. 


fste soort, Zwavelkwikerts in zandsteenformatie, afkomstig 
van Batoe adjoen, laras Soeboe torop, 
distrikt Sudjoendjang. 


De geheele hoeveelheid erts bedroeg 69,58 grm. aan gewigt. 
Oppervlakkig beschouwd, vertoont zij een mengsel van grootere 
of kleinere onregelmatige ertsstukjes van eene bruingele tof: 
loodgraauwe kleur; fijngewreven geven deze een helder bruin- 
rood poeder. Ze zijn grootendeels dof; enkele stukjes bezitten 
echter eenen sterken metaalglans; in een porcelleinen kroesje 
verhit, laten de ertsstukjes verschillende hoeveelheden van een 
residuum achter. 

Naauwkeurig onderzocht, blijkt de erts een mengsel te zijn 
van de volgende mineralen. 

1. Van gzerspaath; dit mineraal komt in fraaijen en duide- 
lijken kristalvorm in den erts voor. Het kristal is een rhom- 
boöder, welks vlakten ruw zijn en meestal min of meer gebo- 
gen. Het kristal krast kalk- en vloeispaath, wordt echter door 
apatielspaath flaauw, door veldspaath sterk gekrast; de streek. 
is graauwachtig wit, glinsterend; fijngewreven geeft het kristal 
een bruingeel poeder, dat met zoutzuur verwarmd, koolzuur- 
gas ontwikkelde (de dampen door barietwater geleid, vorm- 
den daarin koolzure barietaarde), terwijl het poeder zich bij- 
na geheel tot eene geelachtige vloeistof oploste. Deze vloeistof 
met eenig salpeterzuur gekookt en met zwavelwaterstofgas be- 
handeld, zonderde zwavel af; door zwavelammonium werden 
zwavelijzer en zwavelmangaan geprecipiteerd en voorts in het 
filtraat hiervan nog sporen van kalk en bitteraarde aangewe- 
zen. Het kristal heeft eene kaneel- tot zwartbruine kleur, wordt 
in een platinalepeltje verhit zwart en na bekoeling sterk door 
den magneet aangetrokken. 

De hoeveelheid dezer ijzerspaathkristallen, die voor het groot- 
ste gedeelte zonder moeite van den erts af te zonderen waren, 
bedroeg 0,42 grm. Een klein gedeelte zeer kleine moeijelijk 
af te zonderen kristallen bleef in den erts gemengd. 


039 


2. Van bruingzersteen; voorkomende in eenen vorm, het 
meest overeenkomende met dien van boonerts. Het gewigt der 
uitgezochte stukjes bedroeg 0,1 grm.; het zijn gele of zwart- 
achtig bruine, kleine, meestal ronde ertsstukjes, die voor het 
grootste gedeelte uit ijzeroxijdehijdraat bestaan. 

3. Van magnetisch yzerzand; in eene hoeveelheid van 1,1 
grm. uit den kwikerts door den magneet uit te trekken. Dit zand 
is donker roodachtig zwart, bezit metaalglans en is voor de 
blaasbuis onsmeltbaar; met phosphorzout behandeld, geeft het 
in de oxijdatievlam, heet zijnde een rood, na bekoeling een 
helder kleurloos glas; in de herleidingsvlam kreeg het glas 
heet zijnde eene geelachtige kleur, werd gedurende de bekoe- 
ling bijna kleurloos, daarna eene bruinachtig roode kleur aan- 
nemende. Dit glas met tin behandeld, werd kleurloos, wan- 
neer te weinig zand in het phosphorzout was opgelost, echter 
sterk violetblaauw , wanneer het zout vooraf met zand was 
verzadigd. De aanwezigheid van ttaangzer in dit magnetisch 
ijzerzand is dus duidelijk aangewezen. In gekoncentreerd zout-_ 
zuur is het fijngewreven zand in de warmte oplosbaar; de op- 
lossing door uitdamping van het. meeste zuur bevrijd, met wa- 
ter verdund en met een stukje zink in aanraking gebragt, 
werd blaauw gekleurd en vormde later een blaauwviolet pre- 
cipitaat in betrekkelijk groote hoeveelheid, hetwelk na eenigen 
tijd eene witte kleur aannam. 

__ 4. Van kleine rolsteentjes van silikaten, slechts 0,03 grm. 
aan gewigt bedragende. 

5. Van schoone, karmijn- of kochenilleroode doorschijnende 
stukjes, zoogenaamde peritome rubinblende, die in een por- 
celleinen kroesje verhit, zonder eenig residuum verdampen. Het 
gewigt van dezen erts bedroeg 0,330 grm. 

6. Van 67,6 grm. eener soort van levererts, waarin van de 
reeds genoemde mineralen nog kleine hoeveelheden benevens 
wat chroomijzer zijn bijgebleven. In een kolfje gesublimeerd, 
verkreeg men onder eenige ontwikkeling van zwavel waterstofgas en 
‚ afscheiding van weinig kwik, een zwart kristallijn sublimaat 
van eene roode streek; er bleef een zwartachtig residuum over, 

HL 6% 


840 


dat in een platinalepeltje gegloeid, tot eene bruine asch verbrand- 
de. Op kool voor de blaasbuis verhit, vervlugtigt de erts on- 
der ontwikkeling van zwaveligzuur en teruglating eener bruine 
asch; fijngewreven bezit hij eene helder roode kleur met een’ 
bruinachtigen tint; soortelijk gewigt = 6.9152, 

Met soda of kalkaarde gemengd en in een cilinderglaasje 
gesublimeerd , verkreeg men kwik. 

2,000 grm. fijngewreven erts in een porcelleinen kroesje ma- 
tig gegloeid, tot er niets meer van ontweek, lieten 0,195 grm. 
residuum van eene bruingrijze kleur achter; bedragende voor 
67,6 grm., erts 6,591 grm., hetwelk geen spoor van kwik meer be- 
vatte. Brandde men een klein gedeelte van dit residuum hevig in 
een platinalepeltje, dan werd het donkerder van kleur, na bekoe 
ling roodachtig bruin; met borax voor de blaasbuis behandeld, 
verkreeg men de chroomreaktie, aihoewel in geringe mate. 

Een klein gedeelte daarvan in koningswater opgelost, gefil- 
treerd, het filtraat na de verdamping van het meeste zuur met 
zwavelwaterstofgas behandeld, gaf een wit praecipitaat van af- 
gescheidene zwavel ; na bijvoeging van zwavelammonium verkreeg 
men een zwart praecipitaat van zwavelijzer , zwavelmangaan en 
aluinaarde bevattende, vervolgens uit het filtraat kleine hoe- 
veelheden kalk en bitteraarde en sporen van alkaliën, 

Een ander gedeelte met zoutzuur behandeld, de bijna onzij- 
dige vloeistof met azijnzure potasch en iijzerchloride gekookt, 
gefiltreerd, het praecipitaat met kokend water uitgewasschen, 
vervolgens in zoutzuur opgelost, wijnsteenzuur, genoegzaam 
ammonia en chloorammonium toegevoegd, ontstonden slechts 
sporen van phosphorzure bitteraarde en ammonia. 

6,850 grm. fijngewreven en goed doormengde erts met genoeg- 
zame hoeveelheden chloorzure potasch en zoutzuur in de kook- 
hitte behandeld, het filtraat met gedestilleerd water verdund, en 
vervolgens met zwavelwaterstofgas ontleed, vormde zich een prae- 
cipitaat van zwavel en zwavelkwik, hetwelk na op een filter ver- 
_zameld en gewasschen te zijn en herhaaldelijk met chloorzure pot- 
asch en zoutzuur in de kookhitte behandeld, een filtraat gaf, 
waaruit door behandeling met zwavelwaterstofgas zuiver zwa- 


841 


velkwik verkregen werd; dit laatste woog na behoorlijk afgewas- 
schen en bij 100° G. gedroogd te zijn 5,971 grm. bedragende 
voor 67,6 grm. erts 58,92 6 grm., waarin 50,80 grm. kwik. 

7 germ. fijn gewreven erts bij 100° C. gedroogd verloren 
0,03 erm. water, bedragende voor 67,6 grm. erts 0,2879 grm. 
De zamenstelling van dem kwikerts is dus de volgende: 
69,58 grm. erts bestaan uit: 


grm. 
MEPs paatheer. onorotn 4440,420 
Bruinijzersteen . .… . …. … 0,100 


Titaanhoudend ijzerzand …. 1,100 
Rolsteentjes van silikaten …. 0,050 
Peritome rubinblende …. . 0,930— 0,2845 grm. kwik be- 
Levererts …. . . . . . 67,6 —50,80 >» Lvattende. 


B1,0845 „ kwik; 
100 grm. erts bevatten dus 73,418 grm. kwik. 


2de soort. Zwavelkwikerts, afkomstig van Batoe adjoen , 
laras Soeboe gorop , distrikt Sudjoendjang. 


Deze erts bedroeg 64,8 grm. aan gewigt; hij bestond uit 
meestal kleine stukjes zwavelkwik met veel zwart glinsterend 
zand gemengd; voorts zijn ingemengd eenige rolsteentjes en 
fragmenten van de reeds bij de Îste soort vermelde minera- 
len. 

Door den magneet konden 17,6 grm. titaanhoudend ijzer- 
zand er worden uitgetrokken; de erts veranderde daardoor 
weinig van aanzien om reden nog veel zwart glinsterend zand 
bijgemengd bleef, dat niet of moeijelijk den magneet volgde. 

Van den door den magneet gezuiverden erts, 47,2 grm. aan 
gewigt bedragende, heb ik 5,844 grm., na goede vermenging 
in een porcelleinen kroes gegloeid, tot er zekerheid was ver- 
kregen, dat de kwikverbinding door de hitte was uitgedreven, 
het overblijvende woog 2,048 grm. Gedurende deze bewerking 
werd de erts donkerder van kleur, vervolgens zwart, ontwik- 


Ö42 


kelde zwaveligzuur, brandde met eenen blaauwachtigen tint, 
sublimeerde zwavelkwik met wat kwik en liet een residuum 
achter van eene bruingrijze kleur, waarin vele glinsterende 
puntjes verdeeld waren. Met phosphorzout of borax behan- 
deld, verkreeg men, behalve de bekende ijzerreaktie, eene 
schoone chroomreaktie, waardoor de overtuiging is verkregen, 
dat het gedeelte zwart zand, hetwelk niet of moeijelijk den 
magneet volgde, grootendeels uit chroomijzerzand bestond. 

Uit het gewigtsverlies door gloeijen van den erts ontstaan, 
laat zich het zwavelkwikgehalte berekenen op 47,313 ten hon- 
derd erts, waarin bevat zijn 40,786 kwik; ik moet echter op- 
merken, dat dit gehalte eenigzins te hoog is berekend, wegens 
de wijze van bewerking zelve; evenwel kan de daardoor 
ontstane fout naauwelijks een ten honderd bedragen. 

Deze kwikerts is dus hoofdzakelijk een mengsel van titaan- 
houdend ijzerzand, chroomijzerzand en zwavelkwik, waarschijn- 
lijk verkregen door uitwassching van zand wáarin de erts 
bevat is. 


IJZERERTS, 


afkomstig van Basilian, laras Soelit ajer , 
distrikt XX Kottas. 


De erts vertoont eene kristallijne in het massive overgaande 
massa; sommige exemplaren zijn met sporen van koolzure 
strontiaanaarde bevattende kalkaderen doortrokken. | | 

Het kristal behoort tot het 3- en Î- assige systeem, bezit 
metaalglans, is staalgraauw tot ijzerzwart van kleur; som-_ 
mige exemplaren zijn tafelvormig afgezonderd, meestal glad, 
zelden gestreept en eenigzins bont; de streek is graauw , me- 
taalglanzend; de erts wordt door den magneet zwak aan-_ 
getrokken; voor de blaasbuis op kool is hij uiterst moeije- 
lijk smeltbaar; in de binnenste vlam wordt hij zwart en 


843 


sterker magnetisch. In borax voor de blaasbuis behandeld, 
is de erts oplosbaar onder vorming der bekende ijzerreaktie; 
de mangaanreaktie was flaauw. Van chroom was niets waar 
te nemen ; met soda behandeld, was de mangaanreaktie iets 
duidelijker. 

Fijn gewreven geeft de erts een bruinachtig poeder, het- 
welk met chloorsodium, zwavelzuur en wat water behandeld, 
geen chloor ontwikkelde. In zoutzuur is de erts voor ‘het 
grootste gedeelte oplosbaar; de gele oplossing, met zwavel- 
waterstofgas behandeld, ontkleurde zich onder afscheiding van 
zwavel; hiervan afgefiltreerd en het filtraat met zwavelammo- 
nium behandeld, werd een zwart praecipitaat verkregen van 
zwavelijzer, sporen van zwavelmangaan bevattende. 

Eenig erts in zoutzuur opgelost, het filtraat met de behoor- 
lijke voorzigtigheid met ammonia behandeld, chloorammonium 
toegevoegd en met barnsteenzure ammonia ontleed zijnde, ont- 
stond barnsteenzuur ijzeroxyde; het filtraat hiervan met. zwa- 
velammonium behandeld, gaf slechts sporeif van een praeci- 
pitaat. 

Eene proef ter opsporing van phosphorzuur genomen, bleef 
zonder gevolg. 

Ten einde het ijzergehalte te bepalen, heb ik 7,14 grm. fijn 
gewreven’ erts met eene voldoende hoeveelheid zoutzuur en 
salpeterzuur gekookt, de oplossing met chloorammonium en 
ammonia in overmaat behandeld, gefiltreerd, het verkregen prae- 
cipitaat gewasschen, in zoutzuur opgelost, vervolgens met potas- 
saoplossing kokend ontleed. Er ontstond yzeroxydehydraat, dat 
gegloeid 6,030 grm. ijzeroxyde opleverde, beantwoordende aan 
4,221 grm. iijzer, voor 100 grm. erts 59,118 grm. ijzer be- 
dragende, hetwelk in den erts, grootendeels in den vorm van 
oxyde aanwezig is. 

Ofschoon niet is aan te nemen, dat het ijzergehalte in dezen 
erts gelijkmatig is verdeeld, blijkt evenwel uit deze proef de 
geschiktheid van den erts tot uitsmelting van ijzer. 


Sh 


K O LEN. 


Aste. soort, afkomstig van Batoe tiga, laras Soelit 
ajer, distrikt XX Kottas. 


Deze soort vertoont eene schieferachtig afgezonderde klei, 
doortrokken van koolachtige deelen, van zwavelijzer, „kristal- 
len van iijzervitriool, van aluin, en hier en daar ook sporen 
van zwavel, Zij hebben eene grijze, bruine, tot in het zwarte 
gaande kleur , zijn eenigzins vetachtig op het gevoel, dof, ech- 
ter hier en daar met glinsterende plekken; zij hebben voorts 
eene bruine streek, eene bladerige struktuur, tusschen welke 
men hier en daar overblijfselen van planten duidelijk ontwaart. 

Deze schieferachtige kleisoort, bij de geognosten meer onder 
den naam van „kohlenletten” bekend, vormt gewoonlijk het 
dak der bruinkolen, waarmede zij zelfs laagsgewijze afwisselt. 
Eene naauwkeurige beschrijving van het voorkomen dezer schie- 
erachtige klei zoude dus wel belangrijk zijn. 


2de. soort, afkomstig van Batoe tiga, laras Soelit ager, 
distrikt XX Kottas. 


_ Deze kolen zijn bruin tot graauwzwart van kleur, dof of 
gedeeltelijk van zwak vetachtigen glans; zij bestaan uit eene 
kompakte massa van eene meer of min houtachtige struktuur, 
of uit los zamenhangende bladen van eene oneffene tot 
schieferachtige breuk. Soortelijk gewigt tusschen 1,4 en 1,6. 
Ze zijn grootendeels doordrongen van glinsterende, witachtige, 
naaldvormige kristallen van eenen zamentrekkenden scherpen 
smaak; voor de blaasbuis verhit, ontwikkelen zij eenen ei- 
genaardigen empyreumatischen reuk, gemengd met veel gas 
van zwaveligzuur; zij branden met eene zwak licht gevende 
vlam en laten eindelijk eene betrekkelijk ruime hoeveelheid 
roodbruine asch achter. Ten einde de bruikbaarheid dezer 


845 


kolen nader te onderzoeken, zijn de volgende proeven ge- 
nomen. 


1. Bepaling van het watergehalte. 


10,024 grm. fijngewreven stof zoo lang bij 1009. C. ge- 
droogd, als nog gewigtsverlies plaats had, verloren 0,837 grm. 
aan gewigt. 100 grm. kolen bevatten dus 8,35 grm. water. 


2. Bepaling der in gedestilleerd water oplosbare deelen. 


10,02% grm. stof met genoegzame hoeveelheden gedestilleerd 
water behandeld, en het overblijvende bij 1000. C. gedroogd , 
woog het laatste 8,467 grm.; dus verlies 1,557 grm. 

Uit het onderzoek der oplossing is gebleken, dat zij be- 
vat zwavelzuur ijzerprotoxyde, zwavelzure aluinaarde , zeer 
kleine hoeveelheden van gips, bitteraarde en silika. Ten einde 
de hoeveelheid dezer stoffen te bepalen, werd de helft daar- 
van met salpeterzuur en chloorbaryum behandeld, uit het 
verkregene zwavelzure behoorlijk gedroogde praecipitaat van 
barietaarde , 0.590 grm. wegende, het zwavelzuurgehalte bere- 
kend, zijnde 0,2027 grm. en bedragende voor de geheele op- 
lossing 0,4054 grm. 

Vervolgens werd de andere helft der oplossing met chloor- 
ammonium en ammonia behandeld, en uit het verkregen 
praecipitaat door potassaoplossing op bekende wijze 0,156% 
grm. gegloeid iijjzeroxyde daargesteld; deze hoeveelheid beant- 
woordt aan 6,1408 grm. ijzerprotoxyde, 


gevende met 0,1564 „ zwavelzuur 


0,2972 „ droog zwavel- 
zuur ijzerprotoxyde, hetwelk met 45,66 ten honderd water 
vereenigd, 0,547 grm. gekristalliseerd iijzervitrool vormt, be- 
dragende voor de geheele oplossing 1,094 grm. 

Uit deze proef laat zich de hoeveelheid zwavelzuur, welke 
met de aluinaarde is vereenigd, op 0,0926 grm. berekenen 


846 


gevende 0,1321 grm. zwavelzure aluinaarde, die met 48,59 wa- 
ter 0,257 grm. gekristalliseerd zout vormt. 
100 grm. kolen bevatten dus 10,914 grm. ijzervitriool 
en 2,565 „ gekristalliseer- 
de zwavelzure aluinaarde, terwijl de kleine hoeveelheden 
van kalkaarde, bitteraarde en silica onbepaald bleven. 


3. Bepaling der in zoutzuur oplosbare deelen. 


Hetgeen in water onopgelost bleef, werd met zoutzuur 
in de warmte behandeld; de hoeveelheid der uitgetrokken 
zelfstandigheid bedroeg voor 10,024 grm. kolen 0,116 grm.; 
derhalve voor 100 grm. kolen 1,169 grm. 

Door dit zuur zijn voornamelijk uitgetrokken aluinaarde, 
ijzeroxyde, kalkaarde en weinig phosphorzuuur. 


4. Bepaling. 


Hetgeen in de 3e bepaling onopgelost bleef, werd in een 
platinaschoteltje verbrand; hierbij ontwaarde men nog eenen 
zwaveligzuren reuk, door de ontleding van eenig zwavelijzer 
gevormd; men verkreeg eene ligte bruinroode asch op 100 
grm. kolen 19,62 grm. bedragende, welker bestanddeelen 
ijzeroxyde, aluinaarde, kiezelaarde en kleine hoeveelheden 
mangaanoxydeoxyduul waren. 

Uit dit onderzoek blijkt, dat de kolen door de groote hoeveel- 
heid asch, die ze na het branden terug laten, door de be- 
trekkelijk groote hoeveelheid der in water en zuren oplos- 
bare zouten enz., als brandstof weinig waarde hebben; door 
behoorlijk wasschen met water en droogen kan echter hare 
deugdelijkheid als brandstof eenigzins verbeterd worden. 


SCHEIKUNDIG ONDERZOEK 


MINERALE WATEREN 


EILAND BAWEAN, 
DOOR 


J. P. VAN ROUVEROIJ VAN NIEUWAAL. 


IH. Bron van Sangcapoera. 


Het water dezer bron vertoont de volgende eigenschappen: 
het is reuk- en bijna smakeloos, helder, wordt bij ver- 
warming troebel onder gasontwikkeling, kleurt blaauw lak- 
moespapier rood, welke kleur bij drooging weder verdwijnt. 
Na de verwarming wordt rood lakmoespapier blaauw gekleurd; 
het soortelijk gewigt is 0,0021 bij 28 C. 

Het kwalitatief onderzoek heeft de volgende stoffen aangetoond: 
koolzuur , chloor, potassa, soda, kalkaarde, bitteraarde, ijzer- 
protoxijde, kiezelaarde en aluinaarde. 


KWANTITATIEVE ANALYSE. 
1. Bepaling der Vaste deelen. 


22218 grm. water tot droogwordens uitgedampt en zachte 


ed 


__gloeijing van het overblijfsel, gaven 0,2 grm zout. 
100 grm. water 0,09002 grm. zout. 


848 


2. Bepaling van het Chloor. 


166,635 grm. water gaven 0,015 grm. bij 100 C°. gedroogd 
chloorzilver , waarin 0,00371 grm. chloor. 
100 grm. water 0,00223 grm. chloor. 


5. Bepaling van het Potassium. 


110,09 grm. water gaven 0,073 grm. bij 100 C°. gedroogd 
chloor platina- chloorpotassium, waarin 00f 169 B potassium. 
100 grm. water 001061 potasstum. 


4. Bepaling van het Chloorpotassium. 


100 grm. water gaven volgens de 2de bepaling 0,00223 grm. 
chloor. Deze geven met 0,00246 grm. potassium 0,00469 grm. 
chloorpotasstum. 


5. Bepaling der Koolzure potasch. 


110,09 grm. water met zoutzuur overzadigd, tot droog wor- 
dens uitgedampt en zacht gegloeid, gaven na wederoplossing 
0,061 grm. bij 100 C. gedroogd chloorzilver waarin 0,01507 
grm. chloor. 

100 grm. water 0,01369 grm. chloor. 

100 grm. water gaven volgens de 2de bepaling 0,0023 grm. 
chloor. Het verschil chloor 0,01146 grm. komt overeen met 
0,0071f grm. koolzuur. 

Van de verkregene hoeveelheid potassium zijn 0,00246 grm. 
gebonden aan het chloor; het verschil 

0,00815 grm. potassium geeft met 
0,00150 „ zuurstof en 
0,00458 „ koolzuur 


0,01423 grm. koolzure potasch. 


849 
6. Bepaling der Koolzure soda. 


Het verschil koolzuur 0,00254 grm. 
geeft met 0,00358 „ Soda 


0,00612 erm. koolzure soda. 
7. Bepaling der Kiezelaarde, 


Het zout, bij de eerste bepaling verkregen, gaf 0,00562 grm. 
gegloeide kiezelaarde. 
100 grm. water, 0,0025 grm. Miezelaarde. 


8. Bepaling der Alwinaarde. 


Het filtraat der kiezelaarde gaf 0,007 grm. gegloeide aluinaar- 
de, door sporen van iijjzeroxijde gekleurd. 
100 grm. water 0,00315 grm. aluinaarde. 


9. Bepaling der Koolzure alkaarde. 


Het filtraat der aluinaarde gaf met koolzure ammonia be- 
handeld, 0,063 grm. bij 100 C. gedroogde koolzure kalk- 
aarde. 

100 grm. water 0,03978 grm. koolzure kalkaarde. 


10. Bepaling der Koolzure bitteraarde. 


Het filtraat van den koolzuren kalk gaf 0,058 grm. gegloeide 
phosphorzure bitteraarde, waarin 0,0212 grm. bitteraarde, welke 
met 0,0222 grm. koolzuur 


0,043 grm. koolzure 


bitteraarde, geven. 
100 grm. water 0,0195 grm. koolzure bitteraarde. 


850 


Resultaat. 

100 grm. water bevatten. grm. 
Koolzure potasch 8 : ' ‚_ 0,01423 
‚h soda is ad 6 „ 0,00612 
5e kalkaarde U. . 0,03978 
E bitteraarde / S € : „ 0,01950 
Chloorpotassium ì à : „ _0,00469 
Kiezelaande ny ar y= iel: aten ant 
Aluinaarde met sporen van iijzeroxijde ' ‚ 0,00315 
Totaal j . 0,08997 


Het kalksediment, hetwelk de bron afzet, bestaat uit eene ta- 
melijk vaste massa van eene grijze kleur, is zandig op het gevoel 
en bestaat uit koolzure kalk- en bitteraardes silika, aluin- 
aarde, iijzeroxijde en sporen van phosphorzuur, 

Het water der bronnen 3, 4en 5 op de Geologische kaart van 
den heer C. pr Groor te vinden, zijn insgelijks door mij on- 
derzocht; daar ik ze, op een klein verschil in het soortelijk 
gewigt na, geheel met de beide voorgaande bevond overeen te 
komen, heb ik mij alleen tot het kwalitatief onderzoek er 
van bepaald. 

Het water uit de Telaga dert doewa dessa, heb ik insgelijks 
slechts kwalitatief onderzocht, daar de geringe hoeveelheid 
zouten het kwantitatief onderzoek van minder belang maakte: 
het is reuk- en smakeloos, kleurt rood noch blaauw lakmoes- 
papier, wordt bij verdamping naauwelijks troebel en bevat 
een weinig koolzuur en chlooralkaliën , sporen van silika en 
aluinaarde en voorts een weinig koolzure kalkaarde en bit- 
teraarde. 


0 VER 


HET 
SCHEIKUNDIG ONDERZOEKEN 


VAN 


JAVAANSCHE PLANTEN, 


DOOR 


“_ D.W. ROST VAN TONNINGEN. 


Het is nagenoeg twee jaren geleden, dat ik in een artikel 
(zie Nat. Tijdschrift voor N. L. jaarg. I p. 290) berigtte, dat ik 
mij bezig hield met het onderzoeken van eenige inlandsche plan- 
ten, welker geneeskrachtige eigenschappen min of meer door de 
ondervinding waren aangewezen en welk onderzoek voorna- 
melijk de strekking had om de aan- of afwezigheid van alka- 
loïden of indifferente stoffen uit te maken, terwijl tevens van 
twee inlandsche gewassen de Soeren (Cedrela febrifuga) en Te- 
leoen (Terminalia moluccana) een dusdanig onderzoek werd 
medegedeeld. 

Het zal niet bevreemden, dat bij het voortzetten van dit werk 
bij voorkeur de aandacht was gevestigd op die planten, wel- 
ke den naam hadden van koortswerende eigenschappen in 
sommige hunner deelen te bezitten; nooit toch zijn meer- 
dere pogingen hiertoe in het werk gesteld en is tevens groo- 


52 


ter belangstelling in deze zaak getoond dan thans, nu er gegronde 
vrees is begonnen te ontstaan dat door een onbedachtzaam uit- 
roeijen der Amerikaansche kinabosschen , deze onmisbare boom 
zoo al niet uitgeroeid dan toch door zijne schaarschte den reeds 
hoogen prijs der kinine meer en meer zal doen stijgen en 
hierdoor aan hare algemeene aanwending paal en perk zal 
worden gesteld (fl). Men kan de pogingen, welke in den te- 
genwoordigen tijd voor de overbrenging der kinaplant op Java 
worden in het werk gesteld, niet genoeg waarderen, en bij 
eenen gunstigen uitslag was hierdoor niet alleen aan Java 
maar aan de geheele menschheid een wezenlijk geschenk ge- 
geven; ieder die slechts eenigzins bekend is met de onmisbaar- 
heid dezer plant en harer produkten, welke in zoovele ziekten 
met schitterende resultaten toegediend worden, zal hiervan de 
innige overtuiging bezitten. 

Om eene meer algemeene en gemakkelijke aanschaffing der 
kinine of daaraan gelijke stof te verkrijgen, staan „voorname- 
lijk twee wegen open. 1°. Het aanplanten van kinaboomen in 
landen, welke in ligging, klimaat en bodem met het oorspron- 
kelijke vaderland dezer plant zooveel mogelijk overeenkomen. 
2°,. Het bestendig en grondig onderzoeken van andere gewas- 
sen, welke eenigen naam als koorstwerende verkregen hebben. 

Wat het eerste middel betreft, is het van algemeene bekend- 
heid, dat zulks reeds vroeger en nog dezer dagen is beproefd in 
Ss’ rijks plantentuin te Buitenzorg, met kinaboompjes, welke door 
de zorg van eenige nederlandsche hoogleeraren en onder de be- 


(a) Om zulks regt duidelijk te maken is het slechts noodig aan te ha- 
len, dat behalve het gebruik in Amerika zelf, jaarlijks 20,000 kwin- 
talen naar het buitenland worden uitgevoerd en alleen de Bolivische kom- 
pagnie 200,000 kilo per jaar aflevert; elke kinaboom nu levert 6—10 
kilo bast (bij eene gemiddelde hoogte van 10 ned. ellen en 2 palmen 
dikte), terwijl als de afgeschilde boom niet sterft, dat echter meestal gebeurt, 
er ongeveer 20 jaren verloopen eer een nieuwe bast gevormd is; in 
den laatsen tijd evenwel hakte men de boomen tot meerder gemak maar 
eenvoudig om, zonder om nieuwe geregelde aanplantingen als anderzins 
te denken; iedereen kan zich ket noodzakelijke gevolg van eene derge- 
lijke handelwijze voorstellen. 


853 


scherming van het gouvernement aldaar aangebragt waren. Den 
uitslag dezer proeven, van welke wij verwachten, dat zij bij mo- 
gelijke mislukking zullen herhaald en niet als afgedaan beschouwd 
worden, wordt gewis met groote belangstelling te gemoet ge- 
zien (1). Volgens ons oordeel kan bij de noodige volharding en 
zorg, gevoegd bij het in aanmerking nemen der geognostische en 
klimatologische verhoudingen, waaronder de kinabosschen in 
Zuid-Amerika leven, deze uitkomst niet dan gunstig zijn. 

Het tweede aangevoerde middel behoort onder die, aan 
welke door een tal van scheikundigen groote aandacht en ouop- 
houdelijke vlijt zijn gewijd. Geen land ter wereld waar de volks- 
menigte, hetzij te regt of ten onregte, niet eenige planten als 
koortswerende middelen huldigt en weet aan te wijzen, en hoe- 
veel overdrijving nu ook veelal in deze volksuitspraak moge be- 
staan , het belang der maatschappij zoowel als de uitbreiding 
der wetenschap eischen, dat men een dusdanig middel onbevoor- 
oordeeld onderzoeke en door den geneeskundige, als hiertoe uit- 
sluitend geroepen, aan de waarheid toetsen laat. Door deze prij- 
zenswaardige gevoelens geleid , vonden Lr Roux en Bucuner de 
salicine in eenige wilgen en populieren (Salix montana en pur- 
purea, Populus tremula enz.), en hoewel nog te kostbaar voor 
eene algemeene aanwending, was er een tijd, dat het door Mr- 
QueL te Parijs als een specifiek middel tegen intermitterende 
koortsen werd aangeprezen, eene aanprijzing evenwel, aan wel- 
ker waarde thans door velen wordt getwijfeld. Zoo ontdekte in 
1826 Oersrror de piperine in onze zoo algemeen bekende pe- 
perkorrels (piper nigrum) en ook dit ligchaam geniet sedert ve- 
le jaren den naam van met gunstigen uitslag aan koortslijders 
gegeven te zijn, terwijl om van meerdere anderen niet te gewa- 
gen De Koninck en Sras uit den bast der appel-, peren- en prui- 
menboomen eene stof afscheidden , welke onder den naam van 
phloridzine bekend, even als de reeds genoemde, met goed gevolg 
tegen koortsen is aangewend. Ondanks dat streven van zoo- 


(a) Tot heden zijn eenige exemplaren te Buitenzorg en Tjipannas on- 
der de zorg van den heer hortulanus TeiJSMANN aldaar groeijende. 


854 


velen, is men echter tot heden toe niet zoo gelukkig geweest , 
om de geneeskunde met een ligchaam te verrijken, dat in wer- 
king aan de kinine gelijk staat, of ten minste hetzelfde vertrou- 
wen geniet, dat de artsen zoo onbepaald aan genoemd alka- 
loïed schenken. Nemen wij dus het feit, zooals het zich thans 
voordoet, door vast te stellen, dat er voor het tegenwoordige niet 
eene enkele uit planten afgescheidene stof bestaat, zoo krachtig 
en zeker in werking als de kinine, dan is de eenige gevolgtrek- 
king, welke voor de beoefenaren der natuurkundige wetenschap- 
pen hieruit te trekken is deze, dat men zoeken moet zoolang 
tot men haar vindt of naar waarheid getuigen kan, dat zij 
niet te vinden is. Dit laatste nu laat zich niet zeggen voor en aleer 
talrijke onderzoekingen goed uitgevoerd en aan de wereld ken. 
baar gemaakt zullen zijn, en het eindresultaat dezer redenering 
is en blijft dus zoeken, proeven nemen, maar dit laatste vooral 
met oordeel en ondersteund door de ondervinding van zoovele 
kundige mannen, welke de praktische geneeskundige wetenschap- 
pen tot eere verstrekken en gegrond op de verwantschappen 
der planten onderling, zooals ons dat door de botanici in hare 
gelijksoortige eigenschappen is aangewezen. 

Eene reeds door wijsgeeren van alle tijden gedane uitspraak, 
dat elk land tegen zijne dusgenaamde eigenaardige ziekten, 
ook de middelen bezit, noodig om deze met vrucht te be- 
strijden, spreekt sterk dáárvoor, dat men uit inlandsche gewas- 
sen stoffen tracht af te zonderen, in werking gelijk aan de kini- 
ne, maar, zooals wij reeds vroeger opmerkten, deze stelling al- 
gemeen uitgesproken is in de verte nog niet bewezen en er 
kan zelfs van gezegd worden, dat zij, meer dichterlijk dan waar, 
bij een ruim overzigt der behoeften van de verschillende vol- 
ken en de daaruit volgende merkantiële betrekkingen, voor een 
streng logisch onderzoek vallen moet; niemand b. v. die aan 
de onmisbaarheid van kwik en kina op Java, Nederland en 
zoovele andere gewesten twijfelen zal, en toch komen deze stof- 
fen voor zoover bekend is niet alleen daar niet voor, maar 
weet men zelfs geene waardige representanten aan beiden te- 
genover te stellen en mogten deze laatste dan ook al aanwe- 


855 


zig zijn, men zal ze alleen door langdurig onderzoeken kun- 
nen vinden. 

Wat nu het opsporen van alkaloïden, zooals de kinine en 
indifferente stoffen, zooals de salicine, aangaat, behoort zulks vol- 
strekt niet tot de moeijelijke bewerkingen der scheikunde. Met 
weinige ingrediënten en werktuigen laten zich groote hoeveel- 
heden van verschillende planten onderzoeken, zonder dat zelfs 
eene onafgebrokene tegenwoordigheid van de zijde des bewer- 
kers vereischt wordt. Men heeft dus hierbij het voordeel, dat 
te gelijkertijd nog andere zaken ondernomen kunnen worden. 
Wat de keuze der planten zelve aangaat, — bij de weinige 
welke door mij aan een onderzoek zijn onderworpen, heb 
ik mij veelal laten leiden, hetzij door de aanbeveling der ge- 
neesheeren, hetzij door de nadere verwantschappen, welke zij 
bezaten met plantenfarmiliën waarin reeds koortswerende al- 
kaloïden of bittere stoffen aangewezen waren. Het is trouwens 
genoegzaam bekend, dat bij de natuurlijke rangschikking van 
het plantenrijk, in sommige familiën onmiskenbare overeenkom- 
sten in voortbrengselen aan te wijzen zijn. Wij herinneren 
hier slechts het zetmeel, dat in alle leden der Gramineën 
gevonden wordt, zoomede vlugtige oliën in de Labiaten, scherpe 
melksappen in vele Euphorbiaceën — harsen in de Coniferen, 
terwijl alle soorten van het geslacht Cinchona kinabasten op- 
leveren. Reeds Linnaeus schreef zulks, en riep niet Decan- 
DOLLE uit „schijnt ons de natuur in alle deze voorbeelden 
„niet zelve aan te wijzen, dat de sappen van verwante plan- 
„tensoorten gelijksoortige eigenschappen bezitten?” en of- 
schoon vele uitzonderingen dan ook dezen regel niet algemeen 
geldend doen zijn, kan het niet anders, of ook hij moet mede- 
werken om den scheikundige bij het uitkiezen van planten, 
welke hij onderzoeken zal, eene gegronde keuze te laten doen. 

Van de volgende gewassen op Java te huis behoorende of 
uit den vreemde er aangebragt, laten wij de resultaten onzer 
onderzoekingen volgen. 

Cascarilla muzonensis. Onder het sijnoniem van. Cinchona 
alba zond mij de heer Teissmann van Buitenzorg eene kleine hoe- 


Hi. 65 


056 

veelheid takjes, welker bast hij mij uitnoodigde op kinine te on- 
derzoeken. De planten zelve, van elders ontvangen en opgekweekt 
in bovengenoemden plantentuin, waren nog zeer jeugdig en 
klein , zoodat men tot heden geene aanmerkelijke massa’s er 
van had kunnen verzamelen. Veel belang stelde ik in dit on- 
derzoek, te meer daar reeds voor eenige jaren door N. 
Mir in de Cinchona alba eene plantenbasis was ontdekt, door 
hem blanchinine genaamd en er door WinckKrer zelfs Chinova- 
zuur in was aangewezen. 

De nog frisch groene in vollen bloei staande takjes werden 
eerst luchtdroog gemaakt en wogen naauwelijks één ned. ons; 
zij hadden eenen bitteren slijmigen smaak; na herhaalde ma- 
len met verdund zeezoutzuur warm te zijn uitgetrokken, werd 
het helder gefiltreerde aftreksel met koolzure soda even alka- 
kalisch gemaakt, door welke bewerking een hoogst fijn , zwart 
en door filtrering moeijelijk af te scheiden poeder uitgeschei- 
den werd; dit laatste, na met water goed afgewasschen te zijn, 
werd met wijngeest van 80°/, bij kookhitte uitgetrokken, 
waardoor eene donker gekleurde vloeistof ontstond, welke 
na affiltrering en uitdamping op een waterbad, eene eenigzins 
bittere, zamenklevende massa opleverde. Deze met kokenden 
ether behandeld, liet na affiltrering en drooging eene stof ach- 
ter, welke duidelijk door den reuk van vochtige kina-extrakten 
en harsen gekenmerkt werd. Deze hars werd met een zuur 
uitgetrokken en hetgeen hierdoor opgelost werd afgefiltreerd, _ 
waarna door ammonia eene nagenoeg witte stof werd geprae- 
cipiteerd. Dit nederslag, dat zich zeer gemakkelijk in uiterst ver- 
dunde zuren oploste, reageerde evenwel niet duidelijk alka- Á 
lisch en bitter genoeg om het met genoegzamen grond als 
een alkaloïed aan te merken ; op een platinablik verhit, verbrand 
de het zonder een spoor van asch terug te laten. k 

Een alkalisch afkooksel van dezen bast bevatte veel van 
een zeer op acidum pecticum gelijkend zuur; het werd door 
zuren gemakkelijk als eene gelei nedergeslagen en door alka- 
liën. opgelost; het bezat verder eene bruine kleur en eenen 
zeer duidelijken kinabitteren smaak en reuk, welke ook door 


1) 


857 


anderen dan mij waargenomen is; van beiden was het niet 
door uitspoeling met water of wijngeest te bevrijden. 

Het behoeft wel geen nader betoog, dat het onderzoek van 
eene dusdanige kleine hoeveelheid bast, genomen van nog zul- 
ke jeugdige plantjes, niet als beslissend kon worden opgege- 
ven, waarom dan ook door den dirigerenden officier van ge- 
zondheid der eerste klasse den heer G. Wassink, van uit Buiten- 
zorg eenige boompjes in den plantentuin, welke sedert eenige 
jaren het groot militair hospitaal te Weltevreden versiert, ge- 
plaatst zijn geworden, welke, alhoewel tamelijk opgroeijende , 
meer den habitus van heesters vertoonen, dan dat het zich 
laat aanzien, dat zij eenmaal tot krachtige groote boomen 
zullen opgroeijen, iets wat niet sterk getuigt van eene nadere 
verwantschap met het geslacht Cinchona. Zij maken echter ook 
thans nog een voorwerp van zorg en verwachting uit, aange- 
zien besloten is den verderen groei dezer planten af te 
wachten, totdat zij eenen zekeren wasdom bereikt zullen hebben. 
De kinaboomen der Amerikaansche bosschen toch worden niet 
geschild, voor dat zij een twintigtal jaren oud zijn en van 
het vroegere denkbeeld, dat de jonge, dunne, opgerolde 
bastpijpjes de meeste koortswerende kracht hadden is men 
reeds lang teruggekomen, daar het bewezen is, dat juist de 
dikkere en oudere basten de beste eigenschappen bezitten; 
waaruit zich a priori het besluit laat trekken, dat men ook 
aan de Cascarilla muzonensis de noodige tijd tot ontwikke- 
ling laten moet, om later met grootere hoeveelheden van dezen 
bast nieuwe proeven in het werk te stellen, van welke niet 
nagelaten zal worden het publiek berigt te geven. 

Van de volgende vier planten, door ons onderzocht en waar- 
bij noch het vinden van alkaloïden noch van indifferente stoffen 
het onderzoek bekroond heeft, laten wij slechts eene korte 
aanwijzing volgen. 

Ophiorhiza mungos (de Tjetjankahan der inlanders) eene plant 
behoorende tot de klasse der Caprifoliaceën. Zij werd door 
Karmprer ook tegen den beet van giftige slangen aanbevolen. 

Alstonia spectabilis (Lamohboom) uit de familie der Apocijneön. 


858 


Samadera indica (Gatip pahit) met eenen als Quassia bitte- 
ren bast uit de familie der Therebinthinaceën en de 

Strjchnos muricata (Kajoe timor) officineel als cortex ligni 
timorensis, slangenhout, bekend, behoorende tot de familie der 
Strijchneën en voornamelijk in de binnenlanden van het eiland 
Timor voorkomende. Van alle deze vier planten is het hout 
of de schors van tijd tot tijd als koortswerend aangeprezen. 

Met nog een enkel woord willen wij gewagen van een der- 
de middel, sedert eenigen tijd opgegeven als misschien de meer. 
en meer schaarsch wordende kinine eenmaal te zullen kunnen 
vervangen, namelijk, door deze op scheikundigen weg direkt 
zamen te stellen. Mogt nog voor weinige jaren alleen het 
denkbeeld aan zoo iets slechts een medelijdend schouderopha- 
len den schrijver of ontwerper hiervan bejegend hebben, bij 
den verwonderlijken en snellen vooruitgang van alles, wat met 
kunsten en wetenschappen in de minste betrekking staat, bij 
zooveel vreemds, waarbij als het ware voor het menschelijke 
genie niets onmogelijks meer is, kan er hoop bestaan, dat 
te eeniger tijd deze ontdekking zal plaats hebben. Zoowel 
in het plantaardige als dierlijke leven toch worden stoffen 
voortgebragt, welke men volkomen gelijk in zamenstelling, 
voorkomen en uitwerking, door het zamenbrengen der hier- 
voor noodige invloeden in de chemische laboratoria scheppen 
kan (wij noemen hier slechts het zuringzuur, mierenzuur, 
gom, suiker en het ureum, dit laatste geheel uit dezelfde 
elementen opgebouwd als de kinine enz.). Doch, alhoewel de 
mogelijkheid dezer ontdekking niet is te ontkennen en er in 
Frankrijk zelfs eene aanmerkelijke som voor den ontdekker is 
uitgeschreven, moet men zich niet te veel aan eene dergelijke 
hoop overgeven, vooral niet als het gevolg hiervan eene ze- 
kere werkeloosheid ten aanzien der twee eerste middelen we- 
zen moest; het beproeven van aanplantingen der kinaboomer 
op Java en in andere landen, zooals thans geschiedt, en het ondere 
zoeken van de inlandsche gewassen alleen, kunnen met redelijke 
grond goede gevolgen en eene schoone uitkomst voor de maat 
schappij van zich doen verwachten. 


859 


Eindelijk herhalen wij hier den wensch, dat de lust tot deze 
onderzoekingen bij vele deskundigen op Java moge worden 
aangewakkerd niet alleen maar ook dat daaraan publiciteit zal 
gegeven worden, onverschillig of een goed of negatief resultaat 
verkregen wordt; — want, zooals wij in den eersten jaargang van 
dit tijdschrift reeds opmerkten, hierdoor alleen is eene schif- 
ting van onderzochte en nog te onderzoeken zaken mogelijk en 
kan zoo gehandeld wordende een doel snel en zeker bereikt 
worden, dat bij stilzwijgendheid of werkeloosheid anders nog 
lang op zich zal doen wachten. 


Weltevreden, 25 November 1852. 


BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD. 


Aardbevingen op Java in Oktober, November en 
December 1852. 


De Javasche Couranten der laatste maanden bevatten weder 
meerdere berigten van aardbevingen, welke hieronder zijn 
zamengetrokken. 


Javasche Courant van Zaturdag 23 Oktober. 

Van Tagal wordt gemeld, dat aldaar in den avond van den 
15den Oktober, tien minuten voor acht ure, eene ligte aard- 
beving heeft plaats gehad, met eene golvende beweging van _ 
het zuiden naar het noorden, welke ook in andere gedeelten 
dier residentie is ontwaard. 


nn 


Javasche Courant van Woensdag 27 Oktober 1852. 

Men schrijft van Magelang den f6den Oktober. — 

In den avond van gisteren omstreeks 8 ure, is alhier eene 
ligte schok van aardbeving waargenomen in eene rigting van 
het noorden naar het zuiden. Het is niet gebleken dat daar- 
door eenige schade is veroorzaakt. 


Men schrijft uit Banjoemas 19 Oktober. Á 
In den morgen van Woensdag den f3den dezes, omstreeks 
half twaalf ure en in den avond van Vrijdag daaropvolgende 
tegen kwartier over acht ure, zijn op de hoofdplaats en in de 
afdeelingen Tjilatjap en Bandjarnegara vrij belangrijke aardbe- 


861 


vingen gevoeld ; de laatste overtrof ver in hevigheid de eer- 
ste; zijnde echter daardoor, voor zoo verre bekend is, geene 
schade aan de gouvernements of aan partikuliere gebouwen 
veroorzaakt. 

Van Poerworedjo wordt van den ÎSden Oktober gemeld, 
dat te Keboemen op den ÎS3den te voren, omstreeks 12 ure 
des namiddags, vier elkander opvolgende schokken van aard- 
beving, in de rigting van het oosten naar het westen zijn 
gevoeld, zonder dat zij eenige schade aan de gouvernements 
of andere gebouwen hebben veroorzaakt; en dat op den 15den 
dierzelfde maand, omstreeks 8 ure des avonds, in diezelfde 
rigting op nieuw negen elkander snel opvolgende, zeer he- 
vige schokken van aardbeving zijn gevoeld en wel zoodanig, 
dat de muren van de geldkamer en bureaux te Keboemen 
zijn gescheurd. De nieuw gebouwde adsistent-residents wo- 
ning te Keboemen heeft echter niets geleden. 

Ook heeft zich, omtrent hetzelfde tijdstip, te Poerworedjo 
en Koetoeardjo die aardbeving in eene sterke mate doen ge- 
voelen, zonder eenige schade te veroorzaken; de rigting daar- 
van kon echter moeijelijk worden nagegaan, daar de bewe- 
ging niet golvend maar meer trillend was en de schokken el 
kander met eene tijdsruimte van ongeveer 2 sekonden hebben 
opgevolgd, 


Javasche Courant van Zaturdag 30 Oktober. 

In de afdeeling Galoe (residentie Cheribon) is den Í3den 
Oktober jl. des middags ruim ten 12 ure, een hevige schok 
van aardbeving gevoeld, in de rigting van het zuiden naar 
‚het noorden. Te Tjiamis was het toen stil weder, met hel- 
deren zonneschijn en weinig bewolkte lucht ; thermometer 82° Ft. 

Den Îöden Oktober, des avonds ten 8u 15’ werd men we- 
derom drie schokken gewaar, waarvan de laatste zeer hevig 
waren, allen in de rigting van het zuiden naar het noorden. 
Ook toen was het te Tjiamis stil weder met heldere lucht; 
thermometer 81,5° Ft 


LA, 


he Vest, cire kn er 


862 


Bij geene dezer aardbevingen hebben ongelukken plaats ge- 
had. 


Javasche Courant van Zaturdag 18 December. 

Den 26sten November jl. des morgens ten 6} 45 minuten, 
heeft men te Soerabaja een’ ligten schok van aardbeving waar- 
genomen. 

Volgens berigten van Sumanap meende men in den morgen 
van den 2Östen November eenen kleinen schok van aardbeving 
te hebben gevoeld. 


_De Javasche Couranten van den 22sten, 25 en 29 Decem- 
ber van het vorige en den öden Januarij van dit jaar, behel- 
zen berigten van eene vrij hevige aardbeving, die door het ge- 
heele Westelijke gedeelte van Java tot Samarang, Kadoe en 
Bagelen gevoeld is. 

In den nacht van den 20sten op den 2{sten December hoor- 
de men een onderaardsch gedruisch als van eene zware ban- 
djir of een rijtuig dat over eene brug gaat en begon ten 122/, u. 
en voor de oostelijkste plaatsen wat later de grond hevig te 
schudden, zoodanig zelfs, dat muren omvielen en steenen ge- 
bouwen scheurden. 

Door dien het nacht was, is er slechts weinig waargeno- 
men en loopen de berigten omtrent den duur en rigting der 
schokken zeer uiteen. Het schijnt echter één aanhoudende 
langdurige golvende beweging of wel een snelle opvolging 
van verscheidene schokken van het z. w. naar het n. o. te 
„zijn geweest. Volgens sommigen zouden deze wel 5 minuten, 
volgens anderen 11/5, minuut aangehouden hebben. Om de 
Oost heeft men veel ligteren schok of alleen den hevigsten gevoeld 
en was de rigting oost en west, zoodat het blijkt, dat het 
midden der beweging zich bevond in West Java en wel bepaal- 
delijk in het ‘westen der Preanger regentschappen en in Bui- 
tenzorg, waar dan ook de beving het hevigst was. 


865 


Op het observatorium van den tijdbal te Batavia stond de eene 
astronomische klok, die tevens de meestgevoelige is, stil ten Î2u. 
Ah’ m. t. en de tweede één minuut later, terwijl de rigting 
door het aanslaan van de slingers bleek noordelijk en zuide- 
lijk te zijn. 

Voor en na de aardbeving heerschte op vele plaatsen een 
vrij hevige westelijke wind. Het schijnt echter, dat hef ge- 
durende de beving stil en de lucht afmattend warm was. 

Vooral te Buitenzorg en in het bijgelegen deel der Prean- 
ger regentschapben zijn vele gebouwen gescheurd, eenige zelfs 
gedeeltelijk ingestort, meerdere onbewoonbaar geworden. 

Menschenlevens zijn daarbij nergens verloren. 


Aardbeving in de Padangsche Bovenlanden op 
den 20°" Junij 1852. 


De redaktie heeft volgend berigt van eene geachte hand ontvan- 
gen. 

„Den 2sten Junij 1852 is des avonds omstreeks 7 \/, uur eene 
„aardbeving waargenomen, welke zich over de gewesten Tan- 
„nah Datar, XX en XII[ Kottas en misschien nog over andere 
„deelen van de binnenlanden heeft uitgestrekt. Eerst werd een 
„dof onderaardsch gerommel gehoord, dat twee sekonden aan- 
„hield, min of meer overeenkomende met het geluid van den 
„donder; hierop volgde na eene tusschenpozing van een se- 
„konde een vrij hevige schok , die slechts een oogenblik aan- 
„hield; het duurde echter 5 à 6 sekonden nog eer de aarde 
„‚ volkomen rustig was. De rigting was waarschijnlijk z. z. w. en 
‚‚n.n. 0. De lucht was helder en onbewolkt tijdens dit voorviel. 
‚Den geheelen dag was niets bijzonders in de atmosfeer waar- 
„ genomen. 

„Den 2isten Junij kon niets bijzonders aan de vier voor- 
„naamste vuurbergen in de nabijheid der Selasi, Sago, Merapi 
„en Singgalang bespeurd worden.” 


Dn ee 


864 


Uittreksel wit het Programma van de Hollandsche 
Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem 
voor het jaar 1852. 


De redaktie deelt hier een uittreksel mede van die gedeel- 
ten van bedoeld programma, welke zij acht dat in Nederlandsch 
Indië meer algemeen bekend behooren te worden gemaakt. 


De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem vierde haar 
honderdjarig bestaan onder anderen door het houden eener Algemeene 
Vergadering den 2isten Mei 1852, en van eene feestrede, die op den 
22sten daaraanvolgenden door den hoogleeraar Mr. D. J. van Lenner, dien 
zij gedurende eene halve eeuw onder hare Leden had mogen tellen , werd 
uitgesproken, en tot wier uitgave in druk, nadat zij door direkteuren, 
leden en eene uitgelezene schaar van genoodigden met de meeste belang- 
stelling was aangehoord, werd besloten. 

De Algemeene Vergadering op den 2isten Mei 1852 werd door den pre- 
sident direkteur Jhr. J. P. Tepine van Berknour geopend met eene aan- 
spraak, waarin hij het gewigtige van deze bijeenkomst schetste en de 
belangen der bloeijende Maatschappij aan zijne mede-direkteuren en aan hare 
leden op eene dringende wijze aanbeval; hij vermeldde daarbij tevens, dat 
door direkteuren besloten was tot het uitschrijven van twee aanzienlijke 
Eereprijzen; de eerste voor een belangrijk Natuurkundig werk, de tweede 
voor eene groote ontdekking in eenig gedeelte der Natuurkundige Weten 
schappen. 

De uitloving dezer Eereprijzen werd den volgenden dag vóór den aan- 
vang van de redevoering, nadat de president-direkteur de bijeenkomst ter 
gelegenheid van het eeuwfeest had geopend, aan de leden en de genoo- 
digden door den sekretaris bekend gemaakt met het voorlezen van het 
volgend besluit: 

»Direkteuren van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen heb— 
ben besloten ter gelegenheid van het weerste eeuwfeest der Maatschappij 
»de volgende premiën uit te loven. — } 

» Als ten eersten voor het belangrijkste werk in eenig gedeelte der Na- 
»tuurkundige Wetenschappen, uit te geven in het tijdsverloop van vier ja- 
pren na de viering van het eeuwfeest op den 22sten Mei 1852, eene som 
»van Een Duizend Guldens. 7 

» Ten tweeden voor de uitmuntendste der groote ontdekkingen, die in 
»eenig gedeelte der Natuurkundige Wetenschappen mogten gedaan zijn, 
palmede in het tijdsverloop van vier jaren na de viering van het eeuw- 
»feest op den 22sten Mei 1852, eene som van Twee Duizend Guldens.’ 


865 


Zij, die op deze Prijzen oordeelen aanspraak te kunnen maken, zullen 
hunne werken, en de naauwkeurige beschrijving hunner ontdekkingen aan 
den Sekretaris der Maatschappij te Haarlem moeten inzenden, vóór den 
22sten Mei 1856. 

De Maatschappij heeft goedgevonden, om van de onbeantwoord geble- 
vene vragen, waarvan de tijd ter beantwoording op den 1 Januarij II. ver- 
streken was, de volgende thans aldus te herhalen, 


OM BEANTWOORD TE WORDEN vVóóR Î JaANnvariIJ 1954. 


Ï. Aangezien de toenemende schaarschheid van den Kinabast, ten ge- 
gevolge der veelvuldige inzamelingen in de Amerikaansche kinabosschen 
en der daardoor veroorzaakte beschadiging dier bosschen, meer en meer 
een gemis van dat onontbeerlijk geneesmiddel doet vreezen, zoo wordt 
gevraagd: Geven de natuurkundige wetenschappen genoegzame gronden 
aan de hand, om te mogen verwachten, dat de aankweeking en voortte- 
ling der kinaboomen in onze koloniën met een gunstig gevolg kunnen wor- 
den ondernomen ? 

IL. Hoewel er een aanmerkelijk verschil bestaat tusschen de zoogenaam- 
de zoutvormende (kalogene) grondstoffen, Chlorium, Jodium en Bromium, 
zoo is het toch niet te ontkennen, dat die zelfstandigheden tevens in ve- 
le opzigten eene groote verwantschap en onderlinge overeenkomst hebben, 
zoo dat men wel mag twijfelen, of zij werkelijk grondstoffen zijn, te meer, 
daar ze veelal te zamen of met elkander verbonden, in de natuur aanwe- 
zig zijn. De Maatschappij verlangt derhalve een nieuw proefondervinde- 
lijk onderzoek dienaangaande, alsmede eene oordeelkundige beschouwing 
van het bekende van de bereiding en afscheiding dier zelfstandigheden uit 
hare natuurlijke verbindingen, met opzigt tot de daartoe gebezigde midde 
len, en der al of niet overeenstemmende hoeveelheden, door de verschil 
lende wijzen van bereiding verkregen. 

UI. In hoeverre kunnen de organische overblijfsels in eene geologische 
formatie ons een denkbeeld geven van de organische schepping in een be- 
paald geologisch tijdperk, en welke regelen heeft men in acht te nemen, 
om niet meer uit de waarnemingen af te leiden, dan zij bij een streng 
onderzoek leeren ? 

VI. Welke zijn de verschillende Menschenrassen, die in den , tot het 
Nederlandsch gebied behoorenden, Indischen Archipel te huis zijn? De 
Maatschappij verlangt eene, zoo mogelijk, door afbeeldingen opgehelderde 
naauwkeurige , ook osteologische beschrijving dezer rassen. 

VIT. Omtrent de bewegingen van het bloed bij de insekten, is men tot 
nog toe tot geene zekerheid gekomen. De beroemdste natuurkundigen 
verschillen hieromtrent aanmerkelijk in gevoelen. De Maatschappij verlangt, 
dat door nieuwe onderzoekingen de wijze bepaald worde, waarop het tot 


866 


voeding dienend vocht door het ligchaam der insekten bewogen wordt. 

VIII. Daar de bekende waarnemingen van LeruwennoeK, Fontana en 
SpaLLANZANI, over het vermogen der Raderdiertjes, om, na langen tijd 
gedroogd en schijnbaar levenloos bewaard te zijn geweest, weder door be 
vochtiging te herleven, door EnrenBenG weêrsproken zijn, verlangt de 
Maatschappij eene kritiek dier waarnemingen, door eigene nasporingen 
toegelicht. 

XX. Waarin bestaat de zoogenaamde ciliaire beweging, die op de opper- 
vlakte van verschillende organen der dieren waargenomen wordt; welke 
is de ware oorzaak dier beweging, en in hoe verre staat zij in verband 
met de funktiën der organen, waarop zij plaats heeft? 

IX. Bij eenige der lagere geslachten der weekdieren en hij sommi- 
ge, straaldieren meent men gezigtsorganen te hebben gevonden. Men ver- 
langt eene naauwkeurige beschrijving dezer organen, bij ten minste drie 
week en drie straaldieren, en van het verband dezer organen met eeni- 
ge meerder of minder centrale zenuwmassa, door afbeeldingen opgehel- 
derd, en eene daaruit opgemaakte theorie der wijze , waarop door tusschen - 
komst van het licht deze dieren, door die oogen, hetzij alleen van de 
aanwezigheid, hetzij ook van de gedaante en de kleur der voorwerpen, 
kennis bekomen. 

XI. De Schildpadden, waarvan de schilden van Celebes en de nabij ge 
legen eilanden voor den handel naar Europa worden overgebragt, schijnen 
tot verschillende soorten te behooren: de Maatschappij vraagt daarom eene 
zoölogische beschrijving dier verschillende Schildpadden van den Indischen 
Archipel. 

XIII. De Maatschappij verlangt, dat men onderzoeke of er bij de Varens 
eene ware bevruchting geschiedt, en zoo ja, op welke wijze deze plaats heeftp 

XIV. De Maatschappij verlangt eene Botanische beschrijving van het eilan. 
„Ambon. 

XVI. De proeven van Bovrienr, Prücker en anderen, hebben het bui- 
ten twijfel gesteld, dat men eenig deel van het ligchaam, zoo als de vin- 
ger of zelfs de geheele hand, als dit met eenig ligt verdampbaar vocht 
overdekt is, of ook zelfs zonder dat, als het door zweet vochtig is, zon- 
der gevaar van branden, eenige oogenblikken in gesmolten metaal, zoo 
als b. v. in gesmolten ijzer, kan houden. Men verlangt, dat dit verschijt- 
sel aan een naauwkeurig onderzoek worde onderworpen. 

XVII. Kort na de ontdekking van Dacvrrse heeft men onderzoekingen 
gedaan , om te bepalen, of de Elektriciteit invloed heeft op de voortbren- 
ging der zoogenaamde Daguerrotype-beelden, die echter tot geene bepaal 
de besluiten hebben kunnen leiden. De Maatschappij verlangt, dat men 


in dit opzigt den invloed zoowel der Statische als der Dynamische Elektri- 
citeit nader onderzoeke. 


867 


De Maâtschappij heeft goedgevonden dit jaar de volgende Natuurkundige 


vragen voor te stellen , 
OM BEANTWOORD TE WORDEN VÓÓR ÌÎ JANUARIJ 1854. 


IT. De nasporingen over de geslachts-organen der Lichenes, welke onlangs 
door de heeren H. Irzicsonn, L. R. Turassv en J.D. W. BarmnorreR ge- 
daan zijn, schijnen een geheel nieuw licht over den bouw en de verrig- 
ting dier organen te verspreiden. Bijaldien die ontdekkingen bevestigd 
worden, zal niet alleen de kennis van die afdeeling des plantenrijks op 
eene belangrijke wijze uitgebreid worden, maar zal daardoor de geheele 
leer van het dubbele geslacht in de lagere gewassen eene hoogst gewigti— 
ge aanwinst doen. De Maatschappij wenscht daartoe van hare zijde mede 
te werken en vraagt eene zorgvuldige herhaling der openbaar gemaakte 
waarnemingen, en uitbreiding derzelve op andere geslachten en soorten 
uit andere afdeelingen der Lichenes. Het komt haar daarbij wenschelijk 
voor, dat de waarnemingen door afbeeldingen en zoo mogelijk door over— 
legging der afgebeelde voorwerpen en praeparaten opgehelderd en beves- 
tigd worden. 

II. Uit latere nasporingen van Ros. Brown, Grirriru, GoerrerT en an- 
deren, over de Balanophoreën blijkt, dat de planten tot deze groep gebragt , 
in ’t algemeen eene meer volkomene struktuur, vooral van de vruchtma- 
kende organen hebben, dan vroeger werd aangenomen. De Maatschappij 
wenscht dat de kennis dier gewassen, inzonderheid ten aanzien van de ont— 
wikkeling van het ei en deszelfs bevruchting, in een of meer geslachten , 
als bijv. Rafflesia, Balanophora, Brugmansta, ter keuze van den schrij 
ver, door eigene en nieuwe onderzoekingen worde toegelicht. 

V. Daar door de proeven van C. Lupwricn (Versuche über die Beihülfe 
der Nerven zu der Speichelsecretion , Hunre Zeitschrift f. rat. Medicin, 
Neue Folge, Band 1 Heft. 2) de direkte invloed der zenuwen op de af— 
scheiding van het speeksel schijnt bewezen te zijn, vraagt de Maatschap 
pij: welke is de invloed der zenuwen op de hoeveelheid en zamenstelling 
der sekreties ook van andere organen, en hoe is die invloed het best te 
verklaren. 

VI. Welke is het nut der kliercellen in de sekretieorganen, en wat 
brengen zij toe ter bereiding en zamenstelling van het afgescheiden vocht. 
Men verlangt hierbij althans voor eenige organen een naauwkeurig onder— 
zoek van de veranderingen, die deze cellen en hare inhoud gedurende de 
sekretie ondergaan. 

VIT. Welke is de invloed der zenuwen op het ontstaan en de ontwikke- 
ling van het ontstekingsproces. Kan ontsteking en etterafscheiding wor- 
den verwekt na doórsnijding van spinaalzenuwen, hetzij boven hetzij on- 


der hun ganglion? kan sterke prikkeling van een ganglion eener spinaal— 


868 


zenuw ook eene peripherische ontsteking in de deelen, waarin die zenuw zich 
verspreidt , veroorzaken ? 

VIII. Men verlangt: eene geographische cn geologische beschrijving der 
steenkolenformatiën in Zuid-Borneo (residentie Banjermassin), benevens 
eene vermelding van de wijze van bewerking der reeds ontgonnen mijnen 
en eene ontwikkeling van de verbeteringen, die aan de geheele exploi- 
tatie zouden kunnen toegebragt worden. 

IX. Men vraagt eene beschrijving der fossile flora van eenige steenko— 
lenbeddingen in Borneo (zoo mogelijk met bijvoeging van eenige belang 
rijke specimina), en hare vergelijking met de tegenwoordige planten der 
streken waar deze beddingen voorkomen. 

X; Ook na de vele opmerkingen over het bekende verschijnsel in de 
Indische zeeën, vooral bij Nieuw Guinea, dat gewoonlijk de melkzee wordt 
genoemd, verlangt men een vernieuwd onderzoek van de oorzaken, de 
tijdstippen , rigtingen en uitwerkingen van dit natuurverschijnsel. 

XII. Veelvuldige waarnemingen van Tuurmann, medegedeeld in zijn be- 
langrijk , geologisch-kruidkundig werk: Essat de Phijtostatiqgue appliquée 
à la chaine du Jura et des contrées voisines etc. Berne 1849, hebben 
dien verdienstelijken natuurkundige tot het besluit geleid, dat de versprei- 
ding der verschillende soorten van gewassen, en derzelver meer of min 
weelderige groei, niet zoo zeer van delfstoffelijke verscheidenheid van den 
bodem , als wel van deszelfs physische en hygroskopische gesteldheid , 


meerdere of mindere vastheid, verweêring 


g, vergruizing en van het ver- 


mogen om water en lucht op te nemen en te binden; en dus meer van 
physische dan wel van chemische oorzaken, afhankelijk is. Dit besluit, 
hoewel reeds door anderen bestreden, is echter nog verre van genoegzaam 
wederlegd te zijn. De Maatschappij verlangt derhalve, dat dit onderwerp 
door verder onderzoek en door proefnemingen op onderscheidene gronden 
en gewassen worde opgehelderd , zoo dat men nader tot beslissing van het 
daaromtrent bestaand geschil gebragt worde. 

XVII. De Galvanische lichtboog, in verband gebragt met achromatische 
het licht koncentrerende glazen, geeft gelegenheid om de zoogenaamde 
Frauenhofersche strepen in het door een prisma van zuiver flintglas ge- 
vormd spectrum te onderzoeken, zoo als dit met den toestel, door den 
kundigen Parijsschen instrumentmaker Dugosc Soreir uitgedacht en zamen 
gesteld, kan worden aangetoond; en daar het uit de door dien vermaar- 
den instrumentmaker genomen proeven blijkt, dat deze strepen verschil 
end zijn, naarmate de lichtboog tusschen verschillende metalen wordt 
sevormd , zoo verlangt de Maatschappij, dat zij naauwkeurig beschreven 
worden, dat meu haar verschil, naarmate zij door verschillende metalen 
worden voortgebragt , bij ten minste vier metalen onderzoëke, en dat door 


het voortbrengen van den lichtboog, ook in het luchtledige, bepaald wor- 


669 


de, of de strepen in het spectrum, bij de verbranding der metalen , over- 
eenkomen met die, welke door den lichtboog bij den enkelen overgang 
der gloeijende stof zonder merkbare verbranding gevormd, worden voort- 
gebragt, en zoo niet, waarin zij verschillen ? 3 

XVIII. Men heeft waargenomen, dat de vonk die bij het afbreken van 
eenen Galvanischen stroom, die dooreen spiraaldraad gaat, welke om een 
week ijzeren cilinder is gewonden, versterkt wordt door den stroom, die 
op het oogenblik van het ophouden van den Magnetischen toestand van 
Het is dâarbij opmerkelijk, dat wanneer 


het ijzer in den draad ontstaat. 
de afbreking van den stroom in de onmiddellijke nabijheid van den ijzeren 
cilinder geschiedt, de vonk een veel sterker geluid veroorzaakt, dan wan- 
neer de afbreking op grooteren afstand plaats heeft, zoo als dit door den 
Amerikaanschen natuuronderzoeker Pace onder anderen is waargenomen. — 
De Maatschappij verlangt, dat men dit laatste verschijnsel door nieuwe 


proefnemingen onderzoeke en er de oorzaak van opspore. 


HISTORISCHE en LETTERKUNDIGE VRAGEN. 


De Maatschappij heeft goedgevonden de volgende vraag, waarvan de tijd 
der beantwoording op den 1 Januarij l.l. verstreken was, thans aldus te 


herhalen. 


OM BEANTWOORD TE WORDEN vóÓÓR Î JANUARIJ 1954. 


II. Men vraagt eene geschiedenis van den Maleischen volksstam , die zijn? 
el el » IJ 
vermoedelijken oorsprong, zijne takverdeeling , verbreiding en lotgevallen 
) Onde 5» ö ö » 
bijzonder in het vóór-Mohammedaansche tijdvak , zoowel door taalvergelij- 
dj d ) 6e) 
king, als uit historische mondelinge en geschrevene overleveringen en 
gedenkteekenen ontwikkelt. 

IH. Bij de groote veranderingen, die den laatsten tijd in de staatkundi— 
ge gesteldheid en de handelsbetrekkingen der aan de Stille Zuidzee aan- 
grenzende landen en daarin gelegen eilanden reeds hebben plaats gegre- 
pen , of nog vermoedelijk eerlang plaats grijpen zullen, verlangt men ont— 
wikkeld te zien, hoe het Oostelijk gedeelte van den aan Nederland ver- 
bonden Oost-Indischen Archipel door zijne ligging , geographische gesteld 

ei evolkingen en voortbrengselen, daaraan een gewigtig aandeel zou 
heid, bevolking tbrengselen , d gewigtig deel 


kunnen nemen. — 


- 


Het zal der Maatschappij aangenaam zijn , wanneer de schrijvers hunne 
antwoorden , zoo veel mogelijk is, bekorten , door alles daarvan af te la- 
ten, wat niet volstrekt tot de hoofdzaak , die zij vraagt, behoort. Zij ver=- 
langt in alles, wat men haar aanbiedt, duidelijkheid met kortheid ge- 


paard en het welbewezene, van het op losse gronden gestelde , juist on- 


870 


derscheiden te zien. — Wijders wordt herinnerd, dat, volgens besluit van 
direkteuren , geen antwoord ter beoordeeling zal worden aangenomen. het- 
welk blijkt met de eigen hand des schrijvers geschreven te zijn, en zelfs 
zal eene toegewezene medaille niet kunnen worden afgegeven, wanneer 
na de toewijzing de hand des schrijvers in het bekroonde stuk duidelijk 
erkend wordt, alsmede dat geene verhandeling, welke grootendeels tot 
eene voorlezing gediend heeft, ter beoordeeling bij de Maatschappij kan 
aangenomen worden, en dat, wanneer men dit van een reeds gunstig 
beoordeeld stuk mogt ontdekken, alsdan het daaromtrent genomen besluit 
zou vervallen. 

De naambiljetten der onbekroonde Verhandelingen zullen ongeopend ver- 
nietigd worden; hiervan zullen echter de biljetten uitgezonderd zijn, wel- 
ke bij Verhandelingen behooren, die bevonden zullen worden uit gedrukte 
werken overgeschreven te zijn; wanneer integendeel de namen der schrij 
vers openlijk zullen bekend gemaakt worden. 

Het staat ook aan elk lid vrij naar den prijs te dingen, onder voor- 
waarde dat zijne Verhandeling, gelijk mede het biljet, met de letter ZL. 
geteekend zij. 

De antwoorden moeten duidelijk geschreven, met een verzegeld biljet, 
des schrijvers naam bevattende, in het Nederduitsch, Fransch, Latijn, 
Engelsch, Italiaansch of Hoogduitsch (doch met geene Hoogduitsche let- 
ter), FRANCO gezonden worden aan den sekretaris der Maatschappij, den 
hoogteeraar J. G. Ss. VAN BREDA, te Maarlem. 

De eereprijs der Maatschappij voor het voldoende antwoord op elk van 
hare vragen, is eene Gouden Medaille, op den gewonen stempel der Maat 
schappij geslagen, met den naam van den schrijver en het jaartal op den 
rand, of Monderdvijftig guldens, ter keuze van den schrijver, en nog 
daarenboven , indien het antwoord zulks waardig geoordeeld wordt, eene 
premie van Monderd-vijftig guldens. — Het zal dengene, die den prijs be- 
halen zal, niet vrijstaan, zijne Verhandeling, welke bekroond is, hetzij 
afzonderlijk of bij eenig werk, te doen drukken, zonder de uitdrukkelijke 


toestemming van de Maatschappij daartoe te hebben bekomen. , 


871 


Tentoonstelling te Batavia, te houden in 1853. 


Blijkens het berigt, voorkomende op pag. 647 van dezen 


jaargang, beliepen de inschrijvingen. À . f 19895. — 

Sedert zijn nog de volgende ingekomen, als: 
van Batavia. 8 4 Ki , d „916. — 
„ Japara. : ° \ d bad 42, — 
„ Sberabaja. .… Wer REDE ee 
„ Soerakarta. (het hof) é É … „ 1251. — 
„ Padang. ‘ E À ’ Ì . „ 105. — 
„ Madioen. \ 4 N Á . „ 1812. 40 
Nienado.  . À s î ER WO Er 
„ Benkoelen. .… B , ; k rn Pho rie 
„ Banda. : E ; kn Bs 40. — 
24522.40 


Daarentegen is gebleken dat de inschrijving te 
Bezoeki te hoog is opgegeven. _ Í Jons 


Zoodat de inschrijvingen nu beloopen. … f_ 2449740 
terwijl nog eenige worden te gemoet gezien van Batavia, Pa- 
lembang, van de Westerafdeeling van Borneo en van Menado. 

De ruime inschrijvingen in de binnenlanden van Java getui- 
gen van de warme belangstelling der Europesche, zoowel als 
van de inlandsche ingezetenen van Java. Zoodra het program- 
ma in de Javasche taal gepubliceerd en het doel der tentoon- 
stelling aan de leden des hofs te Soerakarta bekend was ge- 
maakt, werd door Z. H. den soesoehoenan persoonlijk inge= 
schreven eene som van f 600 en door de overige rijksgrooten 
nog f 651. 

Aan deheeren A. Fraser, H. L. Dreereman, C. F. Winter , en 
E. Nerscaer zijn de vertalingen van het programma in de En- 
gelsche, Fransche, Javasche en Maleische talen te danken; hier- 
door is de bekendheid en het juiste begrip van het doel der 
tentoonstelling zeer bevorderd. 

Ten gevolge van eene openlijke uitnoodiging ter erlanging 
van projekten voor een tentoonstellingsgebouw, zijn vijf projek- 


HI. 66 


872 


ten ingekomen, opgemaakt door de heeren Brommestein, J. Prins, 
één geteekend Z., één met de spreuk „doe wel en zie niet om” 
en één van den heer Horm, welk laatste evenwel de termen 
overschreed, welke voor de kosten der oprigting waren gesteld. 

Deze projekten, waarvan eenige groote verdiensten bezitten, 
benevens het reeds vroeger door den heer CG. T. DEeeLEMAN aan- 
gebodene, zijn gesteld in handen van een kommittee, bestaan- 
de uit de heeren Jhr. RK. G. B. pr VAINES VAN BRaKELL, Js Trou, 
leden der kommissie voor den tentoonstelling, en den heer J. 
VAN STAVEREN, kapitein der genie , welke laatste op uitnoodiging 
der kommissie wel heeft willen deel nemen aan dit kommittee. 
Aan deze heeren werd opgedragen om eene keuze te doen uit 
de ingekomene projekten of, des vereischt, wijzigingen voor te 
stelien. 

Na een grondig onderzoek betreffende de uitvoerbaarheid van 
de verschillende projekten, zoo met betrekking tot de kosten, 
als tot den tijd voor den bouw benoodigd, heeft genoemd 
kommittee vermeend den voorkeur te moeten toekennen aan 
het projekt van den heer C. T. Dezreman, nadat het, in over- 
leg met dien heer eenigzins was gewijzigd. De kommissie heeft 
zich geheel vereenigd met het rapport van het kommittee en 
men is dadelijk overgegaan tot de daarstelling van het gebouw, 
„hetwelk wordt opgerigt aan den n. o. hoek van het Konings- 
plein, nabij de citadel. De heer C. T. DreremAN heeft op zich 
genomen om den bouw te besturen. 

Het gebouw zal met het front naar de citadel gerigt worden 
en bestaan uit een’ buitenmuur voorzien van talrijke ramen, 
omvattende een langwerpig vierkant, ter lengte van 260 en _ 
ter breedte van 212 voeten; tegen de binnenzijde van den muur 
wordt eene met pannen gedekte gaanderij van 40 voeten breed- 
te opgerigt, terwijl de inwendige ruimte, des vereischt, kan 
worden aangewend om meerdere overdekte lootsen op te rig- 
ten. De gaanderij biedt eene overdekte ruimte aan van 3000 
vierk. ned. ellen. 

Van vele residentiën zijn reeds de opgaven ontvangen betref= 
fende de voorwerpen, welke voor de tentoonstelling kunnen 


worden verkregen, hetzij door vrijwillige inzending, of wel 
door dadelijken inkoop. 

Bijna allerwege ondervindt de kommissie de meest welwil- 
lende medewerking van de verschillende kommittee’s en elders 
van de residenten. Het aantal voorwerpen, dat voor de tentoon- 
stelling wordt aangeboden, hetzij ten geschenke of in leen of 
wel om te worden te geïde gemaakt, overtreft zeer de ver- 
wachting en hierdoor ziet de kommissie zich in staat gesteld om 
aanzienlijke aankoopen te doen ín de buitenbezittingen, waar 
de bevolking niet zoo wel begrijpt, datook in haar belang de 
tentoonstelling plaats vindt. Door deze dankoopen vleit men 
zich de belangstelling van die volkeren voor toekomstige on- 
dernemingen van gelijken aard op te wekken. 

Het is een zeer verheugend verschijnsel, dat zonder eenige 
geldelijke ondersteuning van het gouvernement eene dergelijke 
onderneming belooft zoo wel te zullen slagen; de ruime gel- 
delijke bijdragen en de talrijkheid der voorwerpen, welke voor 
de tentoonstelling zijn aangeboden, getuigen, dat men in Indië 
algemeen bezield is met eenen geest van vooruitgang, dien men 
nog slechts weinig jaren geleden niet had durven vermoe- 
den. 

Het zou zeer te bejammeren zijn indien niet alle gewesten 
van den Archipel hunne bijdragen leverden , want hierdoor zou 
verbroken worden het algemeene overzigt, dat de tentoonstelling 
belooft ten toon te zullen spreiden. Het is te hopen dat de 
weinigen, die nog achterlijk zijn gebleven in het hunne toe 
te brengen tot het welslagen dezer onderneming, de overtui- 
‚ging zullen erlangen van hare nuttige strekking. Wij zouden het 
zeer betreuren te moeten melden , dat uit deze of geene residentie 
geene voorwerpen naar de tentoonstelling waren gezonden. 

De heeren S. D. Scuier, J. TrouPp, E. W. Crauerus en A. 
Fraser hebben zich belast met het ontvangen en innemen der 
voorwerpen. De schout bij nacht kommandant van Z. M. zeemagt 
in O. Indië heeft de kommanderende officieren van Z. M. stoom- 
schepen uitgenoodigd om behulpzaam te willen zijn in het over- 
‚voeren van voorwerpen voor de tentoonstelling en ook de fak- 


e 


874 


torij der Ned. Handelmaatschappij heeft aan hare agenten het- 
zelfde verzoek gedaan. 

De heeren Dr. P. Brreken, P. J. Maren en H. L. Drrreman 
hebben op zich genomen om een ontwerp te maken betreffen- 
de de inrigting van eenen katalogus. 


Geschenken aan de V sreeniging. 
Boek werken. 


Oratio de regno vegetabili in telluris superficie mutanda efficaci, quam 
publice habuit die IT m. Martii 1846 quum in athenaeo illustri am- 
stelaedamensì medicinae et botanices professionem ordinariam auspica-— 
retur F. A. G. Mrover. Amstel. 1846. 4e. (van den schrijver). 

Cycadeae quaedam americanae , partim novae. Descripsit F. A. G. Mrover. 
Amsterd. 1851 4e. (van den schrijver). 

Fungorum aliquot exoticorum recensio, scripsit F. A.G. Mrover. (Uit Tijd- 
schr. Wis- en Natuurk. Wetenschappen. Dl. V.). 8°. (van den schrij 
ver). 

Animadversiones in Piperaceas herbarii Hookeriani auctore F. A.G. Mrover. 
(van den schrijver). 

Manipulus stirpium Blanchetianarum in Brasilia collectarum, determinavit 
F. A.G. Mrover. (Uit de Linnaea). 8”. (van den schrijver). 

Symbolae ad Floram surinameusem, scripsit F. A.G. Migver. (Uit de Lin- 
nea.) 80. (van den schrijver). 

De Noord Nederlandsche vegetatie in hare hoofdtrekken vergeleken met die 
der Pruissische Rijn -— provincie door f. A. W. Mrover. 1837. 8°. 
(van den schrijver). 

Fungorum species novae surinamenses scripsit C. Moxracxe. Uit het Tijd- 
schrift voor de Wis- en Natuurk. Wetenschappen DI. IV. 8°. — Van 
het korresponderend lid den hoogleeraar F. A. W. Miover). 

Flora Belgii septentrionalis sive Florae Batavae compendium. Vol. II. Pars 
II. continens Lichenes quos elaboravit H. C. van Harr et Algas, quas 
elaboravit F. A. G. Mrover. Amsterd. 1840. 8e. (van het korrespon- 
derend lid F. A. W. Miover). — Vol, II. Pars IT. Egquisetaceae, Fili- 
ces, Marsiliaceae, Lycopodiaceae, Musci et Hepaticae, elaboratae studio 
F. A. G. Mrover et M. Dassen, edidit, emendavit atque praefatus est_ 
H. C. var Harr, Amsterd. 1832. 8°. (van den heer Brreken). — Vol. 


1. Pars II., continens Plantas phanerogamicas in Batavo solo repertas 


875 


post primi voluminis editionem, anni 1825, auctore H.C. van Haurs 
Amst. 1836 8. (van den heer Brerker). 

Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asìa, edited bij J. R. Locar 
vol. VI 1852 No. VIT and VIII (van de redaktie). 

Biang-lala, Indisch leeskabinet tot aangenaam en gezellig onderhoud, on- 
der redaktie van W.L. Rrrrer en L.J. A. Torrens, Jaargang Ï, 
Batavia 1852, 80., aflevering V en VI. (van de redaktie). 

Astronomical observations, made under the direction of M. F. Mavar, Lieut. 
Un. St. Navy, during the year 1846, at the National observatory , 
Washington, published by authority of the secretary of the Navy, 
Washington, 1851 4°. (van den schrijver). 

Maury’s Sailing directions. Third edition, improved and enlarged. 1851. 
Washington, 4°. (van den schrijver). 

On the establishment of an universal system of Meteorological observations 
by Sea and Land. Washington. 1851. (van den heer M, F. Mavrr, 
luit. bij de Marine van de Vereenigde staten van N. Amerika, super 
intendant van het Nationaal observatorium te Washington). 

Oeuvres de Marrorre, imprimés sur les exemplaires les plus exacts et les 
plus complets. La Haije, 1740. (van den heer J. Hacrman Jcz). 
Chymie expérimentale etraisonnée par M. Baum; Paris 1773. (van den heer 

J. Haeruar Jcz). 

Lecons de physique expérimentale sur l’ équilibre des liqueurs et sur 
Ja nature et les propriétés de l'air, traduites de l’ Anglais de R.-Cô- 
res, professeur de physique expérimentale à Cambridge; Paris, 1762. 
(van den heer J. Haceman Jcz.). 

Lectures in experimental philosophy, by Norrer, London, 4748. (van den 
heer J. Haceman Jcz.). 

Amusement philosophique sur le language des bètes, par le père Boueranr; 
La Haije, 1739. 8°. (van den heer J. Haceman Jcz.). 

Catalogue de 501 étoiles, suivi de tables relativesed’ aberration et de nu- 
tation, par A. Caerorr; Modène, 1807. (van den heer J. Haceman Jcz.). 

Annuaire de Chimie, comprenant les applications de cette science à la 
médecine et à la pharmacie ou Répertoire des découvertes et des nou- 
vraux travaux en chimie, par B. Mrirrox et J. Reiser avec la col- 
laboration du docteur F. Hoeren. Paris 1845. (van den heer J. Hacuman 
Jez.). 

Loix du magnétisme, comparées aux observations et aux expériences dans 
les différentes parties du globe terrestre, pour perfectionner la théo- 
rie générale de l’ aimant, et indiquer par là les courbes magnétiques 
qu’on cherche à la mer, sur les cartes réduites, par M. Le Mornren. 
Paris 1776. (van den heer J. Haceman Jcz.). 

Handleiding tot de kennis der Natuur, uitgegeven door de Maatschappy tot 


Nut van ’talgemeen. Leiden 1851. 89. (van den heer J. Haceman Joz.). 
Ed 


676 


Het regt in Nederlandsch Indië. Regtskundig tijdschrift. Jaarg. IV 1852., 
Batavia 80. (van de redaktie). 

Wind and currrent chart of the North Atlantic, by M. F. Mauris. 1850, 
Thermal Sh. No. 1-8. (van den heer M. F. Mauris). 

Whale chart by M. F. Mavar. 1851. (Preliminary sketch). (van id.) 

Wind and current chart, Whale Sh. No. 1-4 by id. (van id.) 


AE » » of the North Atlantic in 8 Sh., byid. (van id.) 
Te, » » of the South Atlantic in 4 Sh., by id. (van id.) 
STN » » of the South Pacific Sh. No. 10, byid. (van id.) 


Pilot Chart of the North Atlantic in 2 Sh., by id. (van id.) 
» » » South Atlantic in 2 Sh., by id. (van id.) 
wp » South Pacific Sh. No. 6, by id. (van id.) 
oee » Coast of Brazil, by id. (van id.) 
Trade wind chart of the Atlantic Ocean, by id. (van id.) 
Chart illustrative of the Cruise of the American Arctic expedition in search 
of Sir Jour Fraxxrin in the years 1850 & 1851, fitted out by Grin- 
weLL of New York, compiled by G. P. Wersu U. S. N. (van id.) 


Overleden. 


De heer P. Jakres, Lid der Vereeniging, op reis naar Nederland. 


ennen mmm 


INDEX SPECIERUM PISCIUM MArAYO-MOLUCCENSIUM IN VOLUMINIBUS 


DO eb 


10. 


18. Cheilodipterus quinquelineatus CV, III p. 
253. 


19 


20. 
21. 
22. 


25 


24. 
25. 


26. 
27. 


AS 


I, II er III Drarir Socieraris SCIENTIARUM INDO-BATAVAE 


DESCRIPTARUM, ADJECTIS LOCIS HABITATIONIS. 


‚ Labrax waigiensis CV. III p. 479. 


. Apogon amblyuropterus Blkr. III p. 695. 


Cantoris Blkr. II p. 479. 
ceramensis Blkr. III p. 256. 
chrysosoma Blkr. III p. 256. 
chrysotaenia Blkr. Il p. 168. 
endekataenia Blkr. III p. 449. 
Hartzfeldii Blkr. III p. 254. 
kalosoma Blkr. III p. 448. 


macropteroïdes Blkr. III p. 724. 
macropterus K. v. H. II p. 168. 


novemfasciatus Blkr. III p. 163. 


orbicularis K. v. H. III p. 254. 
punctulatus Rüpp. III p. 696. 
rhodopterus Blkr. III p. 62. 
roseipinnis CV. III p. 253. 


vittiger Benn. (sub nom. Ap. mela— 


norhynchos Blkr.) III p. 255. 


. Ambassis apogonoïdes Blkr. II p. 200. 


» 


» 


» 


interrupta Blkr. III p. 696. 
urotaenia Blkr. III p. 257. 
Wolffii Blkr. I p. 9. 


„ Serranus amboinensis Blkr. III p. 258. 


» 


» 


» 


D 


aurantius CV. III p. 571. 
celebicus Blkr. II p. 217. 


Kunhardtii Blkr. II p. 169. 
microprion Blkr, II p. 552. 


Banka, Rio, Singapore. 

Ceram. 

Rio. 

Ceram. 

Amboina, Ceram. 

Java. 

Banka. 

Amboina. 

Banka. 

Lepar. 

Java, Sumatra. 

Bali, 
Timor. 


Lepar, Sumatra, 
Ceram. 

Ceram. 

Singapore. 


Amboina. 
Ceram. 


Amboina, Ternate. 
Borneo, fluv. 

Ceram , Java. 

Amboina, Banka, Ceram. 
Borneo, Sumatra, fluv. 
Amboina. 
Sumatra. 
Banka , 


Sumatra. 


Celebes, Java, 


Sumatra. 


Amboina, Java, Ternate. 


878 


‚ Serranus punctulatus CV. II p. 570. 


» 


» 


rhyncholepis Blkr. III p. 749. 
. Mesoprion amboinensis Blkr. III p. 259. 
bottonensis Blkr. IT p. 170. 


chrysotaenia Blkr. II p. 170. 
coeruleopunctatus Blkr. II p. 169. 
fulviflamma Blkr. III p. 553. 


jaathinuropterus Blkr. III p. 751. 
macolor Blkr. III p. 752. 
marginatus Blkr. IT p. 556. 


* melanospilos Blkr. III p. 750. 
quadriguttatus Blkr. II p- 239. 
. Myriodon scorpaenoïdes Bris. Barnev. Il p. 


480. 


. Cirrhites pantherinus CV. II p. 232. 
. Helotes sexlineatus CV. II p. 171. 


. Dules marginatus CV. III p. 573. 
‚ Priacanthus carolinus CV. II p. 235. 


4 


» 


» 


» 


» 


Blochii (sub nom. Pr. japonicus 


CV?) II p. 174. 


Schmittii Blkr. III p. 572. 
. Mijcipristis microphthalmus Blkr. III p. 261. 
parvidens CV.? III p. 260. 
pralinius CV. II p. 234. 
violaceus Blkr. II p. 234. 


‚ Holocentrum diadema CV. III p. 259. 


» 


>» 


operculare CV. II p. 233. 
sammara CV. III p. 555. 


‚ Percis cijlindrica CV. II p. 235. 


. Polijnemuslongifilis CV. Ip. 268.1lIp. 418. 
macronema Blkr. III p. 419. 


” 


> 


» 


> 


D 


> 


microstoma Blkr. IT p. 217. 
polijdactijlus Blkr. III p. 417. 
„ Upeneus barherinoïdes Blkr. III p. 262. 
barberinus CV. II p. 172. 


Brandesii Blkr. II p. 236. 
trifascìatus CV. IT p. 237. 


Sumatra, Ternate. 

Celebes. 

Amboina. 

Amboina, Celebes, Ceram 
Sumatra. 

Java, Rio, Singapore. 

Celebes, Sumatra. 

Amboina, Banka, Java, 
Sumatra. 

Celebes. 

Celebes. 

Amboina, Ceram, Java, 
Sumatra. 

Celebes. 

Banda, Celebes, Sumatra. 


Rio, Singapore. 

Banda. 

Biliton , 
Singapore. 


Ceram, Rio, 
Sumatra. 

Amboina, Banda. 
Amboina, Sumatra. 


Sumatra. 

Amboina. 

Amboina. 

Banda, Celebes, Ternate. 

Banda. 

Amboina. 

Banda, Sumatra. 

Amboina , Ceram , Su- 
matra , Sumbawa. 

Ämboina, Banda. 

Borneo , Sumatra, fluv. 

Borneo, fluv. mar. 

Celebes, Ceram. 

Borneo, fluv. 

Celebes, Ceram, Ternate. 

Banda, Ceram, Java, Su- 
maire. 

Banda. 


Banda. 


100. 


079 


‚ Mulloïdes flavolineatus Blkr. III p. 697. 
. Trigla Brandesii Blkr. 1 p. 24. 


65. Peristedion moluccense Blkr. IT p. 24. 
66. Dactijlopterus orientalis CV. III p. 264. 
67. Platijcephalus isacanthus CV. II p. 48í, 
III p. 63. 
63. » punctatus CV. I p. 25. 
69. Pteroïs brachijpterus CV. IIL p. 265. 
70. » _ kodipungi Blkr. III p. 450. 
71. » zebra CV, IH p. 265. 
72. Scorpaena aplodactijlos Bìkr. III p. 265. 
73. » bandanensis Blkr. II p. 237. 
74. » diabolus CV, III p. 266. 
Ja » polijlepis Blkr. IL p. 173. 
76. Apistus alatus CV. IT p. 174. 
di. » amblijcephalus Blkr. IT p. 27. 
78. » depressifrons Richards. (sub nom. 
Ap. binotopterus Blkr.)I p. 26. 
da. » dermacanthus Blkr. HI p. 268. 
80. » fusco-virens CV. III p: 269. 
81. » hijpselopterus Blkr. IT p. 258. 
82. » maacracanthus Blkr. III p. 267. 
88. » melas Blkr. T p. 26. 
84. » plagiometopon Blkr. III p. 758. 
85. » taenianotus CV, III p. 758. 
86. Sijnanzeia asteroblepa Richards. Ill p. 419. 
87. Otolithus borneënsis Blkr. 1 p. 263. 
88. » lateoïdes Blkr. IT p. 98. 
89. » macrophthalmus I p. 99. 
90. » microdon Blkr. 1 p. 99. 
91. Corvina plagiostoma Blkr. I p. 100. 
92. » polijkladiskos Blkr. Il p. 420. 
93. » sampitensis Blkr. III. p. 421. 
4. » trachijcephalus Blkr. T p. 269, 11 
p. 200. 
5: » Wolfii Blkr. IL p. 66. 
„96. Pristipoma therapon Blkr. I p. 100. 


„ Pristipomoïdes tijpus Blkr. II p. 574. 
93. 
„ Lobotes hexazona Blkr. (Coius binotatus Gray) 


Diagramma polijtaenia Blkr. IIl 755. 


lp. 9. 
» mieroprion Blkr. II p. 175. 


Ceram. 
Banda. 
Banda. 


Amboina, Banda, Cele- 


bes, Ceram. 


Amboina 


‚ Banka , Java: 


Celebes, Rio, Singapore. 


Amboina, Ceram. 


Banka , Java, Sumatra. 


Amboina, Ceram. 
Ceram. 
Banda. 


Amboina, Ceram. 


Amboina, Sumatra. 


Java. 


Sumatra. 


Java , Sumatra. 


Ceram. 


Amboina, Banda, Ceram. 


Banda. 

Ceram. 
Sumatra. 
Celebes. 
Celebes. 
Borneo , fluv. mar. 
Borneo, fluv. 
Java. 

Banka , Java. 
Java, Madura. 
Java, Madura. 
Borneo, fluv. 
Borneo. 


Borneo, fluv. 


Borneo , fluv. 
Celebes, Java. 
Sumatra. 


Celebes. 


Borneo, Sumatra, 


Java. 


fluv. 


860 


101. Seolopsides leucotaenia Blkr. III p. 451. Banka. 


102. » personatus CV. IL p. 575. Sumatra. 

103. Malacanthúüs taeniatus CV. [l p. 218. Celebes. 

104. Girella sarissophorus Cant. IL p. 64. Singapore. 

105. Heteroguathodon macrurus Blkr; 1 p. 101. Java. 

HOES op nemurus Blkr. II p. 754. Celebes. 

107. » xanthopleura Blkr. Ip.101. Celebes, Java, Sumatra. 

108. Pentapus setosus CV. Il p. 175. Banka, Biliton, Java, Sin- 
gapore. 

109. Pagrus longifilis CV. IIL p. 756. Celebes. 

110. Dentex Blochii Blkr. Il p. 176. Java. 

NE lethrinoïdes Blkr. Ll p. 02. Java, Sumatra. 

Ti » microdon Blkr, II p. 219. Celebes. 

1läg orn mulloïdes Blkr. HI p. 576. Sumatra. 

1E ONNA à nematopus Blkr. Il p. 219. Celebes. 

dl. upeneoïdes Blkr. IL p. 725. Banka. 

116. Lethrinus latifrons Rúpp. IL p. 220. Celebes, Ceram. 

dz, » rhodopterus Blkr, II p. 65. Singapore. 

118. » xanthotaenia Blkr. II p. 176. Ceram, Java, Sumatra. 

119. Caesio lunaris Ehr. Il p. 177. Java. 

120. » _ pinjalo Blkr. I p. 108. Celebes, Java, Sumatra. 

121. Emmelichthijs leucogrammicus Blkr. Ip. 103. Amboina, Celebes. 

122. Gerres abbreviatus Blkr. I p. 108. Banka, Ceram, Java, Su- 
matra. 

123. » _kapas Blkr. II p. 482. Banka, Java, Rio, Ti- 
mor. 

124. Pentaprion gerreoïdes Blkr. I p. 105. Java. 

125. Chaetodon baronessa CV. II p. 239. Amboina, Banka, Ceram, 
Java. 

126 ‚»n dorsalis Rwdt. II p. 240. Banda. 

127. » nesogallieus CV. I p. 241. Amboina, Banka, Cele- 
bes, Java, Ternate. 

128. » oligacanthus Blkr. I p. 105. Banda. 

129. » pictus Forsk. II p. 177. Amboina, Banda. 

150. » punctato-fasciatus CV. II p. 238. Suraatra. 


131. » speculum K. v. H. II p. 242. Banda. 
132. » strigangulus Soland. II p. 239. Amboina, Banka. 


135. » unimaculatus Bl. IT p. 241. Banda. 
134. Holacanthus dux Lac. HI p. 757. Celebes. 
135. » __ imperator CV. III p. 758. Celebes. 
136. » semieirculatus CV. III p. 452. Amboina, Banka. 


137. Holacanthus trimaculatus Lacép. II p. 242. Banda. 
138. Platax Boersii Blkr. III p. 758. Celebes. 


139. 
140. 
141. 
142. 
145. 
144. 
145. 
146. 


147. 


148. 
149. 
150. 


151. 
152. 
155. 
154. 
155. 
156. 
157. 
158. 
159. 


160. 
161. 
162. 


165. 
164. 


165. 
166. 
167. 
168. 


169. 


170. 
171. 
172. 
175. 
174, 


881 


Platax gampret Blkr. 1 p. 105. 

» xanthopus Blkr. I p. 105. 
Pimelepterus altipinnis CV. II p. 727. 
Pempheris oualensis IT p. 242. 

Anabas variegatus Blkr. IT p. 220. 
Polijacanthus Einthovenii Blkr. II p. 423. 
Trichopus Leerii Blkr. II p. 577. 

» striatus Blkr. 1 p. 106, 


Betta anabatoïdes Blkr. IT p. 269. 


» trifasciata Blkr. I p. 107. 


Ophicephalus bankanensis Blkr, IL p. 726. 


» marulioïdes Blkr. IL p. 424. 


» melasoma Blkr. IL p. 424. 


» pleurophthalmus Blkr. Ip. 270. 
» polijlepis Blkr. III p. 578. 

» rhodotaenia Blkr. II p. 425. 

» urophthalmus Blkr. HI p. 578. 


Scomber brachijsoma Blkr. I p. 356. 
Thijnnus tonggol Blkr. I p. 356. 
Cijbium Croockewitii Blkr. T p. 161. 
» konam Blkr. [ p. 357. 
Decapterus kurra Blkr. I p. 358. 
» macrosoma Blkr, IT p. 358, 
Selar brevis Blkr. I p. 364. 
» _ Hasseltii Blkr. I p. 359. 
» _Kuhliüi Blkr. IT p. 360. 


» « macrurus Blkr. I p. 559. 
» _malam Blkr. I p. 362. 
Caranx cynodon Blkr. IL p. 362. 
» -— Forsteri CV, III p. 164. 


Carangichthys typus Blkr. III p. 760. 
Carangoïdes atropus Blkr. I p. 366. 
» chrysophryoïdes Blkr. IT p. 366. 
» dinema Blkr. I p. 365. 
» fulvoguttatus Blkr. Il p. 178. 
» gymnostethoïdes Blkr. T p. 364. 


Java, Singapore. 

Java. 

Banka. 

Banda, Java. 

Celebes , fluv. 

Borneo , fluv. 

Sumatra, fluv. 

Borneo, Java, Sumatra, 
fluv. } 

Banka, Biliton, Borneo, 
fluv. 

Banka, Java, fluv. 

Banka, fluv. 

Banka, Biliton, Borneo, 
fluv. 

Borneo , fluv.. 

Borneo, fluv. 

Sumatra, fluv. 

Borneo, fluv. 

Sumatra, fluv, 

Java. 

Java. 

Banka. 

Banka, Java. 

Celebes, Java. 

Java. 

Java. 

Banka, Celebes, Java. 

Banka, Borneo, Celebes, 
Java , Madura, Singa- 
pore , Sumatra. 

Java, Sumatra. 

Banka, Java, Rio. 

Java, Sumatra. 

Amboina, Borneo, Cele- 
bes , Java, Sumatra, 
Timor. 

Celebes. 

Java, Madura, Singapore. 

Java. 

Java. 

Java. 


Java. 


180. Stromateus niger Bl. I p. 870. 

181. Stromateoïdes atoukoia Blkr. [ p. 369. 

182. » cinereus Blkr. IT p. 368. 

183. Equula bindoïdes Blkr. IT p. 372. 

184. » filigera CV. III 165. 

185. » gerreoïdes Blkr. I p. 371. 

186. Mastacembelus erythrotaenia Blkr. IF p. 10. 

187. » maculatus CV. III p. 93. 

188. Amphacanthus canaliculatus Bl? III p. 580. 

189. » chrysospilos Blkr. III p. 66. 

190. » Kopsii Blkr. II p. 483. 

191. Acanthurus celebicus Blkr. III p. 162. 

192. » humeralis CV. III p. 762. 

193. » melanurus CV. III p. 271. 

194. » pentazona Blkr. I p. 107. 

195. » scopas CV. II p. 348. 

196. Naseus lituratus CV. III p. 763. 

197. Priodon annularis CV. III p. 558. 

198. » amboinensis Blkr. (sub nom. Keris 
amboin.). III p. 272. 

199. Atherina brachypterus Blkr. II p. 245. 

200 » duodecimalis CV. II p. 485. 

201. Mugil borneënsis Blkr. II p. 201. 

202 » ceramensis Blkr. HI p. 699. 

205. » coeruleomaculatus Lacép. III p. 484. 

204. » cunnesius CV, III p. 454. 

205. » melanochir K. v. H. UI p. 425. 
206. » oligolepis Blkr. (sub nomin. Mug. 
macrolepis Blkr.) HI p. 422. 
207. » parsia Ham. Buch. ? III p. 166. 

208. Petroskirtes anema Blkr. III p. 273. 


» 


>» 


» 


» 


882 


. Carangoïdes hemigymnostethus Blkr. 1 p. 364. 
ophthalmotaenia Blkr. III p. 270. 


praeustus Blkr. I p. 363. 


talamparoïdes Blkr. IL p. 579. 


„ Leioglossus carangoïdes Blkr. | p. 367. 


bankanensis Blkr. III p. 727. 


Java. 

Amboina. 

Banka, Java, Rio. 

Sumatra. 

Java, Sumatra. 

Java, Madura , Singapore, 
Sumatra. 

Banka, Java, Madura. 

Java , Singapore. 

Celebes, Java. 

Banka, Borneo, Java, 
Rio, Sumatra, Timor. 

Borneo , Java. 

Borneo, Sumatra, fluv. 

Biliton, Java, Sumatra, 
fluv. 

Sumatra. 

Singapore. 

Amboina; Banka, Rio. 

Celebes. 

Celebes. 

Amboina, Ceram. 

Java. 

Solor. 

Celebes. 

Amboina. 


Amboina, Ceram. 

Banda. 

Banka, Java, Rio, Su- 
matra, 

Borneo, fluv., Rio, Su- 
matra,. * 

Ceram , Sumatra. 

Java, Rio, Sumatra. 

Banka, Java, Sumatra. 

Banka , 
Madura , Sumatra. 


Borneo, Java, 


Borneo , mar. fluv. 
Java, Timor. 
Amboina. 

Banka. 


885 


210. Petroskirtes mitratus Rúpp. II p. 244. Banda. 
211. » rhinorhynchos Blkr. III p. 273. Ceram. 
212. » Temminckii Blkr. IL p. 248. Banda, Ternate. 
213. Salarias ceramensis Blkr. UI p. 70í. Ceram. 
214. > Forsteri CV. I p. 255. Sumatra. 
215. gibbifrons QG. I p. 256. Sumatra. 
216. » Hasseltii Blkr. IT p. 257, Java. 
217. » Kuhlii Blkr. I p. 258. Java. 
213. » Oortii Blkr. I p. 257. Java. 
219, » Raaltenii Blkr. IT p. 257. Java. 
220. » sumatranus Blkr. Í p. 256. Sumatra. 
221. Opistognathus Sonneratii CV. II p. 224. Celebes. 
222. Gobius anjerensis Blkr. I p. 251. Java. 
223. » borneënsis Blkr. IT p. 10. Borneo, fluv. 
224. caninoïdes Blkr. III p. 274. Amboina. 
225, » ceramensis Blkr. III p. 704. Ceram. 
226. » eriniger CV. III p. 453. Banka. 
227. » Fontanesii Blkr. III p. 764, Celebes. 
223. » Goldmannii Blkr, III p. 167. Timor. 
229, » Hoevenii Blkr. II p. 426. Borneo , fluv. 
230. » interstinctus Richards. III p. 275. Ceram. 
231. » janthinopterus Blkr. II p. 702. Ceram. 
252. Kuhlii Blkr. IT p. 251. Java , fluv. 
233. » melanosoma Blkr. III p. 703. Ceram. 
234. nox Blkr. I p. 248. Sumatra. 
235. padangensis Blkr. I p. 248. Sumatra. 
236. » periophthalmoïdes Blkr. IT p. 249. Sumatra. 
237. phalaena CV, II p. 244. Banda, Ceram, Timor. 
258. puntang Blkr. II p. 486. Ceram, Rio. 
239. » stethophthalmus Blkr. FT p. 248. Java. 
240. » tjilankahanensis Blkr. I p. 251. Java. 
241. » xanthosoma Blkr, III p. 703. Ceram. 
242. Apocryptes macrolepis Blkr. II p. 66. Borneo, fluv. 
243. Sicydium lagocephalum CV, (sub nom. Gob. 
_ Hasseltii Blkr.) IT p. 250. Java, Sumatra, fluv. 
244. Amblyopus urolepis Blkr. III p. 531. Sumatra, fluv. 
245. Periophthalmus argentilineatus CV. III p. 276. Ceram. 


246. » borneënsis Blkr. I p. 41. Borneo , fluv. 


247. » chrysospilos Blkr. III p. 228. Banka. 
248. » Koelreuteri CV. IT p. 252. Sumatra. 
249. Eleotris Hasseltii Blkr. IT p. 255. Java. 


250. » marmorata Blkr. III p. 424. Borneo, Sumatra, fluv. 
Want. » melanopterus Blkr. III p. 706, Celebes, Ceram. 
252. » melanosoma Blkr. III p. 705. Ceram , Sumatra. 


HI. 67 


253. Eleotris muralis QG. Ilf p. 276. Amboina, Ceram. 
254 » sexguttata CV. I p. 253. Sumatra. 
255 » urophthalmus Blkr. II p. 202. Borneo, fluv. 
256. » Wolfii Blkr. JT p. 259. Borneo, fluv. 
257, Callionymus dactylopus Ed. Bean. HI p. 559. Amboina. 
258. » filamentosus CV. III p. 278. Amboina. 
259. » melanotopterus Blkr. T p. 31. Java. 
260. » opercularioïdes Blkr. 1 p. 32. Sumatra 
el) sagitta Pall. IT p. 31. Banka, Borneo, Java. 
262, » Schaapii Blkr. IIL p. 455. Banka. 
263. Anternnarius caudimaculatus Richards. ( sub 
nom. Ant. urophthalmus Blkr.) III p. 488. Rio. 
264 » hispidus Cant. III p. 280. Ceram. 
265. __» __polyophthalmus Blkr. III p. 644. Banda. 
266. » raninus Cant. III p. 707. Ceram. 
267. Batrachus diemensis Richards. III p. 168. Ceram, Timor. 
268. » grunniens CV, II p. 484. Banka, Java, Rio. 
269. Halieutea stellata Cuv. III p. 279. Ceram , Japonia. 
270. Fistularia immaculata Comm, III p. 281. Amb., Cel., Ger., Jávs, 
Japonia. | 
271. Amphisile scutata Kl. IT p. 245. Amb., Banka, Banda, Jav., 
Tern. 
272. Nandus nebulosus Blkr. III p. 92. Banka, Biliton , luv. 
273. Catopra fasciata Blkr. IT p. 65. Bank. , Born. , Sumtr. fl. , 
274 » Grootii Blkr. III p. 90. Banka , Biliton , fluv. 
275. » nandoïdes Blkr. II p. 172. Java. 
276. Pseudochromis fuscus M. Frosch. III p. 708. Ceram. 


ze 884 


277. Cichlops melanotaenia Blkr. II p. 765. Celebes. 
278. Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. II p. 282. Amboina, Banka, Ceram Ì 
279. » chrysargurus Richards. (s.n. A. Xan- 
thurus Blkr. (nec CV). HI p. 560. Amboina, Banda. 

230. > melanopus Blkr. III p. 561. Amboina. 
231. » percula CV, III p. 287. Ceram, Lepar, Sumatra. 
282. » trifasciatus CV. III p. 767. Celebes. 
285. Pomacentrus chrysopoecilus K. v. H. III p. 284. Ceram, Java. 
284. » eyanospilos Blkr. III p. 709. Ceram. 
285. » katunko Bikr. HI p. 169. Amboina, Banka, Suma- 

tra, Ternate, Timor. _ 
286. > melanopterus Blkr. III p. 562. Amboina. 
287. » nematopterus Blkr. UI p. 285. Amboina. 
233. » pavo Lacép. II p. 247. Banda, Ceram. 
289. » prosopotaenia Blkr. IL p. 67, Java, Singapore. 
290. » prosopotaenioïdes Blkr. III p. 286. Amboina. 
291. > taeniometopon Blkr. II p. 235. Amb., Cer., Jav., Su 


292. Pomacentrus taeniops CV. IIL p. 729. 

293. Dascyllus aruanus CV. Il p. 247. 

294. » xanthosoma Blkr. IL p. 247. 

295. Glyphisodon bonang Blkr. HI p. 582. 

296. » plagiometopon Blkr. IL p. 67. 

27. » gab CVE MI p.287. 

298. » septemfasciatus CV. UI p. 582. 

299. Heliases frenatus CV.? (Glyph. bandanensis 
Blkr. IL p. 243), HI p. 710. 

900. » xanthochir Blkr. IT p. 249. 

301. Labroïdes paradiseus Blkr, Il p. 249. 

302. Crenilabrus nematopterus Blkr. II p. 250. 

903. » oligacanthus Blkr. Il p. 489, LIL p. 68. 

304. Cheilio auratus Comm. IT p. 221. 

305. » hemichrysos CV. IL p. 255. 

906. Julis (Julis) dorsalis QG. IIi p. 564. 

907. » (Halichoeres) balteatus OG. ll p. 259. 

308. » (_» ) bandanensis Blkr. H p. 254. 

309. » (_» ) binotopsis Blkr. HI p. 731. 

910. » (_» ) casturi Blkr. HI p. 768. 

311. » ( » ) dieschismenacanthus Blkr. HI p. 

645. 

EN (ext) eleaans K. v. H. IIl-p. 289. 

913. » ( _» }) Hartzfeldii Blkr. HI p. 563. 

914. » ( » ) Hoevenii Blkr. II p. 250. 

915. » ( _» }) interruptus Blkr. II p. 252. 

916. ». ( _» ) kalosoma Blkr. III p. 289. 

Pl > :( > } kawarin Blkr. III p. 172. 

818. » ( _» ) leparensis Blkr, HIE p. 730. 

919. » (_» } melanurus Blkr. IF p. 251. 

920. >» ( » )-miniatus K. v. B. II -p. 174. 

821. » (_» ) polyophthalmus Blkr. Hip. 71. 

322. » ( » ) Renardi Blkr. IT p. 253. 

929: » (+ } spilurus-Blkr. II p. 252 

Bal » ( » ) strigiventer Benn. II p. 251. 

925. » (_» ) timorensis Blkr. III p. 171. 

926. Cheilinoïdes cyanopleura Elkr. IL p. 70. 

927. Cheilinus ceramensis Blkr. IIi p. 290. 

928. » decacanthus Blkr. IT p. 256. 

929. Scarus fraenatus Lacép. II p. 770. 

930. » naevins CV. III p. 769. 

931. » singaporensis Blkr. III p. 69. 

832. Callyodon waigiensis CV. II p. 256. 


ö85 


Banka. 

Banda, Ceram, Sumatra, 
Sumbawa, Ternate. 

Banda. 

Sumatra. 

Singapore. 

Amboina, Java, Sumatra. 


Java, 


Sumatra. 


Banda, Ceram’, Java, 
Sumbawa, Ternate. 
Banda, Ternate. 


Amboina, Banda, Sumatra. 
Banda. 


Bank. Geleb., Rio, Singap. 
Banda, Ceram, Ternate. 
Amboina, Java, Sumatra. 
Banda. 

Banda, Ternate. 

Lepar , Sumatra. 

Celebes. 

Banda. 

Ceram , Java. 

Amboina. 

Banda. 

Amb., Banda, Cer., Tim. 
Amboina, Geram, Ternate. 
Timor. 

Lepar. 


Banda. 


Timor. 


Armboina, 
Bali, Sumatra, 
Lader, 
Janda. 
Banda, 
Banda. 


Timor. 


Sumatra. 


Ceram, 


Lepar. 


Java. 
Ceram. 


Celeb. 


Amboina, 
Amb. , Banda, 
Celebes. 
Celebes. 

Java, 
Bids 


Singapore. 


Banda, Ceram, 


886 


333. Wallago dinema Blkr. IT p. 202. Borneo, Sumatra, fluv. 
834. » Leerii Blkr. II p. 427. Borneo, Sumatra, fluv. 
335. Silurus apogon Blkr. IT p. 67. Borneo, fluv. 
336. » bicirrhis CV. IT p. 274. Borneo, Java, fluv. 
337. » ___eryptopterus Blkr. T p. 270. - Borneo, fluv. 
398. » __hexapterus Blkr. II p. 203. Borneo, Sumatra, fluv. 
339. » laïs Blkr. II p. 428. Borneo, fluv. 
940. » leptonema Blkr. III p. 584. Sumatra, fluv. 
341. » limpok BElkr. HI p. 585. Sumatra, fluv. 

342. » macronema Blkr. IT p. 208. Borneo, fluv. 
343. » palembangensis Blkr. III p. 584. Sumatra, fluv. 
s44. » phaiosoma Elkr. IT p. 428. Biliton, Borneo, fluv. 
945. *» phalacronotus Blkr. IT p. 429. Borneo. fluv. 
846. Pangasius hexanema Blkr. III p. 588. Java, Sumatra, fluv. 
347. » juaro Blkr, III p. 589. Sumatra, fluv. 
948. » macronema Blkr. I p. 11. Borneo, fluv. 
349. » polyuranodon Blkr. III p. 425. Borneo, fluv. 
350. » rios Blkr. IT p. 295. Borneo, fluv. 
351. Bagroïdes melanopterus Blkr. IT p. 204. Borneo, Sumatra, fluv. 
352. Bagrus hypselopterus Blkr. III p. 588. Sumatra, fluv. 


353. » poecilopterus K. v. H. (jun. s. n. 
Bagr. miceropogon Blkr., II p. 94. Biliton , Borneo, fluv. 


354. » Wolfii Blkr. II p. 205. Borneo, Sumatra, fluv. 
355. Arius borneënsis Blkr. IT p. 67. Borneo, fluv. 

356. » melanochir Blkr. HI p. 590. Sumatra , fluv. 

357. » truncatus CV. III p. 426. Borneo , mar. fluv. 

958. Ketengus typus Blkr. I p. 271. Born., fluv., Jav., Mad. — 
359. Pimelodus borneënsis Blkr. II p. 430. Borneo , fluv. 

360. » platypogon K. v. H. II p. 591. Java, Sumatra, fluv. 

361. Clarias leiacanthus Blkr. II p. 430. Borneo, fluv. 

362. » melasoma Blkr. III p. 427, Bank. , Born., Sumatr., fl. 
363. » pentapterus Blkr. II p. 206. Borneo , fluv. 

364. Heterobranchus tapeinopterus Blkr, III p. 732. Banka, Borneo, fluv. 

365. Chaca bankanensis Blkr. III p. 455, Banka, fluv. 

366, Plotosus albilabris CV. III p. 70. Singapore. 

867. » _castaneoïdes Blkr. II p. 491. Banka, Rio. 

368. Barbus bilitonensis Blkr. III p. 96. Banka, Biliton, fluv. 

369. » _gobioïdes Blkr. HI p. 592. Sumatra, fluv. 

370. » _Hoevenii Blkr. II p. 207. Borneo, Sumatra, fluv. 
971. » _ kalopterus Blkr. I p. 13. Borneo, Sumatra, fluv. 
57e Arak kusanensis Blkr. III p. 429. Borneo, fluv. À 
973. » _lateristriga CV. III p. 95. Banka, Biliton, Java, Su- — 


matra, fluv. 
374. Systomus apogon CV. III p. 428. Bank., Born. Jav. Sum., fl. 


375. 
376. 


377. 
978. 
379, 
380. 
s81. 
382. 
983. 
384. 
385. 
386, 
387. 
388. 
989. 
990. 
991. 
992. 
393. 
94. 
395. 
396. 
397. 
398. 
399. 
400. 
401. 
402. 
403. 
404. 
405. 
406. 
407. 
408. 
409. 
410. 
411. 


412. 
413. 
414. 
415. 


887 


‘ 


Systomus bulu Blkr. I p. 207. 


» melanopterus Blkr. (jun. sub nom. 
Barb. melanopterus Blkr.) Ip. 11. 


» microlepis Blkr. IT p. 12. 
» truncatus Blk, I p. 18. 
Capoeta ampalong Blkr. III p. 594. 
» enoplos Blkr, II p. 431. 
» microlepis Blkr. IT p. 206. 
» padangensis Blkr. III p. 593. 
Dangila microlepis Blkr. II p. 595. 
» spilurus Blkr. IT p. 272. 
» sumatrana Blkr. III p. 596. 
Rohita Artedii Blkr. Il p. 434. 
» cyanomelas Blkr, III p. 597, 
» enneaporos Blkr. Ill p. 596. 
» melanopleura Blkr. HI p. 430. 
» Schlegelii Blkr. 1 p. 484. 
» triporos Blkr. Ill p. 598. 
» Waandersii Blkr. III p. 735. 


Leuciscus cephalotaenia Blkr, IL p. 97. 


» dusonensis Blkr, l p. 14. 
» Einthovenii Blkr. II p. 434. 
» kalochroma Blkr. 1 p. 272. 


» oxygastroïdes Blkr. Il p. 431. 


» sumatranus Blkr. III p. 601. 
» thynnoïdes Blkr. III p. 599. 
» trinema Blkr. III p. 600. 

> uranoscopus Blkr. I p. 14. 

Cobitis barbatuloïdes Blkr. II p. 435. 

» _ hymenophysa Blkr. III p. 602. 
» Jaklesii Blkr. III p. 604. 
» _ macracanthus Blkr. III p. 603. 


Luciocephalus pulcher Bikr. I p. 273, III p. 99. 


Belone leiuroïdes Blkr. 1 p. 479. 
» leiurus Blkr. I p. 94. 
» _ melanotus Blkr. I p. 94. 
» __schismatorhynchos Blkr. T p. 95. 


Hemiramphus borneënsis Blkr. Ip. 273, II p. 


63. 
» Buffonis CV. III p. 711. 
» fluviatilis Blkr. I p. 95. 
» phaiosoma Blkr. III p. 99. 
» Quoyi CV. III p. 491. 


Borneo, Sumatra, fluv. 


Borneo, Sumatra, fluv. 
Borneo, fluv. 

Borneo, Sumatra, fluv. 
Sumatra, fluv. 

Borneo, Sumatra, fluv. 
Borneo, fluv. 
Sumatra, fluv. 
Sumatra, fluv. 

Borneo, fluv. 
Sumatra, fluv. 

Borneo, fluv. 
Sumatra, fluv. 
Sumatra, fluv. 
Sumatra, fluv. 
Borneo, fluv. 
Sumatra, fluv. 

Banka, fluv. 

Banka, Biliton, fluv. 
Borneo, Sumatra, fluv. 
Banka, Borneo, fluv. 
Borneo, fluv. 

Born. , Jav. , Sumatr., fl. 
Sumatra, fluv. 
Sumatra, fluv. 
Sumatra, fluv. 

Borneo, Sumatra, fluv. 
Borneo, fluv. 
Sumatra, fluv. 
Sumatra, fluv. 
Sumatra, fluv. 

Biliton, Borneo, fluv. 
Biliton, Singapore. 
Java. 

Java, Singapore. 


Java. 


Borneo, fluv. 

Banka, Ceram. 

Java, fluv. 

Biliton, fluv. 

Amboina, Banka, Java, 


Rio, Singapore. 


. Exocoetus oxycephalus Blkr. IT 


» 


» 


Da 


» 


» 


» 


» 


» 


» 


» 


> 


D 


» 


> 


D)/ 


> 


888 


„ Chirocentrus hypselosoma BElkr. II 


771 


E 
2 


Hasseltii Blkr. T p. 422. 


„ Dussumieria elopsoïdes Blkr. T p. 421 


pitvsl: 
ei Ik 


. Harengula dispilonotus Blkr. IL p. 456. 
‚ Clupeoïdes borneënsis Blkr. 1 p. 275. 


macassariensis Blkr. II p. 772. 


xanthopterus Blkr. IT p. 499. 
‚ Rogenia argyrotaenia Blkr, HI p. 457. 
‚ Spratella kowala Blkr. II p. 492. 


„ Sardinella clupeoïdes Blkr. UI p. 773. 
. Pellona Hoevenii Blkr. III p. 712. 
Russellii Blkr. III p. 72. 


pseudopterus Blkr. III p. 432. 


temmbang Blkr., UI p. 774. 


. Álausa ctenolepis Blkr. II p. 74. 


. Engraulis erocodilus Blkr. I p. 15. 


„ Spratelloïdes argyrotaenia Blkr. III p. 


7 


ld 
d 


ed 
Je 


enerasicholoïdes Blkr. III p. 173. 


Grayi Blkr. II p. 492. 


Pfeifferi Blkr. III p. 433. 


rhinorhynchos Blkr. III p. 434. 


tri Blkr. III p. 436. 


. Coilia borneënsis Blkr. IL p: 437. 
macrognathos Blkr. II p. 436. 
„ Chatoessus nasus CV. II p. 228. 


selangkat Blkr. III p. 458. 


Blkr. olim) 1 p. 428. 
lopis Blkr. IT p. 423. 


. Notopterus borneënsis Blkr. II p. 437. 
kapirat Blkr. (Not. Bontianpus CV. 


maculosus Blkr. 11 p. 4938. 
hypselonotus Blkr. III p. 604. 


poecilurus Blkr. III p. 295. 
sumatranus Blkr. I p. 409. 


. Osteoglossum formosum M. Schleg II p. 496. 
„ Saurida nebulosa CV. II p. 292. 
‚ Saurus synodus CV, II p. 257. 
trachinus T. Schl. III p. 291. 

. Astronesthes chrysophekadion Blkr. I p. 424. 
„ Rhombus aspilos Blkr. I p. 408. 


Celebes, Java. 

Borneo, Java, Singapore. 
Bank., Jav., Mad. , Sum. 
Java, Madura, mar. fluv. 
Banka. 


Borneo, fluv. 


„Celebes, Ternate. 


Celebes, Java, Sumatra. 
Ceram, Java, Sumatra. 
Banka, 


Madura, Singapore. 


Borneo, Java, 


Borneo, fluv. 
Banka, Java. 
Banka, Java, Rio, Sumat. 
Borneo, mar. fluv. 
Celebes, Java, Sumatra. 
Celebes, Ternate. 
Banka, Java, Singapore. 
Borneo , fluv. 
Java, Madura, Sumatra, 
Amb. Cel., Cer., Tim. 
Banka, Celebes, Ceram, 
Java, Rio, Sumatra. 
Borneo, fluv. 
Bank. , Born., Jav., Mad. 
Banka, Borneo, Java. 
Borneo, Sumatr., mar. fl. 
Borneo, mar. fluv. 
Banka, Celebes, Ceram. 
Banka, Celebes, Java. 


Borneo, fluv. 


Java, fluv. 
Borneo, Java, fluv. 
Borneo, fluv. 
Sumatra, fluv. 
Borneo , fluv. | 
Amboina, Banda, Celebes. d 
Banda. 

Amb., Bank., Cer., 
Bali. 


Java. 


Jap. 


Amboina. A 
Amb., Band., Cer., Sum. — 


889 


456. Solea maculata Cuv. I p. 409. Java. 
457. Synaptura aspilos Blkr. III p. 74. Singapore. 
458. » pan Cant (Solea pan) I p. 410. Biliton, Rio. 
459. » panoïdes Blkr. 11 p. 440. Borneo, (luv. 
460. Achirus poropterus Blkr. IT p. 410. Java, Sumatra, 
461. Achiroïdes leucorhynchos Blkr. IT p. 411. Java, fluv. 
462. » melanorhynchos Blkr. (sub. nom. 
Plagus. melanorh.) Í p. 15. Borneo, {luv. 

463. Plagusia Blochii Bìkr. I p. 4il. Java, Madura. 
464. » brachyrhynchos Blkr. I p. 414. Java, Singapore. 
465. » javanica Blkr. IT p. 414. Banka, Java. 
466. » Kopsii Blkr. II p. 494. Amboina, Rio, Sumalras 
467. » lida Blkr. Y p. 418. Celebes, Java. 
463. » macrolepidota Blkr. I p. 415. Java. 
469. » macrorhynchos Blkr. I p. 413. Java. 
470. » marmorata Blkr. IT p. 411. Celebes, Java. 
471. » melanopterus Blkr. IT p. 415. Bali, Java, Sumatra. 
472. D microlepis Blkr. I p. 418. Borneo , fluv. 
473. » oxyrhynchos Blkr. IT p. 416. Java. 
474, » quadrilineata K. v. H. I p. 412. Banka, Java, Rio, Sum. 
475. Machaerium nebulatum Blkr, III p. 76. Singapore. 
476. » reticulatum Blkr, II p. 784. Banka, Lepar. 
477. Oxybelus Brandesii Blkr. I p. 276. Banda, Ceram. 
478. Conger bagio Cant III p. 777. Celebes , Java. 
479. » talabon Cuv. III p. 77. Borneo, Java, Singapore, 
480. Ophisurus brachysoma Bkr. III p. 776, Celebes. 
481 » hypselopterus Blkr. II p. 69. Borneo , fluv. 
482. » maculosus Cuv. II p. 258. Banda. 
485 » Schaapii Blkr. III p. 735. Banka. 
484. Muraena ceramensis Blkr, III p. 297. Ceram. 
495. » ita Richards. IN p. 294. Ceram. 
486. » mieropterus Blkr. TIL p. 298. Ceram. 
487. » pseudothyrsoïdea Blkr. III p. 778. Celebes. 
483. » Richardsonii Blkr. III p. 296. Ceram , Sumatra. 
489. » __ variegata J. R. Forst. Richards. [II 

p. 295. Amboina , Ceram. 
490. Symbranchus inmaculatus Bl. (Tetrabranchus 

microphthalmus Blkr.) II p. 69. [II p. 438. Borneo, Bengala. 

491. Balistes armatus Lacép. II p. 224. Celebes. 
492. » conspicillum Bl. Schn. III p. 780. Celebes, Solor. 
495. » flavimarginatus Rupp. II p. 303. Amboina, Ceram. 
494. » lineatus Bl. Schn. IT p. 260. Amb., Band. Cel. Sumatr. 
495. » vidua Soland. HI p. 565. Amboina. 
496. Monacanthus Cantoris Blkr. UI p. 80. Banka, Java, Singapore. 


„ Monacanthus melanuropterus Blkr. III p. 781. Celebes. 
. Alutarius laevis Cuv. ITI p. 304. 
prionurus Blkr. IT p. 260. 
„ Triacanthus Blochii Blkr. III p. 81. 


» 


» 


» 


» 


890 


Nieuhofii Blkr. HI p. 459. 
oxycephalus Blkr. II p. 496. 


„ Ostracion Sebae Blkr. IL p. 259. 


tesserula Cant. III p. 305. 


‚ Diodon novemmaculatus Cuv. Ill p. 567. 


„ Tetraödon argenteus Lacép. III p. 737. 


» 


aspilos Blkr. II p. 495. 
calamaroïdes Blkr. I p. 96. 


hypselogeneion Blkr. IIT p. 300. 


kappa Russ. III p. 301. 


Kunhardtii Blkr. I, p. 97, III p. 79. 


laterna Richards. III p. 299. 


leiurus Blkr. I p. 97, III p. 440. 


margaritatus Rúpp. III p. 302. 


modestus Blkr. 1 p. í6, III p. 440. 


naritus Richards. III p. 439. 


palembangensis Blkr, III p. 605. 


testudineus Bl. III p. 78. 
virgatus Richards. III p. 299. 


‚ Syngnathus boaja Blkr. I p. 16. 


>» 


» 


» 
. Syngnathoïdes Blochii Blkr. IT p. 259. 
‚ Hippocampus kuda Blkr. III p. 82. 


» 


» 


gastrotaenia Blkr. III p. 713. 
haematopterus Blkr. II p. 259. 
heterosoma Blkr. II p. 441. 


moluccensis Blkr. III p. 806. 
taeniopterus Blkr. III p. 306. 


. Pegasus pristis Blkr. III p. 606. 


» 


volans L. III p. 307, 


. Solenostoma paradoxum Lacép III p. 309. 


‚ Ginglymostoma Rüppellii Blkr. UI p. 83. 
. Pristis zysron Blkr. III p. 441. 

. Rhinobatus armatus Gr. Hardw. III p. 85. 
‚ Trygon macrurus Blkr. III p- 607. 


» 


uarnakoïdes Blkr. III p. 738. 


é Taeniura lymma MH. HI p. 85. 
Chimaera monstrosa Le TEE p: 309. 


Ceram , Java, Sumbawa. 
Banda. 


Singapore. 


Bank., Born., Cer., Sum. 
Bank., Jav., Rio, Sumatr. 
Banda. 


Ceram. 


daden had ek oden anak he nd 


Amboina. | 
Bank. , Born., Jav. , m. fl. 
Rio. 

Java. 

Amboina, Ceram. 

Amb., Cer., Jav., Sumatr. 


| 
Jav., Rio, Sing., Sum. | 
Amboina, Sumatra. 
Borneo , Java, Sum., fluv. 
Amboina. | 
Borneo, Sumatra, fluv. | 
Borneo, mar. fluv. 
Sumatra, fluv. 
Java, Singsp., Sumatr. | 
Amboina, Ternate. 


Borneo, Sumatra, fluv. 


Ceram. 
Amb. , Band, Cer., Tern. 
Borneo, fluv. 

Amb., Band., Cer., Tern. 
Singapore. 

Amboina. 

Amboina, Banda, Ceram. 
Sumatra. 
Amboina, Ceram. 
Ceram. 

Java, Singapore. 
Borneo, fluv. 
Java, Singapore. 
Java, Sumatra. 
Banka, Java. 
Amb., Cel. , Jav., Sing: 


Ceram. 


EE Nen PEES oe 


NAKONAD ICAO UND) INHONHD DD AEENVA ONTETENDZBLUIKLS00 TO NAV ABI V HEUE IAD UE 
zer CLELD OA or Rp en src ak © Wen en en Ee Ee e, pd 8 % Ù ES [ 
Hs uodnrouy Ì | NNI 
Sf AND ae in we nr zt 4 EEP BIV ART SSS: Npe ian 
AND 
u A 


PSN ni WEES ner mt DN rts 
EN, U a nj gen 


Ber ET ens 
Zn ar ef 
5 p ES KI \ ee & en 1 


EN MH OO U D. 


N°. VIL 


Supplement-nummer. 


Brapz. 


Dr. O. Mountkr, Phijsische karakterbeschrijving der Ja- 
panezen. 


Dr. C. M. Scawanen, Reis naar en aanteekeningen betref- 
fende de Steenkolen van Batoe Belian (zuidoostkust van 
Borneo), bewerkt door Dr. J. H. Croocxewir Hz. . 


Dr. P. Brrrker, Nieuwe bijdrage tot de kennis der Ichthy- 
ologische fauna van Ceram. ; 


Idem, Nieuwe bijdrage tot de kennis der Ichthyologische 
fauna van het eiland Banka. 


Idem, Derde bijdrage tot de kennis der Ichthyologische 
fauna van Celebes. . k 5 5 6 


Dr. P. EF. H. Fromsere, Verslag van de uitkomsten der 
Melsensproeven , gedaan in de suikerfabriek Oedjoeng 
roessi, in de residentie Tagal, werkende met toestel- 
len van Derosne en Carr, in het jaar 1850. 


Dr. J. H. Croockgwitr Hz., Over de wijze van uitsmelting 
(herleiding) van den tinerts door de Chinezen op het 
eiland Banka. … N h 


P. J. Marer, Onderzoek van lood-, koper-, kwik- en ijzer- 
ertsen en van kolen, door den heer H. W. Scnwa- 
NENFELD ter Westkust van Sumatra aangetroffen. 


655 


673 
689 


115 


831 


ER Win Oe 
„nn! e ‚ . 5 8 8 pm \ $ ê, d 3 } % At eh > 
be As À Be DL 
dt P. van RouveroIs van Nues Scheikundig onderzoek 
van minerale wateren van hek eiland Bawean. PS 


D. W. Rost van ToNNINGEN, Over het scheikundig er A8 


On onead van „gesaaasche, pranten. vreet kneed 
dd PIE 


° Berigten van. verschillenden” An 7 & 
Aardbevingen op Java, in Oktober, November en De- 


cember 1852. vin ee CN 


N Aardbeving in de ‘Padangsche a, op den 
20sten Junij 1852. jk breton Te ind A 


Ld 


Uittreksel uit het programma van de Hollandsche Maat- 
schappij van Wetenschappen te Haarlem voor het 


jaar 1852. p / 5 ’ : b 864 à 


df nt SR Eed 
__ Tentoonstelling te Batavia „te houden in 1853 so 
Geschenken. aan de ien ERE f e, 


Index specierum piscium malayo-moluccensium in Volu- 
minibus 1, IL et IL Diarii Societatis Scientiarum 
Indo-Batavae descriptarum, adjectis Iocis habitationis. 


In Nederland verkrijgbaar bij den boekhandelaar 
| DER * Post te Utrecht. ini sn 
\ É e 


a 1 


RAS « d ge De, ih 


„er 
\ 
Lé 
hl 
- 
ae 
4 
F 
Pd 
2 we 
- 
N 
v 
. 
d £ 
, 
op he 
d 
r 
k . 
Del 
… 
' 
EN 
al 5 
pe 


vi 


KE Ó Ee \ Ï 
AO 


an hi 
4 


BU LIN Te P 
HAR Le 


KININE, eraf tb dd Tut 1 tik Ì Üfk mé 
it ij fb hi IN en IE ON ij ve IN \ ût it UIN LAA AEEA 
vi \ KE Kan Bk RARE MARS VR ri NAE „\ IAA ti N 
Ke AN LE Rij \ | ALI fr ' et ki ‚/ | AA } Find 
í 


Nr 
bk Wit EN 


AN EN 


ved 


en Kh! 
UN ot 
‘ 


aje 
same 
je 

éne e 


pe erder ré 
„sn 


den : 
edet pd 


er pre 
ha „re 


deni HTS $ 
at br À 
ara P en, 


È 


ter 


Seer en vee ee 
ee  endindd 
be nj ve Dee 


mp tee en 
epe oee 


ns : Ee tree 
En ne, Ten : GE enten 
nn men wpa ad 


ne en de